Voorschrift Vreemdelingen 2000

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-05-21
State In force
Source BWB
artikelen 223
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
3.

Indien de vreemdeling gebruikmaakt van terugkeerfaciliteiten, kan aan de verplichting om het verblijfsdocument in te leveren uitsluitend worden voldaan door inlevering in persoon door de vreemdeling, bij het loket van de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Artikel 4.16
1.

De korpschef, de Commandant der Koninklijke marechaussee, alsmede de daartoe bevoegde ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst zijn bevoegd om

2.

De korpschef of de Commandant der Koninklijke marechaussee is bevoegd om de verstrekking van gegevens, bedoeld in artikel 4.38 van het Besluit, te vorderen.

3.

Een vordering als bedoeld in het tweede lid wordt niet bij algemene bekendmaking gedaan dan na goedkeuring van, en volgens voorschrift te geven door, de Minister.

Afdeling 2. Verplichtingen van de referent

Paragraaf 1. Informatieplichten

Artikel 4.17
1.

De inlichtingen, bedoeld in deze paragraaf, worden binnen vier weken door de vreemdeling, diens wettelijk vertegenwoordiger, diens referent of diens gewezen referent verstrekt, voor zover hij daarvan kennis heeft of kan hebben, in een door de Minister ter beschikking gesteld formulier.

2.

In de verklaring wordt in ieder geval melding gemaakt van:

Artikel 4.18
1.

De referent verstrekt inlichtingen over de vreemdeling wiens referent hij is indien:

2.

De erkende referent geeft kennis van het feit dat:

Artikel 4.19
1.

De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van uitwisseling verstrekt inlichtingen over de vreemdeling wiens referent hij is indien:

2.

De referent, bedoeld in het eerste lid, verstrekt inlichtingen over de nakoming van zijn verplichtingen als referent indien hij:

3.

De referent, bedoeld in het eerste lid, verstrekt inlichtingen over diens positie als referent indien hij voornemens is het uitwisselingsprogramma te wijzigen.

4.

De referent, bedoeld in het eerste lid, verstrekt inlichtingen over diens positie als referent, indien en voor zover van toepassing, een wijziging optreedt in de accreditatie door het Nederlands Jeugdinstituut.

Artikel 4.20
1.

De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van studie aan het hoger onderwijs verstrekt inlichtingen over de vreemdeling wiens referent hij is indien:

2.

De referent, bedoeld in het eerste lid, verstrekt inlichtingen over de nakoming van zijn verplichtingen als referent indien de zorgplicht niet wordt nagekomen.

3.

De referent, bedoeld in het eerste lid, verstrekt inlichtingen over zijn positie als referent indien:

4.

Indien de vreemdeling naar Nederland is gekomen voor een verblijf op grond van artikel 3.3, vijfde lid, van het Besluit doet de erkend referent, na machtiging daartoe door de vreemdeling, schriftelijk de aanmelding als bedoeld in artikel 4.47, vierde lid, van het Besluit.

De erkend referent verstrekt dezelfde bescheiden en gegevens als bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met studie. Tevens meldt de referent in het kader van welk uniaal of multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen, of welke overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor het hoger onderwijs, de mobiliteit plaatsvindt.

Artikel 4.21
1.

De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van studie aan het voortgezet of beroepsonderwijs, verstrekt inlichtingen indien:

2.

De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van het volgen van het Internationaal Baccalaureaat diplomaprogramma, verstrekt inlichtingen over zijn positie als referent indien hij:

3.

De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van het volgen van een studie aan het middelbaar beroepsonderwijs niveau 4, verstrekt inlichtingen over zijn positie als referent indien:

Artikel 4.22

De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van seizoenarbeid, lerend werken of arbeid in loondienst verstrekt inlichtingen indien:

Artikel 4.23
1.

De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van arbeid als kennismigrant of als houder van de Europese blauwe kaart, verstrekt inlichtingen indien:

2.

De referent, bedoeld in het eerste lid, verstrekt inlichtingen over de nakoming van zijn verplichtingen als referent indien hij niet meer kan voldoen aan een zorgvuldige werving en selectie van de vreemdeling.

Artikel 4.24
1.

De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801, verstrekt inlichtingen indien:

2.

De referent, bedoeld in het eerste lid, verstrekt inlichtingen over diens positie als referent indien:

3.

Indien de vreemdeling naar Nederland is gekomen voor een verblijf op grond van artikel 3.3, vierde lid, van het Besluit doet de erkend referent, na machtiging daartoe door de vreemdeling, schriftelijk de aanmelding als bedoeld in artikel 4.47, vierde lid, van het Besluit. De erkend referent verstrekt dezelfde bescheiden en gegevens als bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801.

Artikel 4.25

De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven als familie- of gezinslid, verstrekt inlichtingen indien:

Artikel 4.26

De vreemdeling die in Nederland verblijft in het kader van uitwisseling, studie, seizoenarbeid, lerend werken, arbeid in loondienst, arbeid als kennismigrant, als houder van de Europese blauwe kaart of in het kader van onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801, verstrekt inlichtingen indien hij van uitwisselings- of au pairorganisatie, onderwijsinstelling of werkgever wijzigt.

Paragraaf 1. Informatieplichten

Artikel 4.27

De referent, met uitzondering van de referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft als familie- of gezinslid, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is, het woonadres van de vreemdeling in de administratie op.

Artikel 4.28
1.

De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van uitwisseling, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:

2.

De referent, bedoeld in het eerste lid, neemt met betrekking tot de nakoming van zijn verplichtingen als referent in de administratie op:

3.

De referent, bedoeld in het eerste lid, neemt met betrekking tot zijn positie als referent in de administratie het door de Minister goedgekeurde uitwisselingsprogramma op.

Artikel 4.29
1.

De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van studie aan het hoger onderwijs, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:

2.

De referent, bedoeld in het eerste lid, neemt met betrekking tot de nakoming van zijn verplichtingen als referent bewijsstukken waaruit voldoende blijkt dat de student toelaatbaar tot de opleiding is gebleken, in de administratie op.

Artikel 4.30
1.

De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van studie aan het voortgezet onderwijs of beroepsonderwijs, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:

2.

In afwijking van het eerste lid neemt de referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van het volgen van het Internationaal Baccalaureaat diplomaprogramma, met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:

3.

De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van studie aan het middelbaar beroepsonderwijs niveau 4, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:

4.

De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van het volgen van het Internationaal Baccalaureaat diplomaprogramma neemt met betrekking tot zijn positie als referent in de administratie een bewijs van zijn accreditatie door de Internationale Baccalaureaat Organisatie op.

Artikel 4.31

Bewijsstukken als bedoeld in de artikelen 4.29, eerste lid, onderdeel d en 4.30, eerste lid, onderdeel e, tweede lid, onderdeel c en derde lid, onderdeel c, zijn:

Artikel 4.32

De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van seizoenarbeid, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:

Artikel 4.33

De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van lerend werken, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:

Artikel 4.34

De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van arbeid in loondienst, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:

Artikel 4.35
1.

De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van arbeid als kennismigrant of als houder van de Europese blauwe kaart, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:

2.

Bewijsstukken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2, zijn:

3.

De referent, bedoeld in het eerste lid, neemt met betrekking tot de nakoming van zijn verplichtingen als referent in de administratie op de stukken omtrent de wijze waarop hij invulling heeft gegeven aan de zorgplicht.

Artikel 4.36

De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:

Artikel 4.37

Bewijsstukken als bedoeld in artikel 4.36, onder c, zijn:

Artikel 4.38
1.

De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van verblijf als familie- of gezinslid, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:

2.

De referent van een minderjarige vreemdeling die ter adoptie in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van verblijf als familie- of gezinslid, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is of was in de administratie op:

3.

De referent van een minderjarige vreemdeling die in afwachting van het onderzoek naar de geschiktheid van de referent als adoptieouder in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van verblijf als familie- of gezinslid, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is of was in de administratie op:

4.

De referent van een minderjarige vreemdeling die als pleegkind in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van verblijf als familie- of gezinslid, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is of was in de administratie op:

5.

Van het vereiste van legalisatie zijn vrijgesteld:

Artikel 4.39

Bewijsstukken als bedoeld in 4.38, eerste lid, onder e en vierde lid, onder c, zijn:

Artikel 4.40

Vervallen

Artikel 4.41
1.

De referent of de gewezen referent houdt de administratie ter plaatse waar hij in Nederland kantoor houdt, dan wel ter plaatse waar hij in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep heeft, of ter plaatse waar hij woont of gevestigd is. Bij gebreke aan een van vorenstaande plaatsen houdt hij de administratie onder zijn berusting. De referent doet bij het model, bedoeld in artikel 2a, derde lid, van de Wet, opgave van de plaats waar de administratie wordt gehouden.

2.

Indien het adres ter plaatse waar de administratie wordt gevoerd, wijzigt, doet de referent binnen twee weken melding van het nieuwe adres aan de Minister.

3.

De referent of gewezen referent verstrekt schriftelijk op verzoek van de Minister de gegevens of bescheiden binnen een periode van vier weken na ontvangst van het daartoe strekkend verzoek, of, indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, binnen een door de Minister te bepalen termijn.

4.

In bijzondere gevallen kan de Minister de in het derde lid bedoelde termijn verkorten.

Artikel 4.42

Indien de referent of gewezen referent niet aan de op hem ingevolge artikel 4.53 van het Besluit rustende verplichtingen kan voldoen, stelt hij de Minister daarvan binnen vier weken op de hoogte, alsmede van de redenen daarvan.

Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

Artikel 5.1

Indien de korpschef of de Commandant der Koninklijke marechaussee de bevoegdheid, bedoeld in artikel 50, vierde lid, van de Wet, mandateert, doet hij dat niet dan aan een ambtenaar, belast met het toezicht op vreemdelingen, die tevens hulpofficier van justitie is, of aan de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van politie of van de Koninklijke marechaussee die daartoe is aangewezen door de korpschef, respectievelijk de Commandant der Koninklijke marechaussee.

Artikel 5.2

De maatregel, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Wet, wordt opgelegd, gewijzigd en opgeheven door de ambtenaar bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a en b, van de Wet, die tevens hulpofficier van justitie is, door de ambtenaar van politie met ter zake voldoende kennis en kunde die daartoe is aangewezen door de korpschef, of door de ambtenaar van de Dienst Terugkeer en Vertrek en de ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst die daartoe bevoegd zijn.

Artikel 5.3
1.

De maatregel, bedoeld in artikel 59, 59a of 59b van de Wet, wordt opgelegd en opgeheven door de ambtenaar bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a en b, van de Wet, die tevens hulpofficier van justitie is, door de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van politie of van de Koninklijke marechaussee die daartoe is aangewezen door de korpschef, respectievelijk de Commandant der Koninklijke marechaussee, of door de daartoe door de Minister aangewezen ambtenaar van de Dienst Terugkeer en Vertrek of de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

2.

De maatregel, bedoeld in artikel 59 of 59a van de Wet, wordt gewijzigd en opgeheven door de ambtenaar van Dienst Terugkeer en Vertrek, die daartoe bevoegd is, of door de ambtenaar bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a en b, van de Wet die tevens hulpofficier van justitie is of door de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van politie of van de Koninklijke marechaussee die daartoe is aangewezen door de korpschef, respectievelijk de Commandant der Koninklijke marechaussee.

3.

De maatregel, bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de Wet, wordt verlengd als bedoeld in artikel 59, zesde lid, van de Wet, door de ambtenaar van de Dienst Terugkeer en Vertrek die daartoe bevoegd is, of door de ambtenaar, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a of b, van de Wet, die tevens hulpofficier van justitie is of door de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van politie of van de Koninklijke marechaussee die daartoe is aangewezen door de korpschef, respectievelijk de Commandant der Koninklijke marechaussee.

Artikel 5.4

De ambtenaren genoemd in artikel 5.3, eerste lid, zijn bevoegd tot het nemen van het besluit, bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, van het Besluit en tot het doen van de kennisgeving, bedoeld in artikel 5.5, tweede lid, van het Besluit.

Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

Afdeling 1. Uitzetting

Artikel 6.1
1.

De ambtenaren belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen zijn bevoegd tot uitzetting of overdracht over te gaan en daartoe alle benodigde handelingen te verrichten.

2.

De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, gaan niet dan ingevolge een bijzondere aanwijzing van de Minister over tot uitzetting of overdracht van de vreemdeling die te kennen geeft dat hij asiel wenst.

Artikel 6.1a

Artikel 6.1c van het Besluit is niet van toepassing op de vreemdeling:

Afdeling 1. Uitzetting en overdracht

Artikel 6.2

De korpschef en de Commandant der Koninklijke marechaussee zijn bevoegd de kosten van verwijdering te verhalen op de vreemdeling of op een vervoersonderneming.

Artikel 6.2a

De hoogte van de kosten van uitzetting worden vastgesteld aan de hand van de kostensoort vermeld in kolom A van bijlage 22 bij deze regeling en de bijbehorende tarieven vermeld in kolom B van bijlage 22 bij deze regeling.

Artikel 6.3
1.

De verlenging, bedoeld in artikel 62, derde lid, van de Wet, van de vertrektermijn, bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de Wet, vindt uitsluitend plaats indien de vreemdeling ervoor zorg heeft gedragen dat de voor zijn vertrek uit eigen beweging noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn.

2.

De verlenging van de vertrektermijn bedraagt maximaal 90 dagen.

3.

In afwijking van het tweede lid, kan de vertrektermijn met ten hoogste zes maanden worden verlengd indien de duur van het aan de vreemdeling verleende visum niet kan worden verlengd en zijn aanwezigheid in Nederland noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de procedure voor het Internationale Strafhof, het Speciale Tribunaal voor Libanon, het Internationaal Joegoslavië Tribunaal, het Speciale Hof voor Sierra Leone, het Kosovo Relocated Specialist Judicial Institution, dan wel het Internationaal Residumechanisme voor Straftribunalen.

4.

Bij het besluit omtrent verlenging van de vertrektermijn worden onder meer de aanwezigheid van schoolgaande kinderen of het bestaan van andere gezinsbanden en sociale banden betrokken.

5.

Het verzoek om de vertrektermijn te verlengen, wordt in persoon ingediend bij de ambtenaar belast met het begeleiden van de terugkeer of het loket van de IND.

Artikel 6.4
1.

De kennisgeving, bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de Wet, wordt gegeven door de daartoe bevoegde ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, de daartoe bevoegde ambtenaar van de Dienst Terugkeer en Vertrek of de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012, die is aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar en belast is met de uitvoering van wettelijke voorschriften gesteld bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000, dan wel door de ambtenaar, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a of b, van de Wet.

2.

Indien de kennisgeving, bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de Wet, wordt gegeven, wordt de vreemdeling in een taal die de vreemdeling begrijpt of redelijkerwijze geacht mag worden te begrijpen mondeling of schriftelijk op de inhoud en de rechtsgevolgen daarvan gewezen, en wordt de vreemdeling gewezen op de mogelijkheid daartegen rechtsmiddelen aan te wenden.

Artikel 6.5
1.

Het inreisverbod, bedoeld in artikel 66a van de Wet, wordt uitgevaardigd, gewijzigd of opgeheven door de daartoe bevoegde ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, de daartoe bevoegde ambtenaar van de Dienst Terugkeer en Vertrek of de ambtenaar, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a en b, van de Wet, die tevens hulpofficier van justitie is, of door de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van politie of van de Koninklijke marechaussee die daartoe is aangewezen door de korpschef, respectievelijk de Commandant der Koninklijke marechaussee.

2.

Het inreisverbod wordt uitgevaardigd, gewijzigd of opgeheven door de ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst die daartoe bevoegd is, indien daaraan de rechtgevolgen, bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Wet, zijn verbonden.

3.

Indien het inreisverbod wordt uitgevaardigd, wordt in een taal die de vreemdeling begrijpt of redelijkerwijze geacht mag worden te begrijpen mondeling of schriftelijk op de inhoud en de rechtsgevolgen daarvan gewezen, en wordt de vreemdeling gewezen op de mogelijkheid daartegen rechtsmiddelen aan te wenden.

Artikel 6.6
1.

Het inreisverbod wordt ambtshalve opgeheven indien door of namens de vreemdeling tegen wie het inreisverbod is uitgevaardigd een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet is aangevraagd en door de Immigratie- en Naturalisatiedienst is vastgesteld dat de vreemdeling voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning in aanmerking komt, indien het betreft een vergunning die verband houdt met een beperking als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a tot en met e, g, j, m, n, q en s, van het Besluit.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling tegen wie een inreisverbod is uitgevaardigd waaraan de rechtgevolgen, bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Wet, zijn verbonden.

3.

Het inreisverbod wordt ambtshalve opgeheven indien uit een door Nederland aangegane verdragsrechtelijke verplichting volgt dat aan de vreemdeling een verblijfsvergunning dient te worden verleend.

Hoofdstuk 6. Vertrek en uitzetting

Artikel 7.1
1.

Het bestuursorgaan of orgaan als bedoeld in artikel 107 van de Wet, dat de Minister met toepassing van artikel 8.1, derde lid, van het Besluit vraagt om onverwijld nadere gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling te verstrekken, maakt daarvoor gebruik van het formulier van het in bijlage 17a bij deze regeling aangeduide model. Op dit formulier wordt tevens aangegeven om welke reden onduidelijkheid bestaat over de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling.

2.

De verstrekking van de nadere gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling aan de in het eerste lid bedoelde bestuursorgaan, vindt plaats door gebruikmaking van het formulier van het in bijlage 17b bij deze regeling aangeduide model.

3.

Bij het vragen van gegevens omtrent de toekenning of beëindiging van een verstrekking, voorziening, uitkering, ontheffing of vergunning bij het in het eerste lid bedoelde bestuursorgaan of orgaan op grond van artikel 8.2, eerste lid, van het Besluit, wordt gebruik gemaakt van het formulier van het in bijlage 17c van deze regeling aangeduide model.

4.

Het in het eerste lid bedoelde bestuursorgaan of orgaan dat de Minister desgevraagd of uit eigen beweging op grond van artikel 8.2, tweede of derde lid, van het Besluit, gegevens verstrekt omtrent de toekenning of beëindiging van een verstrekking, voorziening, uitkering, ontheffing of vergunning, maakt daarvoor gebruik van het formulier van het in bijlage 17d bij deze regeling aangeduide model.

Artikel 7.1a
1.

De verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in artikel 107a, eerste lid, van de Wet is noodzakelijk:

2.

De bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard worden ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde doeleinden opgenomen in documenten die in een persoonsgebonden dossier en in een geautomatiseerd bestand worden neergelegd. De gegevens in het geautomatiseerde bestand worden gebruikt voor het opstellen van beschikkingen.

Artikel 7.1b
1.

Voorzover de bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard zijn opgeslagen in de vreemdelingenadministratie, wordt dit bestand beveiligd tegen ongeautoriseerd gebruik door:

2.

De autorisaties als bedoeld in het eerste lid worden toegekend aan medewerkers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de Dienst Terugkeer en Vertrek en de ambtenaren, bedoeld in de artikelen 46 tot en met 48 van de Wet.

3.

De Minister stelt richtlijnen op voor het verwerken van bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard in het geautomatiseerde systeem.

Artikel 7.1c
1.

Bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in artikel 107a, eerste lid, van de Wet kunnen worden verstrekt aan de volgende derde personen en instanties:

2.

De verstrekking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard aan de in het eerst lid genoemde personen geschiedt op geen andere wijze dan schriftelijk.

Artikel 7.1d
1.

De onverenigbare verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard wordt op de volgende wijze tegengegaan:

2.

De vernietiging van de gezichtsopnames en vingerafdrukken na afloop van de bewaartermijn, bedoeld in artikel 8.35 van het Besluit, en de verwijdering en de vernietiging van de gezichtsopname en vingerafdrukken op verzoek van de vreemdeling, op grond dat deze de hoedanigheid heeft gekregen van gemeenschapsonderdaan anders dan door verkrijging van het Nederlanderschap, geschiedt op de wijze als voorgeschreven in artikel 8 van de Wbp-regeling Basisvoorziening vreemdelingen en paragraaf 8.2 van het Protocol Identificatie en Labeling.

Artikel 7.1e

Als wettelijke voorschriften, bedoeld in artikel 107, tweede lid, onder b, van de wet, zijn aangewezen:

Artikel 7.1f

Indien aan een vreemdeling die arbeid voor een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie wil verrichten rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a, van de Wet, wordt verleend stelt de Minister de Dienst Uitvoering Onderwijs, in het kader van de uitvoering van de Wet inburgering, daarvan op de hoogte.

Artikel 7.1g
1.

De rijksbelastingdienst verstrekt de Minister desgevraagd gegevens over fiscale vergrijpboetes die op grond van de artikelen 67d, 67e en 67f van de Algemene wet inzake de Rijksbelastingen zijn opgelegd, ten behoeve van de beoordeling van de erkenning als referent.

2.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden niet doorgeleverd.

Artikel 7.1h

Als voorschriften vastgesteld bij of krachtens de Schengengrenscode, bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet, zijn aangewezen:

Artikel 7.1i

Als bestand in de vreemdelingenadministratie, bedoeld in artikel 8.29, eerste lid, van het Besluit, is aangewezen de Basisvoorziening vreemdelingen.

Artikel 7.1j

De vreemdeling van wie is vastgesteld dat de vingers niet blijvend fysiek beschadigd zijn, wordt uitgenodigd om op een tijdstip, gelegen uiterlijk binnen een jaar na de vaststelling, opnieuw zijn vingerafdrukken te laten afnemen.

Artikel 7.1k

Als documenten, bedoeld in artikel 8.32, eerste lid, van het Besluit, zijn aangewezen de documenten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid.

Artikel 7.1l
1.

Als gemachtigden, bedoeld in artikel 8.34, eerste lid, van het Besluit, zijn aangewezen de ambtenaren, bedoeld in artikel 9 van de Wbp-regeling Basisvoorziening vreemdelingen.

2.

Als gemachtigden, bedoeld in artikel 8.34, derde lid, van het Besluit, zijn aangewezen de ambtenaar of medewerker van de ketenpartners, bedoeld in hoofdstuk 2.2 van het Protocol Identificatie en Labeling die uit hoofde van hun functie de verificatie van persoonsgegevens uitvoeren.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)