Wet van 29 juni 2000, houdende intrekking van de Wet op de studiefinanciering en vervanging door de Wet studiefinanciering 2000 (Wet studiefinanciering 2000)
Op de ho-student die vóór 1 september 2010 voor het volgen van hoger onderwijs studiefinanciering ontving, blijven de artikelen 5.2, eerste lid, en 6.2, tweede lid, van toepassing, zoals die artikelen op 31 augustus 2010 luidden.
Artikel 12.10. Afwijking van voormalig artikel 5.6
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt in afwijking van artikel 5.6, zoals dat luidde op 31 augustus 2015, de prestatiebeurs mede gedurende 5 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding:
- a. genoemd in artikel 7.4, derde lid, eerste volzin, WHW, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde,
- b. genoemd in artikel 7.4, zesde lid, WHW, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, of
- c. genoemd in artikel 18.20 WHW.
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt in afwijking van artikel 5.6, zoals dat luidde op 31 augustus 2015, de prestatiebeurs mede gedurende 6 jaren verstrekt, indien het betreft een opleiding, genoemd in artikel 7.4, derde lid, tweede volzin, WHW, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde. Het aantal om te zetten maanden wordt verminderd met het verschil tussen 360 studiepunten en de studielast die is gebaseerd op een geringer aantal maanden, indien een ho-student:
- a. met goed gevolg een examen heeft afgelegd van een deel van een opleiding, en
- b. dat deel ten minste 240 studiepunten bedraagt.
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, wordt in afwijking van artikel 5.6, zoals dat luidde op 31 augustus 2015, de prestatiebeurs mede gedurende 6,5 jaar verstrekt, indien het betreft:
- a. een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 WHW, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, in de godgeleerdheid aan een openbare universiteit die, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap, en
- b. een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 WHW, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, met een studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs of een opleiding in de zin van artikel 18.15 WHW, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, in de godgeleerdheid aan een op grond van artikel 6.9 WHW, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010, aangewezen instelling.
In afwijking van artikel 5.6, zoals dat luidde op 31 augustus 2015, wordt de prestatiebeurs gedurende 6,5 jaar verstrekt aan een ho-student die vóór 1 september 2010 studiefinanciering ontving voor:
- a. het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding in de godgeleerdheid aan een openbare of bijzondere universiteit dat, blijkens het onderwijs- en examenprogramma, wordt gevolgd in combinatie met het onderwijs in het kader van een opleiding vanwege een kerkgenootschap tot leraar of ambtsdrager van dat kerkgenootschap, of
- b. een opleiding met een studielast van 360 studiepunten gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling voor wetenschappelijk onderwijs of het geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding godgeleerdheid binnen het wetenschappelijk onderwijs aan een aangewezen instelling als bedoeld in artikel 6.9 WHW, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2010.
Artikel 12.11. Afwijking in verband met de Aanpassingswet AWIR
Vervallen
Artikel 12.12. Afwijking in verband met de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht
In afwijking van artikel III van de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht is de Algemene wet bestuursrecht zoals die geldt na inwerkingtreding van de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht van toepassing op alle betalingen op grond van de Wet studiefinanciering 2000.
Artikel 12.13. Aanspraken en verplichtingen op grond van de Wet op de studiefinanciering
Vervallen
Artikel 12.14. Cohortgarantie studievoorschot voor ho-studenten aan een bacheloropleiding, masteropleiding, ongedeelde opleiding of opleiding duplex ordo
Op een ho-student die vóór 1 september 2015 stond ingeschreven aan een bacheloropleiding, masteropleiding of ongedeelde opleiding of die onderwijs volgde volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in artikel 7.5c, derde lid, WHW, en die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor een opleiding in het hoger onderwijs, blijven de volgende artikelen, zoals die luidden op 31 augustus 2015, voor de nominale duur van die opleiding van toepassing:
- a. van hoofdstuk 1, de artikelen 1.1 en 1.5;
- b. van hoofdstuk 2, de artikelen 2.13, eerste lid, 2.16, tweede lid, en 2.17;
- c. van hoofdstuk 3, de artikelen 3.1, eerste en tweede lid, 3.6, en paragraaf 3.3, met uitzondering van artikel 3.10, tweede lid; en
- d. hoofdstuk 5, met uitzondering van artikel 5.9, eerste lid, en artikel 5.16, derde lid, waarbij voor «prestatiebeurs hoger onderwijs» wordt gelezen: prestatiebeurs;
- e. van hoofdstuk 9, de artikelen 9.1b, 9.9 en 9.9a.
In afwijking van artikel 3.18 gelden voor de thuiswonende onderscheidenlijk uitwonende ho-student die overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen de volgende bedragen per maand, naar de maatstaf van 1 januari 2014:
| thuiswonende | uitwonende | |
|---|---|---|
| a. maandbedrag als bedoeld in overzicht 1 van artikel 3.18 | € 633,44 per 1 januari 2026: € 859,63 | € 833,22 per 1 januari 2026: € 1.130,77 |
| b. basisbeurs als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 100,25 per 1 januari 2026: € 136,07 | € 279,14 per 1 januari 2026: € 378,82 |
| c. maximale aanvullende beurs of lening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 237,46 per 1 januari 2026: € 334,37 | € 258,35 per 1 januari 2026: € 362,76 |
| d. basislening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 295,73 per 1 januari 2026: € 389,19 | € 295,73 per 1 januari 2026: € 389,19 |
Artikel 6.2a is niet van toepassing op het afronden van een opleiding waarvoor de debiteur overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen.
Voor de debiteur met een schuld uit een lening die is ontstaan door verstrekking van studiefinanciering overeenkomstig het eerste lid, wordt de lening aangemerkt als een lening beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, tenzij artikel 10a.1 van toepassing is.
Indien een debiteur als bedoeld in het vierde lid ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs geen basisbeurs toegekend heeft gekregen voor een masteropleiding of voor onderwijs volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in artikel 7.5c, derde lid, WHW, kan de lening worden aangemerkt als een lening hoger onderwijs als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, indien de debiteur vóór aanvang van de aflosfase, maar na 31 december 2016, daartoe een aanvraag indient.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met het oog op een goede uitvoering van dit artikel.
Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
Artikel 13.1. Aanspraak op tegemoetkoming
Een student in de laatste fase van diens opleiding die in verband met de uitbraak van COVID-19 studievertraging heeft opgelopen, komt in aanmerking voor een tegemoetkoming, niet zijnde studiefinanciering in de zin van artikel 3.1.
Bij ministeriële regeling wordt in ieder geval vastgesteld:
- a. wat wordt verstaan onder laatste fase als bedoeld in het eerste lid;
- b. welke opleidingen aanspraak geven;
- c. wat wordt verstaan onder studievertraging in verband met de uitbraak van COVID-19 als bedoeld in het eerste lid;
- d. in welke gevallen de tegemoetkoming op aanvraag dan wel ambtshalve wordt toegekend; en
- e. welke gegevens bij een aanvraag worden verstrekt.
Artikel 13.2. Omvang tegemoetkoming
De omvang van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 13.1, wordt vastgesteld bij ministeriële regeling. Daarbij kan in ieder geval aan de hand van het aantal maanden studievertraging onderscheid worden gemaakt tussen verschillende groepen studenten.
Artikel 13.3. Horizonbepaling
Dit hoofdstuk vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 13.4. Experimentenwet onderwijs
Wijzigt de Experimentenwet onderwijs.
Artikel 13.5. Faillissementswet
Wijzigt de Faillissementswet.
Artikel 13.6. Les- en cursusgeldwet
Wijzigt de Les- en cursusgeldwet.
Artikel 13.7. Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
Artikel 13.8. Wet educatie en beroepsonderwijs
Wijzigt de WEB.
Artikel 13.9. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
Artikel 13.10. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.
Artikel 13.11. Wet inschakeling werkzoekenden
Wijzigt de Wet inschakeling werkzoekenden.
Artikel 13.12. Wet op de inkomstenbelasting 1964
Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Artikel 13.13. Wet op de studiefinanciering
Wijzigt de Wet op de studiefinanciering.
Artikel 13.14. Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Wijzigt de WHW.
Artikel 13.15. Wet op het voortgezet onderwijs
Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 13.16. Wet tegemoetkoming studiekosten
Wijzigt de Wet tegemoetkoming studiekosten.
Artikel 13.17. Wet van 28 maart 1996, Stb. 227
Wijzigt de Wijzigingswet Wet op de studiefinanciering, enz. (invoering prestatiebeurs en aanspraak studiefinanciering).
Artikel 13.18. Wet van 2 april 1998, Stb. 216
Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en Wet op de studiefinanciering (uitvoering van in het hoger onderwijs- en onderzoekplan 1996 aangekondigde maatregelen).
Artikel 13.19. Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank
Wijzigt de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank.
Artikel 13.20. Ziekenfondswet
Wijzigt de Ziekenfondswet.
Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
Artikel 14.1. Intrekking Wet op de studiefinanciering
De Wet op de studiefinanciering wordt ingetrokken.
In afwijking van het eerste lid blijft hoofdstuk VII van de Wet op de studiefinanciering met uitzondering van artikel 119b van kracht tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
In afwijking van het eerste lid blijven de artikelen 141 tot en met 148 van de Wet op de studiefinanciering van kracht.
Artikel 14.2. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op 1 september 2000, met uitzondering van:
- a. artikel 13.6 dat voor wat betreft de onderdelen B en C in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 augustus 2000,
- b. artikel 13.13 dat voor wat betreft onderdeel A in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 september 1996, en
- c. artikel 13.13 dat voor wat betreft onderdeel B in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 14.3. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet studiefinanciering 2000.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 12.1c. Afwijking van artikel 2.14
Vervallen
Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
Hoofdstuk 7. Herziening
Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties
Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Paragraaf 10a.1. Algemeen
Artikel 10a.1. Reikwijdte
Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op debiteuren die voor het studiejaar 2009–2010 voor het eerst studiefinanciering ontvingen, tenzij zij een aanvraag hebben ingediend als bedoeld in artikel 10a.2.
Paragraaf 10a.2. Omzettingsprocedure bij overstappen voor 1 februari in eerste studiejaar (voorheen paragraaf 5.4)
Artikel 10a.2. Overstappen
Een debiteur die voor het studiejaar 2009–2010 voor het eerst studiefinanciering ontving en voor wie op 31 december 2011 nog geen aflosfase is aangevangen, kan, op aanvraag, zijn schuld aflossen op grond van paragraaf 6.1, waarbij de debiteur verzoekt dat de schuld wordt aangemerkt als:
- a. een lening beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, of;
- b. een lening hoger onderwijs als bedoeld inartikel 6.1, tweede lid, uitsluitend voor zover het een debiteur betreft als bedoeld inartikel 12.14, vijfde lid.
Een debiteur dient een aanvraag als bedoeld in het eerste lid uitsluitend voor de aanvang van zijn aflosfase in.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de goede uitvoering van het eerste lid.
Paragraaf 9.1. Toezicht
Artikel 10a.3. Toepassing artikelen hoofdstuk 6
De artikelen 6.1 tot en met 6.6, 6.8, 6.9a, 6.12, en 6.14 tot en met 6.17 zijn van overeenkomstige toepassing op debiteuren die onder dit hoofdstuk vallen, waarbij de lening van de debiteur wordt aangemerkt als een lening beroepsonderwijs.
Artikel 10a.4. Aflosfase
De aflosfase beslaat behoudens toepassing van artikel 10a.6, derde lid, 15 kalenderjaren volgend op de aanloopfase. Deze periode wordt verlengd indien artikel 10a.11, tweede lid, van toepassing is.
Paragraaf 6.2. Terugbetaling levenlanglerenkrediet
Artikel 10a.5. Opschorten terugbetaling
In afwijking van artikel 10a.4 kan een debiteur met ingang van 1 januari 2012 op aanvraag de terugbetaling voor ten hoogste 5 kalenderjaren opschorten.
De aflosfase wordt verlengd met het aantal maanden dat gebruik is gemaakt van de aflosvrije periode op grond van het eerste lid.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de opschorting, bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 7. Herziening
Hoofdstuk 7. Herziening
Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 2.7a. Geen aanspraak meer
Een mbo-student aan een opleiding niveau 3 of 4 heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor beroepsonderwijs:
- a. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op prestatiebeurs beroepsonderwijs gedurende 36 maanden een lening heeft genoten, of
- b. indien er 10 jaren verstreken zijn met ingang van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering in de zin van de paragrafen 4.1.2 of 4.2.3 is toegekend voor het volgen van beroepsonderwijs of op grond van de Wet studiefinanciering BES is toegekend voor het volgen van beroepsonderwijs aan een opleiding niveau 3 of 4.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien artikel 4.14, eerste lid, toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, verlengd met de duur van de in dat artikel bedoelde bijzondere omstandigheden.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien artikel 4.14, tweede lid, toepassing vindt, de termijn van 10 jaren, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, verlengd met 5 jaren.
Paragraaf 2.3. Hoger onderwijs
Paragraaf 2.4. Overige bepalingen
Artikel 2.13a. Buitenlandse opleidingen beroepsonderwijs
Dit artikel is niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet en op mbo-studenten die op grond van artikel 2.2, tweede lid, slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs ontvangen.
Voor studiefinanciering kan een mbo-student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland:
- a. waarvan het niveau en de kwaliteit vergelijkbaar is met overeenkomstige Nederlandse opleidingen in de zin van de WEB en waarvan het afsluitend examen vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor een opleiding in de zin van de WEB, en
- b. die overigens voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde criteria.
Onze Minister stelt vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het tweede lid. Onze Minister stelt tevens vast of de opleiding wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2 of een opleiding niveau 3 of 4. De opleiding wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2 onderscheidenlijk een opleiding niveau 3 of 4 indien deze vergelijkbaar is met een opleiding niveau 1 of 2 onderscheidenlijk een opleiding niveau 3 of 4.
Artikel 2.15a. Geen aanspraak op gift bij samenloop
De mbo-student die aanspraak heeft op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4, heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2.
De mbo-student die aanspraak heeft op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2 in Nederland.
De mbo-student die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving en die studiefinanciering ontvangt voor een opleiding op niveau 3 of 4 buiten Nederland, heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2.
De mbo-student die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving en die studiefinanciering ontvangt voor een beroepsopleiding buiten Nederland, heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 3 of 4 in Nederland.
Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
Paragraaf 3.1. Samenstelling studiefinanciering
Paragraaf 3.3. Bijdrage ouders
Paragraaf 3.4. Bijdrage studerende
Paragraaf 3.5. Normbedragen
Paragraaf 3.4. Bijdrage student
Paragraaf 3.7. Toekenning reisvoorziening
Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs; prestatiebeurs
Paragraaf 5.1. Algemeen
Paragraaf 5.3. Omzettingsprocedure
Paragraaf 4.2.2. Opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland
Paragraaf 5.8. Tenietgaan rente
Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
Hoofdstuk 7. Herziening
Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
Paragraaf 5.3. Omzettingsprocedure
Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen in het eerste studiejaar
Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden
Paragraaf 6.1. Algemeen
Hoofdstuk 7. Herziening
Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties
Paragraaf 9.1. Toezicht
Paragraaf 9.1. Toezicht
Paragraaf 10a.4. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden (voorheen paragraaf 5.6)
Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
Artikel 12.1aa. Afwijking van artikel 2.3
Vervallen
Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 1.8. Awir van toepassing
Van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen is artikel 6 op deze wet van toepassing en zijn de artikelen 9, eerste lid, en 10, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 2. Werkingssfeer
Paragraaf 2.1. Algemeen
Paragraaf 2.2. Beroepsonderwijs
Paragraaf 2.3. Hoger onderwijs
Paragraaf 2.4. Overige bepalingen
Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
Paragraaf 3.1. Samenstelling studiefinanciering
Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
Paragraaf 3.4. Bijdrage studerende
Paragraaf 3.5. Normbedragen
Paragraaf 3.7. Toekenning reisvoorziening
Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland
Paragraaf 4.1.1. Studiefinanciering in de vorm van gift of lening
Paragraaf 4.1.2. Studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs
Artikel 4.6. Reikwijdte
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op mbo-studenten die in Nederland een opleiding niveau 3 of 4 volgen.
Artikel 4.7. Vorm en duur studiefinanciering
Prestatiebeurs beroepsonderwijs wordt voor een opleiding niveau 3 of 4 binnen en buiten Nederland tezamen gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, met dien verstande dat de aanvullende beurs in de eerste 12 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat wordt verstrekt in de vorm van een gift.
Indien een mbo-student een specialistenopleiding volgt en hij 4 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs heeft genoten, wordt aan hem voor die opleiding op aanvraag gedurende ten hoogste 2 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs verstrekt.
Studiefinanciering wordt gedurende in totaal ten hoogste 36 maanden na de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2005 € 787,02 per 1 januari 2026: € 1.213,95. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, waarbij het aantal maanden dat op grond van artikel 4.6b reisvoorziening is toegekend in mindering wordt gebracht op dit aantal maanden.
Op aanvraag kan een mbo-student als bedoeld in artikel 3.5, gedurende de periode bedoeld in het derde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag van de toeslag eenoudergezin, bedoeld in artikel 3.18.
Artikel 4.8. Waarde van de reisvoorziening
Het deel van de prestatiebeurs beroepsonderwijs dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, is gelijk aan een twaalfde deel van de waarde die daarvoor per student door het vervoerbedrijf aan Onze Minister in rekening wordt gebracht. De waarde wordt berekend door de voorlopige vergoeding voor het lopende kalenderjaar te corrigeren naar de correctie die de voorlopige vergoeding voor het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar onderging. Dit deel van de prestatiebeurs beroepsonderwijs wordt niet uitbetaald of verrekend.
Indien de prestatiebeurs beroepsonderwijs niet kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover het reisproduct niet gekoppeld is aan een drager als bedoeld in artikel 3.25, eerste lid. In afwijking van artikel 1.2 is bepalend de toestand op enig moment van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op een maand waarin een vergoeding als bedoeld in artikel 3.24, tweede of vierde lid, is toegekend.
Artikel 4.9. Diplomatermijn beroepsonderwijs
De diplomatermijn beroepsonderwijs is een periode van 10 jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarover voor het eerst prestatiebeurs beroepsonderwijs is toegekend.
Artikel 4.10. Omzetting in gift bij afstuderen binnen diplomatermijn
Indien een mbo-student binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de aan hem ingevolge artikel 4.7, eerste lid, toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
Indien een mbo-student binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een specialistenopleiding met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de aan hem ingevolge artikel 4.7, tweede lid, toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
Indien een mbo-student binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs beroepsonderwijs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding niveau 3 of 4 aanvangt.
Met een afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 wordt gelijkgesteld het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs.
Omzetting vindt plaats uiterlijk per 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin Onze Minister heeft vastgesteld dat een mbo-student heeft voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste of tweede lid.
Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een mbo-student die binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen c, d en e, WEB in de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.7, vierde lid, WEB met goed gevolg heeft afgelegd, voor zover de mbo-student eerder een prestatiebeurs beroepsonderwijs heeft ontvangen.
Artikel 4.11. Stoppen voor 1 februari
Indien een mbo-student in het eerste jaar van een opleiding voor het eerst prestatiebeurs beroepsonderwijs geniet, in dat studiejaar ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4 dan wel voor hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het einde van dat studiejaar de over dat studiejaar toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
Artikel 4.12. Eenmalige verlenging duur prestatiebeurs beroepsonderwijs
Onze Minister verlengt op aanvraag van de mbo-student de duur van de prestatiebeurs beroepsonderwijs eenmalig met 1 jaar indien de mbo-student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg af te ronden binnen dat aantal jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs.
Artikel 4.13. Arbeidsongeschiktheid
Indien een mbo-student op enig moment binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of op enig moment niet langer in staat is om met arbeid meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van die wet en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 3 van die wet bestaat, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
Artikel 4.14. Bijzondere omstandigheden
Indien een mbo-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden.
Indien een mbo-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt deze termijn, op aanvraag, verlengd met 5 jaren. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.
Indien een mbo-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs of binnen de, op grond van het tweede lid, verlengde diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
Indien een mbo-student als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, ontvangt de mbo-student bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering.
Onze Minister stelt op aanvraag van de mbo-student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de mbo-student is ingeschreven.
Artikel 4.15. Tenietgaan rente
Bij omzetting van de prestatiebeurs beroepsonderwijs of een deel daarvan in een gift gaat de over het om te zetten bedrag opgebouwde rente teniet.
Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland
Paragraaf 4.2.1. Algemeen
Artikel 4.16. Reikwijdte beroepsonderwijs buiten Nederland
Deze afdeling is uitsluitend van toepassing op mbo-studenten die zijn ingeschreven voor het volgen van beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 2.13a.
Paragraaf 4.2.1. Algemeen
Artikel 4.17. Reikwijdte
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op mbo-studenten die zijn ingeschreven voor het volgen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a en waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2.
Artikel 4.18. Studiefinanciering
Studiefinanciering wordt gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een gift.
Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2004 € 770,53 per 1 januari 2026: € 1.213,95. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een gift.
Op aanvraag kan een mbo-student als bedoeld in artikel 3.5, gedurende de periode, bedoeld in het tweede lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag van de toeslag eenoudergezin, bedoeld in artikel 3.18.
Artikel 4.19. Studievoortgang
Een mbo-student verstrekt jaarlijks binnen een door Onze Minister te bepalen termijn aan Onze Minister een gewaarmerkt afschrift van het bewijs waaruit blijkt voor welke maanden van het desbetreffende studiejaar hij is ingeschreven voor de opleiding waarvoor hij studiefinanciering heeft aangevraagd.
Een mbo-student verstrekt jaarlijks binnen een door Onze Minister te bepalen termijn aan Onze Minister een gewaarmerkt afschrift van een overzicht van in het desbetreffende studiejaar behaalde studieresultaten.
Artikel 4.20. Reikwijdte
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op mbo-studenten die zijn ingeschreven voor het volgen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a en waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4.
Artikel 4.21. Studiefinanciering
De artikelen 4.6b, 4.7, eerste, derde en vierde lid, 4.8, 4.9, 4.10, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 4.11, 4.12, 4.13, 4.14 en 4.15 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.19 is van overeenkomstige toepassing voor zover de studiefinanciering in de vorm van een gift is toegekend.
Artikel 4.22. Berichtenstroom tussen mbo-student en Minister
De mbo-student zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn beroepsonderwijs, een gewaarmerkt bewijs van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van de opleiding aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs beroepsonderwijs. Op het gewaarmerkt bewijs vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten.
De omzetting, bedoeld in artikel 4.10, vindt plaats uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag. Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt Onze Minister de mbo-student daarvan in kennis.
Paragraaf 4.2.4. Afwijkingsmogelijkheid afdeling 4.2
Artikel 4.23. Afwijkingsmogelijkheid afdeling 4.2
Voor zover deze afdeling daarin niet voorziet, alsmede indien noodzakelijk, kunnen in afwijking van het in deze afdeling bepaalde bij ministeriële regeling regels worden vastgesteld ten behoeve van een goede uitvoering van deze afdeling.
Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs; prestatiebeurs
Paragraaf 4.2.2. Opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland
Paragraaf 5.2. Omzetting bij afsluitend examen
Paragraaf 5.3. Omzettingsprocedure
Paragraaf 4.2.4. Afwijkingsmogelijkheid afdeling 4.2
Paragraaf 5.1. Algemeen
Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden
Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden
Paragraaf 5.8. Tenietgaan rente
Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
Paragraaf 6.2. Terugbetaling levenlanglerenkrediet
Paragraaf 6.2. Terugbetaling levenlanglerenkrediet
Hoofdstuk 10A. Hoger onderwijs; omzetting eerste 12 maanden
Paragraaf 10a.1. Algemeen
Paragraaf 9.1. Toezicht
Paragraaf 10a.1. Algemeen
Paragraaf 9.4. Strafbepalingen
Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 12.1d. Overgangssituatie alleenstaande-ouderkorting
In afwijking van de artikelen 3.9, tweede lid, vijfde volzin, 3.12, 6.10, tweede lid, onderdeel b, 6.13, 10a.8, tweede lid, en 10a.9 wordt bepaald of voor de ouder onderscheidenlijk de debiteur in het desbetreffende jaar de alleenstaande-ouderkorting, bedoeld in artikel 8.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals dat artikel in dat jaar luidde, van toepassing is, voor zover de Wet hervorming kindregelingen in dat jaar nog niet in werking is getreden.
Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 3.16a. Collegegeldkrediet
Het collegegeldkrediet is een lening die aan de ho-student op aanvraag wordt toegekend.
Het bedrag dat per maand kan worden geleend bedraagt niet meer dan een twaalfde deel van het feitelijk door de ho-student voor een periode van twaalf maanden te betalen bedrag aan collegegeld voor het volgen van hoger onderwijs en in totaal ten hoogste vijf maal een twaalfde deel van het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, WHW.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag, toekenning, betaling en andere uitvoeringsaspecten van het collegegeldkrediet.
Paragraaf 3.7. Toekenning reisvoorziening
Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland
Paragraaf 4.1.2. Studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs
Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland
Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3 of 4 buiten Nederland
Paragraaf 4.2.1. Algemeen
Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs; prestatiebeurs
Paragraaf 4.2.2. Opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland
Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3 of 4 buiten Nederland
Paragraaf 5.1. Algemeen
Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen voor 1 februari in eerste studiejaar
Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden
Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden
Paragraaf 5.2. Omzetting bij afsluitend examen
Paragraaf 5.3. Omzettingsprocedure
Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
Hoofdstuk 7. Herziening
Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties
Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen
Artikel 9.6b. Gegevensuitwisseling met andere staten
Onze Minister is bevoegd de persoonsgegevens die bij hem bekend zijn als gevolg van de uitvoering van zijn wettelijke taken te verstrekken aan of uit te wisselen met de voor de verstrekking van een tegemoetkoming in de kosten voor toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud voor studenten verantwoordelijke autoriteit van een andere staat.
De in het eerste lid bedoelde verantwoordelijke autoriteit toont voor de verstrekking van persoonsgegevens aan dat de student ten laste van die autoriteit een tegemoetkoming in de kosten voor de toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud heeft aangevraagd dan wel reeds ontvangt.
Onze Minister kan, voor de uitvoering van de wet, inlichtingen over een student die studiefinanciering aanvraagt dan wel reeds ontvangt, opvragen bij het bevoegd gezag van een andere staat waar de student een opleiding wil gaan volgen of volgt met studiefinanciering op grond van artikel 2.14, eerste lid.
Artikel 9.6c. Gegevensuitwisseling met landen buiten de Europese Economische Ruimte
Vervallen
Paragraaf 9.3. Administratieve sanctie
Paragraaf 9.1. Toezicht
Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
Paragraaf 9.3. Bestuursrechtelijke geldschulden en bestuurlijke boete
Paragraaf 10a.2. Omzettingsprocedure bij overstappen voor 1 februari in eerste studiejaar (voorheen paragraaf 5.4)
Paragraaf 9.3. Bestuursrechtelijke geldschulden en bestuurlijke boete
Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs
Artikel 12.1ba. Aanspraken op grond van de artikelen 2.12 en 5.4 en afwijking van artikel 2.14
Vervallen
Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 2.17. Rechtens ontnomen vrijheid
Een student wiens vrijheid voor ten minste een maand rechtens is ontnomen, heeft, behoudens in de gevallen, bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, in de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten en in artikel 2.3 van de Wet forensische zorg en de gevallen, bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming ten minste één maand heeft geduurd slechts aanspraak op studiefinanciering voor een thuiswonende student.
Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen groepen van personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.
Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
Paragraaf 3.1. Samenstelling studiefinanciering
Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
Paragraaf 3.2. Bijdrage overheid
Paragraaf 3.4. Bijdrage studerende
Paragraaf 3.6. Toekenning
Paragraaf 3.5. Normbedragen
Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland
Paragraaf 3.7. Vorm, wijze van toekenning en voorwaarden reisvoorziening
Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland
Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3 of 4 buiten Nederland
Paragraaf 4.2.1. Algemeen
Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs; prestatiebeurs
Paragraaf 4.2.1. Algemeen
Paragraaf 4.2.4. Afwijkingsmogelijkheid afdeling 4.2
Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen voor 1 februari of 1 september in eerste studiejaar
Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden
Paragraaf 5.2. Omzetting bij afsluitend examen
Hoofdstuk 7. Herziening
Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties
Paragraaf 9.1. Toezicht
Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen
Paragraaf 9.4. Strafbepalingen
Paragraaf 9.3. Bestuursrechtelijke geldschulden en bestuurlijke boete
Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
Artikel 12.1ca. Afwijking van artikel 2.17
Voor een student die reeds vóór 1 juli 2009 studiefinanciering ontving en wiens vrijheid op 30 juni 2009 rechtens was ontnomen, wordt voor de toepassing van artikel 2.17, zoals dat luidde op 31 juli 2015, als eerste dag waarop de vrijheidsontneming plaatsvindt, aangemerkt 1 juli 2009 en eindigt de aanspraak op studiefinanciering voor uitwonenden in afwijking van artikel 2.17, eerste lid, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming zes maanden heeft geduurd. De beëindiging gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming als bedoeld in de eerste zin zes maanden heeft geduurd.
Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 12.10a. Afwijking van artikel 6.3
Het rentepercentage voor leningen aangegaan voor 1 januari 1992 is in afwijking van artikel 6.3, 1,65 procentpunt lager dan het in dat artikel bedoelde rentepercentage, en wordt, indien het rentepercentage, vastgesteld overeenkomstig artikel 6.3, 1,65 procent of lager bedraagt, gesteld op nul.
Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten
Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 10a.6. Vaststelling en aflossing termijnbetalingen
Rente en aflossing van de lening vervallen gedurende de aflosfase in maandelijkse termijnen.
De hoogte van de maandelijkse termijnbetalingen wordt op basis van het aantal maanden van de aflosfase onderscheidenlijk het nog resterende aantal maanden van de aflosfase tot gelijke bedragen vastgesteld bij de aanvang van:
- a. het eerste jaar van de aflosfase,
- b. het vierde jaar van de aflosfase, en
- c. ieder vijfde jaar na het vierde jaar van de aflosfase.
Onverminderd artikel 10a.7, eerste lid, bedraagt het totaal per jaar te betalen bedrag aan maandelijkse termijnbetalingen ten minste € 545,–.
Rente en aflossing van de lening van een debiteur die in het buitenland woont, vervallen, in afwijking van het eerste lid, gedurende de aflosfase in jaarlijkse termijnen. Indien die debiteur zich voor het einde van een jaartermijn metterwoon in Nederland vestigt, wordt hij tot het einde van die jaartermijn behandeld als een debiteur die in het buitenland woont. De artikelen 6.4 en 6.6 zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing. Op aanvraag van een in de eerste volzin bedoelde debiteur besluit Onze Minister dat de rente en aflossing van de lening niet vervallen in jaarlijkse termijnen maar in maandelijkse termijnen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)