Voorschrift Vreemdelingen 2000
- 6°. indien van toepassing, de opleiding die de vreemdeling zal ontvangen om hem te helpen bij het verrichten van zijn vrijwilligerswerk.
Artikel 3.24a
De aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet in het kader van uitwisseling, ten behoeve van een uitwisselingsjongere, niet zijnde een au pair, wordt niet op grond van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet afgewezen indien de uitwisselingsjongere in zijn eigen levensonderhoud voorziet.
Artikel 3.25
Het model van de antecedentenverklaring, bedoeld in artikel 3.77, elfde lid, en artikel 3.86, achttiende lid, van het Besluit, is opgenomen in bijlage 12 bij deze regeling.
Artikel 3.25a
Vervallen
Paragraaf 3. Procedurele bepalingen
Artikel 3.26
De door de vreemdeling ingediende aanvraag, bedoeld in artikel 3.99, eerste lid, van het Besluit, wordt ingediend door tussenkomst van de erkende referent.
De erkende referent kan de aanvraag indienen ten behoeve van een gezinslid als bedoeld in artikel 3.14 van het Besluit.
Artikel 3.26a
Vervallen
Artikel 3.27
Vervallen
Artikel 3.28
Vervallen
Artikel 3.29
Vervallen
Artikel 3.30
Vervallen
Artikel 3.31
Vervallen
Artikel 3.32
Vervallen
Artikel 3.33
Bij de indiening van de aanvraag, bedoeld in de artikelen 14 en 20 van de Wet, verklaart de vreemdeling of de wettelijk vertegenwoordiger ermee bekend te zijn dat de verblijfsrechtelijke gegevens via de koppelingen tussen de vreemdelingenadministratie en de BRP worden doorgegeven aan instanties die deze gegevens voor de beoordeling van voorzieningen nodig hebben.
Artikel 3.33a
De artikelen 3.99a en 3.102b van het Besluit zijn niet van toepassing op de vreemdeling:
- a. wiens vrijheid rechtens is ontnomen;
- b. die door de Minister is geïnformeerd over de datum van de vlucht ter fine van zijn verwijdering;
- c. tegen wie de Minister het overdrachtsbesluit, bedoeld in de artikelen 44a en 62b van de Wet, heeft uitgevaardigd en die in afwachting is van de overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat.
Artikel 3.33b
Vervallen
Artikel 3.33c
Vervallen
Artikel 3.33d
Vervallen
Artikel 3.34
Ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen of wijzigen onderscheidenlijk verlengen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, is de vreemdeling die niet in het bezit is van een machtiging tot voorlopig verblijf geldig voor het doel waar verblijf voor wordt gevraagd, voor een verblijfsdoel als bedoeld in kolom I, het daarachter vermelde bedrag in kolom II onderscheidenlijk kolom III verschuldigd.
| I. Verblijfsdoel | II. Verlening of wijziging | III. Verlenging |
|---|---|---|
| a. ‘verblijf als familie- of gezinslid’ | € 254 | € 254 |
| b. ‘verblijf als economisch niet- actieve langdurig ingezetene of vermogende vreemdeling’ | € 254, of als vermogende vreemdeling: € 2.810 | € 254, of als vermogende vreemdeling: € 1.406 |
| c. ‘arbeid als zelfstandige’ | € 423 | € 423 |
| d. ‘arbeid als kennismigrant’ | € 423 | € 423 |
| e. ‘verblijf als houder van de Europese blauwe kaart’ | € 423 | € 423 |
| f. ‘seizoenarbeid’ | € 254 | € 254 |
| g. ‘overplaatsing binnen een onderneming’ | € 423 | € 423 |
| h. ‘arbeid in loondienst’ | € 423 | € 423 |
| i. ‘grensoverschrijdende dienstverlening’ | € 85 | € 85 |
| j. ‘wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2016/801/EU’ | € 254 | € 254 |
| k. ‘lerend werken’ | € 423 | € 423 |
| l. ‘arbeid als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel’ | € 0 | € 0 |
| m. ‘studie’ | € 254 | € 254 |
| n. ‘het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’ | € 254 | niet van toepassing |
| o. ‘uitwisseling, al dan niet in het kader van een verdrag’ | € 423 | € 423 |
| p. ‘medische behandeling’ | In het kader van ‘medische behandeling’ als bedoeld in artikel 3.46, vierde lid, van het Besluit € 0, overige € 1.337 | In het kader van ‘medische behandeling’ als bedoeld in artikel 3.46, vierde lid, van het Besluit € 0, overige € 466 |
| q. ‘tijdelijke humanitaire gronden’ | In het kader van ‘buiten schuld’, met uitzondering van amv’s € 423, overige € 0 | In het kader van ‘buiten schuld’, met uitzondering van amv’s € 423, overige € 0 |
| r. ‘het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap’ | € 254 | € 254 |
| s. ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ | In het kader van artikel 3.24aa, tweede lid, onderdeel k € 0, overige € 254 | In het kader van artikel 3.24aa, tweede lid, onderdeel k € 0, in het kader van de regeling langdurig verblijvende kinderen € 214, overige € 254 |
| t. ’grenswachter van de grensbewakingsdienst van het Verenigd Koninkrijk’ | € 423 | € 423 |
| u. ’schepelingendienst als lid van de bemanning aan boord van het bij de aanvraag opgegeven zeeschip’ | € 423 | Niet van toepassing |
| v. alle overige verblijfsdoelen | € 254 | € 254 |
Artikel 3.34a
In afwijking van artikel 3.34 geldt voor de navolgende categorieën vreemdelingen als bedoeld in kolom I, het daarachter vermelde bedrag in kolom II onderscheidenlijk kolom III.
| I. Categorie | II. Verlening of wijziging | III. Verlenging |
|---|---|---|
| a. ‘verblijf als familie- of gezinslid’ indien het een kind betreft die verblijf vraagt bij een ouder | € 254 | € 254 |
| b. gezinslid van een houder van een EU- verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen welk gezinslid het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ aanvraagt | € 254 | € 254 |
| c. houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in een andere lidstaat of een gezinslid daarvan die een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet aanvraagt | € 254 | € 254 |
| d. vreemdeling die valt onder artikel 41, eerste lid, van het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij de op 12 september 1963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb. 1971, 70) of artikel 6, 7 of 13 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie | € 85 | € 85 |
| e. vreemdeling die in aanmerking komt voor de terugkeeroptie op grond van artikel 8 van de Remigratiewet | € 85 | € 85 |
| f. vreemdeling met de nationaliteit van Argentinië, Australië, Canada, Hong Kong, Nieuw Zeeland dan wel Zuid-Korea die het verblijfsdoel ‘uitwisseling’ aanvraagt, in het kader van het Working Holiday Scheme of het Working Holiday Programme | € 85 | niet van toepassing |
| g. vreemdeling met de nationaliteit van Canada die het verblijfsdoel ‘lerend werken’ aanvraagt, in het kader van het Young Workers Exchange Programme | € 85 | € 85 |
| h. vreemdeling die werkzaamheden als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van het op 7 juni 2007 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland (Trb. 2007, 25) verricht en het verblijfsdoel ‘arbeid in loondienst’ aanvraagt | € 85 | € 85 |
| i. vreemdeling die met het oog op de voorlaatste alinea van de brief van 21 december 2007 van de Permanente Vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Verenigde Naties, behorend bij het op 21 december 2007 te New York tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties betreffende de Zetel van het Speciale Tribunaal voor Libanon (Trb. 2007, 228), het verblijfsdoel ‘arbeid in loondienst’ aanvraagt | € 85 | € 85 |
| j. vreemdeling die het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ aanvraagt en die om vrijstelling van leges verzoekt, daarbij een gerechtvaardigd beroep doet op artikel 8 EVRM en aantoont niet te kunnen beschikken over middelen om aan de legesverplichting te kunnen voldoen | € 0 | € 0 |
| k. vreemdeling die blijkens een schriftelijke verklaring van de Minister in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden of met een ander verblijfsdoel dan genoemd in artikel 3.4, eerste lid, van het Besluit | € 0 | niet van toepassing |
| l. minderjarig kind dat een aanvraag indient voor ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij een vreemdeling die verblijf heeft gekregen of heeft aangevraagd voor het verblijfsdoel ‘tijdelijke humanitaire gronden’, tenzij die verblijfsvergunning is verleend op grond van artikel 3.48, eerste lid, onder g, of 3.48, tweede lid, onder a, van het Besluit | € 0 | € 0 |
| m. vreemdeling in aanmerking komt voor verlenging van de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel van 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid voor verblijf bij een vreemdeling aan wie in het kader van dreigend eergerelateerd geweld, slachtoffer mensenhandel of huiselijk geweld, een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden is verleend | niet van toepassing | € 0 |
| n. de broer en zus die een aanvraag indienen voor ‘verblijf als familie- en gezinslid’ bij een vreemdeling die verblijf heeft gekregen of heeft aangevraagd voor het verblijfsdoel ‘tijdelijke humanitaire gronden’ in het kader van het beleid voor de Afghaanse vreemdeling die een verwesterde, schoolgaande en minderjarige vrouw is | € 0 | € 0 |
| o. vreemdeling die een aanvraag indient in het geval, bedoeld in artikel 3.101, tweede lid, van het Besluit | € 0 | niet van toepassing |
| p. vreemdeling waaraan een verblijfsvergunning is verleend in het kader van verblijf als gezinslid van een militair verbonden aan een hier te lande gevestigd internationaal militair hoofdkwartier (Joint Force Command- headquarters) onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ | € 254 | € 0 |
| q. vreemdeling die een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.51, derde lid, van het Besluitenartikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder j, in verband met gezagsbeëindiging aanvraagt | € 0 | € 0 |
Artikel 3.34b
In aanvulling op artikel 3.34 en 3.34a kan de Minister in overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken bepalen dat de vastgestelde leges niet zijn verschuldigd in het belang van de internationale betrekkingen.
Artikel 3.34c
In afwijking van artikel 3.34 en 3.34a is de vreemdeling geen leges verschuldigd ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden op grond van artikel 3.51, derde lid, van het Besluit en artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder j, in verband met een gezagsbeëindiging.
In afwijking van artikel 3.34 en 3.34a is de vreemdeling voor een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit en artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder f, in verband met een ondertoezichtstelling, in een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden op grond van artikel 3.51, derde lid, van het Besluit en artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder j, in verband met een ondertoezichtstelling, een bedrag van € 85 verschuldigd.
Artikel 3.34d
In afwijking van artikel 3.34 is de vreemdeling geen leges verschuldigd ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlengen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, indien:
- a. deze aanvraag gelijktijdig is ontvangen met een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning, tenzij deze aanvragen zijn ontvangen een jaar of langer voordat de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning afloopt;
- b. deze aanvraag gelijktijdig is ontvangen met een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 20 van de Wet, tenzij deze aanvragen zijn ontvangen een jaar of langer voordat de geldigheidsduur van de vergunning afloopt.
Artikel 3.34e
Vervallen
Artikel 3.34f
Vervallen
Artikel 3.34g
Ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 20 van de Wet of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, is de vreemdeling een bedrag van € 254 verschuldigd.
In afwijking van het eerste lid is de vreemdeling van Turkse nationaliteit aan wie het verrichten van arbeid is toegestaan ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 20 van de Wet of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, een bedrag van € 85 verschuldigd.
In afwijking van het eerste lid is het toegelaten gezinslid van een vreemdeling als bedoeld in het tweede lid, ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 20 van de Wet of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, een bedrag van € 85 verschuldigd.
Ter zake van de afgifte ter uitvoering van artikel 4.22, tweede lid, van het Besluit, van een vervangend document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder b en e, van de Wet blijkt, is de vreemdeling een bedrag van € 85 verschuldigd.
Artikel 3.34h
Ter zake van de afdoening van een aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht en afgifte van het daaraan verbonden verblijfsdocument, is de vreemdeling een bedrag van € 85 verschuldigd.
Onverminderd artikel 3.34g, derde en vierde lid, is de vreemdeling die valt onder artikel 41, eerste lid, van het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij de op 12 september 1963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb. 1971, 70) of artikel 6, 7 of 13 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie, ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 20 van de Wet, een bedrag van € 85 verschuldigd.
Artikel 3.34i
Vervallen
Artikel 3.34j
Ter zake van de afgifte ter uitvoering van artikel 4.22, eerste lid, van het Besluit, van een vervangend document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder a, van de Wet blijkt of ter zake van de afgifte van een vervangend document ter correctie van naar het oordeel van de Minister gedateerde of onjuiste gegevens, is de vreemdeling een bedrag van € 171 verschuldigd.
Ter zake van de afgifte ter uitvoering van artikel 4.22, eerste lid, van het Besluit, van een vervangend document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder b, van de Wet blijkt of ter zake van de afgifte van een vervangend document ter correctie van naar het oordeel van de Minister gedateerde of onjuiste gegevens, is de vreemdeling een bedrag van € 171 verschuldigd.
Ter zake van de afgifte ter uitvoering van artikel 4.22, eerste lid, van het Besluit, van een vervangend document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder e, van de Wet blijkt of ter zake van de afgifte van een vervangend document ter correctie van naar het oordeel van de Minister gedateerde of onjuiste gegevens, is de vreemdeling een bedrag van € 85 verschuldigd.
In afwijking van het eerste lid is de vreemdeling een bedrag van € 85 verschuldigd ter zake van de afgifte van een vervangend document:
- a. waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder a, van de Wet blijkt, voor zover de vreemdeling van Turkse nationaliteit is en de verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid als zelfstandige;
- b. waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder b, van de Wet blijkt voor zover de vreemdeling van Turkse nationaliteit is en de vreemdeling direct voorafgaande aan de aanvraag houder is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid als zelfstandige;
- c. waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder a, b of l, van de Wet blijkt voor zover de vreemdeling van Turkse nationaliteit is en het verrichten van arbeid is toegestaan;
- d. waaruit het rechtmatig verblijf bedoeld in artikel 8, onder a, b of l, van de Wet blijkt, voor zover de vreemdeling het gezinslid is van een vreemdeling als bedoeld in onderdeel c.
In afwijking van het eerste lid is de vreemdeling een bedrag van € 171 verschuldigd ter zake van de afgifte van een vervangend document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder a, van de Wet blijkt, voor zover de verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid.
Artikel 3.34ja
In afwijking van de tarieftabel in artikel 3.34a, rij d tot en met g, en de artikelen 3.34g, tweede tot en met het vijfde lid, 3.34h, eerste en tweede lid, 3.34ha, eerste en tweede lid, en 3.34j, derde en vierde lid, is de minderjarige vreemdeling een bedrag van € 46 verschuldigd.
Artikel 3.34jb
In afwijking van de tarieftabel in artikel 3.34, rij a, de tarieftabel in artikel 3.34a, rij a tot en met c, en de artikelen 3.34c, tweede lid, 3.34g, eerste lid, en 3.34j, tweede en vijfde lid, is de minderjarige vreemdeling een bedrag van € 85 verschuldigd.
Artikel 3.34k
Ter zake van de afgifte van een document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder a of b, van de Wet blijkt, aan de minderjarige vreemdeling die voor de eerste keer een zelfstandig verblijfsdocument aanvraagt, is de vreemdeling een bedrag van € 138 verschuldigd.
Ter zake van de afgifte van een document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder e, van de Wet blijkt, is de minderjarige vreemdeling een bedrag van € 46 verschuldigd.
In afwijking van het eerste lid is de minderjarige vreemdeling die het gezinslid is van een vreemdeling als bedoeld in artikel 3.34j, vierde lid, onderdeel c een bedrag van € 46 verschuldigd.
Artikel 3.34l
Als administraties, bedoeld in artikel 24a, eerste lid, onder a, van de Wet, zijn aangewezen de administraties vermeld in kolom A van bijlage 21 bij deze regeling.
Als gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 24a, vierde lid, van de Wet, zijn aangewezen de gegevens en bescheiden vermeld in kolom B van bijlage 21 bij deze regeling.
Artikel 3.34m
Indien de referent de eigen verklaring, bedoeld in artikel 24a, tweede lid, van de Wet, niet kan afleggen, legt hij voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is, de gegevens en bescheiden over op basis waarvan de Minister kan vaststellen of aan de voorwaarden wordt voldaan.
Afdeling 3. De verblijfsvergunning asiel
Paragraaf 1. Inhoudelijke bepalingen
Artikel 3.35
Vervallen
Artikel 3.36
Daden van vervolging in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag moeten:
- a. zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormen van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het EVRM; of
- b. een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven onder a.
Daden van vervolging in de zin van het eerste lid kunnen onder meer de vorm aannemen van:
- a. daden van lichamelijk of geestelijk geweld, inclusief seksueel geweld;
- b. wettelijke, administratieve, politiële of gerechtelijke maatregelen die op zichzelf discriminerend zijn of op discriminerende wijze worden uitgevoerd;
- c. onevenredige of discriminerende vervolging of bestraffing;
- d. ontneming van de toegang tot rechtsmiddelen, waardoor een onevenredig zware of discriminerende straf wordt opgelegd;
- e. vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen tijdens een conflict, wanneer het vervullen van militaire dienst strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsclausule van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag vallen;
- f. daden van genderspecifieke of kindspecifieke aard.
Er moet een verband zijn tussen enerzijds de gronden voor vervolging genoemd in artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag en anderzijds de daden, bedoeld in het eerste lid, die als vervolging worden aangemerkt of het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden.
Artikel 3.37
Bij de beoordeling van de gronden van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag wordt rekening gehouden met de volgende elementen:
- a. het begrip «ras» omvat met name de aspecten huidskleur, afkomst of het behoren tot een bepaalde etnische groep;
- b. het begrip «godsdienst» omvat met name theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen, het deelnemen aan of het zich onthouden van formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer, hetzij alleen of in gemeenschap met anderen, andere religieuze activiteiten of uitingen, dan wel vormen van persoonlijk of gemeenschappelijk gedrag die op een godsdienstige overtuiging zijn gebaseerd of daardoor worden bepaald;
- c. het begrip «nationaliteit» is niet beperkt tot staatsburgerschap of het ontbreken daarvan, maar omvat met name ook het behoren tot een groep die wordt bepaald door haar culturele, etnische of linguïstische identiteit, door een gemeenschappelijke geografische of politieke oorsprong of door verwantschap met de bevolking van een andere staat;
- d. een groep wordt geacht een specifieke sociale groep te vormen als met name:
- 1°. leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven, en
- 2°. de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd;
- Afhankelijk van de omstandigheden in het land van herkomst kan een specifieke sociale groep een groep zijn die als gemeenschappelijk kenmerk seksuele gerichtheid heeft. Seksuele gerichtheid omvat geen handelingen die volgens het nationale recht van de lidstaten als strafbaar worden beschouwd. Wanneer moet worden vastgesteld of iemand tot een bepaalde sociale groep behoort of wanneer een kenmerk van een dergelijke groep wordt geïdentificeerd, wordt er terdege rekening gehouden met genderaspecten, waaronder genderidentiteit;
- e. het begrip «politieke overtuiging» houdt met name in dat de vreemdeling een opvatting, gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 3.37a genoemde potentiële actoren en hun beleid of methoden, ongeacht of de vreemdeling zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden.
Bij de beoordeling of de vrees van de vreemdeling voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag gegrond is, doet het niet ter zake of de vreemdeling in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.
Artikel 3.37a
Actoren van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan wel van ernstige schade kunnen onder meer zijn:
- a. de staat;
- b. partijen of organisaties die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen;
- c. niet-overheidsactoren, indien kan worden aangetoond dat de actoren als bedoeld onder a en b, inclusief internationale organisaties, geen bescherming als bedoeld in artikel 3.37c kunnen of willen bieden tegen vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan wel tegen ernstige schade.
Artikel 3.37b
Een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op ernstige schade kan gegrond zijn op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden nadat de vreemdeling het land van herkomst heeft verlaten.
Een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op ernstige schade kan gegrond zijn op activiteiten van de vreemdeling sedert hij het land van herkomst heeft verlaten, met name wanneer wordt vastgesteld dat de betrokken activiteiten de uitdrukking en de voortzetting vormen van overtuigingen of strekkingen die de betrokkene in het land van herkomst aanhing.
Artikel 3.37c
Bescherming tegen vervolging, dan wel tegen ernstige schade kan alleen worden geboden door:
- a. de staat, of
- b. partijen of organisaties, met inbegrip van internationale organisaties, die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen,
mits zij bereid en in staat zijn bescherming te bieden overeenkomstig het tweede lid.
Bescherming tegen vervolging of ernstige schade moet doeltreffend en van niet-tijdelijke aard zijn. In het algemeen wordt dergelijke bescherming geboden wanneer de actoren als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of ernstige schade treffen, onder andere door de instelling van een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, en wanneer de verzoeker toegang tot een dergelijke bescherming heeft.
Artikel 3.37d
Bij de beoordeling of een vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Wet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet geldt dat een vreemdeling geen behoefte heeft aan bescherming, indien hij in een deel van het land van herkomst:
- a. geen gegronde vrees heeft voor vervolging of geen reëel risico op ernstige schade loopt; of
- b. toegang heeft tot bescherming als bedoeld in artikel 3.37c tegen vervolging of tegen ernstige schade,
en hij op een veilige en wettige manier kan reizen naar en zich toegang verschaffen tot dat deel van het land, en redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij er zich vestigt.
Bij de beoordeling of de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt, of toegang heeft tot bescherming tegen vervolging of tegen ernstige schade in een deel van het land van herkomst overeenkomstig het eerste lid, wordt rekening gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling in overeenstemming met artikel 31 van de Wet. Daartoe wordt ervoor gezorgd dat wordt beschikt over nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen, zoals de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen en het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken.
Artikel 3.37e
De beoordeling of een derde land een veilig derde land is, als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, onder c, van de Wet, dient te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties.
De Minister onderzoekt de situatie in derde landen die zijn aangemerkt als veilige derde landen regelmatig opnieuw.
Bij de beoordeling of de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Wet, niet-ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder c, van de Wet, worden betrokken de verklaringen van de vreemdeling inhoudende dat:
- a. hij in het derde land zal worden blootgesteld aan vervolging of ernstige schade;
- b. de band tussen hem en het derde land niet zodanig is dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.
Eerder verblijf, als bedoeld in artikel 3.106a, derde lid, van het Besluit wordt in ieder geval aangenomen indien uit objectieve feiten of omstandigheden blijkt dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had om naar Nederland te reizen.
Bij de uitvoering van een uitsluitend op artikel 30a, eerste lid, onder c, van de Wet gebaseerde beslissing, wordt aan de vreemdeling een document verschaft waarin de autoriteiten van het derde land in de taal van dat land ervan in kennis gesteld worden dat de asielaanvraag niet inhoudelijk is onderzocht.
Artikel 3.37f
Een land wordt als veilig land van herkomst beschouwd als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, onder b, van de Wet, wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging, noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict.
Bij de beoordeling of een land als veilig land van herkomst wordt beschouwd, wordt onder meer rekening gehouden met de mate waarin bescherming wordt geboden tegen vervolging of mishandeling door middel van:
- a. de desbetreffende wetten en andere voorschriften van het betrokken land en de wijze waarop die worden toegepast;
- b. de naleving van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in het EVRM en/of het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en/of het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering, in het bijzonder de rechten waarop geen afwijkingen uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het EVRM zijn toegestaan;
- c. de naleving van het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag;
- d. het beschikbaar zijn van een systeem van daadwerkelijke rechtsmiddelen tegen schendingen van voornoemde rechten en vrijheden.
Met inachtneming van het eerste en het tweede lid zijn als veilige landen van herkomst als bedoeld in artikel 3.105ba, eerste lid, van het Besluit aangewezen de landen die zijn opgenomen in bijlage 13 bij deze regeling.
Een land kan als veilig land van herkomst worden aangewezen met een uitzondering voor:
- a. één of meer groepen;
- b. een deel van het grondgebied.
Artikel 3.37g
Bij de beoordeling of een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Wet, wordt ingetrokken op grond van artikel 32, eerste lid, onder c, van de Wet, of de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan wordt afgewezen op die grond, wordt in aanmerking genomen of de wijziging van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de gegronde vrees voor vervolging dan wel het reële risico op ernstige schade weg te nemen. De rechtsgrond voor verlening van de desbetreffende verblijfsvergunning heeft niet opgehouden te bestaan indien de vreemdeling dwingende redenen kan aanvoeren die voorvloeien uit vroegere vervolging dan wel uit vroegere ernstige schade, om te weigeren de bescherming in te roepen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, of, in het geval van een staatloze, van het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfsplaats had.
Paragraaf 1. Inhoudelijke bepalingen
Artikel 3.38
Vervallen
Artikel 3.39
Vervallen
Artikel 3.40
Vervallen
Artikel 3.41
Bij de indiening van de aanvraag, bedoeld in de artikelen 28 en 33 van de Wet, verklaart de vreemdeling of de wettelijk vertegenwoordiger ermee bekend te zijn dat de verblijfsrechtelijke gegevens via de koppelingen tussen het IND-informatiesysteem en de BRP worden doorgegeven aan instanties die deze gegevens voor de beoordeling van voorzieningen nodig hebben.
Artikel 3.42
Voor de termijnen, genoemd in artikel 3.110, eerste en tweede lid, van het Besluit, tellen mee de met algemeen erkende feestdagen gelijkgestelde dagen, bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, van de Algemene termijnenwet, met uitzondering van 14 april 2017.
Artikel 3.42a
Vervallen
Artikel 3.43
Vervallen
Artikel 3.43a
Vervallen
Artikel 3.43b
Ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 33 van de Wet, is de vreemdeling een bedrag van € 254 verschuldigd.
In afwijking van het eerste lid is de vreemdeling van Turkse nationaliteit ter zake van de afdoening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 33 van de Wet, een bedrag van € 85 verschuldigd.
De leges, bedoeld in het eerste lid, worden door de vreemdeling door middel van een in opdracht van de IND toegezonden acceptgirokaart voldaan.
Ter zake van de afgifte ter uitvoering van artikel 4.22, tweede lid, van het Besluit, van een vervangend document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder c en d, van de Wet blijkt, is de vreemdeling een bedrag van € 85 verschuldigd.
Artikel 3.43c
Ter zake van de afgifte ter uitvoering van artikel 4.22, eerste lid, van het Besluit, van een vervangend document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder c, van de Wet blijkt of ter zake van de afgifte van een vervangend document ter correctie van naar het oordeel van de Minister gedateerde of onjuiste gegevens, is de vreemdeling een bedrag van € 171 verschuldigd.
Ter zake van de afgifte ter uitvoering van artikel 4.22, eerste lid, van het Besluit, van een vervangend document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder d, van de Wet blijkt of ter zake van de afgifte van een vervangend document ter correctie van naar het oordeel van de Minister gedateerde of onjuiste gegevens, is de vreemdeling een bedrag van € 171 verschuldigd.
In afwijking van het eerste en tweede lid is de vreemdeling van Turkse nationaliteit ter zake van de afgifte van een vervangend document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder c of d, van de Wet blijkt, een bedrag van € 85 verschuldigd.
In afwijking van het eerste en tweede lid is de vreemdeling die het gezinslid is van een vreemdeling als bedoeld in het derde lid ter zake van de afgifte van een vervangend document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder c of d, van de Wet blijkt, een bedrag van € 85 verschuldigd.
Artikel 3.43d
In afwijking van de artikelen 3.43b, tweede en vierde lid en 3.43c, derde en vierde lid, is de minderjarige vreemdeling een bedrag van € 46 verschuldigd.
Artikel 3.43e
In afwijking van de artikelen 3.43b, eerste lid, en 3.43c, eerste en tweede lid, is de minderjarige vreemdeling een bedrag van € 85 verschuldigd.
Artikel 3.44
Vervallen
Artikel 3.45
De persoon die de in Hoofdstuk 3, Afdeling 5, Paragraaf 2 van het Besluit bedoelde gehoren afneemt, draagt geen militair uniform of politie-uniform.
Artikel 3.45a
Van minderjarige vreemdelingen kunnen de in Hoofdstuk 3, Afdeling 5, Paragraaf 2 van het Besluit bedoelde gehoren worden afgenomen indien zij:
- a. niet alleenstaand zijn en de leeftijd van vijftien jaar hebben bereikt;
- b. niet alleenstaand en tussen de twaalf en vijftien jaar zijn en zij dan wel hun wettelijk vertegenwoordiger hebben verzocht om te worden gehoord of indien er naar het oordeel van Onze Minister een goede reden is om hen te horen;
- c. alleenstaand zijn en de leeftijd van zes jaar hebben bereikt.
De gehoren van minderjarige vreemdelingen worden afgenomen op een kindvriendelijke manier.
De gehoren van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde vreemdelingen worden afgenomen door personen die zijn opgeleid om rekening te houden met de behoeften van minderjarige vreemdelingen.
De gehoren van de in het eerste lid, onder c, bedoelde vreemdelingen worden afgenomen door personen die zijn opgeleid om rekening te houden met de behoeften van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, zoveel mogelijk in aanwezigheid van hun voogd en, totdat zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, in een kindvriendelijke hoorruimte.
Artikel 3.45b
De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet, kan met toepassing van artikel 30c, eerste lid, onder a, van de Wet buiten behandeling worden gesteld, nadat de vreemdeling twee keer in de gelegenheid is gesteld om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn aanvraag en heeft verzuimd die informatie te verstrekken.
De termijn van twee weken, bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder b en c, van de Wet, vangt aan met ingang van de dag na die waarop bekend is geworden dat de vreemdeling niet is verschenen bij een gehoor onderscheidenlijk is verdwenen of zonder toestemming van de Minister is vertrokken.
Artikel 3.46
De in artikel 3.122 van het Besluit bedoelde informatie wordt verschaft door het verzenden dan wel uitreiken van een brochure aan de vreemdeling tegelijk met, dan wel zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van de beschikking waarin de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Wet wordt ingewilligd.
Artikel 3.47
Indien de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 28 en 33 van de Wet, wordt ingetrokken, wordt daarvan een aantekening gemaakt in het dossier van de vreemdeling.
Artikel 3.48
Bij een beroep op artikel 3.107a, tweede lid, onder e, van het Besluit overlegt de aanvrager de beschikking, waarbij ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van artikel 5, eerste of tweede lid, van de Wet inburgering 2021 of artikel 6, eerste of tweede lid, van de Wet inburgering, zoals die wet luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt is verleend.
Bij een beroep op artikel 3.107a, derde lid, van het Besluit overlegt de aanvrager de deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het Besluit inburgering 2021 of het advies als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering, zoals dat besluit luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Besluit inburgering 2021, dat niet ouder is dan zes maanden.
Het derde en vierde lid van artikel 3.16 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.49
Duidelijke aanwijzingen dat de vreemdeling de eerste opvolgende asielaanvraag heeft ingediend louter teneinde de uitvoering van het terugkeerbesluit te vertragen of te verhinderen als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onder e, van het Besluit, zijn in ieder geval dat:
- a. de vreemdeling bekend is met de datum waarop hij wordt uitgezet en de aanvraag indient kort voorafgaand aan zijn uitzetting terwijl:
- 1°. hij voldoende mogelijkheid heeft gehad om de aanvraag eerder in te dienen, maar hij daarvan geen gebruikt heeft gemaakt;
- 2°. hij de aanvraag niet heeft onderbouwd;
- 3°. de argumenten of bewijzen die hij heeft voorgelegd, evident niet relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag of evident niet kunnen leiden tot inwilliging van de aanvraag; of
- 4°. hij zijn eerder afgelegde verklaringen essentieel wijzigt of aanvult;
- b. de vreemdeling eerst na aanhouding of een periode van feitelijk verblijf te kennen geeft dat hij een aanvraag wil indienen, en er duidelijke aanwijzingen zijn dat hij daarvoor niet de bedoeling had zich uit vrije wil bij de autoriteiten te melden en een aanvraag te doen.
Artikel 3.50
Artikel 3.118b van het Besluit is niet van toepassing op de vreemdeling:
- a. aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
- b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij na afwijzing van de eerdere aanvraag is teruggekeerd naar het land van herkomst;
- c. die door de Minister is geïnformeerd over de datum van de vlucht ter fine van zijn verwijdering, of
- d. wiens eerdere aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Wet niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30 van de Wet of niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b, c of e, van de Wet en:
- 1°. deze afwijzingsgrond niet meer van toepassing is; of
- 2°. de vreemdeling na afwijzing van de eerdere aanvraag vrijwillig is teruggekeerd naar of overgedragen is aan het land dat verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag.
Afdeling 4. De status van EU-langdurig ingezetene
Paragraaf 1. Procedurele bepalingen
Artikel 3.51
Ter zake van de afgifte ter uitvoering van artikel 4.22, eerste lid, van het Besluit, van een vervangend document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder b en d, van de Wet blijkt, is de vreemdeling een bedrag van € 171 verschuldigd.
In afwijking van het eerste lid is de vreemdeling een bedrag van € 85 verschuldigd ter zake van de afgifte van een vervangend document:
- a. waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder b, van de Wet blijkt voor zover de vreemdeling van Turkse nationaliteit is en de vreemdeling direct voorafgaande aan de aanvraag houder is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid als zelfstandige;
- b. waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder b, van de Wet blijkt voor zover de vreemdeling van Turkse nationaliteit is en het verrichten van arbeid is toegestaan;
- c. waaruit het rechtmatig verblijf bedoeld in artikel 8, onder b, van de Wet blijkt, voor zover de vreemdeling het gezinslid is van een vreemdeling als bedoeld in onderdeel b;
- d. waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder d, van de Wet blijkt voor zover de vreemdeling van Turkse nationaliteit is of het gezinslid is van een dergelijke vreemdeling.
Artikel 3.52
Ter zake van de afgifte ter uitvoering van artikel 4.22, tweede lid, van het Besluit, van een vervangend document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder b en d, van de Wet blijkt, is de vreemdeling een bedrag van € 85 verschuldigd.
Artikel 3.52a
In afwijking van de artikelen 3.51, tweede lid en 3.52, is de minderjarige vreemdeling een bedrag van € 46 verschuldigd.
Artikel 3.52b
In afwijking van artikel 3.51, eerste lid, is de minderjarige vreemdeling een bedrag van € 85 verschuldigd.
Artikel 3.53
Bij de indiening van de aanvraag, bedoeld in artikel 45a van de Wet, verklaart de vreemdeling of de wettelijk vertegenwoordiger ermee bekend te zijn dat de verblijfsrechtelijke gegevens via de koppelingen tussen het IND-informatiesysteem en de BRP worden doorgegeven aan instanties die deze gegevens voor de beoordeling van voorzieningen nodig hebben.
Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
Afdeling 4. De status van EU-langdurig ingezetene
Artikel 4.1
Met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen zijn belast:
- a. de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012, die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar zijn als bedoeld in artikel 142 Wetboek van Strafvordering en die ingevolge een akte en proces-verbaal van beëdiging van de Minister van Veiligheid en Justitie zijn belast met opsporing van een of meer strafbare feiten ingevolge de Wet;
- b. de ambtenaren, bedoeld onder a, die zijn belast met de opsporing van andere dan de in dat onderdeel bedoelde strafbare feiten;
- c. de ambtenaren van de Dienst Terugkeer en Vertrek die de functie hebben van senior medewerker behandelen en ontwikkelen of medewerker behandelen en ontwikkelen;
- d. de ambtenaren van de Dienst Vervoer en Ondersteuning die tevens zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar in de zin van artikel 2 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Vervoer en Ondersteuning 2024;
- e. de ambtenaren van de directie Regulier Verblijf en Nederlanderschap en de directie Dienstverlenen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst in de functie van: voor zover het toezicht betrekking heeft op de naleving van de voorwaarden inzake het beschikken over voldoende duurzame middelen van bestaan als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet, artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wet, artikel 21, eerste lid, onder a, van de Wet en artikel 45b, tweede lid, onder c, van de Wet, alsmede op de naleving van de voorwaarden als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, van het Besluit, artikel 8.15, vijfde lid, van het Besluit, 8.16, eerste lid, van het Besluit, en op de naleving van de voorwaarden als bedoeld in de artikelen 6 en 7 van het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;
-
- medewerker of senior medewerker behandelen en ontwikkelen;
-
- medewerker verwerken en behandelen;
-
- (senior) inspecteur/medewerker toezicht;
-
- operationeel manager; en
-
- manager,
- f. de ambtenaren van de Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers die de functie hebben van medewerker verwerken en behandelen.
De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder b, beschikken uitsluitend over de bevoegdheden, genoemd in artikel 106a, derde lid, van de Wet.
De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder c, beschikken uitsluitend over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:15 tot en met 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, en de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 50, 50a en 52 van de Wet en de artikelen 4.23 en 4.45 van het Besluit.
De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder d, beschikken uitsluitend over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:15 tot en met 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, en de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 50, 50a en 106a, derde lid, van de Wet. Indien het een woning betreft gelegen op een opvangvoorziening, als bedoeld in artikel 1, onder e, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, een opvangvoorziening, als bedoeld in artikel 2 van de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne, dan wel een andere locatie onder beheer van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, beschikken deze ambtenaren daarnaast over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 44a, eerste lid, aanhef en onder b, 45, eerste lid, aanhef en onder d, en 53 van de Wet.
De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder f, beschikken uitsluitend over de bevoegdheden, genoemd in artikelen 5:15 tot en met 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, en de bevoegdheden, genoemd in artikel 55 van de Wet.
Artikel 4.1a
Met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot referenten zijn belast:
- a. de inspecteurs arbeidsmarktfraude van de Nederlandse Arbeidsinspectie, en
- b. de ambtenaren van de directie Regulier Verblijf en Nederlanderschap en de directie Dienstverlenen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst in de functie van:
-
- medewerker of senior medewerker behandelen en ontwikkelen;
-
- medewerker verwerken en behandelen;
-
- (senior) inspecteur/medewerker toezicht;
-
- operationeel manager; en
-
- manager.
Bij de uitoefening van zijn taak draagt de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, een legitimatiebewijs als opgenomen in bijlage 12a, bij zich.
Artikel 4.2
De grensdoorlaatposten, bedoeld in het eerste lid, zijn voor het inreizen en uitreizen van personen opengesteld gedurende de tijden, vermeld in kolom C van bijlage 4 bij deze regeling.
Artikel 4.3
Het teken, bedoeld in artikel 4.9, onder a, van het Besluit, is een blauw flikkerlicht.
Artikel 4.4. Modellen bemanningslijst/passagierslijst zeeschip
Het model van de bemanningslijst, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid onder a, van het Besluit is opgenomen in bijlage 14a en 14b bij deze regeling. Op de bemanningslijst worden de gegevens verstrekt omtrent de familienaam, voornamen, rang, nationaliteit, geboortedatum en geboorteplaats, van zowel de gezagvoerder als van alle bij het binnenvaren van Nederland aan boord aanwezige personen die deel uitmaken van de bemanning en als zodanig op de monsterrol voorkomen.
Voor schepen die zijn gecertificeerd voor het vervoer van ten hoogste twaalf passagiers wordt de schriftelijke opgave, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid onder b, van het Besluit, verstrekt met het model van de passagierslijst, opgenomen in bijlage 14c en 14d bij deze regeling.
Artikel 4.5
Het model van de bemanningslijst, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, onder a, van het Besluit, is opgenomen in bijlage 15 bij deze regeling.
Het model van de passagierslijst, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, onder a, van het Besluit, is opgenomen in bijlage 16 bij deze regeling.
Artikel 4.6
De aantekening, bedoeld in de artikelen 4.24, eerste lid, onder d, en 4.26 van het Besluit, luidt: 'aanmelden binnen drie dagen bij de korpschef te (plaats), (datum waarop de aantekening wordt gesteld, handtekening en stempel)'.
Het opleggen van een verplichting tot aanmelding bij de korpschef aan een vreemdeling, aan wie een bijzonder doorlaatbewijs als bedoeld in bijlage 3 onder I bij deze regeling is afgegeven, geschiedt door in dat document achter de woorden 'zich melden binnen drie dagen na afgifte van dit doorlaatbewijs bij' aan te tekenen: 'de korpschef te (plaats)'.
Artikel 4.7
De aantekening, bedoeld in de artikelen 4.24, eerste lid, onder f, en 4.27 van het Besluit, luidt: 'toegang geweigerd (datum) (handtekening en stempel)'.
De aantekening, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangevuld met een aantekening omtrent de grond waarop de weigering van toegang tot Nederland berust.
Artikel 4.8
De aantekening, bedoeld in de artikelen 4.24, eerste lid, onder g, en 4.28 van het Besluit, luidt: 'vertrokken/uitgezet verwijderd op (datum) (handtekening en stempel)'.
De aantekening, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangevuld met een aantekening omtrent de reden van de verwijdering uit Nederland.
Artikel 4.9
Voor het stellen van aantekeningen in de reis- en identiteitspapieren van de vreemdeling, bedoeld in artikel 4.29 van het Besluit, wordt gebruik gemaakt van het model dat als bijlage 7j bij deze regeling is gevoegd.
Artikel 4.10
De aantekening, bedoeld in artikel 4.29 van het Besluit, omtrent het voldoen aan een verplichting tot aanmelding of vervoeging bij een korpschef ingevolge de artikelen 4.39, 4.47 tot en met 4.51 van het Besluit luidt: 'Aangemeld op (datum)'. Indien het betreft een vreemdeling die naar Nederland is gekomen om als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip, wordt de aantekening aangevuld met de zinsnede 'voor verblijf als zeeman tot (datum)'.
Artikel 4.11
In de reis- en identiteitspapieren van een vreemdeling wiens uitzetting gedurende enige tijd achterwege blijft, wordt een aantekening gesteld, luidende: 'vertrek voor (datum)'.
In de reis- en identiteitspapieren van een vreemdeling wiens uitzetting achterwege blijft hangende de beslissing op een door hem ingediend verzoek om een voorlopige voorziening wordt de aantekening: 'verzoek voorlopige voorziening ingediend (datum). Arbeid is wel/niet toegestaan. Een tewerkstellingsvergunning is wel/niet verplicht. Geldig tot (datum), tenzij voor deze datum op voormeld verzoek is beslist' gesteld. Tevens worden aangetekend het V-nummer en het paspoortnummer.
De aantekening, bedoeld in het tweede lid, heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden. Indien de geldigheidsduur van de aantekening is verstreken voordat een beslissing is genomen op het verzoek om een voorlopige voorziening, kan de desbetreffende aantekening wederom worden gesteld met een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden. Indien afwijzend is beslist, wordt de aantekening 'vervallen' geplaatst.
Voor de aantekeningen, bedoeld in het tweede lid, wordt gebruik gemaakt van de Sticker Aantekening Voorlopige Voorziening, waarvan het model als bijlage 7k bij deze regeling is gevoegd.
Artikel 4.12
De aantekening omtrent verandering van woon- of verblijfplaats binnen Nederland, bedoeld in artikel 4.29, eerste lid, onder b, van het Besluit, luidt: 'verhuisd op (datum)'.
Artikel 4.12a
Als de landen, bedoeld in artikel 4.46, tweede lid, van het Besluit, zijn aangewezen de landen, bedoeld in artikel 3.18.
Artikel 4.13
De korpschef is bevoegd om met toepassing van artikel 4.51 van het Besluit:
- a. ontheffing te verlenen van de verplichting tot periodieke aanmelding, bedoeld in artikel 4.51 van het Besluit, en
- b. de termijn van een week, genoemd in artikel 4.51, tweede lid, van het Besluit, te verkorten of te verlengen.
Artikel 4.14
De aantekening omtrent de ontheffing met toepassing van artikel 4.51, tweede lid, van het Besluit van de verplichting tot wekelijkse aanmelding, luidt: 'ontheffing verleend van de verplichting tot wekelijkse aanmelding onder de volgende beperking(en) en/of voorschrift(en) (beperkingen/voorschriften) (datum)'.
Indien met toepassing van artikel 4.51, tweede lid, van het Besluit een andere dan een wekelijkse termijn voor periodieke aanmelding is gesteld, wordt de aantekening gesteld 'Verplichting tot periodieke aanmelding krachtens artikel 4.51 Vreemdelingenbesluit 2000', aangevuld met de periode van aanmelding en eventuele bijzonderheden.
Artikel 4.15
Indien met toepassing van artikel 54, derde lid, van de Wet een individuele verplichting tot periodieke aanmelding is opgelegd, wordt de aantekening gesteld 'Verplichting tot periodieke aanmelding krachtens artikel 54, derde lid, Vreemdelingenwet 2000', aangevuld met de periode van aanmelding en eventuele bijzonderheden.
Indien de verplichting, bedoeld in artikel 54, derde lid, van de Wet, wordt opgeheven, wordt de aantekening gesteld: 'Verplichting tot periodieke aanmelding opgeheven op (datum)'.
Artikel 4.15a
Aan de verplichting op grond van artikel 4.52 van het Besluit, om het verblijfsdocument in te leveren, wordt voldaan door inlevering in persoon door de vreemdeling, diens referent of gemachtigde bij een loket van de Immigratie- en Naturalisatiedienst of door verzending per post naar een door de Immigratie- en Naturalisatiedienst bepaald postadres.
Indien de vreemdeling een nieuw verblijfsdocument in persoon komt afhalen bij het loket van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, kan aan de verplichting om het verblijfsdocument in te leveren uitsluitend worden voldaan door inlevering in persoon door de vreemdeling, bij het loket van de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)