Besluit van 23 november 2000 tot uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 (Vreemdelingenbesluit 2000)

Type AMvB
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 411
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Onze Minister berekent rente over de waarborgsommen, gedeponeerd krachtens artikel 4.52a, derde lid, onder c. Artikel 3.9, tweede lid, en artikel 3.10, tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

De waarborgsom wordt teruggegeven en de rente wordt uitbetaald zo spoedig mogelijk nadat één van de in het eerste lid genoemde gronden zich voordoet.

Paragraaf 3. Bijzondere procedurele bepalingen bij een aanzienlijke toename van het aantal asielaanvragen

Artikel 5.1a
1.

Een vreemdeling als bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de Wet kan in bewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien:

  • a. een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, of
  • b. de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
2.

Een vreemdeling als bedoeld in artikel 59b, eerste lid, van de Wet kan in bewaring worden gesteld omdat het belang van de openbare orde zulks vordert, indien een van de gronden als bedoeld in artikel 59b, eerste lid van de Wet zich voordoet. Artikel 5.1c is van toepassing.

3.

Een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

4.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval van oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, zesde lid, van de Wet.

5.

Met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat met inachtneming van artikel 28 van de Dublinverordening, kan een vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd of kan hij in bewaring worden gesteld, indien:

  • a. een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening; en
  • b. een significant risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.
Artikel 5.1b
1.

Aan de voorwaarden voor inbewaringstelling, bedoeld in artikel 5.1a, eerste lid, of voor het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, bedoeld in artikel 5.1a, vierde lid, is slechts voldaan indien ten minste twee van de gronden, bedoeld in het derde en vierde lid zich voordoen.

2.

Aan de voorwaarden voor inbewaringstelling of voor het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, bedoeld in artikel 5.1a, vijfde lid, wordt slechts voldaan indien ten minste twee van de gronden, bedoeld in het derde en vierde lid zich voordoen, waarvan ten minste één van de gronden, bedoeld in het derde lid.

3.

Er is sprake van een zware grond voor inbewaringstelling of voor het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel indien de vreemdeling:

  • a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
  • b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
  • d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
  • e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
  • f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
  • g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
  • i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
  • j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
  • k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
  • l. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen, hem op zijn initiatief een termijn is gesteld om uit eigen beweging te vertrekken naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek, en hij niet uit eigen beweging binnen deze termijn is vertrokken, dan wel
  • m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek.
4.

Er is sprake van een lichte grond voor inbewaringstelling of voor het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel indien de vreemdeling:

  • a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
  • b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
  • c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
  • e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld; of

Afdeling 1. Vertrek en uitzetting

Artikel 6.1a
1.

Onze Minister is bevoegd om, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot uitzetting als bedoeld in artikel 63, tweede lid, van de Wet alle daartoe benodigde handelingen te verrichten.

2.

Bij toepassing van het eerste lid worden de grondrechten, de waardigheid en fysieke integriteit van de vreemdeling geëerbiedigd.

3.

In geval van uitzetting door de lucht houdt Onze Minister rekening met de gemeenschappelijke richtsnoeren voor veiligheidsvoorzieningen voor gezamenlijke verwijdering door de lucht, bedoeld in artikel 7 van de beschikking van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004, nr. 2004/573/EG.

Artikel 6.1b
1.

Ingeval de vreemdeling ingevolge artikel 62, tweede lid, van de Wet onmiddellijk moet vertrekken of niet is vertrokken binnen de voor hem geldende vertrektermijn, kan de uitzetting worden uitgesteld. Bij het uitstel wordt in ieder geval rekening gehouden met de fysieke of mentale gesteldheid van de vreemdeling en technische redenen, zoals het ontbreken van vervoermiddelen of het mislukken van de uitzetting wegens onvoldoende identificatie.

2.

Ingeval de uitzetting wordt uitgesteld op grond van het eerste lid, is artikel 4.52a van overeenkomstige toepassing, onverminderd het overigens krachtens de artikelen 54 en 56 van de Wet bepaalde.

Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht

Artikel 6.5a
1.

De duur van het inreisverbod bedraagt ten hoogste twee jaren.

2.

In afwijking van het eerste lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste één jaar, indien het betreft de vreemdeling die de vrije termijn, bedoeld in artikel 3.3, heeft overschreden met meer dan drie dagen maar niet meer dan 90 dagen.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste drie jaren, indien het betreft een vreemdeling die is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van minder dan zes maanden.

4.

In afwijking van het eerste tot en met derde lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste vijf jaren, indien het betreft een vreemdeling die:

  • a. is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van zes maanden of langer;
  • b. gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste reis- of identiteitspapieren dan wel opzettelijk reis- of identiteitspapieren heeft overgelegd die niet op hem betrekking hebben;
  • c. reeds het onderwerp is geweest van meer dan één terugkeerbesluit, of
  • d. zich op het grondgebied van Nederland heeft begeven terwijl een inreisverbod van kracht was.
5.

In afwijking van het eerste tot en met vierde lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste tien jaren, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige bedreiging kan blijken uit onder meer:

  • a. een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of opiumdelict;
  • b. een veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd;
  • c. de omstandigheid dat hem artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen, of
6.

In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste twintig jaren, indien de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid of indien naar zijn oordeel zwaarwegende belangen nopen tot een duur van meer dan tien jaren.

Artikel 6.5b
1.

Onze Minister kan op aanvraag het inreisverbod dat is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, tweede lid, van de Wet, opheffen indien de vreemdeling aantoont Nederland geheel in overeenstemming met de op hem rustende verplichting, bedoeld in artikel 61, eerste lid, van de Wet, te hebben verlaten.

2.

In andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister op aanvraag het inreisverbod opheffen, indien de vreemdeling aantoont dat hij sinds zijn vertrek uit Nederland na het inreisverbod een ononderbroken periode van ten minste de helft van de duur van het inreisverbod buiten Nederland heeft verbleven en hij zich in die periode niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en dat hij niet aan strafvervolging onderworpen is.

3.

De gegevens, bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, die de vreemdeling bij de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, verstrekt, zijn in ieder geval:

  • a. een schriftelijke verklaring dat hij voldoet aan de in het tweede lid bedoelde voorwaarden voor opheffing van het inreisverbod;
  • b. een kopie van de documenten voor grensoverschrijding die de vreemdeling sinds zijn inreisverbod heeft gehouden;
  • c. een overzicht van de plaatsen waar de vreemdeling sinds zijn inreisverbod heeft verbleven, voorzien van bewijsstukken;
  • d. een schriftelijke verklaring, afgegeven door de daartoe bevoegde autoriteiten van de staat of staten waar de vreemdeling sinds zijn inreisverbod heeft verbleven, dat de vreemdeling zich tijdens dat verblijf niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en niet aan strafvervolging onderworpen is.
4.

Het derde lid, onderdeel d, is niet van toepassing op de vreemdeling ten aanzien wie van de duur van het inreisverbod is bepaald met toepassing van artikel 6.5a, eerste of tweede lid.

Artikel 6.5c

In zeer uitzonderlijke en dringende gevallen kan Onze Minister het inreisverbod tijdelijk opheffen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld omtrent de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in Nederland.

Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen

Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen

Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen

Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht

Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht

Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens

Paragraaf 7. Documenten en het stellen van zekerheid

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 3.59d

Vervallen

Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag

Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel

Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd

Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering

Afdeling 1. Grensbewaking

Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel

Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht

Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking

Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, inreisverbod en ongewenstverklaring

Afdeling 6. De status van langdurig ingezetene

Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht

Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren

Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen

Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen

Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht

Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht

Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht

Paragraaf 3. Medewerking aan vastleggen van gegevens met het oog op identificatie

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Hoofdstuk 2. Toegang

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 2. Document voor grensoverschrijding

Afdeling 4. Middelen voor kosten van verblijf

Hoofdstuk 3. Verblijf

Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier

Paragraaf 1. Verlening onder beperking en voorschriften

Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

Afdeling 4. Procedurele bepalingen

Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering

Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel

Paragraaf 3. Bijzondere procedurele bepalingen bij een aanzienlijke toename van het aantal asielaanvragen

Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht

Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting

Afdeling 1. Grensbewaking

Afdeling 1. Grensbewaking

Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen

Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen

Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren

Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens

Paragraaf 3. Overige verdragen

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 3.31b

De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan onder een beperking verband houdend met het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst in Nederland worden verleend aan de vreemdeling op wie artikel 13 van Associatiebesluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie van toepassing is, indien:

  • a. diens huwelijk of geregistreerd partnerschap met een hoofdpersoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht na drie jaar is ontwricht of ontbonden;
  • b. de vreemdeling op grond van dat huwelijk of geregistreerd partnerschap was toegelaten, en
  • c. de vreemdeling één jaar direct voorafgaande aan ontwrichting van het huwelijk of geregistreerd partnerschap rechtmatig verblijf had als bedoeld in artikel 8, onder a, van de Wet.

Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag

Artikel 3.89d

Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt niet op grond van artikel 18, eerste lid, onder i, van de Wet afgewezen indien uitzetting van de vreemdeling in strijd zou zijn met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Paragraaf 5. Intrekking

Artikel 3.91e

De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt niet op grond van artikel 19 in samenhang met artikel 18, eerste lid, onder i, van de wet ingetrokken, indien uitzetting van de vreemdeling in strijd zou zijn met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Afdeling 4. Procedurele bepalingen

Paragraaf 5. Intrekking

Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering

Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee

Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, inreisverbod en ongewenstverklaring

Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht

Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen

Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen

Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren

Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland

Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland

Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Afdeling 3. De referent

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 1.11

Ten behoeve van het verblijf van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven voor het verrichten van onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801, kan als referent optreden de krachtens artikel 2c van de Wet als referent erkende onderzoeksinstelling, waarmee de vreemdeling een gastovereenkomst als bedoeld in artikel 10 van richtlijn (EU) 2016/801 heeft gesloten, die, voor zover op grond van de Handelsregisterwet 2007 vereist, is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, en die:

  • b. een publieke onderzoeksinstelling is, die is opgenomen in de bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
  • c. een particuliere onderzoeksinstelling is, die is opgenomen in het National Academic Research and Collaborations Information System;
Artikel 1.12

Ten behoeve van het verblijf van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven voor lerend werken, kan als referent optreden de werkgever, die, voor zover op grond van de Handelsregisterwet 2007 vereist, is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, en met wie de vreemdeling een leer-werkovereenkomst heeft gesloten of een stageovereenkomst met de elementen, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, onder i tot en met v, van richtlijn (EU) 2016/801.

Artikel 1.13

Ten behoeve van het verblijf van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven voor studie, kan als referent optreden de krachtens artikel 2c van de Wet als referent erkende onderwijsinstelling, waaraan de vreemdeling onderwijs volgt of wil volgen, die, voor zover op grond van de Handelsregisterwet 2007 vereist, is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, en die:

  • d. opleidingen verzorgt in het kader van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, of
Artikel 1.14

Ten behoeve van het verblijf van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van uitwisseling, kan als referent optreden de krachtens artikel 2c van de Wet als referent erkende uitwisselingsorganisatie, die:

  • a. een culturele doelstelling nastreeft;
  • c. voor zover op grond van de Handelsregisterwet 2007 vereist, is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, of als au-pairbureau, voor zover vereist, is ingeschreven in een handelsregister van een andere lidstaat van de Europese Unie of Europese Economische Ruimte.
Artikel 1.15

Onverminderd de artikelen 1.8 tot en met 1.14 kan een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie slechts als referent optreden, indien zij, voor zover dit op grond van de Handelsregisterwet 2007 is vereist, is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, en haar solvabiliteit, continuïteit en betrouwbaarheid voldoende is gewaarborgd.

Artikel 1.16
1.

De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft in het kader van uitwisseling, draagt zorg voor de juiste uitvoering van het uitwisselingsprogramma, bedoeld in artikel 3.43, eerste lid, onder a.

2.

De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van uitwisseling, voor arbeid als kennismigrant, voor arbeid als houder van een Europese blauwe kaart of voor studie, draagt zorg voor een zorgvuldige selectie en werving van de vreemdeling.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de voorgaande leden.

Artikel 1.17

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent deze paragraaf. Daarbij kan in ieder geval:

  • a. worden voorzien in nadere concretisering van de zorgplichten, bedoeld in artikel 1.16;
  • b. worden bepaald in welke gevallen de referent rechtspersoonlijkheid moet hebben, en
  • c. worden voorzien in nadere regels omtrent de beëindiging van het referentschap.

Paragraaf 2. Erkenning als referent

Artikel 1.18
1.

Bij de beoordeling van de aanvraag om erkenning als referent worden met betrekking tot de continuïteit en solvabiliteit van de aanvrager in ieder geval gegevens betrokken uit het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, dan wel uit het handelsregister van een andere lidstaat van de Europese Unie of Europese Economische Ruimte in geval van een au-pairbureau uit een dergelijke staat.

2.

De aanvraag om erkenning als referent kan in ieder geval worden afgewezen, indien de aanvrager failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend.

3.

De aanvraag om erkenning als referent, verband houdend met uitwisseling als au pair, wordt niet afgewezen op de grond dat de aanvrager niet is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, indien de aanvrager is ingeschreven, voor zover vereist, in een handelsregister van een andere lidstaat van de Europese Unie of Europese Economische Ruimte.

Artikel 1.19
1.

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de aanvrager worden in ieder geval betrokken:

2.

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de aanvrager wordt tevens betrokken dat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van een eerdere aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een visum of een verblijfsvergunning hebben geleid of zouden hebben geleid van een vreemdeling voor wie als referent werd opgetreden.

Artikel 1.20

Als referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven voor studie aan het hoger onderwijs, kan slechts worden erkend de instelling voor hoger onderwijs, die aangesloten is bij de Gedragscode internationale student hoger onderwijs.

Artikel 1.21

De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven als familie- of gezinslid, wordt niet als zodanig erkend.

Artikel 1.22

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de erkenning als referent, de schorsing en de intrekking van die erkenning en de indiening en behandeling van de aanvraag. Daarbij worden in ieder geval nadere regels gesteld omtrent:

  • a. de continuïteit en solvabiliteit van de aanvrager, en
  • b. de strafrechtelijke en bestuursrechtelijke antecedenten, die bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de aanvrager worden betrokken.

Hoofdstuk 1a. Visa

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.23
1.

Bij een besluit betreffende de machtiging tot voorlopig verblijf is het belang van de internationale betrekkingen in ieder geval betrokken, indien de aanvraag tot het verlenen van de machtiging tot voorlopig verblijf is ingediend door of ten behoeve van een vreemdeling:

  • a. op wie krachtens verdrag of bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie rechtstreeks of indirect sancties van toepassing zijn;
  • b. die in het Schengen Informatiesysteem gesignaleerd staat ter fine van weigering van de toegang in geval met de signalerende lidstaat geen overeenstemming kon worden bereikt over de opheffing van de signalering;
  • c. ter deelname aan in Nederland te voeren vredesbesprekingen;
  • d. die behoort tot de hoge bestuursfunctionarissen van een vreemde mogendheid;
  • e. met het oog op het functioneren van een in Nederland zetelende internationale instantie.
2.

In het eerste lid, onder b, wordt verstaan onder lidstaat: staat waartoe de werkingssfeer van een door Onze Minister verleend visum zich krachtens een voor Nederland verbindend verdrag, EU-verordening, -richtlijn of -besluit uitstrekt.

§ 2. Procedurele bepalingen

Artikel 1.24
1.

De aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een machtiging tot voorlopig verblijf of een terugkeervisum wordt gedaan door het indienen van een formulier, waarvan het model door Onze Minister wordt vastgesteld.

2.

De aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een terugkeervisum wordt ingediend op een door Onze Minister aan te wijzen plaats.

Artikel 1.25

Indien de vreemdeling, hangende de besluitvorming op een eerdere aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf, wijziging van het gevraagde verblijfsdoel wenst, dient hij een nieuwe aanvraag in.

Artikel 1.26
1.

De vreemdeling legt bij de in persoon ingediende aanvraag, bedoeld in artikel 1.24, eerste lid, in ieder geval over een geldig document voor grensoverschrijding, alsmede, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de gegevens en bescheiden op basis waarvan kan worden vastgesteld dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlening of wijziging.

2.

Bij de niet in persoon door de referent ingediende aanvraag legt hij afschriften over van de in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden en legt hij, of in voorkomend geval de vreemdeling, op verzoek van Onze Minister de originelen over.

3.

In afwijking van het eerste lid legt de vreemdeling die niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, voor zover redelijkerwijs mogelijk, gegevens en bescheiden over waarmee wordt aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. In dat geval legt hij tevens aanvullende gegevens of bescheiden over omtrent zijn identiteit en nationaliteit.

Artikel 1.27

De aanvraag, bedoeld in artikel 1.24, eerste lid, wordt getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de Wet anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is.

Artikel 1.28

Een terugkeervisum wordt niet geweigerd op de in artikel 2x, eerste lid, onder a, van de Wet bedoelde grond aan:

  • a. de vreemdeling die naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij voor zakelijke doeleinden moet reizen of wegens dwingende of dringende familieomstandigheden Nederland tijdelijk moet verlaten;
  • c. de vreemdeling die een positieve beslissing op zijn aanvraag tot het verlenen, het verlengen van de geldigheidsduur of het wijzigen van een verblijfsvergunning heeft ontvangen, maar nog in afwachting is van afgifte van het bijbehorende verblijfsdocument;
  • d. de vreemdeling die in afwachting is van de beslissing op een aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd indien de aanvraag tijdig of naar het oordeel van Onze Minister binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 3.82, eerste lid, is ontvangen.
Artikel 1.29
1.

De vreemdeling of referent die, hangende de besluitvorming op de aanvraag, bedoeld in artikel 1.24, eerste lid, verandert van adres, woon- of verblijfplaats, meldt de verandering onmiddellijk bij de instantie waar de aanvraag is ingediend.

2.

De in het eerste lid omschreven verplichting rust ten aanzien van kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaren op de wettelijk vertegenwoordiger. Voor kinderen van twaalf jaren en ouder kan aan deze verplichtingen ook worden voldaan door de wettelijk vertegenwoordiger.

Artikel 1.30
1.

De vreemdeling die na binnenkomst in Nederland niet langer voldoet aan de beperking waaronder de machtiging tot voorlopig verblijf is verleend of een voorschrift dat aan de machtiging is verbonden, deelt dit binnen vier weken mee aan Onze Minister.

2.

De vreemdeling wiens geldig document voor grensoverschrijding of machtiging tot voorlopig verblijf na binnenkomst in Nederland vermist wordt, verloren is gegaan of ondeugdelijk is geworden voor identificatie, doet daarvan onmiddellijk in persoon aangifte bij de korpschef. De korpschef stelt Onze Minister hiervan in kennis.

3.

Artikel 1.29, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste en tweede lid omschreven verplichtingen.

Artikel 1.31

De medewerking, bedoeld in artikel 54, eerste lid, onder c, van de Wet bestaat voor de toepassing van dit hoofdstuk uit:

  • a. het op vordering van Onze Minister beschikbaar stellen van een goedgelijkende pasfoto;
  • b. het zich laten fotograferen en het laten afnemen van vingerafdrukken.
Artikel 1.32

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze van indiening en de behandeling van een aanvraag tot verlening of wijziging van een machtiging tot voorlopig verblijf dan wel een terugkeervisum, daaronder begrepen de wijze waarop beschikkingen, kennisgevingen, mededelingen of berichten ingevolge dit hoofdstuk aan de vreemdeling of de referent bekend worden gemaakt.

Hoofdstuk 1b. Reisautorisatie

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 2. Document voor grensoverschrijding

Afdeling 3. Openbare orde

Afdeling 3. Openbare orde

Hoofdstuk 3. Verblijf

Afdeling 1. Rechtmatig verblijf

Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier

Paragraaf 1. Verlening onder beperking en voorschriften

Subparagraaf 1. Beperkingen

Subparagraaf 1. Beperkingen

Subparagraaf 2. Verblijfsrecht van tijdelijke aard

Subparagraaf 3. Ambtshalve verlening, verlenging en wijziging

Subparagraaf 5. Verlening onder beperking

Artikel 3.22a
1.

De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend, indien de hoofdpersoon ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling een verklaring heeft afgelegd als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van de Wet.

2.

In afwijking van het eerste lid, wordt de verblijfsvergunning eveneens verleend, indien:

  • a. wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in hoofdstuk IV en artikel 16 van Richtlijn nr. 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging, in welk geval Onze Minister de hoofdpersoon als referent aanwijst;
  • b. de hoofdpersoon bij wie de vreemdeling als gezinslid wil verblijven een Turkse werknemer is als bedoeld in artikelen 6 en 13 van Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie, in welk geval deze hoofdpersoon niet als referent wordt aangewezen.
Artikel 3.30c
1.

De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan onder een beperking verband houdend met seizoenarbeid worden verleend aan een seizoenarbeider als bedoeld in artikel 3, onder b, van Richtlijn 2014/36/EU van het Europees Parlement en Raad van 26 februari 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider indien geen afwijzingsgrond van toepassing is uit artikel 16 van de Wet en de artikelen 8 en 9 van de Wet arbeid vreemdelingen.

2.

De verblijfsvergunning wordt afgewezen, indien de vreemdeling een risico op illegale immigratie vormt, dan wel niet voornemens is het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie uiterlijk op de datum van verstrijken van de verblijfsvergunning te verlaten.

Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

Artikel 3.102a

De medewerking van de vreemdeling, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, van de Wet, bestaat uit:

  • a. het op vordering van Onze Minister beschikbaar stellen van een goedgelijkende pasfoto, en
  • b. het zich laten fotograferen en het laten afnemen van vingerafdrukken.

Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel

Paragraaf 3. Procedurele bepalingen

Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens

Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee

Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee

Artikel 4.53
1.

De referent voert overeenkomstig bij ministeriële regeling gestelde regels een administratie met gegevens met betrekking tot:

  • a. de vreemdeling wiens referent hij is of was;
  • b. de nakoming van zijn verplichtingen als referent, en
  • c. zijn positie als referent.
2.

In de administratie, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval opgenomen:

  • a. een kopie van het geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling, tenzij Onze Minister overeenkomstig artikel 3.72 heeft geoordeeld dat die vreemdeling niet in het bezit kan worden gesteld van een dergelijk document;
  • c. de bij ministeriële regeling genoemde gegevens.
3.

Voor zover zulks noodzakelijk is voor de naleving van diens informatieplicht en administratieplicht, en de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene daardoor niet onevenredig wordt geschaad, verlangt de referent van de vreemdeling opgave van gegevens die van belang zijn voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de Wet en verstrekt de vreemdeling die gegevens.

4.

De referent verstrekt Onze Minister of de ambtenaar belast met het toezicht op referenten overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels gegevens uit de administratie. Gedurende vijf jaar na beëindiging van het referentschap bewaart de gewezen referent de administratie en verstrekt hij op verzoek van de ambtenaar belast met het toezicht op referenten daaruit de gegevens en bescheiden, welke van belang zijn voor het toezicht op referenten.

Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, inreisverbod en ongewenstverklaring

Afdeling 1. Vertrek en uitzetting

Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting

Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht

Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht

Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen

Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen

Afdeling 4. Ongewenstverklaring

Afdeling 3. Inreisverbod

Paragraaf 6. Periodieke aanmelding

Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in Nederland

Paragraaf 3. Overige verdragen

Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, overdracht, inreisverbod en ongewenstverklaring

Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 3.118b
1.

Indien de vreemdeling reeds eerder een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend welke is afgewezen dan wel niet in behandeling is genomen, vangt het onderzoek naar een volgende aanvraag aan nadat de vreemdeling schriftelijk, op een door Onze Minister te bepalen wijze, te kennen heeft gegeven welke redenen aan die volgende aanvraag ten grondslag liggen. Onze Minister bepaalt met inachtneming van de vorige volzin wanneer de in het tweede tot en met achtste lid beschreven procedure aanvangt en deelt de dag van aanvang mede aan de vreemdeling.

2.

In het geval, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 3.108d, 3.109, 3.113, eerste tot en met het achtste lid, en 3.114, eerste, tweede en zesde lid, niet van toepassing. In plaats daarvan:

  • a. wordt de vreemdeling op de eerste dag door Onze Minister aan een nader gehoor onderworpen;
  • b. wordt het afschrift van het verslag van het nader gehoor op de eerste dag aan de vreemdeling ter kennis gebracht;
  • c. wordt, indien Onze Minister voornemens is de aanvraag af te wijzen binnen drie dagen, het schriftelijk voornemen daartoe op de eerste dag aan de vreemdeling toegezonden of uitgereikt;
  • d. brengt de vreemdeling zijn zienswijze op het voornemen uiterlijk op de tweede dag naar voren, waarbij hij tevens nadere gegevens kan verstrekken;
  • e. maakt Onze Minister de beschikking uiterlijk op de derde dag bekend door uitreiking of toezending ervan.
3.

Behoudens in de in artikel 40, zesde lid, van de Procedurerichtlijn bedoelde gevallen, wordt het tweede lid, onder a en b, buiten toepassing gelaten indien Onze Minister de kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen die nodig is voor het kunnen nemen van de beschikking, kan vergaren zonder nader gehoor.

4.

In die gevallen waarin met toepassing van het derde lid is afgezien van een nader gehoor, kan Onze Minister naar aanleiding van nieuwe elementen of bevindingen of een andere beoordeling van reeds bekende elementen of bevindingen bepalen dat het onderzoek naar de aanvraag opnieuw aanvangt met inachtneming van het tweede lid. Onze Minister bepaalt in dat geval wanneer de procedure opnieuw aanvangt en deelt de dag van aanvang mede aan de vreemdeling.

5.

Het tweede lid, onder c tot en met e, is niet van toepassing, indien zulks schriftelijk door Onze Minister aan de vreemdeling wordt meegedeeld. Bij de mededeling wordt aangegeven of het onderzoek naar de aanvraag al dan niet wordt voortgezet in een Aanmeldcentrum, dan wel de in artikel 3.109c beschreven procedure zal worden gevolgd.

6.

Bij voortzetting van het onderzoek in een Aanmeldcentrum:

  • b. kan de vreemdeling uit eigen beweging of desgevraagd nadere gegevens verstrekken uiterlijk op de tweede dag;
  • c. wordt het schriftelijk voornemen tot afwijzing van de aanvraag toegezonden op de derde dag of uitgereikt op de vierde dag;
  • d. brengt de vreemdeling zijn zienswijze op het voornemen uiterlijk op de vierde dag naar voren;
  • e. maakt Onze Minister zijn beschikking uiterlijk op de zesde dag bekend door uitreiking of toezending ervan.
7.

Onze Minister kan de in het zesde lid, onder a, bedoelde termijn verlengen. In dat geval zijn, in afwijking van artikel 3.110, tweede lid, voor het onderzoek in een Aanmeldcentrum ten hoogste twaalf, veertien of twintig dagen beschikbaar.

8.

Indien Onze Minister de in het zesde lid, onder a, bedoelde termijn heeft verlengd:

  • a. brengt de vreemdeling, in afwijking van het zesde lid, onder d, zijn zienswijze uiterlijk op de dag na de toezending van het voornemen of op de dag van de uitreiking ervan naar voren, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt ingewilligd;
  • b. maakt Onze Minister, in afwijking van het zesde lid, onder e, zijn beschikking uiterlijk op de twaalfde dag bekend door uitreiking of toezending ervan.
9.

Het eerste tot en met achtste lid is van overeenkomstige toepassing, indien reeds eerder een aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingetrokken of reeds eerder een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een dergelijke verblijfsvergunning is afgewezen.

10.

Dit artikel blijft buiten toepassing ten aanzien van de bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën vreemdelingen.

Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering

Afdeling 6. De status van langdurig ingezetene

Paragraaf 2. Intrekking

Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking

Paragraaf 4. Medisch onderzoek

Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen

Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen

Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, overdracht, inreisverbod en ongewenstverklaring

Afdeling 1. Vertrek, uitzetting en overdracht

Artikel 6.1c

De vreemdeling legt bij een verzoek om toepassing van artikel 64 van de Wet ten minste de voor de beslissing van Onze Minister relevante medische gegevens en overige bescheiden over.

Artikel 6.1d
1.

Bij afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ambtshalve beoordeeld of er reden is voor toepassing van artikel 64 van de Wet, tenzij op grond van artikel 3.6, eerste lid, of 3.6ba, eerste lid, alsnog ambtshalve een verblijfsvergunning is verstrekt.

2.

Het eerste lid is uitsluitend van toepassing indien de aanvraag betrekking had op een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, en het de eerste zodanige aanvraag betrof.

3.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingetrokken of de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan wordt afgewezen, met dien verstande dat in dat geval de ambtshalve beoordeling uitsluitend plaatsvindt indien de vreemdeling de voor die beoordeling relevante medische gegevens en overige bescheiden heeft overgelegd.

Artikel 6.1e
1.

Bij afwijzing van de eerste aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt ambtshalve beoordeeld of er reden is voor toepassing van artikel 64 van de Wet, tenzij op grond van artikel 3.6a, eerste lid, of 3.6ba, eerste lid, alsnog ambtshalve een verblijfsvergunning is verstrekt.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien de aanvraag niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30 van de Wet, niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a van de Wet of op grond van het bepaalde in het Protocol (nr. 24) inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie, bij het Verdrag betreffende de Europese Unie, dan wel is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid onder g, j of k van de Wet of buiten behandeling is gesteld op grond van artikel 30c van de Wet.

3.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt ingetrokken of de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan wordt afgewezen, met dien verstande dat in dat geval de ambtshalve beoordeling uitsluitend plaatsvindt indien de vreemdeling de voor die beoordeling relevante medische gegevens en overige bescheiden heeft overgelegd.

Artikel 6.1f

Artikel 6.1a is van overeenkomstige toepassing op de overdracht, bedoeld in artikel 63a.

Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting

Afdeling 4. Ongewenstverklaring

Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen

Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen

Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting

Paragraaf 7. Documenten en het stellen van zekerheid

Paragraaf 6. Periodieke aanmelding

Paragraaf 3. Overige verdragen

Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, overdracht, inreisverbod en ongewenstverklaring

Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 8.27

De bevoegdheid om vingerafdrukken af te nemen en te verwerken als bedoeld in artikel 106a, eerste en tweede lid, van de Wet, geldt niet ten aanzien van:

  • a. vreemdelingen die nog niet de leeftijd van zes jaar hebben bereikt, en
  • b. vreemdelingen bij wie het afnemen van alle vingerafdrukken blijvend fysiek onmogelijk is.
Artikel 8.28

Voor het vaststellen van de identiteit of de verificatie van de identiteit, op grond van artikel 106a, eerste en tweede lid, van de Wet, worden digitaal platte vingerafdrukken afgenomen.

Artikel 8.29
1.

De vingerafdrukken die zijn afgenomen voor het vaststellen van de identiteit worden opgeslagen in een daartoe door Onze Minister aangewezen bestand in de vreemdelingenadministratie.

2.

Het wijzigen en vernietigen van de vingerafdrukken in de vreemdelingenadministratie vindt plaats vanuit het bestand, bedoeld in het eerste lid.

3.

Bij het verifiëren van de authenticiteit van het document, bedoeld in artikel 9 van de Wet, of de verificatie van de identiteit van de vreemdeling worden de vingerafdrukken slechts opgeslagen en verwerkt voor de duur van de verificatie.

4.

Van de vingerafdrukken kunnen in andere bestanden in de vreemdelingenadministratie dan het bestand, bedoeld in het eerste lid, slechts kopieën worden opgenomen.

Artikel 8.30
1.

Indien naar het oordeel van de ambtenaar die de vingerafdrukken afneemt, het fysiek dan wel als gevolg van een tijdelijke verhindering onmogelijk is om van de vreemdeling te verlangen dat bij hem vingerafdrukken worden afgenomen, worden in ieder geval de vingerafdrukken afgenomen en opgeslagen van de vingers waarbij dit volgens de ambtenaar wel mogelijk is. Van de vingers waarvan geen vingerafdrukken zijn afgenomen, wordt met opgave van reden een aantekening gemaakt in de vreemdelingenadministratie.

2.

De vreemdeling van wie de vingers niet blijvend fysiek beschadigd zijn, wordt uitgenodigd om op een bij ministeriële regeling bepaald moment opnieuw zijn vingerafdrukken af te laten nemen.

Artikel 8.31
1.

Een gezichtsopname als bedoeld in artikel 106a, eerste lid, van de Wet wordt in ieder geval opnieuw gemaakt en opgeslagen en tien vingerafdrukken worden in ieder geval opnieuw afgenomen en opgeslagen van vreemdelingen die de leeftijd van twaalf jaar en van vreemdelingen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.

2.

Een gezichtsopname kan opnieuw worden gemaakt en opgeslagen en vingerafdrukken kunnen opnieuw worden afgenomen en opgeslagen in het geval een gezichtsopname onvoldoende gelijkenis toont of een gezichtsopname of vingerafdrukken van onvoldoende kwaliteit zijn.

Artikel 8.32
1.

Bij ministeriële regeling kunnen, onverminderd het bepaalde in Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen, documenten als bedoeld in artikel 9 van de Wet worden aangewezen, waarop de vingerafdrukken van de linker- en rechterwijsvinger worden opgenomen.

2.

Indien de kwaliteit van de afdrukken van de wijsvingers ontoereikend is voor opname op het document, worden vingerafdrukken van de middelvingers, ringvingers of duimen opgenomen.

3.

Indien van slechts één vinger een afdruk van voldoende kwaliteit kan worden afgenomen, wordt uitsluitend de afdruk van die vinger opgenomen in het document.

Artikel 8.33

In het geval dat bij de identiteitsvaststelling, het verifiëren van de authenticiteit van het document of de verificatie van de identiteit onduidelijkheid bestaat over de juistheid van vingerafdrukken wordt, indien dat noodzakelijk is voor de identiteitsvaststelling, het verifiëren van de authenticiteit van het document of de verificatie van de identiteit, een onderzoek door een dactyloscopisch deskundige uitgevoerd.

Artikel 8.34
1.

De ambtenaren die het beheer voeren over de vreemdelingenadministratie, hebben rechtstreekse toegang tot de gezichtsopnames en vingerafdrukken in de vreemdelingenadministratie, voor zover zij die toegang nodig hebben voor een goede vervulling van hun taak en Onze Minister hen daartoe heeft gemachtigd.

2.

Van de beschikbaarstelling van gezichtsopnames en vingerafdrukken aan derden wordt een aantekening gemaakt van de datum waarop en de organisatie waaraan de gegevens zijn verstrekt. Deze aantekening wordt bewaard voor de duur van vijf jaar.

3.

De ambtenaren die met de uitvoering van de Wet zijn belast, kunnen de gezichtsopnames en vingerafdrukken rechtstreeks langs geautomatiseerde weg raadplegen, voor zover zij die gegevens nodig hebben voor een goede vervulling van hun taak en Onze Minister hen daartoe heeft gemachtigd.

Artikel 8.35

De in de vreemdelingenadministratie opgenomen gezichtsopnames en vingerafdrukken worden niet langer bewaard dan:

  • a. vijf jaar nadat de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf is afgewezen;
  • b. in geval van rechtmatig verblijf: vijf jaar nadat de betrokken vreemdeling, wiens rechtmatig verblijf is geëindigd, Nederland aantoonbaar heeft verlaten; of
  • c. indien tegen de vreemdeling een inreisverbod is uitgevaardigd of de vreemdeling ongewenst is verklaard: vijf jaar na afloop van de geldigheidsduur van het inreisverbod onderscheidenlijk de ongewenstverklaring.
Artikel 8.36

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

  • a. het bewaken van de juistheid en volledigheid van de gezichtsopnames en vingerafdrukken in de vreemdelingenadministratie en op de documenten, bedoeld in artikel 9 van de Wet;
  • b. de beveiliging van de gezichtsopnames en vingerafdrukken tegen verlies of onrechtmatige verwerking;
  • d. de vernietiging van de gezichtsopnames en vingerafdrukken na afloop van de bewaartermijn, bedoeld in artikel 8.35, en
  • e. de verwijdering en vernietiging van de gezichtsopname en vingerafdrukken op verzoek van de vreemdeling, op grond dat deze de hoedanigheid heeft verkregen van gemeenschapsonderdaan anders dan door verkrijging van het Nederlanderschap.

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 3.123

Ingeval Onze Minister een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleent aan een vreemdeling die houder is van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie, wordt verzocht aan die lidstaat om een aantekening inzake internationale bescherming op te nemen dan wel te wijzigen inhoudend dat Nederland internationale bescherming heeft verleend en de datum waarop.

Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren

Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee

Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

Paragraaf 3. Medewerking aan vastleggen van gegevens met het oog op identificatie

Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, overdracht, inreisverbod en ongewenstverklaring

Afdeling 1. Vertrek, uitzetting en overdracht

Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht

Afdeling 3. Inreisverbod

Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen

Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen

Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen

Paragraaf 8. Administratieplichten

Paragraaf 7. Documenten en het stellen van zekerheid

Paragraaf 2. EG/EER

Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting

Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen

Bijlage. bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Paragraaf 2. Afwijzing van de aanvraag

Artikel 3.103aa
1.

Indien Onze Minister besluit tot intrekking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd of afwijzing van een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur daarvan van een houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie, met de aantekening dat die staat de vreemdeling internationale bescherming heeft verleend, verzoekt Onze Minister die staat te bevestigen of de vreemdeling aldaar nog steeds internationale bescherming geniet. In het bevestigend geval zet Onze Minister de vreemdeling uit naar die staat, onverminderd het toepasselijke Unierecht en het beginsel van de eenheid van het gezin.

2.

In afwijking van het eerste lid en onverminderd de voor Nederland geldende internationale verplichtingen, kan Onze Minister de langdurig ingezetene uitzetten naar een andere staat dan de lidstaat die de internationale bescherming heeft verleend, indien is voldaan aan artikel 3.105c, tweede lid, onder a of b.

3.

Indien de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van een vreemdeling die houder is van een door een andere lidstaat van de Europese Unie afgegeven EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die de aantekening bevat dat die staat verantwoordelijk is voor de internationale bescherming van de vreemdeling, is ingetrokken of de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur ervan is afgewezen, op grond dat de vreemdeling een bedreiging voor de openbare orde of de openbare veiligheid vormt, kan de vreemdeling, onverminderd de terugnameverplichting van de andere lidstaat en onverminderd de voor Nederland geldende internationale verplichtingen slechts van het grondgebied van de Europese Unie worden verwijderd, indien:

  • a. de internationale bescherming inmiddels is ingetrokken, of
4.

Indien Onze Minister besluit tot intrekking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking «overplaatsing binnen een onderneming» en de vreemdeling in een tweede lidstaat verblijfsrecht geniet in het kader van mobiliteit in de zin van artikel 21 of 22 van richtlijn 2014/66/EU, doet Onze Minister van die intrekking onmiddellijk mededeling bij de bevoegde instanties van de lidstaat van het tweede verblijf.

5.

Indien Onze Minister besluit tot intrekking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 of studie, doet Onze Minister in voorkomende gevallen van die intrekking onmiddellijk mededeling bij de bevoegde instanties van de lidstaat waar de vreemdeling verblijfsrecht geniet in het kader van mobiliteit in de zin van richtlijn (EU) 2016/801.

Artikel 3.124
1.

De aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen wordt niet op grond van artikel 45b, tweede lid, onder a, van de Wet afgewezen om reden dat het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8 onder a tot en met e of l, van de Wet niet vijf jaren aaneensluitend is geweest, indien:

  • a. de aanvraag is ingediend door een meerderjarige vreemdeling die:
  • 2°. voor het negentiende levensjaar vijf jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e of l, van de Wet, en voor wie Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is;
  • b. de vreemdeling niet het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst.
2.

De aanvraag wordt niet op grond van artikel 45b, tweede lid, onder a of b, van de Wet afgewezen, indien de vreemdeling:

  • a. buiten Nederland heeft verbleven in verband met beroepsmatige detachering in een andere lidstaat van de Europese Unie;
  • b. als langdurig ingezetene houder is geweest van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en die vergunning heeft verloren wegens:
  • 1°. verblijf voor studie of beroepsopleiding in een andere lidstaat van de Europese Unie, zonder in die staat de status van EU-langdurig ingezetene te hebben verworven, indien de aanvraag wordt gedaan binnen zes maanden na beëindiging van die studie of opleiding, dan wel de verblijfstitel in die staat,
  • 2°. verblijf buiten het grondgebied van de Europese Unie gedurende een aaneengesloten periode van tenminste twaalf maanden, indien de aanvraag wordt gedaan binnen twaalf maanden na het onherroepelijk worden van het verlies, of
  • 3°. verwerving van de status van langdurig ingezetene in een andere lidstaat van de Europese Unie, indien de aanvraag wordt gedaan binnen twaalf maanden na het onherroepelijk worden van het verlies;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)