Wet van 29 juni 2000, houdende intrekking van de Wet op de studiefinanciering en vervanging door de Wet studiefinanciering 2000 (Wet studiefinanciering 2000)

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 274
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

Het deel van de prestatiebeurs hoger onderwijs dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, is gelijk aan een twaalfde deel van de waarde die daarvoor per student door het vervoerbedrijf aan Onze Minister in rekening wordt gebracht. De waarde wordt berekend door de voorlopige vergoeding voor het lopende kalenderjaar te corrigeren naar de correctie die de voorlopige vergoeding voor het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar onderging. Dit deel van de prestatiebeurs hoger onderwijs wordt niet uitbetaald of verrekend.

2.

Indien de prestatiebeurs hoger onderwijs niet kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover het reisproduct niet is gekoppeld aan een drager als bedoeld in artikel 3.25, eerste lid. In afwijking van artikel 1.2 is bepalend de toestand op enig moment van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op een maand waarin een vergoeding als bedoeld in artikel 3.24, tweede of vierde lid, is toegekend.

Artikel 5.4. Lening in EER-landen

Vervallen

Artikel 5.5. Diplomatermijn hoger onderwijs

De diplomatermijn hoger onderwijs is een periode van 10 jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is toegekend voor het volgen van hoger onderwijs.

Artikel 5.6. Prestatiebeurs meer dan 4 jaren

Vervallen

Paragraaf 4.1.2. Studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs

Artikel 5.7. Omzetting in gift bij afstuderen binnen diplomatermijn hoger onderwijs

1.

Indien een ho-student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een associate degree-opleiding afrondt, wordt de toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding omgezet in een gift. Onverminderd de eerste volzin, wordt de toegekende reisvoorziening volledig omgezet in een gift.

2.

Indien een ho-student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een opleiding als bedoeld in het eerste lid afrondt, wordt de resterende periode van de prestatiebeurs hoger onderwijs die ingevolge het eerste lid had kunnen worden omgezet in een gift verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding in de zin van deze wet, of een voltijdse masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b WHW die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, WHW aanvangt.

3.

Indien een ho-student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding, hbo-masteropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding afrondt, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding omgezet in een gift. Onverminderd de eerste volzin, wordt van de toegekende reisvoorziening één jaar extra omgezet in een gift.

4.

Indien een ho-student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een opleiding als bedoeld in het derde lid afrondt, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs hoger onderwijs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding in de zin van deze wet, of een voltijdse postinitiële masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b WHW aanvangt waaraan accreditatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, WHW is verleend.

5.

Met het afronden van een opleiding als bedoeld in het eerste of derde lid wordt gelijkgesteld het afronden van een deeltijdse opleiding of een opleiding van de Open Universiteit, voor zover deze opleiding krachtens de WHW daarmee gelijk wordt gesteld.

6.

Met het afronden van een opleiding als bedoeld in het derde lid wordt eveneens gelijkgesteld het afronden van een wo-bacheloropleiding, voor zover de ho-student een aanvraag heeft ingediend tot gelijkstelling.

Artikel 5.8. Omzetting in gift bij opleiding van minder dan 4 jaren

Vervallen

Paragraaf 5.2. Omzetting bij afsluitend examen

Artikel 5.9. Berichtenstroom tussen instelling, Minister en ho-student

1.

De omzetting, bedoeld in artikel 5.7, vindt plaats uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de verzending van de mededeling, bedoeld in artikel 7.9d WHW, of de mededeling, bedoeld in artikel 9.5, tweede lid. Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt Onze Minister de ho-student daarvan in kennis.

2.

Een ho-student die het examen, bedoeld in artikel 5.7, met goed gevolg heeft afgelegd aan een instelling waarop artikel 7.9d WHW niet van toepassing is, zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn hoger onderwijs, een door de betrokken instelling van hoger onderwijs gewaarmerkte kopie van het aan dat examen verbonden diploma aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs. Op die kopie vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten. De omzetting vindt plaats uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag.

3.

Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs ingevolge artikel 5.7, zesde lid.

Paragraaf 4.1.1. Studiefinanciering in de vorm van gift of lening

Artikel 5.10. Stoppen voor 1 februari

Indien een ho-student in het studiejaar waarvoor hij op enig moment voor het eerst prestatiebeurs hoger onderwijs geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op dat studiejaar de in dat studiejaar toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.

Artikel 5.11. Stoppen voor 1 september

Indien een ho-student in het studiejaar waarvoor hij op enig moment na 31 januari voor het eerst prestatiebeurs hoger onderwijs geniet, ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 september, en hij niet vóór 1 februari van het daaropvolgende studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het laatstbedoelde studiejaar de in het eerste studiejaar toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.

Paragraaf 4.1.2. Prestatiebeurs beroepsonderwijs

Artikel 5.12. Omzetting eerste 12 maanden prestatiebeurs

Vervallen

Artikel 5.13. Onvoldoende studieprestaties in eerste 12 maanden

Vervallen

Paragraaf 4.1.2. Prestatiebeurs beroepsonderwijs

Artikel 5.14. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden prestatiebeurs

Vervallen

Paragraaf 4.2.2. Opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland

Artikel 5.15. Arbeidsongeschiktheid

Indien een ho-student op enig moment binnen de diplomatermijn hoger onderwijs duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of op enig moment niet langer in staat is om met arbeid meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van die wet en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 3 van die wet bestaat, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.

Artikel 5.16. Bijzondere omstandigheden

1.

Indien een ho-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden.

2.

Indien een ho-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn, op aanvraag, verlengd met 5 jaren. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.

3.

Indien een ho-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs of binnen de, op grond van het tweede lid, verlengde diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.

4.

Indien een ho-student als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, ontvangt de ho-student bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering.

5.

Onze Minister stelt op aanvraag van de ho-student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de ho-student is ingeschreven.

Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3 of 4 buiten Nederland

Artikel 5.17. Tenietgaan rente

Bij omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs of een deel daarvan in een gift gaat de over het om te zetten bedrag opgebouwde rente teniet.

Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld

Artikel 6.1. Begripsbepalingen hoofdstuk 6

1.

In dit hoofdstuk wordt onder lening mede verstaan de prestatiebeurs.

2.

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

3.

Vanaf de dag waarop een student met een lening beroepsonderwijs tevens een lening hoger onderwijs aangaat, wordt de lening beroepsonderwijs aangemerkt als een lening hoger onderwijs.

4.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder debiteur uitsluitend verstaan degene die een lening heeft opgebouwd anders dan door de toekenning van het levenlanglerenkrediet.

5.

Indien de debiteur tevens een schuld uit een lening heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, wordt die schuld voor de toepassing van dit hoofdstuk aangemerkt als een schuld in de zin van dit hoofdstuk.

Artikel 6.2. Kwijtschelding aanvullende beurs bij onvoldoende inkomen

1.

De ingevolge hoofdstukken 4 en 5 toegekende en niet in gift om te zetten aanvullende beurs kan op aanvraag van de debiteur worden kwijtgescholden.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald:

3.

De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat op het tijdstip van kwijtschelding als bedoeld in het eerste lid, teniet.

4.

Bij kwijtschelding als bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 6.10, eerste en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing, en is artikel 6.12 niet van toepassing.

5.

Een krachtens het tweede lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.

Artikel 6.3. Vaststelling rentepercentage

Onze Minister stelt ten aanzien van de lening beroepsonderwijs en de lening hoger onderwijs jaarlijks uiterlijk in december een rentepercentage vast dat gelijk is aan het gemiddeld effectief rendement over de periode van 12 maanden, gerekend van oktober van het voorafgaande jaar tot en met september van het lopende jaar, van de openbare lening, uitgegeven door de Staat der Nederlanden en toegelaten tot de notering aan de officiële markt ter beurze van Amsterdam, met een gemiddelde resterende looptijd van 5 jaren. Het rentepercentage wordt vastgesteld op nul indien deze overeenkomstig de eerste volzin minder dan nul procent bedraagt.

Artikel 6.4. Renteberekening

1.

Over de aangegane leningen is, voor zover het niet betreft achterstallige schuld, rente verschuldigd overeenkomstig het tweede en derde lid. De renteberekening gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de dag waarop het bedrag aan lening bij de verstrekker van die lening is afgeschreven.

2.

De rente over de door de student in een studiefinancieringstijdvak opgenomen lening wordt berekend per dag op basis van samengestelde interest. Indien de terugbetaling niet binnen 2 weken na de vervaldatum is ontvangen, wordt de op voet van deze bepaling berekende rente bijgeschreven bij de hoofdsom.

3.

In de periode die aan de terugbetalingsperiode voorafgaat, wordt bij de berekening van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elk kalenderjaar het rentepercentage gehanteerd dat op grond van artikel 6.3 uiterlijk in december van het aan dat jaar voorafgaande jaar is vastgesteld. In de terugbetalingsperiode wordt bij de berekening van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elke periode van 5 kalenderjaren na aanvang van de terugbetalingsperiode, het rentepercentage gehanteerd dat op grond van artikel 6.3 uiterlijk in december van het aan die periode voorafgaande jaar is vastgesteld.

4.

Voor de berekening van de rente op de voet van het tweede lid wordt een maand gesteld op 30 dagen en een jaar gesteld op 360 dagen.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het tweede tot en met het vierde lid.

Artikel 6.5. Terugbetalingsperiode

1.

De terugbetalingsperiode vangt aan op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin iemand is opgehouden studiefinanciering te genieten.

2.

De terugbetalingsperiode bestaat uit een aanloopfase en een aflosfase.

3.

Gedurende de voor de debiteur geldende diplomatermijn wordt de terugbetalingsperiode geschorst:

4.

Voor debiteuren voor wie nooit een diplomatermijn beroepsonderwijs of diplomatermijn hoger onderwijs heeft gegolden geldt, in afwijking van het derde lid, dat de terugbetaling wordt geschorst:

5.

De schorsing, bedoeld in het derde of vierde lid, wordt beëindigd indien de debiteur niet binnen 8 weken na de verzending van een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister of de debiteur nog student is, daarop heeft geantwoord. De beëindiging werkt terug tot de datum van verzending van het verzoek, of zoveel eerder als de debiteur ophield student te zijn. Een aanvraag om de terugbetaling wederom te schorsen wordt niet toegestaan voor een periode die gelegen is vóór de datum van indiening van de aanvraag. De schorsing wordt tevens beëindigd aan het einde van de diplomatermijn beroepsonderwijs dan wel de diplomatermijn hoger onderwijs.

Artikel 6.6. Aanloopfase

1.

De aanloopfase beslaat de eerste 2 kalenderjaren na aanvang van de terugbetalingsperiode.

2.

Gedurende de aanloopfase bestaat geen verplichting tot terugbetaling.

Artikel 6.7. Aflosfase

1.

De aflosfase volgt op de aanloopfase en beslaat behoudens toepassing van artikel 6.9, derde lid, 35 kalenderjaren. Deze periode wordt verlengd met het aantal maanden dat gebruik is gemaakt van de aflosvrije periode op grond van het tweede lid.

2.

Op aanvraag van de debiteur wordt de terugbetaling voor ten hoogste 5 kalenderjaren opgeschort.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de opschorting, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 6.8. Achterstallige schuld

1.

Onder achterstallige schuld wordt verstaan het bedrag van de verplichte terugbetaling uit hoofde van dit hoofdstuk of uit hoofde van artikel 7.4 dat 2 weken na de vervaldatum nog niet is ontvangen.

2.

Over de achterstallige schuld is rente verschuldigd. Als rentepercentage wordt het percentage van de wettelijke rente gehanteerd. Deze rente wordt berekend per dag op basis van samengesteld interest, waarbij een maand wordt gesteld op 30 dagen en een jaar wordt gesteld op 360 dagen.

3.

Indien de debiteur achterstallig is bij de betaling wordt met deze achterstallige schuld bij de duur van de aflosfase, bedoeld in artikel 6.7, bij de vaststelling van de termijnbetaling en de gewijzigde termijnbetaling, bedoeld in artikel 6.15, alsmede bij het tenietgaan van de schuld, bedoeld in artikel 6.16, eerste lid, geen rekening gehouden.

4.

Artikel 6.4 is niet van toepassing.

Artikel 6.9. Vaststelling en aflossing termijnbetalingen

1.

Rente en aflossing van de lening vervallen gedurende de aflosfase in maandelijkse termijnen.

2.

De hoogte van de maandelijkse termijnbetalingen wordt op basis van het aantal maanden van de aflosfase onderscheidenlijk het nog resterende aantal maanden van de aflosfase tot gelijke bedragen vastgesteld bij de aanvang van:

3.

Onverminderd toepassing van artikel 6.10 bedraagt het totaal per jaar te betalen bedrag aan maandelijkse termijnbetalingen voor de terugbetaling van de lening beroepsonderwijs dan wel de lening hoger onderwijs ten minste € 60.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de vaststelling en betaling van de termijnbetalingen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat betaling geschiedt door middel van een daartoe verleende doorlopende machtiging om het verschuldigde bedrag maandelijks te doen afschrijven van een bankrekening.

Artikel 6.10. Draagkracht debiteur uit inkomen op jaarbasis

1.

Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is het totaal van zijn toetsingsinkomen en dat van zijn partner in het peiljaar. Het aldus bepaalde inkomen is het draagkrachtinkomen.

2.

Op het draagkrachtinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is voor de terugbetaling van een lening beroepsonderwijs dan wel een lening hoger onderwijs gelijk aan:

3.

De draagkracht van de debiteur uit inkomen is voor de terugbetaling van een lening beroepsonderwijs dan wel een lening hoger onderwijs 4% van het inkomen boven de draagkrachtvrije voet.

4.

Indien het bedrag van de draagkracht lager is dan het bedrag van de termijnbetaling betaalt de debiteur, in afwijking van dat artikel, het bedrag van zijn draagkracht.

5.

Voor de toepassing van dit artikel, wordt indien het toetsingsinkomen in het peiljaar nog niet bekend is, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen benadert.

6.

Het vierde lid is niet van toepassing indien het voor Onze Minister niet mogelijk is op grond van het vijfde lid bij benadering een bedrag vast te stellen.

Artikel 6.11. Draagkracht niet binnenlands belastingplichtige debiteur; op aanvraag

1.

Voor een debiteur die in het peiljaar niet binnenlands belastingplichtig is in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 en die niet op grond van artikel 2.5, eerste lid, van die wet als zodanig is aangemerkt, kan artikel 6.10 slechts toepassing vinden als de debiteur daartoe bij Onze Minister een aanvraag indient.

2.

Indien de debiteur zich voor het einde van een jaartermijn metterwoon in Nederland vestigt, wordt hij tot het einde van die jaartermijn behandeld als een debiteur die niet binnenlands belastingplichtig is in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde aanvraag.

Artikel 6.12. Terugval in inkomen

1.

Op aanvraag van de debiteur wordt bij de toepassing van artikel 6.10 uitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen in het peiljaar, indien:

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan: een vermindering van het toetsingsinkomen van de debiteur van ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar.

3.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt zolang het belastbaar minimumloon in het peiljaar, het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld nog niet definitief bekend is, daarvoor in de plaats gesteld het bedrag dat naar het oordeel van Onze Minister het uiteindelijke belastbaar minimumloon benadert.

Artikel 6.13. Draagkracht ouder zonder partner

Indien het een debiteur betreft die na het peiljaar een ouder zonder partner is, wordt op aanvraag van de debiteur de hoogte van zijn draagkracht dienovereenkomstig aangepast.

Artikel 6.14. Partner van debiteur ook debiteur

1.

Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is op wie dit hoofdstuk van toepassing is, wordt:

2.

Indien de debiteur een partner heeft op wie hoofdstuk 10a van toepassing is, wordt het op grond van artikel 6.10 berekende bedrag van de draagkracht van de debiteur verminderd met de op grond van artikel 10a.6 voor zijn partner vastgestelde termijnbetaling, dan wel de op grond van artikel 10a.7 berekende draagkracht van zijn partner. Indien de uitkomst negatief is wordt de draagkracht van de debiteur op nihil vastgesteld.

Artikel 6.15. Wijziging termijnbetaling

Indien een debiteur gedurende een kalenderjaar op grond van zijn draagkracht minder heeft betaald dan de termijnbetaling, wordt zijn termijnbetaling opnieuw vastgesteld per 1 januari van het jaar daaropvolgend. De gewijzigde termijnbetaling wordt vastgesteld op basis van het resterende aantal maanden van de aflosfase.

Artikel 6.16. Garantiebepalingen

1.

De schuld die resteert bij het einde van de aflosfase, gaat op dat ogenblik teniet.

2.

De schuld die resteert bij het overlijden van de debiteur, gaat op dat ogenblik teniet.

Artikel 6.17. Omzetting van niet meer verrekenbare schulden in lening

1.

Op het ogenblik van beëindiging van het recht op studiefinanciering van een student wordt zijn schuld, ontstaan in het kader van de toepassing van deze wet, van rechtswege omgezet in een lening.

2.

Indien na beëindiging van het recht op studiefinanciering van een student door een beschikking op grond van artikel 7.1 een vordering ontstaat van Onze Minister, wordt die vordering omgezet in een lening op de eerste dag van de maand na de herziening. Bij de berekening van de rente voor die vordering wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin de student is opgehouden student te zijn. Indien de omzetting plaatsvindt in het kalenderjaar waarin de student ophoudt student te zijn, wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari van dat kalenderjaar. Artikel 6.4, derde lid, laatste volzin, is bij de berekening van rente van overeenkomstige toepassing.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid wordt een schuld uit een lening en een schuld, ontstaan door de toepassing van artikel 3.27, tweede lid, niet omgezet.

4.

De in het eerste of tweede lid bedoelde lening wordt rentedragend met ingang van het tijdstip van de daar bedoelde omzetting.

Artikel 6.18. Reikwijdte

1.

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op de terugbetaling van de lening die is ontstaan door de toekenning van het levenlanglerenkrediet.

2.

Artikel 299a van de Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing op de lening die is ontstaan door de toekenning van het levenlanglerenkrediet.

Artikel 6.19. Terugbetalingsregels

1.

Met uitzondering van de artikelen 6.5, tweede, derde en vierde lid6.6, 6.7, eerste lid, tweede volzin, en tweede en derde lid, en 6.14 is paragraaf 6.1 van overeenkomstige toepassing op de terugbetaling van het levenlanglerenkrediet, waarbij deze lening wordt aangemerkt als een lening beroepsonderwijs.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt:

Hoofdstuk 7. Herziening

Artikel 7.1. Herziening door Onze Minister

1.

Onze Minister kan een beschikking herzien waarbij:

2.

Herziening vindt plaats op grond van het feit dat:

3.

Een herziening als bedoeld in het tweede lid de onderdelen a, b, c, voor zover het betreft de vorm van de studiefinanciering, e of f, kan, behoudens het geval van bedrog, slechts geschieden binnen 5 jaren na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak, het kalenderjaar waarvoor de termijnbetaling is vastgesteld of het kalenderjaar waarvoor de draagkracht van de debiteur is vastgesteld. Behoudens in geval van bedrog, kan een herziening als bedoeld in het tweede lid onder c, voor zover het betreft de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage, slechts geschieden binnen 3 jaren na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak. Behoudens in geval van bedrog, kan een herziening anders dan bedoeld in de eerste en tweede volzin, slechts geschieden binnen 18 maanden na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak, het kalenderjaar waarvoor de termijnbetaling is vastgesteld of het kalenderjaar waarvoor de draagkracht van de debiteur is vastgesteld.

Artikel 7.2. Herziening van rechtswege

Indien een student op grond van artikel 2.17a geen aanspraak meer heeft op studiefinanciering wordt de beschikking waarbij studiefinanciering is toegekend van rechtswege herzien.

Artikel 7.3. Bezwaarschriftprocedure

De artikelen 7:2 tot en met 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing.

Artikel 7.4. Verrekening teveel toegekende en uitbetaalde studiefinanciering

1.

Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en tweede lid, of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag van de basisbeurs of aanvullende beurs dat teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend. Tevens vindt verrekening plaats van de bedragen, bedoeld in de artikelen 3.27, tweede lid, en 3.29, eerste lid.

2.

Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en tweede lid, of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt voor zover het bedrag waarvoor het recht om een lening af te sluiten te hoog is toegekend, het deel dat te hoog is toegekend en uitbetaald door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.

3.

Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag aan tegemoetkoming dat teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.

4.

Indien na een voorlopige voorziening als bedoeld in titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht, de beslissing in hoofdzaak daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag dat op grond van de voorlopige voorziening teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.

5.

De in het eerste tot en met vierde lid bedoelde terugbetaling, voor zover artikel 6.17 niet van toepassing is, en verrekening geschieden overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen redelijke terugbetalingsregels.

Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering

Artikel 8.1. Uitbetaling en verrekening

1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze van uitbetaling van de studiefinanciering en verrekening van het toegekende bedrag aan studiefinanciering met de aan Onze Minister verschuldigde onderwijsbijdrage.

2.

Indien een toegekend bedrag aan studiefinanciering 12 maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de desbetreffende beschikking is gegeven, niet kan worden uitbetaald als gevolg van nalatigheid van degene aan wie die beschikking is gericht, verrekent Onze Minister het toegekende bedrag aan studiefinanciering met het niet uitbetaalde bedrag.

3.

De student kan bij Onze Minister een aanvraag indienen een lager maandbedrag aan lening aan hem uit te betalen dan het maandbedrag aan lening dat aan hem is toegekend of hem een bedrag van € 0,00 toe te kennen. De in de vorige volzin bedoelde aanvraag kan geen betrekking hebben op een periode die gelegen is voor de datum van indiening van de aanvraag. Indien aan de student een bedrag van € 0,00 wordt toegekend, geldt hij voor de periode waarop die toekenning betrekking heeft, als studiefinancieringsgenietende.

Artikel 8.2. Onderwijsbijdrage

Vervallen

Artikel 8.3. Invordering en dwangbevel

Onze Minister vaardigt een dwangbevel uit aan de nalatige, indien een bij of krachtens deze wet verschuldigd bedrag geheel of gedeeltelijk niet tijdig is voldaan.

Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties

Paragraaf 5.2. Omzetting bij afsluitend examen

Artikel 9.1. Toezicht door onderwijsinspectie

Het toezicht door de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht, heeft mede betrekking op de vraag of de instelling of de opleiding voldoet aan de van toepassing zijnde voorwaarden, bedoeld in de artikelen 2.5, eerste lid, 2.13, eerste lid, onderdeel c, en 4.5.

Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen voor 1 februari of 1 september in eerste studiejaar

Artikel 9.2. Verstrekken van inlichtingen door personen

1.

Een ieder is verplicht aan Onze Minister of aan een daartoe door of vanwege Onze Minister aangewezen persoon of instantie desgevraagd de ten behoeve van de uitvoering van deze wet benodigde inlichtingen over zichzelf te geven.

2.

De inlichtingen worden verstrekt binnen een door Onze Minister of door een in het eerste lid bedoelde persoon of instantie te stellen redelijke termijn.

3.

Inlichtingen over zichzelf, voor zover zij kunnen leiden tot de toekenning van minder studiefinanciering of tot verhoging van het bedrag van de termijnbetalingen worden steeds ongevraagd en schriftelijk verstrekt door de student onderscheidenlijk door de debiteur, onmiddellijk na het bekend worden van die gegevens. De inlichtingen, bedoeld in de eerste volzin, omvatten niet het doorgeven van een wijziging van het adres als bedoeld in de Wet basisregistratie personen.

4.

Onze Minister kan bepalen dat de inlichtingen, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, worden verstrekt op een bij ministeriële regeling vast te stellen wijze.

Artikel 9.3. Verschoningsrecht studentendecaan

Een studentendecaan aan een op grond van de WHW uit 's Rijks kas bekostigde instelling voor hoger onderwijs kan zich verschonen betreffende hetgeen een ho-student aan hem heeft toevertrouwd:

Artikel 9.4. Verstrekken van inlichtingen door de rechtspersoon, bedoeld in artikel 3.24

Vervallen

Artikel 9.5. Verstrekken van inlichtingen door instellingen

1.

De natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een instelling uitgaat die onderwijs aanbiedt als bedoeld in de artikelen 2.4, 2.8, 2.10, 2.11 en 2.12, is verplicht op een bij ministeriële regeling aan te geven wijze kosteloos inlichtingen te verstrekken, benodigd voor de uitvoering van deze wet.

2.

Onze Minister kan voor instellingen of groepen van instellingen waarop artikel 7.9d WHW niet van toepassing is, bepalen dat de natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan die instelling uitgaat, voor het einde van de maand volgend op de maand waarin een ho-student het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling doet aan Onze Minister en gelijktijdig de ho-student van die mededeling in kennis stelt.

Artikel 9.6. Verstrekken van inlichtingen door organen met een publiekrechtelijke taak

1.

Organen met een publiekrechtelijke taak zijn verplicht op een bij algemene maatregel van bestuur aan te geven wijze kosteloos inlichtingen te verstrekken, benodigd voor de uitvoering van deze wet.

2.

RSR verstrekt op verzoek van Onze Minister voor de uitvoering van artikel 3.27, tweede lid, het gegeven of een persoon in een bepaalde periode nadat zijn reisproduct op grond van artikel 3.27, eerste lid, zou moeten zijn stopgezet, gebruik heeft gemaakt van het reisproduct.

3.

Voor de uitvoering van het eerste lid, verstrekt de rechtspersoon die tot taak heeft het beheer van de aan de dragers van het reisproduct gekoppelde reisgegevens, op verzoek van RSR het gegeven of binnen een bepaalde periode gebruik is gemaakt van het reisproduct gekoppeld aan een bepaalde drager.

4.

Onze Minister verwerkt de persoonsgegevens die hij ontvangt of bezit voor de uitvoering van artikel 3.27, tweede lid.

Artikel 9.6a. Verwerking van gegevens voor de toepassing van artikel 2.17a

1.

Onze Minister verwerkt de persoonsgegevens die hij ontvangt of bezit ten behoeve van de toepassing van artikel 2.17a.

2.

Bij de verwerking van gegevens op grond van het eerste lid kunnen bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in paragraaf 3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming worden verwerkt, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de toepassing van artikel 2.17a.

3.

Ten behoeve van de toepassing van artikel 2.17a verstrekt Onze Minister uitsluitend het gegeven of een persoon studiefinanciering heeft aangevraagd dan wel reeds ontvangt.

4.

Artikel 1.7 is voor de gegevensverwerking, bedoeld in dit artikel, van overeenkomstige toepassing voor een persoon die studiefinanciering heeft aangevraagd.

5.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ter waarborging van de persoonlijke levenssfeer. Daarbij worden in ieder geval regels gesteld over:

Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden

Artikel 9.7. Niet verstrekken inlichtingen door instelling over studievoortgang

Vervallen

Artikel 9.8. Niet verstrekken inlichtingen door instelling over langdurige afwezigheid mbo-studenten

Indien een instelling als bedoeld in artikel 2.4, onderdeel b, op enig moment in een studiejaar niet een administratie als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, voert of niet na afloop van de in de artikelen 4.3, 4.4 en 4.5 bedoelde periodes van onafgebroken afwezigheid zonder geldige reden aan Onze Minister de vereiste gegevens verstrekt, ontstaat er een vordering van Onze Minister op de instelling ter grootte van 15% van het bedrag van als gift vastgestelde studiefinanciering dat aan de mbo-studenten aan die instelling in het studiejaar waarin deze in gebreke was, is toegekend.

Artikel 9.9. Niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5

1.

Indien een student het normbedrag voor een uitwonende student toegekend heeft gekregen maar niet heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5, kan Onze Minister hem een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 50 procent van het bedrag dat van de student in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.

2.

De herziening vindt plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de student in de basisregistratie personen. Indien de ouders van de student of een van hen na de laatste adreswijziging, bedoeld in de vorige volzin, zijn of is ingeschreven op hetzelfde woonadres als de student, dan vindt de herziening plaats met ingang van de dag van deze adreswijziging.

3.

Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.

Paragraaf 5.8. Tenietgaan rente

Artikel 9.10. Niet verstrekken van inlichtingen

Hij die niet voldoet aan een van de verplichtingen, bedoeld in artikel 9.5, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 6 maanden of geldboete van de derde categorie.

Artikel 9.11. Overtreding van een bepaling krachtens deze wet

Overtreding van bepalingen van een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 1 maand of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 9.12. Overtreding

De in de artikelen 9.10 en 9.11 strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs

Artikel 10.1. Tempobeurs

Vervallen

Artikel 10.2. Reikwijdte; hoofdstuk uitsluitend van toepassing op cohorten 1991–1996

Vervallen

Artikel 10.3. Vorm waarin studiefinanciering wordt verstrekt

Vervallen

Artikel 10.4. Afwijking van de artikelen 2.13 (voorheen artikel 9, zevende lid) en 2.16 (voorheen artikel 9, tiende lid); geen aanspraak of geen aanspraak meer

Vervallen

Artikel 10.5. Duur van de tempobeurs (voorheen artikel 17a, tweede, derde, vierde en achtste lid)

Vervallen

Artikel 10.6. Toelage na korting wegens gebrek aan studievoortgang uitsluitend lening (voorheen artikel 17b)

Vervallen

Artikel 10.7. Voorwaardelijke toekenning studiefinanciering en latere vaststelling onvoorwaardelijke vorm (voorheen artikel 31a)

Vervallen

Artikel 10.8. Omzetting van integrale lening in gemengde toelage (voorheen artikel 31b)

Vervallen

Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering

Artikel 11.1. Wijziging van bedragen

1.

Per 1 januari van ieder kalenderjaar wijzigt Onze Minister de bedragen, genoemd in de artikelen 3.9, tweede lid, 3.9a, 3.18, met uitzondering van de maximale aanvullende beurs, 3.27, tweede lid, 4.7, 4.18 en 5.2, op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven wijze aan de hand van de loon- of prijsontwikkelingen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar.

2.

Op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze kunnen bij ministeriële regeling de bedragen, genoemd in de artikelen 6.9, derde lid, 6.19, tweede lid, onderdeel b, en 10a.6, derde lid, gelet op de loonontwikkeling worden gewijzigd.

Artikel 11.2. Titel 4.2 Awb niet van toepassing

Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op deze wet.

Artikel 11.3. Vervreemding, verpanding, belening en beslag

1.

Studiefinanciering is niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening en beslag, waaronder begrepen beslag ingevolge faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

2.

Elk beding, strijdig met dit artikel, is nietig.

Artikel 11.4. Inlichtingen aan particuliere ziektekostenverzekeraars

Vervallen

Artikel 11.5. Hardheidsclausule

Onze Minister kan voor bepaalde gevallen de wet en de daarop berustende bepalingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 11.6. Bewaartermijn

Vervallen

Artikel 11.7. Bescherming persoonlijke levenssfeer

Vervallen

Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen

Artikel 12.1. Afwijking van artikel 1.1

1.

Onder de begripsbepaling van «bacheloropleiding» in artikel 1.1, eerste lid, wordt mede verstaan: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, WHW, en ten aanzien waarvan artikel 18.18 WHW zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) van toepassing is.

2.

Onder de begripsbepaling van «masteropleiding» in artikel 1.1, eerste lid, wordt mede verstaan: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel b, WHW, en ten aanzien waarvan artikel 18.18 WHW zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) van toepassing is.

Artikel 12.1a. Afwijking van artikel 1.5

Vervallen

Artikel 12.1b. Afwijking van artikel 2.8

1.

In afwijking van artikel 2.8 komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een ho-student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in de artikelen 18.14 of 18.15 WHW, zoals die artikelen luidden op 31 augustus 2010, of 18.16 WHW voor zover aan die opleiding accreditatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, WHW is verleend.

2.

In afwijking van artikel 2.8 komt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor studiefinanciering mede in aanmerking een ho-student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding als bedoeld in artikel VII van de wet van 2 april 1998, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de studiefinanciering ter uitvoering van in het hoger onderwijs- en onderzoekplan 1996 aangekondigde maatregelen (Stb. 1998, 216) voor zover aan die opleiding accreditatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, WHW is verleend.

3.

In aanvulling op artikel 2.8 kan tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een ho-student voor studiefinanciering in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse associate degree-opleiding, een voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een aangewezen instelling als bedoeld in de artikelen 6.9 of 16.10 WHW, zoals die artikelen luidden op 31 augustus 2010.

Artikel 12.2. Afwijking van artikel 3.18 voor het jaar 2006 vanwege nieuw zorgverzekeringsstelsel

Vervallen

Artikel 12.3. Afwijking van artikel 3.21 in het studiejaar 2007–2008

Vervallen

Artikel 12.4. Afwijking van artikel 3.11

Vervallen

Artikel 12.5. Afwijking van artikel 3.17

Vervallen

Artikel 12.6. Afwijking van artikel 3.18

Vervallen

Artikel 12.7. Afwijking van artikel 3.27

Vervallen

Artikel 12.8. Afwijking van de artikelen 5.2, eerste lid, en 5.12

Vervallen

Artikel 12.9. Afwijking van de artikelen 5.2 en 6.2

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)