Wet van 11 mei 2000 tot vaststelling van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001)

Type Wet
Publication 2026-02-21
State In force
Source BWB
artikelen 516
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

rat–2: het rendement in procenten op aandelen voor het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar, bedoeld in het derde lid, welk rendement wordt gesteld op de procentuele verandering van de MSCI Europe Standard Gross Local Index aan het einde van het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar, bedoeld in het derde lid, ten opzichte van deze index aan het einde van het derde kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar, bedoeld in het derde lid.

7.

Het langetermijnrendement op obligaties, bedoeld in het derde lid, wordt gesteld op het percentage dat volgt uit de formule:

waarbij wordt verstaan onder:

rlot: het langetermijnrendement in procenten op obligaties, bedoeld in het derde lid;

rlot–1: het langetermijnrendement in procenten op obligaties voor het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar, bedoeld in het derde lid;

rot–2: het rendement in procenten op obligaties in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar, bedoeld in het derde lid, welk rendement wordt gesteld op de gemiddelde kapitaalmarktrentevoet in procenten van de Nederlandse 10-jarige staatsobligatie met betrekking tot het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar, bedoeld in het derde lid, zoals gepubliceerd door de Europese Centrale Bank.

8.

De percentages, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, en de langetermijnrendementen, bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid, worden rekenkundig afgerond op twee decimalen.

Afdeling 10.1. Indexering

Hoofdstuk 9. Wijze van heffing

Hoofdstuk 10A. Overig overgangsrecht ten gevolge van wijzigingswetten

Artikel 10a.21. Overgangsbepaling teruggave van of nagekomen betaling ter zake van scholingsuitgaven

Artikel 3.139, onderdeel c, zoals dat luidde op 31 december 2021, blijft van toepassing met betrekking tot hetgeen wordt ontvangen als teruggave van of nagekomen betaling ter zake van scholingsuitgaven die op grond van afdeling 6.7, zoals die afdeling op 31 december 2021 luidde, in aanmerking zijn genomen.

Hoofdstuk 10b. Horizonbepaling

Hoofdstuk 11. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 3.29d. BIK-afdrachtvermindering bij aanschaf bedrijfsmiddel

Vervallen

Paragraaf 3.2.3. Oudedagsreserve

Paragraaf 3.2.4. Ondernemersaftrek

Paragraaf 3.2.5. MKB-winstvrijstelling

Afdeling 3.3. Belastbaar loon

Paragraaf 3.2.5. MKB-winstvrijstelling

Paragraaf 3.3.2. Reisaftrek

Afdeling 3.4. Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden

Paragraaf 3.4.1. Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden

Paragraaf 3.4.2. Resultaat uit een werkzaamheid

Paragraaf 3.4.3. Terbeschikkingstellingsvrijstelling

Afdeling 3.5. Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen

Afdeling 3.6. Belastbare inkomsten uit eigen woning

Afdeling 3.7. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen

Afdeling 3.8. Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen

Afdeling 3.10. Uitgaven voor kinderopvang

Afdeling 3.11. Waardering niet in geld genoten inkomen

Afdeling 3.11. Waardering niet in geld genoten inkomen

Afdeling 3.12. Tijdstip genieten en aftrek

Afdeling 3.14. Middeling

Afdeling 3.14. Middeling

Hoofdstuk 4. Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang

Afdeling 4.2. Gelijkstellingen

Afdeling 4.3. Aanmerkelijk belang

Afdeling 4.4. Inkomen uit aanmerkelijk belang

Afdeling 4.5. Reguliere voordelen

Paragraaf 4.5.2. De omvang van reguliere voordelen

Afdeling 4.6. Vervreemdingsvoordelen

Paragraaf 4.5.2. De omvang van reguliere voordelen

Paragraaf 4.6.2. De omvang van vervreemdingsvoordelen

Afdeling 4.7. Vaststellen verkrijgingsprijs

Afdeling 4.8. Doorschuifregelingen

Paragraaf 4.8.1a. Doorschuiving verkrijgingsprijs bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht en erfrecht alsmede bij overdracht krachtens schenking

Paragraaf 4.8.3. Doorschuiving in het kader van een aandelenfusie, juridische fusie of splitsing

Paragraaf 4.8.4. Doorschuiving in het kader van een geruisloze terugkeer

Afdeling 4.9. Genietingstijdstip

Afdeling 4.10. Verliesverrekening

Hoofdstuk 5. Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen

Afdeling 5.1. Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Afdeling 5.2. Vrijstellingen

Afdeling 5.3. Groene beleggingen

Afdeling 5.3. Groene beleggingen

Afdeling 5.3. Groene beleggingen

Afdeling 5.4. Waardering

Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden aftrek

Afdeling 6.1. Persoonsgebonden aftrek

Afdeling 6.2. Onderhoudsverplichtingen

Afdeling 6.3. Verliezen op beleggingen in durfkapitaal

Afdeling 6.3. Verliezen op beleggingen in durfkapitaal

Afdeling 6.10. Tijdstip aftrek

Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen

Afdeling 7.2. Belastbaar inkomen uit werk en woning

Afdeling 7.1. Nederlands inkomen

Afdeling 7.1. Nederlands inkomen

Hoofdstuk 8. Heffingskorting

Afdeling 6.10. Tijdstip aftrek

Hoofdstuk 9. Wijze van heffing

Afdeling 9.1. Heffing bij wege van aanslag

Artikel 9.4a. Beschikking bedrag rendementsgrondslag en beschikking bedrag groen beleggen

1.

Gelijktijdig met de aanslag stelt de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vast en vermeldt afzonderlijk op het aanslagbiljet:

  • a. het bedrag van de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, aan het begin van het kalenderjaar, indien dit meer bedraagt dan € 38.479 of, ingeval de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, indien de gezamenlijke rendementsgrondslag van belastingplichtige en zijn partner aan het begin van het kalenderjaar meer bedraagt dan € 76.958 (beschikking bedrag rendementsgrondslag);
  • b. het bedrag aan groene beleggingen dat aan het begin van het kalenderjaar niet behoort tot de bezittingen op grond van artikel 5.13 (beschikking bedrag groen beleggen).
2.

Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, is artikel 2.17, tweede, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing voor de vaststelling van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b. Indien artikel 2.17, tweede of derde lid, is toegepast voor de toedeling van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, geldt bij de toedeling van de bedragen van de rendementsgrondslag en de groene beleggingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, dezelfde verhouding. Indien de eerste volzin is toegepast voor de toedeling van het bedrag van de rendementsgrondslag, geldt bij de toedeling van het bedrag groen beleggen dezelfde verhouding. In afwijking van artikel 2.17, tweede lid, derde en vierde volzin, wordt de korting voor groene beleggingen, bedoeld in artikel 8.19, van de belastingplichtige en zijn partner geacht bij hen op te komen in de verhouding die wordt toegepast op de rendementsgrondslag respectievelijk de groene beleggingen.

3.

Indien na vaststelling van de beschikkingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of b, de belastingaanslag wordt aangepast en blijkt dat de beschikkingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of b, tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld, herziet de inspecteur de beschikkingen bij voor bezwaar vatbare beschikking.

4.

Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een beschikking als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of b, tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan deze door de inspecteur worden herzien bij voor bezwaar vatbare beschikking. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening als bedoeld in de eerste zin opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, en derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 9.2. Bijzondere regels

Hoofdstuk 10. Aanvullende regelingen

Afdeling 8.2. Elementen van de standaardheffingskorting

Afdeling 10.2. Overige aanvullende regelingen

Artikel 10a.22

Voor de toepassing van artikel 2.7 en artikel 7.8, zesde lid, wordt onder een inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie mede verstaan een inwoner van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland die in het kalenderjaar de in de artikelen 24 en 25 van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PbEU 2020, L 29) genoemde rechten geniet.

Hoofdstuk 10b. Horizonbepaling

Hoofdstuk 11. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 4.14a. Fictief regulier voordeel

1.

Als het bovenmatige deel van schulden, bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, wordt in aanmerking genomen:

  • a. als positief bedrag: de totale som van die schulden voor zover deze het maximumbedrag, bedoeld in het tweede lid, overschrijdt;
  • b. als negatief bedrag: de totale som van die schulden voor zover deze lager is dan het maximumbedrag, bedoeld in het tweede lid, doch ten hoogste het bedrag dat eerder ingevolge onderdeel a of op grond van een naar aard en strekking daarmee vergelijkbare buitenlandse regeling in de heffing is betrokken, voor zover ter zake van dat bedrag nog niet eerder een negatief bedrag als het bovenmatige deel van schulden in aanmerking is genomen.
2.

Het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt € 500.000, vermeerderd met de bedragen die eerder op grond van artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, of op grond van een naar aard en strekking daarmee vergelijkbare buitenlandse regeling in de heffing zijn betrokken.

3.

Schulden van de belastingplichtige, zijn partner of de belastingplichtige tezamen met zijn partner worden in een kalenderjaar eenmaal in aanmerking genomen bij de belastingplichtige en zijn partner tezamen. Het maximumbedrag, bedoeld in het tweede lid, geldt voor de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk.

4.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt het bedrag van de schulden bepaald aan het einde van het kalenderjaar op basis van de nominale waarde.

5.

Indien de belastingplichtige aan het einde van het jaar, anders dan door een vervreemding als bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, aanhef en onderdeel h, niet langer een aanmerkelijk belang heeft, wordt het eerste lid toegepast alsof de belastingplichtige op dat moment een aanmerkelijk belang heeft en het bedrag van de schulden nihil is.

6.

Een eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a blijft bij de toepassing van het eerste lid buiten aanmerking voor zover ter zake van die eigenwoningschuld een recht van hypotheek op de eigen woning is verstrekt aan de vennootschap.

7.

Indien een schuld die deel uitmaakt van het vermogen van een samenwerkingsverband voor de toepassing van het eerste lid in aanmerking wordt genomen bij meerdere belastingplichtigen die participeren in dat samenwerkingsverband en het gezamenlijk in aanmerking te nemen bedrag van die schuld meer bedraagt dan de nominale waarde daarvan, wordt bij de belastingplichtige het meerdere voor hetzelfde deel als bij de andere belastingplichtige of belastingplichtigen in mindering gebracht op het bij de belastingplichtige in aanmerking te nemen bedrag van de schuld.

Artikel 4.14b. Flankerende bepalingen ter zake van het fictief reguliere voordeel

1.

Schulden die een met de belastingplichtige verbonden persoon rechtens dan wel in feite direct of indirect heeft bij vennootschappen waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 4.3 heeft, maar waarin de verbonden persoon geen aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 4.3 heeft, worden als schulden als bedoeld in artikel 4.14a, eerste lid, in aanmerking genomen bij de belastingplichtige voor zover de schulden van de verbonden persoon meer bedragen dan € 500.000 en voor die verbonden persoon geen schulden zijn als bedoeld in artikel 4.14a, zesde lid. Voor de toepassing van de eerste zin wordt onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan: een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige of van zijn partner.

2.

Het bedrag van € 500.000, bedoeld in het eerste lid, geldt voor de verbonden persoon en zijn partner gezamenlijk.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op schulden als bedoeld in het eerste lid voor zover die schulden ingevolge artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, schulden van de belastingplichtige, zijn partner of de belastingplichtige tezamen met zijn partner zijn.

4.

Voor zover schulden op grond van het eerste lid bij meerdere belastingplichtigen als schulden als bedoeld in artikel 4.14a, eerste lid, in aanmerking worden genomen, wordt het ingevolge het eerste lid als schulden in aanmerking te nemen bedrag in gelijke delen bij ieder van hen in aanmerking genomen.

5.

Voor zover ter zake van de hoofdsom van schulden een regulier voordeel als bedoeld in artikel 4.12, onderdeel a, niet zijnde een fictief regulier voordeel als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, in aanmerking is genomen, worden die schulden niet in aanmerking genomen als schulden als bedoeld in artikel 4.14a, eerste lid.

6.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vaststelling van het maximumbedrag, bedoeld in artikel 4.14a, tweede lid, ingeval de belastingplichtige niet gedurende het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft.

Artikel 4.14c. Maximumbedrag bij het ontstaan van binnenlandse belastingplicht

1.

Indien een belastingplichtige in Nederland gaat wonen en op dat tijdstip schulden heeft aan vennootschappen als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, wordt het maximumbedrag, bedoeld in artikel 4.14a, tweede lid, gesteld op het bedrag van die schulden, doch ten minste op € 500.000. Artikel 4.14b is van overeenkomstige toepassing.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld inzake de vaststelling van het maximumbedrag, bedoeld in artikel 4.14a, tweede lid, indien:

  • a. de belastingplichtige voordien is opgehouden in Nederland te wonen;
  • b. de belastingplichtige voordien ten aanzien van een aanmerkelijk belang buitenlandse belastingplichtige is geweest.

Artikel 4.14d. Aanpassing vervreemdingsvoordeel bij einde binnenlandse belastingplicht

In geval van een vervreemding als bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, aanhef en onderdeel h, wordt het ingevolge artikel 4.16, eerste lid, aanhef en onderdeel h, in aanmerking te nemen vervreemdingsvoordeel, bedoeld in artikel 4.19, eerste lid, vermeerderd met het negatieve bedrag dat ingevolge artikel 4.14a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, als fictief regulier voordeel als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, in aanmerking zou zijn genomen ingeval de belastingplichtige binnenlandse belastingplichtige zou zijn gebleven en aan het einde van het kalenderjaar het bedrag van de schulden nihil zou zijn.

Afdeling 4.6. Vervreemdingsvoordelen

Paragraaf 4.6.1. Als vervreemding aan te merken rechtshandelingen

Paragraaf 4.6.2. De omvang van vervreemdingsvoordelen

Afdeling 4.7. Vaststellen verkrijgingsprijs

Afdeling 4.8. Doorschuifregelingen

Paragraaf 4.8.1. Afrekening op verzoek bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht

Paragraaf 4.8.3. Doorschuiving in het kader van een aandelenfusie, juridische fusie of splitsing

Paragraaf 4.8.4. Doorschuiving in het kader van een geruisloze terugkeer

Afdeling 4.10. Verliesverrekening

Hoofdstuk 5. Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen

Afdeling 5.1. Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Afdeling 5.2. Vrijstellingen

Afdeling 5.3A. Vrijstelling nettolijfrenten

Afdeling 5.4. Waardering

Artikel 5.24. Peildatumarbitrage

1.

Indien aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) de waarde van de overige bezittingen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de belastingplichtige als gevolg van zijn handelingen lager is dan de hoogste waarde van zijn overige bezittingen in een aaneengesloten periode van drie maanden die aanvangt voor en eindigt na die peildatum, en tevens op die peildatum de waarde van de banktegoeden, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de belastingplichtige als gevolg van zijn handelingen hoger is dan de laagste waarde van zijn banktegoeden in die periode, worden die handelingen voor de toepassing van artikel 5.2 geacht niet te hebben plaatsgevonden, voor zover zowel de waarde van zijn overige bezittingen op enig na die peildatum gelegen moment in die periode hoger is dan de waarde van zijn overige bezittingen op die peildatum als de waarde van zijn banktegoeden op enig na die peildatum gelegen moment in die periode lager is dan de waarde van zijn banktegoeden op die peildatum. De eerste zin is niet van toepassing voor zover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan zijn handelingen zakelijke overwegingen ten grondslag lagen.

2.

Indien op de peildatum de waarde van de schulden, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de belastingplichtige als gevolg van zijn handelingen hoger is dan de laagste waarde van zijn schulden in een aaneengesloten periode van drie maanden die aanvangt voor en eindigt na die peildatum, worden die handelingen voor de toepassing van artikel 5.2 geacht niet te hebben plaatsgevonden, voor zover de waarde van zijn schulden op enig na die peildatum gelegen moment in die periode lager is dan de waarde van zijn schulden op die peildatum. De eerste zin is niet van toepassing voor zover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan zijn handelingen zakelijke overwegingen ten grondslag lagen.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste en tweede lid.

Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden aftrek

Afdeling 6.1. Persoonsgebonden aftrek

Afdeling 6.4. Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen

Afdeling 6.1. Persoonsgebonden aftrek

Afdeling 6.4. Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen

Afdeling 6.9. Aftrekbare giften

Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen

Artikel 7.5a. Aanpassing vervreemdingsvoordeel bij verplaatsing werkelijke leiding

Indien de belastingplichtige door een vervreemding als bedoeld in artikel 7.5, zevende lid, niet langer, of uitsluitend nog vanwege de toepassing van artikel 7.5, zesde lid, een aanmerkelijk belang heeft, wordt het ingevolge artikel 7.5, zevende lid, in aanmerking te nemen vervreemdingsvoordeel, bedoeld in artikel 4.19, eerste lid, vermeerderd met het negatieve bedrag dat ingevolge artikel 4.14a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, als fictief regulier voordeel als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, in aanmerking zou zijn genomen ingeval de verplaatsing van de werkelijke leiding van de vennootschap niet had plaatsgevonden en aan het einde van het kalenderjaar het bedrag van de schulden nihil zou zijn, voor zover ter zake van dat negatieve bedrag nog niet eerder een vervreemdingsvoordeel is vermeerderd op grond van artikel 4.14d.

Afdeling 7.4. Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Afdeling 7.5. Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen

Hoofdstuk 8. Heffingskorting

Afdeling 7.4. Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Afdeling 8.2. Elementen van de standaardheffingskorting

Afdeling 9.2. Bijzondere regels

Artikel 9.7. Bijzondere regels voor massaal bezwaar

1.

De bepalingen van hoofdstuk V, afdeling 1a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn van overeenkomstige toepassing op verzoeken om ambtshalve vermindering waarvoor een aanwijzing massaal bezwaar als bedoeld in het tweede lid is gegeven.

2.

In afwijking van artikel 25c, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan Onze Minister ook een aanwijzing massaal bezwaar geven voor de beslissing op een groot aantal verzoeken om ambtshalve vermindering of een groot aantal bezwaarschriften en verzoeken om ambtshalve vermindering tezamen indien naar het oordeel van Onze Minister voor deze beslissing de beantwoording van eenzelfde rechtsvraag van belang is.

3.

In afwijking van artikel 25e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 9.6, vijfde lid, beslist de inspecteur door middel van één collectieve beslissing op verzoeken om ambtshalve vermindering waarvoor de aanwijzing massaal bezwaar geldt. De collectieve beslissing wordt bekendgemaakt door gelijktijdige kennisgeving ervan in de Staatscourant en op de website van de Belastingdienst. De collectieve beslissing is geen voor bezwaar vatbare beschikking.

4.

In afwijking van artikel 25e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en het derde lid beslist de inspecteur door middel van één gezamenlijke collectieve beslissing en collectieve uitspraak ingeval een aanwijzing massaal bezwaar is gegeven voor de beslissing op een groot aantal bezwaarschriften en verzoeken om ambtshalve vermindering tezamen.

Hoofdstuk 10. Aanvullende regelingen

Afdeling 9.2. Bijzondere regels

Afdeling 9.2. Bijzondere regels

Hoofdstuk 10bis. Overgangsrecht ten gevolge van Wet herziening fiscale behandeling eigen woning

Hoofdstuk 10A. Overig overgangsrecht ten gevolge van wijzigingswetten

Artikel 10a.23. Overgangsbepaling vereisten hypotheekrecht bij fictief regulier voordeel

Bij de toepassing van artikel 4.14a, eerste lid, blijft mede buiten aanmerking een op 31 december 2022 bestaande eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a ter zake waarvan geen recht van hypotheek is verstrekt aan de vennootschap.

Artikel 10a.28. Overgangsbepaling middelingsregeling

Afdeling 3.14 zoals die luidde op 31 december 2022 blijft van toepassing op verzoeken om een middelingsteruggaaf over een middelingstijdvak waartoe het kalenderjaar 2022 of een daaraan voorafgaand kalenderjaar behoort.

Artikel 10a.29. Overgangsbepaling oudedagsreserve

1.

Met betrekking tot een op 31 december 2022, dan wel, indien de winst wordt bepaald over een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar, het einde van het laatste boekjaar dat is aangevangen vóór 1 januari 2023 bestaande oudedagsreserve als bedoeld in artikel 3.53, eerste lid, onderdeel c, zoals dat luidde op 31 december 2022, blijven de artikelen 3.70, 3.71, 3.72, tweede en derde lid, en 3.73, tweede lid, onderdeel c, en derde lid, zoals deze luidden op 31 december 2022, van toepassing.

2.

In afwijking van artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, wordt, voor een belastingplichtige met een oudedagsreserve als bedoeld in het eerste lid, voor de beoordeling of is voldaan aan de normeringen en beperkingen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, verstaan onder pensioengevend loon: pensioengevend inkomen, bestaande uit de winst uit onderneming vóór afneming van de oudedagsreserve en, voor de dienstjaren 2023 tot en met 2026, vóór toevoeging aan de oudedagsreserve, en vóór de ondernemersaftrek en vermeerderd met de ten laste van de winst gebrachte premies uit hoofde van een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de belastingplichtige, in het derde kalenderjaar voorafgaande aan het dienstjaar, waarbij het pensioengevend inkomen ten minste wordt gesteld op nihil en waarbij onder dienstjaar wordt verstaan het jaar, bedoeld in artikel 3.18, vierde lid, onderdeel c.

3.

Artikel 3.59, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op een oudedagsreserve als bedoeld in het eerste lid voor zover deze in het kader van de ontbinding van een huwelijksgemeenschap, bedoeld in artikel 3.59, eerste lid, overgaat naar de langstlevende echtgenoot of gewezen echtgenoot van de belastingplichtige en niet uitgaat boven het ondernemingsvermogen, bedoeld in artikel 3.71, zoals dat luidde op 31 december 2022, waarmee deze de onderneming voortzet of mede voortzet.

4.

Artikel 3.62, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op een oudedagsreserve als bedoeld in het eerste lid voor zover deze in het kader van het overlijden van de belastingplichtige overgaat op diens partner en niet uitgaat boven het ondernemingsvermogen, bedoeld in artikel 3.71, zoals dat luidde op 31 december 2022, waarmee deze de onderneming voortzet of mede voortzet.

5.

Artikel 3.63, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op een oudedagsreserve als bedoeld in het eerste lid voor zover deze in het kader van de overdracht van een onderneming, bedoeld in artikel 3.63, eerste lid, overgaat op de partner van de belastingplichtige en niet uitgaat boven het ondernemingsvermogen, bedoeld in artikel 3.71, zoals dat luidde op 31 december 2022, waarmee deze de onderneming voortzet of mede voortzet.

6.

Artikel 3.65, eerste lid, is niet van toepassing met betrekking tot een oudedagsreserve als bedoeld in het eerste lid.

7.

In aanvulling op artikel 3.79, eerste lid, geldt de stakingsaftrek ook voor de ondernemer die als ondernemer in het kalenderjaar winst behaalt door een afneming van een oudedagsreserve als bedoeld in het eerste lid na een geruisloze doorschuiving of omzetting als bedoeld in artikel 3.59, tweede lid, artikel 3.62, artikel 3.63, onderscheidenlijk artikel 3.65, waarbij zonder die geruisloze doorschuiving of omzetting sprake zou zijn van het staken van een gehele onderneming.

8.

In aanvulling op artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a, behoort tot de bedragen, bedoeld in dat onderdeel, ook het bedrag, bedoeld in het twaalfde lid.

9.

In afwijking van artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, is het daarin bedoelde maximale bedrag voor een belastingplichtige met een oudedagsreserve als bedoeld in het eerste lid het bedrag van de met of bij de overdracht van een onderneming of een gedeelte van een onderneming behaalde winst en het bedrag van de afnemingen van die oudedagsreserve volgens artikel 3.70, zoals dat luidde op 31 december 2022, in het jaar van de overdracht.

10.

In afwijking van artikel 3.127, derde lid, onderdeel a, behoort voor een belastingplichtige met een oudedagsreserve als bedoeld in het eerste lid tot de premiegrondslag, bedoeld in genoemd derde lid, het bedrag van de winst uit onderneming in het voorafgaande kalenderjaar vóór afneming van die oudedagsreserve en, voor de premiegrondslag in de jaren 2023 en 2024, vóór toevoeging aan die oudedagsreserve, en vóór de ondernemersaftrek.

11.

In aanvulling op artikel 3.127, eerste lid, wordt voor de jaren 2023 en 2024 de uitkomst van de berekening, bedoeld in dat lid, ook verminderd met het bedrag waarmee de toevoeging aan de oudedagsreserve in het voorafgaande kalenderjaar overtreft de afneming van die reserve bij het einde van dat kalenderjaar volgens artikel 3.70, eerste lid, onderdeel b, zoals dat luidde op 31 december 2022.

12.

Een belastingplichtige met een oudedagsreserve als bedoeld in het eerste lid kan, vanwege de omzetting van die oudedagsreserve in een lijfrente, premies voor lijfrenten als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a, in samenhang met het achtste lid van dit artikel, in aanmerking nemen tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste het bedrag van de afneming in het kalenderjaar van die reserve volgens artikel 3.70, eerste lid, onderdeel a, zoals dat luidde op 31 december 2022.

13.

In aanvulling op artikel 3.129, derde lid, behoren tot het bedrag aan reeds opgebouwde voorzieningen, bedoeld in dat lid, ook het bedrag van een oudedagsreserve als bedoeld in het eerste lid bij de aanvang van het kalenderjaar, bedoeld in artikel 3.129, eerste lid, en de bedragen die op grond van het twaalfde lid en artikel 3.128, zoals dat luidde op 31 december 2022, in de aan dat kalenderjaar voorafgaande kalenderjaren in aanmerking zijn genomen.

14.

In aanvulling op artikel 3.130, tweede lid, kan een belastingplichtige ook premies als bedoeld in het twaalfde lid die binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar door hem zijn betaald of verrekend, naar bij de aangifte gemaakte keuze nog aanmerken als premies die zijn betaald of verrekend in het kalenderjaar.

15.

In afwijking van artikel 3.131, derde lid, is artikel 3.131, eerste lid, niet van toepassing voor zover de premies, bedoeld in artikel 3.131, eerste lid, meer bedragen dan op grond van het twaalfde lid en artikel 3.129 is toegestaan.

Hoofdstuk 10b. Horizonbepaling

Hoofdstuk 11. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 5.4a. Defiscaliseren bepaalde onderlinge vorderingen en schulden

1.

Tot de bezittingen behoren niet vorderingen op de partner van de belastingplichtige die corresponderen met een schuld als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, van de partner aan de belastingplichtige.

2.

Tot de bezittingen behoren niet vorderingen van een minderjarig kind op een ouder aan wie de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 2.15, tweede lid, wordt toegerekend, die corresponderen met een schuld als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, van die ouder aan dat minderjarige kind.

3.

Tot de schulden behoren niet schulden die corresponderen met de vorderingen, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Afdeling 5.3. Groene beleggingen

Afdeling 5.3B. Vrijstelling nettopensioen

Afdeling 5.4. Waardering

Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden aftrek

Afdeling 6.2. Onderhoudsverplichtingen

Afdeling 6.3. Verliezen op beleggingen in durfkapitaal

Afdeling 6.1. Persoonsgebonden aftrek

Afdeling 6.5. Uitgaven voor specifieke zorgkosten

Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen

Afdeling 7.3. Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang

Afdeling 7.5. Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen

Hoofdstuk 8. Heffingskorting

Afdeling 8.1. Aansluiting belasting- en premieheffing

Afdeling 9.2. Bijzondere regels

Hoofdstuk 10. Aanvullende regelingen

Afdeling 10.1. Indexering

Afdeling 9.2. Bijzondere regels

Hoofdstuk 10A. Overig overgangsrecht ten gevolge van wijzigingswetten

Hoofdstuk 10b. Horizonbepaling

Hoofdstuk 11. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 5.25. Tegenbewijsregeling

1.

Indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het werkelijke rendement van bezittingen en schulden lager is dan het voordeel uit sparen en beleggen, wordt het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in afwijking van artikel 5.1 gesteld op het werkelijke rendement van bezittingen en schulden, verminderd met de persoonsgebonden aftrek (hoofdstuk 6).

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt het werkelijke rendement van bezittingen en schulden ten minste op nihil gesteld.

3.

Het werkelijke rendement van bezittingen en schulden van een minderjarig kind wordt overeenkomstig artikel 2.15 toegerekend aan de ouder of ouders.

4.

Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt het aan hem toegerekende gedeelte van het gezamenlijke werkelijke rendement van bezittingen en schulden bij hem in aanmerking genomen als het werkelijke rendement van bezittingen en schulden. Deze toerekening geschiedt naar rato van de voor de bepaling van het voordeel uit sparen en beleggen toegepaste toerekening van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen.

5.

Het gezamenlijke werkelijke rendement van bezittingen en schulden is het werkelijke rendement van bezittingen en schulden van de belastingplichtige en zijn partner tezamen.

6.

In afwijking van de artikelen 4:1, 4:2, eerste lid, 6:4, eerste lid en 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt de belastingplichtige bij een beroep op de tegenbewijsregeling op basis van het werkelijke rendement gebruik van een door de inspecteur ter beschikking te stellen formulier.

7.

Ter aanvulling op het ter beschikking gestelde formulier kunnen tot zes weken na verzending van het formulier nadere stukken ingediend worden.

8.

Het zesde en zevende lid is niet van toepassing indien de gegevens voor de tegenbewijsregeling op basis van het werkelijke rendement door de inspecteur zijn gevraagd als onderdeel van de uitnodiging tot het doen van aangifte.

Artikel 5.26. Werkelijk rendement

1.

Het werkelijke rendement van bezittingen en schulden is het gezamenlijke bedrag van alle voordelen die worden behaald met bezittingen en schulden.

2.

De voordelen bestaan uit:

  • a. de reguliere voordelen die worden getrokken uit bezittingen en schulden; en
  • b. de vermogensaanwas van bezittingen en schulden.
3.

Bij het bepalen van het werkelijke rendement van bezittingen en schulden zijn de artikelen 5.3, derde lid, onderdeel f, 5.10, onderdelen a en d, en 5.13 niet van toepassing, evenmin als hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001.

4.

Bij het bepalen van het werkelijke rendement van bezittingen en schulden is artikel 5.12 uitsluitend van toepassing, indien het achterliggende vermogensbestanddeel, bedoeld in dat artikel, een banktegoed is als bedoeld in artikel 5.2, derde lid.

Artikel 5.27. Reguliere voordelen

1.

Tot de reguliere voordelen behoren in ieder geval genoten:

  • a. rente;
  • b. huur;
  • c. pacht;
  • d. dividend;
  • e. winstuitkering;
  • f. vergoeding voor het verstrekken van kapitaal;
  • g. licentievergoeding;
  • h. gebruiksvergoeding;
  • i. voordeel uit het voor eigen gebruik ter beschikking staan van een onroerende zaak of een deel daarvan.
2.

Negatieve reguliere voordelen zijn door de belastingplichtige verschuldigde renten ter zake van:

  • a. een door hem aangegane schuld;
3.

Indien bij een niet onder zakelijke omstandigheden gesloten overeenkomst voorwaarden zijn bedongen die afwijken van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, worden de reguliere voordelen bepaald alsof laatstbedoelde voorwaarden zijn overeengekomen.

Artikel 5.28. Vermogensaanwas

1.

De vermogensaanwas van bezittingen en schulden bestaat uit het verschil tussen de waarde aan het einde van het kalenderjaar van het saldo van bezittingen en schulden en de waarde aan het begin van het kalenderjaar van het saldo van bezittingen en schulden, verminderd met de stortingen en vermeerderd met de onttrekkingen.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt:

  • a. een afname van een negatief saldo van bezittingen en schulden als een positieve vermogensaanwas in aanmerking genomen;
  • b. een toename van een negatief saldo van bezittingen en schulden als een negatieve vermogensaanwas in aanmerking genomen.

Artikel 5.29. Stortingen

1.

Een storting is een positieve waardemutatie van het saldo van bezittingen en schulden die het directe gevolg is van:

  • a. het tot de bezittingen gaan behoren van een vermogensbestanddeel; of
  • b. het niet langer tot de schulden behoren van een schuld.
2.

Als storting wordt mede aangemerkt een positieve waardemutatie die het directe gevolg is van een uitbreiding of verbetering van een bezitting voor zover die waardemutatie niet reeds een storting is op grond van het eerste lid.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid is een positieve waardemutatie die voortvloeit uit een uitbreiding of verbetering van een woning geen storting.

4.

In afwijking van het eerste lid is een positieve waardemutatie die voortvloeit uit onderhoud van een bezitting geen storting.

5.

Stortingen worden in aanmerking genomen tegen de waarde ten tijde van de storting.

Artikel 5.30. Onttrekkingen

1.

Een onttrekking is een negatieve waardemutatie van het saldo van bezittingen en schulden die het directe gevolg is van:

  • a. het niet langer tot de bezittingen behoren van een bezitting; of
  • b. het tot de schulden gaan behoren van een verplichting.
2.

Onttrekkingen worden in aanmerking genomen tegen de waarde ten tijde van de onttrekking.

Artikel 5.31. Waardering bezittingen en schulden

1.

De waarde van bezittingen en schulden wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van afdeling 5.4 en de daarop berustende bepalingen, met dien verstande dat:

  • a. de waarde van een woning wordt bepaald op basis van het tweede tot en met vijfde lid;
  • b. artikel 5.21 niet wordt toegepast, indien ter zake van het betreffende effect sprake is van een lopende termijn van inkomsten of verplichtingen waarvan de waarde niet of niet volledig in de notering in de prijscourant is verdisconteerd.
2.

De waarde van een woning:

  • b. aan het einde van het kalenderjaar: wordt gesteld op de op grond van artikel 5.20, eerste of tweede lid, voor die woning voor het daaropvolgende kalenderjaar vastgestelde waarde of, indien het derde lid van toepassing is, op de waarde die op grond van het derde lid aan het einde van het kalenderjaar in aanmerking wordt genomen;
  • c. op een ander tijdstip in het kalenderjaar: wordt gesteld op de waarde, bedoeld in onderdeel a, vermeerderd met een tijdsevenredige waardemutatie die wordt berekend door het verschil tussen de waarde, bedoeld in onderdeel b, en de waarde, bedoeld in onderdeel a, te delen door het totale aantal dagen van het kalenderjaar en te vermenigvuldigen met het aantal dagen dat op dat tijdstip is verstreken sinds het begin van het kalenderjaar.
3.

Indien artikel 18, derde lid, onderdeel b, van de Wet waardering onroerende zaken vanwege een uitbreiding of verbetering van een woning wordt toegepast of op overeenkomstige wijze wordt toegepast bij het bepalen van de op grond van artikel 5.20, eerste of tweede lid, voor het daaropvolgende kalenderjaar vastgestelde waarde, wordt als waarde aan het einde van het kalenderjaar in aanmerking genomen de waarde die zonder die uitbreiding of verbetering van de woning op grond van artikel 5.20, eerste of tweede lid, zou zijn vastgesteld voor het daaropvolgende kalenderjaar.

4.

Artikel 5.20, derde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

  • a. de betreffende waarde van de woning wordt gesteld op het percentage, bedoeld in artikel 5.20, derde lid, van de met toepassing van het tweede lid berekende waarde van de woning;
  • b. de berekening van dat percentage wordt gebaseerd op de hoogte van de huur of de pacht zoals die geldt op het tijdstip waarvoor de betreffende waarde geldt.
5.

Artikel 5.20, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de met toepassing van het tweede lid berekende waarde van de woning wordt verminderd met de waarde van de erfpachtcanon, bedoeld in artikel 5.20, vierde lid.

Artikel 5.31a. Vrijstelling bepaalde levensverzekeringen

Voor de toepassing van deze afdeling behoren rechten op kapitaalsuitkeringen of prestaties uit levensverzekering, uitsluitend bestaande uit een kapitaalsuitkering bij overlijden van de belastingplichtige, zijn partner of een bloed- of aanverwant, dan wel op prestaties in natura ter zake van de verzorging van een uitvaart, uitsluitend tot de bezittingen, indien:

  • a. de som van het verzekerde kapitaal uit dergelijke levensverzekeringen aan het begin van het kalenderjaar per verzekerde meer bedraagt dan het in artikel 5.10, onderdeel a, vermelde bedrag; en
  • b. de som van de waarde van die rechten aan het begin van het kalenderjaar per persoon meer bedraagt dan het in artikel 5.10, onderdeel a, vermelde bedrag.

Artikel 5.31b. Vrijstelling contant geld

1.

Voor de toepassing van deze afdeling behoren geld, elektronisch geld in de vorm van een chipkaart, alsmede vermogensrechten die zijn bestemd voor het doen van consumentenaankopen, zoals cadeaubonnen, uitsluitend tot de bezittingen, indien het totale bedrag van die vermogensbestanddelen aan het begin van het kalenderjaar hoger is dan het in artikel 5.10, onderdeel d, eerstvermelde bedrag. In dat geval wordt een deel van het werkelijke rendement van die vermogensbestanddelen niet in aanmerking genomen. Dit deel wordt berekend door het werkelijke rendement van die vermogensbestanddelen te vermenigvuldigen met het quotiënt van het in artikel 5.10, onderdeel d, eerstvermelde bedrag en het totale bedrag van die vermogensbestanddelen aan het begin van het kalenderjaar. Hierbij wordt het werkelijke rendement van die vermogensbestanddelen bepaald met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5.26 tot en met 5.31, 5.33 en 5.34.

2.

Ingeval de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt het eerste lid toegepast op het gezamenlijke geld, het gezamenlijke elektronische geld in de vorm van een chipkaart, alsmede de gezamenlijke vermogensrechten die zijn bestemd voor het doen van consumentenaankopen, zoals cadeaubonnen, van de belastingplichtige en zijn partner, met dien verstande dat daarbij het in artikel 5.10, onderdeel d, als tweede vermelde bedrag wordt toegepast.

Artikel 5.32. Vrijstelling groene beleggingen

1.

Voor de toepassing van deze afdeling behoren groene beleggingen uitsluitend tot de bezittingen, indien de waarde van de groene beleggingen aan het begin van het kalenderjaar hoger is dan het in artikel 5.13, eerste lid, eerstvermelde bedrag. In dat geval wordt een deel van het werkelijke rendement van die groene beleggingen niet in aanmerking genomen. Dit deel wordt berekend door het werkelijke rendement van de groene beleggingen te vermenigvuldigen met het quotiënt van het in artikel 5.13, eerste lid, eerstvermelde bedrag en de waarde van de groene beleggingen aan het begin van het kalenderjaar. Hierbij wordt het werkelijke rendement van de groene beleggingen bepaald met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5.26 tot en met 5.31, 5.33 en 5.34.

2.

Ingeval de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt het eerste lid toegepast op de gezamenlijke groene beleggingen van de belastingplichtige en zijn partner, met dien verstande dat daarbij het in artikel 5.13, eerste lid, als tweede vermelde bedrag wordt toegepast.

Artikel 5.32a. Vrijstelling bepaalde kapitaalverzekeringen

1.

Voor de toepassing van deze afdeling behoren rechten op kapitaalsuitkeringen als bedoeld in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 uitsluitend tot de bezittingen, indien de waarde van die rechten aan het begin van het kalenderjaar hoger is dan € 123.428. In dat geval wordt een deel van het werkelijke rendement van die rechten niet in aanmerking genomen. Dit deel wordt berekend door het werkelijke rendement van die rechten te vermenigvuldigen met het quotiënt van € 123.428 en de waarde van die rechten aan het begin van het kalenderjaar. Hierbij wordt het werkelijke rendement van die rechten bepaald met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5.26 tot en met 5.31, 5.33 en 5.34.

2.

Ingeval de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt het eerste lid toegepast op de gezamenlijke rechten op kapitaalsuitkeringen als bedoeld in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 van de belastingplichtige en zijn partner, met dien verstande dat daarbij een bedrag van € 246.856 wordt toegepast.

Artikel 5.33. Vermogensaanwas bij ontstaan of einde binnenlandse belastingplicht

1.

Indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar nog niet binnenlands belastingplichtig is, wordt bij de toepassing van artikel 5.28 voor het begin van het kalenderjaar gelezen: het begin van de binnenlandse belastingplicht.

2.

Indien de binnenlandse belastingplicht gedurende het kalenderjaar eindigt, wordt bij de toepassing van artikel 5.28 voor het einde van het kalenderjaar gelezen: het einde van de binnenlandse belastingplicht.

Artikel 5.34. Tijdstip genieten en aftrek

1.

Reguliere voordelen behoren tot het werkelijke rendement in het kalenderjaar waarin zij zijn:

  • a. ontvangen;
  • b. verrekend;
  • c. ter beschikking gesteld;
  • d. rentedragend geworden; of
  • e. vorderbaar en inbaar geworden.
2.

Negatieve reguliere voordelen behoren tot het werkelijke rendement in het kalenderjaar waarin zij zijn:

  • a. betaald;
  • b. verrekend;
  • c. ter beschikking gesteld; of
  • d. rentedragend geworden.

Artikel 5.35. Onregelmatige handelingen met nettolijfrenten

1.

Na toepassing van artikel 5.16c, eerste lid, in het voorafgaande kalenderjaar op de gehele of gedeeltelijke aanspraak op een nettolijfrente wordt tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden gerekend het product van het in artikel 5.2, tweede lid, als tweede vermelde percentage en het bedrag dat gelijk is aan de helft van de waarde van die gehele aanspraak, onderscheidenlijk gedeeltelijke aanspraak, aan het begin van het voorafgaande kalenderjaar, vermenigvuldigd met tien.

2.

Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag van de belasting die is verschuldigd over het bedrag dat ingevolge het eerste lid tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden wordt gerekend, hoger is dan het totale bedrag van de belasting en de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die zouden zijn verschuldigd indien de mogelijkheid zou bestaan de in de voorafgaande jaren ingevolge artikel 5.16 genoten vrijstelling door middel van navorderingsaanslagen ongedaan te maken, wordt in afwijking van het eerste lid tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden gerekend dit totale bedrag vermenigvuldigd met het quotiënt van 100% en het in artikel 2.13 vermelde percentage.

Artikel 5.36. Onregelmatige handelingen met nettopensioenen

1.

Na toepassing van artikel 5.17e, eerste lid, in het voorafgaande kalenderjaar op de aanspraak op een nettopensioen wordt tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden gerekend het product van het in artikel 5.2, tweede lid, als tweede vermelde percentage en het bedrag dat gelijk is aan de helft van de waarde van die aanspraak aan het begin van het voorafgaande kalenderjaar, vermenigvuldigd met tien.

2.

Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag van de belasting die is verschuldigd over het bedrag dat ingevolge het eerste lid tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden wordt gerekend, hoger is dan het totale bedrag van de belasting en de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die zouden zijn verschuldigd indien de mogelijkheid zou bestaan de in de voorafgaande jaren ingevolge artikel 5.17 genoten vrijstelling door middel van navorderingsaanslagen ongedaan te maken, wordt in afwijking van het eerste lid tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden gerekend dit totale bedrag vermenigvuldigd met het quotiënt van 100% en het in artikel 2.13 vermelde percentage.

Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden aftrek

Afdeling 6.10. Tijdstip aftrek

Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen

Afdeling 7.2. Belastbaar inkomen uit werk en woning

Afdeling 7.5. Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen

Hoofdstuk 8. Heffingskorting

Afdeling 8.2. Elementen van de standaardheffingskorting

Hoofdstuk 10. Aanvullende regelingen

Afdeling 9.2. Bijzondere regels

Hoofdstuk 10. Aanvullende regelingen

Afdeling 10.2. Overige aanvullende regelingen

Hoofdstuk 10A. Overig overgangsrecht ten gevolge van wijzigingswetten

Hoofdstuk 10b. Horizonbepaling

Hoofdstuk 11. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Afdeling 10.3. Experiment pensioenregeling zelfstandigen

Artikel 10a.24. Overgangsbepaling premie voor beroeps- of bedrijfstakregeling

Voor een pensioenregeling als bedoeld in artikel 3.18 zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen is artikel 38q van de Wet op de loonbelasting 1964 van overeenkomstige toepassing en blijven artikel 3.18 zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen en de bij of krachtens dat artikel gestelde normeringen en beperkingen van toepassing.

Artikel 10a.25. Overgangsbepaling vermindering jaarruimte in verband met de opbouw van pensioenaanspraken

1.

Voor de toepassing van artikel 3.127, eerste lid, wordt in afwijking van het vierde lid van dat artikel, voor de belastingplichtige die met toepassing van artikel 38q van de Wet op de loonbelasting 1964 pensioenaanspraken opbouwt volgens de normeringen en begrenzingen uit de artikelen 18 tot en met 18ga van die wet alsmede de daarop gebaseerde bepalingen zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen, de vermindering in verband met de opbouw van pensioenaanspraken gesteld op het bedrag dat volgt uit artikel 3.127, vierde lid, zoals dat luidde op 31 december 2023. Voor de toepassing van de eerste zin blijven artikel 3.127, zesde lid, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen zoals deze luidden op 31 december 2023, van toepassing. De eerste en tweede zin zijn van overeenkomstige toepassing op de aan de belastingplichtige toe te rekenen pensioenaanspraken die zijn opgebouwd in de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2023.

2.

Voor de toepassing van artikel 3.127, eerste lid, wordt in afwijking van het vierde lid van dat artikel, voor de belastingplichtige die een ouderdomspensioen of partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum opbouwt, waarbij de premie per dienstjaar is bepaald met inachtneming van artikel 38r, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, de vermindering in verband met de opbouw van pensioenaanspraken gesteld op het bedrag dat volgt uit de formule:

A = ((1 – (X-Y) / X) * B) + Z

waarbij wordt verstaan onder:

A: het bedrag aan vermindering in verband met de opbouw van pensioenaanspraken;

B: het bedrag van het in het voorafgaande kalenderjaar in artikel 18a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 vermelde percentage, vermenigvuldigd met de in het voorafgaande kalenderjaar voor de belastingplichtige geldende pensioengrondslag, bedoeld in artikel 18a, tweede lid, van die wet;

X: het bedrag van het voor de belastingplichtige in het voorafgaande kalenderjaar geldende maximale premiepercentage, bedoeld in de in artikel 38r, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen tabel, vermenigvuldigd met de in het voorafgaande kalenderjaar voor de belastingplichtige geldende pensioengrondslag, bedoeld in artikel 18a, tweede lid, van die wet;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)