Vreemdelingencirculaire 2000 (A)
Als de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen van oordeel is dat er gronden zijn voor de ongewenstverklaring van een vreemdeling, dan dient deze ambtenaar onmiddellijk een voorstel tot ongewenstverklaring in bij de IND, door middel van toezending van model M63 of een ander gemotiveerd schrijven. Bij het model M63 of het gemotiveerde schrijven voegt de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen alle gegevens en bewijsmiddelen die voor de beoordeling van het voorstel tot ongewenstverklaring relevant kunnen zijn. De IND beschouwt in ieder geval afschriften van processen-verbaal als relevant.
Als de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen van oordeel is dat er gronden zijn voor de ongewenstverklaring van een vreemdeling, dan dient deze ambtenaar onmiddellijk een voorstel tot ongewenstverklaring in bij de IND, door middel van toezending van model M63 of een ander gemotiveerd schrijven. Bij het model M63 of het gemotiveerde schrijven voegt de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen alle gegevens en bewijsmiddelen die voor de beoordeling van het voorstel tot ongewenstverklaring relevant kunnen zijn. De IND beschouwt in ieder geval afschriften van processen-verbaal als relevant.
Als op andere wijze dan op aangeven van de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, is gebleken dat er gronden zijn voor de ongewenstverklaring van een vreemdeling, besluit de IND ambtshalve tot ongewenstverklaring.
De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geeft uitvoering aan de hoorplicht zoals neergelegd in artikel 4:7 en artikel 4:8 Awb in ieder geval in de volgende situaties:
2.5.6. Van rechtswege vervallen
De IND geeft uitvoering aan de hoorplicht zoals neergelegd in artikel 4:7 en artikel 4:8 Awb in andere dan de genoemde situaties.
Hoe het besluit tot ongewenstverklaring bekend wordt gemaakt is afhankelijk van de situatie en welke gegevens bekend zijn (zie artikel 67, tweede lid, Vw).
Hoe het besluit tot ongewenstverklaring bekend wordt gemaakt is afhankelijk van de situatie en welke gegevens bekend zijn (zie artikel 67, tweede lid, Vw).
De IND zendt het besluit tot ongewenstverklaring naar de gemachtigde. Daarnaast doet de IND mededeling van het besluit tot ongewenstverklaring in de Staatscourant.
Als de gemachtigde van de vreemdeling niet bekend is of de gemachtigde stelt niet of niet langer gemachtigde te zijn, dan geldt het volgende:
Indien er geen adres van de vreemdeling is, wordt volstaan met de mededeling van de beschikking in de Staatscourant.
De vreemdeling die ongewenst is verklaard, mag niet langer in Nederland verblijven. De vreemdeling moet Nederland direct verlaten en mag ook niet meer terug naar Nederland reizen. Het verblijf in Nederland van een vreemdeling die ongewenst is verklaard, is strafbaar op grond van artikel 197 WvSr. Voor wat betreft de signalering wordt verwezen naar paragraaf A2/12.6 Vc.
De vreemdeling die ongewenst is verklaard, mag niet langer in Nederland verblijven. De vreemdeling moet Nederland direct verlaten en mag ook niet meer terug naar Nederland reizen. Het verblijf in Nederland van een vreemdeling die ongewenst is verklaard, is strafbaar op grond van artikel 197 WvSr. Voor wat betreft de signalering wordt verwezen naar paragraaf A2/12.6 Vc.
Er kunnen zich bijzondere feiten en omstandigheden voordoen waarbij het gevaar voor de openbare orde is geweken of het belang van de vreemdeling moet prevaleren vóórdat de van toepassing zijnde duur van de ongewenstverklaring is verstreken. De IND kan het algemeen belang van de Nederlandse Staat uitsluitend laten wijken voor het belang van de vreemdeling als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden in het geval van de vreemdeling die bij de totstandkoming van de algemene regel over opheffing van de ongewenstverklaring niet zijn betrokken.
Bij de toepassing van artikel 6.6, tweede lid, Vb weegt de IND de belangen van de vreemdeling af tegen het algemeen belang van de Nederlandse Staat.
3.6.2. De vorm en inhoud van de aanvraag
Als een vreemdeling die ongewenst verklaard is vanwege gevaar voor de nationale veiligheid een aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring heeft ingediend, willigt de IND deze aanvraag uitsluitend in als de vreemdeling sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit Nederland tien jaren onafgebroken buiten Nederland heeft verbleven.
Als er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling nog steeds een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, wijst de IND de aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring af.
Voor de toepassing van het begrip ‘gevaar voor de nationale veiligheid’, zie paragraaf B1/4.4 Vc.
Er kunnen zich bijzondere feiten en omstandigheden voordoen waarbij het gevaar voor de openbare orde is geweken of het belang van de vreemdeling moet prevaleren vóórdat de van toepassing zijnde duur van de ongewenstverklaring is verstreken. De IND kan het algemeen belang van de Nederlandse Staat uitsluitend laten wijken voor het belang van de vreemdeling als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden in het geval van de vreemdeling die bij de totstandkoming van de algemene regel over opheffing van de ongewenstverklaring niet zijn betrokken.
3.6.2. De vorm en inhoud van de aanvraag
De aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring moet de vreemdeling indienen bij de IND.
De aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring moet de vreemdeling indienen bij de IND.
De vreemdeling hoeft geen verklaring als bedoeld in artikel 6.6 lid 4 onder d Vb over te leggen als het overleggen van deze verklaring niet mogelijk is, bijvoorbeeld vanwege de algemene situatie of het ontbreken van een registratie van gepleegde misdrijven of strafvervolging in het in artikel 6.6 lid 4 onder d Vb bedoelde land.
De IND neemt uitsluitend in de volgende drie situaties aan dat er sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die leiden tot de inwilliging van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring:
De IND neemt uitsluitend in de volgende drie situaties aan dat er sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die leiden tot de inwilliging van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring:
Bij de beoordeling van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring, betrekt de IND in ieder geval alle feiten en omstandigheden die zijn genoemd in de paragrafen B7/3.8 en B9/14 Vc, voor zover deze feiten en omstandigheden sinds de ongewenstverklaring zijn gewijzigd.
In het geval van gewijzigde feiten en omstandigheden, beoordeelt de IND of deze feiten en omstandigheden bijzonder zijn. Hiervan is sprake als aan het belang van de ongewenst verklaarde vreemdeling bij familie- of gezinsleven dan wel privéleven in Nederland meer gewicht moet worden toegekend dan aan het algemeen belang van de Nederlandse Staat. Bij deze beoordeling zet de IND altijd de duur van het verblijf van de vreemdeling buiten Nederland af tegen de tijd die sinds het besluit tot ongewenstverklaring is verstreken.
Als een ongewenst verklaarde vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat zijn terugkeer naar het land van herkomst in strijd is met artikel 3 EVRM, beoordeelt de IND bij het nemen van een besluit op de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring in deze situatie:
De IND neemt aan dat de ongewenstverklaring duurzaam in strijd is met artikel 3 EVRM als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
3.8. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring
3.8.7. Aanvraag van een internationaal strafhof of tribunaal
Als een ongewenstverklaarde vreemdeling een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel indient, beoordeelt de IND of de vreemdeling in aanmerking komt voor deze verblijfsvergunning. De IND verleent de vreemdeling op grond van artikel 3.103aa Vb, respectievelijk artikel 17 en 18 Kwalificatieverordening, een verblijfsvergunning asiel als de vreemdeling:
4.2. Duur besluit tot signalering
De IND heft de ongewenstverklaring niet op en verleent de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel als omschreven in artikel 3.103aa Vb, respectievelijk artikel 17 en 18 Kwalificatieverordening, als:
Als de IND een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel afwijst en de vreemdeling onder het bereik van de Terugkeerrichtlijn valt, heft de IND de ongewenstverklaring
De IND kan op grond van artikel 6.7 Vb in zeer uitzonderlijke en dringende gevallen een ongewenstverklaring tijdelijk opheffen. De IND stelt bij een tijdelijke opheffing voorwaarden aan de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in Nederland. De IND beoordeelt een aanvraag om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring aan de hand van het beleidskader opgenomen in paragraaf A4/3.8.3 t/m A4/3.8.4 Vc. De IND beoordeelt een aanvraag die is ingediend door een internationaal strafhof of tribunaal aan de hand van het specifieke beleidskader in paragraaf A4/3.8.7 Vc.
De IND kan op grond van artikel 6.7 Vb in zeer uitzonderlijke en dringende gevallen een ongewenstverklaring tijdelijk opheffen. De IND stelt bij een tijdelijke opheffing voorwaarden aan de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in Nederland. De IND beoordeelt een aanvraag om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring aan de hand van het beleidskader opgenomen in paragraaf A4/3.8.3 t/m A4/3.8.4 Vc. De IND beoordeelt een aanvraag die is ingediend door een internationaal strafhof of tribunaal aan de hand van het specifieke beleidskader in paragraaf A4/3.8.7 Vc.
Een aanvraag tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring moet schriftelijk bij de IND worden ingediend, door uitsluitend één van de hierna genoemden:
3.6.1. Inleiding
De IND verstaat onder ‘instantie’ in ieder geval het OM of een internationaal strafhof of tribunaal. Als de aanvraag om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring wordt ingediend door het OM, moet een Hoofdofficier van Justitie deze ondertekenen. Als de aanvraag om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring wordt ingediend door een internationaal strafhof of tribunaal, moet een persoon van het niveau van een Hoofdofficier van Justitie, onder wie een rechter, deze ondertekenen.
De aanvraag om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring moet in ieder geval alle volgende gegevens bevatten:
4.3. Opheffing van het besluit tot signalering
De vreemdeling, de gemachtigde van de vreemdeling of een instantie die stelt een bijzonder belang te hebben bij de komst van de vreemdeling naar Nederland geeft aan wat de redenen zijn voor het eventueel niet (kunnen) verstrekken van deze gegevens. De IND betrekt dit bij de beoordeling van de aanvraag.
3.8.3. Beoordeling van de aanvraag
3.6.2. De vorm en inhoud van de aanvraag
De IND weegt bij de beoordeling van de aanvraag om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring altijd de omstandigheden af tegen de ernst en actualiteit van de feiten die aan de ongewenstverklaring ten grondslag hebben gelegen.
De IND neemt uitsluitend aan dat er een noodzaak tot de komst van de vreemdeling bestaat als sprake is van een officiële oproep van het OM of een rechterlijke instantie aan de vreemdeling om te getuigen.
De IND neemt niet aan dat er een noodzaak tot de komst van de vreemdeling bestaat bij:
3.8. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring
In andere zaken dan civiele of een bestuursrechtelijke, waaronder begrepen een vreemdelingrechtelijke, neemt de IND uitsluitend aan dat er een noodzaak tot de komst van de vreemdeling bestaat als:
De vreemdeling moet aannemelijk maken dat sprake is van één van de situaties genoemd onder a, b of c.
3.8.4. Gevaar voor de nationale veiligheid
3.8.6. Binnenkomst, toezicht en vertrek
De IND betrekt bij de beoordeling of de nationale veiligheid in gevaar komt met de komst van de vreemdeling naar Nederland met name de volgende belangen:
De IND maakt bij elke aanvraag een individuele afweging van deze belangen. De IND legt dit voor aan Onze Minister. De IND besluit slechts tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring met instemming van Onze Minister.
Het bovenstaande is van overeenkomstige toepassing op vreemdelingen die om andere redenen dan vanwege nationale veiligheid ongewenst zijn verklaard, maar die op het moment van beoordeling van de aanvraag om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring een gevaar vormen voor de nationale veiligheid.
Aan de komst van de vreemdeling naar Nederland en de tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring stelt de IND alle volgende voorwaarden:
Aan de komst van de vreemdeling naar Nederland en de tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring stelt de IND alle volgende voorwaarden:
3.8.6. Binnenkomst, toezicht en vertrek
De ambtenaar belast met de grensbewaking controleert de binnenkomst in en het vertrek uit Nederland van de vreemdeling van wie de ongewenstverklaring tijdelijk is opgeheven. De IND stelt de ambtenaren belast met de grensbewaking op de hoogte van de komst van de vreemdeling naar Nederland. Bij vertrek van de vreemdeling uit Nederland stellen de ambtenaren belast met de grensbewaking de IND van het moment van het vertrek op de hoogte. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring gaat gepaard met tijdelijke toegangsverlening aan een met het oog op weigering van toegang in het SIS gesignaleerde vreemdeling.
De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen houdt tijdens het verblijf van de vreemdeling in Nederland toezicht op hem. Welke vorm van toezicht geïndiceerd is, beziet de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen per vreemdeling. De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen stemt de toe te passen vorm van toezicht af met de instantie die om het verblijf van de vreemdeling in Nederland heeft verzocht. De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen past in het bijzonder maatregelen, zoals bijvoorbeeld vrijheidsbeperkende maatregelen, toe met het oog op het waarborgen van de nationale veiligheid, als de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.
3.8.7. Aanvraag van een internationaal strafhof of tribunaal
De IND beoordeelt een aanvraag van een internationaal strafhof of tribunaal om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring primair aan de hand van de afspraken tussen Nederland en het tribunaal, zoals bijvoorbeeld vervat in een zetelverdrag of een andere overeenkomst.
3.9. Opheffen ongewenstverklaring bij het aantreffen aan de grens bij uitreis of binnen Nederland
De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verricht bij een vreemdeling die onderdaan is van een derde land, gesignaleerd staat en die in het kader van binnenlands toezicht of bij controle op uitreis wordt aangetroffen in ieder geval de handelingen zoals beschreven in paragraaf A2/12.4.3 Vc. Voor het opleggen van een inreisverbod is paragraaf A4/2 Vc van overeenkomstige toepassing.
Als de IND de ongewenstverklaring opheft, legt de IND een zwaar inreisverbod op als wordt voldaan aan de voorwaarden.
Als niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor een zwaar inreisverbod, legt de IND een licht inreisverbod op in de volgende situaties:
Er gelden aanvullende beleidsregels voor de ongewenstverklaring van:
3.8.3. Beoordeling van de aanvraag
In aanvulling op artikel 67 Vw, artikel 8.18, onder b, Vb en artikel 8.22 Vb gaat de IND over tot ongewenstverklaring van de vreemdeling als bedoeld in deze paragraaf van wie het verblijf is ontzegd of beëindigd op grond van de openbare orde en openbare veiligheid als bedoeld in paragraaf B10/2.8.6 Vc.
4. Het besluit tot signalering
4. Het besluit tot signalering
De IND legt een besluit tot signalering op als:
De IND legt een besluit tot signalering op als:
Er wordt aangenomen dat er in ieder geval sprake is van een bedreiging van de openbare orde of de nationale veiligheid als:
Voor de toepassing van het begrip 'gevaar voor de nationale veiligheid' wordt verwezen naar paragraaf B1/4.4 Vc.
Een inreisverbod en een besluit tot signalering kunnen naast elkaar bestaan. Als een zwaar inreisverbod met de rechtsgevolgen van artikel 66a, zevende lid, Vw is opgelegd, wordt aangenomen dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van een besluit tot signalering.
4.2. Duur besluit tot signalering
4.2. Duur besluit tot signalering
Voor de duur van het besluit tot signalering is het beleid uit paragraaf A4/2.3 Vc van overeenkomstige toepassing.
De vreemdeling toont dit aan bij zijn verzoek tot opheffing van het besluit tot signalering na afloop van de duur van de signalering.
De vreemdeling toont dit aan bij zijn verzoek tot opheffing van het besluit tot signalering na afloop van de duur van de signalering.
4.2.2. Duur signalering bij signalering eerst in E&S, daarna in SIS
De duur van het besluit tot signalering begint te lopen op het moment dat de vreemdeling, die in het SIS gesignaleerd staat, het grondgebied van de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein heeft verlaten.
4. Het besluit tot signalering
De vreemdeling moet hiervoor een verzoek tot opheffing van het besluit tot signalering indienen na afloop van de duur van de signalering. Zie hiervoor paragraaf A4/4.3 Vc.
4.3. Opheffing van het besluit tot signalering
De IND gaat over tot opheffing van het besluit tot signalering als dringende individuele omstandigheden daar aanleiding toe geven. De paragrafen A4/3.5 en A4/3.6 Vc zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
De vreemdeling kan een verzoek tot opheffing van het besluit tot signalering indienen als hij nog niet de vereiste duur buiten het grondgebied van de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein heeft verbleven. De vreemdeling toont aan wanneer hij buiten Nederland, maar binnen het grondgebied van de lidstaten, heeft verbleven tijdens de periode van signalering in E&S.
6.11. Bericht van ontruiming
De IND willigt een aanvraag tot opheffing van een besluit tot signalering dat aan een vreemdeling is opgelegd, omdat hij een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid, overeenkomstig artikel 6.5a, zesde lid, Vb, uitsluitend in als de vreemdeling sinds het uitvaardigen van het besluit tot signalering, en:
4.4. Tijdelijke opheffing van het besluit tot signalering
4.4. Tijdelijke opheffing van het besluit tot signalering
Het beleid dat geldt voor de tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring is van overeenkomstige toepassing op de tijdelijke opheffing van het besluit tot signalering. Zie paragraaf A4/3.7 Vc.
4.5. Bekendmaking besluit tot signalering
De IND kan het besluit tot signalering zowel uitreiken als toezenden.
A5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen waarvan de vrijheid beperkt wordt of waarvan de vrijheid ontnomen wordt.
In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen waarvan de vrijheid beperkt wordt of waarvan de vrijheid ontnomen wordt.
Toepassing van een vrijheidsontnemende maatregel dient beperkt te blijven tot het strikt noodzakelijke en dient achterwege te blijven indien een ander middel effectief kan worden toegepast. Steeds moet worden nagegaan of met een lichter middel volstaan kan worden.
Anders dan bij de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel zoals neergelegd in de Vreemdelingenwet, zal een vrijheidsbeperkende maatregel in de regel niet disproportioneel zijn indien deze nodig is:
Wel moet worden nagegaan of in de gegeven omstandigheden, de door de vreemdeling gestelde belangen zwaarder moeten wegen dan het belang van de overheid bij het beschikbaar houden van de vreemdeling ter voorkoming van het (verder) inreizen van de vreemdeling van Nederlands of Europees grondgebied, De uitvoering van deze maatregelen is met alle volgende waarborgen omkleed:
De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de volgende artikelen:
2. Algemeen
De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV die een vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel (vreemdelingenbewaring) op grond van artikel 6 Vw, artikel 6a Vw, artikel 59 Vw, artikel 59a Vw of artikel 59b Vw oplegt, moet de IND door middel van het bijbehorende model M19, M19A, M19B, M109, M109-A, M109-B of M109-C op de eerste dag van het opleggen van vreemdelingenbewaring op de hoogte brengen. De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV moet de IND door middel van model M113 op de hoogte brengen als de vreemdelingenbewaring is opgeheven.
De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV die een vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel (vreemdelingenbewaring) op grond van artikel 6 Vw, artikel 6a Vw, artikel 59 Vw, artikel 59a Vw of artikel 59b Vw oplegt, moet de IND door middel van het bijbehorende model M19, M19A, M19B, M109, M109-A, M109-B of M109-C op de eerste dag van het opleggen van vreemdelingenbewaring op de hoogte brengen. De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV moet de IND door middel van model M113 op de hoogte brengen als de vreemdelingenbewaring is opgeheven.
De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV moet in verband met de kennisgeving van de IND aan de rechtbank of een beroep van de vreemdeling tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring bij de rechtbank, alle volgende modellen aan de IND verzenden:
2.2. Aanmelding vreemdeling
2.2. Aanmelding vreemdeling
Bij de uitzetting van een vreemdeling wordt gebruik gemaakt van Sigma, het digitale vreemdelingenbeeld. Sigma, het digitale vreemdelingenbeeld wordt ingevuld door of namens de ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV die voor de vrijheidsontnemende maatregel verantwoordelijk is. Deze is ook verantwoordelijk voor het aanbrengen van wijzigingen en aanvullingen in Sigma, het digitale vreemdelingenbeeld. Vanaf het moment dat de vrijheidsontneming in een justitiële inrichting plaatsvindt, rust deze verantwoordelijkheid op de ambtenaren van DTenV en DJI die in die inrichting werkzaam zijn.
Sigma, het digitale vreemdelingenbeeld wordt bijgewerkt met de gegevens van de betreffende vreemdeling bij iedere vrijheidsontneming op grond van artikel 6, artikel 6a, artikel 59, artikel 59a of artikel 59b Vw van het moment van aanvang van de vrijheidsontnemende maatregel tot aan het moment van uitzetting of invrijheidstelling van de vreemdeling. Bij elke wijziging en aanvulling moet Sigma, het digitale vreemdelingenbeeld worden bijgewerkt.
Voor het lichten van vreemdelingen op grond van artikel 5.12, eerste lid, Vb, moeten alle volgende voorwaarden in acht worden genomen door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV:
Voor het lichten van vreemdelingen op grond van artikel 5.12, eerste lid, Vb, moeten alle volgende voorwaarden in acht worden genomen door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV:
De op grond van artikel 6, artikel 6a, artikel 59 Vw, artikel 59a Vw of artikel 59b Vw opgelegde maatregel blijft op het moment dat de vreemdeling gelicht is van kracht.
Wel moet worden nagegaan of in de gegeven omstandigheden, de door de vreemdeling gestelde belangen zwaarder moeten wegen dan het belang van de overheid bij het beschikbaar houden van de vreemdeling ter voorkoming van het (verder) inreizen van de vreemdeling van Nederlands of Europees grondgebied, De uitvoering van deze maatregelen is met alle volgende waarborgen omkleed:
In deze paragraaf zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, 59a en 59b Vw bij niet-begeleide minderjarigen en gezinnen met minderjarigen. De beleidsregels die gelden voor vrijheidsontnemende maatregelen aan de grens bij niet-begeleide minderjarigen en gezinnen met minderjarigen staan in paragraaf A1/7.3 en paragraaf A5/3.2 Vc.
In deze paragraaf zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, 59a en 59b Vw bij niet-begeleide minderjarigen en gezinnen met minderjarigen. De beleidsregels die gelden voor vrijheidsontnemende maatregelen aan de grens bij niet-begeleide minderjarigen en gezinnen met minderjarigen staan in paragraaf A1/7.3 en paragraaf A5/3.2 Vc.
Vreemdelingenbewaring, gedurende de terugkeerprocedure, AMbV-procedure of de asielprocedure zoals vermeld in artikel 59 Vw, artikel 59a Vw of artikel 59b Vw, is een ingrijpende maatregel. Vreemdelingenbewaring moet daarom alleen worden toegepast als het noodzakelijk is. Met vreemdelingenbewaring van niet-begeleide minderjarigen en gezinnen met minderjarigen moet extra voorzichtig worden omgegaan. Daarom moet worden gekeken naar minder ingrijpende maatregelen dan vreemdelingenbewaring. Voor niet-begeleide minderjarigen en gezinnen met minderjarigen wordt dan ook zoveel mogelijk gekozen voor het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel (zie paragraaf A5/5 Vc), in plaats van vreemdelingenbewaring, om het vertrek of de overdracht voor te bereiden of de asielprocedure te doorlopen. Het begrip ‘gezin’ betekent hier ten minste één ouder of een wettelijk verzorger die in de voogdij voorziet, die samen met één of meer minderjarige kinderen feitelijk een gezin vormt.
Toch kan het noodzakelijk zijn om kort voor de gedwongen terugkeer of overdracht de niet-begeleide minderjarige of het gezin met minderjarigen zo kort mogelijk in vreemdelingenbewaring te stellen om de uitzetting te waarborgen. Dit kan ook in uitzonderlijke omstandigheden het geval zijn gedurende de asiel(grens)procedure. De in vreemdelingenbewaring stellende instantie moet goed kijken naar de individuele omstandigheden van de niet-begeleide minderjarige of het gezin met minderjarigen en deze individuele omstandigheden moeten duidelijk worden gemotiveerd in het dossier. Hierbij wordt, naast de voorwaarden als vermeld in de artikelen 5.5 en 5.6 Vb, ook rekening gehouden met de medische achtergrond, de leeftijd van de kinderen en, bij een gezin met minderjarigen, de volledige samenstelling van het gezin.
Op grond van artikel 5.15 Vb wordt vreemdelingenbewaring bij niet-begeleide minderjarigen, nog meer dan bij volwassenen, alleen in uiterste gevallen toegepast en voor een zo kort mogelijke duur.
2.4.2.1. Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, Vw
2.4.2.1. Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, Vw
Bij niet-begeleide minderjarigen is vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, Vw alleen gerechtvaardigd als zwaarwegende belangen aanwezig zijn. Van zwaarwegende belangen is uitsluitend sprake in de volgende situaties:
Voor de vreemdelingenbewaring van de niet-begeleide minderjarige gelden de wettelijke termijnen van de artikel 59, Vw zoals die ook voor een volwassen vreemdeling gelden.
Vreemdelingenbewaring van een niet-begeleide minderjarige, opgelegd door een ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV, is in de onder c bedoelde gevallen alleen mogelijk als redelijkerwijs mag worden verwacht dat de uitzetting uiterlijk binnen respectievelijk twee of vier weken kan worden gerealiseerd. De vreemdelingenbewaring duurt in deze gevallen in beginsel niet langer dan deze twee of vier weken.
De vreemdelingenbewaring van een niet-begeleide minderjarige mag uitsluitend langer dan twee of vier weken duren als de uitzetting niet kan plaatsvinden door tenminste één van de volgende omstandigheden:
2.4.3. Gezinnen met minderjarigen
Toezicht omvat alle mogelijke vormen van contact tussen de niet-begeleide minderjarige en de toezichthouders als bedoeld in artikelen 46 en 47 Vw in het kader van de uitoefening van hun taken. Een niet-begeleide minderjarige wordt voor het eerst in het toezicht aangetroffen als er niet eerder sprake is geweest van contact tussen de niet-begeleide minderjarige en een toezichthouder in de hiervoor bedoelde zin. Er is in ieder geval sprake van een situatie waarin de niet-begeleide minderjarige voor het eerst in het toezicht wordt aangetroffen als er bij de toezichthouders geen gegevens van de vreemdeling bekend zijn. Omdat van de niet-begeleide minderjarige die voor het eerst in het toezicht wordt aangetroffen vaak weinig gegevens bekend zijn waardoor vertrek of overdracht in veel gevallen niet binnen twee weken kan worden gerealiseerd, geldt voor hen dat vreemdelingenbewaring mogelijk is als vertrek binnen vier weken kan worden gerealiseerd. Voor een niet-begeleide minderjarige die al wel eerder in het toezicht is aangetroffen of die bijvoorbeeld in de opvang verblijft, geldt dat vreemdelingenbewaring slechts mogelijk is als het vertrek binnen een termijn van twee weken kan worden gerealiseerd, tenzij sprake is van de onder a of b bedoelde situatie.
Als een onrechtmatig verblijvende niet-begeleide minderjarige niet in vreemdelingenbewaring wordt gesteld en geen aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient, wordt de niet-begeleide minderjarige in de minderjarigenopvang van het COA geplaatst en stuurt de AVIM of de KMar een overdrachtsdossier naar de DTenV.
Het opleggen van vreemdelingenbewaring aan een niet-begeleide minderjarige op grond van artikel 59a of 59b,Vw kan enkel plaatsvinden wanneer dit in het belang van de minderjarige is en de minderjarige door de bewaring wordt beschermd. De niet-begeleide minderjarige vreemdeling wordt in ieder geval door de bewaring beschermd indien:
2.2. Aanmelding vreemdeling
De ambtenaar die de bewaringsmaatregel oplegt aan de niet-begeleide minderjarige houdt bij de beoordeling van het belang van het kind in ieder geval rekening met:
Als er sprake is van een (gestarte) procedure naar aanleiding van een door de vreemdeling ingediende aanvraag voor verblijfsvergunning asiel moet worden beoordeeld of een maatregel als bedoeld in artikel 59b Vw wordt opgelegd (zie paragraaf A5/6.3 Vc).
2.4.3.1. Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 eerste en tweede lid en 59a Vw
Vreemdelingenbewaring van een gezin met minderjarigen op grond van artikel 59, eerste lid, artikel 59, tweede lid, en artikel 59a kan slechts worden opgelegd als sprake is van de volgende omstandigheden.
Wanneer één of meerdere leden van het gezin signalen afgeven dat zij niet mee zullen werken aan vertrek of overdracht, zal dit gevolgen hebben voor het aannemen van een onderduikrisico ten aanzien van de andere gezinsleden.
Vreemdelingenbewaring wordt alleen proportioneel geacht als verwacht mag worden dat de uitzetting of overdracht binnen twee weken kan worden gerealiseerd. In de regel wordt aangenomen dat hiervan sprake is op het moment dat reisdocumenten beschikbaar zijn of op korte termijn beschikbaar zullen zijn.
2.4. Minderjarigen en gezinnen met minderjarigen
Als er sprake is van een (gestarte) procedure naar aanleiding van een door de vreemdeling ingediende aanvraag voor verblijfsvergunning asiel moet worden beoordeeld of een maatregel als bedoeld in artikel 59b Vw wordt opgelegd (zie paragraaf A5/6.3 Vc).
Vreemdelingenbewaring van een begeleide minderjarige op grond van artikel 59b, Vw kan enkel plaatsvinden wanneer dit in het belang van de minderjarige is, met name wanneer de ouder of hoofdverzorger van de minderjarige in bewaring wordt gehouden.
Vreemdelingenbewaring van een begeleide minderjarige op grond van artikel 59b, Vw kan enkel plaatsvinden wanneer dit in het belang van de minderjarige is, met name wanneer de ouder of hoofdverzorger van de minderjarige in bewaring wordt gehouden.
De ambtenaar die de bewaringsmaatregel oplegt aan de begeleide minderjarige houdt bij de beoordeling van het belang van het kind in ieder geval rekening met:
2.4.4. Het beroep tegen een verblijfsvergunning asiel en vreemdelingenbewaring
6.2. Bewaring van Dublinclaimanten op grond van artikel 59a Vw
Als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen, en de behandeling van het beroep niet in Nederland afgewacht mag worden, wordt de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw opgeheven en wordt beoordeeld of aansluitend een maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgelegd op grond van artikel 59 Vw. Als er samen met het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag, een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend door de vreemdeling waarvan de behandeling in Nederland mag worden afgewacht betekent dit dat de vreemdelingenbewaring mag voortduren tot uiterlijk twee weken na dagtekening van de uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening.
Voor zowel niet-begeleide minderjarigen als gezinnen met minderjarigen geldt dat zij uiterlijk binnen één dag na het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring in de Gesloten Gezinsvoorziening geplaatst moeten worden. Als bij een voorgenomen maatregel van vreemdelingenbewaring de verblijfplaats van de ouder(s) of wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige vreemdeling bekend is, dient de tenuitvoerlegging in de Gesloten Gezinsvoorziening in beginsel aansluitend aan de staandehouding plaats te vinden.
Voor zowel niet-begeleide minderjarigen als gezinnen met minderjarigen geldt dat zij uiterlijk binnen één dag na het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring in de Gesloten Gezinsvoorziening geplaatst moeten worden. Als bij een voorgenomen maatregel van vreemdelingenbewaring de verblijfplaats van de ouder(s) of wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige vreemdeling bekend is, dient de tenuitvoerlegging in de Gesloten Gezinsvoorziening in beginsel aansluitend aan de staandehouding plaats te vinden.
3. Vrijheidsontneming op grond van artikel 6 Vw
Als de ambtenaar belast met grensbewaking de inschatting maakt dat een gezin met één of meer minderjarigen binnen twee weken wordt uitgezet, mag aan een gezin met één of meer minderjarigen dat de toegang is geweigerd vrijheidsontneming op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw, al dan niet gelezen in samenhang met of artikel 6a Vw, worden opgelegd.
Als de ambtenaar belast met grensbewaking de inschatting maakt dat een gezin met één of meer minderjarigen binnen twee weken wordt uitgezet, mag aan een gezin met één of meer minderjarigen dat de toegang is geweigerd vrijheidsontneming op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw, al dan niet gelezen in samenhang met of artikel 6a Vw, worden opgelegd.
Als de ambtenaar belast met grensbewaking de inschatting maakt dat het vertrek niet binnen twee weken wordt gerealiseerd wordt in beginsel volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, Vw, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 6a Vw.
De ambtenaar belast met grensbewaking of de bevoegde ambtenaar van de IND legt een vrijheidsbeperkende of -ontnemende maatregel op grond van artikel 6 Vw op bij beschikking model M19.
De ambtenaar belast met grensbewaking of de bevoegde ambtenaar van de IND verricht alle volgende handelingen:
Hierbij kan de ambtenaar belast met grensbewaking of de bevoegde ambtenaar van de IND gebruik maken van de informatiebrief ‘Waarom aan u een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd’. De ambtenaar belast met grensbewaking of de bevoegde ambtenaar van de IND neemt de wijze waarop is voorzien in bovengenoemde informatieverplichting op in model M19.
Bij aanwijzing van een andere ruimte of plaats moet een nieuwe beschikking model M19 worden gemaakt waarbij de inhoud van de beschikking en de mogelijkheid tot het indienen van een beroepschrift bij de rechtbank in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal aan hem worden meegedeeld.
2.4.4. Het beroep tegen een verblijfsvergunning asiel en vreemdelingenbewaring
6.2. Bewaring van Dublinclaimanten op grond van artikel 59a Vw
Als er redenen zijn om de vrijheidsontnemende maatregel met maximaal twaalf maanden te verlengen, moet de vreemdeling voor het verstrijken van de maximale bewaringsduur van zes maanden schriftelijk op de hoogte worden gesteld van dit besluit. DTenV maakt het verlengingsbesluit op en reikt deze aan de vreemdeling uit.
Voor het opheffen van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 Vw of artikel 6a Vw, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of de bevoegde ambtenaar van de IND, gebruik maken van model M113. Van model M113 moet altijd:
Voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 6, eerste lid, Vw of artikel 6a Vw geldt geen regime.
Indien een aan de grens geweigerde vreemdeling tevens verdachte of veroordeelde is van een misdrijf wordt door de ambtenaar belast met de grensbewaking bij het uitreiken van de toegangsweigering model M122-A uitgereikt om de vreemdeling te informeren dat zijn vrijheidsontneming kan worden voortgezet op grond van de Vreemdelingenwet zodra de vrijheidsontneming op strafrechtelijke gronden is geëindigd. De ambtenaar belast met de grensbewaking is verantwoordelijk voor het opleggen van de vreemdelingrechtelijke maatregelen op grond van de Vreemdelingenwet.
3.1. Gronden voor vrijheidsontneming op grond van artikel 6 Vw
Deze situatie is aan de orde als het beroep van rechtswege schorsende werking heeft.
Deze situatie is aan de orde als het beroep geen schorsende werking heeft. De vreemdeling heeft dan ingevolge artikel 69, zesde lid Vw één week de tijd om een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. Gedurende die termijn mag de vreemdeling in beginsel niet worden verwijderd. Bij tijdige indiening mag de vreemdeling ook in afwachting van de uitspraak niet worden verwijderd. Op deze regel kan echter op grond van artikel 56 Procedureverordening dan wel artikel 68, zesde lid Procedureverordening een uitzondering worden gemaakt. Dan is de vreemdeling met het nemen van het besluit op de asielaanvraag direct verwijderbaar, ook al wordt (tijdig) verzocht om een voorlopige voorziening. Die situaties kunnen zich enkel voordoen bij opvolgende asielaanvragen als bedoeld in artikel 55 Procedureverordening. Alleen een door de rechter getroffen voorlopige voorziening kan dan leiden tot het recht om op het grondgebied te verblijven en niet te worden verwijderd gedurende de beroepsprocedure.
4. Beschikbaar houden op grond van artikel 55, eerste lid, Vw
Voor toepassing van artikel 6, derde lid, Vw op AMbV-claimanten, dient tevens sprake te zijn van een onderduikrisico of een gevaar voor de nationale veiligheid of de openbare orde. Wanneer er sprake is van een onderduikrisico, wordt vermeld in artikel 5.5 en artikel 5.6 Vb.
Wanneer de hierboven genoemde situaties niet langer aan de orde zijn, neemt de ambtenaar belast met de grensbewaking een besluit omtrent weigering van de toegang als bedoeld in artikel 14 SGC middels het model M17A. Verder wordt een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel opgelegd als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, juncto het zesde lid, Vw dan wel artikel 6a, eerste lid Vw. Het nemen van een besluit omtrent de weigering van toegang en het opleggen van een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden, maar uiterlijk binnen twee dagen nadat de hierboven genoemde situaties niet langer van toepassing zijn.
Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid juncto het zesde lid, Vw kan aan een vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd en op wie voorafgaand aan de toegangsweigering het derde lid van toepassing was, een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met uitzondering van de situatie dat de asielaanvraag voor het nemen van een besluit wordt ingetrokken (in dat laatste geval is het zesde lid niet van toepassing). Het nemen van een besluit omtrent de weigering van toegang en het opleggen van een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden, maar uiterlijk binnen twee dagen nadat de onder het kopje Vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, Vw onder a tot en met d genoemde situaties niet langer aan de orde zijn, plaats te vinden. De nieuwe vrijheidsontnemende maatregel wordt door de bevoegde ambtenaar van de IND opgelegd met gebruikmaking van het model M19B (zie ook paragraaf C2/2 Vc).
5. Vrijheidsbeperking op grond van artikel 56 Vw
Wanneer er sprake is geweest van een voorafgaande vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw, geldt het volgende. Nadat het besluit omtrent de weigering van toegang is genomen, wordt krachtens artikel 6a, eerste lid, Vw een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Het nemen van een besluit omtrent de toegangsweigering en het opleggen van een nieuwe maatregel dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden, maar uiterlijk binnen twee dagen nadat de onder het kopje Vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, Vw onder a tot en met d genoemde situaties niet langer aan de orde zijn. De nieuwe vrijheidsontnemende maatregel wordt door de bevoegde ambtenaar van de IND opgelegd met gebruikmaking van het model M19A (zie ook paragraaf C2/2 Vc).
Voor toepassing van artikel 6a Vw dient sprake te zijn van een onderduikrisico of een gevaar voor de nationale veiligheid of de openbare orde. Wanneer er sprake is van een onderduikrisico wordt vermeld in artikel 5.5 en artikel 5.6 Vb. Daarnaast dient de maatregel proportioneel en noodzakelijk te zijn met het oog op de overdracht. Bij AMbV-claimanten is de maatregel, anders dan bij andere vreemdelingen, niet gericht op terugkeer naar het land van herkomst of een ander veilig land waar de toelating gewaarborgd is, maar op overdracht aan een andere lidstaat. In de Verordening is een midden gezocht tussen enerzijds het belang van terughoudendheid ten aanzien van vrijheidsontneming en anderzijds het belang van een effectieve overdracht.
Voor het opheffen van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 Vw of artikel 6a Vw, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of de bevoegde ambtenaar van de IND, gebruik maken van model M113. Van model M113 moet altijd:
Voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 6, eerste lid, Vw of artikel 6a Vw geldt geen regime.
Gezinnen met minderjarigen die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel indienen, krijgen in beginsel geen vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid of artikel 6a Vw opgelegd. Dit geldt ook voor niet-begeleide minderjarigen die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel indienen. De ambtenaar belast met de grensbewaking legt uitsluitend een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid of artikel 6a Vw op indien er getwijfeld wordt aan de minderjarigheid van de vreemdeling en de minderjarigheid nog niet is vastgesteld door de IND. In paragraaf A1/7.3 Vc staat beschreven in welke overige gevallen de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 of artikel 6a Vw mogelijk is.
Vreemdelingenbewaring van een begeleide minderjarige op grond van 6 derde lid of 6a, Vw kan enkel plaatsvinden wanneer dit in het belang van de minderjarige is, met name wanneer de ouder of hoofdverzorger van de minderjarige in bewaring wordt gehouden.
4. Beschikbaar houden op grond van artikel 55, eerste lid, Vw
De ambtenaar die de bewaringsmaatregel oplegt aan de niet-begeleide minderjarige houdt bij de beoordeling van het belang van het kind in ieder geval rekening met:
Indien geen sprake is van één van de in paragraaf A1/7.3 Vc bedoelde redenen om de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel te beëindigen of te wijzigen, kan de maatregel voortduren tot maximaal twee weken, na het moment dat het gezin verwijderbaar is geworden. Als er een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend door de vreemdeling waarvan de behandeling in Nederland mag worden afgewacht, betekent dit dat de vrijheidsontnemende maatregel mag voortduren tot uiterlijk twee weken na dagtekening van de uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening.
Voor toepassing van artikel 6, derde lid, Vw op AMbV-claimanten, dient tevens sprake te zijn van een onderduikrisico of een gevaar voor de nationale veiligheid of de openbare orde. Wanneer er sprake is van een onderduikrisico, wordt vermeld in artikel 5.12 en artikel 5.13 Vb.
In afwijking van het voorgaande gelden de volgende voorwaarden bij de weigering en aansluitende vreemdelingenbewaring van gezinnen met minderjarigen die geen asiel aanvragen. Gezinnen met minderjarigen die landen op luchthaven Schiphol en geen asiel aanvragen worden in de lounge geplaatst in afwachting van de effectuering van de claim op de luchtvaartmaatschappij. Indien het op de luchthaven Schiphol niet mogelijk blijkt het gezin onmiddellijk aansluitend aan de weigering terug te vervoeren en het naar verwachting langer dan 24 uur zal duren voordat terugvervoer mogelijk is zal het gezin geplaatst worden op de Gesloten Gezinsvoorziening met oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid Vw. Aan gezinnen die zich bevinden aan de buitengrens en geen asiel aanvragen wordt een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw, nu geen voorziening aanwezig is, met plaatsing in de Gesloten Gezinsvoorziening in afwachting van de effectuering van de claim op de luchtvaartmaatschappij.
4. Beschikbaar houden op grond van artikel 55, eerste lid, Vw
Als de vreemdeling die aanwezig is op het grondgebied een eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen start de fase van het ontvangen en voorbereiden asielaanvraag (verder OVA-fase, zie paragraaf A6 Vc en paragraaf C1/2 Vc).
De vreemdeling ontvangt een aanwijzing als bedoeld in artikel 55, eerste lid, Vw middels model M117-C, met de aanwijzing dat hij zich voor de screeningsprocedure beschikbaar moet houden.
Indien de vreemdeling zich niet houdt aan het opgelegde beschikbaarheidsregime, dan kan een aanvullende aanwijzing worden gegeven met een verder gaande vrijheidsbeperkende maatregel of vrijheidsontnemende maatregel.
Na het doorlopen van de OVA-fase of als de vreemdeling een (opvolgende) aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel of een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd indient, wijst de Korpschef de gemeente waarin de opvangvoorziening zich bevindt aan als plaats waar de vreemdeling zich in verband met de behandeling van zijn aanvraag moet verblijven. De Korpschef doet de aanwijzing zowel mondeling als schriftelijk. Voor de aanwijzing wordt het model M117-A gebruikt.
Vreemdelingen moeten zich beschikbaar houden op grond van artikel 55 Vw in een AC of opvanglocatie. Voor vreemdelingen die een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier hebben ingediend kan dat de woon- of verblijfplaats zijn.
Als een vreemdeling ‘met onbekende bestemming’ is vertrokken, moet de Korpschef dit melden aan de IND, DTenV en het COA. Bij deze melding wordt een kopie van het model M117-A gevoegd. Het ‘met onbekende bestemming vertrokken zijn’ moet vastgesteld zijn door de Korpschef.
5. Vrijheidsbeperking op grond van artikel 56 Vw
Vreemdelingenbewaring van een begeleide minderjarige op grond van 6 derde lid of 6a, Vw kan enkel plaatsvinden wanneer dit in het belang van de minderjarige is, met name wanneer de ouder of hoofdverzorger van de minderjarige in bewaring wordt gehouden.
Bij het opleggen van de maatregel op grond van artikel 56 Vw wordt in beginsel als plek van verblijf een gemeente aangewezen of een kleiner deel dan de gemeente waarbinnen de vreemdeling zich dient te bevinden dan wel een plek of gebied dat niet mag worden betreden.
De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.2 VV legt de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vw – eventueel in combinatie met een toezichtmaatregel op grond van artikel 54, eerste lid, Vw – op:
Redenen van openbare orde kunnen verband houden met het individuele gedrag van de vreemdeling (bijvoorbeeld ingeval van asielzoekers de overtreding van de huisregels van het COA, overlastgevend, gewelddadig of bedreigend gedrag), maar deze kunnen ook van meer algemene aard zijn.
3.2.2. Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 6 eerste lid en tweede lid, Vw
De maatregel op grond van artikel 56 Vw kan voortduren voor zolang dat gelet op de omstandigheden van het geval met het oog op de openbare orde of de nationale veiligheid of een aangenomen onderduikrisico redelijk is.
4. Beschikbaar houden op grond van artikel 55, eerste lid, Vw
De vreemdeling kan bij de organisatie die de vrijheidsbeperkende maatregel heeft opgelegd dan wel het toezicht uitoefent, om toestemming verzoeken om tijdelijke buiten de toegewezen plaats te verblijven dan wel het verboden gebied te betreden. Van een situatie waarin een dergelijke toestemming kan worden verleend, is in ieder geval sprake bij bezoek aan een medisch specialist, (niet vereiste) aanwezigheid bij een zitting van de rechtbank of bezoek aan de advocaat die de vreemdeling vertegenwoordigt. Het verzoek dient tijdig te worden gedaan. Van de vreemdeling kan worden verlangd dat hij de reden van het verzoek aantoont, bijvoorbeeld door overlegging van een afspraakbevestiging.
Gelet op artikel 5.11, vierde lid, Vb heeft de vreemdeling geen toestemming nodig van de organisatie die de vrijheidsbeperkende maatregel heeft opgelegd dan wel het toezicht uitoefent wanneer zijn aanwezigheid vereist is bij afspraken met autoriteiten en rechtbanken. De vreemdeling stelt deze organisaties vooraf in kennis van een dergelijke afspraak. Van de vreemdeling kan worden verlangd dat hij een document overlegt waaruit dit blijkt.
De maatregel op grond van artikel 56 Vw komt niet van rechtswege te vervallen. De maatregel kan worden voortgezet met het oog op vertrek uit Nederland, na een afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning. De vreemdeling aan wie de maatregel is opgelegd, kan om opheffing daarvan verzoeken. Tegen de afwijzing van een verzoek om opheffing staat evenals tegen de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel rechtstreeks beroep open bij de bestuursrechter.
De redenen die aanleiding waren gedurende het rechtmatig verblijf om een maatregel op te leggen, rechtvaardigen het voorduren van de vrijheidsbeperkende maatregel gedurende het terugkeerproces. Dat geldt ook voor de vreemdeling die in afwachting is van de feitelijke overdracht naar een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Asiel- en migratiebeheerverordening.
Er wordt een nieuwe vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd middels model M108A, zodra de vrijheidsbeperkende maatregel op een andere plaats ten uitvoer wordt gelegd dan waar de vreemdeling verbleef.
Als een vreemdeling ‘met onbekende bestemming’ is vertrokken, moet de Korpschef dit melden aan de IND, DTenV en het COA. Bij deze melding wordt een kopie van het model M117-A gevoegd. Het ‘met onbekende bestemming vertrokken zijn’ moet vastgesteld zijn door de Korpschef.
–
Ter voorbereiding van het vertrek wordt bij gezinnen met minderjarige kinderen zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in een gl.
De vbl biedt onderdak aan vreemdelingen die Nederland moeten verlaten en geen recht (meer) hebben op opvang van rijkswege. Doel is dat gedurende het verblijf in de vbl het vertrek wordt voorbereid.
De vrijheidsbeperkende maatregel, die bij een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf op grond van artikel 56 Vw wordt opgelegd in een vbl, duurt in beginsel twaalf weken. De vreemdeling moet werken aan zijn vertrek uit Nederland waarbij DTenV de regie heeft over het vertrektraject. De vrijheidsbeperkende maatregel kan blijven voortduren, indien na ommekomst van de twaalf weken er nog immer voldoende grondslag bestaat.
Redenen van openbare orde kunnen verband houden met het individuele gedrag van de vreemdeling (bijvoorbeeld ingeval van asielzoekers de overtreding van de huisregels van het COA, overlastgevend, gewelddadig of bedreigend gedrag), maar deze kunnen ook van meer algemene aard zijn.
De gl is een op vertrek gerichte vrijheidsbeperkende locatie met een sober voorzieningenniveau, bedoeld voor gezinnen:
Ter voorbereiding van het vertrek wordt bij gezinnen met minderjarige kinderen zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in een gl.
5.5. Procesbeschikbaarheidslocatie (pbl)
De vreemdeling kan bij de organisatie die de vrijheidsbeperkende maatregel heeft opgelegd dan wel het toezicht uitoefent, om toestemming verzoeken om tijdelijke buiten de toegewezen plaats te verblijven dan wel het verboden gebied te betreden. Van een situatie waarin een dergelijke toestemming kan worden verleend, is in ieder geval sprake bij bezoek aan een medisch specialist, (niet vereiste) aanwezigheid bij een zitting van de rechtbank of bezoek aan de advocaat die de vreemdeling vertegenwoordigt. Het verzoek dient tijdig te worden gedaan. Van de vreemdeling kan worden verlangd dat hij de reden van het verzoek aantoont, bijvoorbeeld door overlegging van een afspraakbevestiging.
6.6. De vorm waarin de maatregel wordt opgelegd
De vreemdeling wordt opgedragen te verblijven op en in een gebied rondom de pbl. De maatregel kan worden opgelegd aan vreemdelingen wanneer voorzienbaar is dat de aanvraag binnen 4 weken kan worden afgewezen. De vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd voor in beginsel vier weken.
5.6. Handhavings- en toezichtlocatie (htl)
7. De behandeling van het beroep
De vreemdeling wordt opgedragen te verblijven op en in een gebied rondom de htl.
Een dergelijke maatregel kan ook worden opgelegd aan niet-begeleide minderjarigen vanaf de leeftijd van 16 jaar. Voor deze niet-begeleide minderjarigen geldt dat de afstemming die tussen COA en de jeugdbeschermer heeft plaatsgevonden. De belangen en de specifieke situatie van de minderjarige kenbaar moeten worden meegewogen in deze maatregel.
Het COA besluit, tenzij het gedrag van de vreemdeling hier eerder aanleiding voor geeft en zich geen gronden voor inbewaringstelling voordoen, uiterlijk na een periode van twaalf weken tot voortzetting van de handhaving en het toezicht op de htl (in welk geval de vrijheidsbeperkende maatregel voortduurt), terugplaatsing naar een reguliere opvanglocatie of een andere maatregel op grond van de RvA.
De vbl biedt onderdak aan vreemdelingen die Nederland moeten verlaten en geen recht (meer) hebben op opvang van rijkswege. Doel is dat gedurende het verblijf in de vbl het vertrek wordt voorbereid.
Om de vreemdeling in staat te stellen aan de maatregel op grond van artikel 56 Vw te voldoen, wordt de vreemdeling vervoer naar de locatie aangeboden. Als de vreemdeling weigert om gebruik te maken van het aangeboden vervoer wordt daarmee geconcludeerd dat de vreemdeling geen gebruik wenst te maken van het aangeboden onderdak.
Als de vreemdeling de aan hem opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel niet naleeft, kan de Korpschef de vreemdeling op grond van artikel 50 of artikel 50a Vw staande houden en naar een plaats bestemd voor verhoor overbrengen. Vervolgens beoordeelt de Korpschef of een vrijheidsontnemende maatregel moet worden opgelegd.
De gl is een op vertrek gerichte vrijheidsbeperkende locatie met een sober voorzieningenniveau, bedoeld voor gezinnen:
Ter voorbereiding van het vertrek wordt bij gezinnen met minderjarige kinderen zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in een gl.
Een vreemdeling wordt uitsluitend in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, 59a of 59b Vw, als minder dwingende maatregelen niet doeltreffend kunnen worden toegepast. Inbewaringstelling vindt slechts plaats als er geen lichter middel voorhanden is, dat even effectief is. De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV maakt een belangenafweging over de toepassing van de maatregel van vreemdelingenbewaring.
Ten aanzien van de gronden voor inbewaringstelling, als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, Vb, is paragraaf A3/3 Vc van overeenkomstige toepassing.
De vreemdelingenbewaring wordt met onmiddellijke ingang opgeheven wanneer het doel voor de inbewaringstelling niet langer bestaat (zie artikel 59c, tweede lid, Vw) en er geen andere grond voor het voortzetten van de inbewaringstelling bestaat.
De vreemdeling wordt opgedragen te verblijven op en in een gebied rondom de pbl. De maatregel kan worden opgelegd aan vreemdelingen wanneer voorzienbaar is dat de aanvraag binnen 4 weken kan worden afgewezen. De vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd voor in beginsel vier weken.
Een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft kan, met het oog op uitzetting, in vreemdelingenbewaring worden gesteld (zie artikel 59, eerste lid, onderdeel a, Vw). Artikel 59, eerste lid, onder b Vw wordt alleen toegepast bij een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft in verband met een procedure aangaande:
6.2. Bewaring van Dublinclaimanten op grond van artikel 59a Vw
6.3. Vreemdelingenbewaring van een AMbV-claimant op grond van artikel 59a Vw
Een vreemdeling voor wie op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening (Verordening (EU) 2024/1351) een overnameverzoek is ingediend bij een andere lidstaat of voor wie een kennisgeving inzake terugname aan een andere lidstaat is verzonden (verder: AMbV-claimant) kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond van artikel 59a Vw. Bij AMbV-claimanten is de vreemdelingenbewaring, anders dan bij andere vreemdelingen, niet gericht op terugkeer naar het land van herkomst of een ander veilig land waar de toelating gewaarborgd is, maar op overdracht aan een andere lidstaat. In de Asiel- en migratiebeheerverordening is een midden gezocht tussen enerzijds het belang van terughoudendheid ten aanzien van vrijheidsontneming en anderzijds het belang van een effectieve overdracht.
Voor inbewaringstelling op grond van artikel 59a Vw maakt de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV gebruik van model M109-A. In model M109-A dient in ieder geval omschreven te worden dat:
(Zie ook de paragrafen A3/6.9 en C2/3 Vc.)
Het is mogelijk om een vreemdeling in vreemdelingenbewaring te stellen op grond van artikel 59a, Vw, indien deze een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde. Voor vreemdelingenbewaring op deze grond is het niet noodzakelijk dat er sprake is van een risico op onderduiken. Bij het bepalen of een vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde kunnen de volgende omstandigheden worden betrokken:
Als op grond van artikel 59a Vw een maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgelegd en de vreemdeling ook een asielaanvraag heeft ingediend, dan ontvangt de IND via de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV informatie over het opgemaakte model M109-A.
6. Vreemdelingenbewaring
Deze termijn is niet van toepassing als de overdracht niet binnen die veertien dagen kan plaatsvinden door tenminste één van de volgende omstandigheden:
Als sprake is van een gestarte procedure zoals in de hierboven bedoelde zin kan de maatregel van vreemdelingenbewaring voortduren tot maximaal twee weken nadat de vreemdeling of het gezin verwijderbaar is geworden.
6.4. Vreemdelingbewaring in verband met aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 59b Vw
Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw is mogelijk voor de vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel indient of wenst in te dienen. Voor vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw maakt de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV gebruik van model 109-B. Model M109-B bevat in ieder geval:
Als op grond van artikel 59b Vw een maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgelegd, dan ontvangt de IND via de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV informatie over het opgemaakte model M109-B.
6.14. Beëindiging vrijheidsontneming
Het is mogelijk dat een vreemdeling vanwege meerdere gronden in vreemdelingenbewaring wordt gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw.
Hierbij gaat het vooral om situaties waarin een vreemdeling niet in vreemdelingenbewaring kan worden gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel c, Vw, maar waarbij wel één of meerdere omstandigheden als bedoeld in artikel 5.7, derde lid, Vb van toepassing zijn. Deze situaties kunnen zich met name voordoen, indien:
9.2. Verhaal van kosten op de vreemdeling
Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel a, Vwis slechts mogelijk indien er sprake is van onduidelijkheid over de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. Dat de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling onbekend is, is op zichzelf onvoldoende om een inbewaringstelling te rechtvaardigen.
Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel b, Vw is ook mogelijk gedurende de beroepsprocedure na beoordeling van de asielaanvraag door de IND en de vreemdeling op grond van artikel 68 Procedureverordening het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te verblijven totdat op het beroep is beslist.
Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel c, Vw is slechts mogelijk als de vreemdeling ten tijde van de indiening van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel al in vreemdelingenbewaring was gesteld op grond van artikel 59 Vw.
Bij vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel c, Vw moeten vooral de volgende omstandigheden worden betrokken:
Wanneer er zich meer van de hierboven genoemde omstandigheden voordoen, wordt sneller aangenomen dat een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel slechts is ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen. Deze opsomming is niet limitatief.
Het is mogelijk om een vreemdeling in vreemdelingenbewaring te stellen op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel d, Vw, indien deze een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde. Voor vreemdelingenbewaring op deze grond is het niet noodzakelijk dat er sprake is van een risico op onderduiken. Bij het bepalen of een vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde kunnen de volgende omstandigheden worden betrokken:
De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV kan de vreemdeling aanmerken als een gevaar voor de openbare orde om één of meer van de redenen zoals opgenomen in paragraaf B1/4.4 Vc en er sprake is van een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde. Bij de beoordeling is paragraaf A3/3.4 Vc onder het kopje daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde, voor zover relevant, van overeenkomstige toepassing.
Het is mogelijk om een vreemdeling in vreemdelingenbewaring te stellen op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel e, Vw, indien aan de vreemdeling eerder een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 56 Vw is opgelegd waaraan de vreemdeling zich heeft gehouden en nog altijd sprake is van een onderduikrisico. Daarvan is sprake indien naast het niet houden aan de vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 5.6, tweede lid, onder n, Vb) zich ten minste een van de andere gronden van artikel 5.6, tweede lid, Vb voordoet.
In het geval de vreemdeling na afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 68, tweede lid Procedureverordening het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te blijven, wordt de vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw niet opgeheven.
De vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw wordt alsnog opgeheven indien:
De vreemdeling kan aansluitend op grond van artikel 59 Vw (opnieuw) in vreemdelingenbewaring gesteld door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. De vreemdeling dient te worden gehoord voordat hij (opnieuw) in vreemdelingenbewaring wordt gesteld.
Indien de vreemdeling na afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 68, derde lid Procedureverordening niet het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te blijven, wordt de vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw opgeheven. De vreemdeling kan aansluitend op grond van artikel 59 Vw (opnieuw) in vreemdelingenbewaring gesteld door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. De vreemdeling dient te worden gehoord voordat hij (opnieuw) in vreemdelingenbewaring wordt gesteld.
6.5. Bijstand van een advocaat
Nadat er beroep is ingesteld tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel en de vreemdeling zit nog altijd in vreemdelingenbewaring, vraagt de IND de rechtbank om het beroep zo spoedig als mogelijk te behandelen.
De vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw duurt in beginsel niet langer dan zes maanden. De vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw kan op grond van artikel 59b, derde lid, Vw met ten hoogste zes maanden worden verlengd indien sprake is van:
De verlenging van de vreemdelingenbewaring vindt, na afweging van alle omstandigheden van het geval, plaats door de bevoegde ambtenaar van de IND. Als er redenen zijn om de vreemdelingenbewaring met een termijn van maximaal zes maanden te verlengen moet de IND de vreemdeling voor het verstrijken van de zes maanden vreemdelingenbewaring van de verlenging met een verlengingsbesluit op de hoogte stellen. De IND stelt dit besluit op en reikt deze aan de vreemdeling uit. In het verlengingsbesluit wordt nagegaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de vreemdelingenbewaring zijn en of de vreemdelingenbewaring voor de vreemdeling onredelijk bezwarend is.
Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel c, Vw is slechts mogelijk als de vreemdeling ten tijde van de indiening van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel al in vreemdelingenbewaring was gesteld op grond van artikel 59 Vw.
Het uitgangspunt is dat een vreemdeling, voordat hij in vreemdelingenbewaring wordt gesteld, gehoord wordt. Het gehoor van de vreemdeling moet afgenomen worden door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV.
6.6. De vorm waarin de maatregel wordt opgelegd
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)