Wet van 29 juni 2000, houdende intrekking van de Wet op de studiefinanciering en vervanging door de Wet studiefinanciering 2000 (Wet studiefinanciering 2000)
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet op de studiefinanciering te wijzigen als uitvloeisel van het regeerakkoord 1998 en van de nota «Flexibele studiefinanciering; een stelsel dat past»; dat het voorts wenselijk is de leesbaarheid van de Wet op de studiefinanciering te vergroten; dat het in verband met het grote aantal wijzigingen wenselijk is de Wet op de studiefinanciering in te trekken en te vervangen door een nieuwe wet;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Onderdeel A werkt terug tot en met 1 september 1996.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
achterstallige schuld: achterstallige schuld als bedoeld in artikel 6.8,
afsluitend examen:
- a. voor wat betreft hoofdstuk 4 het examen, bedoeld in artikel 7.4.2 WEB, alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a,
- b. voor wat betreft hoofdstuk 5 het examen, bedoeld in artikel 7.10a WHW, alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.14,
associate degree-opleiding: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel a, WHW, waaraan accreditatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, WHW is verleend,
bacheloropleiding: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel b, WHW, die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, WHW, of die de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel r, van die wet, met positief gevolg heeft ondergaan,
belastbaar minimumloon: belastbaar minimumloon als bedoeld in artikel 6.1a,
beroepsonderwijs: opleiding als bedoeld in artikel 7.2.7, derde lid, WEB en als bedoeld in artikel 2.13a,
collegegeldkrediet: lening voor betaling van het collegegeld in het hoger onderwijs,
debiteur: degene die zich krachtens artikel 6.1a heeft verplicht tot terugbetaling,
diplomatermijn beroepsonderwijs: termijn als bedoeld in artikel 4.9,
diplomatermijn hoger onderwijs: termijn als bedoeld in artikel 5.5,
hoger beroepsonderwijs: hoger beroepsonderwijs in de zin van de WHW,
hoger onderwijs: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs als bedoeld in paragraaf 2.3 en in artikel 2.14,
ho-student: degene die hoger onderwijs volgt, niet zijnde een extraneus,
lening: rentedragende lening die niet kan worden omgezet in een gift,
levenlanglerenkrediet: lening voor betaling van het lesgeld in het beroepsonderwijs of het collegegeld in het hoger onderwijs,
masteropleiding: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, onderdeel c, WHW, die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, WHW, of die de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel r, van die wet, met positief gevolg heeft ondergaan,
mbo-student: degene die beroepsonderwijs volgt,
onderwijsnummer: door Onze Minister uitgegeven persoonsgebonden nummer, toegekend aan een persoon aan wie niet van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt,
Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
opleiding niveau 1 of 2:
- a. entreeopleiding en basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a en b, WEB, en
- b. opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2,
opleiding niveau 3 of 4:
- a. vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen c, d en e, WEB, en
- b. opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4,
ouder: natuurlijke ouder of adoptiefouder in de zin van de artikelen 197 tot en met 232 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek,
ouder zonder partner: ouder die geen partner heeft als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget,
partner: partner als bedoeld in artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen,
peiljaar: tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het studiefinancieringstijdvak aanvangt, dan wel het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de draagkracht in de zin van hoofdstuk 6 wordt vastgesteld,
prestatiebeurs: rentedragende lening die onder voorwaarden kan worden omgezet in een gift, waarbij de rente teniet gaat, niet zijnde de rentedragende lening die niet kan worden omgezet in een gift,
prestatiebeurs beroepsonderwijs: prestatiebeurs als bedoeld in artikel 4.6a,
prestatiebeurs hoger onderwijs: prestatiebeurs als bedoeld in artikel 5.1,
reisproduct: reisproduct als bedoeld in artikel 3.25,
reisrecht: recht om te reizen als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid,
reisvoorziening: voorziening als bedoeld in artikel 3.7 en paragraaf 3.7,
RSR: Regisseur Studenten Reisrecht, de rechtspersoon die in opdracht van de vervoersbedrijven tot taak heeft de digitale administratie van het reisproduct voor studenten te voeren,
specialistenopleiding: specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel e, WEB,
student: ho-student of mbo-student,
studiefinanciering: door Onze Minister verstrekte toekenning in verband met het volgen van een opleiding in het beroepsonderwijs of in het hoger onderwijs waarop uitsluitend op grond van deze wet aanspraak bestaat,
studiefinancieringstijdvak: kalenderjaar of een gedeelte daarvan waarop de toekenning van studiefinanciering betrekking heeft, met dien verstande dat deze periode ten minste 1 kalendermaand is,
studiejaar:
- a. in het hoger onderwijs: tijdvak dat aanvangt op 1 september van enig kalenderjaar en eindigt op 31 augustus daaropvolgend,
- b. in het beroepsonderwijs: tijdvak dat aanvangt op 1 augustus van enig kalenderjaar en eindigt op 31 juli daaropvolgend,
studiepunt: eenheid waarin de studielast, bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, WHW, wordt uitgedrukt,
termijnbetaling: bedrag als bedoeld in artikel 6.9, of als het een debiteur betreft op wie hoofdstuk 10a van toepassing is: bedrag als bedoeld in artikel 10a.6,
thuiswonende student: student die niet een uitwonende student is,
toetsingsinkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met dien verstande dat voor berekeningsjaar wordt gelezen: peiljaar,
uitwonende student: student die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5,
veronderstelde ouderlijke bijdrage: bedrag dat verondersteld wordt door de ouders bijgedragen te worden waarmee de aanvullende beurs van de student wordt verminderd,
vervoerbedrijf: rechtspersoon die op grond van een overeenkomst met de Staat als partij of als derde verantwoordelijk is voor de uitvoering van het reisrecht,
voltijdse opleiding: opleiding in de zin van de WHW, met uitzondering van deeltijds onderwijs,
vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000,
WEB: Wet educatie en beroepsonderwijs,
wetenschappelijk onderwijs: wetenschappelijk onderwijs in de zin van de WHW,
wettelijk collegegeld: wettelijk collegegeld als bedoeld in artikel 7.45 WHW,
WHW: Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Onder voltijdse opleiding wordt mede verstaan een duale opleiding in de zin van de WHW.
Artikel 1.2. Peildatum
Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet is bepalend de toestand op de eerste dag van de maand, tenzij anders is bepaald.
Artikel 1.3. Voorwaarden omtrent aanvraag
Aan welke voorwaarden een aanvraag moet voldoen, kan bij ministeriële regeling worden bepaald. In ieder geval wordt daarbij bepaald dat de aanvrager zijn burgerservicenummer of onderwijsnummer verstrekt.
Artikel 1.4. Minderjarigheid
Vervallen
Artikel 1.5. Verplichtingen uitwonende student
Voor het normbedrag voor een uitwonende student komt in aanmerking de student die voldoet aan de volgende verplichtingen:
- a. de student woont op het adres waaronder hij in de basisregistratie personen staat ingeschreven, en
- b. het woonadres van de student is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de basisregistratie personen staat of staan ingeschreven.
Op een student die ingevolge de artikelen 2.13a of 2.14 in aanmerking komt voor studiefinanciering voor een opleiding buiten Nederland is het eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing.
Artikel 1.6. Inspecteur der rijksbelastingen bepaalt inkomen of loon
Vervallen
Artikel 1.7. Gebruik burgerservicenummer of onderwijsnummer
Onze Minister gebruikt het burgerservicenummer of onderwijsnummer van een student of debiteur ter zake van de uitvoering van deze wet slechts:
- a. in contacten met die student of debiteur,
- b. in contacten met personen en instanties voor zover deze zelf gemachtigd zijn tot het opnemen van het burgerservicenummer of onderwijsnummer in een persoonsregistratie,
- c. om de gegevens van die student of debiteur te vergelijken met de gegevens die over hem zijn opgenomen in het register onderwijsdeelnemers, bedoeld in artikel 4 van de Wet register onderwijsdeelnemers, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet, en
- d. in contacten met de toezichthouders, bedoeld in artikel 9.1a.
Het burgerservicenummer of onderwijsnummer van de partner of ouder van een student of debiteur kan ter zake van de uitvoering van deze wet slechts worden gebruikt in contacten met die partner of ouder of met de desbetreffende student of debiteur, alsmede, voor zover het betreft de controle op de rechtmatigheid, in contacten met personen en instanties voor zover deze zelf gemachtigd zijn tot het opnemen van het burgerservicenummer of onderwijsnummer in een persoonsregistratie.
Hoofdstuk 2. Werkingssfeer
Paragraaf 2.1. Algemeen
Artikel 2.1. Reikwijdte en voorwaarden studiefinanciering
Deze wet regelt de studiefinanciering en is van toepassing op studenten die voldoen aan de voorwaarden inzake:
- a. nationaliteit als bedoeld in artikel 2.2,
- b. leeftijd als bedoeld in artikel 2.3 of 2.3a, en
- c. onderwijssoort als bedoeld in de paragrafen 2.2 tot en met 2.4.
Artikel 2.2. Nationaliteit
Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die:
- a. de Nederlandse nationaliteit bezit,
- b. niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel ingevolge een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie op het terrein van de studiefinanciering met een Nederlander wordt gelijkgesteld, of
- c. niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel in Nederland woont en behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen groep van personen die voor het terrein van de studiefinanciering met Nederlanders worden gelijkgesteld.
Onverminderd het eerste lid, onderdeel b, kunnen bij algemene maatregel van bestuur groepen van personen worden aangewezen voor wie de gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs betreft. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de hoogte en de vorm van deze tegemoetkoming.
Artikel 2.3. Leeftijd
Een mbo-student kan in aanmerking komen voor:
- a. een reisvoorziening met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij beroepsonderwijs is gaan volgen;
- b. studiefinanciering met ingang van:
- 1°. de eerste dag van de maand volgend op het kwartaal waarin hij de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt; of
- 2°. de eerste dag van het kwartaal indien hij op die dag de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt.
Voor studiefinanciering kan een ho-student in aanmerking komen met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij hoger onderwijs is gaan volgen.
Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen tot en met de maand waarin hij de leeftijd van 30 jaren heeft bereikt.
In afwijking van het derde lid behoudt een student bij het bereiken van de leeftijd van 30 jaren zijn aanspraak, zolang hij zonder onderbreking studiefinanciering geniet.
Paragraaf 2.2. Beroepsonderwijs
Artikel 2.4. Beroepsonderwijs in Nederland
Voor studiefinanciering kan een mbo-student in aanmerking komen die is ingeschreven aan:
- a. een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 WEB, voor zover het een uit 's Rijks kas bekostigde beroepsopleiding betreft, of
- b. een instelling die ten aanzien van de beroepsopleiding het in artikel 1.4.1 WEB bedoelde recht heeft verkregen.
Artikel 2.5. Aanspraak
Een mbo-student heeft geen aanspraak op studiefinanciering indien hij is ingeschreven aan een opleiding waarvan de duur, daaronder begrepen ten hoogste 12 vakantieweken, korter is dan 1 jaar.
De aanspraak op studiefinanciering van een mbo-student als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel a of b, die gedurende een aaneengesloten periode van 8 weken geen lessen of beroepspraktijkvorming heeft gevolgd, vervalt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de instelling de afwezigheid, bedoeld in artikel 4.3, aan Onze Minister heeft medegedeeld. De periode van 8 weken wordt verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
De aanspraak op studiefinanciering vervalt over het tijdvak waarover een mbo-student de gegevens, bedoeld in artikel 4.19, niet verstrekt. Zolang hij deze gegevens over een studiejaar niet verstrekt, heeft hij tevens geen aanspraak op studiefinanciering voor de daarop volgende studiejaren. Indien hij ontbrekende gegevens alsnog levert, herleeft de aanspraak.
Artikel 2.6. Bekendmaking bij niet voldoen aan artikel 2.5, derde lid, en aanspraak op studiefinanciering
Vervallen
Artikel 2.7. Aanspraak bij einde studie beroepsonderwijs
De aanspraak op studiefinanciering vervalt met ingang van de maand die volgt op de dag waarop de mbo-student het laatste studiejaar van een opleiding met goed gevolg heeft afgesloten.
Indien de mbo-student aansluitend aan het studiejaar dat als laatste studiejaar was aangemerkt, opnieuw dat laatste studiejaar aanvangt, ontstaat aanspraak op studiefinanciering voor het resterende gedeelte van het kalenderjaar.
Indien de mbo-student na zijn uitschrijving voor een opleiding binnen 4 maanden opnieuw deze opleiding aanvangt of een andere opleiding in de zin van deze wet gaat volgen, blijft, in afwijking van het eerste lid, op zijn aanvraag de aanspraak op studiefinanciering in de tussen beide opleidingen liggende periode voor ten hoogste 4 maanden bestaan. Hij wordt in die periode aangemerkt als mbo-student aan de eerste opleiding. In afwijking van artikel 3.21, tweede lid, kan de aanvraag in het daarop volgende studiejaar worden ingediend indien de uitschrijving binnen vier maanden voor het einde van het desbetreffende studiejaar heeft plaatsgevonden.
Paragraaf 2.3. Hoger onderwijs
Artikel 2.8. Voltijdse opleidingen hoger onderwijs in Nederland
Voor studiefinanciering kan een ho-student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse associate degree-opleiding, voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een universiteit of hogeschool, opgenomen in de bijlage van de WHW of aan een rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1 WHW.
Indien de accreditatie van een opleiding wordt geweigerd, beëindigd of ingetrokken of aan een opleiding het recht op bekostiging of graadverlening, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, WHW, wordt ontnomen, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing gedurende de termijn waarin de student de betreffende opleiding op grond van artikel 5.21, derde en zesde lid, 5.32 of 6.5, tweede lid, WHW, mag vervolgen.
Artikel 2.9. Voltijdse opleidingen hoger onderwijs aan een niet bekostigde instelling
Vervallen
Artikel 2.10. Bekostigde voltijdse kerkelijke opleidingen hoger onderwijs
Voor studiefinanciering kan een ho-student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse wetenschappelijk theologische opleiding ten behoeve waarvan aan het desbetreffende kerkgenootschap vanwege het Rijk een bijdrage wordt verleend.
Artikel 2.11. Bij amvb aangewezen hoger onderwijs
Voor studiefinanciering kan een ho-student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen hoger onderwijs dat anders dan op grond van de WHW, volledig en rechtstreeks uit de openbare kas wordt bekostigd.
Artikel 2.12. Opleidingen levenlanglerenkrediet
Een ho-student kan in aanmerking komen voor levenlanglerenkrediet, indien hij is ingeschreven voor het volgen van:
- a. een opleiding als bedoeld in de artikelen 2.8 tot en met 2.11;
- b. een postinitiële masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b WHW;
- c. een deeltijdse opleiding in het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, WHW, waaraan accreditatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, WHW is verleend; of
- d. een of meer onderwijseenheden als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, WHW, van een opleiding waaraan accreditatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, WHW is verleend, aan:
- 1°. de Open Universiteit;
- 2°. een rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1 WHW; of
- 3°. een bekostigde instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, WHW, met uitzondering van de Open Universiteit, in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen, waarin bij wijze van experiment op grond van artikel 1.7a WHW, in afwijking van artikel 7.32, derde lid, WHW, inschrijving voor een onderwijseenheid is toegestaan.
Artikel 2.13. Geen aanspraak of geen aanspraak meer
Een ho-student heeft geen aanspraak op studiefinanciering:
- a. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op prestatiebeurs hoger onderwijs gedurende 36 maanden een lening heeft genoten,
- b. indien er 10 jaren verstreken zijn met ingang van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is toegekend voor het volgen van hoger onderwijs, op grond van deze wet of op grond van de Wet studiefinanciering BES,
- c. indien hij is ingeschreven aan een opleiding waarvan de duur, daaronder begrepen ten hoogste 12 vakantieweken, korter is dan 1 jaar, of
- d. indien hij in het betreffende studiefinancieringstijdvak aanspraak maakt op een tegemoetkoming in de kosten voor de toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud, die door de voor de verstrekking van deze tegemoetkomingen verantwoordelijke autoriteit van een ander land wordt verstrekt.
De aanspraak van een ho-student die een opleiding volgt als bedoeld in artikel 2.14 vervalt over het tijdvak waarover hij de inlichtingen, bedoeld in artikel 9.2, eerste lid, niet verstrekt. Zolang hij die inlichtingen over een studiejaar niet verstrekt, heeft hij tevens geen aanspraak op studiefinanciering voor de daarop volgende studiejaren. Indien hij die inlichtingen alsnog verstrekt, herleeft de aanspraak.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien artikel 5.16, eerste lid, toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, verlengd met de duur van de in dat artikel bedoelde bijzondere omstandigheden.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien artikel 5.16, tweede lid, toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, verlengd met 5 jaren.
Het eerste lid, onderdelen a en b, en het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet.
Paragraaf 2.4. Overige bepalingen
Artikel 2.14. Buitenlandse opleidingen hoger onderwijs
Dit artikel is niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet en op ho-studenten die op grond van artikel 2.2, tweede lid, slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs ontvangen.
Een ho-student die is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding in het hoger onderwijs buiten Nederland, bedoeld in het derde lid, komt in aanmerking voor studiefinanciering indien hij:
- a. gebruik heeft gemaakt van het vrij verkeer bedoeld in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en op grond van bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde criteria een band heeft met Nederland; of
- b. ten minste 3 jaren van de 6 jaren voorafgaand aan diens inschrijving aan die opleiding in Nederland heeft gewoond en gedurende deze periode rechtmatig verblijf heeft gehad, waarbij de periode gedurende welke een ho-student is ingeschreven aan een opleiding buiten Nederland als bedoeld in het derde lid, niet meetelt voor de bepaling van deze 6 jaren.
Van een opleiding in het hoger onderwijs buiten Nederland waarvoor studiefinanciering wordt toegekend is sprake indien:
- a. in Nederland voor een vergelijkbaar soort opleiding studiefinanciering wordt verstrekt;
- b. het niveau en de kwaliteit van de opleiding vergelijkbaar zijn met overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW;
- c. het afsluitend examen voor de opleiding vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW; en
- d. de opleiding voldoet aan criteria die bij ministeriële regeling kunnen worden vastgesteld.
Onze Minister stelt vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het derde lid. Onze Minister stelt voor de opleiding buiten Nederland de duur en de vorm van de studiefinanciering vast overeenkomstig de duur en de vorm waarin deze voor een vergelijkbare opleiding in Nederland wordt verstrekt.
Het tweede en derde lid van artikel 2.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing op het tweede lid. Het tweede en derde lid van artikel 2.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn, voor de toepassing van de eerste volzin, tevens van overeenkomstige toepassing op personen met een andere dan de Nederlandse nationaliteit.
Bij ministeriële regeling kan een maximum worden gesteld aan het aantal aanvragen van ho-studenten voor studiefinanciering voor het volgen van onderwijs buiten Nederland.
Het zesde lid is niet van toepassing op aanvragen van ho-studenten die in de 12 maanden voorafgaand aan de periode waarvoor studiefinanciering voor het volgen van onderwijs buiten Nederland wordt aangevraagd, reeds studiefinanciering voor het volgen van onderwijs buiten Nederland toegekend hebben gekregen.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels met betrekking tot de uitvoering van dit artikel worden vastgesteld.
Artikel 2.15. Geen aanspraak studiefinanciering als mbo-student bij samenloop beroepsonderwijs en hoger onderwijs
De student die lesgeld is verschuldigd op grond van artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet en tevens voor het volgen van hoger onderwijs aanspraak heeft op studiefinanciering, geldt voor de toekenning van studiefinanciering niet als mbo-student.
Artikel 2.16. Geen aanspraak beroepsonderwijs na eerdere aanspraak
De mbo-student heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2, indien hij reeds 4 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs heeft genoten.
De student heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor beroepsonderwijs indien hij reeds 4 jaren prestatiebeurs hoger onderwijs heeft genoten.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet.
Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
Paragraaf 3.1. Samenstelling studiefinanciering
Artikel 3.1. Studiefinanciering
Studiefinanciering bestaat voor een opleiding in het beroepsonderwijs uit een basisbeurs, een basislening en een aanvullende beurs of aanvullende lening, en kan geheel of gedeeltelijk worden toegekend in de vorm van:
- a. een gift;
- b. een prestatiebeurs; of
- c. een lening.
Studiefinanciering bestaat voor een opleiding in het hoger onderwijs uit een basisbeurs, een basislening, een aanvullende beurs of aanvullende lening en collegegeldkrediet, en kan geheel of gedeeltelijk worden toegekend in de vorm van:
- a. een gift;
- b. een prestatiebeurs; of
- c. een lening.
Indien een student geen aanspraak heeft op studiefinanciering als bedoeld in het eerste of tweede lid bestaat studiefinanciering uit levenlanglerenkrediet.
De hoogte van de studiefinanciering wordt vastgesteld op basis van een budget voor een kalendermaand.
In afwijking van het vierde lid kan de hoogte van de studiefinanciering ook worden vastgesteld op een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs.
Artikel 3.2. Samenstelling maandbudget mbo-student
Het budget voor een mbo-student voor een kalendermaand is het totaal van:
- a. een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud,
- b. een tegemoetkoming in de kosten van het lesgeld, en
- c. een reisvoorziening.
Dit budget kan worden verhoogd met een toeslag voor een eenoudergezin ingevolge artikel 3.5.
De tegemoetkoming in de kosten van het lesgeld wordt voor een mbo-student vastgesteld op een twaalfde deel van het op grond van artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet geldende bedrag van het lesgeld. Het bedrag van de maximale aanvullende beurs, bedoeld in de artikelen 3.13, eerste lid, 3.16 en 3.18, wordt voor een mbo-student verhoogd met het bedrag van de tegemoetkoming.
De tegemoetkoming, bedoeld in het derde lid, wordt niet toegekend voor het studiejaar waarin de mbo-student de leeftijd van 18 jaren bereikt.
In afwijking van het eerste lid bestaat het budget voor een mbo-student die in aanmerking komt voor levenlanglerenkrediet alleen uit dat krediet.
De bedragen zijn opgenomen in artikel 3.18.
Artikel 3.3. Samenstelling maandbudget ho-student
Het budget voor een ho-student voor een kalendermaand is het totaal van:
- a. een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud;
- b. het collegegeldkrediet; en
- c. een reisvoorziening.
Dit budget kan worden verhoogd met een toeslag voor een eenoudergezin ingevolge artikel 3.5.
In afwijking van het eerste lid bestaat het budget voor een ho-student die in aanmerking komt voor levenlanglerenkrediet alleen uit dat krediet.
De bedragen zijn opgenomen in artikel 3.18.
Artikel 3.4. Toeslag partner
Vervallen
Artikel 3.5. Toeslag eenoudergezin
Aan een student zonder partner die een of meer kinderen heeft van jonger dan 18 jaren die niet tot het huishouden van een ander behoren, voor wie deze op grond van de Algemene Kinderbijslagwet aanspraak op kinderbijslag heeft, wordt een toeslag voor een eenoudergezin toegekend.
Het bedrag is opgenomen in artikel 3.18.
Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
Artikel 3.6. Basisbeurs
De hoogte van de basisbeurs is verschillend voor uit- en thuiswonende studenten. De bedragen zijn opgenomen in artikel 3.18.
Voor een opleiding niveau 1 of 2 maakt een reisvoorziening deel uit van de basisbeurs.
Voor een opleiding niveau 1 of 2 kan de toeslag, bedoeld in artikel 3.5, onderdeel uitmaken van de basisbeurs.
Artikel 3.7. Reisvoorziening
De reisvoorziening bestaat uit een reisrecht waarmee gedurende een bepaald deel van de week de student geen bedrag of een lager bedrag verschuldigd is aan de vervoersbedrijven, en kan voor groepen studenten bestaan uit een vergoeding in geld.
De vorm, wijze van toekenning en de voorwaarden van de reisvoorziening zijn bepaald in en krachtens paragraaf 3.7.
Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
Artikel 3.8. Hoogte aanvullende beurs
De hoogte van de aanvullende beurs is het maximumbedrag van de aanvullende beurs, genoemd in artikel 3.18, minus de veronderstelde ouderlijke bijdrage die wordt berekend ingevolge de artikelen 3.9 tot en met 3.13.
Artikel 3.9. Berekeningsgrondslag veronderstelde ouderlijke bijdrage beroepsonderwijs
Maatstaf voor de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage is het toetsingsinkomen van de afzonderlijke ouders van de mbo-student in het peiljaar.
Op het toetsingsinkomen in het peiljaar wordt in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk aan € 16.736,64 per 1 januari 2026: € 23.152,70. Indien één van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een mbo-student die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, blijkens de basisregistratie personen slechts één ouder heeft of artikel 3.14 toepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien het in het peiljaar een ouder zonder partner betreft en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de tweede volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 21.204,43 per 1 januari 2026: € 29.333,26.
Het bruto kortingsbedrag op jaarbasis is 26% van het verschil tussen het toetsingsinkomen in het peiljaar en de vrije voet in het toekenningsjaar.
Op het bruto kortingsbedrag, bedoeld in het derde lid, worden in mindering gebracht:
- a. de ingevolge paragraaf 6.1 vastgestelde termijnbetalingen over een jaar of, indien dit minder is, de berekende draagkracht indien de ouder tevens debiteur is; en
- b. € 363 voor ieder kind dat in het studiejaar dat aanvangt in het jaar voorafgaand aan het studiefinancieringstijdvak, onder de werking van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten of van artikel 2, derde tot en met vijfde lid, van de Wet op het kindgebonden budget valt.
Een twaalfde deel van het bedrag dat na de toepassing van het vierde lid resteert, is de berekeningsgrondslag per maand voor een ouder van de veronderstelde ouderlijke bijdrage.
Indien een kind waarvoor de aftrek, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, heeft plaatsgevonden, onder de werking van deze wet gaat vallen, wordt met ingang van het tijdstip waarop dit kind onder de werking van deze wet gaat vallen, de veronderstelde ouderlijke bijdrage, bedoeld in het vijfde lid, opnieuw berekend.
Het zesde lid is niet van toepassing op een mbo-student die uitsluitend een reisvoorziening bedoeld in artikel 4.6b toegekend heeft gekregen.
Artikel 3.10. Peiljaarverlegging bij terugval in inkomen
Op aanvraag van de ouders of een van hen of op aanvraag van de student wordt bij toepassing van de artikelen 3.9 en 3.9a, indien sprake is van een terugval in inkomen over het eerste of het tweede jaar na het peiljaar, uitgegaan van het toetsingsinkomen in dat jaar.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan: een vermindering van de som van de toetsingsinkomens van de beide ouders tezamen met ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar.
Artikel 3.11. Nog niet vastgesteld of nog niet bekend inkomen
Voor de toepassing van de artikelen 3.9, 3.9a en 3.10 wordt zolang het toetsingsinkomen over het peiljaar, het eerste of het tweede jaar na het peiljaar nog niet kan worden bepaald, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het desbetreffende toetsingsinkomen zo goed mogelijk benadert.
Artikel 3.12. Ouder zonder partner
Indien een ouder na het peiljaar een ouder zonder partner wordt, wordt op aanvraag van die ouder of de student de hoogte van de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 3.9a, dienovereenkomstig aangepast.
Artikel 3.13. Veronderstelde ouderlijke bijdrage
De veronderstelde ouderlijke bijdrage is voor een mbo-student de som van de maandbedragen, bedoeld in artikel 3.9, vijfde lid, en voor een ho-student de som van de maandbedragen die zijn bepaald door toepassing vanartikel 3.9a. De veronderstelde ouderlijke bijdrage kan nooit meer bedragen dan de maximale aanvullende beurs voor een student.
Indien de veronderstelde ouderlijke bijdrage negatief is, wordt deze vastgesteld op nihil.
Bij de berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage per studerend kind wordt de bijdrage verdeeld over de studerende kinderen van een ouder indien:
- a. meer dan een van deze kinderen voor de betreffende maand aanspraak heeft op studiefinanciering; en
- b. de kinderen voor de betreffende maand een aanvullende beurs hebben aangevraagd.
Bij de verdeling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage, bedoeld in het derde lid, wordt een kind dat tevens onder de reikwijdte van artikel 3.9, vierde lid, onderdeel b, valt, buiten beschouwing gelaten.
Artikel 3.14. Weigerachtige of onvindbare ouders
Op aanvraag van een student kan de aan hem toegekende aanvullende lening worden verstrekt in de vorm van een aanvullende beurs, indien er sprake is van een langdurig ernstig verstoorde verhouding tussen ouder en student of van onvindbaarheid van de ouder. Onder een langdurig ernstig verstoorde verhouding wordt in ieder geval niet begrepen een conflict van financiële aard dat verband houdt met de studie.
Indien het eerste lid toepassing vindt, is voor de berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage van de andere ouder aan de student bedoeld in het eerste lid, artikel 3.9, tweede lid, derde volzin, van overeenkomstige toepassing. De hoogte van de aanvullende beurs van andere kinderen van beide ouders verandert hierdoor niet.
Bij algemene maatregel van bestuur worden in ieder geval criteria gegeven ter beoordeling van de vraag of sprake is van:
- a. een situatie als bedoeld in het eerste lid, en
- b. de voorwaarden waaronder de toekenning van de aanvraag geschiedt.
Paragraaf 3.3. Bijdrage ouders
Artikel 3.15. Basislening
Op aanvraag wordt een basislening toegekend. De maximale hoogte van de basislening is opgenomen in artikel 3.18, waarbij verschillende bedragen zijn vastgesteld voor mbo-studenten en ho-studenten.
Artikel 3.16. Aanvullende lening
Het verschil tussen het maximale bedrag van de aanvullende beurs en de voor een student berekende aanvullende beurs wordt aan hem op aanvraag als een aanvullende lening toegekend.
Artikel 3.17. Vordering wegens eigen inkomsten mbo-student
Vervallen
Paragraaf 3.4. Bijdrage studerende
Artikel 3.18. Overzicht normbedragen
De bedragen in onderstaande overzichten luiden per maand naar de maatstaf van 1 januari 2023 en voor overzicht 1, onderdeel B, en overzicht 2, onderdeel B, naar de maatstaf van 1 september 2023:
| A. Beroepsonderwijs | A. Beroepsonderwijs |
|---|---|
| Normbedrag thuiswonend | € 556,95 per 1 januari 2026: € 657,49 |
| Normbedrag uitwonend | € 786,59 per 1 januari 2026: € 928,58 |
| B. Hoger onderwijs | B. Hoger onderwijs |
| --- | --- |
| Normbedrag thuiswonend | € 793,27 per 1 januari 2026: € 936,46 |
| Normbedrag uitwonend | € 957,87 per 1 januari 2026: € 1.130,77 |
| A. Beroepsonderwijs | A. Beroepsonderwijs |
| --- | --- |
| Basisbeurs (exclusief toeslag eenoudergezin) | Basisbeurs (exclusief toeslag eenoudergezin) |
| thuiswonend | € 90,85 per 1 januari 2026: € 107,26 |
| uitwonend | € 296,51 per 1 januari 2026: € 350,03 |
| Basislening | Basislening |
| thuis- en uitwonend | € 197,93 per 1 januari 2026: € 233,65 |
| Maximale aanvullende beurs/lening of veronderstelde ouderlijke bijdrage1 | Maximale aanvullende beurs/lening of veronderstelde ouderlijke bijdrage1 |
| thuiswonend | € 268,17 per 1 januari 2026: € 316,58 |
| uitwonend | € 292,15 per 1 januari 2026: € 344,90 |
1 Voor mbo-studenten die lesgeld verschuldigd zijn, wordt de maximale aanvullende beurs/lening ingevolge artikel 3.2, derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000 vanaf 1 januari 2023 verhoogd met € 103,25 per 1 januari 2026: € 121,50 en per 1 augustus 2023 met € 113,08 per 1 augustus 2026: € 125,92 per maand.
| B. Hoger onderwijs | B. Hoger onderwijs |
|---|---|
| Basisbeurs (exclusief toeslag eenoudergezin) | Basisbeurs (exclusief toeslag eenoudergezin) |
| thuiswonend | € 110,30 per 1 januari 2026: € 130,21 |
| uitwonend | € 274,90 per 1 januari 2026: € 324,52 |
| Basislening | Basislening |
| thuis- en uitwonend | € 266,97 per 1 januari 2026: € 315,17 |
| Maximale aanvullende beurs/lening of veronderstelde ouderlijke bijdrage | Maximale aanvullende beurs/lening of veronderstelde ouderlijke bijdrage |
| thuis- en uitwonend | € 416,00 per 1 januari 2026: € 491,08 |
| Hoger onderwijs | |
| --- | --- |
| Toeslag eenoudergezin | € 277,13 per 1 januari 2026: € 327,15 |
Paragraaf 3.6. Toekenning
Artikel 3.19. Toekenning studiefinanciering
Onze Minister kent studiefinanciering toe aan degene die daartoe een aanvraag heeft ingediend en die voldoet aan de voorschriften gegeven bij of krachtens deze wet.
Onze Minister besluit op een aanvraag om studiefinanciering:
- a. indien de aanvraag is ingediend vóór 1 november van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de studiefinanciering betrekking heeft: vóór 31 december van dat voorafgaande jaar, en
- b. indien de aanvraag is ingediend na het in onderdeel a bedoelde tijdstip: binnen 8 weken na de indiening van de aanvraag.
Artikel 3.20. Gedeeltelijke toekenning
Zolang het op basis van de verstrekte gegevens onmogelijk is het bedrag van de aanvullende beurs vast te stellen, kent Onze Minister het gevraagde bedrag toe in de vorm van een lening.
Artikel 3.21. Toekenningsperiode
Studiefinanciering wordt toegekend per studiefinancieringstijdvak.
Een aanvraag voor studiefinanciering wordt vóór het einde van het studiejaar waarop de aanvraag betrekking heeft ingediend.
Studiefinanciering of de verhoging daarvan wordt niet toegekend voor een periode voorafgaand aan het studiejaar waarin de aanvraag is ingediend.
De reisvoorziening of het levenlanglerenkrediet wordt niet toegekend voor een periode voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag.
Op aanvraag van de student onderbreekt of beëindigt Onze Minister de studiefinanciering met ingang van de kalendermaand die de student in zijn aanvraag aangeeft, met dien verstande dat de onderbreking of beëindiging niet plaatsvindt voor een periode voorafgaand aan de datum van de indiening van de aanvraag. De onderbreking omvat ten minste 1 maand.
Artikel 3.22. Onderbreken opleiding wegens ziekte
Vervallen
Paragraaf 3.6. Toekenning
Artikel 3.23. Gebruik burgerservicenummer
In afwijking van artikel 1.7 gebruikt Onze Minister in contacten met RSR het burgerservicenummer van:
- a. een student voor de toekenning en beëindiging van diens reisrecht; en
- b. de persoon die een reisrecht toegekend heeft gekregen en van wie nadat sprake was van één van de situaties genoemd in artikel 3.27, eerste lid, onder a en b, het reisproduct niet tijdig is stopgezet, voor de uitvoering van artikel 3.27, tweede lid.
RSR gebruikt het burgerservicenummer van een student slechts:
- a. ter vaststelling van de identiteit van een student wanneer deze zich tot de vervoersbedrijven wendt om zijn gegevens te laten koppelen aan het reisproduct, bedoeld in artikel 3.25, en
- b. in contacten met Onze Minister.
Artikel 3.24. Vorm toekenning reisvoorziening
Voor studenten aan een opleiding binnen Nederland bestaat de reisvoorziening uit een reisrecht gedurende een bepaald deel van de week waarvoor de student geen bedrag of een lager bedrag verschuldigd is aan de vervoersbedrijven.
Voor studenten die aanspraak hebben op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding buiten Nederland, bestaat de reisvoorziening uit het bedrag, bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 5.3, eerste lid. In afwijking van de eerste volzin kan een student als bedoeld in de eerste volzin op aanvraag als reisvoorziening een reisrecht ontvangen.
Voor studenten aan een opleiding binnen Nederland die een deel van deze opleiding buiten Nederland volgen is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
Voor studenten voor wie geen burgerservicenummer kan worden gebruikt in het contact tussen Onze Minister en RSR, bestaat de reisvoorziening uit het bedrag, bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 5.3, eerste lid.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze van aanvraag en toekenning van de reisvoorziening in geld, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid alsmede regels met het oog op een goede uitvoering van dit artikel.
Artikel 3.25. Reisproduct
Het reisproduct is een elektronisch product dat studenten met een reisrecht kunnen koppelen aan een drager.
Bij ministeriële regeling worden dragers als bedoeld in het eerste lid aangewezen en wordt bepaald op welke wijze het reisproduct gekoppeld wordt aan de drager.
Artikel 3.26. Aanvang reisrecht; omvang van rechten
Het reisrecht vangt aan op het moment dat de student overeenkomstig artikel 3.25 het reisproduct heeft gekoppeld aan de drager.
Het reisrecht wordt naar keuze van de student toegekend als weekreisrecht of weekendreisrecht.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de wijze van verkrijgen van het reisrecht en de omvang van de aan de soorten reisrecht, bedoeld in het tweede lid, verbonden rechten. Daarbij worden tevens voorschriften vastgesteld met betrekking tot de wijze waarop en de termijn waarbinnen de student de keuze tussen soorten reisrecht dient te maken en met betrekking tot de aanvraag tot herziening door de student van een gemaakte keuze in soorten reisrecht.
Artikel 3.27. Beëindiging reisrecht
Het reisproduct wordt door RSR stopgezet op verzoek van Onze Minister of de student op uiterlijk de tiende kalenderdag van de maand waarin:
- a. de aanspraak op het reisrecht is beëindigd; of
- b. het reisproduct op grond van artikel 3.24, tweede of vierde lid, is vervangen door een reisvoorziening in de vorm van geld.
Indien gebruik is gemaakt van het reisproduct na het moment, bedoeld in het eerste lid, aanhef, is degene aan wie het reisrecht is toegekend aan Onze Minister per halve kalendermaand een bedrag verschuldigd van, naar de maatstaf van 1 januari 2019:
- a. € 75,00 per 1 januari 2026: € 96,09 voor zover het de eerste en de tweede halve kalendermaand betreft; en
- b. € 150,00 per 1 januari 2026: € 192,21 voor zover het de derde en daaropvolgende halve kalendermaanden betreft.
De eerste helft van een kalendermaand loopt tot en met de vijftiende dag van die maand.
De opbouw van de bedragen, genoemd in het tweede lid, vangt aan op het moment dat sprake is van één van de situaties genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b, waarbij voor de eerste halve kalendermaand waarin € 75,00 verschuldigd is uitsluitend wordt gekeken naar het gebruik van het reisproduct tijdens de elfde tot en met de vijftiende dag van die maand.
Er is geen bedrag verschuldigd over de halve kalendermaanden waarin geen gebruik gemaakt is van het reisproduct.
Indien een student na het beëindigen van zijn aanspraak op het reisrecht opnieuw een reisrecht toegekend heeft gekregen, is na het beëindigen van het laatst toegekende reisrecht wederom sprake van een eerste halve kalendermaand, als bedoeld in het tweede lid, onder a.
Het tweede lid is niet van toepassing op een periode waarin het degene aan wie het reisrecht is toegekend, aantoonbaar niet kan worden toegerekend dat het reisproduct niet tijdig is stopgezet.
Het reisproduct wordt stopgezet op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze van beëindigen van het reisrecht, en kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop en het tijdstip waarvoor de niet-toerekenbaarheid, bedoeld in het zevende lid, moet worden aangetoond.
Artikel 3.28. Stopzetten reisproduct uit eigen beweging
Onverminderd artikel 3.27, eerste lid, kan de student uit eigen beweging het verzoek aan RSR doen tot stopzetting van het reisproduct.
Artikel 3.29. Vergoeding bij geen reisrecht
Wanneer een student door toedoen van Onze Minister over een periode ten onrechte geen gebruik kan maken van het reisrecht, heeft hij over die periode jegens Onze Minister aanspraak op een vergoeding ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.27, tweede lid, onder b, mits hij meer dan 8 weken vóór het begin van de desbetreffende kalendermaand, zowel de studiefinanciering heeft aangevraagd als alle benodigde gegevens voor het kunnen toekennen van studiefinanciering heeft verstrekt. Indien het betreft een reisvoorziening als bedoeld in artikel 3.24, tweede lid, heeft hij slechts aanspraak op een vergoeding als bedoeld in de vorige volzin, indien hij tevens binnen een bij ministeriële regeling vast te stellen termijn, een aanvraag om deze reisvoorziening heeft ingediend.
De student vraagt de vergoeding aan binnen 2 weken na de dag waarop hij op de aanvraag voor het eerst studiefinanciering heeft toegekend gekregen of, indien dit later is, binnen 2 weken na de dag waarop voor het eerst zijn recht op studiefinanciering inging.
De student heeft geen recht op enige vergoeding:
- a. wegens het geen of slechts gedeeltelijk gebruik maken van het reisrecht, of
- b. in geval van inname, verlies, diefstal, beschadiging of een defect van de drager, bedoeld in artikel 3.25, eerste lid.
Artikel 3.30. Reizen van en naar Waddeneilanden
Ten behoeve van het reizen tussen Waddeneilanden en het vaste land kan Onze Minister met de gemeenten van deze eilanden een overeenkomst sluiten over een aanvullende voorziening die deze gemeenten aan bepaalde groepen studenten verstrekken.
Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
Artikel 4.1. Reikwijdte
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing:
- a. op mbo-studenten die in Nederland een opleiding niveau 1 of 2 volgen, en
- b. op mbo-studenten die in Nederland een beroepsopleiding volgen en die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontvingen.
Artikel 4.2. Vorm waarin studiefinanciering wordt verstrekt
Studiefinanciering wordt verstrekt in de vorm van een gift of een lening.
Artikel 4.3. Langdurige afwezigheid in het beroepsonderwijs
De studiefinanciering van de mbo-student die zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken, bestaat met uitzondering van de reisvoorziening geheel uit een lening met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de afwezigheid zonder geldige reden aanving. De periode van 5 weken wordt verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
In afwijking van het eerste lid kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat voor soorten van beroepsonderwijs het eerste lid van overeenkomstige toepassing is, indien een mbo-student in een of meer onderwijseenheden zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen.
Uitsluitend de in artikel 8.1.7, negende lid, WEB genoemde redenen voor afwezigheid zijn geldige redenen.
Artikel 4.4. Weer aanwezig binnen 8 weken
Artikel 4.3 is niet van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de mbo-student weer aan het onderwijs is gaan deelnemen, voor zover die studiefinanciering niet reeds mede op grond van een andere bepaling dan dit artikel, de vorm van een lening had. Voorwaarde voor de toepassing van de vorige volzin is dat de mbo-student aan het onderwijs is gaan deelnemen binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken. De periodes van 5 en 8 weken worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
Artikel 4.5. Langdurige afwezigheid in het niet bekostigd beroepsonderwijs
Het bestuur van de rechtspersoon waarvan de instelling, bedoeld in artikel 2.4, onderdeel b, uitgaat of de natuurlijke persoon die deze instelling in stand houdt, stelt uiterlijk op de derde werkdag na afloop van een periode van afwezigheid van 4 weken de mbo-student in kennis dat daarvan in de administratie van de instelling een aantekening is gemaakt en verzoekt de mbo-student om opgaaf van de reden van de afwezigheid.
Uiterlijk op de vijfde werkdag na de periode van 8 weken stelt het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon vast:
- a. of de reden die de mbo-student binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken gaf voor zijn afwezigheid, een geldige reden als bedoeld in artikel 8.1.7, negende lid, WEB, is, of
- b. dat de mbo-student binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken geen reden heeft opgegeven voor zijn afwezigheid.
Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon stelt tevens uiterlijk op de vijfde werkdag na afloop van de periode van 8 weken vast of de mbo-student voor het einde van die periode weer aan het onderwijs is gaan deelnemen.
Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon meldt uiterlijk de vijfde werkdag na afloop van een periode van 8 weken aan Onze Minister dat de mbo-student gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken zonder opgave van geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. Tevens meldt hij, indien die mbo-student voor het einde van die periode van 8 weken weer aan het onderwijs is gaan deelnemen, de datum daarvan.
De periodes van 5 en 8 weken worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon stuurt gelijktijdig met de mededelingen, bedoeld in het vierde lid, een afschrift van de gegevens die over de betrokkene aan Onze Minister zijn verstrekt, aan deze betrokkene en geeft daarbij tevens aan dat afwezigheid als bedoeld in artikel 4.3, gevolgen heeft voor de studiefinanciering van betrokkene, alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat tegen de mededelingen, bedoeld in het vierde lid.
Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
Paragraaf 4.1.1. Studiefinanciering in de vorm van gift of lening
Artikel 5.1. Prestatiebeurs hoger onderwijs
Een ho-student komt voor zover wordt voldaan aan de van toepassing zijnde voorwaarden in aanmerking voor studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs, inhoudende:
- a. een basisbeurs;
- b. een aanvullende beurs;
- c. een reisvoorziening; en
- d. een toeslag eenoudergezin.
Artikel 5.2. Vorm en duur studiefinanciering
De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt eenmalig aan een ho-student verstrekt gedurende 4 jaar, vermeerderd met:
- a. eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten, genoemd in de artikelen 7.5, eerste lid, onderdeel d, 7.5b, eerste lid en 7.5c, tweede en vierde lid WHW, gedeeld door vijf, indien een student is ingeschreven aan een in de betreffende artikelleden genoemde masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs;
- b. eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten, genoemd in de artikelen 7.5a en 7.5c, tweede tot en met vijfde lid, WHW minus zestig en gedeeld door vijf, indien een ho-student is ingeschreven aan een in de betreffende artikelleden genoemde opleiding in het wetenschappelijk onderwijs.
In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvullende beurs in de eerste 5 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat, verstrekt in de vorm van een gift.
De basislening, aanvullende lening en het collegegeldkrediet kunnen worden verstrekt gedurende de periode waarin aanspraak kan worden gemaakt op de prestatiebeurs hoger onderwijs.
Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag van de lening, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.3, 3.13 en 3.18 naar de maatstaf van 1 januari 2014 per maand € 894,51 per 1 januari 2026: € 1.213,95. In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.
Op aanvraag kan een ho-student als bedoeld in artikel 3.5 gedurende de 36 maanden, bedoeld in het vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid.
Artikel 5.3. Waarde van de reisvoorziening
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)