Wet van 11 mei 2000 tot vaststelling van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001)
Y: het bedrag van de door of voor de belastingplichtige in het voorafgaande kalenderjaar ingelegde premies voor een ouderdomspensioen en een partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum als bedoeld in artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964;
Z: het gezamenlijke bedrag van de door de belastingplichtige in het voorafgaande kalenderjaar voor een nettopensioen betaalde of verrekende premies, bedoeld in artikel 5.17, gedeeld door de nettofactor, bedoeld in artikel 5.16, vierde lid.
Artikel 10a.26. Overgangsbepaling experimenteerbepaling zelfstandigen
Voor de toepassing van de artikelen 1.2, 1.73.13, 3.82, 3.83, 3.100, 3.106, 3.107, 3.126, 3.127, 3.133, 3.135, 3.136, 3.146, 5.17 en 7.2, artikel 5 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, artikel 32 van de Successiewet 1956 en artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de op die artikelen berustende bepalingen wordt onder een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, mede verstaan een pensioenregeling als bedoeld in artikel 10.11 zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het bij koninklijk besluit bepaalde tijdstip, bedoeld in artikel XV.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de afwikkeling van reeds opgebouwde pensioenen op grond van een pensioenregeling als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 10a.27. Overgangsbepaling nettopensioen
Voor een nettopensioen als bedoeld in artikel 5.17 zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen die na de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen niet voldoet aan afdeling 5.3B, blijven de artikelen 5.17 tot en met 5.17f alsmede de daarop gebaseerde bepalingen zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen van toepassing.
Hoofdstuk 10b. Horizonbepaling
Hoofdstuk 10b. Horizonbepaling
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Afdeling 10.3. Experiment pensioenregeling zelfstandigen
Hoofdstuk 10. Aanvullende regelingen
Hoofdstuk 10b. Horizonbepaling
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Afdeling 10.3. Experiment pensioenregeling zelfstandigen
Artikel 10.11. Experimenteerbepaling pensioenregeling zelfstandigen
Voor de toepassing van de artikelen 1.2,1.7, 3.13, 3.18, 3.27, 3.82, 3.83, 3.95, 3.100, 3.106, 3.107, 3.126, 3.127, 3.133, 3.135, 3.136, 3.146, 5.16a, 5.17, 7.2, 10.8 en 10a.24, artikel 5 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, artikel 32 van de Successiewet 1956 en artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en de op die artikelen berustende bepalingen wordt onder een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, mede verstaan een pensioenregeling als bedoeld in artikel 150a van de Pensioenwet, waarbij wordt verstaan onder dienstjaar: jaar waarin wordt deelgenomen in een pensioenregeling op grond van artikel 150a van de Pensioenwet.
In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt voor de toepassing van artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, op een pensioenregeling als bedoeld in artikel 150a van de Pensioenwet het pensioengevend loon bepaald op basis van de inkomensbestanddelen, genoemd in artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, in het eerste kalenderjaar voorafgaande aan het dienstjaar, bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 10A. Overig overgangsrecht ten gevolge van wijzigingswetten
Hoofdstuk 10b. Horizonbepaling
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 1.11. Buitenlandse rechtsvormen en vennootschappen waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Hoofdstuk 2. Raamwerk
Afdeling 2.1. Belastingplichtigen
Afdeling 2.2. Heffingsgrondslagen
Afdeling 2.3. Verschuldigde inkomstenbelasting
Afdeling 2.4. Toerekeningsregels
Artikel 2.14bis. Toerekening inkomensbestanddelen bij een maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap, transparant fonds of een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven, onderscheidenlijk kosten, van een maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap en een transparant fonds, toegerekend aan de participanten in dat lichaam naar rato van ieders gerechtigdheid.
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven, onderscheidenlijk kosten, van een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam toegerekend aan de participanten in dat lichaam naar rato van ieders gerechtigdheid:
- a. mits de rechtsvorm van dat lichaam vergelijkbaar is met die van een maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of met die van een transparant fonds; of
- b. indien onderdeel a niet van toepassing is: mits de rechtsvorm van dat lichaam niet vergelijkbaar is met die van een lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en dat lichaam geen lichaam is als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, of artikel 3, tweede lid, van die wet.
Het eerste lid is niet van toepassing op een fonds voor gemene rekening en het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een omgekeerd hybride lichaam als bedoeld in artikel 2, elfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven, onderscheidenlijk kosten, van een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam toegerekend aan dat lichaam, indien die niet op grond van het tweede lid of artikel 2.14a worden toegerekend aan een ander dan dat lichaam.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de beoordeling of voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam een met de rechtsvorm van een lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen c, e of g, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 of een met die van een maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of transparant fonds vergelijkbare rechtsvorm heeft. Daarbij kunnen ook regels worden gesteld voor de beoordeling of een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam naast de rechtsvorm ook voor het overige met een lichaam vergelijkbaar is als bedoeld in de eerste zin.
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een fonds voor gemene rekening verstaan: een fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een transparant fonds verstaan: een fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden door het voor gemene rekening beleggen of anderszins aanwenden van gelden, tenzij dat fonds een fonds voor gemene rekening is.
Afdeling 2.5. Verzamelinkomen
Hoofdstuk 3. Heffingsgrondslag bij werk en woning
Afdeling 3.2. Belastbare winst uit onderneming
Paragraaf 3.2.1. Belastbare winst uit onderneming
Paragraaf 3.2.2. Winst uit een onderneming
Artikel 3.54aa. Herinvesteringsreserve bij het staken van een gedeelte van een onderneming ten gevolge van overheidsingrijpen
Een herinvesteringsreserve kan mede worden gevormd ter zake van de vervreemding van een bedrijfsmiddel in het kader van het staken van een gedeelte van een onderneming ten gevolge van overheidsingrijpen als bedoeld in artikel 3.54, twaalfde lid, zolang het voornemen bestaat dat het bedrag van die reserve in het jaar van die vervreemding of in een van de daaropvolgende drie jaren zal worden geherinvesteerd in een of meer bedrijfsmiddelen ten behoeve van een andere onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet.
Indien bij het bepalen van de winst van een onderneming een herinvesteringsreserve als bedoeld in het eerste lid is gevormd, kan bij tijdige herinvestering het bedrag van die reserve in mindering worden gebracht op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die door de belastingplichtige worden aangeschaft of voortgebracht ten behoeve van een andere onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet, mits voor het bepalen van de winst bij beide ondernemingen dezelfde bepalingen van toepassing zijn. In dat geval wordt de herinvesteringsreserve gelijktijdig en voor hetzelfde bedrag opgenomen in de winst van de onderneming waarin de herinvesteringsreserve is gevormd.
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid is artikel 3.54 van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 3.2.3. Oudedagsreserve
Paragraaf 3.2.4. Ondernemersaftrek
Afdeling 3.3. Belastbaar loon
Paragraaf 3.3.1. Belastbaar loon
Paragraaf 3.3.2. Reisaftrek
Afdeling 3.4. Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden
Paragraaf 3.4.1. Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden
Paragraaf 3.4.2. Resultaat uit een werkzaamheid
Paragraaf 3.4.3. Terbeschikkingstellingsvrijstelling
Afdeling 3.5. Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen
Afdeling 3.5a
Afdeling 3.6. Belastbare inkomsten uit eigen woning
Afdeling 3.6a. Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld
Afdeling 3.7. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Afdeling 3.8. Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Afdeling 3.9. Negatieve persoonsgebonden aftrek
Afdeling 3.13. Verliesverrekening
Hoofdstuk 4. Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang
Afdeling 4.1. Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
Afdeling 4.2. Gelijkstellingen
Artikel 4.5b. Niet-vergelijkbare rechtsvormen
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Afdeling 4.3. Aanmerkelijk belang
Afdeling 4.4. Inkomen uit aanmerkelijk belang
Afdeling 4.6. Vervreemdingsvoordelen
Paragraaf 4.6.1. Als vervreemding aan te merken rechtshandelingen
Paragraaf 4.6.2. De omvang van vervreemdingsvoordelen
Afdeling 4.7. Vaststellen verkrijgingsprijs
Afdeling 4.8. Doorschuifregelingen
Paragraaf 4.8.2. Doorschuiving indien niet langer een aanmerkelijk belang aanwezig is
Paragraaf 4.8.3. Doorschuiving in het kader van een aandelenfusie, juridische fusie of splitsing
Paragraaf 4.8.4. Doorschuiving in het kader van een geruisloze terugkeer
Afdeling 4.9. Genietingstijdstip
Hoofdstuk 5. Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen
Afdeling 5.1. Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
Afdeling 5.3B. Vrijstelling nettopensioen
Afdeling 5.5. Peildatumarbitrage
Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden aftrek
Afdeling 6.3. Verliezen op beleggingen in durfkapitaal
Afdeling 6.6. Weekenduitgaven voor gehandicapten
Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen
Hoofdstuk 8. Heffingskorting
Afdeling 8.1. Aansluiting belasting- en premieheffing
Afdeling 8.2. Elementen van de standaardheffingskorting
Hoofdstuk 9. Wijze van heffing
Afdeling 9.1. Heffing bij wege van aanslag
Artikel 9.5a. Bijzondere regels voor voorlopige aanslagen ter zake van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
In afwijking van artikel 9.5 wordt in de periode waarin de percentages voor banktegoeden en voor schulden, bedoeld in artikel 5.2, nog niet ingevolge artikel 10.6ter, tweede en vierde lid, voor het kalenderjaar zijn vastgesteld bij het opleggen van een voorlopige aanslag over dat kalenderjaar ter zake van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen uitgegaan van bij ministeriële regeling vast te stellen percentages. Daarbij wordt het te hanteren percentage voor banktegoeden vastgesteld op het rentepercentage van de maand juli van het voorafgaande kalenderjaar op deposito’s van huishoudens met een opzegtermijn van maximaal drie maanden, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank, en het percentage voor schulden op het rentepercentage van de maand juli van het voorafgaande kalenderjaar over het totale uitstaande bedrag aan woninghypotheken van huishoudens, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank.
Afdeling 10.2. Overige aanvullende regelingen
Afdeling 10.3. Experiment pensioenregeling zelfstandigen
Hoofdstuk 10b. Horizonbepaling
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden aftrek
Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen
Afdeling 7.1. Nederlands inkomen
Afdeling 7.5. Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen
Afdeling 8.2. Elementen van de standaardheffingskorting
Hoofdstuk 9. Wijze van heffing
Afdeling 9.1. Heffing bij wege van aanslag
Afdeling 10.2. Overige aanvullende regelingen
Afdeling 10.3. Experiment pensioenregeling zelfstandigen
Hoofdstuk 10A. Overig overgangsrecht ten gevolge van wijzigingswetten
Hoofdstuk 10b. Horizonbepaling
Hoofdstuk 10b. Horizonbepaling
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 10a.30. Overgangsbepaling inkomensafhankelijke combinatiekorting
De artikelen 2.7, eerste lid, derde zin, en tweede lid, 8.2, onderdeel e, 8.14a en 10.1, eerste lid, zoals deze luidden op 31 december 2024, blijven van toepassing met betrekking tot een belastingplichtige:
- a. die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 8.14a zoals dat luidde op 31 december 2024; en
- b. van wie het kind, bedoeld in artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel b, zoals dat luidde op 31 december 2024, is geboren voor 1 januari 2025.
Hoofdstuk 10b. Horizonbepaling
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Hoofdstuk 10b. Horizonbepaling
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 5.27a. Waardering voordeel uit eigen gebruik van een onroerende zaak
Het voordeel uit het voor eigen gebruik ter beschikking staan van een onroerende zaak of een deel daarvan wordt gesteld op de economische huurwaarde per jaar van die onroerende zaak, onderscheidenlijk van dat deel van die onroerende zaak.
Indien een onroerende zaak of een deel daarvan een gedeelte van het kalenderjaar voor eigen gebruik ter beschikking staat, wordt het voordeel uit het voor eigen gebruik ter beschikking staan gesteld op de economische huurwaarde per jaar van die onroerende zaak, onderscheidenlijk van dat deel van die onroerende zaak, gedeeld door het totale aantal dagen in het kalenderjaar en vermenigvuldigd met het aantal dagen in het kalenderjaar dat die onroerende zaak, onderscheidenlijk dat deel van die onroerende zaak, de gehele dag voor eigen gebruik ter beschikking staat.
Een onroerende zaak of een deel daarvan staat in ieder geval niet voor eigen gebruik ter beschikking voor zover die onroerende zaak, onderscheidenlijk dat deel van die onroerende zaak, wordt verhuurd of verpacht, in aanbouw is of onbruikbaar is door een brand of een verbouwing.
Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden aftrek
Afdeling 6.9. Aftrekbare giften
Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen
Afdeling 7.1. Nederlands inkomen
Afdeling 7.2. Belastbaar inkomen uit werk en woning
Afdeling 7.3. Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
Afdeling 7.5. Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen
Afdeling 9.1. Heffing bij wege van aanslag
Afdeling 10.1. Indexering
Afdeling 10.2. Overige aanvullende regelingen
Afdeling 10.3. Experiment pensioenregeling zelfstandigen
Hoofdstuk 10A. Overig overgangsrecht ten gevolge van wijzigingswetten
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)