Vreemdelingencirculaire 2000 (A)

Type Circulaire
Publication 2026-08-11
Laatst bijgewerkt 2026-08-14
State In force
Source BWB
artikelen 31
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het is mogelijk om een vreemdeling in vreemdelingenbewaring te stellen op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel d, Vw, indien deze een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde. Voor vreemdelingenbewaring op deze grond is het niet noodzakelijk dat er sprake is van een risico op onderduiken. Bij het bepalen of een vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde kunnen de volgende omstandigheden worden betrokken:

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV stelt de vreemdeling tijdig in kennis van het recht om in het bijzijn van een advocaat gehoord te worden. Als de vreemdeling een advocaat bij het gehoor wenst en een voorkeursadvocaat heeft, dan wordt de voorkeursadvocaat bericht over de voorgenomen inbewaringstelling. Als de voorkeursadvocaat niet bereikbaar is, wordt de piketcentrale bericht over de voorgenomen inbewaringstelling. Bij een hernieuwde inbewaringstelling als bedoeld in paragraaf A5/6.8 Vc kan dit bericht verzonden worden naar de advocaat die de vreemdeling in de eerdere bewaringsprocedure al bijstond.

Er mag met het gehoor worden begonnen zonder bijzijn van een advocaat indien de vreemdeling:

Indien de vreemdeling wordt gehoord in het bijzijn van een advocaat, wordt de advocaat op diens verzoek in de gelegenheid gesteld om na afloop van het gehoor een zienswijze te geven over de voorgenomen inbewaringstelling.

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV moet op verzoek van de advocaat van de vreemdeling een kopie van de beschikking tot vreemdelingenbewaring (model M109, M109-A, M109-B of M109-C) en van het proces-verbaal van gehoor (model M110) geven.

6.7. De vorm waarin de maatregel wordt opgelegd

Wanneer aan de in vreemdelingenbewaring te stellen vreemdeling ook een terugkeerbesluit, eventueel in combinatie met een inreisverbod (zie paragraaf A4/2 Vc), wordt uitgereikt, vindt uitreiking daarvan plaats voorafgaand aan of gelijktijdig met de maatregel van vreemdelingenbewaring. Voor het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring moet gebruik worden gemaakt van model M109, M109-A, M109-B of M109-C. Bij het opleggen van de maatregel wordt tevens de informatiefolder ‘Waarom bent u in bewaring gesteld?’ uitgereikt. Deze folder is opgesteld in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal en wordt voorzien van een overzicht van de van toepassing zijnde feitelijke en juridische gronden.

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV moet afschriften maken van de beschikking waarbij de vreemdelingenbewaring, het terugkeerbesluit en/of inreisverbod opgelegd is. De afschriften zijn uitsluitend bedoeld voor de volgende belanghebbenden:

Nadat er beroep is ingesteld tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel en de vreemdeling zit nog altijd in vreemdelingenbewaring, vraagt de IND de rechtbank om het beroep zo spoedig als mogelijk te behandelen.

Als de vreemdelingenbewaring wordt opgeheven door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV omdat de bewaring niet of niet langer rechtmatig, is het mogelijk om de vreemdeling onmiddellijk aansluitend aan de opheffing opnieuw op een andere bewaringsgrond in vreemdelingenbewaring te stellen. Voor het opnieuw opleggen van een maatregel van vreemdelingenbewaring moet sprake zijn van gewijzigde omstandigheden, op grond waarvan een hernieuwde inbewaringstelling gerechtvaardigd is. Van gewijzigde omstandigheden is onder andere sprake als de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn of op korte termijn voorhanden zullen zijn, terwijl die er ten tijde van de eerste inbewaringstelling niet waren.

Bij hernieuwde inbewaringstelling op een andere bewaringsgrond moet de vreemdeling in beginsel ook opnieuw gehoord worden (zie paragraaf A5/6.5 Vc). Daarnaast geldt ook voor de nieuwe maatregel van vreemdelingenbewaring dat de rechtbank hiervan onverwijld in kennis gesteld moet worden. Bij hernieuwde inbewaringstelling dient de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV altijd een afschrift van model M109, M109-A, M109-B of M109-C te verzenden naar de IND, zodat de rechtbank onverwijld ambtshalve in kennis gesteld kan worden.

DTenV stelt dit besluit op en reikt deze aan de vreemdeling uit. In het verlengingsbesluit wordt nagegaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de vreemdelingenbewaring zijn, of de vreemdelingenbewaring voor de vreemdeling onredelijk bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat.

De vreemdelingenbewaring of vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 of 59 Vw duurt niet langer dan zes maanden, met een mogelijkheid deze te verlengen met twaalf maanden. DTenV ziet toe op naleving van deze termijnen en past daarbij artikel 88 van het WvSr analoog toe. Een maand geldt daarbij als 30 dagen.

6.9. Voorlopige voorziening

Bij een verlenging van de termijn op grond van artikel 59, zesde lid, Vw wordt de periode van inbewaringstelling op grond van artikel 59a of artikel 59b Vw buiten beschouwing gelaten. De periode van inbewaringstelling op grond van artikel 59a of artikel 59b Vw telt niet mee, omdat deze inbewaringstelling niet uitzetting als doel heeft. De periode van inbewaringstelling op grond van artikel 59a of artikel 59b Vw wordt wel betrokken bij de kenbare belangenafweging, die door DTenV in het model M120 gemaakt wordt na zes maanden inbewaringstelling.

Als er redenen zijn om de vreemdelingenbewaring of vrijheidsontnemende maatregel met een termijn van maximaal twaalf maanden te verlengen moet DTenV de vreemdeling voor het verstrijken van de zes maanden vreemdelingenbewaring van de verlenging met een verlengingsbesluit op de hoogte stellen.

DTenV stelt dit besluit op en reikt deze aan de vreemdeling uit. In het verlengingsbesluit wordt nagegaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de vreemdelingenbewaring zijn, of de vreemdelingenbewaring voor de vreemdeling onredelijk bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat.

Van het verlengingsbesluit wordt onverwijld ambtshalve een kennisgeving verzonden aan de rechtbank.

Indien vanwege eerdere periodes van vreemdelingenbewaring, bij het opleggen van een nieuwe maatregel van vreemdelingenbewaring aanleiding bestaat om de bewaringstermijn met twaalf maanden te verlengen, wordt het besluit tot verlenging van de termijn door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV opgenomen in de maatregel van bewaring.

De vreemdelingenbewaring of vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6a of 59a Vw kan (conform artikel 45 Asiel- en migratiebeheerverordening) na de datum waarop het verzoek tot overname is aanvaard of de kennisgeving inzake terugname is bevestigd door de verantwoordelijke lidstaat (afhankelijk van de vraag of beroep is ingesteld en of dat beroep opschortende werking heeft) nog maximaal 5 weken voortduren.

Zie paragraaf A5/6.3 Vc voor de duur van de vreemdelingenbewaring van een AMbV-claimant die in vreemdelingenbewaring is gesteld omdat onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen de termijn die geldt op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

6.10. Voorlopige voorziening

Als een vreemdeling tijdens de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, 6a, 59 of 59a Vw een verzoek om een voorlopige voorziening indient met als doel het opschorten van de uitzetting of overdracht, moet DTenV in overleg met de IND nagaan of de behandeling van dit verzoek in Nederland afgewacht mag worden. Als de behandeling van het verzoek afgewacht mag worden en de vreemdelingenbewaring voortduurt, vraagt de IND de rechtbank om het verzoek om een voorlopige voorziening zo spoedig als mogelijk te behandelen.

Als de vreemdelingenbewaring wordt opgeheven door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV omdat de bewaring niet of niet langer rechtmatig, is het mogelijk om de vreemdeling onmiddellijk aansluitend aan de opheffing opnieuw op een andere bewaringsgrond in vreemdelingenbewaring te stellen. Voor het opnieuw opleggen van een maatregel van vreemdelingenbewaring moet sprake zijn van gewijzigde omstandigheden, op grond waarvan een hernieuwde inbewaringstelling gerechtvaardigd is. Van gewijzigde omstandigheden is onder andere sprake als de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn of op korte termijn voorhanden zullen zijn, terwijl die er ten tijde van de eerste inbewaringstelling niet waren.

Als een redelijk vermoeden bestaat dat de in vreemdelingenbewaring gestelde vreemdeling misbruik maakt van een van de volgende rechten:

om zijn verwijdering uit Nederland te belemmeren, of om zich aan de verdere vreemdelingenbewaring te onttrekken, wordt de uitoefening van deze rechten beperkt door de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen.

6.13. Tenuitvoerlegging strafrechtelijk vonnis tijdens de vrijheidsontneming

6.13. Het overbrengen en ophouden na strafrechtelijke detentie

Deze termijn vangt aan met het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring of vrijheidsontnemende maatregel en eindigt zodra de vreemdeling de politiecel heeft verlaten voor het vervoer naar een gespecialiseerde inrichting voor vreemdelingenbewaring.

Als de termijn van vierentwintig uur wordt overschreden, moet uit het overdrachtsdossier blijken welke omstandigheden tot overschrijding van deze termijn hebben geleid.

6.12. Plaatsing in een justitiële inrichting

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet zo spoedig mogelijk na inbewaringstelling een verzoek tot plaatsing indienen bij DJI. Tegelijkertijd met het verzoek tot plaatsing wordt Sigma, het digitale vreemdelingenbeeld bijgewerkt met de gegevens van de betreffende vreemdeling. Als de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen een verzoek om plaatsing van de vreemdeling wil annuleren, licht de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen DJI direct in. Zodra van DJI bericht ontvangen is in welke justitiële inrichting de vreemdeling gaat verblijven, zendt de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen schriftelijk het dossier van de vreemdeling betreffende de inbewaringstelling aan de directeur van die justitiële inrichting.

Indien vanwege eerdere periodes van vreemdelingenbewaring, bij het opleggen van een nieuwe maatregel van vreemdelingenbewaring aanleiding bestaat om de bewaringstermijn met twaalf maanden te verlengen, wordt het besluit tot verlenging van de termijn door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV opgenomen in de maatregel van bewaring.

Het moet worden voorkomen dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring worden gesteld. Als een vreemdeling na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring gesteld moet worden omdat feitelijk vertrek aansluitend aan de strafrechtelijke detentie niet mogelijk is, deelt de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen aan de vreemdeling tijdens de strafrechtelijke detentie mee dat hij bij beëindiging van zijn strafrechtelijke detentie op grond van artikel 50, tweede of derde lid, dan wel artikel 50a, eerste lid, Vw naar een plaats bestemd voor verhoor wordt overgebracht. Hier wordt de vreemdeling geïnformeerd over de verdere te volgen procedure. Deze mededeling wordt, met gebruikmaking van model M122, aan de vreemdeling uitgereikt. Aan de directeur van de inrichting waarin de vreemdeling zich bevindt moet een afschrift van model M122 worden gestuurd. De ambtenaar moet ook van de toepassing van dit artikel proces-verbaal (zie model M105-A) opmaken.

Zie paragraaf A5/6.3 Vc voor de duur van de vreemdelingenbewaring van een AMbV-claimant die in vreemdelingenbewaring is gesteld omdat onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen de termijn die geldt op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

6.10. Voorlopige voorziening

Als een vreemdeling tijdens de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, 6a, 59 of 59a Vw een verzoek om een voorlopige voorziening indient met als doel het opschorten van de uitzetting of overdracht, moet DTenV in overleg met de IND nagaan of de behandeling van dit verzoek in Nederland afgewacht mag worden. Als de behandeling van het verzoek afgewacht mag worden en de vreemdelingenbewaring voortduurt, vraagt de IND de rechtbank om het verzoek om een voorlopige voorziening zo spoedig als mogelijk te behandelen.

6.11. Tenuitvoerlegging

Van model M113 moet altijd:

6.1. Het Protocol Identificatie en Labeling

6.1. Het Protocol Identificatie en Labeling

Heeft de vreemdeling Nederland verlaten en keert hij terug, dan moet de vreemdeling opnieuw in vreemdelingenbewaring worden gesteld, in beginsel door een hulpofficier van justitie van het politiekorps die verantwoordelijk was voor de eerdere vreemdelingenbewaring dan wel door een hulpofficier van het politiekorps van de regio waarbinnen de desbetreffende grensdoorlaatpost is gelegen. De toegang tot Nederland wordt niet geweigerd, ook al voldoet de vreemdeling niet aan de voorwaarden voor toegang. De toegang tot Nederland wordt wel geweigerd als er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling toegang heeft verkregen tot zijn eigen land of een derde land.

Deze termijn vangt aan met het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring of vrijheidsontnemende maatregel en eindigt zodra de vreemdeling de politiecel heeft verlaten voor het vervoer naar een gespecialiseerde inrichting voor vreemdelingenbewaring.

5.3. Inhoud van het verzoek

Indien het beroep tegen het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel of het voortduren daarvan ongegrond is verklaard dan wel indien het beroep niet ongegrond is verklaard maar de vrijheidsontnemende maatregel desondanks nog voortduurt, stuurt de IND telkens uiterlijk achtenzestig dagen na de dagtekening van de uitspraak van de rechtbank een kennisgeving aan de rechtbank. Deze kennisgeving geldt als (vervolg)beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel.

De vreemdeling kan ook altijd zelf een (vervolg)beroep als bedoeld in artikel 96 Vw instellen bij de rechtbank tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel.

DTenV stuurt uiterlijk op dag drie na indiening van het beroep (voortgangs)gegevens met betrekking tot de uitzetting naar de IND via een procesverwijzing in de BVV.

Als uit de uitspraak van de rechtbank op het beroep blijkt dat de vreemdelingenbewaring moet worden opgeheven, informeert de IND direct de DTenV. Hierbij overlegt de IND zo nodig met de DTenV in verband met het in te dienen hoger beroep of het verzoek om een voorlopige voorziening.

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV heft de vreemdelingenbewaring op met gebruikmaking van het model M113. Hiertoe richt deze ambtenaar een schriftelijk verzoek om invrijheidstelling aan de directeur van de justitiële inrichting, vergezeld van een model M113. De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV zendt een afschrift van model M113 naar de DTenV.

Als tijdens de vreemdelingenbewaring bekend wordt dat een strafrechtelijk vonnis of arrest nog niet ten uitvoer is gelegd, wordt voor zover de tenuitvoerlegging is toegelaten, een vonnis of arrest zo snel mogelijk ten uitvoer gelegd. In verband hiermee moet de Korpschef, de Commandant der KMar, de Dienst Terugkeer en Vertrek of de directeur van de justitiële inrichting zodra hij op de hoogte is van een strafrechtelijk vonnis contact opnemen met het CJIB over de executie van het vonnis.

1. Vreemdelingen die onder de Screeningsverordening vallen

Artikel 1 Screeningsverordening regelt welke vreemdelingen onder de werking van de Screeningsverordening vallen en daarmee gescreend moeten worden.

Het gaat enerzijds om screening aan de EU-buitengrens (paragraaf A6/3 Vc) waarbij de vreemdeling:

6.4.1. Gegevens

2. Screening aan de buitengrens

Screening op het grondgebied wordt uitgevoerd door de IND.

Als een vreemdeling wordt onderworpen aan een nationale strafrechtelijke procedure of uitleveringsprocedure en in het kader van binnenlands toezicht wordt aangetroffen, dan zal de screeningsautoriteit de vreemdeling niet aan screening onderwerpen gelet op de mogelijkheid die volgt uit artikel 18, zesde lid, Screeningsverordening.

Zowel voor screening aan de buitengrens als voor screening op het grondgebied geldt dat deze achterwege kan blijven of mag worden onderbroken indien een vreemdeling het EU-grondgebied verlaat om naar het land van oorsprong terug te keren, of indien de vreemdeling vrijwillig terugkeert naar een ander derde land indien de terugkeer naar dat andere land is toegelaten.

6.3.5. Verzoek signalering in (N)SIS

De vreemdeling kan ook altijd zelf een (vervolg)beroep als bedoeld in artikel 96 Vw instellen bij de rechtbank tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel.

DTenV stuurt uiterlijk op dag drie na indiening van het beroep (voortgangs)gegevens met betrekking tot de uitzetting naar de IND via een procesverwijzing in de BVV.

De KMar is aangewezen als screeningsautoriteit aan de buitengrens voor de identificatie, registratie en het uitvoeren van een veiligheidscontrole en voorlopige kwetsbaarheidsbeoordeling bij vreemdelingen die zich aan de buitengrens melden en voldoen aan de criteria onder paragraaf A6/1 Vc.

De locatie Schiphol luchthaven wordt aangewezen als screeningslocatie voor screening aan de buitengrens ingevolge artikel 8 van de Screeningsverordening. Onderdelen van de screening kunnen echter ook op andere locaties plaatsvinden.

De vreemdeling wordt doorverwezen naar de relevante vervolgprocedure door de functionaris van de KMar. Als de vreemdeling een asielwens heeft geuit, wordt de beslissing om toegangsweigering uitgesteld conform het bepaalde in paragraaf A6/7.3 Vc en wordt een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

De vreemdeling wordt voor het voortzetten van de screening overgebracht naar het aanmeldcentrum Schiphol. De voorlopige medische controle wordt uitgevoerd door gekwalificeerd medisch personeel van de Dienst Justitiële Inrichtingen. Na afronding van de screening wordt de vreemdeling in beginsel doorverwezen naar de asielgrensprocedure (paragraaf C1/3.3 Vc).

Artikel 1 Screeningsverordening regelt welke vreemdelingen onder de werking van de Screeningsverordening vallen en daarmee gescreend moeten worden.

De KMar verleent toegang tot het grondgebied aan een niet-begeleide minderjarige die aan de buitengrens een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel doet. Tevens wordt een beschikbaarheidsaanwijzing in de zin van artikel 55 Vw opgelegd (middels model M117-C). voor de screening en de daaropvolgende asielprocedure. Vervolgens wordt de niet-begeleide minderjarige met gecontroleerd vervoer vervoerd naar de screeningslocatie op het grondgebied.

Op de screeningslocatie op het grondgebied vervolgt de screeningsprocedure als beschreven in paragraaf 4.

Van vorenstaande procedure kan worden afgeweken bij de niet-begeleide minderjarige die een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid of wanneer er aanwijzingen zijn dat de gestelde minderjarige mogelijk meerderjarig is. Dan zal worden bezien of aanleiding bestaat toepassing te geven aan paragraaf A7/3.1 Vc en door te verwijzen naar de asielgrensprocedure (paragraaf C1/3.3 en paragraaf C2/2 Vc). Dat is met name aan de orde als minder dwingende alternatieve maatregelen niet doeltreffend kunnen worden toegepast.

Screening op het grondgebied wordt uitgevoerd door de IND.

In het uitzonderingsgeval dat de vreemdeling een die aan de buitengrens een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel doet aan de buitengrens, maar niet in de asielgrensprocedure opgenomen kan worden verleent de KMar toegang tot het grondgebied (paragraaf C1/3.3 en paragraaf C2/2 Vc). Tevens wordt een beschikbaarheidsaanwijzing in de zin van artikel 55 Vw opgelegd (middels model M117-C) voor de screening en de daaropvolgende asielprocedure. Vervolgens wordt de vreemdeling met gecontroleerd vervoer vervoerd naar de screeningslocatie op het grondgebied.

6.4.3. De beschikking

3. Vreemdeling aangetroffen in het kader van binnenlands toezicht

Ook vreemdelingen die in het kader van binnenlands toezicht worden aangetroffen door de KMar of AVIM vallen onder de Screeningsverordening indien de criteria onder paragraaf A6/1 Vc gelden.

De vreemdeling die zich zelf bij een Nederlandse autoriteit, niet zijnde de IND, meldt een aangeeft asiel te willen aanvragen wordt doorverwezen naar de IND waarna het proces onder paragraaf A6/4 Vc of de relevante onderdelen onder hoofdstuk C1 Vc volgen.

4.1. Algemeen

Wanneer de vreemdeling naar de screeningslocatie op het grondgebied wordt overgebracht legt AVIM of KMar de beschikbaarheidsaanwijzing op als bedoeld in artikel 55 Vw (middels model M117-C).

Als blijkt dat de vreemdeling al eerder gescreend is en het EU-grondgebied nadien niet heeft verlaten, dan wordt de vreemdeling verwezen naar het aanmeldcentrum. Daar volgt dan het OVA-proces dan wel het proces voor de registratie en indiening van opvolgende aanvragen (afhankelijk van de vraag of de vreemdeling een eerste asielverzoek indient of een opvolgende aanvraag).

Voor alle categorieën onder paragraaf A6/3 Vc geldt dat indien vreemdelingenbewaring noodzakelijk is om de vreemdeling beschikbaar te houden een bewaringsmaatregel wordt opgelegd (artikel 59b Vw). In dat geval volgt de procedure voor registratie en indiening van de asielaanvraag zoals beschreven paragraaf C1/3.4 Vc.

De processtappen in paragraaf A1/5.2 en paragraaf 5.3 Vc hoeven niet in onderstaande volgorde uitgevoerd te worden.

De KMar verleent toegang tot het grondgebied aan een niet-begeleide minderjarige die aan de buitengrens een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel doet. Tevens wordt een beschikbaarheidsaanwijzing in de zin van artikel 55 Vw opgelegd (middels model M117-C). voor de screening en de daaropvolgende asielprocedure. Vervolgens wordt de niet-begeleide minderjarige met gecontroleerd vervoer vervoerd naar de screeningslocatie op het grondgebied.

Als de vreemdeling zich op de screeningslocatie op het grondgebied meldt en nog niet eerder een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend start de fase van het ontvangen en voorbereiden asielaanvraag (verder OVA-fase). Tijdens deze fase beoordeelt de IND als screeningsautoriteit of de vreemdeling onder de werking van de Screeningsverordening valt.

4.2. Screening en ontvangen en voorlichten van de vreemdeling

Indien de Screeningsverordening niet van toepassing is en de vreemdeling een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel wil indienen volgt het OVA-proces ingevolge A6/5 Vc dan wel het proces voor de registratie en indiening van opvolgende aanvragen ingevolge C1 Vc afhankelijk van de vraag of de vreemdeling een eerste asielverzoek indient of een opvolgende aanvraag.

De processtappen in paragraaf A1/5.2 en paragraaf 5.3 Vc hoeven niet in onderstaande volgorde uitgevoerd te worden.

De vreemdeling ontvangt een aanwijzing als bedoeld in artikel 55, eerste lid, Vw middels model M117-C, met de aanwijzing dat hij zich voor de screeningsprocedure en aansluitend voor de asielprocedure beschikbaar moet houden. Indien de vreemdeling zich niet houdt aan het opgelegde beschikbaarheidsregime, dan kan een verder gaande vrijheidsbeperkende maatregel of vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd.

Het IND-aanmeldcentrum te Ter Apel wordt aangewezen als screeningslocatie voor screening op het grondgebied in gevolge artikel 8 van de Screeningsverordening. Onderdelen van de screening kunnen echter ook op andere locaties plaatsvinden.

Ook vreemdelingen die in het kader van binnenlands toezicht worden aangetroffen door de KMar of AVIM vallen onder de Screeningsverordening indien de criteria onder paragraaf A6/1 Vc gelden.

De IND als screeningsautoriteit ontvangt de vreemdeling en voert de volgende handelingen uit:

4.3.1. Algemeen

De vreemdeling meldt verder het doel van zijn aanmelding en of de vreemdeling eerder gescreend is door een andere lidstaat of reeds bekend is in Nederland.

6.6. Bezwaar en beroep

Zo nodig kan de IND besluiten een opname van een taalindicatie van de aanvrager af te nemen. Deze informatie kan worden gebruikt om te bepalen of er een taalanalyse wordt opgestart en kan worden betrokken bij de voorbereiding en planning van de asielprocedure.

4.3. Uitvoeren controles als bedoeld in artikel 8 Screeningsverordening

Op grond van artikel 75, onder c, Vw staat tegen een terugkeerbesluit dat wordt aangevuld met een inreisverbod beroep open bij de rechtbank ’s-Gravenhage (de vreemdelingenkamer). Het indienen van een beroepschrift leidt er niet toe dat de werking van de beschikking hangende de behandeling van het beroepsschrift wordt opgeschort. De beschikking heeft dus onmiddellijke werking (zie artikel 6:16 Awb).

Onderstaande controles kunnen in verschillende volgordes worden uitgevoerd:

6.7. Stellen van aantekeningen

De IND vult het screeningsformulier in overeenkomstig artikel 17, Screeningsverordening. De OVA-fase wordt afgerond met de registratie van de asielaanvraag ingevolge C1/2 Vc waarbij gebruik wordt gemaakt van de tijdens de screening verkregen informatie.

7.1. Algemeen

4.3.2. Identificatie en verificatie van de identiteit van de vreemdeling en registratie van biometrische gegevens

Identificatie en verificatie van de identiteit van de vreemdeling vindt op grond van artikel 14, eerste lid, Screeningsverordening plaats aan de hand van:

Na de eerste registratie neemt de IND biometrie af van de vreemdeling (gelaatsscan en gerolde vingerafdrukken). Na afname van de biometrie zullen deze gegevens worden gebruikt voor bevragingen en registraties in diverse nationale en internationale databanken (artikel 14 Screeningsverordening).

Op basis van de resultaten uit Eurodac wordt bepaald of de vreemdeling nog niet eerder is gescreend in een andere lidstaat. Indien geconcludeerd wordt dat de vreemdeling al eerder is gescreend, en daarmee niet onder de Screeningsverordening valt, wordt de identificatie en registratie in het kader van de registratie van de asielaanvraag (zie artikel 27 Asielprocedureverordening) uitgevoerd. Zie verder paragraaf C1/2 Vc.

De IND neemt originele reis- en identiteitsdocumenten van de vreemdeling in voor onderzoek door de KMar en/of Bureau Documenten van de IND naar de authenticiteit van deze documenten. De vreemdeling ontvangt:

Na onderzoek draagt de KMar de reis- en identiteitsdocumenten over aan de IND samen met een rapport van bevindingen. De IND neemt het rapport van bevindingen op in het dossier van de vreemdeling. De IND houdt originele reis- en identiteitsdocumenten in bewaring gedurende de asielprocedure en tot eventuele uitzetting van de vreemdeling. Indien het onderzoek van de KMar uitwijst dat de documenten vals of vervalst zijn worden deze in beslag genomen.

De IND neemt ook andere beschikbare bewijsmiddelen in. Wanneer vereist wordt direct onderzoek naar de authenticiteit van documenten gestart. Wanneer het eerste onderzoek geen bijzonderheden uitwijst worden deze documenten geretourneerd aan de vreemdeling aan het einde van de OVA-fase. Indien nodig wordt nader onderzoek uitgezet bij Bureau Documenten. Nader onderzoek van documenten is onderdeel van de hoor- en beslisfase van de asielprocedure.

De IND neemt een kopie van de reis- en identiteitsdocumenten en van de andere beschikbare bewijsmiddelen op in het dossier van de aanvrager. De IND zendt de resultaten van onderzoek zo snel mogelijk na ontvangst aan de vreemdeling of zijn gemachtigde en geeft de onderzochte bewijsmiddelen terug aan de vreemdeling. De IND geeft de bewijsmiddelen niet terug aan de vreemdeling als de IND heeft geconcludeerd dat de bewijsmiddelen vals of vervalst zijn.

4.3.3. Veiligheidscontrole

De veiligheidscontrole vindt plaats op grond van artikel 15 Screeningsverordening en kan zowel betrekking hebben op de vreemdeling als de voorwerpen die hij bij zich draagt.

4.3.5. Screeningsformulier

Signalen van kwetsbaarheid, medische behoeften, veiligheidsrisico’s of andere relevante signalen kunnen gedurende de hele OVA-fase zowel door de vreemdeling worden gemeld als door elke medewerker worden opgemerkt en geregistreerd in interne aantekeningen, en indien vereist worden gedeeld binnen de keten.

De IND biedt de vreemdeling een voorlopige medische controle aan als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, aanhef en onder a, en artikel 12 Screeningsverordening. Dit medisch onderzoek wordt uitgevoerd door medisch gekwalificeerd personeel van Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA). Dit onderzoek vindt plaats na de OVA-fase op de aan de vreemdeling toegewezen COA-opvanglocatie. De uitkomst van de medische controle wordt niet gedeeld met de IND. De IND registreert wel of het onderzoek heeft plaatsgevonden.

4.4. Vervolgstappen

Indien de IND aanwijzingen heeft dat bij de vreemdeling medische problematiek aanwezig is die van aanmerkelijke invloed kan zijn bij het horen en beslissen, kan de IND een medisch onderzoek in de zin van artikel 20, vierde lid, Procedureverordening aanbieden (zie paragraaf C3/5.1 Vc). Deelname aan het medisch advies is vrijwillig.

Identificatie en verificatie van de identiteit van de vreemdeling vindt op grond van artikel 14, eerste lid, Screeningsverordening plaats aan de hand van:

De IND maakt een screeningsformulier op als bedoeld in artikel 17 Screeningsverordening. Dit screeningsformulier is als model M142 opgenomen in de Vc.

De vreemdeling wordt in staat gesteld om te reageren indien er (vermeende) onjuistheden op het screeningsformulier staan. Eventuele opmerkingen van de vreemdeling worden toegevoegd aan het screeningsformulier.

De IND neemt originele reis- en identiteitsdocumenten van de vreemdeling in voor onderzoek door de KMar en/of Bureau Documenten van de IND naar de authenticiteit van deze documenten. De vreemdeling ontvangt:

De IND-medewerker checkt alle beschikbare informatie, die door de vreemdeling is aangeleverd of door de IND op andere wijze is verkregen (paragraaf A1/5.2 en 3 Vc). Zo nodig zorgen IND en vreemdeling voor aanvulling van de gegevens.

De IND informeert de vreemdeling vervolgens over de mogelijke vervolgprocedures (indienen asielaanvraag of terugkeer) en over eventuele opvang door het COA.

De vreemdeling ontvangt:

4.3.3. Veiligheidscontrole

De veiligheidscontrole vindt plaats op grond van artikel 15 Screeningsverordening en kan zowel betrekking hebben op de vreemdeling als de voorwerpen die hij bij zich draagt.

7.1. Het Protocol Identificatie en Labeling

De identificatie en registratie van de vreemdeling met behulp van biometrische gegevens (de afname van vingerafdrukken en een gezichtsopname) geschiedt door de ketenpartners, die belast zijn met de uitvoering van het vreemdelingenbeleid en de handhaving van de vreemdelingenwet- en regelgeving en aanverwante wet- en regelgeving, op de wijze als voorgeschreven in het Protocol Identificatie en Labeling.

10. Ongewenstverklaring

2.5. De vorm

Indien de IND aanwijzingen heeft dat bij de vreemdeling medische problematiek aanwezig is die van aanmerkelijke invloed kan zijn bij het horen en beslissen, kan de IND een medisch onderzoek in de zin van artikel 20, vierde lid, Procedureverordening aanbieden (zie paragraaf C3/5.1 Vc). Deelname aan het medisch advies is vrijwillig.

4.3.5. Screeningsformulier

De IND maakt een screeningsformulier op als bedoeld in artikel 17 Screeningsverordening. Dit screeningsformulier is als model M142 opgenomen in de Vc.

9. EU-/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden

In weerwil van hetgeen in artikel 67, derde lid Vw is bepaald, heeft een vreemdeling die ongewenst is verklaard rechtmatig verblijf indien hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw heeft ingediend (of te kennen heeft gegeven een dergelijke aanvraag in te willen dienen) zolang op die aanvraag nog niet is beslist.

10.2. Gronden voor ongewenstverklaring

De IND informeert de vreemdeling vervolgens over de mogelijke vervolgprocedures (indienen asielaanvraag of terugkeer) en over eventuele opvang door het COA.

10.1. Inleiding

Als de vreemdeling kenbaar maakt dat hij een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel wil dienen, dan volgt de registratie en indiening van de asielaanvraag. De registratie en indiening van de asielaanvraag vormen onderdeel van de OVA-fase, maar zijn geen onderdeel van screening. Zie verder paragraaf C1/2 Vc.

A7. Registratie en identificatie

Indien een vreemdeling terbeschikking is gesteld (zie artikel 37a WvSr) kan dit met zich meebrengen dat het verblijfsrecht eerst bij verlenging van die maatregel met toepassing van de glijdende schaal kan worden beëindigd en tot ongewenstverklaring kan worden overgegaan. De verlenging kan immers betekenen dat wordt voldaan aan de betreffende norm van artikel 3.86, tweede lid, Vb. Zo spoedig mogelijk nadat een rechterlijk vonnis waarin verlenging van de TBS-maatregel is uitgesproken onherroepelijk is geworden zal (opnieuw) worden beoordeeld of tot ongewenstverklaring kan worden overgegaan.

De identificatie en registratie van de vreemdeling met behulp van biometrische gegevens (de afname van vingerafdrukken en een gezichtsopname) geschiedt door de ketenpartners, die belast zijn met de uitvoering van het vreemdelingenbeleid en de handhaving van de vreemdelingenwet- en regelgeving en aanverwante wet- en regelgeving, op de wijze als voorgeschreven in het Protocol Identificatie en Labeling.

Ten aanzien van deze grond vallen drie categorieën te onderscheiden:

2.7. De duur

3. Verblijf

Het is niet vereist dat de uitspraak of strafbeschikking waarbij de vreemdeling is veroordeeld wegens een misdrijf onherroepelijk is geworden.

Om te kunnen spreken van gevaar voor de nationale veiligheid is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de AIVD. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere de Dienst IPOL, ((inter)nationale) ministeries of inlichtingendiensten.

Voor zover deze vreemdelingen een aanvraag indienen of hebben ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning of afgifte van een mvv, wordt die aanvraag afgewezen (zie B1/4.4.1).

3.2. Het doel

Een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, kan in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst worden verklaard. Hierbij kan worden gedacht aan de vreemdelingen van wie het verblijf is geweigerd dan wel is beëindigd op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

Bij de toepassing van artikel 67 Vw worden de persoonlijke belangen van de vreemdeling zorgvuldig afgewogen tegen het algemene belang, dat uit een oogpunt van openbare orde met de ongewenstverklaring is gediend.

Indien wordt overgegaan tot ongewenstverklaring van een vreemdeling is, ook bij eerste toelating – tenzij ook de gezinsleden Nederland (moeten) hebben verlaten – steeds sprake van inmenging.

Daarbij wordt beoordeeld of die inmenging gerechtvaardigd is op grond van artikel 8, tweede lid, EVRM. Hiertoe wordt een belangenafweging gemaakt tussen het belang van de vreemdeling en het belang van de Staat. De omstandigheden die bij deze belangenafweging worden betrokken zijn opgenomen in B2/10.2.3.

Voor zover deze vreemdelingen een aanvraag indienen of hebben ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning of afgifte van een mvv, wordt die aanvraag afgewezen (zie B1/4.4.1).

Een vreemdeling die in één van de Benelux- of Schengenstaten ongewenst is verklaard, kan op een met redenen omkleed verzoek van één der lidstaten ook voor de andere lidstaten ongewenst worden verklaard.

3.4. De toepassing

Het verdient aanbeveling dat de vreemdelingenpolitie of de KMar, in een zo vroeg mogelijk stadium bericht omtrent de antecedenten van de vreemdeling en dat zij niet wachten tot de invrijheidsstelling van de vreemdeling aanstaande is. Ten behoeve van de afstemming tussen de betrokken ketenpartners zijn in dit kader werkafspraken vastgelegd in het protocol VRIS (zie A4/10.1).

10.3.2. Voorbereiding

10.3.1. Indienen van een voorstel

Aan de hoorplicht ingevolge de Awb wordt in beginsel door de vreemdelingenpolitie uitvoering gegeven.

De vreemdelingenpolitie of de KMar geeft in ieder geval uitvoering aan de hoorplicht indien

10.3.2. Voorbereiding

Door de vreemdeling genoemde personen, die volgens zijn verklaring iets in zijn voordeel zouden kunnen aanvoeren, moeten zoveel mogelijk (schriftelijk) worden gehoord. Een vlotte en goede besluitvorming is ermee gediend dat bij een voorstel of advies tot verblijfsbeëindiging tevens aan de IND alle relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot de mogelijke ongewenstverklaring zo uitvoerig mogelijk worden belicht (zie model M63).

10.3.2. Voorbereiding

Overeenkomstig artikel 4:7 en 4:8 Awb wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en daarbij feiten en omstandigheden naar voren te brengen die naar zijn mening bij de besluitvorming moeten worden betrokken (zie B1/9.7.2).

Zie voor de toepasselijke algemene regels voor het uitreiken van beschikkingen B1/9.7.7.1.

De vreemdelingenpolitie of de KMar geeft in ieder geval uitvoering aan de hoorplicht indien

10.3.4. Bezwaar en beroep

Door de vreemdeling genoemde personen, die volgens zijn verklaring iets in zijn voordeel zouden kunnen aanvoeren, moeten zoveel mogelijk (schriftelijk) worden gehoord. Een vlotte en goede besluitvorming is ermee gediend dat bij een voorstel of advies tot verblijfsbeëindiging tevens aan de IND alle relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot de mogelijke ongewenstverklaring zo uitvoerig mogelijk worden belicht (zie model M63).

Het indienen van een bezwaarschrift leidt er niet toe dat de werking van de beschikking hangende de behandeling van het bezwaarschrift wordt opgeschort. De beschikking heeft dus onmiddellijke werking (zie artikel 6:16 Awb).

10.3.6. Stellen van aantekeningen

10.3.6. Stellen van aantekeningen

Het stellen van een dergelijke aantekening kan onder omstandigheden gevolgen hebben voor de doorreis of toelating tot een derde land. Indien door deze aantekening de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating tot, een derde land zou worden bemoeilijkt, mag de aantekening omtrent ongewenstverklaring niet in het document voor grensoverschrijding worden aangetekend (zie artikel 4.34, derde lid, Vb). De hier bedoelde aantekening luidt: ‘ongewenst verklaard op (datum beschikking Minister)’. Aantekeningen mogen nimmer worden geplaatst in de grensoverschrijdingsdocumenten of identiteitsbewijzen van asielzoekers (zie A3/5.2.1).

Van deze uitreiking wordt door de vreemdelingenpolitie of de KMar een proces-verbaal opgemaakt. Bij de uitreiking van (het afschrift van) de beschikking wordt door de vreemdelingenpolitie of de KMar tevens een brochure in een voor de betrokkene begrijpelijke taal met betrekking tot de ongewenstverklaring ex artikel 67 Vw verstrekt. Dezelfde dag wordt een afschrift van de beschikking gezonden aan de gemachtigde, zo er een gemachtigde is.

Voor wat betreft de signalering van de ongewenstverklaring ex artikel 67 Vw in de systemen wordt verwezen naar A3/9.2.

Indien uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet kan plaatsvinden en bekend is dat de vreemdeling niet langer op het laatst bekende adres woont, wordt de beschikking – met de brochure – aan de in Nederland kantoor houdende gemachtigde gezonden, zo die er is en wordt van de beschikking mededeling gedaan in de Stcrt.

Indien zodanige gemachtigde er niet is, niet bekend is, of stelt niet of niet langer gemachtigde te zijn, wordt volstaan met de bekendmaking van de beschikking door mededeling ervan in de Stcrt.

10.3.4. Bezwaar en beroep

De ongewenstverklaring wordt op verzoek in ieder geval opgeheven indien er sinds de ongewenstverklaring en het vertrek van de vreemdeling tien jaren (een geweldsdelict, een opiumdelict of een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd), vijf jaren (ingeval van een ander misdrijf), of één jaar (ingeval van het bij herhaling begaan van een bij de Vw strafbaar gesteld feit) is verstreken en de vreemdeling gedurende die periode niet aan strafvervolging ter zake van een misdrijf is onderworpen.

Bij de vaststelling van de bovengrens is er vanuit gegaan dat na het verstrijken van de termijn het gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid (in aanvaardbare mate) is geweken dan wel dat het algemeen belang van de Staat, dat is gediend met de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, in redelijkheid dient te wijken voor het persoonlijk belang van de vreemdeling.

5.2.1. De bevoegdheid

10.3.6. Stellen van aantekeningen

Een verzoek om opheffing van een ongewenstverklaring op grond van een gevaar voor de nationale veiligheid kan alleen worden ingewilligd indien de vreemdeling sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit Nederland ten minste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven. Indien op grond van een ambtsbericht van de AIVD kan worden vastgesteld dat de vreemdeling nog steeds een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, dan zal de ongewenstverklaring worden gehandhaafd.

In voorkomende gevallen kan ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (buitenlandse) ministeries of inlichtingendiensten.

10.3.7. Signalering in verband met de ongewenstverklaring

Voor wat betreft de signalering van de ongewenstverklaring ex artikel 67 Vw in de systemen wordt verwezen naar A3/9.2.

De aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring wordt ingediend bij de IND, wordt ondertekend en bevat ten minste de naam en het volledige adres van de vreemdeling, de dagtekening en de aanduiding dat verzocht wordt om opheffing van de maatregel van ongewenstverklaring (zie A5/4).

De aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring wordt ingediend bij de IND, wordt ondertekend en bevat ten minste de naam en het volledige adres van de vreemdeling, de dagtekening en de aanduiding dat verzocht wordt om opheffing van de maatregel van ongewenstverklaring (zie A5/4).

Bij de aanvraag dient de vreemdeling in ieder geval de volgende informatie te leveren (zie artikel 6.6 vierde lid, Vb):

5.1. Het doel van de maatregelen van artikel 57, 58 en 59 Vw

Bij de vaststelling van de bovengrens is er vanuit gegaan dat na het verstrijken van de termijn het gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid (in aanvaardbare mate) is geweken dan wel dat het algemeen belang van de Staat, dat is gediend met de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, in redelijkheid dient te wijken voor het persoonlijk belang van de vreemdeling.

Als uitgangspunt geldt dat slechts in de volgende drie situaties gesproken kan worden van bijzondere feiten en omstandigheden, die mogelijk een opheffing van de ongewenstverklaring rechtvaardigen:

De bijzondere feiten en omstandigheden zijn gelegen in het recht om hier te lande het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM te kunnen uitoefenen.

In het geval de ongewenstverklaarde vreemdeling in Nederland wenst te verblijven bij familie- en gezinsleden waarvan één of meer rechtmatig verblijf hebben, wordt beoordeeld of het niet-opheffen van de ongewenstverklaring strijdig is met artikel 8 EVRM. Dit betekent dat beoordeeld wordt of op de Nederlandse Staat de verplichting rust om het bestaand familie- en gezinsleven hier te lande mogelijk te maken.

10.4.2. De vorm van de aanvraag

Nu bovenstaande omstandigheden reeds betrokken zijn bij de beoordeling of betrokkene ongewenst kon worden verklaard, en hieraan niet in de weg hebben gestaan, wordt bij de beoordeling omtrent de aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring gekeken of er een wijziging in deze omstandigheden is opgetreden. Immers, indien er geen wijziging is in de feiten en omstandigheden ten opzichte van de datum van de in rechte onaantastbare beschikking tot ongewenstverklaring, kan in redelijkheid niet worden gezegd dat er aan het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring bijzondere feiten en omstandigheden ten grondslag liggen.

Als sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden, wordt vervolgens beoordeeld of deze feiten en omstandigheden bijzonder zijn. Hiervan is sprake als aan het persoonlijk belang van de ongewenstverklaarde vreemdeling bij familie- en gezinsleven hier te lande in redelijkheid meer gewicht toegekend dient te worden dan aan het algemeen belang van de Staat, dat is gediend met de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Dit kan bijvoorbeeld gelegen zijn in een objectieve belemmering om de wijze waarop het familie- en gezinsleven gedurende de ongewenstverklaring wordt uitgeoefend voort te zetten (zie B2/13.2.3.4). Bij de beoordeling van de aangevoerde gewijzigde feiten en omstandigheden op hun bijzonderheid, wordt altijd de duur van het verblijf buiten Nederland afgezet tegen de duur van de opgelegde ongewenstverklaring.

Indien een ongewenst verklaarde vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat juist hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM, dan wel artikel 3 Antifolterverdrag, zal hij niet worden uitgezet naar het land van herkomst. Bij de beoordeling wordt het bepaalde in C2/3 betrokken.

10.4.3. De inhoud van de aanvraag

In deze gevallen wordt bij het nemen van het besluit beoordeeld:

De term duurzaam onder a. houdt ten eerste in dat de vreemdeling zich op het moment dat het besluit wordt genomen reeds gedurende tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland in de situatie bevindt dat hij wegens schending van artikel 3 EVRM niet kan worden uitgezet, te rekenen vanaf datum eerste asielaanvraag. De term duurzaam houdt verder in dat er geen vooruitzicht is op verandering in deze situatie binnen niet al te lange termijn. Voor een positieve beantwoording van de vraag onder a. dient de vreemdeling tot slot aannemelijk te hebben gemaakt dat vertrek naar een ander land dan het land van herkomst ondanks voldoende inspanningen van de vreemdeling om te voldoen aan zijn vertrekplicht niet mogelijk is.

Indien de toets onder a. leidt tot een bevestigend antwoord, kan dit leiden tot de proportionaliteitstoets onder b. Hiervoor dient de vreemdeling aannemelijk te hebben gemaakt dat hij zich in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt. Aan de hand van deze door de vreemdeling aangedragen elementen wordt beoordeeld of het handhaven van de ongewenstverklaring disproportioneel is.

5.3.1. Het doel

5.2.3. De tenuitvoerlegging

Instandhouding van de ongewenstverklaring, terwijl de vreemdeling op grond van deze bepalingen in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, zou een schending opleveren van Richtlijn 2004/83/EG.

10.4.5. De beslissing op de aanvraag en de signalering

De IND beslist op een aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring. Indien de aanvraag niet wordt ingewilligd kan de vreemdeling of zijn gemachtigde hiertegen bezwaar maken. Indien de aanvraag wordt ingewilligd wordt de signalering “ONGEW” uit de systemen verwijderd (zie A3/9.2).

Als sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden, wordt vervolgens beoordeeld of deze feiten en omstandigheden bijzonder zijn. Hiervan is sprake als aan het persoonlijk belang van de ongewenstverklaarde vreemdeling bij familie- en gezinsleven hier te lande in redelijkheid meer gewicht toegekend dient te worden dan aan het algemeen belang van de Staat, dat is gediend met de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Dit kan bijvoorbeeld gelegen zijn in een objectieve belemmering om de wijze waarop het familie- en gezinsleven gedurende de ongewenstverklaring wordt uitgeoefend voort te zetten (zie B2/13.2.3.4). Bij de beoordeling van de aangevoerde gewijzigde feiten en omstandigheden op hun bijzonderheid, wordt altijd de duur van het verblijf buiten Nederland afgezet tegen de duur van de opgelegde ongewenstverklaring.

10.5.1. Inleiding

Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring ingevolge artikel 6.7 Vb kan slechts plaatsvinden in zeer uitzonderlijke en dringende gevallen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld omtrent de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in Nederland.

10.5.2. Vorm van het verzoek

Een verzoek tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring dient schriftelijk bij de IND te worden ingediend. Het dient afkomstig te zijn van de vreemdeling zelf, van zijn gemachtigde, of van een instantie die stelt een bijzonder belang te hebben bij de komst van betrokkene naar Nederland. In het laatste geval kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het OM of een internationaal straftribunaal. Als het verzoek wordt ingediend door het OM dient het te zijn ondertekend door een Hoofdofficier van Justitie. In het geval van bijvoorbeeld een internationaal straftribunaal moet de ondertekening geschieden door iemand van het niveau van een Hoofdofficier van Justitie. Ook een rechter kan een verzoek ondertekenen om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring.

Indien de toets onder a. leidt tot een bevestigend antwoord, kan dit leiden tot de proportionaliteitstoets onder b. Hiervoor dient de vreemdeling aannemelijk te hebben gemaakt dat hij zich in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt. Aan de hand van deze door de vreemdeling aangedragen elementen wordt beoordeeld of het handhaven van de ongewenstverklaring disproportioneel is.

Het verzoek dient minimaal de volgende gegevens te bevatten:

Indien een ongewenstverklaarde vreemdeling een asielaanvraag indient en aannemelijk maakt dat hij verdragsvluchteling is, dan wel dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw, moet de ongewenstverklaring worden opgeheven en aan hem op grond van artikel 3.105b Vb, respectievelijk artikel 3.105e Vb, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend. Dit is slechts dan niet van toepassing als de vreemdeling zich heeft schuldig gemaakt aan openbare-ordeverstoringen als omschreven in voornoemde bepalingen of als artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is.

10.5.4. Beoordeling van het verzoek

In onderstaande, niet uitputtende lijst, zijn verblijfsdoelen weergegeven die kunnen leiden tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring. De bewijslast voor het aannemelijk maken van zijn verblijfsdoel ligt bij de vreemdeling. Voor alle omstandigheden geldt dat de vreemdeling na afloop onverwijld Nederland dient te verlaten.

10.5.5. Voorwaarden aan de tijdelijke opheffing

Aan de overkomst van de vreemdeling naar Nederland moeten voorwaarden worden gesteld.

Ten aanzien van een vreemdeling wiens ongewenstverklaring tijdelijk is opgeheven dient sprake te zijn van een gecontroleerde in- en uitreis van het Nederlands grondgebied via een buitengrens. Ook dient tijdens het verblijf van de vreemdeling in Nederland toezicht op hem te worden uitgeoefend. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring gaat gepaard met tijdelijke toegangsverlening aan een gesignaleerde vreemdeling op grond van artikel 5, vierde lid, onder c, SGC. Daarbij dient de handelwijze te worden gehanteerd zoals beschreven in A3/9.6.4.

De ambtenaren belast met de grensbewaking worden door de IND op de hoogte gesteld van de komst van de vreemdeling naar Nederland. Bij vertrek van de vreemdeling uit Nederland moeten de ambtenaren belast met de grensbewaking de IND van het moment van het daadwerkelijke vertrek op de hoogte stellen. Hoe het toezicht op de vreemdeling tijdens zijn verblijf in Nederland moet worden ingericht, dient per individueel geval te worden bezien. Dit hangt onder meer af van de ernst van de onderliggende feiten die tot de ongewenstverklaring hebben geleid en van de reden waarom de vreemdeling in Nederland is. De toe te passen vorm van toezicht moet worden afgestemd met de instantie die om het verblijf van de vreemdeling in Nederland heeft verzocht. Gedacht kan worden aan een vorm van beperking van bewegingsvrijheid op grond van artikel 56, eerste lid, Vw en artikel 5.1 Vb.

De ambtenaren belast met de grensbewaking worden door de IND op de hoogte gesteld van de komst van de vreemdeling naar Nederland. Bij vertrek van de vreemdeling uit Nederland moeten de ambtenaren belast met de grensbewaking de IND van het moment van het daadwerkelijke vertrek op de hoogte stellen. Hoe het toezicht op de vreemdeling tijdens zijn verblijf in Nederland moet worden ingericht, dient per individueel geval te worden bezien. Dit hangt onder meer af van de ernst van de onderliggende feiten die tot de ongewenstverklaring hebben geleid en van de reden waarom de vreemdeling in Nederland is. De toe te passen vorm van toezicht moet worden afgestemd met de instantie die om het verblijf van de vreemdeling in Nederland heeft verzocht. Gedacht kan worden aan een vorm van beperking van bewegingsvrijheid op grond van artikel 56, eerste lid, Vw en artikel 5.1 Vb.

10.6.1. Inleiding

Artikel 8.7 Vb geeft aan welke vreemdelingen onder welke omstandigheden onder de toepassing van het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen. Het gaat hier om:

5.3.3.2. Het belang van de nationale veiligheid

Ongewenstverklaring ex artikel 67 Vw van een vreemdeling genoemd in artikel 8.7 Vb kan met toepassing van artikel 8.22 Vb geschieden om redenen van openbare orde of openbare veiligheid.

In onderstaande, niet uitputtende lijst, zijn verblijfsdoelen weergegeven die kunnen leiden tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring. De bewijslast voor het aannemelijk maken van zijn verblijfsdoel ligt bij de vreemdeling. Voor alle omstandigheden geldt dat de vreemdeling na afloop onverwijld Nederland dient te verlaten.

Er dient sprake te zijn van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving door uitsluitend de persoonlijke gedragingen van de EU-/EER-onderdaan, de Zwitserse onderdaan en zijn familielid als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb (zie artikel 8.22, eerste lid, sub a, Vb).

5.3.4. De procedure

10.5.6. Inreis, toezicht en uitreis

Het rechtmatig verblijf wordt echter niet beëindigd en de vreemdeling wordt niet ongewenst verklaard, bij een verblijfsduur van ten minste tien jaren of indien de vreemdeling minderjarig is, tenzij verwijdering noodzakelijk is in het belang van het kind (zie artikel 8.22, derde lid, Vb en B10).

Indien dwingende redenen van openbare veiligheid daartoe nopen, kan echter weer wel tot beëindiging van het rechtmatig verblijf en tot ongewenstverklaring worden overgegaan.

Bij de voorbereiding van de beschikking tot beëindiging van het rechtmatig verblijf dienen in overweging te worden genomen (zie artikel 28, eerste lid, Richtlijn 2004/38):

10.6.3. Procedurele aspecten ongewenstverklaring

Zie voor de procedurele aspecten met betrekking tot de ongewenstverklaring A5/3.

10.6.4. Opheffing van de ongewenstverklaring

Ongewenstverklaring ex artikel 67 Vw van een vreemdeling genoemd in artikel 8.7 Vb kan met toepassing van artikel 8.22 Vb geschieden om redenen van openbare orde of openbare veiligheid.

10.6.2. Ongewenstverklaring

Of er sprake is van het verstrijken van een redelijke termijn is afhankelijk van de individuele omstandigheden. Die termijn kan korter zijn dan drie jaren, maar ook langer. Een aanvraag die ten minste drie jaren na effectuering van de verwijdering is ingediend, leidt derhalve niet automatisch tot opheffing van de ongewenstverklaring.

De om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsdbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van de vreemdeling. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd (zie artikel 27, tweede lid, Richtlijn 2004/38).

10.6.4.2. Vorm van de aanvraag

Het rechtmatig verblijf wordt echter niet beëindigd en de vreemdeling wordt niet ongewenst verklaard, bij een verblijfsduur van ten minste tien jaren of indien de vreemdeling minderjarig is, tenzij verwijdering noodzakelijk is in het belang van het kind (zie artikel 8.22, derde lid, Vb en B10).

Bij de aanvraag voert de vreemdeling argumenten aan om te bewijzen dat er een wijziging in materiële zin is opgetreden in de omstandigheden die het besluit rechtvaardigden om jegens hem een verwijderingsmaatregel uit te vaardigen, een en ander als bedoeld in artikel 32 van Richtlijn 2004/38, welke op 29 april 2006 is geïmplementeerd. Hierbij dient te worden gedacht aan:

Het kan voorkomen dat een vreemdeling in een individueel geval aanvullende gegevens en bescheiden zal moeten overleggen, ofwel deze eigener beweging overlegt.

Het staat de vreemdeling uiteraard vrij andere dan de hierboven genoemde gegevens en bescheiden te overleggen ten bewijze van het feit dat er een wijziging in materiële zin is opgetreden in de omstandigheden die het besluit rechtvaardigden om jegens hem een verwijderingsmaatregel uit te vaardigen.

10.6.4.4. De beslissing op de aanvraag

10.6.4. Opheffing van de ongewenstverklaring

De beschikking op de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring moet worden gegeven uiterlijk binnen zes maanden na de datum van indiening van de aanvraag (zie artikel 8.22, vijfde lid, Vb).

6. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

Of er sprake is van het verstrijken van een redelijke termijn is afhankelijk van de individuele omstandigheden. Die termijn kan korter zijn dan drie jaren, maar ook langer. Een aanvraag die ten minste drie jaren na effectuering van de verwijdering is ingediend, leidt derhalve niet automatisch tot opheffing van de ongewenstverklaring.

10.6.4.2. Vorm van de aanvraag

5.3.4. De procedure

Vanwege het ingrijpende karakter dient de toepassing van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel beperkt te blijven tot het strikt noodzakelijke. Steeds zal nagegaan moeten worden of met een lichter middel volstaan kan worden. De beginselen van proportionaliteit (doelmatigheid) en subsidiariteit (toepassen lichter middel indien mogelijk) dienen voortdurend in acht genomen te worden. Voorts is de uitvoering van deze maatregelen met strikte waarborgen omkleed.

Tegen een besluit tot het opleggen van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel kan de vreemdeling beroep instellen bij de rechtbank (zie artikel 93 Vw). Het indienen van bezwaar of administratief beroep tegen deze maatregelen is niet mogelijk (zie artikel 75 en 77 Vw).

10.6.4.4. De beslissing op de aanvraag

Het staat de vreemdeling uiteraard vrij andere dan de hierboven genoemde gegevens en bescheiden te overleggen ten bewijze van het feit dat er een wijziging in materiële zin is opgetreden in de omstandigheden die het besluit rechtvaardigden om jegens hem een verwijderingsmaatregel uit te vaardigen.

De Vw kent vijf maatregelen van vrijheidsbeperking:

Naast de vrijheidsbeperkende maatregelen kent de wet vier vrijheidsontnemende maatregelen:

De beschikking op de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring moet worden gegeven uiterlijk binnen zes maanden na de datum van indiening van de aanvraag (zie artikel 8.22, vijfde lid, Vb).

1.2.1. Mededeling aan de IND

De ambtenaar belast met grensbewaking, de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen of de hulpofficier van justitie die een vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, artikel 58 of artikel 59 Vw oplegt, dient de IND door middel van model M19 of M110-A daarvan op de eerste dag van het opleggen van de maatregel op de hoogte te brengen (zie artikel 5.6 Vb). Deze mededeling aan de IND dient ook plaats te vinden indien een dergelijke maatregel inmiddels is opgeheven.

Het vreemdelingentoezicht en het terugkeerbeleid maken deel uit van het door de overheid gevoerde vreemdelingenbeleid. De terugkeer van vreemdelingen is in veel gevallen het sluitstuk van het binnenlandse vreemdelingentoezicht. Om deze taken van toezicht en terugkeer te realiseren kan de overheid gebruik maken van vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen.

Op verzoek van de vreemdeling wordt zo spoedig mogelijk mededeling van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, 58of 59 Vw gedaan aan zijn naaste verwanten en aan een in Nederland gevestigde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de staat waarvan hij onderdaan is.

5.3.4.3. De vorm waarin de maatregel wordt opgelegd

Wordt een vrijheidsontnemende maatregel aan een minderjarige opgelegd dan wordt daarvan, als daartoe de gelegenheid bestaat, ambtshalve zo spoedig mogelijk mededeling gedaan aan degenen die de ouderlijke macht of de voogdij over die minderjarige uitoefenen, voorzover die zich in Nederland bevinden. Is dat niet mogelijk, dan zal de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging hier te lande ingelicht worden.

De in de vorige alinea’s vermelde verplichting rust op de ambtenaar die de maatregel oplegt.

1.3. Aanmelding vreemdeling

1.3. Aanmelding vreemdeling

Naast de vrijheidsbeperkende maatregelen kent de wet vier vrijheidsontnemende maatregelen:

Zie artikel 5.5 Vb. Voor het lichten van strafrechtelijk gedetineerde vreemdelingen wordt verwezen naar A4/10.1.

Gedurende de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontneming op grond van artikel 6, 58 of 59 Vw kan de vreemdeling voor korte duur naar elders (bijvoorbeeld politiebureau, brigade van KMar, een ambassade of consulaat etc.) overgebracht worden, indien dit redelijkerwijs nodig is voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de Vw. De opdracht tot lichten kan door een hulpofficier van justitie gegeven worden. Van deze mogelijkheid kan gebruik gemaakt worden bijvoorbeeld om de vreemdeling te horen of te presenteren bij een diplomatieke vertegenwoordiging in verband met de uitvoering van de Vw. Hierbij dienen de volgende voorwaarden in acht te worden genomen:

3.4. Aanvragen om toelating als vluchteling

1.5. Vrijheidsontnemende maatregelen bij minderjarigen

Vrijheidsontneming is een ingrijpende maatregel. De toepassing daarvan moet daarom tot het strikt noodzakelijke beperkt blijven. Een versterkte mate van terughoudendheid dient te worden betracht bij vrijheidsontneming van minderjarigen. Zulks brengt met zich mee dat er extra aandacht zal moeten zijn voor de mogelijkheid van het gebruik van minder ingrijpende maatregelen dan vrijheidsontneming. Zie ook A6/1.6 voor vrijheidsbeperkende- dan wel een vrijheidsontnemende maatregelen bij gezinnen met minderjarige kinderen. Bij aannemelijke twijfel omtrent de leeftijd van vreemdelingen die stellen minderjarig te zijn kan een leeftijdsonderzoek worden ingesteld volgens de daarvoor geldende protocollen (zie de website van de IND).

De volgende regels zijn van toepassing:

Indien het voornemen bestaat een uitzondering te maken op a – c vindt overleg tussen de inbewaringstellende instantie en de DT&V plaats.

1.6. gezinnen met minderjarige kinderen

Ten aanzien van gezinnen met minderjarige kinderen wordt zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in plaats van een vrijheidsontnemende maatregel om het vertrek voor te bereiden (zie A6/4.3.5). Onder het begrip ‘gezin’ wordt hier verstaan ten minste één ouder of een wettelijk verzorger die in de voogdij voorziet, die samen met één of meer minderjarige kinderen feitelijk een gezin vormt.

Indien sprake is van een gezin met twee ouders en het gevaar van onttrekking aan het toezicht of de uitzetting bestaat, wordt zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel aan één ouder. Aan de overige gezinsleden wordt in dat geval een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Desalniettemin kan het gehele gezin de vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd, ongeacht of sprake is van een één- of tweeoudergezin, in geval het gezin de toegang tot Nederland – en daarmee het Schengengebied – is geweigerd, dit in het belang van een effectieve grensbewaking. Vrijheidsontneming van het gehele gezin blijft verder beperkt tot die situaties waarin gedwongen vertrek op korte termijn kan worden gerealiseerd. De beschikbaarheid van het gezin kan in dat geval noodzakelijk worden geacht en kan grond vormen om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. In de regel wordt aangenomen dat het gedwongen vertrek op korte termijn realiseerbaar is op het moment dat reisdocumenten beschikbaar zijn of op korte termijn beschikbaar zullen zijn.

Nu de vrijheidsontnemende maatregel slechts aan gezinnen kan worden opgelegd wanneer het noodzakelijk is dat de beschikbaarheid van het gehele gezin is gegarandeerd, kan de duur van de vrijheidsontneming beperkt blijven. Zie A6/2.7 voor de maximale duur bij vrijheidsontneming op grond van artikel 6 Vw en de gronden waarop deze termijn kan worden overschreden. Zie A6/5.3.5 voor de maximale duur bij vrijheidsontneming op grond van artikel 59 Vw en de gronden waarop deze termijn kan worden overschreden. De termijnen hebben overigens uitsluitend betrekking op vrijheidsontneming van het gezin. Deze maximale termijnen zijn niet van toepassing in geval slechts aan één ouder de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd terwijl de overige gezinsleden een vrijheidbeperkende maatregel is opgelegd.

Zie artikel 5.5 Vb. Voor het lichten van strafrechtelijk gedetineerde vreemdelingen wordt verwezen naar A4/10.1.

1.7. Gescheiden plaatsen van strafrechtelijk gedetineerden en vreemdelingen

De op grond van artikel 6, 58 of 59 Vw opgelegde maatregel blijft gedurende de tijd dat de vreemdeling gelicht is van kracht.

De volgende regels zijn van toepassing:

De vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd, dient krachtens artikel 5 Vw Nederland onmiddellijk te verlaten. Deze verplichting geldt niet indien de vreemdeling een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of 33 Vw indient (zie artikel 5, derde lid, Vw). Aan een geweigerde vreemdeling kan op grond van artikel 6 Vw een vrijheidsbeperkende of -ontnemende maatregel worden opgelegd.

De volgende regels zijn van toepassing:

2.3. De bevoegdheid

De in artikel 46 Vw genoemde ambtenaren belast met grensbewaking zijn bevoegd tot het opleggen van de verplichting aan een geweigerde vreemdeling om zich op te houden in een aangewezen ruimte of plaats (zie artikel 6, eerste lid, Vw).

Ten aanzien van gezinnen met minderjarige kinderen wordt zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in plaats van een vrijheidsontnemende maatregel om het vertrek voor te bereiden (zie A6/4.3.5). Onder het begrip ‘gezin’ wordt hier verstaan ten minste één ouder of een wettelijk verzorger die in de voogdij voorziet, die samen met één of meer minderjarige kinderen feitelijk een gezin vormt.

2.4. De toepassing

Verstekelingen (met uitzondering van de asielzoekers) dienen zoveel mogelijk geplaatst te worden aan boord van het schip waarvan zij afkomstig zijn. Deze plaatsing geschiedt op grond van artikel 5, tweede lid en artikel 65 Vw.

De vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd en die een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indient, kan de maatregel van artikel 6, eerste en/of tweede lid, Vw opgelegd worden. Voor de toepassing van deze maatregel bij deze categorie vreemdelingen wordt verwezen naar C9/2.1.1.1 en 2.1.1.2.

2.1. De maatregelen op grond van artikel 6 Vw

Aan een gezin met één of meer minderjarige kinderen dat de toegang is geweigerd kan een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw worden opgelegd indien aanleiding bestaat om aan te nemen dat het vertrek binnen twee weken kan worden gerealiseerd. Gelet op het belang van de grensbewaking en de mogelijkheid van het realiseren van het vertrek op korte termijn is het dan noodzakelijk dat de beschikbaarheid van het gezin is gegarandeerd. Om die reden is het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel aan het gezin in beginsel geïndiceerd. Indien het vertrek naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking niet binnen twee weken kan worden gerealiseerd zal in beginsel worden volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, Vw.

Indien tenminste één van de gezinsleden een asielaanvraag indient en deze aanvraag binnen de algemene asielprocedure kan worden afgedaan, zal de vrijheidsontnemende maatregel worden toegepast gedurende de asielprocedure. Zie C9/2.1.1.1 en 2.1.1.2 voor de toepassing van de maatregel op grond van artikel 6, eerste of tweede lid, Vw bij vreemdelingen die de toegang tot Nederland zijn geweigerd en die een asielaanvraag indienen. Zie A6/2.7 voor de duur van de maximale termijn die geldt bij vrijheidsontneming van gezinnen met minderjarige kinderen.

De vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd, dient krachtens artikel 5 Vw Nederland onmiddellijk te verlaten. Deze verplichting geldt niet indien de vreemdeling een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of 33 Vw indient (zie artikel 5, derde lid, Vw). Aan een geweigerde vreemdeling kan op grond van artikel 6 Vw een vrijheidsbeperkende of -ontnemende maatregel worden opgelegd.

Het opleggen van een vrijheidsbeperkende of -ontnemende maatregel op grond van artikel 6 Vw geschiedt bij beschikking model M19. De bevoegde ambtenaar dient een afschrift daarvan uit te reiken aan de vreemdeling, waarbij de inhoud van de beschikking en de mogelijkheid tot het indienen van beroep bij de rechtbank in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal aan hem moeten worden meegedeeld. Bij aanwijzing van een andere ruimte of plaats dient steeds een nieuwe beschikking te worden gemaakt. Als echter om redenen die voortvloeien uit de toepassing van deVw, zoals het afnemen van een gehoor of om medische redenen, tijdelijke overplaatsing (afhankelijk van feiten of omstandigheden, in beginsel ten hoogste 48 uur) van de vreemdeling vanuit de justitiële inrichting of een andere plaats van onderbrenging naar een andere ruimte of plaats nodig is (bijvoorbeeld van een grenslogies naar het AC), dan is de geldende plaatsingsbeschikking van toepassing. Ook het transport naar de aangewezen ruimte of plaats valt onder de gegeven beschikking. In deze gevallen hoeft geen nieuwe plaatsingsbeschikking gemaakt te worden.

Het opleggen van een vrijheidsbeperkende of -ontnemende maatregel op grond van artikel 6 Vw geschiedt bij beschikking model M19. De bevoegde ambtenaar dient een afschrift daarvan uit te reiken aan de vreemdeling, waarbij de inhoud van de beschikking en de mogelijkheid tot het indienen van beroep bij de rechtbank in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal aan hem moeten worden meegedeeld. Bij aanwijzing van een andere ruimte of plaats dient steeds een nieuwe beschikking te worden gemaakt. Als echter om redenen die voortvloeien uit de toepassing van deVw, zoals het afnemen van een gehoor of om medische redenen, tijdelijke overplaatsing (afhankelijk van feiten of omstandigheden, in beginsel ten hoogste 48 uur) van de vreemdeling vanuit de justitiële inrichting of een andere plaats van onderbrenging naar een andere ruimte of plaats nodig is (bijvoorbeeld van een grenslogies naar het AC), dan is de geldende plaatsingsbeschikking van toepassing. Ook het transport naar de aangewezen ruimte of plaats valt onder de gegeven beschikking. In deze gevallen hoeft geen nieuwe plaatsingsbeschikking gemaakt te worden.

2.6. De tenuitvoerlegging

2.4. De toepassing

Voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 6, eerste lid, Vw geldt geen regime.

5.3.7.2. Tenuitvoerlegging strafrechtelijke vonnis tijdens bewaring

De vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd en die een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indient, kan de maatregel van artikel 6, eerste en/of tweede lid, Vw opgelegd worden. Voor de toepassing van deze maatregel bij deze categorie vreemdelingen wordt verwezen naar C9/2.1.1.1 en 2.1.1.2.

2.7. De duur

De maatregel en de duur daarvan zal, mede gelet op het bepaalde in artikel 94 Vw, binnen 42 dagen getoetst worden door de rechtbank. De rechtbank zal alsdan toetsen of de maatregel voldoet aan het gestelde doel en of de maatregel bij afweging van alle belangen gerechtvaardigd is.

5.3.8. De beëindiging

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)