Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001
- b. de hoogte van de uiteindelijk in euro’s uit te keren termijnen dient uitsluitend te worden beïnvloed door het verschil tussen het feitelijk behaalde beleggingsrendement en de rekenrente die ten tijde van het ingaan van de termijnen als rekenrendement is gehanteerd.
Met betrekking tot de grondslagen voor het berekenen van de termijnen gelden de volgende regels:
- a. de bank, beleggingsonderneming of beheerder, bedoeld in artikel 3.126a, eerste lid, van de wet, gaat ter berekening van het op jaarbasis uit te keren vaste aantal beleggingseenheden uit van ten hoogste het netto rekenrendement dat hij op de ingangsdatum hanteert voor soortgelijke termijnen in euro’s of van het op de ingangsdatum van de termijnen geldende u-rendement zoals dat periodiek wordt gepubliceerd door het Centrum voor Verzekeringstatistiek van het Verbond van Verzekeraars; gedurende de looptijd vindt geen herberekening plaats van het aantal jaarlijks uit te keren beleggingseenheden;
- b. in de hoogte van de termijnen in beleggingseenheden wordt geen inflatie-element verdisconteerd.
Met betrekking tot de peildatum en de periode van vaststellen van de termijnen in euro’s gelden de volgende regels:
- a. bij de berekening van de verschuldigde termijn in euro’s kan worden uitgegaan van de waarde van de beleggingseenheid op een vaste peildatum in de kalendermaand van betaling of in de daaraan voorafgaande kalendermaand;
- b. gedurende een periode van ten hoogste 12 maanden (herrekenperiode) kunnen de in de herrekenperiode uit te keren termijnen bij aanvang daarvan in euro’s worden vastgesteld; de hoogte van de termijnen in euro’s dient daarbij te worden bepaald op basis van de werkelijke waarde van de beleggingseenheid per een vaste peildatum gelegen in de kalendermaand waarin de herrekenperiode ingaat of in een van de twee daaraan voorafgaande kalendermaanden; slechts eenmalig kan worden gekozen voor een datum van ingang van de herrekenperiode.
Hoofdstuk 2. Raamwerk (hoofdstuk 2 van de wet)
Hoofdstuk 3. Heffingsgrondslag bij werk en woning (hoofdstuk 3 van de wet)
Artikel 17bis. Verdeling spaarrekening eigen woning en beleggingsrecht eigen woning bij meer dan één gerechtigde
Vervallen
Hoofdstuk 4. Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang (hoofdstuk 4 van de wet)
Artikel 29a. Informatievoorziening en administratieplicht
Een aangewezen fonds overlegt binnen vier maanden na afloop van ieder boekjaar aan de inspecteur een overzicht van zijn bezittingen en schulden naar de waarde in het economische verkeer aan het einde van het boekjaar.
Ingeval het fonds is aangewezen met een aanloopperiode, verstrekt het fonds onmiddellijk na afloop van die periode aan de inspecteur een overzicht van zijn bezittingen en schulden naar de actuele waarde in het economische verkeer.
Ingeval het fonds is aangewezen met een ingroeiperiode, verstrekt het fonds in die periode elk half jaar aan de inspecteur een overzicht van zijn bezittingen en schulden naar de actuele waarde in het economische verkeer.
Indien een fonds indirect een krediet verstrekt ten behoeve van een project, blijkt uit de administratie van de inlenende rechtspersoon ten behoeve van welk project het krediet is verstrekt.
Indien een fonds een krediet verstrekt ten behoeve van een project door tussenkomst van een ander fonds, elimineert het inlenende fonds het kredietbedrag uit het overzicht van zijn bezittingen en schulden, bedoeld in het eerste lid.
Indien een aangewezen fonds niet meer voldoet aan de voorwaarden voor aanwijzing, doet het fonds daarvan onverwijld schriftelijk mededeling aan de inspecteur.
Artikel 29b. Intrekking aanwijzing
De inspecteur trekt de aanwijzing in:
- a. op verzoek van het fonds;
- b. indien het fonds niet meer voldoet aan de voorwaarden voor aanwijzing; dan wel
- c. indien het fonds de in dit hoofdstuk opgenomen informatieverplichtingen jegens de inspecteur niet nakomt.
De intrekking van de aanwijzing geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking.
De inspecteur bepaalt in de beschikking het tijdstip waarop de intrekking van de aanwijzing in werking treedt, met dien verstande dat de intrekking terugwerkende kracht heeft tot en met de dag waarop het eerste lid, onderdeel b of c, van toepassing is.
Ingeval het fonds is aangewezen met een aanloopperiode en na afloop van die periode niet wordt voldaan aan het hoofdzakelijkheidscriterium, heeft de intrekking terugwerkende kracht tot en met de eerste dag na het aflopen van die periode.
Ingeval het fonds is aangewezen met een ingroeiperiode en na afloop van die periode niet wordt voldaan aan het hoofdzakelijkheidscriterium, heeft de intrekking terugwerkende kracht tot en met de eerste dag na het aflopen van die periode.
Indien het fonds de in artikel 29a, zesde lid, bedoelde mededeling onverwijld heeft gedaan, heeft de intrekking geen terugwerkende kracht.
Indien het fonds de in artikel 29a, zesde lid, bedoelde mededeling onverwijld heeft gedaan en voorts aannemelijk maakt dat het niet meer voldoen aan de voorwaarden niet langer dan drie maanden zal voortduren, een incidenteel karakter heeft en niet in strijd is met doel en strekking van de regeling, trekt de inspecteur de aanwijzing niet in. Het besluit de aanwijzing niet in te trekken, neemt de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking; daarbij kan hij nadere voorwaarden stellen.
Indien de inspecteur een aanwijzing intrekt, maakt hij die intrekking op een daartoe geschikte wijze publiek bekend.
Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden aftrek
Hoofdstuk 8. Heffingskorting
Artikel 45c. Continuering na 1 januari 2008 van aanwijzingen als fonds van vóór die datum
Een fonds dat voor 1 januari 2008 is aangewezen als fonds als bedoeld in artikel 5.14 van de wet, zoals de wet toen luidde, wordt geacht met ingang van 1 januari 2008 door de inspecteur bij beschikking te zijn aangewezen op de voet van de wet zoals die thans luidt.
Hoofdstuk 9. Wijze van heffing (hoofdstuk 9 van de wet)
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst
Artikel 4a. Toerekening afgezonderd particulier vermogen
Degene die als begunstigde een juridisch afdwingbaar recht heeft ten laste van een afgezonderd particulier vermogen, wordt in zoverre in de belastingheffing betrokken.
Indien aan twee of meer personen de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen worden toegerekend, wordt bij deze toerekening aangesloten bij de waarde van hetgeen ten tijde van de afzondering door ieder van de bedoelde personen of hun rechtsvoorgangers is afgezonderd in de zin van artikel 2.14a, derde lid, van de wet. Met uitkeringen uit het vermogen van het afgezonderd particulier vermogen wordt op overeenkomstige wijze rekening gehouden.
Ingeval bij een afzondering van vermogen in een afgezonderd particulier vermogen niet bekend is welk vermogen door iemand is afgezonderd, vindt toerekening van dit vermogen plaats naar rato van het aantal personen dat vermogen daarin heeft afgezonderd.
Onder het onder in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke voorwaarden rechtens dan wel in feite, direct of indirect, afzonderen van vermogensbestanddelen in een afgezonderd particulier vermogen, bedoeld in artikel 2.14a, derde lid, onderdeel a, van de wet, wordt mede verstaan:
- a. het vervreemden van vermogensbestanddelen aan een afgezonderd particulier vermogen tegen een prijs die afwijkt van de waarde in het economische verkeer;
- b. het bedingen van voorwaarden bij het vervreemden van vermogensbestanddelen aan een afgezonderd particulier vermogen die niet overeenkomen met voorwaarden die in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk zijn;
- c. het inbrengen van vermogensbestanddelen in een afgezonderd particulier vermogen waarbij de inbreng en daarmee samenhangende rechtshandelingen gericht zijn op of direct of indirect verband houden met het ontgaan of uitstellen van de toerekening, bedoeld in artikel 2.14a, eerste lid, van de wet.
Bezittingen en schulden van een afgezonderd particulier vermogen worden in aanmerking genomen naar de waarde in het economisch verkeer die zou gelden als deze bezittingen en schulden deel zouden uitmaken van het vermogen van degene aan wie de bezittingen en schulden van het afgezonderd particulier vermogen worden toegerekend.
De erfgenaam die gebruik wil maken van de tegenbewijsregeling, bedoeld in artikel 2.14a, zesde lid, van de wet, dient ten minste de volgende gegevens aan de inspecteur over te leggen:
- a. een beschrijving van het soort afgezonderd particulier vermogen en land van vestiging;
- b. de oprichtingsakte van het afgezonderd particulier vermogen inclusief bijlagen (zoals instructies, reglementen, letter of wishes, statuten);
- c. de meest actuele jaarstukken van het afgezonderd particulier vermogen over minimaal drie jaren;
- d. naam- en adresgegevens van de inbrenger van het vermogen en van de overige erfgenamen;
- e. alle overige stukken waaruit blijkt dat de bedoelde erfgenaam geen begunstigde is van het afgezonderd particulier vermogen en dit in de toekomst ook nooit kan worden.
Hoofdstuk 3. Heffingsgrondslag bij werk en woning (hoofdstuk 3 van de wet)
Artikel 6a. Belastbare winst uit ondernemingen; overige vrijstellingen; vrijstelling voor projecten gericht op hinderbeperking tijdens grootschalige wegwerkzaamheden
De voorwaarden, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, onderdeel i, onder 2°, van de wet, zijn dat:
- a. deelnemers ten hoogste één periode van ten hoogste twaalf maanden kunnen deelnemen aan het project;
- b. de beloningen die een deelnemer kan krijgen uit het project een gezamenlijke waarde hebben van ten hoogste € 200 per maand en € 1.200 per deelnameperiode.
Artikel 26a. Verzoek om toepassing doorschuifregelingen bij vererving, bij verdeling van de nalatenschap binnen twee jaar of bij schenking
Een verzoek als bedoeld in artikel 4.17a, eerste lid, artikel 4.17b, tweede lid, of artikel 4.17b, derde lid, van de wet wordt schriftelijk gedaan bij de inspecteur die is belast met de aanslagregeling van de erflater.
Een verzoek als bedoeld in artikel 4.17b, eerste lid, of artikel 4.17c, eerste lid, van de wet wordt schriftelijk gedaan bij de inspecteur die is belast met de aanslagregeling van de vervreemder.
Artikel 26b. In het kader van een bedrijfsoverdracht uitgegeven preferente aandelen
Onder een omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen als bedoeld in artikel 4.17a, derde lid, onderdeel a, van de wet wordt ook begrepen een uitgifte van preferente aandelen in het kader van een aandelenfusie als bedoeld in artikel 3.55 van de wet, een juridische splitsing als bedoeld in artikel 3.56 van de wet of een juridische fusie als bedoeld in artikel 3.57 van de wet.
Aan het gestelde in artikel 4.17a, derde lid, onderdeel a, van de wet wordt ook geacht te zijn voldaan indien de daar bedoelde preferente aandelen worden verkregen van een rechtsopvolger krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht van degene die de aandelen heeft omgezet als bedoeld in genoemd onderdeel.
Indirect gehouden preferente aandelen zijn uitgegeven in het kader van een bedrijfsoverdracht als bedoeld in artikel 4.17a, vijfde lid, laatste volzin, van de wet indien:
- a. de preferente aandelen een omzetting vormen van een eerder door de erflater gehouden indirect belang van gewone aandelen als bedoeld in artikel 4.17a, vijfde lid, onderdelen a en b, van de wet;
- b. de omzetting in preferente aandelen gepaard is gegaan met het toekennen van gewone aandelen aan een ander;
- c. ten tijde van de omzetting in preferente aandelen de vennootschap waarop de omgezette aandelen betrekking hadden een onderneming dreef als bedoeld in artikel 4.17a, eerste lid, onderdeel a, van de wet, of een medegerechtigdheid hield als bedoeld in artikel 4.17a, eerste lid, onderdeel b, van de wet, en
- d. de verkrijger van de indirect gehouden preferente aandelen reeds voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal direct of indirect aandeelhouder is van gewone aandelen als bedoeld in onderdeel b.
Voor de toepassing van dit lid wordt onder een omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen als bedoeld in de eerste volzin ook begrepen een uitgifte van preferente aandelen in het kader van een aandelenfusie als bedoeld in artikel 3.55 van de wet, een juridische splitsing als bedoeld in artikel 3.56 van de wet of een juridische fusie als bedoeld in artikel 3.57 van de wet. Voorts wordt daaronder ook begrepen een uitgifte van preferente aandelen in het kader van een bedrijfsfusie als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Indien preferente aandelen zijn ontstaan in het kader van een gefaseerde bedrijfsoverdracht als bedoeld in artikel 4.17a, derde lid of vijfde lid, van de wet, dan behouden deze aandelen het karakter dat zij in aanmerking worden genomen voor de toepassing van artikel 4.17a, eerste lid, onderdeel c, van die wet voor zover de houder van deze preferente aandelen ook houder is van de gewone aandelen die bij het ontstaan van de preferente aandelen zijn toegekend aan de bedrijfsopvolger.
Voor de bepaling of de verkrijger van de preferente aandelen voldoet aan de voorwaarde van artikel 4.17a, derde lid, onderdeel d, van de wet worden de preferente aandelen niet gerekend tot het geplaatste kapitaal. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing voor de toepassing van het derde lid, eerste volzin, onderdeel d.
Artikel 26c. Verkorting termijn 36 maanden uit de doorschuifregeling bij schenking
Vervallen
Artikel 26d. Werknemer bij een werkmaatschappij in geval van schenking van aandelen in een holding
Vervallen
Artikel 45aa. Bijzondere regels voor ambtshalve verminderingen
De inspecteur vermindert ambtshalve een belastingaanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld zodra hem dat is gebleken, tenzij:
- a. vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft;
- b. de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald;
- c. de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit beleidsregels van de Minister van Financiën die eerst zijn uitgevaardigd nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald;
- d. de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit de omstandigheid dat eerst nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan een beroep wordt gedaan op een fiscale faciliteit, waarop een beroep moet worden gedaan bij de aangifte of op een ander wettelijk voorgeschreven moment; of
- e. sprake is van enig feit waardoor ten onrechte inkomstenbelasting is geheven en als gevolg van die heffing een andere belasting, al dan niet van dezelfde belastingplichtige, ter zake van datzelfde feit niet is geheven en ook niet meer kan worden geheven, met dien verstande dat in dat geval wel ambtshalve vermindering plaatsvindt voor zover het bedrag van de eerstgenoemde belasting het bedrag van de andere belasting te boven gaat.
Hoofdstuk 10. Overgangsrecht
Artikel 45d. Overgangsrecht eigenwoningregeling en leegstaande woning
Vervallen
Hoofdstuk 10. Overgangsrecht
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst
Artikel 45e. Overgangsrecht verliezen op geldleningen aan beginnende ondernemers; verliezen op beleggingen in durfkapitaal
Artikel 34, zoals dat artikel op 31 december 2010 luidde, blijft van toepassing op verliezen op vóór 1 januari 2011 verstrekte geldleningen als bedoeld in artikel 6.8, eerste lid, van de wet, zoals dat lid op 31 december 2010 luidde.
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen (hoofdstuk 11 van de wet)
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst
Artikel 17b. Informatieplicht bij schulden bij anderen dan aangewezen administratieplichtigen; te verstrekken gegevens
Als gegevens als bedoeld in artikel 3.119g van de wet worden aangewezen:
- a. de datum van aangaan van de schuld;
- b. het startbedrag van de schuld;
- c. de maandelijkse rentevoet;
- d. de contractueel vastgelegde looptijd in maanden;
- e. de contractueel vastgelegde wijze van aflossing;
- f. indien de leningverstrekker een natuurlijk persoon is: de naam, het adres en het burgerservicenummer of, bij het ontbreken van het burgerservicenummer, een hiermee vergelijkbaar door de fiscale woonstaat toegekend fiscaal identificatienummer van de leningverstrekker;
- g. indien de leningverstrekker een rechtspersoon is: de naam, het adres en een uniek nummer als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 of, bij het ontbreken van een dergelijk nummer en indien dat bestaat, een hiermee vergelijkbaar door de fiscale woonstaat toegekend fiscaal identificatienummer van de leningverstrekker.
Als gegevens als bedoeld in artikel 3.119g van de wet worden mede aangewezen de wijzigingen die zich in het kalenderjaar hebben voorgedaan met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde gegevens.
Hoofdstuk 4. Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang (hoofdstuk 4 van de wet)
Artikel 39a. Uitgaven voor specifieke zorgkosten; van aftrek uitgesloten aangewezen uitgaven
Als uitgaven als bedoeld in artikel 6.18, eerste lid, onderdeel h, van de wet worden aangewezen:
- a. uitgaven voor vruchtbaarheidsgerelateerde zorg voor een vrouw die ten tijde van de behandeling 43 jaar of ouder is;
- b. uitgaven voor de eerste twee vruchtbaarheidsgerelateerde behandelingen indien meer dan één embryo per poging wordt teruggeplaatst en de vrouw ten tijde van de behandeling jonger is dan 38 jaar;
- c. uitgaven voor een elleboogkruk, een gipssteun, een looprek, een okselkruk, een onderarmschaalkruk, een rollator of een loophulp met drie of vier poten;
- d. uitgaven voor geestelijke gezondheidszorg voor een persoon die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt;
- e. uitgaven voor dyslexiezorg voor een persoon die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt;
- f. uitgaven voor een combinatietest in het kader van prenatale screening indien geen sprake is van een medische indicatie.
Hoofdstuk 9. Wijze van heffing (hoofdstuk 9 van de wet)
Hoofdstuk 10. Overgangsrecht
Hoofdstuk 10bis. Overgangsrecht ten gevolge van Wet herziening fiscale behandeling eigen woning
Artikel 10bis.1. Verdeling spaarrekening eigen woning en beleggingsrecht eigen woning bij meer dan één gerechtigde
Ingeval een spaarrekening eigen woning meer dan één rekeninghouder heeft, wordt het tegoed van de rekening in gelijke delen toegerekend aan die rekeninghouders.
Ingeval een beleggingsrecht eigen woning meer dan één eigenaar heeft, wordt de waarde van het recht in gelijke delen toegerekend aan die eigenaren.
Hoofdstuk 10bis. Overgangsrecht ten gevolge van Wet herziening fiscale behandeling eigen woning
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst
Artikel 17aa. Nadere regeling aflossingsmoment eigenwoningschuld
Indien de over een kalendermaand verschuldigde aflossing van een tot de eigenwoningschuld behorende schuld in de eerste vijf werkdagen van de daaropvolgende kalendermaand wordt gedaan, wordt voor de toepassing van de artikelen 3.119c en 3.119e van de wet het bedrag van deze schuld op de laatste dag van de kalendermaand waarover de aflossing verschuldigd was, verminderd met die aflossing.
Onder werkdagen als bedoeld in het eerste lid worden verstaan alle dagen van het jaar met uitzondering van zaterdagen, zondagen, algemeen erkende feestdagen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet, de Goede Vrijdag en 1 mei.
Hoofdstuk 5. Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen (hoofdstuk 5 van de wet)
Hoofdstuk 8. Heffingskorting
Hoofdstuk 9. Wijze van heffing (hoofdstuk 9 van de wet)
Hoofdstuk 10. Overgangsrecht
Hoofdstuk 10bis. Overgangsrecht ten gevolge van Wet herziening fiscale behandeling eigen woning
Artikel 45f. Definitie starterslening
Onder een starterslening als bedoeld in artikel 10bis.1, tweede lid, onderdeel f, van de wet wordt verstaan een lening ter verwerving van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 van de wet, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- a. de belastingplichtige koopt voor de eerste maal een eigen woning;
- b. de belastingplichtige heeft tegenover de Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten aannemelijk gemaakt dat hij op het moment van aangaan van de lening volgens de toen geldende normen van de Nationale Hypotheek Garantie het geleende bedrag niet anders kon financieren dan door middel van een lening van de Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten;
- c. de looptijd van de lening is ten hoogste 360 maanden;
- d. op zowel deze lening als op de lening die naast deze lening wordt afgesloten is de Nationale Hypotheek Garantie van toepassing;
- e. de lening is bij authentieke notariële akte verstrekt;
- f. gedurende de eerste drie jaar na het aangaan van de lening bestaat geen verplichting tot aflossing of rentebetaling;
- g. na de periode van drie jaar, bedoeld in onderdeel f, dient de lening door de belastingplichtige volgens een ten minste annuïtair schema in maximaal 324 maanden te worden afgelost en dient de over de lening verschuldigde rente te worden betaald, tenzij uit een hertoetsing van het inkomen door de Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten blijkt dat de belastingplichtige deze lasten niet kan dragen, in welk geval aan de hand van de hertoetsing een aangepaste door de leningnemer te betalen maandlast met betrekking tot de lening wordt vastgesteld; en,
- h. de hertoetsing, bedoeld in onderdeel g, vindt volgens het contract in ieder geval plaats na drie, zes, tien en vijftien jaar na het moment van aangaan van de lening voor zover niet reeds is gebleken dat de leningnemer de bij de lening behorende rente- en aflossingslasten kan dragen.
Artikel 45g. Verdeling spaarrekening eigen woning en beleggingsrecht eigen woning bij meer dan één gerechtigde
Ingeval een spaarrekening eigen woning meer dan één rekeninghouder heeft, wordt het tegoed van de rekening in gelijke delen toegerekend aan die rekeninghouders.
Ingeval een beleggingsrecht eigen woning meer dan één eigenaar heeft, wordt de waarde van het recht in gelijke delen toegerekend aan die eigenaren.
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen (hoofdstuk 11 van de wet)
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen (hoofdstuk 11 van de wet)
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst
Artikel 45abis. Bijzondere regels voor voorlopige aanslagen ter zake van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
Voor de toepassing van artikel 9.5a van de wet wordt voor het kalenderjaar 2026:
- a. het percentage voor banktegoeden vastgesteld op 1,28%;
- b. het percentage voor schulden vastgesteld op 2,70%.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)