Vreemdelingencirculaire 2000 (C)

Type Circulaire
Publication 2026-08-11
Laatst bijgewerkt 2026-08-29
State In force
Source BWB
artikelen 17
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

C1. Asielprocedure

1. Algemeen

De beleidsregels in deze paragraaf zijn een nadere uitwerking van de artikelen 9 t/m 35, 36, 39, 42, 43 en 67 t/m 69 Procedureverordening (Verordening (EU) 2024/1348).

2. Melden, registreren en indienen asielaanvraag

2.1. Algemeen

Als de vreemdeling te kennen geeft een asielaanvraag in te willen dienen (artikel 26 Procedureverordening) volgt de registratie en indiening van de asielaanvraag (artikel 27 en 28 Procedureverordening). Afhankelijk van waar de vreemdeling zich heeft gemeld en of de Screeningsverordening van toepassing is, volgt een van de hieronder beschreven procedures.

2.2. Asielaanvraag op het grondgebied en Screeningsverordening is van toepassing

Als de vreemdeling zich op het grondgebied bevindt en onder de Screeningsverordening valt, wordt het registratieproces in fase ‘Ontvangst en Voorbereiden Asielaanvraag’ (verder: de OVA-fase) gevolgd zoals beschreven in paragraaf A6/1 Vc. De vreemdeling dient de asielaanvraag direct aansluitend op deze OVA-fase in bij een IND-medewerker. Het aanmeldcentrum Ter Apel is aangewezen als screeningslocatie in de zin van artikel 8 lid 1 Screeningsverordening. De registratie en indiening van de asielaanvraag (artikel 27 en 28 Procedureverordening) vinden aansluitend op elkaar plaats.

Na het ondertekenen van de asielaanvraag ontvangt de vreemdeling (een kopie van) de volgende documenten:

2.3. Vreemdeling die niet onder de werking van de Screeningsverordening valt

Op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder a Procedureverordening verschaft de vreemdeling die niet onder de werking van de Screeningsverordening valt, de informatie als bedoeld in artikel 27, eerste lid Procedureverordening. Deze informatie wordt opgehaald tijdens de OVA-fase.

De IND zal in het kader van de registratie en de indiening van de asielaanvraag de volgende handelingen uitvoeren:

De paragraaf A6/4.3 Vc zijn op deze onderdelen van overeenkomstige toepassing.

De vreemdeling ondertekent de asielaanvraag in aanwezigheid van een IND-medewerker.

Na het ondertekenen van de asielaanvraag ontvangt de vreemdeling (een kopie van) de volgende documenten:

2.4. Asielaanvraag overig

In afwijking van de regels over het indienen van een asielaanvraag zoals beschreven in de paragrafen C1/2.2 en 2.3 Vc gelden aparte beleidsregels voor de vreemdeling:

De IND merkt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel die op een ander dan het door de IND aangewezen moment of locatie of op een andere dan de hierboven beschreven wijze wordt ingediend, aan als een onvolledige aanvraag. Een onvolledige aanvraag doet de termijnen van de asielprocedure niet aanvangen (zie artikel 35 ProcedureVerordening).

3. Asieltriage

3.1. Algemeen

Als de vreemdeling de asielaanvraag heeft ingediend, bepaalt de IND aan de hand van de informatie die is verkregen tijdens de OVA-fase welke procedure vooralsnog wordt gevolgd en welke vervolgstappen er tijdens deze procedure gezet moeten worden.

Tijdens de triage kan de IND eveneens bepalen welke onderzoeken er worden uitgevoerd tijdens de procedure. Het uitgangspunt is dat er alleen onderzoeken worden uitgevoerd die nodig zijn om tot een correct besluit te komen. Er wordt daarom per aanvraag een individuele beoordeling gemaakt welke onderzoeken de IND opstart. Een aantal onderzoeken worden al tijdens OVA uitgevoerd of opgestart (zie paragraaf A6/4.2 en A6/4.3 Vc). De navolgende onderzoeken kunnen in de regel echter pas plaatsvinden na de triage:

Tijdens de triage bepaalt de IND ook of de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld een persoonlijk onderhoud te hebben en, als dat het geval is, het type persoonlijk onderhoud.

3.2. Vreemdelingen die het OVA-proces doorlopen hebben

3.2.1. Algemeen

De IND prioriteert de behandeling van de aanvragen middels onderstaande procedures:

Hieronder wordt ingegaan op de verschillende procedures. De volgorde waarin de procedures hieronder beschreven staan, is ook de volgorde waarin zij getoetst worden.

3.2.2. Asiel- en migratiebeheerverordening procedure

Als eerste bepaalt de IND tijdens de triage of er sprake is van een Asiel- en migratiebeheerverordening procedure. De Asiel- en migratiebeheerverordening procedure is van toepassing als op basis van de gegevens uit de OVA-fase blijkt dat een andere lidstaat mogelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Dit kan blijken uit onder andere:

Als de Asiel- en migratiebeheerverordening procedure van toepassing is, wordt tijdens de triage direct beoordeeld welke vervolgonderzoeken nodig zijn en of er een persoonlijk onderhoud moet plaatsvinden. Zie paragraaf C2/3 Vc voor het verloop van de Asiel- en migratiebeheerverordening procedure. Als de Asiel- en migratiebeheerverordening procedure niet van toepassing is, is Nederland verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag.

3.2.3. Ontvankelijkheidsprocedure

Zodra is vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag, wordt als eerst beoordeeld of er een concrete aanwijzing is dat een van de gronden van artikel 38, eerste lid Procedureverordening van toepassing is. Als dit het geval is, is er sprake van de ontvankelijkheidsprocedure. Voor volgende aanvragen als bedoeld in artikel 38, tweede lid Procedureverordening gelden specifieke regels, zie paragraaf C2/5 Vc. De ontvankelijkheidsprocedure moet in beginsel binnen twee maanden worden afgerond. Deze termijn kan met twee maanden worden verlengd.

Als uit informatie uit de OVA-fase blijkt dat de aanvrager al internationale bescherming in een andere lidstaat heeft, kan er op basis van artikel 13, elfde lid, Procedureverordening afgezien worden van het persoonlijk onderhoud. De IND informeert in dat geval de vreemdeling of, indien aanwezig, zijn gemachtigde dat er voldoende informatie is om een beslissing te nemen zonder persoonlijk onderhoud. De vreemdeling heeft één week de tijd om hierop te reageren. Vervolgens wordt op de aanvraag beslist.

3.2.4. Bepalen versnelde procedure

Als geen sprake is van de ontvankelijkheidsprocedure, beoordeelt de IND de asielaanvraag inhoudelijk. De behandeling van de asielprocedure kan worden versneld als uit informatie uit de OVA-fase of op een later moment concrete aanwijzingen naar voren komen dat mogelijk een van de gronden van artikel 42, eerste of derde lid Procedureverordening van toepassing is. Het is ook mogelijk om de behandeling van de asielaanvraag te versnellen op grond van artikel 42, eerste of derde lid Procedureverordening als er sinds de registratie van de aanvraag drie maanden zijn verstreken.

Als sprake is van feitelijke of juridische elementen die te complex zijn om in het kader van een versnelde procedure te onderzoeken, wordt de versnelde procedure niet (langer) toegepast.

3.2.5. Bepalen procedurele waarborgen en planningskaders

Tijdens de triage bepaalt de IND tevens of de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen behoeft. Ook worden een aantal planningskaders bepaald: of er gelegenheid wordt gegeven een persoonlijk onderhoud te hebben, of er specifiek opgeleid personeel nodig is voor het persoonlijk onderhoud, de complexiteit van de aanvraag en de prioritering van de asielaanvraag. Als een van de situaties van artikel 13, elfde lid Procedureverordening van toepassing is, kan er af worden gezien van een persoonlijk onderhoud. De IND kan dit tijdens de triage bepalen maar ook op een later moment in de procedure.

3.3. Asielgrensprocedure

Als een vreemdeling de screeningsfase volledig heeft doorlopen aan de buitengrens, wordt in beginsel de asielgrensprocedure toegepast, indien de aanvraag conform artikel 3, derde lid Vw binnen de asielgrensprocedure kan worden behandeld.

Zo spoedig mogelijk nadat de vreemdeling de asielgrensprocedure is ingestroomd, wordt de triage uitgevoerd. De triage na screening aan de grens is hetzelfde als de triage na de OVA-fase. De IND bepaalt tijdens de triage van de vreemdeling die de asielgrensprocedure doorloopt of de detentiemaatregel proportioneel is en of de aanvraag op basis van artikel 30a of 30b Vw binnen vijf weken niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond kan worden verklaard. Tijdens de triage bepaalt de IND vervolgens de prioritering en welke vervolgonderzoeken nodig zijn.

Zie paragraaf C2/2 Vc voor het verdere verloop van de asielgrensprocedure en op welke wijze wordt bepaald of deze op de vreemdeling van toepassing is.

Als op een bepaald moment besloten wordt de asielgrensprocedure niet langer toe te passen en er is nog geen beslissing genomen op de aanvraag, vindt er opnieuw een triage plaats. Omdat de asielgrensprocedure niet meer van toepassing is, bepaalt de IND tijdens deze aanvullende triage welke procedure van toepassing is en welke vervolgstappen nodig zijn om de aanvraag te kunnen afhandelen.

3.4. Asiel vanuit vreemdelingenbewaring

Bij aanvragen vanuit vreemdelingenbewaring kunnen zich de volgende situaties voordoen:

3.5. Aanvragen van vreemdelingen in de strafrechtketen (VRIS)

Vreemdelingen in strafrecht vallen niet binnen de reikwijdte van de Screeningsverordening, zij worden geïdentificeerd en geregistreerd door de KMar of de AVIM zoals beschreven in A6 Vc. Bij aanvragen van vreemdelingen in de strafrechtketen (VRIS) kunnen zich de volgende situaties voordoen.

Op grond van artikel 42, eerste lid onder f Procedureverordening bestaat de mogelijkheid om de versnelde procedure toe te passen bij asielaanvragen die worden gedaan vanuit strafrecht of waarin de vreemdeling in de strafrechtketen heeft verbleven. Er kunnen dan namelijk redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Dit hangt onder meer af van de strafbare feiten waarvoor de vreemdeling in strafrecht verblijft of heeft verbleven. De IND maakt hierin een individuele afweging.

4. Juridische counseling

De IND biedt ondersteuning in de vorm van juridische counseling aan voor vreemdelingen in de asielprocedure tot het moment van koppelen van de asieladvocaat.

De juridisch counselors zijn niet werkzaam voor de Directie Asiel en Bescherming van de IND en worden niet betrokken bij de besluitvorming van de aanvraag. Zij treden niet op als gemachtigde en hebben geen inzage in het dossier van de vreemdeling. Zij hebben geen invloed op de uitkomst van de procedure. Counselors verschaffen geen gegevens over individuele aanvragers aan overige onderdelen van de IND of vreemdelingenketen, tenzij de vreemdeling daar uitdrukkelijk om verzoekt.

De IND biedt juridische counseling aan vanaf de OVA-fase. Gedurende deze fase kan de vreemdeling informatie inwinnen bij de juridisch counselors over de registratie en indiening van hun asielverzoek en zo nodig bijstand ontvangen bij de indiening van de aanvraag. Na de indiening van de asielaanvraag kan de vreemdeling, tot het moment dat een asieladvocaat is gekoppeld, op verzoek een afspraak maken met een juridisch counselor. De juridische counseling bestaat in deze fase uit begeleiding bij en uitleg over de procedures.

5. Het persoonlijk onderhoud

5.1. Algemeen

In artikel 12 Procedureverordening staat dat de vreemdeling voor het nemen van een beslissing op de aanvraag in de gelegenheid moet worden gesteld een persoonlijk onderhoud te hebben over de inhoud van het verzoek. Hiervan kan worden afgezien in de gevallen genoemd in artikel 13, elfde lid Procedureverordening.

Voor de leesbaarheid wordt verder gesproken over ‘gehoor’.

Tijdens dit gehoor stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om de elementen aan te voeren ter staving van zijn verzoek. De vreemdeling wordt verder in de gelegenheid gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn of haar verklaringen.

Indien van toepassing kan de IND de vreemdeling tijdens het gehoor bevragen over overige onderwerpen die van belang zijn voor de behandeling van de asielaanvraag. Het kan hier onder meer gaan om vragen in het kader van een binnenlands beschermingsalternatief, veilig derde land, openbare orde aspecten, de ambtshalve toetsing en het opleggen van een terugkeerbesluit en/of maatregel en/of signalering.

Het gehoor vindt plaats in omstandigheden die privacy en vertrouwelijkheid garanderen en vreemdelingen de mogelijkheid bieden de redenen voor hun verzoek uitvoerig toe te lichten.

Een vreemdeling kan op grond van artikel 13, negende lid Procedureverordening de IND verzoeken door een vrouwelijke of mannelijke ambtenaar van de IND gehoord te worden.

De IND voldoet aan dit verzoek, als dat mogelijk is. De IND hoeft niet tegemoet te komen aan dit verzoek als de uitzonderingssituatie van artikel 13, negende lid Procedureverordening van toepassing is.

5.2. Minderjarige vreemdelingen

De IND stelt een minderjarige in de gelegenheid een gehoor te hebben, tenzij dit niet in het belang van het kind is. In dat geval motiveert de IND, waarom de minderjarige geen gelegenheid is geboden om gehoord te worden.

Begeleide minderjarigen kunnen, als ze dat wensen, hun mening als bedoeld in artikel 12 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) schriftelijk naar voren brengen.

Het minderjarige kind en/of de ouder(s) dan wel een eventuele wettelijk vertegenwoordiger wordt door de IND verzocht aan te geven of de minderjarige gehoord wenst te worden. Dit verzoek wordt zo spoedig aan het minderjarige kind en/of de ouders(s) dan wel een eventuele wettelijk vertegenwoordiger gedaan.

De IND houdt bij het horen van minderjarigen rekening met de leeftijd, het ontwikkelingsniveau en de belasting van de minderjarige.

De IND hoort een niet-begeleide minderjarige vreemdeling jonger dan twaalf jaar in beginsel in een speciale daarvoor ingerichte, kindvriendelijke ruimte. De IND hoort een begeleide minderjarige vreemdeling in beginsel niet in een speciaal daarvoor ingerichte, kindvriendelijke ruimte. Als uit een pedagogisch of psychologisch onderzoek blijkt dat een vreemdeling jonger dan twaalf jaar problemen heeft die een gehoor belemmeren, zoekt de IND naar een wijze waarop het gehoor kan worden afgenomen, dan wel naar een andere passende oplossing. Gelet op artikel 23, achtste lid, Procedureverordening hebben de vertegenwoordiger en de gemachtigde tijdens het gehoor de gelegenheid vragen te stellen of opmerkingen te maken binnen het kader dat is vastgesteld door de persoon die het onderhoud voert.

5.3. Tolk

Tijdens het gehoor is een tolk beschikbaar die ervoor kan zorgen dat de communicatie tussen de vreemdeling en de persoon die het gehoor voert, goed verloopt, indien een goede communicatie zonder die diensten niet kan worden gewaarborgd.

De vreemdeling wordt gehoord in een taal waaraan hij de voorkeur geeft. Indien echter binnen een redelijke termijn geen tolk beschikbaar is, kan een andere taal worden gebruikt die hij begrijpt en waarin hij helder kan communiceren. De IND hanteert hierbij het uitgangspunt dat de vreemdeling wordt gehoord in een taal waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de vreemdeling die kan verstaan.

De IND beschouwt als talen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de vreemdeling die kan verstaan in ieder geval:

Als een vreemdeling stelt tot een minderheid in het land van herkomst te behoren, veronderstelt de IND dat hij naast ten minste één taal die valt onder de hierboven genoemde soorten talen, ook de lokale taal of het dialect van de gestelde minderheid verstaat.

Voor wat betreft een verzoek van de vreemdeling ten aanzien van het geslacht van de tolk is paragraaf C1/5.1 Vc van overeenkomstige toepassing.

De gemachtigde van de vreemdeling mag op grond van artikel 13, dertiende lid Procedureverordening bij het gehoor aanwezig zijn. Aan het einde van het persoonlijk onderhoud wordt de gemachtigde en eventueel een ander persoon die aanwezig is tijdens het gehoor in gelegenheid gesteld opmerkingen te maken. De gemachtigde en eventueel een ander persoon mag de aanvang en het verloop van het gehoor niet ophouden.

5.4. Verslag, opname en correcties en aanvullingen

De IND stelt een uitvoerig en feitelijk verslag (rapport) van het gehoor op, dat in het dossier van de vreemdeling wordt opgenomen. Daarnaast wordt van het gehoor een geluidsopname gemaakt, die ook in het dossier wordt opgenomen. De vreemdeling wordt vooraf in kennis gesteld van het feit dat er een opname wordt gemaakt.

De vreemdeling en zijn gemachtigde hebben zo snel mogelijk na het gehoor toegang tot het rapport van het gehoor. Ook krijgt de gemachtigde toegang tot de opname.

De IND geeft de vreemdeling in beginsel een termijn van twee weken om schriftelijk correcties en aanvullingen in te dienen op het rapport van het gehoor. In de versnelde procedure geldt in beginsel een termijn van een week voor het indienen van eventuele correcties en aanvullingen. Voor de vreemdeling in vreemdelingenbewaring en VRIS geldt in beginsel eveneens een termijn van een week. Gelet op de (korte) beslistermijnen wordt terughoudend omgegaan met het verlenen van uitstel voor het indienen van correcties en aanvullingen. Gedacht kan worden aan plotselinge ziekte van gemachtigde of vreemdeling of het niet beschikbaar zijn van een tolk.

De IND kan afzien van het bieden van gelegenheid voor het indienen van correcties en aanvullingen. Dat is in ieder geval mogelijk als dit naar het oordeel van de IND geen wezenlijke bijdrage levert aan de zorgvuldigheid van de besluitvorming of dat er anderszins een belang bestaat bij het spoedig kunnen nemen van een besluit op de aanvraag. Bij dat laatste kan worden gedacht aan de situatie dat de asielaanvraag eerst kort voor een voorgenomen uitzetting is ingediend.

De IND kan de termijn van een week voor het indienen van correcties en aanvullingen verkorten wanneer sprake is van overlast. Er is in ieder geval sprake van overlast als de vreemdeling:

6. Beschikking

6.1. Wijze van bekendmaken

De IND maakt de beschikking bekend aan de vreemdeling of aan zijn gemachtigde (als deze bekend is).

In de beschikking vermeldt de IND de wettelijk vereiste gegevens. Dit omvat mede de termijn waarin de vreemdeling Nederland moet verlaten (indien van toepassing).

Als de IND de beschikking aan de vreemdeling bekend maakt, vermeldt de IND op het bij de beschikking gevoegde aanbiedingsformulier:

6.2. De inwilliging

Als de IND de aanvraag inwilligt op grond van subsidiaire bescherming als bedoeld in artikel 18 Kwalificatieverordening, motiveert de IND, waarom niet is ingewilligd op grond van vluchtelingschap als bedoeld in artikel 13 Kwalificatieverordening.

Als de IND de aanvraag inwilligt op grond van artikel 23, eerste lid Kwalificatieverordening, motiveert de IND waarom niet is ingewilligd op grond van vluchtelingschap of subsidiaire bescherming.

6.3. De duur van de behandelingsprocedure

Op grond van artikel 35, derde lid Procedureverordening rondt de IND de versnelde behandelingsprocedure, als bedoeld in artikel 42 Procedureverordening, uiterlijk drie maanden na de datum van indiening van het verzoek af.

Als algemene regel neemt de IND op grond van artikel 35, vierde lid Procedureverordening binnen zes maanden na indiening van het verzoek een beslissing.

Op basis van artikel 35, vijfde lid Procedureverordening kan de beslistermijn met maximaal zes maanden worden verlengd indien:

Onder complexe feitelijke en juridische kwesties als bedoeld in artikel 35, vijfde lid, aanhef en onder b Procedureverordening wordt in ieder geval verstaan dat er onderzoek moet worden gedaan of advies moet worden gevraagd aan externe partijen of deskundigen. Er is ook sprake van een complexe feitelijke en juridische kwestie zoals bedoeld in artikel 35, vijfde lid, aanhef en onder b Procedureverordening als er 1F-indicaties zijn.

De IND neemt in ieder geval aan dat de vertraging van de behandeling van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te schrijven als bedoeld in artikel 35, vijfde lid, aanhef en onder c Procedureverordening als:

7. Ambtshalve toets

Bij afwijzing van de eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel als (kennelijk) ongegrond beoordeelt de IND volgens artikel 3.6a Vb ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op een van de gronden genoemd in het artikel 3.6a, eerste lid, Vb.

Algemeen uitgangspunt is dat ambtshalve toetsing aan reguliere verblijfsdoelen slechts plaatsvindt in het kader van eerste aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel.

Bij een tweede of volgende aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel toetst de IND daarom niet ambtshalve of op verzoek aan:

Bij intrekking van een verblijfsvergunning asiel toetst de IND evenmin ambtshalve of op verzoek of aanleiding bestaat gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 14, eerste lid, Vw.

Bij de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste lid, onder a, Vb (uitzetting in strijd met artikel 8 EVRM), past de IND paragraaf B7/3.8 Vc (8 EVRM) overeenkomstig toe.

Bij de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste lid onder b, Vb, past de IND paragraaf B8/3.1 Vc onder het kopje Ambtshalve verlening in de asielprocedure toe.

Voor zover daar op grond van artikel 3.6ba Vb en paragraaf B11/2.5 Vc aanleiding toe bestaat, beoordeelt de IND bij een eerste asielaanvraag of er op grond van artikel 3.6ba Vb aanleiding bestaat ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen.

Voor wat betreft de ambtshalve toets op grond van artikel 6.1e Vb wordt verwezen naar paragraaf A3/7.2.3 Vc.

De IND laat de ambtshalve toets als bedoeld in artikel 3.6a Vb achterwege, wanneer aan de vreemdeling al eerder een zwaar inreisverbod (artikel 66a, zevende lid, Vw) of een ongewenstverklaring is opgelegd of wanneer met de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel een zwaar inreisverbod of ongewenstverklaring wordt opgelegd.

Als de IND de asielaanvraag van een niet-begeleide minderjarige afwijst, beoordeelt de IND ambtshalve of de niet-begeleide minderjarige in aanmerking komt voor een buitenschuldvergunning zoals bedoeld in paragraaf B8/6 Vc.

8. Rechtsmiddelen

8.1. Beroepstermijnen

De IND brengt beschikkingen ter kennis in de zin van artikel 36, eerste lid en 67, achtste lid Procedureverordening door deze bekend te maken door toezending of uitreiking overeenkomstig artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (zie paragraaf C1/6.1 Vc).

8.2. Voorlopige voorziening

Artikel 82 Vw regelt wanneer het beroep de werking van het besluit op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel opschort.

Artikel 7.3 , eerste lid Vb regelt dat de vreemdeling in beginsel niet verwijderd mag worden in afwachting van de uitspraak op het tijdig ingediende verzoek om een voorlopige voorziening, of als de termijn voor het indienen van een verzoek tot een voorlopige voorziening nog niet is verstreken.

8.3. Het verzoek om een voorlopige voorziening bij een volgend verzoek

De IND kan op grond van artikel 56 Procedureverordening voorzien in een uitzondering op het recht niet te worden verwijderd uit Nederland in afwachting van een beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening indien het volgend verzoek enkel en alleen is ingediend om de uitvoering van een besluit dat zou leiden tot de spoedige verwijdering van de verzoeker uit Nederland, te vertragen of verhinderen en het volgend verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard wegens het ontbreken van nieuwe elementen en bevindingen.

Bij de beoordeling of een verzoek enkel en alleen is ingediend om verwijdering te vertragen of verhinderen, betrekt de IND alle omstandigheden van het geval, waaronder met name:

Daarnaast kan de IND op grond van artikel 56 Procedureverordening voorzien in een uitzondering op het recht niet te worden verwijderd als een tweede of verder volgend verzoek wordt gedaan na een definitieve beslissing waarbij een voorgaand volgend verzoek is afgewezen als niet-ontvankelijk, ongegrond of kennelijk-ongegrond. De IND maakt van deze bevoegdheid geen gebruik indien verwijdering zou leiden tot schending van het beginsel van non-refoulement. Bij die beoordeling betrekt de IND in ieder geval of sprake is van nieuwe elementen en bevindingen die de kans op verlening van internationale bescherming aanzienlijk groter maken. Is dat niet het geval, dan rechtvaardigt dat de conclusie dat verwijdering niet zal leiden tot schending van het beginsel van non-refoulement.

8.4. Klachten bij internationale instanties

Bij de volgende internationale instanties kan de vreemdeling een individuele klacht indienen als hij van mening is dat zijn rechten onder de betreffende verdragen zijn geschonden:

In het navolgende zullen de laatste vier organen worden aangeduid als ‘de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties’.

8.5. Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)

Als het EHRM een voorlopige maatregel (interim measure) treft op grond van Regel (Rule) 39 van het procesreglement van het EHRM en de Nederlandse Staat verzoekt om de uitzetting van de vreemdeling op te schorten, mag de vreemdeling gedurende de periode dat de voorlopige maatregel van kracht is niet worden uitgezet. Een voorlopige maatregel van het EHRM wordt gelijk gesteld met een door de nationale rechter toegewezen voorlopige voorziening en levert in beginsel rechtmatig verblijf op als bedoeld in artikel 8 onder h Vw.

Als een vreemdeling in vreemdelingenbewaring zit, vindt naar aanleiding van de door het EHRM getroffen voorlopige maatregel een belangenafweging plaats inzake het voortduren van de bewaring. Bij deze afweging van belangen kan onder meer worden betrokken:

De vreemdeling kan (gedwongen) worden uitgezet als het EHRM geen voorlopige maatregel treft.

Uitspraken van het EHRM zijn juridisch bindend en worden (op)gevolgd.

8.6. Mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties

Een verzoek om opschorting van de uitzetting van de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties zijn, evenals de uiteindelijke zienswijze, niet juridisch bindend. Aan een dergelijk verzoek wordt in beginsel voldaan, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om niet te voldoen aan een dergelijk verzoek, bijvoorbeeld vanwege de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Verzoeken om opschorting van de uitzetting van de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties die door de Nederlandse staat worden gehonoreerd, doen geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder h Vw ontstaan.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 Terugkeerrichtlijn ontvangt de gemachtigde van de vreemdeling van de IND bericht dat het opgelegde terugkeerbesluit gedurende het verzoek van de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties voorlopig niet zal worden uitgevoerd en dat de vreemdeling dus gedurende het verzoek niet zal worden uitgezet.

Als het verzoek om opschorting van de uitzetting van de vreemdeling wordt gehonoreerd door de Nederlandse Staat, vindt ten aanzien van de eventuele vreemdelingenbewaring een belangenafweging plaats inzake het voortduren van de bewaring. Bij deze afweging van belangen kan onder meer worden betrokken:

Als het mensenrechtenverdragsorgaan van de Verenigde Naties als eindoordeel geeft dat de uitzetting van de vreemdeling in strijd is met de bepalingen van het Verdrag waar het orgaan op toeziet, verleent de IND in beginsel een verblijfsvergunning. De IND verleent in ieder geval geen verblijfsvergunning aan de vreemdeling:

C2. Specifieke procedures

1. Algemeen

In de volgende paragrafen wordt ingegaan op specifieke procedures die afwijken van de standaard asielprocedure zoals beschreven in hoofdstuk C1 Vc.

2. Asielgrensprocedure

2.1. Algemeen

De asielgrensprocedure is geregeld in artikel 43 tot en met 45 Procedureverordening en artikel 3, derde tot en met zevende lid, Vw.

De vreemdeling geeft in persoon bij de ambtenaar belast met de grensbewaking te kennen dat hij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen. De procedure voor de screening van vreemdelingen die de asielgrensprocedure instromen, is opgenomen in paragraaf A6/2 Vc. De termijnen voor het registreren en indienen van de aanvraag zijn opgenomen in artikel 35 Procedureverordening.

Vreemdelingen die de asielgrensprocedure instromen worden naar het Aanmeldcentrum Schiphol gelegen in het Justitieel Complex Schiphol overgebracht voor de verdere behandeling van de asielaanvraag. Indien de behandeling van het verzoek niet in de asielgrensprocedure zal plaats vinden, wordt de vreemdeling doorgeleid naar het screeningslocatie op het grondgebied (zoals in paragraaf A6/2.3 Vc) waar, indien van toepassing, ook de screening zal worden voortgezet. Na het indienen van het verzoek vindt een triage plaats zoals bedoeld in paragraaf C1/3.3 Vc. Tijdens de triage van de vreemdeling die de asielgrensprocedure doorloopt zal ook bezien worden of het voortduren van de detentiemaatregel proportioneel is.

2.2. Voortzetting asielgrensprocedure

De IND toetst tijdens de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voortdurend of de aanvraag conform artikel 3, derde lid, Vw binnen de asielgrensprocedure kan worden behandeld. Het uitgangspunt is dat de IND uiterlijk na het persoonlijk onderhoud, op basis van volledige informatie, aan de vreemdeling kenbaar maakt indien zijn aanvraag niet in de asielgrensprocedure verder kan worden behandeld. Hiervan kan worden afgeweken indien in een eerder of later stadium de relevante informatie voorhanden is.

De IND moet de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in de asielgrensprocedure voortvarend behandelen. Er wordt daarom zo spoedig mogelijk een persoonlijk onderhoud afgenomen. Na het persoonlijk onderhoud is er een termijn voor het indienen van correcties en aanvullingen van één dag. In ieder geval dient binnen 5 weken na registratie van de aanvraag te worden beslist. De termijn van vijf weken kan met vier weken worden verlengd wanneer de vreemdeling naar Nederland is herplaatst overeenkomstig artikel 67, elfde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Indien de IND concludeert dat de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet binnen de asielgrensprocedure verder kan worden behandeld, of als duidelijk is dat de termijn van 5 weken voor de administratieve fase niet kan worden gehaald, dan wordt van rechtswege de toegang verleend en de vrijheidsontnemende maatregel bedoeld in artikel 6, derde lid Vw opgeheven. De IND meldt de vreemdeling uiterlijk om 18.00 uur aan bij het COA ten behoeve van de uitplaatsing. De behandeling van de asielaanvraag wordt te lande voortgezet.

Als een van de gronden van artikel 42, eerste lid, onderdelen a tot en met g, en j, en artikel 42, derde lid, onderdeel b, Procedureverordening van toepassing is maar op individuele basis geconcludeerd wordt dat de aanvraag ingewilligd wordt, wordt van rechtswege de toegang verleend en de vrijheidsontnemende maatregel bedoeld in artikel 6, derde lid Vw zo spoedig mogelijk opgeheven. Het inwilligende besluit wordt zo mogelijk bekendgemaakt op de locatie waar de asielgrensprocedure wordt uitgevoerd. De IND meldt de vreemdeling uiterlijk om 18.00 uur aan bij het COA ten behoeve van de uitplaatsing.

2.3. Voortzetting van detentie na de asielgrensprocedure en daarop volgende toegangsweigering

Nadat de in paragraaf A5/3.1 Vc onder het kopje ‘Vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, Vw’ onder a tot en met d genoemde situaties niet langer aan de orde zijn, neemt de ambtenaar belast met de grensbewaking een besluit omtrent weigering van de toegang middels model M17A. Daarnaast legt de bevoegde ambtenaar middels model M19B een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel op krachtens artikel 6, eerste en tweede lid juncto het zesde lid, Vw.

Het nemen van een besluit omtrent weigering van de toegang en opleggen van de nieuwe maatregel dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden, maar uiterlijk binnen twee dagen nadat de inparagraaf A5/3.1 Vc onder het kopje ‘Vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, Vw’ onder a tot en met d genoemde situaties niet langer aan de orde zijn.

2.4. Asiel- en migratiebeheerverordening procedure op de locatie waar de asielgrensprocedure wordt uitgevoerd

Conform artikel 3, derde lid en onder a Vw wordt, op de locatie waar de asielgrensprocedure wordt uitgevoerd, getoetst of de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 30, eerste lid Vw niet in behandeling wordt genomen omdat een andere lidstaat op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen.

Voor een aanvraag waarop de Asiel- en migratiebeheerverordening procedure van toepassing is, geldt dat, indien van toepassing, zo spoedig mogelijk een persoonlijk onderhoud wordt afgenomen. Paragraaf C2/3.4.2 Vc over het persoonlijk onderhoud in de Asiel- en migratiebeheerverordening procedure is van overeenkomstige toepassing.

Indien de IND niet binnen vijf weken na registratie een beschikking tot niet in behandeling nemen van de aanvraag heeft genomen dan wordt van rechtswege de toegang verleend en de vrijheidsontnemende maatregel bedoeld in artikel 6, derde lid Vw, opgeheven. De IND meldt de vreemdeling uiterlijk om 18.00 uur aan bij het COA ten behoeve van de uitplaatsing.

Nadat de in paragraaf A5/3.1 Vc onder het kopje ‘Vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, Vw’ onder a tot en met d genoemde situaties niet langer aan de orde zijn, neemt de ambtenaar belast met de grensbewaking een besluit omtrent weigering van de toegang middels model M17A. Daarnaast legt de bevoegde ambtenaar middels model M19Aeen nieuwe vrijheidsontnemende maatregel op krachtens artikel 6a, eerste lid, Vw.

Het nemen van een besluit omtrent weigering van de toegang en opleggen van de nieuwe maatregel dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden, maar uiterlijk binnen twee dagen nadat de in paragraaf A5/3.1 Vc onder het kopje ‘Vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, Vw’ onder a tot en met d genoemde situaties niet langer aan de orde zijn.

2.5. Inbewaringstelling op grond van artikel 59b Vw na de asielgrensprocedure

Indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, terwijl de aanvraag niet binnen de termijn zoals bedoeld in artikel 3, zesde lid, Vw kan worden afgedaan, stelt de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, VV de vreemdeling aansluitend in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. Hiervan is in ieder geval sprake indien de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel mogelijk met toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag kan worden afgewezen (zie paragraaf A5/6.4 Vc).

3. Asiel- en migratiebeheerverordening (Verordening (EU) 2024/1351)

3.1. Algemeen

De IND neemt gelet op het bepaalde in artikel 30, eerste lid Vw een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling als een andere lidstaat op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen.

3.2. Waarborgen

De IND houdt tijdens de toepassing van de Asiel- en migratiebeheerverordening rekening met de waarborgen zoals die neergelegd zijn in artikel 16 en 19 tot en met 23 van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

3.3. Criteria bepaling verantwoordelijkheid van het behandelen van verzoek om internationale bescherming

3.3.1. Algemeen

De criteria voor de bepaling van de verantwoordelijkheid van het behandelen van verzoek om internationale bescherming zijn opgenomen in hoofdstuk II van deel III van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In hoofdstuk III van deel III worden afhankelijke personen benoemd, alsmede de discretionaire clausule.

3.3.2. Niet-begeleide minderjarigen (artikel 25 Asiel- en migratiebeheerverordening)

Als de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige is, biedt enkel artikel 25 Asiel- en migratiebeheerverordening de IND de mogelijkheid om tot overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat over te gaan. De IND maakt, als wordt voldaan aan de relevante criteria zoals opgenomen in artikelen 23 en 25 Asiel- en migratiebeheerverordening, gebruik van deze mogelijkheid. Dit is in lijn met overweging 53 van de preambule van de Asiel- en migratiebeheerverordening, ter ontmoediging van niet-toegestane verplaatsingen van niet-begeleide minderjarigen.

Als een niet-begeleide minderjarige een gezinslid of een broer of zus in een andere lidstaat heeft, en die zich daar wettig ophoudt, geldt die lidstaat als de verantwoordelijke lidstaat.

Als sprake is van een familielid in een andere lidstaat, en die zich daar wettig ophoudt, dan wordt op basis van individueel onderzoek beoordeeld of dit familielid voor de niet-begeleide minderjarige kan zorgen.

Het is in beide gevallen blijkens het tweede en derde lid van artikel 25 Asiel- en migratiebeheerverordening aan de niet-begeleide minderjarige om aan te tonen dat overdracht niet in zijn belang is.

In bijlage 1 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 staat onder (1) opgenomen welke directe en indirecte bewijzen in aanmerking kunnen worden genomen voor toepassing van artikel 25 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Op grond van artikel 7, vierde lid, Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 is geen formeel bewijsmiddel, zoals originele bewijsstukken en DNA-onderzoek, vereist, als de indirecte bewijzen coherent, verifieerbaar en voldoende gedetailleerd zijn om de verantwoordelijkheid te kunnen bepalen.

Onder ‘wettig ophouden’ in een andere lidstaat in de zin van artikel 25 van de de Asiel- en migratiebeheerverordening verstaat de IND: (procedureel) rechtmatig verblijf op grond van een ingediende aanvraag voor een verblijfsvergunning, op grond van een verleende verblijfsvergunning in een andere lidstaat, op basis van een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in een andere lidstaat, of als burger van een lidstaat.

Bij onvoldoende aanwijzingen over de verblijfplaats van gezins- of familieleden van de niet-begeleide minderjarige wijst de IND de minderjarige op hulp die hij kan inroepen bij het traceren van gezins- of familieleden.

Bij ontstentenis van gezinsleden, broers of zussen of familieleden, is de lidstaat waar het verzoek van de niet-begeleide minderjarige voor het eerst is geregistreerd de verantwoordelijke lidstaat, indien dat in het belang van het kind is. De IND zal dit beoordelen en de conclusie(s) duidelijk vermelden in het overdrachtsbesluit.

Als in een voorkomend geval de conclusie is, dat overdracht aan een andere lidstaat niet in het belang van de niet-begeleide minderjarige is, dan neemt de IND zijn verzoek om internationale bescherming in behandeling.

Wanneer de IND een verzoek ontvangt tot overname van de aanvraag van een niet-begeleide minderjarige met familieleden in Nederland, voert de Raad voor de Kinderbescherming het individueel onderzoek, genoemd in artikel 25, derde lid van de Verordening, uit waarin wordt vastgesteld of het familielid in Nederland voor de minderjarige vreemdeling kan zorgen.

3.3.3. Gezinsleden (artikel 26 tot en met 28 Asiel- en migratiebeheerverordening)

In de artikelen 26 tot en met 28 Asiel- en migratiebeheerverordening staan regels opgenomen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van een vreemdeling, als deze vreemdeling gezinsleden heeft in een andere lidstaat.

Wie als gezinslid wordt aangemerkt staat opgenomen in artikel 2, aanhef en onder 8, Asiel- en migratiebeheerverordening.

In bijlage 1 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 staat onder (2) en (3) opgenomen welke directe en indirecte bewijzen in aanmerking kunnen worden genomen voor toepassing van artikel 26 tot en met 28 van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Voor het begrip ‘wettig in een lidstaat verblijven’ als bedoeld in artikel 26 wordt door de IND aangesloten bij de letterlijke tekst van het eerste en tweede lid van artikel 26 van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Voor het vaststellen van de familieband geldt het volgende. Op grond van artikel 7, vierde lid, Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 is voor de toepassing van artikel 25, 26, 27, 28 of 34 van de Asiel- en migratiebeheerverordening geen formeel bewijsmiddel, zoals originele bewijsstukken en DNA-onderzoek, vereist, als de indirecte bewijzen coherent, verifieerbaar en voldoende gedetailleerd zijn om de verantwoordelijkheid te kunnen bepalen.

3.3.4. Diploma’s of andere kwalificaties (artikel 30 Asiel- en migratiebeheerverordening)

Onder een diploma of kwalificatie zoals bedoeld in artikel 30 Asiel- en migratiebeheerverordening wordt het volgende verstaan:

Een getuigschrift, diploma of schooldiploma ten bewijze dat een opleiding met goed gevolg is afgerond als bedoeld in de artikelen 2.58, tweede lid, onder a en b, en derde lid, en 2.80, tweede lid, onder a, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, 7.4.6 en 7.4.11, vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en 7.11, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, behaald na een studieperiode van ten minste één schooljaar of studiejaar in Nederland dat ten minste gelijkwaardig is aan niveau 2 van de International Standard Classification of Education met uitzondering van onlinecursussen of andere vormen van afstandsleren.

Niveau 2 van de International Standard Classification of Education komt overeen met lager secundair onderwijs, bijvoorbeeld VMBO.

In bijlage 1 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 staat onder (6) opgenomen, met welke directe en indirecte bewijzen diploma’s of andere kwalificaties onderbouwd kunnen worden.

3.3.5. Afhankelijke personen (artikel 34 Asiel- en migratiebeheerverordening)

Als sprake is van afhankelijkheid zoals omschreven in artikel 34 Asiel- en migratiebeheerverordening, zorgt de IND er normaliter voor dat de vreemdeling kan blijven bij of worden herenigd met de in dit artikel omschreven groep van personen, onder de nadrukkelijke voorwaarde dat de familiebanden al bestonden voordat de vreemdeling aankwam op het grondgebied van de lidstaten. De vreemdeling moet deze afhankelijkheid aantonen, zo veel als mogelijk met objectieve elementen, zoals medische attesten.

Daarbij is in ieder geval vereist dat de vreemdeling of het familielid het vermogen heeft de daadwerkelijke zorg te kunnen en willen verlenen en dat de betrokken personen schriftelijk hebben verklaard dat zij bij elkaar willen blijven of met elkaar herenigd willen worden. De IND betrekt daarbij ook de vraag of deze zorg uitsluitend door de vreemdeling of het familielid kan worden geleverd, of dat deze zorg ook door anderen, zoals professionele zorginstellingen of andere zorg van overheidswege, kan worden geleverd. De persoon in kwestie moet een zodanig unieke positie innemen als zorgverlener dat hij of zij niet of zeer moeilijk door anderen is te vervangen.

Onder ‘wettig verblijven’ in de zin van artikel 34, eerste lid, Asiel- en migratiebeheerverordening verstaat de IND: het kind, broer of zus, of de ouder van de vreemdeling is in het bezit van een geldige verblijfsvergunning of heeft inmiddels de Nederlandse nationaliteit verkregen. Voor ‘wettig verblijven in een andere lidstaat’ in de zin van artikel 34, eerste en tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening hanteert de IND gelijke criteria.

De gezondheidstoestand van de vreemdeling kan hem gedurende een significante tijdsspanne beletten om naar de verantwoordelijke lidstaat te reizen. Op grond van artikel 34, tweede lid, Asiel- en migratiebeheerverordening kan de lidstaat waar de vreemdeling zich ophoudt hierdoor de verantwoordelijke lidstaat worden. Als significante tijdspanne houdt de IND tenminste een periode van zes maanden aan.

3.3.6. Discretionaire clausules (artikel 35 Asiel- en migratiebeheerverordening)

Een lidstaat kan besluiten een verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is de lidstaat er niet toe verplicht. Dit is de discretionaire bevoegdheid die staat in artikel 35, eerste lid, Asiel- en migratiebeheerverordening. De IND maakt in de regel geen gebruik van deze discretionaire bevoegdheid, tenzij dit naar het oordeel van de IND vanwege proceseconomische redenen aangewezen is.

De IND kan op grond van artikel 35, tweede lid, Asiel- en migratiebeheerverordening altijd een andere lidstaat vragen een vreemdeling over te nemen, zolang de IND nog geen inhoudelijke beslissing heeft genomen op de aanvraag. Doel hiervan is om gezins- of familierelaties te herstellen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van betekenisvolle banden op basis van familie-, sociale of culturele overwegingen, ook wanneer de andere lidstaat niet verantwoordelijk is. De betrokken personen moeten hiermee schriftelijk instemmen.

De IND kan ook een verzoek van een andere lidstaat om de aanvraag over te nemen accepteren, terwijl ze daartoe niet verplicht is. De IND maakt van deze mogelijkheid terughoudend gebruik.

Uit artikel 43, eerste lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening volgt dat de keuze om al dan niet gebruik te maken van deze discretionaire bevoegdheid, geen onderdeel uitmaakt van een rechtsmiddel gericht tegen het overdrachtsbesluit.

3.4. De procedure

3.4.1. Algemeen

In de screeningsfase verzamelt de screeningsautoriteit (KMar of IND) informatie op basis waarvan de triage (zie verder paragraaf C1/3 Vc) uitgevoerd gaat worden. Hieruit kan volgen dat (mogelijk) een andere lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van het verzoek om internationale bescherming (zie artikel 8, vijfde lid, Screeningsverordening en zie verder paragraaf ‘Screening’ Vc). Dit kan blijken uit het raadplegen van Eurodac en VIS. Het kan ook blijken uit documenten van de vreemdeling en uit verklaringen.

Bij de beoordeling of een andere lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van het verzoek om internationale bescherming onderzoekt de IND of er sprake is van indicaties dat de procedure van de Asiel- en migratiebeheerverordening doorlopen moet worden.

Als tijdens het onderzoek wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van een vreemdeling, dan neemt IND zijn verzoek om internationale bescherming in behandeling.

3.4.2. Persoonlijk onderhoud

Als sprake is van indicaties voor een overnameprocedure, als bedoeld in artikel 39 Asiel- en migratiebeheerverordening, dan houdt de IND in de regel een persoonlijk onderhoud als bedoeld in artikel 22 Asiel- en migratiebeheerverordening. Van het persoonlijk onderhoud wordt een geluidsopname gemaakt. Hierbij wordt aangesloten bij paragraaf C1/5.4 Vc.

In artikel 22, derde lid, Asiel- en migratiebeheerverordening is bepaald, dat het persoonlijk onderhoud moet zijn afgenomen, voordat het overnameverzoek aan een andere lidstaat wordt verzonden.

Het verslag van het persoonlijk onderhoud wordt afgesloten met een samenvatting van het persoonlijk onderhoud. Deze samenvatting wordt aan het eind van het persoonlijk onderhoud voorgelezen aan de vreemdeling, waarna de vreemdeling op grond van artikel 22, zevende lid, Asiel- en migratiebeheerverordening onmiddellijk en mondeling correcties en aanvullingen mag doorgeven.

Als sprake is van een terugnameprocedure dan is een persoonlijk onderhoud niet voorgeschreven en zal dat in de regel ook niet plaatsvinden.

Begeleide minderjarige kinderen in een procedure van de Asiel- en migratiebeheerverordening krijgen in afwijking van paragraaf C1/5.2 Vc de gelegenheid hun mening schriftelijk naar voren te brengen, ook wanneer hun ouders niet worden gehoord.

Bij de niet-begeleide minderjarige vreemdeling neemt de IND wel een persoonlijk onderhoud af, zodat het belang van het kind getoetst kan worden. Gedurende de procedure mag een niet-begeleide minderjarige zijn of haar mening ook altijd schriftelijk kenbaar maken.

3.4.3. Afzien van persoonlijk onderhoud

In artikel 22, tweede lid, Asiel- en migratiebeheerverordening staan situaties opgenomen, waaronder afgezien kan worden van een persoonlijk onderhoud.

Onder de situatie van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder a, Asiel- en migratiebeheerverordening dat een vreemdeling is ondergedoken wordt mede verstaan de situatie als de verzoeker met onbekende bestemming is vertrokken.

Als de vreemdeling als bedoeld in artikel 22, tweede lid, aanhef en onder b, Asiel- en migratiebeheerverordening, zonder voorafgaande kennisgeving en zonder verschoonbare reden, niet verschijnt voor het persoonlijk onderhoud, dan neemt de IND aan dat de vreemdeling geen bezwaren heeft tegen de overdracht naar het land dat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.

De vreemdeling die een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen terwijl hij nog valt onder het bereik van de Asiel- en migratiebeheerverordening dient daarvoor gebruik te maken van het model M35-O. De vreemdeling geeft op het model M35-O aan op grond van welke nieuwe relevante elementen hij een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen, onderbouwt dit en voegt bewijsmiddelen als bijlage bij.

Op grond van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder c, Asiel- en migratiebeheerverordening zal er bij een volgende aanvraag geen persoonlijk onderhoud plaatsvinden. De vreemdeling heeft immers bij zijn eerste aanvraag al de relevante informatie als bedoeld in artikel 19 Asiel- en migratiebeheerverordening ontvangen, er is inmiddels al een claimakkoord tot stand is gekomen met de verantwoordelijke lidstaat, en de vreemdeling kan middels de ingevulde M35-O en de eventueel overgelegde bewijsstukken de benodigde informatie verstrekken.

3.4.4. Verstrekken nadere informatie

De IND kan de vreemdeling op grond van artikel 17, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening bij een overname situatie een aanvullende termijn bieden voor het verstrekken van aanvullende informatie. Dit kan alleen wanneer de vreemdeling niet in staat is deze informatie tijdens het persoonlijk onderhoud te verstrekken en wanneer het gaat om informatie die noodzakelijk is voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat. De termijn die door de IND wordt geboden is afhankelijk van de resterende termijn voor het indienen van het overnameverzoek en de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling.

3.5. Beschikking/overdrachtsbesluit

De IND maakt de beschikking op grond van artikel 42 Asiel- en migratiebeheerverordening bekend door uitreiking aan de vreemdeling of door toezending aan gemachtigde, nadat:

Bovenstaande geldt ook wanneer aanvaarding of bevestiging het gevolg is van het niet tijdig reageren van de aangezochte lidstaat.

Als het verzoek om internationale bescherming niet in behandeling wordt genomen op grond van artikel 30, eerste lid Vw, neemt de IND in ieder geval in de beschikking op:

De vreemdeling heeft van rechtswege geen recht op opvangvoorzieningen in een andere lidstaat dan die waar hij op grond van artikel 17, vierde lid van de Asiel- en migratiebeheerverordening aanwezig dient te zijn. De vreemdeling heeft wel recht op opvangvoorzieningen tot aan de overdracht in de volgende situaties:

Een voorwaarde voor het vervallen van het recht op deze opvangvoorzieningen is dat de vreemdeling moet zijn geïnformeerd over zijn of haar verplichtingen en de gevolgen van niet-nakoming daarvan overeenkomstig artikel 11, lid 1, punt b Procedureverordening of artikel 5, lid 1 en artikel 21 Opvangrichtlijn. De IND neemt in ieder geval aan dat de vreemdeling hierover is geïnformeerd wanneer sprake is van een eerdere aanvraag in een andere lidstaat op of na 12 juni 2026, tenzij expliciet door de betreffende lidstaat is aangegeven dat deze de vreemdeling niet heeft geïnformeerd.

In de bijzondere individuele omstandigheden zoals benoemd in artikel 18, vierde lid van de Asiel- en migratiebeheerverordening kan in de regel worden voorzien in de versoberde opvang van het COA als bedoeld in artikel 18, eerste lid. Desgewenst kan de vreemdeling gebruik maken van de klachtenregeling van het COA.

Voor wat betreft het bekendmaken van de beschikking wordt verwezen naar paragraaf C1/6.1 Vc.

3.6. Rechtsmiddelen

Op grond van artikel 69, tweede lid, aanhef en onder a, eerste lid, Vw bedraagt de beroepstermijn één week.

De IND schort op grond van artikel 43, derde lid van de Asiel- en Migratiebeheerverordening en artikel 69, zevende lid, Vw de uitvoering van het overdrachtsbesluit op als de vreemdeling gelijktijdig met een (tijdig ingesteld) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening indient.

Op grond van artikel 69, zevende lid, Vw in combinatie met artikel 82, tweede lid, aanhef en onder b, Vw wordt de uitvoering van een overdrachtsbesluit niet opgeschort, als de vreemdeling geen verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend of wanneer het verzoek niet gelijktijdig met het beroep is ingediend.

3.7. Overdrachtstermijn

Artikel 46 , tweede lid, Asiel- en migratiebeheerverordening geeft de IND de mogelijkheid om de overdrachtstermijn tot maximaal een jaar te verlengen bij gevangenzetting van de vreemdeling. Van gevangenzetting in voormelde zin is sprake bij een rechterlijke beslissing tot vrijheidsbeneming die in het kader van een strafrechtelijke procedure is gegeven ten aanzien van een persoon die een strafbaar feit heeft gepleegd of die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd.

Verder geeft deze bepaling de mogelijkheid om de overdrachtstermijn tot maximaal drie jaar te verlengen als de vreemdeling, of een gezinslid die samen met de vreemdeling moet worden overgedragen:

De vreemdeling moet in kennis worden gesteld van zijn verplichting om mee te werken aan de overdracht. Ook moet hij geïnformeerd worden over de gevolgen van het niet meewerken hieraan. Als de vreemdeling op de hoogte was van zijn verplichtingen, en vervolgens (tijdelijk) niet beschikbaar blijft voor de autoriteiten, dan neemt de IND in ieder geval aan dat de vreemdeling zich aan de uitvoering van de overdracht heeft onttrokken. De IND stelt de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming tijdig op de hoogte van de verlenging van de uiterste overdrachtsdatum. De IND verlengt de uiterste overdrachtsdatum niet als er sprake is geweest van verschoonbare feiten en omstandigheden of als de vreemdeling niet is ingelicht over de verplichtingen die dienaangaande op hem rusten.

4. De procedure bij een aanvraag vanuit vreemdelingenbewaring

Als een vreemdeling aan wie op grond van artikel 59 of 59a Vw een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd aangeeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel te willen indienen, dient de vreemdeling deze aanvraag in op het aanmeldcentrum Schiphol of op de locatie waar de vrijheidsontnemende maatregel ten uitvoer wordt gelegd. De termijnen zoals bedoeld in artikel 35 Procedureverordening zijn van toepassing. Na het indienen van de aanvraag vindt een triage plaats zoals bedoeld in paragraaf C1/3.4 Vc.

De IND beoordeelt in overleg met de DTenV, de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen of de vreemdeling voor de behandeling van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel (tijdelijk) wordt overgeplaatst naar aanmeldcentrum Schiphol in verband met het persoonlijk onderhoud.

In beginsel zal de vreemdeling na de nabespreking van het persoonlijk onderhoud met de gemachtigde teruggebracht worden naar de bewaringslocatie alwaar hij verbleef voordat hij werd overgeplaatst naar aanmeldcentrum Schiphol.

De IND kan er in overleg met de DTenV voor kiezen de gehele asielprocedure te voeren vanaf de bewaringslocatie. De IND weegt bij de beoordeling of gekozen wordt voor de oorspronkelijke bewaringslocatie of die aan de grens in ieder geval de volgende omstandigheden mee:

Na indiening van de aanvraag wordt een advocaat toegewezen. Op een passend moment voorafgaand aan het persoonlijk onderhoud vindt de voorbereiding door de advocaat plaats.

De aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel moet gelet op het bepaalde in artikel 59b, tweede lid, Vw zo spoedig als mogelijk worden afgerond. Gelet hierop wordt zo spoedig mogelijk een persoonlijk onderhoud ingepland.

5. Volgende aanvragen

5.1. Tweede of volgende aanvraag ingediend en nog geen definitief besluit op het eerdere verzoek

Indien nog geen beslissing op een eerdere aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is genomen of in het geval de rechtbank nog niet beslist heeft op het beroep tegen de beslissing die is genomen op deze aanvraag, is er nog geen sprake van een definitieve beslissing in de zin van artikel 55 Procedureverordening. De tweede op volgende aanvraag wordt dan niet aangemerkt als een nieuw verzoek, maar als een nadere verklaring. Deze dient dan ook niet als zodanig te worden geregistreerd. De nadere verklaring dient beoordeeld te worden in het kader van de lopende aanvraag of het lopende beroep. Deze nadere verklaring dient dan ook toegezonden te worden aan de rechtbank.

5.2. Tweede of volgende aanvraag na definitieve beslissing in andere lidstaat

Indien een verzoek om internationale bescherming bij een definitieve beslissing is afgewezen in een andere lidstaat, zal dit verzoek ook als een volgend verzoek moeten worden beschouwd en behandeld (zie artikel 55, tweede lid Procedureverordening).

5.3. De procedure bij een tweede of volgende aanvraag

De vreemdeling, of de wettelijk vertegenwoordiger, die een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen, dient deze aanvraag in op werkdagen tussen 08:00 en 15:00 uur op het aanmeldcentrum Ter Apel. De in artikel 3.50a VV genoemde gevallen zijn hiervan uitgezonderd. Een tweede of volgende aanvraag die niet in persoon is ingediend op het aanmeldcentrum Ter Apel is niet overeenkomstig artikel 28 Procedureverordening en artikel 36, eerste lid, Vw ingediend. De vreemdeling krijgt dan een termijn van drie dagen om de aanvraag in persoon in te dienen en het verzuim te herstellen, bij gebreke waarvan zal de aanvraag buiten behandeling worden gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid aanhef en onder b Vw (en artikel 41, eerste lid aanhef en onder a Procedureverordening).

De vreemdeling die een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen, dient daarvoor, behoudens de in artikel 3.50a VV genoemde gevallen, gebruik te maken van het model M35-O. De vreemdeling geeft op het model M35-O aan op grond van welke nieuwe relevante elementen hij een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen, onderbouwt dit en voegt bewijsmiddelen als bijlage bij.

Als de IND de bijlage met bewijsmiddelen heeft ontvangen, verstrekt de IND aan de vreemdeling een bewijs van ontvangst, waarin staat beschreven welke bewijsmiddelen de IND heeft ontvangen. Voor wat betreft de teruggave van bewijsmiddelen door de IND zijn de beleidsregels in paragraaf A2/8 Vc van toepassing.

Indien de vreemdeling het model M35-O incompleet indient, waardoor informatie ontbreekt om op de aanvraag te kunnen beslissen, wordt de vreemdeling een herstel verzuim periode geboden van drie dagen om de aanvraag alsnog te completeren. Als de vreemdeling de aanvraag niet binnen de gestelde termijn completeert, wordt de aanvraag beoordeeld op basis van hetgeen de vreemdeling met het ingediende model M35-O heeft aangevoerd. Als de ontbrekende informatie noodzakelijk is voor de beoordeling, zal de aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard omdat geen sprake is van nieuwe relevante elementen die de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming.

De IND geeft een kortere termijn voor het completeren van de aanvraag als:

De herstel verzuim termijn kan worden onthouden als:

De IND start na ontvangst van het volledig ingevulde en complete model M35-O op basis van de daarmee verstrekte informatie en bewijsmiddelen met het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag. Dit onderzoek omvat tevens de beoordeling van volgende aanvragen. Wanneer een vreemdeling een volgende aanvraag indient, onderzoekt de IND of de aanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard in de zin van artikel 30a, eerste lid Vw. Zoals bedoeld in artikel 38, tweede lid Procedureverordening. Dit onderzoek bestaat uit twee fasen.

In de eerste fase onderzoekt de IND of er sprake is van nieuwe relevante elementen. Dat is het geval als:

Wanneer niet aan één van de voorwaarden uit bovenstaande is voldaan, dan kan de volgende aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard. Hierbij verwijst de IND naar artikel 55 Procedureverordening.

Als wel sprake is van nieuwe relevante elementen, onderzoekt de IND in de tweede fase of deze nieuwe elementen en bevindingen de kans op internationale bescherming aanzienlijk vergroten. Is dit niet het geval, dan kan de aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard.

De IND beoordeelt de aanvraag inhoudelijk op inwilligbaarheid als sprake is van nieuwe relevante elementen die de kans op internationale bescherming aanzienlijk vergroten.

Bij de toets of de nieuwe elementen en bevindingen de kans op internationale bescherming aanzienlijk vergroten, betrekt de IND de redenen voor de afwijzing van de vorige aanvra(a)g(en) en beoordeelt deze redenen in onderlinge samenhang met de nieuwe relevante elementen. Deze gezamenlijke afweging leidt dan tot een conclusie of deze nieuwe relevante elementen de kans op internationale bescherming aanzienlijk vergroten.

De IND wijst een volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet af als niet-ontvankelijk als er sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende elementen en bevindingen. Hiervan is in ieder geval sprake indien hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd en/of overgelegd tot het oordeel leidt dat met de uitzetting van de vreemdeling artikel 3 EVRM wordt geschonden.

De IND beschouwt een verzoek om heroverweging dat is ingediend door een vreemdeling die niet in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel als een onvolledige aanvraag van een verblijfsvergunning asiel. De vreemdeling krijgt dan een termijn van drie dagen om de aanvraag in persoon in te dienen en het verzuim te herstellen, bij gebreke waarvan zal de aanvraag buiten behandeling worden gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid aanhef en onder b Vw (en artikel 41, eerste lid aanhef en onder a Procedureverordening

De IND beslist na ontvangst van een volledige aanvraag of en op welke datum het persoonlijk onderhoud plaatsvindt. Er vindt gelet op artikel 13, elfde lid Procedureverordening geen persoonlijk onderhoud plaats als de IND op basis van het dossier, de ingevulde M35-O en de eventueel overgelegde bewijsstukken de aanvraag niet-ontvankelijk kan verklaren. De IND kan besluiten om die reden af te zien van een persoonlijk onderhoud in de situatie dat de vreemdeling:

Als de vreemdeling wel in de gelegenheid wordt gesteld een persoonlijk onderhoud te hebben, maar zonder voorafgaande mededeling niet verschijnt voor dat onderhoud, wordt gehandeld overeenkomstig paragraaf C4/4.3 Vc impliciete intrekking.

5.3.1. Bekendmaken beschikking

Paragraaf C1/6.1 Vc onder ‘Wijze van bekendmaken’ is van toepassing.

De IND zendt de beschikking aan de gemachtigde van de vreemdeling. Indien bij de IND geen gemachtigde bekend is en de vreemdeling aanwezig is op het aanmeldcentrum reikt de IND de beschikking in persoon uit aan de vreemdeling.

5.4. Lastminuteaanvragen

Als de vreemdeling aangeeft een volgende aanvraag om een verblijfsvergunning asiel in te willen dienen, pas nadat er concrete handelingen zijn verricht in het kader van het effectueren van zijn vertrek, zoals dat hij door de DTenV is geïnformeerd over de datum van de vlucht ten fine van zijn verwijdering (zie artikel 3.50a VV), merkt de IND deze aanvraag aan als een lastminuteaanvraag.

Zodra de vreemdeling aangeeft een lastminuteaanvraag te willen indienen, beoordeelt de IND of het mogelijk is deze aanvraag vóór de geplande uitzetting te behandelen. De IND betrekt bij die beoordeling mede de tijd die nodig is om de vreemdeling over te kunnen brengen naar Aanmeldcentrum Schiphol.

Als het niet mogelijk is om de volgende aanvraag te behandelen vóór de geplande uitzetting of overdracht, dan beoordeelt de IND of de uitzetting op grond van een van de uitzonderingen als genoemd in artikel 56 Procedureverordening doorgang kan vinden.

In dat geval bepaalt de IND waar en op welke wijze de vreemdeling (in afwijking van de normale wijze) zijn aanvraag kan indienen. Na de indiening van de aanvraag neemt de IND, indien nodig, zo spoedig mogelijk een persoonlijk onderhoud af. De IND neemt dit persoonlijk onderhoud in de regel af op de locatie waar de vreemdeling zich op dat moment bevindt. Tijdens het persoonlijk onderhoud stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om nieuwe relevante elementen naar voren te brengen en vraagt de vreemdeling naar de redenen voor de late indiening van de aanvraag. De IND beoordeelt op basis van het persoonlijk onderhoud en de overige omstandigheden van het geval, waaronder informatie van de DTenV, of de uitzetting achterwege blijft of doorgang kan vinden. Als de uitzetting niet achterwege blijft, wordt een beslissing hieromtrent kenbaar gemaakt aan de vreemdeling en zijn gemachtigde.

5.4.1. De procedure na uitzetting

Na de uitzetting van de vreemdeling behandelt de IND de volgende aanvraag binnen de termijn van twee maanden zoals neergelegd in artikel 35, eerste lid Procedureverordening. De beschikking kan worden bekendgemaakt door middel van verzending aan gemachtigde.

5.4.2. De procedure als uitzetting achterwege blijft

Als de geplande uitzetting van de vreemdeling wordt geannuleerd, vindt de (verdere) behandeling van de volgende aanvraag plaats zoals hierboven beschreven. Als aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd, wordt deze in beginsel voortgezet of opnieuw (op een andere grondslag) opgelegd.

6. Asielaanvragen van EU-onderdanen

Uitgangspunt is dat een lidstaat van de Europese Unie voldoende bescherming biedt aan de eigen burgers.

De IND verklaart een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel van een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie niet-ontvankelijk op grond van Protocol (Nr. 24) inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie, bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, tenzij een van de volgende omstandigheden van toepassing is:

Het enkele feit dat een procedure zoals bedoeld in artikel 7 VEU is gestart, betekent niet dat de aanvraag om die reden inhoudelijk moet worden behandeld en dat deze niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard. In dat geval dient te worden beoordeeld of de asielmotieven van de vreemdeling in direct verband staan met de achtergronden bij de artikel 7-procedure.

De d-grond zal slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kunnen worden toegepast en slechts in het geval de Minister hiertoe besloten heeft.

De IND toetst gelet op het bepaalde in artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit niet ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Wet wanneer een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie een asielaanvraag indient.

7. Hervestiging

7.1. Inleiding

Hervestiging vindt plaats overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1350 tot vaststelling van een Uniekader voor hervestiging en toelating op humanitaire gronden, en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1147 (hierna: Hervestigingsverordening).

7.2. Toelatingsprocedure

De beoordeling of een vreemdeling in aanmerking komt voor hervestiging wordt gedaan door de IND. In deze procedure wordt het advies van het COA en/of BMA betrokken. Deze beoordeling vindt plaats voor de komst van de vreemdeling naar Nederland.

Op basis van de door de UNHCR verstrekte informatie besluit de IND of er een toelatingsprocedure wordt gevoerd ten aanzien van een vreemdeling. Indien hiertoe besloten wordt, beoordeelt de IND of de vreemdeling – gelet op het bepaalde in artikel 9, zesde lid, in combinatie met artikel 5, Hervestigingsverordening – te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade en hij daarmee voor een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29, of artikel 29a Vw in aanmerking komt.

De IND betrekt bij die beoordeling of de toelating op grond van artikel 6, eerste lid Hervestigingsverordening geweigerd moet worden. De IND kan de toelating weigeren indien sprake is van situaties zoals beschreven in artikel 6, tweede lid, Hervestigingsverordening. Voor de beoordeling van de omstandigheden zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, onder c en d Hervestigingsverordening, wordt het advies van het COA en/of het BMA betrokken.

Hierna volgt een conclusie van de IND over hervestiging van de vreemdeling, en indien van toepassing, de in artikel 5, vierde lid, Hervestigingsverordening genoemde gelijktijdig voor hervestiging voorgedragen familieleden.

Na de conclusie van de IND, verzorgt het COA een Culturele Oriëntatie training als een verplicht onderdeel van het hervestigingsproces.

De IND stopt de toelatingsprocedure alsnog na een positieve conclusie indien de vreemdeling zijn instemming intrekt (artikel 9, elfde lid Hervestigingsverordening). In de overige gevallen genoemd in het elfde lid kan de IND de toelatingsprocedure alsnog stoppen.

Indien nieuwe informatie of gewijzigde omstandigheden na de conclusie bekend worden bij de IND, kan ook dan overgegaan worden tot weigering. Gewijzigde omstandigheden van de vreemdeling die ertoe leiden dat het niet langer mogelijk is om passende steun te verlenen bij aankomst in Nederland kunnen leiden tot stopzetting of weigering van de toelatingsprocedure. Wanneer relevante informatie ten aanzien van de toelatingsprocedure op een later moment bekend wordt, met name wanneer de vreemdeling dit heeft achtergehouden, kan de toelatingsprocedure ook stopgezet of geweigerd worden, overeenkomstig artikel 6 Hervestigingsverordening.

7.3. Aanvraag verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling, en indien van toepassing, diens gelijktijdig voor hervestiging geaccepteerde familieleden, melden zich na aankomst in Nederland bij de IND voor de formele indiening van de aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel. De vreemdeling zal daarbij in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29 of artikel 29a Vw. De familieleden, indien zij zelf niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 of artikel 29a Vw, zullen in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29b Vw. Hiermee is de toelatingsprocedure in het kader van de Hervestigingsverordening geëindigd.

7.4. Intrekking verblijfsvergunning asiel

De intrekkingsgronden van de artikelen 14 en 19 Kwalificatieverordening zijn ook van toepassing op een vreemdeling die in het kader van hervestiging een verblijfsvergunning asiel voor Nederland heeft ontvangen. Indien de omstandigheid zich voordoet als bedoeld in artikel 11, eerste lid en artikel 16, derde lid van de Kwalificatieverordening trekt de IND de verblijfsvergunning asiel niet in of wijst de aanvraag om verlenging van de verblijfstitel niet af van een hervestigde vreemdeling, als de verleningsgrond is komen te vervallen vanwege een wijziging in de algemene situatie in het land van herkomst of het land waar hij zijn gewone verblijfplaats had.

7.5. Vrijwillige terugkeer land van herkomst

Als de hervestigde vreemdeling vrijwillig is teruggekeerd naar het land van herkomst, beoordeelt de IND de gevolgen voor de verblijfsvergunning asiel van een hervestigde vreemdeling vanwege deze vrijwillige terugkeer aan de hand van paragraaf C3/3.5 Vc.

C3. Beoordeling van de asielaanvraag

1. Inleiding

In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen in:

2. Algemene beleidsregels ten aanzien van de verblijfsvergunning asiel

2.1. Algemeen

De artikelen 29, 29a, 29b, 29c en 29d Vw bevatten de gronden waarop de IND een verblijfsvergunning asiel kan verlenen. De IND toetst de toepasselijkheid van deze gronden in de volgorde waarin deze gronden in de Vreemdelingenwet voorkomen.

De beoordeling van de geloofwaardigheid, de risico-inschatting en de beoordeling van de zwaarwegendheid van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel is beschreven in paragraaf C3/4 Vc.

2.2. Land van herkomst

De IND stelt eerst het land van herkomst van de vreemdeling vast, vóórdat de IND beoordeelt of de vreemdeling gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade heeft in het land van herkomst. De IND verstaat onder ‘land van herkomst’ het land of de landen waarvan de vreemdeling de nationaliteit heeft (zie artikel 3, onder 13, Kwalificatieverordening).

Binnen het land van herkomst, stelt de IND vast wat de normale woon- en verblijfplaats van de vreemdeling is. De IND merkt als normale woon- en verblijfplaats aan het gebied waar de vreemdeling gedurende enige tijd heeft gewoond en verbleven, voordat de vreemdeling diens land van herkomst heeft verlaten. Humanitaire omstandigheden spelen bij de vraag of een gebied als een normale woon- of verblijfplaats geldt, geen rol.

Als geen enkel land de vreemdeling als onderdaan erkent, merkt de IND de vreemdeling aan als staatloze vreemdeling (zie ook artikel 3, onder 15, Procedureverordening).

De IND merkt het land of de landen waar de staatloze vreemdeling voor zijn komst naar Nederland zijn gebruikelijke verblijfplaats (‘country of former habitual residence’) had, aan als land of landen van herkomst van de staatloze vreemdeling. De IND bepaalt de gebruikelijke verblijfplaats van de staatloze vreemdeling, in ieder geval op basis van:

2.3. Individualiseringsvereiste

De IND beoordeelt overeenkomstig artikel 34, tweede lid, Procedureverordening op individuele basis en beziet op basis van de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling zelf of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. De vreemdeling moet aan de hand van specifieke individuele kenmerken (‘special distinguishing features’) aannemelijk maken waarom juist hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een risico loopt op vervolging of ernstige schade. Dit wordt het individualiseringsvereiste genoemd. Het individualiseringsvereiste is van toepassing, ook als een risicoprofiel als bedoeld in paragraaf C3/2.4 Vc van toepassing is.

2.4. Risicoprofielen

De minister kan op basis van informatie over een land van herkomst risicoprofielen aanwijzen. Dit wordt in het landenbeleid in hoofdstuk C9 Vc neergelegd. De minister kan een groep als risicoprofiel aanwijzen, als sprake is van een meer structurele en minder incidentele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten dan wel derden tegen wie geen (doeltreffende) bescherming door de autoriteiten van het land van herkomst of door internationale organisaties kan worden geboden.

Het aanwijzen als risicoprofiel gebeurt niet op basis van vaste criteria aangezien elk land, elke groep en situatie zijn eigen dynamiek en bijzonderheden kent. In algemene zin worden in ieder geval de volgende elementen in onderlinge samenhang betrokken:

Voor de vreemdeling die behoort tot een groep, waarvoor in algemene zin een risicoprofiel is aangewezen, blijft het individualiseringsvereiste gelden en geldt er geen aangepaste bewijslastverdeling (zie paragraaf C3/2.3 Vc).

Het behoren tot een groep, aangemerkt als risicoprofiel, is op zichzelf dan ook niet voldoende voor vluchtelingschap of subsidiaire bescherming. Als een vreemdeling binnen een risicoprofiel valt, dan beoordeelt de IND de individuele omstandigheden van het geval, afgezet tegen de positie van de groep en de algemene (veiligheids)situatie in het land van herkomst. Aan de hand van de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten, eventuele eerdere gebeurtenissen en eerdere blootstelling aan daden van vervolging of ernstige schade, beoordeelt de IND of de vreemdeling een reëel risico op vervolging of ernstige schade loopt.

2.5. Afdoeningsgronden

De IND kan een verzoek voor een verblijfsvergunning asiel op verschillende gronden afdoen. Deze afdoeningsgronden worden behandeld in de paragrafen C4/1, C4/2 en C4/3 Vc.

3. Internationale bescherming

3.1. Algemeen

3.1.1. Beoordeling feiten en omstandigheden

De IND beoordeelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel met inachtneming van artikel 4 Kwalificatieverordening en artikel 34 Procedureverordening.

3.1.2. Daden van vervolging

Artikel 9 Kwalificatieverordening beschrijft wat wordt verstaan onder daden van vervolging.

3.1.3. Actoren van vervolging en ernstige schade

Artikel 6 Kwalificatieverordening beschrijft wat wordt verstaan onder actoren van vervolging of ernstige schade.

3.1.4. Toepassing van artikel 5 Kwalificatieverordening (ter plaatse ontstane behoefte aan internationale bescherming)

Op grond van artikel 5 Kwalificatieverordening kan de IND een verblijfsvergunning asiel verlenen aan de vreemdeling, die aannemelijk gemaakt heeft een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade te hebben vanwege:

De behoefte aan internationale bescherming wordt aangeduid als ter plaatse ontstaan.

De IND beoordeelt op basis van algemeen beschikbare informatie, door de vreemdeling afgelegde verklaringen en eventueel ondersteunend bewijs of de vreemdeling problemen staan te wachten bij terugkeer en of die problemen zo ernstig zijn dat deze moeten worden beschouwd als daden van vervolging dan wel aanleiding geven om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Wat betreft de vraag of van de vreemdeling terughoudendheid mag worden verwacht, wordt verwezen naar hetgeen hieronder wordt beschreven ten aanzien van politieke overtuiging, godsdienst en seksuele gerichtheid en genderaspecten.

Ook indien de activiteiten van de vreemdeling, die de vreemdeling heeft ondernomen na zijn vertrek uit het land van herkomst, niet volgen op activiteiten die de vreemdeling al in het land van herkomst heeft ondernomen vóór zijn vertrek kan de vreemdeling een ter plaatse ontstane behoefte hebben aan bescherming (zie ook artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening). Hiervan kan sprake zijn, als de vreemdeling voldoet aan de volgende voorwaarden:

3.1.5. Misbruik van recht

De vreemdeling die geacht wordt een gegronde vrees te hebben voor vervolging of een reëel risico te lopen op ernstige schade, kan een verblijfsvergunning asiel onthouden worden als de vreemdeling de omstandigheden waarop het risico van vervolging of ernstige schade berust, zelf veroorzaakt heeft nadat hij het land van herkomst heeft verlaten met als enig of voornaamste doel de voorwaarden te creëren om in aanmerking te komen voor internationale bescherming (zie artikel 5, tweede lid, Kwalificatieverordening).

De IND moet motiveren uit welke feiten en omstandigheden volgt dat is voldaan aan de objectieve en subjectieve vereisten, waardoor aannemelijk is dat de vreemdeling voor zichzelf kunstmatig de voorwaarden heeft geschapen, alleen met als enig of voornaamste doel om zo in aanmerking te kunnen komen voor internationale bescherming. De enkele omstandigheid dat de gebeurtenissen na het verlaten van het land van herkomst plaatsvinden, is op zichzelf nog geen reden om artikel 5, tweede lid, Kwalificatieverordening toe te passen.

De toepassing van artikel 5, tweede lid, Kwalificatieverordening en het daarmee onthouden van een verblijfsvergunning asiel kan geen afbreuk doen aan het beginsel van non-refoulement zoals vastgelegd in artikel 3 EVRM en de artikelen 4 en 19, tweede lid, EU Handvest.

3.1.6. Aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel bij een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging

De IND neemt geen aanvraag in behandeling voor een verblijfsvergunning asiel van een vreemdeling, die zich voor bescherming meldt bij een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of een derde land. De vreemdeling wordt door de medewerker van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging doorverwezen naar de autoriteiten van het derde land, waar de vreemdeling zich bevindt of naar de UNHCR of UNDP.

3.2. Verlening verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid (vluchtelingenstatus)

3.2.1. Algemeen

Artikel 3 onder 5, Kwalificatieverordening regelt wat wordt verstaan onder een ‘vluchteling’.

Artikel 13 Kwalificatieverordening in combinatie met artikel 24 Kwalificatieverordening bepaalt dat een verblijfstitel moet worden verleend zolang een vreemdeling de vluchtelingenstatus heeft. Artikel 14, tweede lid, Kwalificatieverordening regelt dat de IND, in bepaalde situaties, kan beslissen geen vluchtelingstatus te verlenen. De verlening van een verblijfsvergunning asiel is geregeld in artikel 29 Vw.

3.2.2. De uitsluitingsgronden van het Vluchtelingenverdrag

Een vreemdeling wordt uitgesloten van erkenning als vluchteling op grond van artikel 12 Kwalificatieverordening in de volgende gevallen:

De IND verleent aan de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel, als één van deze uitsluitingsgronden zich voordoet.

3.2.2.1. Artikel 1D Vluchtelingenverdrag

De IND verleent de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw, als hij onder de reikwijdte van artikel 1D Vluchtelingenverdrag valt. Wel toetst de IND door aan artikel 29a, eerste lid, Vw.

Artikel 1D Vluchtelingenverdrag is in de huidige praktijk van toepassing op de (staatloze) Palestijnse vluchteling die onder het mandaat van de UNRWA valt. Het mandaat van de UNRWA is van toepassing op vijf gebieden: Libanon, Jordanië, Syrië, de Westelijke Jordaanoever (de Westbank) en de Gazastrook.

Om in aanmerking te komen voor hulp van UNRWA moet een persoon:

Voor de vreemdeling die niet onder het mandaat van UNRWA valt, is het reguliere asielbeleid van toepassing.

In twee opeenvolgende stappen beoordeelt de IND of een Palestijnse vluchteling, afkomstig uit één van de vijf UNRWA-mandaatgebieden, wordt uitgesloten van vluchtelingschap. Deze stappen zijn:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)