Voorschrift Vreemdelingen 2000
in overeenstemming, voor zoveel nodig, met zijn ambtgenoten van Buitenlandse Zaken, Defensie en Financiën,
Gelet op de artikelen 6, eerste lid, 9, derde lid, 14, 20, 24, tweede lid, 25, tweede lid, 28, 33, 42, vierde lid, 47, eerste lid, onder c, 50, vierde lid, 55, eerste lid, 56. eerste lid, 59, 62, vierde lid, en 63, tweede en derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Stb. 2000, 495) en de artikelen 1.4, 2.2, eerste lid, 2.3, derde lid, onder a en b, 2.4, derde lid, zesde lid onder a, en achtste lid, 2.6, zesde lid, 2.7, vijfde lid, 2.11, derde lid, 3.1, 3.4, vierde lid, 3.12, derde lid, 3.21, 3.23, vierde lid, onder c, 3.29, derde lid, 3.31, tweede lid, onder d, 3.33, tweede lid, 3.43, vierde lid, 3.44, tweede lid, 3.74, onder b en c, 3.75, vierde lid, 3.77, vierde lid, 3.79, tweede lid, 3.86, negende lid, 3.99, eerste lid, 3.108, eerste en tweede lid, 3.110, tweede lid, 4.2, tweede en vierde lid, 4.9, onder a, 4.11 eerste lid, onder a, 4.15, tweede lid, 4.21, eerste lid, onder a, b en c, 4.29, derde lid, 4.36, 4.38, 4.51, tweede lid, 5.5, eerste en tweede lid, 6.1, 6.2, 8.1 en 8.2 van het Vreemdelingenbesluit (Stb. 2000, 497),
Besluit:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Afdeling 1. Definitiebepalingen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- de BRP: de basisregistratie personen;
- ernstige schade: daden als bedoeld in artikel 15 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking) (PbEU 2011 L 337);
- EVRM: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
- het Besluit: het Vreemdelingenbesluit 2000;
- Terugtrekkingsakkoord: Akkoord van 12 november 2019 inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PbEU 2019, CI 384);
vervolging: vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag.
Artikel 1.2
Ter uitvoering van een verdrag waarbij de grenscontrole is verlegd naar de buitengrenzen, wordt onder 'Nederland' in de artikelen 4.7 en 4.8 mede verstaan het grondgebied van andere bij dat verdrag aangesloten landen waarover de werking van dat verdrag zich uitstrekt.
Artikel 1.3
Voorzover uit een wettelijk voorschrift niet anders voortvloeit, worden de bevoegdheden genoemd in deze regeling uitgeoefend namens de Minister. Bij de uitoefening van deze bevoegdheden worden de algemene en bijzondere aanwijzingen van de Minister in acht genomen.
Afdeling 2. De referent
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 1.4
De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven voor arbeid als kennismigrant, voor een overplaatsing binnen een onderneming of voor arbeid als houder van een Europese blauwe kaart draagt er zorg voor dat de vreemdeling bij de werving en selectie op de hoogte wordt gesteld van de relevante regelgeving.
Artikel 1.5
De referent van een vreemdeling die in het kader van uitwisseling als au pair in Nederland verblijft of wil verblijven draagt er zorg voor dat:
- a. op zorgvuldige wijze wordt bemiddeld tussen de vreemdeling en het gastgezin;
- b. het gastgezin op zorgvuldige wijze wordt geselecteerd;
- c. indien hij op de hoogte is of vermoedens heeft van misbruik van een vreemdeling door een gastgezin plaatsing bij dit gastgezin achterwege blijft;
- d. het gastgezin en de vreemdeling bij de werving en selectie op de hoogte worden gesteld van de relevante regelgeving;
- e. hij zich ervan vergewist dat zowel het gastgezin als de vreemdeling zich aan de verplichtingen houden;
- f. hij zich vergewist van het welzijn en welbevinden van de vreemdeling gedurende het verblijf van de vreemdeling in het gastgezin;
- g. de vreemdeling zich te allen tijde kan wenden tot de referent met vragen en klachten;
- h. hij de vreemdeling op de hoogte stelt van het bestaan en de werking van het Meldpunt Misbruik au pairs, en
- i. hij bij kennis of een redelijk vermoeden van onregelmatigheden, misstanden of misbruik en bij meldingen hiervan passende maatregelen treft.
Artikel 1.6
De referent van een vreemdeling die in het kader van uitwisseling als uitwisselingsjongere, niet zijnde een au pair, in Nederland verblijft of wil verblijven draagt er zorg voor dat:
- a. indien sprake is van verblijf in een gastgezin er op zorgvuldige wijze wordt bemiddeld tussen de vreemdeling en het gastgezin;
- b. de vreemdeling en, indien sprake is van verblijf in een gastgezin het gastgezin op zorgvuldige wijze wordt geselecteerd;
- c. indien hij op de hoogte is of vermoedens heeft van misbruik van een vreemdeling door een gastgezin plaatsing in dit gastgezin achterwege blijft;
- d. het gastgezin en de vreemdeling bij de werving en selectie op de hoogte worden gesteld van de relevante regelgeving;
- e. hij zich ervan vergewist dat de vreemdeling zich aan de verplichtingen houdt;
- f. hij zich vergewist van het welzijn en welbevinden van de vreemdeling gedurende zijn verblijf;
- g. de vreemdeling zich te allen tijde kan wenden tot de referent met vragen en klachten, en
- h. hij bij kennis of een redelijk vermoeden van misbruik of misstanden en bij meldingen hiervan passende maatregelen treft.
Artikel 1.7
Vervallen
Artikel 1.8
De referent van een vreemdeling die in Nederland wil verblijven voor studie in het hoger onderwijs draagt er zorg voor dat alleen studenten worden geworven die toelaatbaar tot de opleiding zijn en dat de vreemdeling bij de werving en selectie op de hoogte wordt gesteld van de relevante regelgeving.
Artikel 1.9
Ten behoeve van het verblijf van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven voor studie, kan ook als referent optreden de krachtens artikel 2c van de Wet als referent erkende onderwijsinstelling, waaraan de vreemdeling voortgezet onderwijs volgt of wil volgen, die, voor zover op grond van de Handelsregisterwet 2007 vereist, is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, en die:
- a. door de Internationale Baccalaureaat Organisatie geaccrediteerd is;
- b. het Internationale Baccalaureaat diplomaprogramma aanbiedt, en
- c. deel uitmaakt van een internationale organisatie, waarbij een uitwisseling van leerlingen over de wereld plaatsvindt en het land van plaatsing wordt bepaald door landelijke comités van deze internationale organisatie, of die zijn leerlingen in een internaat plaatst.
Ten behoeve van het verblijf van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven voor studie, kan ook als referent optreden de krachtens artikel 2c van de Wet als referent erkende onderwijsinstelling, waaraan de vreemdeling middelbaar beroepsonderwijs volgt of wil volgen die, voor zover op grond van de Handelsregisterwet 2007 vereist, is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de wet, en die is aangesloten bij de Gedragscode internationale student middelbaar beroepsonderwijs niveau 4 en is opgenomen in het daarbij behorende register.
Artikel 1.10
Als referent van een vreemdeling die arbeid voor een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie verricht of wil verrrichten kan slechts optreden:
- a. een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie met rechtspersoonlijkheid, of
- b. een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie die deel uitmaakt van een organisatie die rechtspersoonlijkheid heeft.
Paragraaf 2. Erkenning als referent
Artikel 1.11
Ter zake van de afdoening van een aanvraag om de erkenning als referent is de aanvrager een bedrag van € 5.080 verschuldigd.
In afwijking van het eerste lid is de aanvrager ter zake van de afdoening van een aanvraag om de erkenning als referent een bedrag van € 2.539 verschuldigd, indien:
- a. de aanvraag verband houdt met uitwisseling;
- b. de aanvraag verband houdt met arbeid en de aanvrager een onderneming met ten hoogste 50 medewerkers of een onderneming van een concern met ten hoogste 50 medewerkers betreft, of
- c. het een aanvraag om erkenning met toepassing van artikel 1.13, tweede lid, onderdeel b tot en met d, betreft.
Artikel 1.12
De aanvrager om erkenning als referent die niet op grond van de Handelsregisterwet 2007 inschrijvingsplichtig is en niet is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, verstrekt bij de aanvraag de naam, de voornamen, de geboortedatum, de geboorteplaats, de nationaliteit, het burgerservicenummer en de functie van iedere bestuurder van de onderneming of rechtspersoon.
Artikel 1.13
De aanvrager om erkenning als referent legt bij de aanvraag een verklaring van betalingsgedrag als bedoeld in artikel 1.1.12 van de Leidraad Invordering 2008 over, die op de datum van de aanvraag niet ouder is dan drie maanden.
In afwijking van het eerste lid verstrekt de aanvrager een ondernemingsplan indien de onderneming nog geen anderhalf jaar bestaat of nog geen anderhalf jaar bedrijfsactiviteiten heeft verricht, tenzij:
- a. de aanvrager een onderneming of rechtspersoon betreft die het volledige eigendom met volledige zeggenschap is van een onderneming of rechtspersoon die indien deze onderneming of rechtspersoon zelf de aanvraag indient niet verplicht is een ondernemingsplan ingevolge dit artikel over te leggen, in welk geval de aanvrager een verklaring van betalingsgedrag als bedoeld in artikel 1.1.12 van de Leidraad Invordering van de onderneming of rechtspersoon waarvan het volledig eigendom is over legt;
- b. de aanvrager een onderneming of rechtspersoon betreft die voortkomt uit een fusie tussen twee ondernemingen of rechtspersonen die beide direct voorafgaand aan de aanvraag om erkenning zijn erkend als referent;
- c. de aanvrager een onderneming of rechtspersoon betreft die volledig is overgenomen door een onderneming of rechtspersoon die direct voorafgaand aan de aanvraag om erkenning zelf als referent is erkend;
- d. sprake is van een aanvraag om erkenning als referent vanwege een wijziging in de rechtsvorm van de onderneming of rechtspersoon van een erkend referent en uit de notariële akte blijkt dat:
- 1°. de aard van de ondernemingsactiviteiten niet is uitgebreid, en
- 2°. de zeggenschap in de nieuwe onderneming of rechtspersoon gelijk blijft; of
- e. de aanvrager een uitwisselingsorganisatie in het kader van uitwisseling van au pairs die is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie of Europese Economische Ruimte betreft.
Indien de aanvrager een vestiging van een onderneming betreft die onderdeel uitmaakt van een buitenlandse onderneming, kan de aanvrager, in afwijking van het eerste en tweede lid, de continuïteit en solvabiliteit aantonen door een verklaring van bekendheid van de Netherlands Foreign Investment Agency van het Ministerie van Economische Zaken over te leggen.
Indien er naar het oordeel van de Minister of de Minister van Economische Zaken twijfel bestaat of de continuïteit en solvabiliteit voldoende zijn gewaarborgd verstrekt de aanvrager, in afwijking van het eerste, tweede en derde lid:
- a. in het geval de aanvrager een onderneming betreft die nog geen anderhalf jaar bestaat of nog geen anderhalf jaar bedrijfsactiviteiten heeft verricht een ondernemingsplan;
- b. in het geval de aanvrager een onderneming betreft die langer dan anderhalf jaar maar korter dan drie jaar bestaat of langer dan anderhalf jaar maar korter dan drie jaar bedrijfsactiviteiten heeft verricht een ondernemingsplan en de beschikbare, door een onafhankelijke partij geverifieerde jaarrekeningen en geverifieerde exploitatieprognoses en liquiditeitsprognoses voor de komende twee jaar inclusief toelichting op de uitgangspunten;
- c. in het geval de aanvrager een onderneming betreft die langer dan drie jaar bestaat of langer dan drie jaar bedrijfsactiviteiten heeft verricht, door een onafhankelijke partij geverifieerde jaarrekeningen van de afgelopen drie jaren en geverifieerde exploitatieprognoses en liquiditeitsprognoses voor de komende twee jaar inclusief toelichting op de uitgangspunten.
Voor de beoordeling of de continuïteit en solvabiliteit van de onderneming voldoende zijn gewaarborgd, worden de bewijsmiddelen, bedoeld in het tweede en vierde lid, ter advisering voorgelegd aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Indien de aanvrager om erkenning als referent in het kader van uitwisseling van au pairs een uitwisselingsorganisatie betreft die is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie of Europese Economische Ruimte, is een verklaring die vergelijkbaar is met de verklaring, bedoeld in het eerste lid, vereist, voor zover die in de betreffende lidstaat verkrijgbaar is. Indien een vergelijkbare verklaring niet verkrijgbaar is, toont de aanvrager op andere wijze de continuïteit en solvabiliteit aan.
Artikel 1.14
Een onderneming die zich bezighoudt met het ter beschikking stellen van arbeidskrachten of payrolling, bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c en d, van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs wordt alleen erkend als referent indien de onderneming is opgenomen in het register van de Stichting normering arbeid.
Artikel 1.15
De aanvrager om erkenning als referent legt desgevraagd een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens over.
Artikel 1.16
Als administraties, bedoeld in artikel 2d, eerste lid, en 2t, eerste lid, onder a, van de Wet, zijn aangewezen de administraties vermeld in kolom A van bijlage 20 bij deze regeling.
Als gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 2d, derde lid, en 2t, vierde lid, van de Wet, zijn aangewezen de gegevens en bescheiden vermeld in kolom B van bijlage 20 bij deze regeling.
Hoofdstuk 1a. Nationale visa
Artikel 1.17
Ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een terugkeervisum is de vreemdeling een bedrag van € 197 verschuldigd.
In afwijking van het eerste lid is de vreemdeling die valt onder artikel 1, eerste lid, van de Wet betreffende de positie van Molukkers, geen leges verschuldigd.
In afwijking van het eerste lid is de vreemdeling die valt onder artikel 41, eerste lid, van het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij de op 12 september 2963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb. 1971,70) of artikel 6, 7 of 13 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie, een bedrag van € 57 verschuldigd.
Hoofdstuk 2. Toegang
Artikel 2.1
Als luchthavens, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit, zijn aangewezen:
- a. de luchthavens die zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling, en
- b. de luchthavens, vanaf welke vluchten vertrekken voor het vervoer van personen in het ongeregeld vervoer, als bedoeld in het Besluit Vracht- en overige vluchten van de Minister van Infrastructuur en Milieu, met uitzondering van de vluchten die door onze Minister door tussenkomst van de Minister van Infrastructuur en Milieu van de verplichting tot het maken van een afbeelding zijn ontheven.
De Minister kan bepalen dat de verplichtingen ingevolge artikel 2.2 van het Besluit voor één of meer vervoerders vanaf één of meer van de in het eerste lid, onder a, genoemde luchthavens tijdelijk worden opgeschort.
De Minister kan bepalen dat de verplichtingen ingevolge artikel 2.2 van het Besluit van toepassing zijn op één of meer vervoerders door wiens tussenkomst de aanvoer van niet- of onvoldoende gedocumenteerde vreemdelingen op korte termijn vanaf een bepaalde, niet in het eerste lid, onder a, genoemde luchthaven aanzienlijk is toegenomen.
Artikel 2.1a
De vervoerder, bedoeld in artikel 2.2a, eerste lid, van het Besluit, verzamelt de passagiersgegevens, bedoeld in artikel 2.2a, derde lid, van het Besluit, ten aanzien van alle passagiers die hij naar een luchthaven in Nederland vervoert vanaf een luchthaven die niet in de Europese Unie of een land dat betrokken is bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis gelegen is.
De vervoerder zendt de krachtens het eerste lid verzamelde passagiersgegevens elektronisch, voor het einde van de instapcontroles aan de ambtenaar belast met de grensbewaking aan het door die ambtenaar aangegeven adres.
De ingevolge het tweede lid te zenden gegevens worden verzonden in een bericht met de structuur die is gebaseerd op de vanwege de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties vastgestelde indeling voor elektronische gegevensuitwisseling voor overheid, handel en vervoer, gepubliceerd onder de titel: Electronic Data Interchange For Administration, Commerce and Transport (EDIFACT) Passenger List Message (PAXLST).
Artikel 2.2
Als de staten, bedoeld in artikel 2.3, derde lid, onder a, van het Besluit, zijn aangewezen de staten, vermeld in bijlage 2 bij deze regeling.
Artikel 2.3
Als de categorieën vreemdelingen, bedoeld in artikel 2.3, derde lid, onder b, van het Besluit zijn aangewezen de vreemdelingen die behoren tot een van de categorieën, opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling, voor zover de vreemdeling:
- a. voldoet aan de voor hem gestelde voorwaarden, en
- b. zich naar Nederland begeeft voor een tijdsduur of doel als aangegeven bij die categorie.
Artikel 2.4
Als de vliegvelden in Nederland, bedoeld in artikel 2.4, derde lid, van het Besluit, zijn aangewezen de vliegvelden, vermeld in bijlage 4 bij deze regeling.
Artikel 2.5
Vervallen
Artikel 2.6
De aantekening, bedoeld in artikel 2.4, vijfde lid, van het Besluit, luidt: 'Toegang tot het Beneluxgebied verleend van (datum) tot (datum), artikel 2.4, tweede/vijfde lid, Vreemdelingenbesluit (inreisstempel en handtekening van ambtenaar die toegang verleent)'.
Het model van de afzonderlijke verklaring, waaruit het verlenen van toegang op grond van artikel 2.4, tweede lid, van het Besluit blijkt, is opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling.
Artikel 2.7
Vervallen
Artikel 2.8
Vervallen
Artikel 2.9
Voor de ondertekening door een daartoe solvabele derde van de garantverklaring, bedoeld in artikel 2.11, derde lid, van het Besluit, wordt bij het verlenen van toegang aan:
- a. een zeeman of meerdere zeelieden gebruik gemaakt van het model, dat als bijlage 6a onderscheidenlijk als bijlage 6b bij deze regeling is gevoegd;
- b. een andere vreemdeling gebruik gemaakt van het model, dat als bijlage 6c bij deze regeling is gevoegd.
Artikel 2.10
De ambtenaren, bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a en b, dan wel 47, eerste lid, onder a en b, van de Wet, zijn bevoegd een machtiging tot voorlopig verblijf dan wel terugkeervisum in te trekken dan wel te annuleren op de gronden en in de gevallen, bedoeld in artikel 2m, derde en vierde lid, van de Wet.
De ambtenaren belast met de grensbewaking zijn bevoegd de vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd, de maatregel, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet, op te leggen dan wel deze in overeenstemming met artikel 6a van de Wet voort te zetten.
De bevoegde ambtenaren van de Immigratie- en Naturalisatiedienst kunnen besluiten de maatregel, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, voort te zetten in overeenstemming met artikel 6a van de Wet.
De oplegging of opheffing van de maatregel, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Wet, met toepassing van artikel 6, zesde lid, van de Wet vindt plaats door de bevoegde ambtenaren van de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Hoofdstuk 3. Verblijf
Afdeling 1. Bescheiden rechtmatig verblijf
Artikel 3.1
Als document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d, van de Wet, blijkt, zijn aangewezen de volgende documenten en schriftelijke verklaringen, waarbij het vastgestelde model van dat document of die schriftelijke verklaring wordt aangegeven:
- a. voor vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, van de Wet: het document I van het model dat als bijlage 7a bij deze regeling is gevoegd of een schriftelijke verklaring, waaruit volgt dat een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk of zijn familielid hier een tijdelijk verblijfsrecht op grond van artikel 3.4, derde lid, van het Besluit geniet, dat als bijlage 7a2 en bijlage 7a3 bij deze regeling is gevoegd;
- b. voor vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder b, van de Wet: het document II van het model dat als bijlage 7b bij deze regeling is gevoegd indien de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Wet;
- c. voor vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder c, van de Wet: het document III van het model dat als bijlage 7c bij deze regeling is gevoegd;
- d. voor vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder d, van de Wet: het document IV van het model dat als bijlage 7d bij deze regeling is gevoegd indien de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Wet, en
- e. voor vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder b en d, van de Wet: het document V van het model dat als bijlage 7d2 bij deze regeling is gevoegd indien de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a van de Wet.
De beperking waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt verleend, wordt vermeld op het document of de schriftelijke verklaring, bedoeld in het eerste lid, onder a.
Op het document, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden onder de rubriek ‘opmerkingen’ de volgende opmerkingen vermeld:
- a. indien Nederland aan de houder van de Europese blauwe kaart internationale bescherming heeft verleend: ‘Internationale bescherming verleend door Nederland op [datum]’;
- b. indien de houder van de Europese blauwe kaart in een andere lidstaat internationale bescherming geniet: ‘Internationale bescherming verleend door [naam van de lidstaat] op [datum]’;
- c. indien de Europese blauwe kaart wordt verleend op basis van hogere beroepsvaardigheden in overige beroepen, als bedoeld in artikel 3.30b, derde lid, onder b, van het Besluit: ‘Beroepen die niet in bijlage I zijn opgenomen’.
Voor zover van toepassing, wordt op het document, bedoeld in het eerste lid, onder e, onder de rubriek ‘opmerkingen’ vermeld ‘voormalig houder van een Europese blauwe kaart’.
Op het document of de schriftelijke verklaring, bedoeld in het eerste lid, onder b, c, d en e, wordt de aantekening gesteld ‘arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. Op het document of de schriftelijke verklaring, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt de aantekening gesteld:
- a. ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’;
- b. ‘TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid niet toegestaan’;
- c. ‘TWV vereist voor arbeid van bijkomende aard, andere arbeid in loondienst niet toegestaan’;
- d. ‘Arbeid toegestaan mits TWV is verleend’;
- e. ‘TWV vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid niet toegestaan’;
- f. ‘TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid toegestaan mits TWV is verleend’;
- g. ‘Arbeid als kennismigrant en zelfstandige toegestaan, andere arbeid toegestaan met TWV’;
- h. ‘Arbeid als houder van de Europese blauwe kaart en zelfstandige toegestaan, andere arbeid toegestaan met TWV’;
- i. ‘Arbeid in loondienst alleen toegestaan met TWV’;
- j. Arbeid als zelfstandige toegestaan, arbeid in loondienst alleen toegestaan met TWV;
- k. ‘Arbeid toegestaan, TWV alleen gedurende eerste 12 maanden vereist’;
- l. ‘Arbeid niet toegestaan’;
- m. ‘arbeid toegestaan conform aanvullend document’;
- n. ‘arbeid wegens overplaatsing binnen een onderneming en arbeid als zelfstandige toegestaan, andere arbeid toegestaan met TWV;’
- o. ‘TWV niet vereist voor incidentele arbeid in het kader van WHP/WHS, andere arbeid niet toegestaan’;
- p. arbeid als zelfstandige toegestaan, arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist.
De aantekening, bedoeld in artikel 3.4, derde lid, van het Besluit luidt: ‘beroep op algemene middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht’.
De documenten, bedoeld in het eerste lid, zijn ingevolge artikel 4.21, eerste lid, onder a, van het Besluit tevens vastgesteld als document ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d, van de Wet. Voor de schriftelijke verklaring als bedoeld in het eerste lid, onder a, geldt dat deze enkel in combinatie met een geldig grensoverschrijdend document wordt beschouwd als document ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld inartikel 8, onder a, van de Wet.
Als aanvullend document is aangewezen het document van het model dat als bijlage 7l bij deze regeling is gevoegd.
Artikel 3.2
Als document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder e, van de Wet, blijkt, zijn aangewezen de volgende documenten en verklaringen, waarbij het vastgestelde model van dat document of die verklaring wordt aangegeven:
- a. voor gemeenschapsonderdanen, die als grensarbeider, als werkzoekende grensarbeider, of hangende hun aanvraag om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, verblijven: de sticker Verblijfsaantekeningen Gemeenschapsonderdanen van het model dat als bijlage 7h bij deze regeling is gevoegd;
- b. voor vreemdelingen die hun rechtmatig verblijf ontlenen aan het Terugtrekkingsakkoord: de documenten ‘Terugtrekkingsakkoord’ van de modellen die als bijlage 7e2, 7e3, 7e4 en 7e5 bij deze regeling zijn gevoegd, en;
- c. voor de overige gemeenschapsonderdanen: het document EU/EER van de modellen die als bijlage 7e6, 7e7, 7e8 en 7e9 bij deze regeling is gevoegd.
Op de documenten en verklaringen, bedoeld in het eerste lid, wordt de aantekening gesteld: ‘arbeid toegestaan; tewerkstellingsvergunning niet vereist’.
Op de documenten en verklaringen, bedoeld in het eerste lid, kan de aantekening worden gesteld:
- a. ‘een beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’, of
- b. ‘een meer dan aanvullend beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
De documenten, bedoeld in het eerste lid, onder b en d, zijn ingevolge artikel 4.21, eerste lid, onder b, van het Besluit tevens vastgesteld als document ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder e, van de Wet.
Artikel 3.2a
Vervallen
Artikel 3.3
Als document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder f tot en met h, van de Wet, blijkt, zijn aangewezen de volgende documenten en verklaringen, waarbij het vastgestelde model van dat document of die verklaring wordt aangegeven:
- a. voor vreemdelingen die in afwachting zijn van een besluit of een rechterlijke beslissing omtrent een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 28 en 33 van de Wet: het document W van het model dat als bijlage 7f bij deze regeling is gevoegd;
- b. voor vreemdelingen die in afwachting zijn van een besluit of rechterlijke uitspraak omtrent een aanvraag tot verlening, verlenging van de geldigheidsduur of wijziging van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet en die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, g of h van de Wet hebben en in het verleden een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Wet hebben ingediend: het document W2 van het model dat als bijlage 7f2 bij deze regeling is gevoegd;
- c. voor vreemdelingen die hun rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f of h, van de Wet, ontlenen aan tijdelijke bescherming in de zin van artikel 1 van de Wet: het document O van het model dat als bijlage 7f3 bij deze regeling is gevoegd of de sticker Verblijfsaantekeningen Tijdelijke bescherming van het model dat als bijlage 7h2 bij deze regeling is gevoegd;
- d. voor vreemdelingen die in afwachting zijn van de beslissing op een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de gecombineerde vergunning: de sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen van het model dat als bijlage 7g bij deze regeling is gevoegd, voorzien van de aantekening, bedoeld in het derde lid;
- e. voor overige vreemdelingen die in afwachting zijn van een besluit of een rechterlijke uitspraak omtrent een aanvraag tot verlening, verlenging van de geldigheidsduur of wijziging van een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 14 en 20 van de Wet en die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, g of h van de Wet hebben en waarbij naar oordeel van de Minister sprake is van zeer bijzondere omstandigheden: het document W2 van het model dat als bijlage 7f2 bij deze regeling is gevoegd;
- f. voor overige vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder f of g, van de Wet: de sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen van het model dat als bijlage 7g bij deze regeling is gevoegd, voorzien van de aantekening, bedoeld in het vierde lid, en
- g. voor overige vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder h, van de Wet: de sticker Verblijfsaantekeningen Vervolgprocedures van het model dat als bijlage 7i bij deze regeling is gevoegd, voorzien van de aantekening, bedoeld in het vijfde lid;
- h. voor vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder m, van de Wet: het document W2 van het model dat als bijlage 7f2 bij deze regeling is gevoegd.
Het document, bedoeld in het eerste lid, onder a, b, c, d en e, zijn ingevolge artikel 4.21, eerste lid, onder c en d, van het Besluit tevens vastgesteld als geldend document ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van vreemdelingen.
De aantekening, bedoeld in het eerste lid, onder d, luidt: ‘verlenging aangevraagd voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 14 Vw 2000 op (datum). TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid toegestaan mits TWV is verleend. Geldig tot (datum), tenzij voor deze datum op voormelde aanvraag is beslist’.
De aantekening, bedoeld in het eerste lid, onder f, luidt: 'aanvraag ingediend/verlenging aangevraagd voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 14/20/33/45a Vw 2000 op (datum). arbeid wel/niet toegestaan; tewerkstellingsvergunning wel/niet vereist. Geldig tot (datum), tenzij voor deze datum op voormelde aanvraag is beslist'.
De aantekening, bedoeld in het eerste lid, onder g, luidt: 'bezwaarschrift ingediend of beroep rechtbank ingediend op (datum). Arbeid wel/niet toegestaan; tewerkstellingsvergunning wel/niet vereist. Geldig tot (datum), tenzij voor deze datum op voormeld bezwaar/beroep is beslist.'
De aantekening bedoeld in het eerste lid, onder h, luidt: ‘verblijf als bedoeld in artikel 8, onder m, van de Wet. Arbeid niet toegestaan. Geldig tot (datum).’
De aantekening, bedoeld in het derde lid, heeft een geldigheidsduur van ten hoogste drie maanden. Indien de geldigheidsduur van de aantekening verstrijkt voordat een beslissing op de aanvraag is genomen, kan de desbetreffende aantekening wederom worden gesteld met een geldigheidsduur van ten hoogste drie maanden. Indien afwijzend is beslist, wordt de aantekening ‘vervallen’ geplaatst.
De aantekeningen, bedoeld in het vierde en vijfde lid, hebben een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden. Indien de geldigheidsduur van de aantekening verstrijkt voordat een beslissing is genomen op de aanvraag, onderscheidenlijk het bezwaar of beroep, kan de desbetreffende aantekening wederom worden gesteld met een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden. Indien afwijzend is beslist, wordt de aantekening 'vervallen' geplaatst.
Artikel 3.4
Als document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder i, van de Wet blijkt, is aangewezen de Sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen van het model dat als bijlage 7g bij deze regeling is gevoegd, voorzien van de aantekening, bedoeld in het tweede lid.
De tekst van de aantekening, bedoeld in het eerste lid, luidt: 'aangemeld op (datum) voor verblijf op grond van artikel 12 Vw 2000 tot (datum). arbeid wel/niet toegestaan; tewerkstellingvergunning wel/niet vereist'. Indien het betreft een vreemdeling die naar Nederland is gekomen om als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip, wordt de aantekening omtrent aanmelding aangevuld met 'voor verblijf als zeeman tot (datum)'.
Artikel 3.5
Als document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder j, van de Wet, blijkt, zijn aangewezen de volgende documenten en verklaringen, waarbij het vastgestelde model van dat document of die verklaring wordt aangegeven:
- a. in de gevallen, bedoeld in artikel 4.29, derde lid, van het Besluit: het document W2 van het model dat als bijlage 7f2 bij deze regeling is gevoegd;
- b. in de overige gevallen: de Sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen van het model dat als bijlage 7g bij deze regeling is gevoegd, voorzien van de aantekening 'verblijf als bedoeld in artikel 8, onder j, Vw 2000 tot (datum). Arbeid wel/niet toegestaan; tewerkstellingsvergunning wel/niet vereist'.
Artikel 3.6
Als document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder k, van de Wet, blijkt, zijn aangewezen de volgende documenten en verklaringen:
- a. in het geval, bedoeld in artikel 4.21, eerste lid onder d, van het Besluit: het document W2 van het model dat als bijlage 7f2 bij deze regeling is gevoegd;
- b. in de overige gevallen: de Sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen van het model dat als bijlage 7g bij deze regeling is gevoegd, voorzien van de aantekening “verblijf als bedoeld in artikel 8, onder k, Vw 2000 tot (datum). Arbeid wel/niet toegestaan; tewerkstellingsvergunning wel/niet vereist”.
Artikel 3.7
Als document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder l, van de Wet blijkt, zijn aangewezen de volgende documenten en verklaringen, waarbij het vastgestelde model van dat document of die verklaring wordt aangegeven:
- a. voor vreemdelingen die niet tevens rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder b, c, of d, van de Wet hebben: het document I van het model dat als bijlage 7a bij deze regeling is gevoegd;
- b. voor vreemdelingen die tevens rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder b, c dan wel d, van de Wet hebben: het document II, III respectievelijk IV van de modellen die als bijlage 7b, respectievelijk bijlagen 7c en 7d bij deze regeling zijn gevoegd.
Artikel 3.1, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.8
De stickers van de modellen die als bijlagen 7g, 7h, 7h2 en 7i bij deze regeling zijn gevoegd, worden geplaatst:
- a. in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling, of
- b. in de gevallen, aangewezen in artikel 4.29, derde lid, van het Besluit: op het afzonderlijk inlegblad van het model dat als bijlage 8 bij deze regeling is gevoegd.
Op de stickers, bedoeld in het eerste lid, wordt aangetekend:
- a. het V-nummer;
- b. het paspoortnummer.
Artikel 3.9
Documenten of schriftelijke verklaringen waaruit het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a, b, d, e, f, g – laatstgenoemde twee onderdelen voor zover sprake is van een aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning bedoeld in artikel 14 – alsmede i, l en m van de Wet blijkt, worden verstrekt door de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Documenten of schriftelijke verklaringen waaruit het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder c, f, g – laatstgenoemde twee onderdelen voor zover sprake is van een aanvraag tot het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning bedoeld in de artikelen 28 en 33 – alsmede j en k van de Wet blijkt, worden verstrekt door de korpschef.
In afwijking van het eerste lid worden documenten of schriftelijke verklaringen waaruit het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a, f of g, van de Wet – voor zover sprake is van een aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder p, van het Besluit in het kader van mensenhandel of eergerelateerd geweld – blijkt, verstrekt door de korpschef.
Afdeling 2. De verblijfsvergunning regulier
Paragraaf 1. Inburgering in het buitenland
Artikel 3.10
De vreemdeling die een beroep doet op artikel 3.71a, tweede lid, onder c, van het Besluit en daarbij medische omstandigheden aanvoert, overlegt een verklaring van het model dat als bijlage 19 bij deze regeling is gevoegd, dat is ingevuld en ondertekend door een door het hoofd van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aangewezen arts. De verklaring mag niet ouder zijn dan zes maanden bij de indiening van de aanvraag.
De kosten van een consult bij een door het hoofd van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aangewezen arts of deskundige zoals bedoeld in het eerste lid, komen voor rekening van de vreemdeling.
De in het eerste lid bedoelde verklaring wordt aan de aangewezen arts aangeboden met de in bijlage 19 opgenomen begeleidende brief en het in bijlage 19 opgenomen ingevulde registratieformulier.
Artikel 3.11
De examenprogramma’s, bedoeld in artikel 3.98a, derde en zesde lid, van het Besluit, die zijn opgenomen in het zelfstudiepakket Naar Nederland, zijn verkrijgbaar bij alle erkende boekhandels en via internetboekhandels.
De adviesprijs van het zelfstudiepakket bedraagt € 26,20.
Artikel 3.12
De kosten, bedoeld in artikel 3.98b, tweede lid, van het Besluit bedragen € 150 en worden voldaan door storting of overschrijving van het verschuldigde bedrag in Euro op een door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen bankrekening.
Artikel 3.13
De vreemdeling met de Surinaamse nationaliteit die lager onderwijs in de Nederlandse taal, als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Wet, heeft gevolgd, overlegt:
- a. een schooldiploma of getuigschrift behaald in Suriname voor 25 november 1975 waaruit blijkt dat tenminste de lagere school in de Nederlandse taal is afgerond en een verklaring van het Centraal Bureau Burgerzaken voorzien van een apostille waaruit blijkt dat de vreemdeling ten tijde van afronding van deze school woonachtig is geweest in Suriname;
- b. een door het Surinaamse Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling afgegeven schooldiploma of getuigschrift, behaald in Suriname na 25 november 1975, waaruit blijkt dat tenminste de lagere school in de Nederlandse taal is afgerond, dan wel een verklaring van het Examenbureau van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling waaruit dit blijkt. Het diploma, het getuigschrift of de verklaring dient te zijn voorzien van een apostille;
- c. een in Nederland gehaald diploma hoger dan dat van het lager onderwijs;
- d. een historisch overzicht uit het Vestigingsregister te Den Haag waaruit blijkt dat de vreemdeling ten tijde van de afronding van de lagere school, op de leeftijd van elf dan wel twaalf of dertien jaar, woonachtig is geweest in Nederland; of
- e. een afschrift uit de BRP waaruit blijkt dat de vreemdeling ten tijde van de afronding van de lagere school, op de leeftijd van elf dan wel twaalf of dertien jaar, woonachtig is geweest in Nederland.
Artikel 3.14
Vervallen
Artikel 3.15
Vervallen
Paragraaf 2. Verlening onder beperking en voorschriften
Artikel 3.16
Bij een beroep op artikel 3.80a, tweede lid, onder e, of artikel 3.96a, tweede lid, onder e, van het Besluit overlegt de aanvrager de beschikking, waarbij ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van artikel 5, eerste of tweede lid, van de Wet inburgering 2021 of artikel 6, eerste of tweede lid, van de Wet inburgering, zoals die wet luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt is verleend.
Bij een beroep op artikel 3.80a, derde lid, of artikel 3.96a, derde lid, van het Besluit overlegt de aanvrager de deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het Besluit inburgering 2021of het advies als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering, zoals dat besluit luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Besluit inburgering 2021, dat niet ouder is dan zes maanden.
Ter zake van de door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap afgenomen toets of de vreemdeling het leervermogen heeft om het examen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inburgering, zoals die wet luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet inburgering 2021 of een diploma, certificaat of ander document als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van die wet, te behalen, is de vreemdeling aan DUO een bedrag van € 150 verschuldigd.
Ter zake van het advies, bedoeld in het tweede lid, is de vreemdeling aan de door de Minister voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen onafhankelijk medisch adviseur een bedrag van € 240,79 verschuldigd.
Artikel 3.17
De situatie waarin wordt voldaan aan de voorwaarden voor de overgangsregeling van de Terugtrekkingsregeling wordt aangewezen als geval, bedoeld in artikel 3.6c, eerste lid, van het Besluit.
Artikel 3.17a
Vervallen
Artikel 3.18
Als de landen, bedoeld in de artikelen 3.21, 3.23, vierde lid, onder c, 3.24a, eerste lid, onder c, 3.30c, tweede lid, onder d, 3.33, tweede lid, onder c en 3.79, tweede lid, van het Besluit, zijn aangewezen:
- a. de staten die partij zijn bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
- b. de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
- c. Australië, Canada, Israël, Japan, Monaco, Nieuw Zeeland, Suriname, de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland, en
- d. de overige staten die op de landenlijst van de Commissie Praktische Tuberculosebestrijding zijn uitgezonderd van de binnenkomstscreening op tuberculose.
Artikel 3.18a
Vervallen
Artikel 3.18b
Vervallen
Artikel 3.18c
Vervallen
Artikel 3.19
Voor alleenstaanden in de zin van artikel 4, onderdeel a, van de Participatiewet en alleenstaande ouders in de zin van artikel 4, onderdeel b, van de Participatiewet zijn de in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet bedoelde middelen van bestaan in ieder geval voldoende, indien de som van het loon, bedoeld in artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen, uit arbeid in loondienst, het bruto inkomen uit een inkomensvervangende uitkering krachtens een socialeverzekeringswet waarvoor premies zijn afgedragen, de bruto-winst uit arbeid als zelfstandige en het inkomen uit eigen vermogen ten minste gelijk is aan 70 procent van het minimumloon, bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, onder a, en 14, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.
Voor degene die het verblijf in Nederland financiert van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van uitwisseling, voor zover de vreemdeling als au pair verblijft of wil verblijven of van medische behandeling, zijn de middelen van bestaan in ieder geval voldoende, indien de in het eerste lid bedoelde som ten minste gelijk is aan het in het eerste lid of artikel 3.74, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit bedoelde bedrag voor de categorie waartoe die persoon behoort, aangevuld met 50 procent van het in het eerste lid bedoelde minimumloon.
Voor degene die het verblijf in Nederland financiert van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van studie, zijn de middelen van bestaan voldoende, indien de in het eerste lid bedoelde som ten minste gelijk is aan het normbedrag voor uitwonende studenten, bedoeld in de Wet op de Studiefinanciering 2000, aangevuld met het eerste lid of artikel 3.74, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit bedoelde bedrag voor de categorie waartoe de persoon behoort die het verblijf financiert.
Voor degene die het verblijf in Nederland financiert van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van medische behandeling en van zijn gezinsleden, zijn de middelen van bestaan in ieder geval voldoende, indien de in het eerste lid bedoelde som ten minste gelijk is aan het in het eerste lid of artikel 3.74, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit bedoelde bedrag voor de categorie waartoe die persoon behoort, aangevuld met:
- a. 90 procent van het in het eerste lid bedoelde minimumloon in het geval dat hij het verblijf van de vreemdeling die alleenstaande ouder is financiert of
- b. 100 procent in het geval dat de derde het verblijf van een gezin financiert.
Artikel 3.20
Middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige zijn eerst duurzaam, indien zij gedurende ten minste anderhalf jaar zijn verworven en nog een jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.
Het eerste lid is niet van toepassing, indien de aanvraag strekt tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid als zelfstandige.
Indien de aanvraag strekt tot het verlengen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid als zelfstandige, in het geval deze vergunning direct volgt op een vergunning die is verleend in het kader van artikel 3.30, zesde lid, van het Besluit, geldt dat middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige tevens als duurzaam worden aangemerkt, wanneer de Minister beoordeelt dat de continuïteit en solvabiliteit van de onderneming voldoende is gewaarborgd. Voor deze beoordeling wordt advies gevraagd aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Artikel 3.20a
Bij de beoordeling van het wezenlijk Nederlands belang, bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, onder a, van het Besluit betrekt de Minister het advies van de Minister van Economische Zaken. De Minister van Economische Zaken baseert zijn advies op het puntenstelsel dat is opgenomen in bijlage 8a bij deze regeling.
Met de arbeid als zelfstandige is een wezenlijk Nederlands belang gediend, indien aan de vreemdeling met toepassing van het puntenstelsel, bedoeld in het eerste lid, ten minste 30 punten worden toegekend voor elk van de drie navolgende criteria: diens persoonlijke ervaring, diens ondernemingsplan als voor diens toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie.
In afwijking van het tweede lid geldt dat met de arbeid als zelfstandige tevens een wezenlijk Nederlands belang is gediend, indien aan de vreemdeling met toepassing van het puntenstel, bedoeld in het eerste lid, minder dan 30 punten worden toegekend voor diens toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie en ten minste 45 punten worden toegekend voor diens persoonlijke ervaring en ten minste 45 punten voor diens ondernemingsplan.
Het puntenstelsel is niet van toepassing op vreemdelingen met de nationaliteit van de Republiek Turkije die zelfstandig een beroep of bedrijf uitoefenen. De toetsingscriteria waar de vreemdeling met de nationaliteit van de Republiek Turkije die zelfstandig een beroep of bedrijf uitoefent aan moet voldoen zijn opgenomen in bijlage 8aa bij deze regeling.
In afwijking van het eerste tot en met derde lid, betrekt de Minister bij de beoordeling van het wezenlijk Nederlands belang bij de arbeid als zelfstandig kunstenaar het advies van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap baseert zijn advies op het beoordelingskader dat is opgenomen in bijlage 8aaa bij deze regeling.
Artikel 3.20b
Verblijf in het kader van arbeid als zelfstandige als bedoeld in artikel 3.30, zesde lid, van het Besluit, is mogelijk indien de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister beschikt over een betrouwbare deskundige begeleider en voldoet aan artikel 3.30, zesde lid, van het Besluit. De beoordeling geschiedt aan de hand van bijlage 8b bij deze regeling.
Het verblijf kan door de vreemdeling of een persoon of rechtspersoon gezamenlijk worden bekostigd.
Indien het verblijf middels periodieke betalingen wordt bekostigd, zijn middelen van bestaan slechts duurzaam, indien naar het oordeel van Onze Minister voldoende zekerheid is verschaft over het ongestoorde verloop van de periodieke geldstroom.
Middelen van bestaan zijn duurzaam, indien deze op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven, voor een jaar of zoveel korter als het voorgenomen verblijf in Nederland zal duren, beschikbaar zijn.
Middelen van bestaan zijn eveneens duurzaam, indien op een ten name van de vreemdeling gestelde bankrekening in Nederland, dan wel op de bankrekening van de begeleider, een bedrag beschikbaar is, gelijk aan het maandelijkse normbedrag, bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, vermenigvuldigd met twaalf, of zoveel minder als het voorgenomen verblijf in Nederland zal duren.
De verblijfsvergunning kan worden afgewezen indien de vreemdeling en de begeleider van elkaar bloedverwant zijn tot en met de derde graad.
Artikel 3.21
Als opleiding of studie, bedoeld in artikel 3.41, eerste lid, onder c, van het Besluit zijn aangewezen:
- a. opleidingen die worden verzorgd in het kader van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken;
- b. opleidingsactiviteiten in het kader van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, en
- c. een opleiding aan een Academie voor Bouwkunst waarbij werkervaring en studie worden gecombineerd.
Artikel 3.22
In het kader van studie wordt onder voldoende middelen van bestaan verstaan:
- a. indien de vreemdeling of een buiten Nederland gevestigde persoon of rechtspersoon de studie en het verblijf bekostigt: een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, tweede lid, van het Besluit, of
- b. indien een in Nederland gevestigde persoon of rechtspersoon de studie en het verblijf van de vreemdeling bekostigt: een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, van het Besluit, aangevuld met het in artikel 3.74, tweede lid, van het Besluit bedoelde bedrag.
Indien de studie en het verblijf middels periodieke betalingen worden bekostigd, zijn middelen van bestaan in afwijking van artikel 3.75 van het Besluit slechts duurzaam, indien naar het oordeel van Onze Minister voldoende zekerheid is verschaft over het ongestoorde verloop van de periodieke geldstroom.
Middelen van bestaan zijn duurzaam, indien deze op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven, voor een jaar of zoveel korter als de voorgenomen studie in Nederland zal duren, beschikbaar zijn.
Middelen van bestaan zijn eveneens duurzaam, indien op een ten name van de vreemdeling gestelde bankrekening in Nederland, dan wel op de bankrekening van de onderwijsinstelling waar de student zich heeft ingeschreven, een bedrag beschikbaar is, gelijk aan het maandelijkse normbedrag, bedoeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met twaalf of zoveel minder als het aantal maanden dat de voorgenomen studie in Nederland zal duren.
Artikel 3.23
Als buitenlandse onderwijsinstelling, bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit, zijn aangewezen de onderwijsinstellingen die in de top 200 van ten minste twee van afzonderlijke uitgevers afkomstige algemene ranglijsten of beschikbare ranglijsten per faculteit en vakgebied vermeld staan van:
- a. de Times Higher Education World University Rankings;
- b. de QS World University Rankings;
- c. de Academic Ranking of World Universities.
Artikel 3.24
Verblijf in het kader van uitwisseling is mogelijk indien de vreemdeling minimaal achttien jaar is en indien:
- a. de vreemdeling die als au pair in Nederland verblijft of wil verblijven jonger dan zesentwintig jaar is, of
- b. de vreemdeling die niet als au pair in Nederland verblijft of wil verblijven jonger dan eenendertig jaar is.
In afwijking van het eerste lid is verblijf mogelijk als de vreemdeling tussen de vijftien en achttien jaar is, voor zover:
- a. de vreemdeling niet als au pair in Nederland verblijft of wil verblijven, en
- b. de mogelijkheid daartoe is opgenomen in het culturele uitwisselingsprogramma.
In een uitwisselingsprogramma, als bedoeld in artikel 3.43, eerste lid, onder a, van het Besluit, wordt in ieder geval opgenomen:
- a. op welke wijze de vreemdeling gedurende het tijdelijk verblijf in Nederland kennis maakt met de Nederlandse samenleving en cultuur;
- b. de wijze waarop de referent invulling geeft aan de zorgplicht;
- c. de aard en omvang van de werkzaamheden die de vreemdeling gaat verrichten;
- d. indien het een uitwisselingsprogramma voor au pairs betreft, dat de au pair en het gastgezin de dagindeling overeenkomen;
- e. indien het een uitwisselingsprogramma voor au pairs betreft, dat de au pair en het gastgezin de bewustverklaring ondertekenen. De bewustverklaring is opgenomen in bijlage 10a van deze regeling;
- f. indien het een uitwisselingsprogramma voor au pairs betreft, dat de au pair ongehuwd is, en
- g. indien het een uitwisselingsprogramma voor au pairs betreft, dat de au pair geen kinderen of pleegkinderen heeft.
Vervallen.
Een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met uitwisseling in het kader van Europees Vrijwilligerswerk kan worden verleend indien de vreemdeling een overeenkomst heeft gesloten met de referent, en daarin is opgenomen:
- 1°. een beschrijving van het vrijwilligersprogramma;
- 2°. de duur van het vrijwilligerswerk;
- 3°. de voorwaarden voor plaatsing en voor het toezicht op het vrijwilligerswerk;
- 4°. het aantal uren dat de vreemdeling aan het vrijwilligerswerk moet besteden;
- 5°. de beschikbare middelen ter dekking van de kosten van levensonderhoud en onderkomen van de vreemdeling en een minimumbedrag aan zakgeld voor de duur van het verblijf, en
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)