Voorschrift Vreemdelingen 2000
Indien de vreemdeling gebruikmaakt van terugkeerfaciliteiten, kan aan de verplichting om het verblijfsdocument in te leveren uitsluitend worden voldaan door inlevering in persoon door de vreemdeling, bij het loket van de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Artikel 4.16
De korpschef, de Commandant der Koninklijke marechaussee, alsmede de daartoe bevoegde ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst zijn bevoegd om
- a. de plaats aan te wijzen waar de vreemdeling met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder f, van de Wet, zich in verband met het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfsvergunning dient op te houden; en
- b. aanwijzingen als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van de Wet, te geven.
De korpschef of de Commandant der Koninklijke marechaussee is bevoegd om de verstrekking van gegevens, bedoeld in artikel 4.38 van het Besluit, te vorderen.
Een vordering als bedoeld in het tweede lid wordt niet bij algemene bekendmaking gedaan dan na goedkeuring van, en volgens voorschrift te geven door, de Minister.
Afdeling 2. Verplichtingen van de referent
Paragraaf 1. Informatieplichten
Artikel 4.17
De inlichtingen, bedoeld in deze paragraaf, worden binnen vier weken door de vreemdeling, diens wettelijk vertegenwoordiger, diens referent of diens gewezen referent verstrekt, voor zover hij daarvan kennis heeft of kan hebben, in een door de Minister ter beschikking gesteld formulier.
In de verklaring wordt in ieder geval melding gemaakt van:
- a. het feit waarover hij inlichtingen dient te verstrekken;
- b. de personalia van de vreemdeling waarop de inlichtingen betrekking hebben;
- c. de relevante feiten en omstandigheden;
- d. vanaf wanneer de wijziging of omstandigheden zich voordoen of voordeden.
Artikel 4.18
De referent verstrekt inlichtingen over de vreemdeling wiens referent hij is indien:
- a. de vreemdeling niet langer in Nederland verblijft en deze wijziging niet tijdig is gemeld bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de vreemdeling als ingezetene is ingeschreven;
- b. de vreemdeling geen overkomst naar Nederland meer wenst.
De erkende referent geeft kennis van het feit dat:
- a. een uitschrijving van de onderneming, organisatie of rechtspersoon in het handelsregister, als bedoeld in artikel 2 van het Handelsregisterwet, heeft plaatsgevonden;
- b. een surseance van betaling of faillissement van de onderneming, organisatie, natuurlijke of rechtspersoon is uitgesproken of aangevraagd;
- c. de onderneming, organisatie of rechtspersoon is beëindigd;
- d. er geen aansluiting meer is bij een voor erkenning als referent verplicht gestelde gedragscode;
- e. de registratie in het register van de Stichting normering arbeid wordt beëindigd, indien de erkende referent een onderneming is die zich bezighoudt met het ter beschikking stellen van arbeidskrachten of payrolling, bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c en d, van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs.
Artikel 4.19
De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van uitwisseling verstrekt inlichtingen over de vreemdeling wiens referent hij is indien:
- a. de tussen het gastgezin en de au pair overeengekomen dagindeling niet wordt nageleefd of zodanig is gewijzigd dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, subonderdelen 3 tot en met 5, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022;
- b. de vreemdeling arbeid in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen verricht;
- c. de vreemdeling bij een ander gastgezin gaat verblijven;
- d. de vreemdeling, niet zijnde een au pair, werkzaamheden verricht welke niet vallen binnen de kaders van het door de Minister goedgekeurde uitwisselingsprogramma;
- e. de samenstelling van het gastgezin wijzigt;
- f. het gastgezin waarin de au pair verblijft niet langer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;
- g. de vreemdeling, niet zijnde een au pair, niet langer in zijn levensonderhoud kan voorzien;
- h. de vreemdeling niet langer in het gastgezin verblijft;
- i. de vreemdeling niet langer deelneemt aan het uitwisselingsprogramma;
- j. hij weet of redelijkerwijs vermoedt dat er sprake is van onregelmatigheden, misstanden of misbruik.
De referent, bedoeld in het eerste lid, verstrekt inlichtingen over de nakoming van zijn verplichtingen als referent indien hij:
- a. niet meer kan voldoen aan een zorgvuldige werving en selectie van de uitwisselingsjongeren of gastgezinnen;
- b. niet meer kan voldoen aan het toezicht op de naleving van de tussen het gastgezin en de au pair overeengekomen dagindeling;
- c. niet meer kan voldoen aan het toezicht op de activiteiten die de uitwisselingsjongere onderneemt.
De referent, bedoeld in het eerste lid, verstrekt inlichtingen over diens positie als referent indien hij voornemens is het uitwisselingsprogramma te wijzigen.
De referent, bedoeld in het eerste lid, verstrekt inlichtingen over diens positie als referent, indien en voor zover van toepassing, een wijziging optreedt in de accreditatie door het Nederlands Jeugdinstituut.
Artikel 4.20
De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van studie aan het hoger onderwijs verstrekt inlichtingen over de vreemdeling wiens referent hij is indien:
- a. de vreemdeling niet meer voltijds aan de instelling studeert;
- b. de vreemdeling zijn opleiding voortijdig heeft gestopt of voor de geplande einddatum heeft afgerond;
- c. de vreemdeling aan de onderwijsinstelling komt studeren en al in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning voor studie aan het hoger onderwijs;
- d. de accreditatie van de opleiding die de vreemdeling volgt, is vervallen;
- e. er sprake is van onvoldoende studievoortgang als bedoeld in artikel 6.5 van de Gedragscode internationale student hoger onderwijs;
- f. de vreemdeling aan het begin van een nieuw studiejaar niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;
- g. de vreemdeling, die onder een uniaal of multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen of onder een overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs valt, voornemens is gebruik te maken van uitgaande mobiliteit.
De referent, bedoeld in het eerste lid, verstrekt inlichtingen over de nakoming van zijn verplichtingen als referent indien de zorgplicht niet wordt nagekomen.
De referent, bedoeld in het eerste lid, verstrekt inlichtingen over zijn positie als referent indien:
- a. de hoger onderwijsinstelling niet meer geregistreerd is bij de registerbeheerder van de Gedragscode internationale student hoger onderwijs;
- b. er geen opleiding meer wordt verzorgd in het kader van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken;
- c. er geen opleidingsactiviteiten meer worden gefaciliteerd in het kader van de Wet op het specifiek cultuurbeleid.
Indien de vreemdeling naar Nederland is gekomen voor een verblijf op grond van artikel 3.3, vijfde lid, van het Besluit doet de erkend referent, na machtiging daartoe door de vreemdeling, schriftelijk de aanmelding als bedoeld in artikel 4.47, vierde lid, van het Besluit.
De erkend referent verstrekt dezelfde bescheiden en gegevens als bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met studie. Tevens meldt de referent in het kader van welk uniaal of multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen, of welke overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor het hoger onderwijs, de mobiliteit plaatsvindt.
Artikel 4.21
De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van studie aan het voortgezet of beroepsonderwijs, verstrekt inlichtingen indien:
- a. de vreemdeling niet meer voltijds onderwijs volgt bij de instelling;
- b. de vreemdeling zijn opleiding voortijdig heeft gestopt of voor de geplande einddatum heeft afgerond;
- c. de vreemdeling aan het begin van een nieuw studiejaar niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van het volgen van het Internationaal Baccalaureaat diplomaprogramma, verstrekt inlichtingen over zijn positie als referent indien hij:
- a. niet langer door de Internationale Baccalaureaat Organisatie geaccrediteerd is;
- b. geen deel meer uitmaakt van een internationale organisatie, waarbij een uitwisseling van leerlingen over de wereld plaatsvindt en het land van plaatsing wordt bepaald door landelijke comités van deze internationale organisatie of deze internationale organisatie zijn leerlingen niet langer in een internaat plaatst.
De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van het volgen van een studie aan het middelbaar beroepsonderwijs niveau 4, verstrekt inlichtingen over zijn positie als referent indien:
- a. de vreemdeling niet meer voltijds onderwijs volgt bij de instelling;
- b. de vreemdeling zijn opleiding voortijdig heeft gestopt of voor de geplande einddatum heeft afgerond.
Artikel 4.22
De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van seizoenarbeid, lerend werken of arbeid in loondienst verstrekt inlichtingen indien:
- a. de vreemdeling niet meer bij de referent werkzaam is;
- b. de vreemdeling niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;
- c. de vreemdeling andere werkzaamheden gaat verrichten.
Artikel 4.23
De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van arbeid als kennismigrant of als houder van de Europese blauwe kaart, verstrekt inlichtingen indien:
- a. de vreemdeling niet meer bij de referent werkzaam is;
- b. de vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van arbeid als kennismigrant, niet meer aan het looncriterium, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, subonderdelen 1 en 2, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022, voldoet of, indien het looncriterium niet van toepassing is, de vreemdeling niet meer zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt;
- c. de vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven als houder van de Europese blauwe kaart, niet meer aan het looncriterium, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022, voldoet;
- d. de vreemdeling, die een beroep in de individuele gezondsheidszorg verricht of wil verrichten waarvoor registratie verplicht is, niet of niet meer in het Beroepen Individuele Gezondheidszorg register is geregistreerd;
- e. de vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verbijven als houder van de Europese blauwe kaart, een gereguleerd beroep in de zin van artikel 1 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties uitoefent en niet meer beschikt over een erkenning van de beroepskwalificaties in de zin van artikel 5 van die wet, dan wel, voor zover hij een niet-gereguleerd beroep uitoefent, niet meer beschikt over voor dat beroep of de desbetreffende sector benodigde getuigschriften van hoger onderwijs in de zin van artikel 2, onder 8, van Richtlijn 2021/1883/EU of relevante hogere beroepsvaardigheden, als bedoeld in artikel 3.30b, derde lid, van het Besluit;
- f. de vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven als houder van de Europese blauwe kaart, arbeid verricht of gaat verrichten die niet voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgelegd uit hoofde van het toepasselijke recht, in collectieve overeenkomsten of door praktijken in de relevante beroepssectoren voor hooggekwalificeerde banen.
De referent, bedoeld in het eerste lid, verstrekt inlichtingen over de nakoming van zijn verplichtingen als referent indien hij niet meer kan voldoen aan een zorgvuldige werving en selectie van de vreemdeling.
Artikel 4.24
De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801, verstrekt inlichtingen indien:
- a. de vreemdeling geen onderzoek meer verricht bij de referent;
- b. de vreemdeling niet langer aan de onderzoeksinstelling is verbonden;
- c. de vreemdeling niet langer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;
- d. de vreemdeling voornemens is gebruik te maken van uitgaande mobiliteit en in het kader van welk uniaal of multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen, of welke overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor het hoger onderwijs, de mobiliteit plaatsvindt;
- e. de vreemdeling, die een beroep in de individuele gezondheidszorg verricht of wil verrichten waarvoor registratie verplicht is, niet of niet meer in het Beroepen Individuele Gezondheidszorg register is geregistreerd.
De referent, bedoeld in het eerste lid, verstrekt inlichtingen over diens positie als referent indien:
- a. hij geen publieke onderzoeksinstelling die is opgenomen in de bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek meer is;
- b. hij geen onderzoeksinstelling als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 meer is;
- c. hij niet meer als particuliere onderzoeksinstelling in het National Academic Research and Collaborations Information System is opgenomen;
- d. de verklaring betreffende Speur- en Ontwikkelingswerk, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel q, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, is ingetrokken.
Indien de vreemdeling naar Nederland is gekomen voor een verblijf op grond van artikel 3.3, vierde lid, van het Besluit doet de erkend referent, na machtiging daartoe door de vreemdeling, schriftelijk de aanmelding als bedoeld in artikel 4.47, vierde lid, van het Besluit. De erkend referent verstrekt dezelfde bescheiden en gegevens als bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801.
Artikel 4.25
De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven als familie- of gezinslid, verstrekt inlichtingen indien:
- a. de gezinsband met de vreemdeling is verbroken;
- b. de vreemdeling en de referent niet meer samenwonen en deze wijziging niet tijdig is gemeld bij het betreffende college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de vreemdeling als ingezetene is ingeschreven.
Artikel 4.26
De vreemdeling die in Nederland verblijft in het kader van uitwisseling, studie, seizoenarbeid, lerend werken, arbeid in loondienst, arbeid als kennismigrant, als houder van de Europese blauwe kaart of in het kader van onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801, verstrekt inlichtingen indien hij van uitwisselings- of au pairorganisatie, onderwijsinstelling of werkgever wijzigt.
Paragraaf 1. Informatieplichten
Artikel 4.27
De referent, met uitzondering van de referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft als familie- of gezinslid, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is, het woonadres van de vreemdeling in de administratie op.
Artikel 4.28
De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van uitwisseling, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:
- a. de tussen de au pair en gastgezin overeengekomen dagindeling;
- b. de naam en het adres van de hoofdpersonen van alle gastgezinnen waarbij de vreemdeling verblijft of heeft verbleven, de periode waarin de vreemdeling bij deze gastgezinnen heeft verbleven en de gezinssamenstelling van deze gastgezinnen;
- c. bewijsmiddelen waaruit blijkt dat het gastgezin, voor zover het een gastgezin van een au pair betreft, zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende duurzame middelen van bestaan;
- d. de door het gastgezin en au pair ondertekende bewustverklaring;
- e. de overeenkomst bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder a, van richtlijn (EU) 2016/801, indien de vreemdeling Europees Vrijwilligerswerk gaat verrichten;
- f. de door de vreemdeling ingevulde en ondertekende antecedentenverklaring, bedoeld in artikel 3.77, elfde lid, van het Besluit;
- g. een gelegaliseerd en vertaald uittreksel (ongehuwdverklaring) uit de burgerlijke stand van het land van herkomst.
De referent, bedoeld in het eerste lid, neemt met betrekking tot de nakoming van zijn verplichtingen als referent in de administratie op:
- a. een overzicht, voorzien van data en handelingen, van de meldingen van de vreemdeling aan de referent over het gastgezin en de gevolgen die hij daaraan heeft verbonden;
- b. een overzicht van de inspanningen, voorzien van data en handelingen, die de referent heeft gepleegd opdat de au pair en het gastgezin de overeengekomen afspraken in de dagindeling nakomen;
- c. een overzicht, voorzien van data en handelingen, waaruit blijkt op welke wijze de referent opgetreden heeft bij problemen, misstanden, misbruik of noodsituatie;
- d. een overzicht van de inspanningen, voorzien van data en handelingen, die de referent heeft gepleegd om zich te vergewissen van het welzijn en welbevinden van de vreemdeling.
De referent, bedoeld in het eerste lid, neemt met betrekking tot zijn positie als referent in de administratie het door de Minister goedgekeurde uitwisselingsprogramma op.
Artikel 4.29
De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van studie aan het hoger onderwijs, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:
- a. de voorlopige en de definitieve inschrijving van de student aan de onderwijsinstelling, zowel van het eerste inschrijvingsjaar als van de opvolgende jaren waarin de onderwijsinstelling de vreemdeling als student inschrijft of als het een uitwisselingstudent betreft een verklaring van registratie;
- b. een registratie van de studievoortgang van de vreemdeling;
- c. een registratie van de vreemdeling die onvoldoende studievoortgang boekt vanwege een persoonlijke omstandigheid, alsmede het feit dat er geen afmelding bij de Minister heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 6.5 van de Gedragscode internationale student hoger onderwijs;
- d. de bewijsstukken die ten grondslag hebben gelegen aan de eigen verklaring bij de aanvraag om toelating van de vreemdeling, waarin de instelling stelt dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;
- e. de eigen verklaring of eigen verklaringen waarin de vreemdeling na toelating jaarlijks verklaart zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan;
- f. de door de vreemdeling ingevulde en ondertekende antecedentenverklaring, bedoeld in artikel 3.77, elfde lid, van het Besluit.
De referent, bedoeld in het eerste lid, neemt met betrekking tot de nakoming van zijn verplichtingen als referent bewijsstukken waaruit voldoende blijkt dat de student toelaatbaar tot de opleiding is gebleken, in de administratie op.
Artikel 4.30
De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van studie aan het voortgezet onderwijs of beroepsonderwijs, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:
- a. een bewijs van inschrijving van de vreemdeling aan de onderwijsinstelling;
- b. een registratie van de studievoortgang van de vreemdeling;
- c. een bewijsstuk waaruit blijkt dat Nederland het meest aangewezen land is;
- d. een bewijsstuk waaruit blijkt dat de vreemdeling een positieve bijdrage kan leveren aan zijn land;
- e. de bewijsstukken die ten grondslag hebben gelegen aan de eigen verklaring bij de aanvraag om toelating van de vreemdeling, waarin de instelling stelt dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;
- f. de eigen verklaring of eigen verklaringen waarin de vreemdeling na toelating jaarlijks verklaart zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan;
- g. de door de vreemdeling ingevulde en ondertekende antecedentenverklaring, bedoeld in artikel 3.77, elfde lid, van het Besluit.
In afwijking van het eerste lid neemt de referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van het volgen van het Internationaal Baccalaureaat diplomaprogramma, met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:
- a. een bewijs van inschrijving van de vreemdeling aan de onderwijsinstelling;
- b. een registratie van de studievoortgang van de vreemdeling;
- c. de bewijsstukken die ten grondslag hebben gelegen aan de eigen verklaring bij de aanvraag om toelating van de vreemdeling, waarin de instelling stelt dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;
- d. de eigen verklaring of eigen verklaringen waarin de vreemdeling na toelating jaarlijks verklaart zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan;
- e. een bewijsstuk waaruit blijkt dat door de vreemdeling het Internationale Baccalaureaat diplomaprogramma wordt gevolgd;
- f. de door de vreemdeling ingevulde en ondertekende antecedentenverklaring, bedoeld in artikel 3.77, elfde lid, van het Besluit.
De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van studie aan het middelbaar beroepsonderwijs niveau 4, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:
- a. een bewijs van inschrijving van de vreemdeling aan de onderwijsinstelling;
- b. een registratie van de studievoortgang van de vreemdeling;
- c. de bewijsstukken die ten grondslag hebben gelegen aan de eigen verklaring bij de aanvraag om toelating van de vreemdeling, waarin de instelling stelt dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;
- d. de door de vreemdeling ingevulde en ondertekende antecedentenverklaring, bedoeld in artikel 3.77, elfde lid, van het Besluit.
De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van het volgen van het Internationaal Baccalaureaat diplomaprogramma neemt met betrekking tot zijn positie als referent in de administratie een bewijs van zijn accreditatie door de Internationale Baccalaureaat Organisatie op.
Artikel 4.31
Bewijsstukken als bedoeld in de artikelen 4.29, eerste lid, onderdeel d en 4.30, eerste lid, onderdeel e, tweede lid, onderdeel c en derde lid, onderdeel c, zijn:
- a. indien de middelen van bestaan worden gefinancierd door de vreemdeling zelf:
- 1°. een kopie van een bankafschrift van een bankrekening mede of uitsluitend op naam van de vreemdeling, waarop het saldo dat voor het studiejaar ter beschikking staat is vermeld, of
- 2°. een originele verklaring van de bank waaruit blijkt welk bedrag maandelijks ten gunste van de student wordt overgemaakt op een bankrekening, die mede of uitsluitend op naam van de vreemdeling staat;
- b. indien de middelen van bestaan worden gefinancierd door middel van een beurs:
- 1°. een kopie van het document waaruit blijkt dat de studiebeurs is toegekend, en
- 2°. indien een derde partij via de onderwijsinstelling de beurs betaalt een kopie van de overeenkomst tussen een derde partij en de onderwijsinstelling;
- c. indien de middelen van bestaan worden gefinancierd door een derde financier die in het buitenland woont:
- 1°. een originele verklaring van de bank waaruit blijkt welk bedrag maandelijks ten gunste van de vreemdeling wordt overgemaakt op de persoonlijke bankrekening van de vreemdeling, gedurende het verblijf in Nederland, of
- 2°. een originele verklaring van de financier, waarin deze verklaart welk bedrag maandelijks wordt overgemaakt naar de persoonlijke bankrekening van de vreemdeling gedurende diens verblijf in Nederland, en
- 3°. een kopie van het paspoort van de financier, en
- 4°. een recent(e) bankafschrift of rekeningsspecificatie waar het rekeningsaldo van de financier op staat;
- d. indien de middelen van bestaan worden gefinancierd door een derde financier die in Nederland woont:
- 1°. bewijsstukken omtrent het inkomen van de financier en van de eventuele (huwelijks)partner van de financier, en
- 2°. een kopie van het identiteitsbewijs van de financier en van de eventuele (huwelijks)partner als hij of zij Nederlander is;
- e. indien de middelen van bestaan worden gefinancierd uit middelen die zijn gestort op een rekening van de onderwijsinstelling een kopie van een bankafschrift van de onderwijsinstelling waarop het bedrag staat dat is gestort ten behoeve van de vreemdeling.
Artikel 4.32
De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van seizoenarbeid, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:
- a. een door de vreemdeling ondertekende verklaring waarin deze verklaart direct voorafgaand aan de aanvraag om toelating in het kader van seizoenarbeid gedurende een aaneengesloten periode van tenminste veertien weken buiten Nederland te hebben verbleven;
- b. het aanvullend document;
- c. de arbeidsovereenkomst waaruit de duur en aard van het dienstverband en het overeengekomen inkomen blijken;
- d. de loonspecificaties;
- e. de door de vreemdeling ingevulde en ondertekende antecedentenverklaring, bedoeld in artikel 3.77, elfde lid, van het Besluit, indien de referent erkend is krachtens artikel 2c van de Wet.
Artikel 4.33
De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van lerend werken, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:
- a. de overeenkomst voor lerend werken, het leerplan of het stageprogramma waaruit de duur en de aard van het dienstverband of de stage en de overeengekomen onkostenvergoeding blijken;
- b. de originele tewerkstellingsvergunning of, indien een gecombineerde vergunning is verleend, het aanvullend document;
- c. de loonspecificaties of de specificaties van de stagevergoeding;
- d. de stageovereenkomst bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdelen a en i tot en met v, van richtlijn (EU) 2016/801;
- e. de door de vreemdeling ingevulde en ondertekende antecedentenverklaring, bedoeld in artikel 3.77, elfde lid, van het Besluit, indien de referent erkend is krachtens artikel 2c van de Wet.
Artikel 4.34
De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van arbeid in loondienst, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:
- a. de originele tewerkstellingsvergunning of, indien een gecombineerde vergunning is verleend, het aanvullend document;
- b. de arbeidsovereenkomst waaruit de duur en de aard van het dienstverband en het overeengekomen inkomen blijken;
- c. de loonspecificaties;
- d. de door de vreemdeling ingevulde en ondertekende antecedentenverklaring, bedoeld in artikel 3.77, elfde lid, van het Besluit, indien de referent erkend is krachtens artikel 2c van de Wet.
Artikel 4.35
De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van arbeid als kennismigrant of als houder van de Europese blauwe kaart, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:
- a. de arbeidsovereenkomst waaruit de duur en de aard van het dienstverband en het overeengekomen inkomen blijkt;
- b. indien de vreemdeling in Nederland in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van arbeid als kennismigrant,
- 1°. loonspecificaties waaruit blijkt dat de vreemdeling na toelating aan het looncriterium, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022, voldoet;
- 2°. loonspecificaties waaruit blijkt dat de vreemdeling na toelating voldoet aan het looncriterium, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 en bewijsstukken waaruit blijkt dat de vreemdeling na toelating voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’, bedoeld in artikel 3.42 van het Besluit; of
- 3°. indien het looncriterium niet van toepassing is, loonspecificaties waaruit blijkt dat de vreemdeling na toelating zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt;
- c. indien de vreemdeling in Nederland verblijft of wil verblijven als houder van de Europese blauwe kaart, loonspecificaties waaruit blijkt dat de vreemdeling na toelating aan het looncriterium, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022, voldoet;
- d. indien de vreemdeling in Nederland verblijft in het kader van arbeid als kennismigrant, voor zover het looncriterium van toepassing is, of als houder van de Europese blauwe kaart, een afschrift van een zakelijke bankrekening of een ander soortgelijk bewijsstuk, waaronder begrepen, maar niet beperkt tot een overzicht van een batchbetaling, waaruit blijkt dat het loon is bijgeschreven op een bankrekening, bestemd voor girale betaling, op naam van de vreemdeling;
- e. een bewijs van inschrijving in het opleidingsregister van de Medisch Specialisten Registratie Commissie, de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie of de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratie Commissie in het geval de vreemdeling een arts in opleiding tot specialist is;
- f. de erkenning van de beroepskwalificaties in de zin van artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, voor zover de vreemdeling in Nederland verblijft of wil verblijven als houder van de Europese blauwe kaart en een gereguleerd beroep in de zin van artikel 1 van die wet uitoefent, dan wel, voor zover hij een niet-gereguleerd beroep uitoefent, de voor dat beroep of de desbetreffende sector benodigde getuigschriften van hoger onderwijs in de zin van artikel 2, onder 8, van Richtlijn 2021/1883/EU of bewijsstukken ter staving van hogere beroepsvaardigheden, als bedoeld in artikel 3.30b, derde lid, van het Besluit;
- g. de door de vreemdeling ingevulde en ondertekende antecedentenverklaring, bedoeld in artikel 3.77, elfde lid, van het Besluit, indien de referent erkend is krachtens artikel 2c van de Wet.
Bewijsstukken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2, zijn:
- a. een kopie van het diploma, het getuigschrift, of de verklaring op welke datum aan alle voorwaarden is voldaan voor het verkrijgen van een diploma of getuigschrift;
- b. indien van toepassing, ten minste twee afschriften waaruit blijkt dat de buitenlandse instelling, waar vreemdeling een masteropleiding of een postdoctorale opleiding heeft afgerond of is gepromoveerd, is aangewezen, bedoeld in artikel 3.23;
- c. indien van toepassing, een testrapport, diploma, getuigschrift, certificaat of ander document waaruit blijkt dat de vreemdeling het minimale kennisniveau van de Engelse of Nederlandse taal bezit, als bedoeld in art. 3.42, eerste lid, onder e van het Besluit; en
- d. indien van toepassing, een schriftelijke Internationale Diplomawaardering.
De referent, bedoeld in het eerste lid, neemt met betrekking tot de nakoming van zijn verplichtingen als referent in de administratie op de stukken omtrent de wijze waarop hij invulling heeft gegeven aan de zorgplicht.
Artikel 4.36
De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:
- a. de gastovereenkomst bedoeld in artikel 10 van richtlijn (EU) 2016/801;
- b. een kopie van het passend diploma van hoger onderwijs dat toegang geeft tot doctoraal programma’s;
- c. de eigen verklaring waaruit blijkt dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan en de bewijsmiddelen die daaraan ten grondslag liggen;
- d. de door de vreemdeling ingevulde en ondertekende antecedentenverklaring, bedoeld in artikel 3.77, elfde lid, van het Besluit.
Artikel 4.37
Bewijsstukken als bedoeld in artikel 4.36, onder c, zijn:
- a. een afschrift van de arbeidsovereenkomst, een recente werkgeversverklaring voorzien van datum, handtekening van de werkgever en firmastempel en afschriften van loonspecificaties;
- b. een verklaring inkomen van een gevestigde ondernemer en een uittreksel van de Kamer van Koophandel, voor zover inschrijving van de zelfstandig ondernemer op grond van de Handelsregisterwet 2007 is vereist;
- c. sponsorovereenkomst(en) waaruit de hoogte van de sponsorgelden en de duur van de sponsorovereenkomst(en) blijken;
- d. schriftelijke bewijsstukken waaruit de hoogte van de beurs of het stipendium blijkt en het tijdvak waarover de beurs of het stipendium is toegekend;
- e. bewijsstukken van periodieke betalingen waaruit blijkt dat voldoende zekerheid bestaat over het ongestoorde verloop van de geldstroom;
- f. in geval van een dienstbetrekking van de vreemdeling met een in het buitenland gevestigde werkgever een verklaring van die werkgever waaruit de duur van de dienstbetrekking en de hoogte van het salaris blijkt.
Artikel 4.38
De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van verblijf als familie- of gezinslid, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:
- a. indien er sprake is van een huwelijk tussen de referent en vreemdeling, de gelegaliseerde huwelijksakte;
- b. indien er sprake is van toelating van een partner, de gelegaliseerde ongehuwdverklaring van de vreemdeling;
- c. indien er sprake is van toelating van een kind, de gelegaliseerde geboorteakte;
- d. indien het rechtmatig gezag bij de toelating is aangetoond, de gelegaliseerde bescheiden waaruit het rechtmatig gezag van de ouder over het kind blijkt;
- e. bewijsstukken waaruit blijkt dat de referent zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De referent van een minderjarige vreemdeling die ter adoptie in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van verblijf als familie- of gezinslid, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is of was in de administratie op:
- a. het document waaruit de identiteit van de minderjarige vreemdeling blijkt;
- b. de gelegaliseerde bescheiden waaruit blijkt dat de afstand door de ouder(s) van de minderjarige vreemdeling naar behoren is geregeld;
- c. het gelegaliseerde bewijs van instemming van de daartoe bevoegde autoriteiten in het land van herkomst met opneming van de vreemdeling door de referent in zijn gezin.
De referent van een minderjarige vreemdeling die in afwachting van het onderzoek naar de geschiktheid van de referent als adoptieouder in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van verblijf als familie- of gezinslid, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is of was in de administratie op:
- a. het document waaruit de identiteit van de minderjarige vreemdeling blijkt;
- b. de gelegaliseerde bescheiden waaruit blijkt dat de ouders van het kind, of als deze zijn overleden of een onbekende verblijfplaats hebben, de autoriteiten van het land van herkomst vóór de komst naar Nederland hebben ingestemd met het vertrek van de vreemdeling en met de opneming van het kind ter adoptie in het gezin van de referent.
De referent van een minderjarige vreemdeling die als pleegkind in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van verblijf als familie- of gezinslid, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is of was in de administratie op:
- a. de gelegaliseerde bescheiden waaruit de familierechtelijke relatie tussen de vreemdeling en referent blijkt;
- b. de gelegaliseerde bescheiden waaruit blijkt dat de ouder(s) of wettelijk vertegenwoordiger(s) alsmede, indien het recht van het land van herkomst dit vereist, de autoriteiten van het land van herkomst, instemmen met het verblijf van het kind in het gezin van de referent;
- c. bewijsstukken waaruit blijkt dat de referent zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;
- d. de gelegaliseerde bescheiden waaruit blijkt dat de referent het gezag heeft over het kind.
Van het vereiste van legalisatie zijn vrijgesteld:
- a. stukken die vallen onder een verdrag dat voorziet in vrijstelling of afschaffing van legalisatie en die afkomstig zijn uit een land dat partij is bij het betreffende verdrag;
- b. afschriften en uittreksels van akten van de burgerlijke stand, opgemaakt en afgegeven in Indonesië, Nieuw Guinea of Suriname, voordat deze landen op 27 december 1949, 1 oktober 1962 onderscheidenlijk 25 november 1975 de onafhankelijkheid verkregen; en
- c. uit het buitenland afkomstige stukken, overgelegd door een in Nederland woonachtig persoon die met betrekking tot hetzelfde rechtsfeit reeds eerder een gelegaliseerd stuk heeft overgelegd dat de basis heeft gevormd voor het opmaken van een akte van de burgerlijke stand in Nederland of voor de opname van gegevens over de betreffende persoon in de BRP, voorzover het later overgelegde niet-gelegaliseerde stuk inhoudelijk overeenstemt met de op grond van het eerder overgelegde gelegaliseerde stuk in de akte of in de BRP opgenomen gegevens en het latere stuk overeenstemt met het gelegaliseerde stuk.
Artikel 4.39
Bewijsstukken als bedoeld in 4.38, eerste lid, onder e en vierde lid, onder c, zijn:
- a. indien de referent beschikt over inkomen uit arbeid in loondienst:
- 1°. een afschrift van de arbeidsovereenkomst;
- 2°. een recente werkgeversverklaring voorzien van datum, handtekening van de werkgever en firmastempel, en
- 3°. afschriften van loonstroken over de drie maanden direct voorafgaand aan de aanvraag;
- b. indien de referent beschikt over middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, van het Besluit:
- 1°. de bewijsstukken genoemd onder a;
- 2°. afschriften van arbeids- of uitzendovereenkomsten van de drie jaren voorafgaand aan het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven;
- 3°. afschriften van jaaropgaven over de drie jaren voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag om verlening van de verblijfsvergunning, en
- 4°. voor zover van toepassing uitkeringsbeschikkingen en specificaties over de drie jaren voorafgaand aan de datum van de aanvraag om verlening van de verblijfsvergunning;
- c. indien de referent beschikt over middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.24b:
- 1°. de bewijsstukken genoemd onder a;
- 2°. afschriften van arbeids- of uitzendovereenkomsten van het jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven;
- 3°. afschriften van jaaropgaven over het jaar voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag om verlening van de verblijfsvergunning, en
- 4°. voor zover van toepassing uitkeringsbeschikkingen en specificaties over het jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag om verlening van de verblijfsvergunning;
- d. indien de referent beschikt over inkomen als zelfstandige:
- 1°. een verklaring inkomen van een gevestigde ondernemer, en
- 2°. een uittreksel van de Kamer van Koophandel, voor zover inschrijving van de zelfstandig ondernemer op grond van de Handelsregisterwet 2007 is vereist.
- e. indien de referent naar het oordeel van de Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is:
- 1°. de toekenningsbeschikking van de uitkerende instantie ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheid zelfstandigen, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten waaruit blijkt dat de referent volledig arbeidsongeschikt is, en
- 2°. de uitkeringsspecificaties;
- f. indien de referent blijvend niet in staat is aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen:
- 1°. alle toekenningsbesluiten ingevolge de Participatiewet die betrekking hebben op de vijf jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven;
- 2°. voor zover van toepassing correspondentie met het college van burgemeester en wethouders omtrent ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling, die betrekking heeft op de vijf jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven, en
- 3°. voor zover van toepassing bescheiden waaruit blijkt dat een arbeidsinschakeling binnen een jaar niet te verwachten valt;
- g. indien de referent beschikt over inkomen uit eigen vermogen:
- 1°. de laatst afgegeven definitieve aanslag Inkomstenbelasting afgegeven door de rijksbelastingdienst;
- 2°. de laatst afgegeven voorlopige aanslag Inkomstenbelasting afgegeven door de rijksbelastingdienst;
- 3°. de meest recente aangifte Inkomstenbelasting aan de rijksbelastingdienst;
- 4°. bescheiden waaruit het eigen vermogen op het moment van de indiening van de aanvraag om verlening van de verblijfsvergunning blijkt.
Artikel 4.40
Vervallen
Artikel 4.41
De referent of de gewezen referent houdt de administratie ter plaatse waar hij in Nederland kantoor houdt, dan wel ter plaatse waar hij in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep heeft, of ter plaatse waar hij woont of gevestigd is. Bij gebreke aan een van vorenstaande plaatsen houdt hij de administratie onder zijn berusting. De referent doet bij het model, bedoeld in artikel 2a, derde lid, van de Wet, opgave van de plaats waar de administratie wordt gehouden.
Indien het adres ter plaatse waar de administratie wordt gevoerd, wijzigt, doet de referent binnen twee weken melding van het nieuwe adres aan de Minister.
De referent of gewezen referent verstrekt schriftelijk op verzoek van de Minister de gegevens of bescheiden binnen een periode van vier weken na ontvangst van het daartoe strekkend verzoek, of, indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, binnen een door de Minister te bepalen termijn.
In bijzondere gevallen kan de Minister de in het derde lid bedoelde termijn verkorten.
Artikel 4.42
Indien de referent of gewezen referent niet aan de op hem ingevolge artikel 4.53 van het Besluit rustende verplichtingen kan voldoen, stelt hij de Minister daarvan binnen vier weken op de hoogte, alsmede van de redenen daarvan.
Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
Artikel 5.1
Indien de korpschef of de Commandant der Koninklijke marechaussee de bevoegdheid, bedoeld in artikel 50, vierde lid, van de Wet, mandateert, doet hij dat niet dan aan een ambtenaar, belast met het toezicht op vreemdelingen, die tevens hulpofficier van justitie is, of aan de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van politie of van de Koninklijke marechaussee die daartoe is aangewezen door de korpschef, respectievelijk de Commandant der Koninklijke marechaussee.
Artikel 5.2
De maatregel, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Wet, wordt opgelegd, gewijzigd en opgeheven door de ambtenaar bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a en b, van de Wet, die tevens hulpofficier van justitie is, door de ambtenaar van politie met ter zake voldoende kennis en kunde die daartoe is aangewezen door de korpschef, of door de ambtenaar van de Dienst Terugkeer en Vertrek en de ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst die daartoe bevoegd zijn.
Artikel 5.3
De maatregel, bedoeld in artikel 59, 59a of 59b van de Wet, wordt opgelegd en opgeheven door de ambtenaar bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a en b, van de Wet, die tevens hulpofficier van justitie is, door de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van politie of van de Koninklijke marechaussee die daartoe is aangewezen door de korpschef, respectievelijk de Commandant der Koninklijke marechaussee, of door de daartoe door de Minister aangewezen ambtenaar van de Dienst Terugkeer en Vertrek of de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
De maatregel, bedoeld in artikel 59 of 59a van de Wet, wordt gewijzigd en opgeheven door de ambtenaar van Dienst Terugkeer en Vertrek, die daartoe bevoegd is, of door de ambtenaar bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a en b, van de Wet die tevens hulpofficier van justitie is of door de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van politie of van de Koninklijke marechaussee die daartoe is aangewezen door de korpschef, respectievelijk de Commandant der Koninklijke marechaussee.
De maatregel, bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de Wet, wordt verlengd als bedoeld in artikel 59, zesde lid, van de Wet, door de ambtenaar van de Dienst Terugkeer en Vertrek die daartoe bevoegd is, of door de ambtenaar, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a of b, van de Wet, die tevens hulpofficier van justitie is of door de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van politie of van de Koninklijke marechaussee die daartoe is aangewezen door de korpschef, respectievelijk de Commandant der Koninklijke marechaussee.
Artikel 5.4
De ambtenaren genoemd in artikel 5.3, eerste lid, zijn bevoegd tot het nemen van het besluit, bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, van het Besluit en tot het doen van de kennisgeving, bedoeld in artikel 5.5, tweede lid, van het Besluit.
Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
Afdeling 1. Uitzetting
Artikel 6.1
De ambtenaren belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen zijn bevoegd tot uitzetting of overdracht over te gaan en daartoe alle benodigde handelingen te verrichten.
De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, gaan niet dan ingevolge een bijzondere aanwijzing van de Minister over tot uitzetting of overdracht van de vreemdeling die te kennen geeft dat hij asiel wenst.
Artikel 6.1a
Artikel 6.1c van het Besluit is niet van toepassing op de vreemdeling:
- a. wiens vrijheid rechtens is ontnomen;
- b. die door de Minister is geïnformeerd over de datum van de vlucht ter fine van zijn verwijdering;
- c. tegen wie de Minister het overdrachtsbesluit, bedoeld in de artikelen 44a en 62b van de Wet, heeft uitgevaardigd en die in afwachting is van de overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat.
Afdeling 1. Uitzetting en overdracht
Artikel 6.2
De korpschef en de Commandant der Koninklijke marechaussee zijn bevoegd de kosten van verwijdering te verhalen op de vreemdeling of op een vervoersonderneming.
Artikel 6.2a
De hoogte van de kosten van uitzetting worden vastgesteld aan de hand van de kostensoort vermeld in kolom A van bijlage 22 bij deze regeling en de bijbehorende tarieven vermeld in kolom B van bijlage 22 bij deze regeling.
Artikel 6.3
De verlenging, bedoeld in artikel 62, derde lid, van de Wet, van de vertrektermijn, bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de Wet, vindt uitsluitend plaats indien de vreemdeling ervoor zorg heeft gedragen dat de voor zijn vertrek uit eigen beweging noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn.
De verlenging van de vertrektermijn bedraagt maximaal 90 dagen.
In afwijking van het tweede lid, kan de vertrektermijn met ten hoogste zes maanden worden verlengd indien de duur van het aan de vreemdeling verleende visum niet kan worden verlengd en zijn aanwezigheid in Nederland noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de procedure voor het Internationale Strafhof, het Speciale Tribunaal voor Libanon, het Internationaal Joegoslavië Tribunaal, het Speciale Hof voor Sierra Leone, het Kosovo Relocated Specialist Judicial Institution, dan wel het Internationaal Residumechanisme voor Straftribunalen.
Bij het besluit omtrent verlenging van de vertrektermijn worden onder meer de aanwezigheid van schoolgaande kinderen of het bestaan van andere gezinsbanden en sociale banden betrokken.
Het verzoek om de vertrektermijn te verlengen, wordt in persoon ingediend bij de ambtenaar belast met het begeleiden van de terugkeer of het loket van de IND.
Artikel 6.4
De kennisgeving, bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de Wet, wordt gegeven door de daartoe bevoegde ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, de daartoe bevoegde ambtenaar van de Dienst Terugkeer en Vertrek of de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012, die is aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar en belast is met de uitvoering van wettelijke voorschriften gesteld bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000, dan wel door de ambtenaar, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a of b, van de Wet.
Indien de kennisgeving, bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de Wet, wordt gegeven, wordt de vreemdeling in een taal die de vreemdeling begrijpt of redelijkerwijze geacht mag worden te begrijpen mondeling of schriftelijk op de inhoud en de rechtsgevolgen daarvan gewezen, en wordt de vreemdeling gewezen op de mogelijkheid daartegen rechtsmiddelen aan te wenden.
Artikel 6.5
Het inreisverbod, bedoeld in artikel 66a van de Wet, wordt uitgevaardigd, gewijzigd of opgeheven door de daartoe bevoegde ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, de daartoe bevoegde ambtenaar van de Dienst Terugkeer en Vertrek of de ambtenaar, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a en b, van de Wet, die tevens hulpofficier van justitie is, of door de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van politie of van de Koninklijke marechaussee die daartoe is aangewezen door de korpschef, respectievelijk de Commandant der Koninklijke marechaussee.
Het inreisverbod wordt uitgevaardigd, gewijzigd of opgeheven door de ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst die daartoe bevoegd is, indien daaraan de rechtgevolgen, bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Wet, zijn verbonden.
Indien het inreisverbod wordt uitgevaardigd, wordt in een taal die de vreemdeling begrijpt of redelijkerwijze geacht mag worden te begrijpen mondeling of schriftelijk op de inhoud en de rechtsgevolgen daarvan gewezen, en wordt de vreemdeling gewezen op de mogelijkheid daartegen rechtsmiddelen aan te wenden.
Artikel 6.6
Het inreisverbod wordt ambtshalve opgeheven indien door of namens de vreemdeling tegen wie het inreisverbod is uitgevaardigd een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet is aangevraagd en door de Immigratie- en Naturalisatiedienst is vastgesteld dat de vreemdeling voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning in aanmerking komt, indien het betreft een vergunning die verband houdt met een beperking als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a tot en met e, g, j, m, n, q en s, van het Besluit.
Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling tegen wie een inreisverbod is uitgevaardigd waaraan de rechtgevolgen, bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Wet, zijn verbonden.
Het inreisverbod wordt ambtshalve opgeheven indien uit een door Nederland aangegane verdragsrechtelijke verplichting volgt dat aan de vreemdeling een verblijfsvergunning dient te worden verleend.
Hoofdstuk 6. Vertrek en uitzetting
Artikel 7.1
Het bestuursorgaan of orgaan als bedoeld in artikel 107 van de Wet, dat de Minister met toepassing van artikel 8.1, derde lid, van het Besluit vraagt om onverwijld nadere gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling te verstrekken, maakt daarvoor gebruik van het formulier van het in bijlage 17a bij deze regeling aangeduide model. Op dit formulier wordt tevens aangegeven om welke reden onduidelijkheid bestaat over de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling.
De verstrekking van de nadere gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling aan de in het eerste lid bedoelde bestuursorgaan, vindt plaats door gebruikmaking van het formulier van het in bijlage 17b bij deze regeling aangeduide model.
Bij het vragen van gegevens omtrent de toekenning of beëindiging van een verstrekking, voorziening, uitkering, ontheffing of vergunning bij het in het eerste lid bedoelde bestuursorgaan of orgaan op grond van artikel 8.2, eerste lid, van het Besluit, wordt gebruik gemaakt van het formulier van het in bijlage 17c van deze regeling aangeduide model.
Het in het eerste lid bedoelde bestuursorgaan of orgaan dat de Minister desgevraagd of uit eigen beweging op grond van artikel 8.2, tweede of derde lid, van het Besluit, gegevens verstrekt omtrent de toekenning of beëindiging van een verstrekking, voorziening, uitkering, ontheffing of vergunning, maakt daarvoor gebruik van het formulier van het in bijlage 17d bij deze regeling aangeduide model.
Artikel 7.1a
De verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in artikel 107a, eerste lid, van de Wet is noodzakelijk:
- a. voor de beoordeling van het bij een aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 14 en 20 van de Wet beoogde verblijfsdoel, voor de beoordeling van een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur alsmede voor de beoordeling van de algemene weigeringsgronden of intrekkingsgronden van de verblijfsvergunning en ambtshalve beoordelingen;
- b. voor het beoordelen van een aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 28 en 33 van de Wet, voor de beoordeling van een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur alsmede voor de beoordeling van de algemene weigeringsgronden of intrekking van de verblijfsvergunning en ambtshalve beoordelingen;
- c. voor het beoordelen van een aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 45a van de Wet, alsmede voor de beoordeling van de algemene weigeringsgronden of intrekkingsgronden van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en ambtshalve beoordelingen;
- d. voor het beoordelen van de gronden voor het ongewenst verklaren van een vreemdeling en de opheffing van de ongewenstverklaring;
- e. voor de beoordeling van de voorwaarden voor het verlenen van de toegang als bedoeld in artikel 2.1, 2.9 en 2.10 van het Besluit;
- f. voor de toepassing van vrijheidsbeperkende en -ontnemende maatregelen krachtens de artikelen 6, 56, 57, 58 en 59 van de Wet;
- g. voor de handhaving van de afschriftplicht van vervoerders als bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, van het Besluit;
- h. voor de beoordeling van de voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn als bedoeld in de artikelen 3.2 en 3.3 van het Besluit;
- i. bij de uitoefening van de bevoegdheid tot het uitzetten van een vreemdeling als bedoeld in artikel 6.1a van het Besluit, daaronder begrepen de verwerking van bijzondere gegevens in het kader van de beoordeling of de uitzetting achterwege dient te blijven als bedoeld in artikel 64 van de Wet;
- j. voor de beoordeling van de voorwaarden voor de erkenning als referent, bedoeld in artikel 2c van de Wet;
- k. voor de beoordeling van de gronden voor het uitvaardigen van een inreisverbod tegen een vreemdeling en de opheffing of tijdelijke opheffing van het inreisverbod.
De bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard worden ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde doeleinden opgenomen in documenten die in een persoonsgebonden dossier en in een geautomatiseerd bestand worden neergelegd. De gegevens in het geautomatiseerde bestand worden gebruikt voor het opstellen van beschikkingen.
Artikel 7.1b
Voorzover de bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard zijn opgeslagen in de vreemdelingenadministratie, wordt dit bestand beveiligd tegen ongeautoriseerd gebruik door:
- a. het toekennen van autorisaties aan alleen die personen, die voor het uitoefenen van hun taak toegang tot de opgeslagen informatie moeten hebben;
- b. het bewaren van een reservebestand op een voor niet-geautoriseerde personen ontoegankelijke plaats.
De autorisaties als bedoeld in het eerste lid worden toegekend aan medewerkers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de Dienst Terugkeer en Vertrek en de ambtenaren, bedoeld in de artikelen 46 tot en met 48 van de Wet.
De Minister stelt richtlijnen op voor het verwerken van bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard in het geautomatiseerde systeem.
Artikel 7.1c
Bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in artikel 107a, eerste lid, van de Wet kunnen worden verstrekt aan de volgende derde personen en instanties:
- a. de Minister van Buitenlandse Zaken of door de Minister van Buitenlandse Zaken voorgedragen onderzoekers of onderzoeksbureaus, voor het verrichten van onderzoek in het buitenland op verzoek van de Minister alsmede ten behoeve van de beoordeling van visumaanvragen;
- b. artsen, voor het beoordelen van de gezondheidstoestand van de vreemdeling op basis van de door de vreemdeling ondertekende toestemmingsverklaring, alsmede de overdracht van medische gegevens van een vreemdeling in het kader van uitzetting.
De verstrekking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard aan de in het eerst lid genoemde personen geschiedt op geen andere wijze dan schriftelijk.
Artikel 7.1d
De onverenigbare verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard wordt op de volgende wijze tegengegaan:
- a. de toegang tot de gegevens in het persoonsgebonden dossier en het geautomatiseerde bestand is voorbehouden aan die personen, die voor het uitoefenen van hun taak, bedoeld in de artikelen 7.1a en 7.1c toegang tot de informatie moeten hebben;
- b. de verwerkingsverantwoordelijke stelt een Functionaris voor de Gegevensbescherming aan, die toeziet op de naleving van de Algemene verordening gegevensbescherming;
- c. de verwerkingsverantwoordelijke verricht integriteits- en kwaliteitsaudits ten aanzien van de verwerking van de persoonsgegevens en rapporteert deze aan de Functionaris voor de Gegevensbescherming.
De vernietiging van de gezichtsopnames en vingerafdrukken na afloop van de bewaartermijn, bedoeld in artikel 8.35 van het Besluit, en de verwijdering en de vernietiging van de gezichtsopname en vingerafdrukken op verzoek van de vreemdeling, op grond dat deze de hoedanigheid heeft gekregen van gemeenschapsonderdaan anders dan door verkrijging van het Nederlanderschap, geschiedt op de wijze als voorgeschreven in artikel 8 van de Wbp-regeling Basisvoorziening vreemdelingen en paragraaf 8.2 van het Protocol Identificatie en Labeling.
Artikel 7.1e
Als wettelijke voorschriften, bedoeld in artikel 107, tweede lid, onder b, van de wet, zijn aangewezen:
- –. de Algemene Kinderbijslagwet;
- –. de Algemene nabestaandenwet;
- –. de Algemene Ouderdomswet;
- –. de Wet langdurige zorg;
- –. de Faillisementswet;
- –. de Huisvestingswet 2014;
- –. de Jeugdwet;
- –. de Paspoortwet;
- –. de Politiewet 2012;
- –. de Remigratiewet;
- –. de Toeslagenwet;
- –. de Uitleveringswet;
- –. de Werkloosheidswet;
- –. de Wet arbeid en zorg;
- –. de Wet arbeid vreemdelingen;
- –. de Wet inburgering 2021 en de Wet inburgering, zoals die wet luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt;
- –. de Wet op de loonbelasting 1964;
- –. de Wet op de rechtsbijstand;
- –. de Wet op het primair onderwijs;
- –. de Wet politiegegevens;
- –. de Wet publieke gezondheid;
- –. de Wet sociale werkvoorziening;
- –. de Wet studiefinanciering 2000;
- –. de Participatiewet;
- –. de Ziektewet;
- –. de in artikel 8.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 genoemde wettelijke voorschriften.
Artikel 7.1f
Indien aan een vreemdeling die arbeid voor een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie wil verrichten rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a, van de Wet, wordt verleend stelt de Minister de Dienst Uitvoering Onderwijs, in het kader van de uitvoering van de Wet inburgering, daarvan op de hoogte.
Artikel 7.1g
De rijksbelastingdienst verstrekt de Minister desgevraagd gegevens over fiscale vergrijpboetes die op grond van de artikelen 67d, 67e en 67f van de Algemene wet inzake de Rijksbelastingen zijn opgelegd, ten behoeve van de beoordeling van de erkenning als referent.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden niet doorgeleverd.
Artikel 7.1h
Als voorschriften vastgesteld bij of krachtens de Schengengrenscode, bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet, zijn aangewezen:
- –. Bijlage VI, onder 2.2.3, van de Schengengrenscode
- –. Bijlage VI, onder 2.3.1, van de Schengengrenscode
- –. Bijlage VI, onder 3.1.2, van de Schengengrenscode
- –. Bijlage VI, onder 3.1.4, van de Schengengrenscode
- –. Bijlage VI, onder 3.1.5, van de Schengengrenscode
- –. Bijlage VI, onder 3.2.1, van de Schengengrenscode
- –. Bijlage VI, onder 3.2.5, van de Schengengrenscode
- –. Bijlage VI, onder 3.2.6, van de Schengengrenscode
- –. Bijlage VI, onder 3.2.9, i, van de Schengengrenscode
Artikel 7.1i
Als bestand in de vreemdelingenadministratie, bedoeld in artikel 8.29, eerste lid, van het Besluit, is aangewezen de Basisvoorziening vreemdelingen.
Artikel 7.1j
De vreemdeling van wie is vastgesteld dat de vingers niet blijvend fysiek beschadigd zijn, wordt uitgenodigd om op een tijdstip, gelegen uiterlijk binnen een jaar na de vaststelling, opnieuw zijn vingerafdrukken te laten afnemen.
Artikel 7.1k
Als documenten, bedoeld in artikel 8.32, eerste lid, van het Besluit, zijn aangewezen de documenten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid.
Artikel 7.1l
Als gemachtigden, bedoeld in artikel 8.34, eerste lid, van het Besluit, zijn aangewezen de ambtenaren, bedoeld in artikel 9 van de Wbp-regeling Basisvoorziening vreemdelingen.
Als gemachtigden, bedoeld in artikel 8.34, derde lid, van het Besluit, zijn aangewezen de ambtenaar of medewerker van de ketenpartners, bedoeld in hoofdstuk 2.2 van het Protocol Identificatie en Labeling die uit hoofde van hun functie de verificatie van persoonsgegevens uitvoeren.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)