Vreemdelingencirculaire 2000 (C)
Artikel 1D moet zodanig strikt worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op personen die enkel voor bescherming of bijstand van de UNRWA in aanmerking kwamen of komen, maar die niet hebben ingeroepen.
Ook is het van belang te beoordelen of de vreemdeling daadwerkelijk kort voor het indienen van de asielaanvraag de bescherming of bijstand van de UNRWA heeft ingeroepen of genoten. Enkel deze vreemdelingen vallen namelijk onder de reikwijdte van artikel 1D.
De beoordeling of en in hoeverre de vreemdeling bijstand heeft genoten van de UNRWA, is een individuele beoordeling, waarbij relevant is waaruit de bescherming of bijstand van de UNRWA in het individuele geval van de vreemdeling bestond.
Voor het aannemen van eerder genoten (of ingeroepen) bescherming of bijstand, is een registratie bij UNRWA geen vereiste. Het is echter wel een sterke indicatie dat de vreemdeling onder de reikwijdte van dat artikel valt.
Van belang is of de vreemdeling het mandaatgebied vrijwillig of gedwongen heeft verlaten, maar ook of de omstandigheden inmiddels zijn veranderd.
Er zijn twee situaties denkbaar waarin de bescherming of bijstand beschouwd wordt als opgehouden buiten de invloed van de vreemdeling:
De beoordeling betreft een ex-nunc onderzoek. Er kan dus niet volstaan worden met een beoordeling van de situatie bij vertrek uit het land van gebruikelijk verblijf.
De beoordeling of UNRWA aan het mandaat kan voldoen, is in beginsel een individuele. De bescherming of bijstand moet met name worden geacht te zijn opgehouden wanneer de UNRWA niet in staat is een specifieke verzoeker waardige levensomstandigheden en een minimum aan veiligheid te waarborgen, rekening houdend met eventuele kwetsbaarheden. Daarbij moet worden gedacht aan levensomstandigheden die de vreemdeling niet garanderen dat, overeenkomstig de opdracht van de UNRWA, wordt voldaan aan basisbehoeften op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs en levensonderhoud.
Daarnaast is de situatie denkbaar dat de UNRWA aan geen enkele (staatloze) Palestijnse menswaardige levensomstandigheden of minimale veiligheid kan garanderen. Dit is aan de orde als in het betreffende werkgebied elke staatloze Palestijn terechtkomt in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte.
Het is in beginsel aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij de door hem ontvangen bescherming of bijstand die hij eerder heeft ontvangen, niet opnieuw kan inroepen.
Het gaat hier primair om de vraag of de vreemdeling het gebied vrijwillig heeft verlaten. Als de vreemdeling niet buiten zijn wil gedwongen is geweest het gebied te verlaten, is niet aannemelijk dat de bescherming of bijstand is opgehouden buiten de invloed van de vreemdeling.
Van gedwongen vertrek kan onder andere sprake zijn als de vreemdeling:
Ook als er na vertrek uit het land van herkomst omstandigheden zijn ontstaan waardoor de vreemdeling zich niet naar het mandaatgebied kan begeven, kan aangenomen worden dat de bescherming of bijstand is opgehouden buiten de invloed van de vreemdeling. In het geval van vrijwillig vertrek is het aan de vreemdeling om dat aannemelijk te maken.
Als sprake is van onvrijwillig vertrek maar nadien zijn de levensomstandigheden in het betreffende mandaatgebied verbeterd, dan kan dat ook bij de beoordeling worden betrokken. Dat kan (alsnog) leiden tot uitsluiting op grond van artikel 1D van het Verdrag. De bewijslast ligt bij de IND.
In het kader van de toepassing van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag hoeft de IND, bij de beoordeling van de asielaanvraag, niet te beoordelen of de vreemdeling toegang kan krijgen tot het UNRWA-gebied waar hij eerder heeft verbleven.
Bij de vraag of de vreemdeling bescherming of bijstand van UNRWA kan krijgen in een ander mandaatgebied dan het mandaatgebied waar hij zijn werkelijke verblijfplaats had, speelt de feitelijke toegankelijkheid wel een rol. Als de vreemdeling niet wordt toegelaten tot het andere mandaatgebied, kan hem niet tegengeworpen worden dat hij daar de bescherming of bijstand van UNRWA kan inroepen.
De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw als de vreemdeling:
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel, als de vreemdeling:
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel als de (staatloze) Palestijnse vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen als bedoeld in de uitsluitingsgrond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.
3.2.2.2. Artikel 1E van het Vluchtelingenverdrag (artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening)
Dit artikel heeft betrekking op vreemdelingen die anders in aanmerking zouden komen voor de vluchtelingenstatus en die zijn opgevangen in een land waar hun de meeste rechten zijn toegekend die onderdanen gewoonlijk genieten, maar waar zij geen formeel staatsburgerschap hebben.
3.2.2.3. Artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (artikel 12, tweede tot en met vijfde lid, Kwalificatieverordening)
Artikel 12 , tweede lid, Kwalificatieverordening regelt, dat een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de erkenning als vluchteling, als er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven heeft gepleegd. Dit komt overeen met de tekst van artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Daarom wordt in de Vc nog steeds gesproken over artikel 1F Vluchtelingenverdrag (of kortweg 1F).
De IND verleent in dat geval de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel (zie paragraaf C4/3.6.2 Vc).
3.2.3. Groepsvervolging
Er is sprake van groepsvervolging, als in een land van herkomst een groep vreemdelingen systematisch wordt blootgesteld aan vervolging wegens een van de gronden van artikel 10 Kwalificatieverordening.
De minister kan een groep aanwijzen waarvoor sprake is van groepsvervolging. Situaties waarin sprake is van groepsvervolging worden opgenomen in het landgebonden beleid.
Ook voor de vreemdeling die zich beroept op groepsvervolging geldt het individualiseringsvereiste. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat hij behoort tot de groep vreemdelingen voor wie groepsvervolging wordt aangenomen.
3.2.4. Risicoprofielen
Zoals in paragraaf C3/2.4 Vc is opgenomen kan de minister in verband met de situatie in een land risicoprofielen aanwijzen.
3.2.5. Uitgangspunten beoordeling gronden van vervolging in de zin van artikel 10 Kwalificatieverordening
De IND beoordeelt een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel met inachtneming van artikel 10 Kwalificatieverordening. De gronden voor vervolging worden hieronder nader uitgewerkt.
De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw, als sprake is van daden van vervolging als bedoeld in artikel 9 Kwalificatieverordening.
In de paragrafen hieronder worden de volgende gronden uit artikel 10 Kwalificatieverordening nader uitgewerkt:
Voor de beoordeling van de gronden ras, dat met name de aspecten huidskleur, afkomst of het behoren tot een bepaalde etnische groep omvat, en nationaliteit wordt geen apart kader uitgewerkt. De beoordeling volgt de algemene systematiek.
3.2.5.1. Godsdienst (artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening)
Het begrip ‘godsdienst’ omvat een breed scala aan overtuigingen, met name theïstische, niet-theïstische en atheïstische (geloofs)overtuigingen. De omstandigheid dat de vreemdeling zijn godsdienst in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze kan uitoefenen als in Nederland vormt onvoldoende aanleiding om de vreemdeling in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw.
Niet elke aantasting van het recht op godsdienstvrijheid zal dan ook een daad van vervolging in de zin van artikel 10 Kwalificatieverordening vormen. Bij de beoordeling of een aantasting van het recht op godsdienstvrijheid een daad van vervolging vormt, moet de IND, gelet op de persoonlijke situatie van de vreemdeling tegen de achtergrond van hetgeen uit algemene informatie bekend is, onderzoeken of deze om redenen van de uitoefening van die vrijheid in zijn land van herkomst een werkelijk gevaar loopt om te worden vervolgd.
De IND weegt bij de beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in ieder geval mee dat:
De IND beoordeelt of de maatregelen en sancties die tegen de vreemdeling zullen worden genomen als hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst bepaalde – voor zijn godsdienstige identiteit bijzondere belangrijke – handelingen verricht voldoende zwaarwegend zijn om te spreken van vervolging.
Ook als de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij bij terugkeer zich gedwongen voelt om zijn geloofsovertuiging terughoudend uit te oefenen vanwege de risico’s die hij anders loopt, kan sprake zijn van vervolging in de zin van artikel 10 Kwalificatieverordening.
3.2.5.2. Sociale groep (artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, Kwalificatieverordening)
Bij de beoordeling van de gronden in de zin van artikel 10 Kwalificatieverordening wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat sprake is van een sociale groep. Een groep wordt geacht een sociale groep te vormen als leden van een groep in ieder geval aan twee cumulatieve voorwaarden voldoen.
Ten eerste moeten de leden van een sociale groep aan ten minste één van de volgende voorwaarden voldoen:
Ten tweede moet de sociale groep in het land van herkomst een eigen identiteit hebben, omdat zij – in haar directe omgeving – als afwijkend wordt beschouwd.
Het individualiseringsvereiste als opgenomen in paragraaf C3/2.3 Vc is van toepassing. Daarnaast is ook paragraaf C3/4 Vc (beoordelen van de asielaanvraag) van toepassing.
3.2.5.2.1. Vrouwen
Vrouwen in het algemeen, als ook een beperkte groep vrouwen, die een bepaald gemeenschappelijk kenmerk delen, kunnen, afhankelijk van de omstandigheden in het land van herkomst of in een bepaald gebied in dat land, aangemerkt worden als sociale groep.
De volgende elementen kunnen met name van belang zijn voor de beoordeling of bij vrouwen sprake is van een sociale groep:
Daarbij zal worden beoordeeld of de groep waar de vrouw toe behoort in het land van herkomst een eigen identiteit heeft, omdat deze groep in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd.
De minister kan in de context van specifiek landenbeleid vaststellen of (een groep) vrouwen behoort/behoren tot een sociale groep. Als hiervan sprake is, wordt dat ook opgenomen in het landenbeleid van hoofdstuk C9 Vc.
Voor zover (een specifieke groep) vrouwen behoren tot een sociale groep, dan kan onder andere gendergerelateerd geweld tegen deze vrouwen leiden tot de conclusie dat sprake is van erkenning als vluchteling als bedoeld in artikel 13 Kwalificatieverordening, als dat geweld kan worden aangemerkt als daad van vervolging zoals bedoeld in artikel 9 Kwalificatieverordening. Op de vraag of een vrouw als lid van een sociale groep in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw is het individualiseringsvereiste zoals beschreven in paragraaf C3/2.3 Vc onverkort van toepassing. Op individuele basis zal beoordeeld moeten worden of zij daadwerkelijk te vrezen heeft voor daden van vervolging vanwege het behoren tot een sociale groep.
Vrouwen, die zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen (verder: vereenzelviging) kunnen al naar gelang de omstandigheden in het land van herkomst behoren tot een ‘sociale groep’. Daarbij is van belang dat het gestelde in paragraaf C3/3.2.5.2 Vc ook van toepassing is op de vraag of een vrouw die een beroep doet op vereenzelviging behoort tot een sociale groep.
Het behoren tot deze sociale groep kan een grond zijn om aan te nemen dat er sprake is van erkenning als vluchteling als bedoeld in artikel 13 Kwalificatieverordening. Het is aan de vrouw die een beroep doet op vereenzelviging om aannemelijk te maken dat hier in haar persoonlijke situatie sprake van is.
De IND toetst aan de hand van een ‘drietrapsbeoordeling’ of een vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging door het behoren tot een sociale groep vanwege vereenzelviging:
De IND moet eerst vaststellen of de vrouw in haar individuele geval aannemelijk heeft gemaakt dat de vereenzelviging is te herleiden naar de fundamentele waarde, die de vrouw hecht aan de gelijkheid tussen vrouwen en mannen.
Bij de vraag of sprake is van vereenzelviging valt te denken aan het maken van zelfstandige en onafhankelijke keuzes die bepalend zijn voor haar identiteit op gebied van onderwijs en beroepsloopbaan, de mogelijkheid om economisch onafhankelijk te worden door buitenshuis te werken, de beslissing om alleen of in gezinsverband te wonen en de partnerkeuze.
Bij de beoordeling of sprake is van vereenzelviging betrekt de IND in ieder geval:
Daarbij geldt dat als de vrouw nog weinig tot geen invulling aan de vereenzelviging geeft of heeft gegeven van de vrouw verwacht mag worden dat zij kan uitleggen waarom dit het geval is en waarom de vereenzelviging desondanks fundamenteel is voor haar identiteit.
Voor de vrouw die een beroep doet op vereenzelviging geldt dat de gestelde vereenzelviging niet uit politieke of religieuze motieven hoeft voort te komen. Voor zover hier in de praktijk wel sprake van is, wordt verwezen naar paragrafen C3/3.2.5.1 en C3/3.2.5.3 Vc.
Als de IND heeft geoordeeld dat van een geloofwaardige vereenzelviging sprake is, wordt overgegaan tot de volgende stap in de beoordeling.
Vervolgens beoordeelt de IND of de vrouw als gevolg van de vereenzelviging kan behoren tot een sociale groep. Om als sociale groep aangemerkt te worden, moet de vrouw aannemelijk maken dat zij behoort tot een groep die als gevolg van de vereenzelviging een eigen identiteit heeft, omdat zij als afwijkend wordt beschouwd in de directe omgeving in het land van herkomst.
Dit met name als gevolg van de sociale, morele of juridische normen die in het land van herkomst gelden.
De IND beoordeelt de aannemelijkheid van de verklaringen van de vrouw over waarom de groep als afwijkend wordt beschouwd, in samenhang met de beschikbare landeninformatie.
Vervolgens beoordeelt de IND of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging vanwege het (toegedicht) behoren tot een sociale groep vanwege vereenzelviging. De IND beoordeelt de vrees voor vervolging aan de hand van door de vrouw verstrekte verklaringen en bewijsmiddelen over wat zij bij terugkeer naar het land van herkomst stelt te vrezen te hebben.
Dat een reden om vanwege vereenzelviging te worden vervolgd kan worden vermeden door zich terughoudend op te stellen, wordt in dit verband niet aan de vrouw tegengeworpen. Van de vrouw mag namelijk niet worden verlangd dat zij een vereenzelviging die fundamenteel is, opgeeft.
De IND verleent een vrouw, die zich beroept op een vrees voor genitale verminking, een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw, als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:
De IND beoordeelt op basis van de individuele verklaringen van de vreemdeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw vanwege een gegronde vrees op genitale verminking bij vrouwen.
De IND weegt daarbij de algemene informatie over genitale verminking bij vrouwen in het land van herkomst mee. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken.
Voor zover de ouder van een meisje dat of vrouw die te vrezen heeft voor genitale verminking, stelt in aanmerking te komen voor bescherming op grond van een (toegedichte) overtuiging, kan beoordeeld worden of de ouder zelfstandig in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van een religieuze overtuiging, het behoren tot een sociale groep en/of een politieke overtuiging.
De IND verleent in ieder geval geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 eerste lid, Vw, vanwege een beroep op een vrees voor genitale verminking (van een familielid) aan de ouder die de genitale verminking zelf uitvoert of de uitvoering ervan mogelijk maakt.
3.2.5.2.2. Seksuele gerichtheid
De IND kan een vreemdeling aanmerken als lid van een sociale groep als hij behoort tot de groep die als gemeenschappelijk kenmerk (toegedichte) seksuele gerichtheid heeft.
Seksuele gerichtheid gaat in elk geval over iemands seksuele en/of emotionele en/of intieme aantrekking tot een ander persoon. Daarbij zal de IND beoordelen of deze groep in het land van herkomst een eigen identiteit heeft, omdat deze groep in de directe omgeving als afwijkend van de heteroseksuele norm wordt beschouwd.
De IND onderzoekt de seksuele gerichtheid van de vreemdeling en zijn uiting daarvan aan de hand van het beoordelingskader van de paragrafen C3/4.3 en C3/4.4 Vc. De omstandigheid dat de vreemdeling zijn seksuele gerichtheid in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze kan uiten als in Nederland vormt op zichzelf onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging. Niet elke aantasting van het recht op het uiten van de seksuele gerichtheid vormt een daad van vervolging in de zin het Vluchtelingenverdrag. Voor de beoordeling of een aantasting van dit recht een daad van vervolging vormt, moet de IND onderzoeken of de vreemdeling in zijn land van herkomst gegronde vrees heeft om vervolgd te worden.
De IND verleent met inachtneming van artikel 9 Kwalificatieverordening een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw aan een vreemdeling op grond van zijn seksuele gerichtheid, in ieder geval als sprake is van ten minste een van de volgende situaties:
Bij de beoordeling of sprake is van strafbepalingen en/of discriminerende maatregelen die zien op de seksuele gerichtheid betrekt de IND in ieder geval:
Als de seksuele gerichtheid of seksuele handelingen strafbaar is/zijn in het land van herkomst wordt niet van de vreemdeling verwacht dat hij bescherming inroept of in kan roepen conform artikel 7 Kwalificatieverordening.
Bij de beoordeling van de individuele situatie van de vreemdeling geldt het uitgangspunt dat de vreemdeling zijn seksuele gerichtheid in zijn land van herkomst niet verborgen hoeft te houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn seksuele gerichtheid verborgen heeft gehouden. De IND onderzoekt op welke wijze de vreemdeling zijn seksuele gerichtheid in Nederland uit en hoe de vreemdeling voornemens is deze in zijn land van herkomst te uiten. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat deze uiting leidt tot een daad van vervolging.
De IND verlangt van de vreemdeling geen terughoudendheid bij de invulling van zijn seksuele gerichtheid en hanteert om die reden, bij de beoordeling van het risico op vervolging, steeds een zekere ‘ondergrens’. De ondergrens houdt in het feitelijk uiten van de eigen geaardheid en relaties aangaan op een manier die niet wezenlijk anders is dan van heteroseksuelen in het betreffende land van herkomst is geaccepteerd. De IND verwacht in die uiting geen terughoudendheid. In die gevallen gaat de IND er in beginsel bij de beoordeling van het risico op vervolging van uit dat de directe omgeving, zoals hierboven benoemd, op de hoogte is of kan geraken van de seksuele gerichtheid. De IND beoordeelt vervolgens of de uiting conform de ondergrens tot vervolging zou leiden.
Als de vreemdeling aangeeft zijn seksuele gerichtheid te willen uiten op een wijze die verder gaat dan deze ‘ondergrens’ toetst de IND de geloofwaardigheid van deze uiting en toetst de IND de wijze waarop de vreemdeling voornemens is in zijn land van herkomst zijn seksuele gerichtheid te uiten. In de situatie dat de seksuele gerichtheid wel geloofwaardig wordt geacht maar de verdergaande wijze waarop de vreemdeling deze wil uiten niet, gaat de IND na of het invulling geven aan de seksuele gerichtheid conform de ‘ondergrens’ tot vervolging zou leiden. In die situatie kan de vreemdeling in aanmerking komen voor een asielvergunning, ook als een deel van de verklaring (het uiten van de gerichtheid op een wijze die verder gaat dan de ‘ondergrens’) als niet aannemelijk wordt beschouwd.
De IND betrekt bij de beoordeling of in het land van herkomst sprake is van discriminatoire behandeling vanwege de seksuele gerichtheid, afgezet tegen de aldaar geldende normen en gebruiken. Indien in het land van herkomst sprake is van strafbaarstelling van seksuele gerichtheid of seksuele handelingen beoordeelt de IND hoe daar in de praktijk mee wordt omgegaan en zet dit af tegen de persoonlijke situatie van de vreemdeling.
Als de vreemdeling zich beroept op zowel zijn seksuele gerichtheid als zijn genderidentiteit en/of genderexpressie, is paragraaf C3/3.2.5.2.3 Vc ook van toepassing.
3.2.5.2.3. Genderidentiteit en genderexpressie
De IND kan een vreemdeling als lid van een sociale groep aanmerken als hij behoort tot de groep die als gemeenschappelijk kenmerk heeft dat de diepgevoelde, persoonlijke beleving van zijn gender en/of zijn lichaam niet of niet eenduidig overeenkomt met het geslacht dat hij bij de geboorte (toegewezen) heeft gekregen, of dit aan hem wordt toegedicht. Het kan hierbij ook gaan om genderexpressie. Genderexpressie ziet op de manier waarop de vreemdeling zijn gender presenteert door middel van fysieke verschijning – inclusief maar niet beperkt tot kleding, kapsels, accessoires, cosmetica – en manieren, spraak, gedragspatronen, namen en persoonlijke referenties. Dit hoeft niet overeen te komen met de genderidentiteit. Daarbij zal de IND beoordelen of deze groep in het land van herkomst een eigen identiteit heeft, omdat deze groep in de directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd.
Indien de vreemdeling zich enkel beroept op genderexpressie, wat los staat van de genderidentiteit, beoordeelt de IND of de vormen van expressie dermate fundamenteel zijn voor de identiteit waardoor niet mag worden verwacht dat de vreemdeling zich aanpast naar de in het land van herkomst geldende normen en gebruiken zoals bedoeld in C3/3.2.5.2 Vc.
De IND onderzoekt de genderidentiteit en/of de genderexpressie van de vreemdeling aan de hand van het beoordelingskader van paragrafen C3/4.3 en C3/4.4 Vc. De omstandigheid dat de vreemdeling zijn genderidentiteit en/of genderexpressie in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze kan uiten als in Nederland vormt op zichzelf onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging. Niet elke aantasting van het recht op het uiten van de genderidentiteit en/of de genderexpressie vormt een daad van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
Voor de beoordeling of een aantasting van dit recht een daad van vervolging vormt, onderzoekt de IND of de vreemdeling in zijn land van herkomst gegronde vrees heeft om vervolgd te worden. Artikel 9 Kwalificatieverordening beschrijft wat verstaan wordt onder daden van vervolging. Deze moeten zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormen van de grondrechten van de mens of een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen.
De IND merkt discriminatie door de autoriteiten en door medeburgers aan als daad van vervolging, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. De IND hanteert voor de beoordeling of sprake is van discriminatie die dermate ernstig is dat sprake is van vervolging, het beoordelingskader van paragraaf C3/3.2.6 Vc.
De IND verleent, met inachtneming van artikel 9 Kwalificatieverordening, een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw aan een vreemdeling op grond van zijn genderidentiteit en/of genderexpressie, als in ieder geval sprake is van ten minste een van de volgende situaties:
Als er sprake is van op de vreemdeling gerichte daden van geweld en/of discriminatie vanwege de genderidentiteit en/of genderexpressie in het land van herkomst moeten de daden, op zichzelf of in samenhang met andere daden dusdanig ernstig zijn dat er sprake is van een daad van vervolging en moet er geen bescherming mogelijk zijn hiertegen van de autoriteiten of internationale organisaties, zoals bedoeld in paragraaf C3/3.4 Vc.
In het voorkomende geval dat de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij bij terugkeer naar het land van herkomst wordt gedetineerd om een reden anders dan zijn genderidentiteit en/of genderexpressie, moet hij aannemelijk maken in detentie een reëel risico te lopen om te worden blootgesteld aan ernstig (seksueel) geweld vanwege zijn genderidentiteit en/of genderexpressie waartegen de (detentie)autoriteiten geen bescherming kunnen of willen bieden. Daarbij betrekt de IND of de situatie zich zal voordoen dat de vreemdeling gedetineerd wordt met personen van een geslacht dat niet overeenkomt met zijn genderidentiteit. Indien sprake is van een commuun delict dient daarbij wel beoordeeld te worden of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde. Hiervoor is het beoordelingskader zoals bedoeld in paragraaf C4/3.6 Vc van toepassing.
De IND onderzoekt of de vreemdeling bij terugkeer onder dreiging (van geweld) door een actor wordt gedwongen een bepaalde vorm van arbeid (zoals sekswerk) te verrichten en dit verband houdt met zijn genderidentiteit en/of genderexpressie waardoor hem een discriminatoire of onevenredige bestraffing vanwege deze vorm van arbeid te wachten staat. In de situatie dat er sprake is van (een vorm van) discriminatie is het beoordelingskader, zoals bedoeld in paragraaf C3/3.2.6 Vc, van toepassing.
Het enkele feit dat er geen mogelijkheden bestaan om het geslacht aan te laten passen in officiële documenten (wettelijke erkenning), of dat hieraan de voorwaarde wordt gesteld dat er een geslachtsverandering heeft plaatsgevonden, is op zichzelf onvoldoende om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. Dat laat onverlet dat de gevolgen van het niet kunnen aanpassen van het geslacht voor de vreemdeling kunnen leiden tot maatregelen die, op zichzelf staand of in samenstel, dermate ernstig zijn dat deze behandeling de lat van vervolging haalt.
Bij de beoordeling of sprake is van strafbepalingen en/of discriminerende maatregelen die zien op de genderidentiteit of genderexpressie betrekt de IND in ieder geval:
Als genderexpressie of het uiten van de genderidentiteit, anders dan de geldende normen in het land van herkomst, strafbaar is (of hier andere strafbepalingen voor gelden), wordt niet van de vreemdeling verwacht dat hij bescherming inroept of in kan roepen conform artikel 7 Kwalificatieverordening.
De IND betrekt bij de beoordeling of in het land van herkomst sprake is van discriminatoire behandeling vanwege de genderidentiteit en/of genderexpressie. Als in het land van herkomst sprake is van strafbaarstelling van de genderexpressie of het uiten van de genderidentiteit anders dan de vreemdeling bij de geboorte heeft gekregen, beoordeelt de IND hoe daar in de praktijk mee wordt omgegaan en zet dit af tegen de persoonlijke situatie van de vreemdeling.
Als de vreemdeling aannemelijk maakt geheel of gedeeltelijk uitgesloten te worden van toegang tot de gezondheidszorg in het land van herkomst op basis van zijn genderidentiteit en/of genderexpressie, onderzoekt de IND of dit leidt tot ernstige consequenties. Dit beoordeelt de IND in samenhang met de vraag of sprake is van een discriminatoire behandeling of maatregel die in samenstel met andere maatregelen voldoende ernstig is dat sprake is van vervolging. Het enkele feit dat er geen genderbevestigende zorg beschikbaar is, is op zichzelf geen reden om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen.
Bij de beoordeling van de individuele situatie van de vreemdeling geldt het uitgangspunt dat de vreemdeling zijn genderidentiteit in zijn land van herkomst niet verborgen hoeft te houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn genderidentiteit verborgen heeft gehouden. De IND onderzoekt op welke wijze de vreemdeling zijn genderidentiteit in Nederland uit en hoe de vreemdeling voornemens is deze in zijn land van herkomst te uiten. Het kan hier ook gaan om de genderexpressie. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat deze uiting leidt tot een daad van vervolging. In die gevallen gaat de IND er in beginsel bij de beoordeling van het risico op vervolging van uit dat de directe omgeving zoals hierboven benoemd op de hoogte is of kan geraken van de genderidentiteit en/of genderexpressie.
Als de vreemdeling zich beroept op zowel zijn genderidentiteit en genderexpressie als zijn seksuele gerichtheid, is paragraaf C3/3.2.5.2.2 Vc over seksuele gerichtheid ook van toepassing.
3.2.5.3. Politieke overtuiging (artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening)
Artikel 10 , eerste lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening bepaalt wat moet worden verstaan onder de vervolgingsgrond ‘politieke overtuiging’.
De eerste vraag die de IND moet beantwoorden als een vreemdeling zijn politieke overtuiging als asielmotief naar voren brengt, is of er daadwerkelijk sprake is van een politieke overtuiging. Een politieke overtuiging kan bestaan uit een opvatting, gedachte of mening, gericht tegen de autoriteiten van het land van herkomst. Het hoeft hier niet te gaan om een diepgewortelde politieke overtuiging.
De sterkte van de overtuiging speelt geen rol bij de vraag of er sprake is van een politieke overtuiging, maar is nog wel relevant in de beoordeling of de vreemdeling een risico loopt bij terugkeer.
De IND beoordeelt of de sterkte van de politieke overtuiging en de eventueel door de vreemdeling verrichte activiteiten om die overtuiging uit te dragen ertoe heeft geleid dat de vreemdeling de negatieve belangstelling van de autoriteiten van het land van herkomst heeft gewekt of kan wekken en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Deze beoordeling vindt plaats op basis van de individuele verklaringen van de vreemdeling in combinatie met de beschikbare algemene informatie over de situatie in het land van herkomst.
Verder betrekt de IND bij de beoordeling van de vrees welke door de gestelde politieke overtuiging gemotiveerde en aannemelijk bevonden activiteiten de vreemdeling bij terugkeer zou willen verrichten of hoe de vreemdeling anderszins zijn opvatting, mening of gedachte zou willen uiten, en wat de gevolgen daarvan zouden zijn.
De omstandigheid dat de vreemdeling in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze uiting kan geven aan zijn politieke overtuiging als in Nederland vormt onvoldoende aanleiding om de vreemdeling in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw.
De IND weegt bij de beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning in ieder geval mee:
De IND beoordeelt, ook als er geen sprake is van een politieke overtuiging, of de door de vreemdeling in zijn land van herkomst, Nederland of elders verrichte politieke activiteiten of uitingen bij de autoriteiten bekend zijn geraakt of zullen geraken en daarmee vanwege een toegedichte politieke overtuiging voldoende aanleiding vormen om gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer aan te nemen.
3.2.6. Discriminatie (in de zin van artikel 9 Kwalificatieverordening)
De IND merkt discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers aan als daad van vervolging in de zin van artikel 9 Kwalificatieverordening, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.
Discriminatie van de vreemdeling in het land van herkomst kan leiden tot uitsluiting van medische zorg. De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 eerste lid, Vw, op grond van uitsluiting van medische zorg, aan de vreemdeling die voldoet aan alle volgende voorwaarden:
De IND beoordeelt de vraag of sprake is van ernstige medische consequenties aan de hand van de criteria in hoofdstuk B8 Vc. De IND betrekt bij de vraag of sprake is van uitsluiting van medische zorg op basis van één van de gronden van artikel 10 Kwalificatieverordening:
3.2.7. Vervolging wegens dienstweigering of desertie (in de zin van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening)
Als de vreemdeling stelt te vrezen te hebben voor vervolging wegens dienstweigering of desertie toetst de IND eerst of de vreemdeling dienst heeft geweigerd of is gedeserteerd omdat hij vreesde anders te moeten deelnemen aan oorlogsmisdrijven (zie artikel 9, tweede lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening). Pas als daarvan geen sprake is, toetst de IND of dienstweigering of desertie leidt tot onevenredige of discriminatoire bestraffing dan wel of deze voortkomt uit onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege een godsdienst of andere diepgewortelde overtuiging. Het feit dat die vreemdeling weigert zijn militaire dienst te vervullen of is gedeserteerd en in verband hiermee bestraft wordt met een gevangenisstraf of ontslag uit het leger, is voor de IND op zichzelf onvoldoende om als daad van vervolging aan te merken.
De IND verleent, onder toepassing van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening en overeenkomstig vorenstaande, een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw aan de vreemdeling die zich beroept op dienstweigering of desertie, als de vreemdeling voldoet aan tenminste één van de volgende voorwaarden:
3.2.8. Als de UNHCR de vreemdeling heeft erkend als Verdragsvluchteling
De IND toetst alle aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel individueel en op basis van het toepasselijke asielbeleid, ook als de vreemdeling eerder door de UNHCR op individuele gronden is erkend als Verdragsvluchteling.
De IND geeft de vreemdeling gelegenheid om informatie inzake de UNHCR erkenning gedurende de procedure in te brengen en betrekt deze informatie kenbaar bij de besluitvorming.
3.2.9. Commune delicten
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, of artikel 29a, eerste lid, Vw, indien alle volgende voorwaarden van toepassing zijn:
Een commuun delict is een delict dat niet kan worden herleid tot één van de gronden van artikel 10 Kwalificatieverordening, en zonder dat daarbij sprake is van een onevenredige of discriminatoire maatregel vanwege een van de gronden van artikel 10 Kwalificatieverordening.
Het commune delict dient wel betrokken te worden bij de inhoudelijke beoordeling en de vraag of sprake is van een gevaar voor de openbare orde. Zie hiervoor paragraaf C4/3.6 Vc.
3.3. Verlening van de subsidiairebeschermingsstatus op grond van artikel 18 Kwalificatieverordening en verlening verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a, eerste lid, Vw
3.3.1. Ernstige schade als bedoeld in artikel 15 Kwalificatieverordening
De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a, eerste lid, Vw als bij de verwijdering van de vreemdeling uit Nederland sprake is van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15 Kwalificatieverordening.
Het reëel risico op ernstige schade kan aanwezig zijn op het moment van het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst, maar kan ook ontstaan na vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst (zie artikel 5 Kwalificatieverordening en paragraaf C3/3.1.4 Vc).
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a, eerste lid, Vw, als artikel 17 Kwalificatieverordening van toepassing is.
In artikel 15 Kwalificatieverordening staat opgenomen, waar ernstige schade uit kan bestaan, namelijk:
Bij de beoordeling is het van belang dat eerst gekeken wordt naar alle relevante elementen die betrekking hebben op de individuele situatie en de algemene situatie in het land van herkomst, voordat wordt vastgesteld of het risico onder artikel 15, aanhef en onder a, b of c Kwalificatieverordening valt.
Voor het vaststellen van een reëel risico op ernstige schade op grond van artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening is een volledig individuele beoordeling vereist. Landeninformatie kan aanleiding geven om ten aanzien van een groep systematische blootstelling aan te nemen dan wel om groepen aan te merken als een risicoprofiel zoals in paragraaf C3/2.4 Vc is opgenomen.
Voor wat betreft het individualiseringsvereiste bij artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening wordt verwezen naar paragraaf C3/3.3.3 Vc.
In paragraaf C3/3.3.2 Vc staat ernstige schade beschreven als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening. Daaronder staan beschreven de onderwerpen:
In paragraaf C3/3.3.3 Vc staat ernstige schade beschreven als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening.
3.3.2. Artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening
3.3.2.1. Systematische blootstelling
Als de vreemdeling behoort tot een groep die systematisch blootgesteld wordt aan een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening beperkt het individualiseringsvereiste zich tot het aannemelijk maken van het behoren tot de groep. Bij systematische blootstelling moet sprake zijn van gericht geweld tegen de betreffende groep.
De minister beoordeelt op grond van de situatie in een land van herkomst of sprake is van systematische blootstelling aan ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening. In het landgebonden beleid kan worden opgenomen of er in een bepaald land ten aanzien van een groep sprake is van systematische blootstelling.
3.3.2.2. Medische omstandigheden
Uitzetting van de vreemdeling kan in verband met de medische situatie onder bijzondere omstandigheden leiden tot een schending van artikel 3 EVRM. De IND toetst of sprake is van schending van artikel 3 EVRM vanwege medische redenen in het kader van de ambtshalve toets of uitstel van vertrek verleend moet worden op grond van artikel 64 Vw.
Er zal in deze situatie geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a, Vw verleend worden. Indien er geen ambtshalve toets plaatsvindt, maar het asielbesluit ook als terugkeerbesluit moet worden aangemerkt, toetst de IND – in het kader van dat terugkeerbesluit – eveneens of er sprake is van schending van artikel 3 EVRM vanwege medische redenen.
3.3.2.3. Terugkeerbeletsel
Als de IND een aanvraag om verblijfsvergunning asiel afwijst of een verblijfsvergunning asiel intrekt, kan er sprake zijn van een terugkeerbeletsel. De IND beoordeelt in de regel of sprake is van een situatie waarbij de vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst:
Als artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is (artikel 12, tweede tot en met vijfde lid, Kwalificatieverordening) zal niet worden beoordeeld of er sprake is van risico op vervolging.
Als sprake is van één van bovengenoemde situaties of als er sprake is van schending van artikel 3 EVRM vanwege medische redenen en er is geen ander land waarnaar de vreemdeling kan terugkeren, neemt de IND geen terugkeerbesluit. De IND neemt dan in het besluit op dat de vreemdeling niet zal worden uitgezet naar het land van herkomst. De IND noemt in het besluit geen vertrektermijn.
Als vanwege een terugkeerbeletsel geen terugkeerbesluit en daarmee geen inreisverbod kan worden gegeven, beoordeelt de IND of een besluit tot signalering kan worden opgelegd. In paragraaf A4/4 Vc staan de voorwaarden vermeld om wegens een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid een besluit tot signalering op te leggen.
Als op een later moment wordt vastgesteld dat de vreemdeling niet langer te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade of dat artikel 3 EVRM zich niet meer verzet tegen uitzetting van de vreemdeling, neemt de IND een terugkeerbesluit en legt, als dat aan de orde is, een besluit tot signalering, een ongewenstverklaring en/of inreisverbod op. De IND maakt dit besluit kenbaar aan de vreemdeling. Hiertegen kan de vreemdeling rechtsmiddelen aanwenden.
Indien sprake is van een terugkeerbeletsel en aan de vreemdeling in een eerdere procedure een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, dat in rechte vaststaat, dan wordt dat besluit niet opgeheven. In het nieuwe besluit wordt vermeld dat het eerdere terugkeerbesluit weer van kracht is. Daarbij wordt in het besluit opgenomen dat de feitelijke verwijdering naar het land van herkomst, op grond van artikel 9, eerste lid, onder a, van de Terugkeerrichtlijn (Richtlijn 2008/115/EG), wordt opgeschort zolang uitzetting in strijd is met het beginsel van non-refoulement.
3.3.3. Artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening
3.3.3.1. Algemeen
De IND kan een verblijfsvergunning asiel verlenen op grond van artikel 29a, eerste lid, Vw als sprake is van een reëel risico op ernstige schade vanwege artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening.
3.3.3.2. Internationaal of binnenlands gewapend conflict en willekeurig geweld
De minister kan op basis van de beschikbare landeninformatie vaststellen of in een bepaald land of gebied sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Er is sprake van een internationaal of binnenlands gewapend conflict, als de reguliere strijdkrachten van een staat tegenover een of meer gewapende groepen staan of wanneer twee of meer gewapende groepen tegenover elkaar staan.
Als de minister heeft vastgesteld dat er sprake is van een internationaal of binnenlands gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, stelt de minister op basis van de beschikbare landeninformatie vast of dit conflict leidt tot willekeurig geweld en als er sprake is van willekeurig geweld op welke schaal dit willekeurig geweld plaatsvindt.
Bij de beoordeling van de intensiteit van het willekeurig geweld, worden in ieder geval de volgende elementen globaal in samenhang gewogen:
Andere (belangrijke) indicatoren die erop wijzen dat willekeurig geweld als gevolg van het gewapend conflict resulteert in ernstige en individuele bedreigingen tegen burgers, kunnen worden betrokken bij de beoordeling of er sprake is van een reëel risico op ernstige schade.
Humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict moeten als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling worden betrokken. Slechte humanitaire omstandigheden als gevolg van het klimaat en natuurlijke fenomenen, zoals droogte en overstromingen, zijn in dit kader niet relevant.
3.3.3.3. Gradaties van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict
De minister kan bij zijn beoordeling gradaties van willekeurig geweld vaststellen:
Los van deze gradaties bestaat de situatie, waarin er geen beoordeling in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening plaatsvindt, omdat er geen gewapend conflict is of er geen willekeurig geweld is als gevolg van een gewapend conflict. In dat geval kan de vreemdeling alleen daarom al niet op deze grond in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29a, eerste lid Vw.
Er is sprake van een uitzonderlijke mate van willekeurig geweld als de algehele geweldssituatie in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict in het land van herkomst of in een bepaald gebied in dit land zodanig is dat wordt aangenomen dat een vreemdeling enkel en alleen al door zijn aanwezigheid op dat grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon. Het individualiseringsvereiste van de vreemdeling beperkt zich in deze gevallen tot het afkomstig zijn uit het land of bepaald gebied, waar sprake is van deze uitzonderlijke mate van willekeurig geweld.
Als er is sprake van een relatief hoger niveau of een relatief lager niveau van willekeurig geweld, dan is de enkele aanwezigheid van de vreemdeling in het betreffende gebied op zichzelf niet meer voldoende om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen.
De vreemdeling moet in dat geval aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat:
Deze omstandigheden kunnen met name zien op het privé, beroeps- of familieleven. Dit betekent overigens niet dat alleen al door de aanwezigheid van risico verhogende factoren een reëel risico op ernstige schade aannemelijk is.
Naarmate het niveau van willekeurig geweld lager is, zullen er relatief gewichtigere individuele omstandigheden vereist zijn om een reëel risico aan te nemen. Bij een relatief lager niveau van willekeurig geweld, zullen de door de vreemdeling naar voren gebrachte risico verhogende omstandigheden daarom meer gewicht moeten hebben om een reëel risico aan te kunnen nemen.
Nadat een vreemdeling zijn persoonlijke kenmerken en individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht en waar nodig aannemelijk heeft gemaakt, beoordeelt de IND die omstandigheden in het licht van de veiligheidssituatie in het gebied waar de vreemdeling vandaan komt.
Dat betekent dat pas na het naar voren brengen door de vreemdeling van de relevante elementen die betrekking hebben op de individuele situatie en de algemene situatie in het land van herkomst, door de IND wordt vastgesteld dat het risico mogelijk onder artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening valt.
Daarbij maakt de IND een gemotiveerde beoordeling en betrekt of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de relevante elementen ook daadwerkelijk zorgen voor een verhoogd risico op ernstige schade én dat juist de vreemdeling als gevolg van deze omstandigheden een reëel risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Bij de beoordeling van het risico bij terugkeer kan de IND, afhankelijk van het individuele geval, meewegen of de vreemdeling bij terugkeer schade kan ontlopen.
De hiervoor geschetste gradaties zijn enkel bedoeld als indicatief hulpmiddel voor de IND. Deze gradaties geven in grote lijnen aan, hoe de situatie van willekeurig geweld in een (deel van een) land van herkomst wordt ingeschat. Het voor de diverse landen beleidsmatig vaststellen van de gradatie van het geweld heeft daarmee ten doel er voor te zorgen dat de IND op uniforme wijze het in een land heersende geweldsniveau bij de beoordeling betrekt. Bij die beoordeling staan echter de door de vreemdeling aangevoerde individuele omstandigheden voorop bij de vraag of aannemelijk is gemaakt dat die omstandigheden het risico verhogen slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Daarnaast moet de IND meewegen dat de vreemdeling vóór zijn vertrek uit zijn land eerder al geweld heeft ondervonden (zie ook artikel 4, vierde lid, Kwalificatieverordening). Daarbij doet het niet ter zake of het eerder ondervonden geweld het gevolg was van willekeurig geweld of van gericht geweld. De IND beoordeelt in dit verband of het eerder ondervonden geweld in combinatie met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van een vreemdeling en in het licht van de veiligheidssituatie, tot een verhoogd risico op willekeurig geweld kan leiden.
In het landgebonden beleid in hoofdstuk C10 Vc kan worden vastgesteld of een van de gradaties aan de orde is in het betreffende land of gebied.
3.4. Actoren van bescherming en beschermingsalternatief
3.4.1. Actoren van bescherming
3.4.1.1. Bescherming door autoriteiten
Artikel 7 Kwalificatieverordening beschrijft wat wordt verstaan onder actoren van bescherming. De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 of 29a Vw, als actoren van bescherming aan de vreemdeling bescherming kunnen en willen bieden.
De IND gaat ervan uit dat bescherming van de vreemdeling door de autoriteiten in het land van herkomst zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, Kwalificatieverordening niet mogelijk is, als de dreiging voor de vreemdeling afkomstig is van de autoriteiten in het land van herkomst. Er zijn twee uitzonderingen op deze hoofdregel:
In beide uitzonderingssituaties constateert de IND dat bescherming van de vreemdeling door de autoriteiten in het land van herkomst mogelijk is.
3.4.1.2. Bescherming door stabiele, gevestigde niet-overheidsinstanties
De IND beschouwt in ieder geval de volgende organisaties als stabiele, gevestigde niet-overheidsinstanties, waaronder inbegrepen internationale organisaties in de zin van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening:
3.4.1.3. Bescherming doeltreffend en niet-tijdelijk van aard (artikel 7, tweede lid, Kwalificatieverordening)
De IND beschouwt de bescherming van de vreemdeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, Kwalificatieverordening in ieder geval van niet-tijdelijke aard, als er geen concrete aanwijzingen zijn dat de doeltreffende bescherming van de vreemdeling tegen vervolging of ernstige schade door de autoriteiten en/of stabiele, gevestigde niet-overheidsinstanties binnen de voorzienbare toekomst zal eindigen.
Artikel 7 , tweede lid, Kwalificatieverordening geeft aan dat actoren van bescherming redelijke maatregelen moeten treffen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade. De actor van bescherming hoeft geen volledige en sluitende garantie te bieden tegen dreigende vervolging of ernstige schade. De vreemdeling moet toegang tot deze bescherming hebben.
3.4.1.4. Bewijslast
De IND onderzoekt eerst of bescherming in zijn algemeenheid mogelijk is. De IND maakt hierbij gebruik van algemene informatie uit objectieve bron over het land van herkomst (zie ook artikel 7, tweede en derde lid, Kwalificatieverordening).
Als de IND heeft vastgesteld dat bescherming mogelijk is, is het vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat een verzoek om bescherming bij de actoren van bescherming in zijn individuele geval bij voorbaat zinloos of zelfs gevaarlijk moet worden geacht. Als de vreemdeling dat laatste niet aannemelijk maakt, kan slechts het tevergeefs door hem inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.
De IND betrekt bij de beoordeling of de actoren van bescherming in het land van herkomst in staat en bereid zijn effectieve bescherming te bieden in ieder geval:
3.4.2. Binnenlands beschermingsalternatief
Artikel 8 Kwalificatieverordening regelt wat wordt verstaan onder een binnenlands beschermingsalternatief.
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 of 29a, Vw, als de IND tot de conclusie komt dat een binnenlands beschermingsalternatief als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Kwalificatieverordening voor de vreemdeling beschikbaar is.
Op grond van artikel 8, derde lid, Kwalificatieverordening komt de IND pas toe aan de vraag of sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief als vastgesteld is dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In dat geval moet de IND onderzoeken en aannemelijk maken dat een vreemdeling geen internationale bescherming nodig heeft vanwege het bestaan van een binnenlands beschermingsalternatief. In beginsel wordt een binnenlands beschermingsalternatief niet geacht te bestaan als de staat of staatsfunctionarissen de actoren van vervolging of ernstige schade zijn. Daarop kan een uitzondering worden gemaakt als duidelijk vaststaat dat de bevoegdheid van de betreffende actor duidelijk beperkt is tot een specifiek geografisch gebied of wanneer de staat zelf slechts controle heeft over bepaalde delen van het land.
Als de IND tot de conclusie komt dat een binnenlands beschermingsalternatief beschikbaar is, dan krijgt de vreemdeling de mogelijkheid om bewijzen en elementen te overleggen, waaruit blijkt dat het binnenlands beschermingsalternatief voor hem niet beschikbaar is. Als de vreemdeling hier tijdens het gehoor niet op bevraagd is en niet de gelegenheid heeft gekregen bewijs over aan te leveren, zal de vreemdeling alsnog die mogelijkheid geboden moeten worden. De IND houdt bij de beslissing op het verzoek om internationale bescherming rekening met de door de vreemdeling overgelegde bewijzen en elementen.
Bij het onderzoek naar het bestaan van een binnenlandse beschermingsalternatief, beoordeelt de IND of de vreemdeling zich kan vestigen in een ander deel van het land, dan waar hij vervolging vreest of een reëel risico loopt op ernstig lijden.
Naast het vereiste dat de dreiging in een ander deel van het land niet mag bestaan, is het ook van belang dat de vreemdeling in het andere deel van het land geen nieuwe dreiging zal ondervinden. Als het aannemelijk is dat de vreemdeling in het andere gebied ook heeft te vrezen voor vervolging of voor daden als bedoeld in artikel 29 of 29a Vw dan beoordeelt de IND of de vreemdeling bescherming kan inroepen tegen de dreiging in dat gebied (zie paragraaf C3/3.4.1 Vc).
Uit artikel 8, eerste lid, Kwalificatieverordening volgt dat de vreemdeling op een veilige en wettige manier moet kunnen reizen naar en zich toegang moet kunnen verschaffen tot het gebied waar hij wordt geacht binnenlandse bescherming in te kunnen roepen.
De bescherming die de vreemdeling in het gebied krijgt, hoeft niet dezelfde te zijn als de bescherming die de vreemdeling in Nederland zou hebben gekregen.
Bij de beoordeling van het bestaan van een beschermingsalternatief betrekt de IND in ieder geval:
Dat de omstandigheden in het gebied minder gunstig zijn dan in het oorspronkelijke woongebied van de vreemdeling is voor de IND onvoldoende reden om geen binnenlands beschermingsalternatief tegen te werpen.
De IND beoordeelt gelet op artikel 8, vierde lid Kwalificatieverordening aan de hand van de over het land van herkomst beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen of een binnenlands beschermingsalternatief in de individuele zaak van de vreemdeling aanwezig is.
In het landgebonden asielbeleid kan de minister het bestaan van een binnenlands beschermingsalternatief op basis van de beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen met inachtneming van de genoemde voorwaarden van tevoren vaststellen dan wel uitsluiten.
3.5. Terugkeer naar het land van herkomst
De IND verleent in beginsel geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 of 29a Vw als er concrete aanwijzingen bestaan dat de vreemdeling na indiening van zijn verzoek om internationale bescherming naar het land van herkomst terug is geweest.
4. Beoordelen van de asielaanvraag
4.1. Volgorde van toetsing
De IND hanteert voor het beoordelen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel de volgende toetsingsvolgorde:
4.2. Uitgangspunten beoordeling asielverzoek
Uitgangspunt bij de beoordeling van een asielaanvraag is dat de IND eerst de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden beoordeelt die ten grondslag liggen aan de asielaanvraag (zie verder paragraaf C3/4.3 Vc). Dit zijn feiten en omstandigheden die zowel betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit, herkomst en achtergrond van de vreemdeling als diens asielmotieven.
Nadat de geloofwaardigheid is beoordeeld, toetst de IND of de aan de geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden ontleende gestelde vrees over wat de vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst te wachten staat aannemelijk zijn. Dit is de zogenaamde risico-inschatting (over de risico-inschatting zie verder paragraaf C3/4.4 Vc).
Als de gestelde vrees van betrokkene bij terugkeer wordt gevolgd, beoordeelt de IND of de vrees zwaarwegend genoeg is en of er daarmee sprake is van vluchtelingschap of ernstige schade (over de zwaarwegendheid zie verder paragraaf C3/4.5 Vc).
4.2.1. Medewerkingsverplichting
De vreemdeling moet zijn asielrelaas aannemelijk maken. De stelplicht en bewijslast liggen bij de vreemdeling. Dat betekent dat van de vreemdeling wordt verwacht dat hij alle relevante elementen als bedoeld in artikel 4, tweede lid, Kwalificatieverordening, die onder andere betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit, herkomst en de asielmotieven zo snel mogelijk naar voren brengt, te weten:
De vreemdeling heeft op grond van artikel 4, eerste lid, Kwalificatieverordening de verplichting volledige medewerking te verlenen aan de IND en andere bevoegde autoriteiten. Het is daarbij aan de vreemdeling om, voor zover redelijk, alle relevante feiten en omstandigheden en de daarmee samenhangende bewijsstukken zo snel mogelijk naar voren te brengen.
De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld zijn relaas met zijn verklaringen aannemelijk te maken. De IND moet vervolgens de door de vreemdeling verstrekte verzamelde feiten en omstandigheden beoordelen. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid houdt de IND rekening met de individuele situatie en omstandigheden van de verzoeker, zoals bijvoorbeeld achtergrond en geslacht van de vreemdeling (het referentiekader).
4.2.2. Het verzamelen van informatie
4.2.2.1. Algemeen
Om het asielverzoek te beoordelen, moet eerst alle relevante informatie verzameld worden. Dit houdt in dat de relevante elementen worden geïdentificeerd en het asielmotief wordt vastgesteld.
Relevante elementen bestaan volgens artikel 4, tweede lid, Kwalificatieverordening uit:
Daarnaast betrekt de IND op grond van artikel 34, tweede lid, Procedureverordening daar waar nodig relevante, nauwkeurige en actuele informatie over de situatie in het land van herkomst en eerste landen van asiel of veilig derde landen, de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, de vraag of de vreemdeling na zijn vertrek uit het land van herkomst activiteiten heeft verricht uitsluitend of hoofdzakelijk om een verzoek om internationale bescherming in te dienen en de gevolgen daarvan bij terugkeer, de vraag of in redelijkheid kan worden verlangd dat de vreemdeling de bescherming van een ander land inroept waar hij zich op staatsburgerschap zou kunnen beroepen en wie de actoren van vervolging zijn en of een binnenlands beschermingsalternatief van toepassing is. Tenslotte betrekt de IND informatie met betrekking tot de openbare orde en nationale veiligheid bij de beoordeling. Zie paragraaf C4/3.6 Vc
4.2.2.2. Bewijsmaterialen
Bij de beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel betrekt de IND alle documenten die zien op de volgende onderdelen:
De IND acht al deze bewijsmaterialen in beginsel relevant voor het beoordelen van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel.
Een document met betrekking tot de identiteit van de vreemdeling moet in ieder geval de volgende elementen bevatten:
Een identiteitsdocument kan alleen de identiteit onderbouwen als het authentiek is en op officiële wijze is afgegeven door de bevoegde autoriteiten en in het land van herkomst wordt erkend als identiteitsdocument. Daarnaast is van belang dat het een officieel identiteitsdocument betreft dat in het maatschappelijke verkeer en de contacten met (buitenlandse) autoriteiten wordt gebruikt om de identiteit aan te tonen.
Is er geen sprake van een authentiek identiteitsdocument, dan weegt de IND de verklaringen van de vreemdeling, andere overgelegde documenten en of de verklaringen van de vreemdeling passen in al datgene wat bij de IND bekend is over de situatie in het land van herkomst, mee.
Als documenten met betrekking tot de nationaliteit van de vreemdeling gelden in ieder geval:
Daarnaast is van belang dat het een officieel nationaliteitsdocument betreft dat in het maatschappelijke verkeer en de contacten met (buitenlandse) autoriteiten wordt gebruikt om de nationaliteit aan te tonen.
Als documenten die de reisroute onderbouwen gelden in ieder geval:
Dit zijn alle bewijsmaterialen die gelden als bewijsmiddelen of indirecte bewijzen in de zin van de Asiel- en Migratiebeheerverordening en Verordening (EG) nr.1560/2003/EG.
Onder bewijsmaterialen met betrekking tot het asielmotief verstaat de IND bewijsmaterialen die de verklaringen van de vreemdeling onderbouwen.
4.2.2.3. Deskundigenberichten over de situatie in het land van herkomst
Een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken is voor de IND een deskundigenbericht en dus een gewichtige bron van informatie over de situatie in het land van herkomst. De IND kan ook informatie uit andere objectieve bronnen gebruiken voor een oordeel over de situatie in het land van herkomst.
De IND merkt informatie uit andere bronnen en onderzoek door derden aan als deskundigenbericht als op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke manier informatie wordt verschaft, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze informatie is ontleend.
Het gewicht dat aan de bron of het onderzoek door derden moet worden gegeven, wordt tevens bepaald door het gezag en reputatie van de opsteller van het rapport, de consistentie van de conclusies en evt. bevestigingen door andere bronnen. Ook komt betekenis toe aan de aanwezigheid van de opsteller van het rapport in het betreffende land van herkomst en de mogelijkheden die de opsteller heeft om aldaar onderzoek te doen.
De IND gaat uit van de juistheid van een deskundigenbericht, tenzij de IND concrete aanknopingspunten heeft voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van het deskundigenbericht.
De IND stelt nader onderzoek in of laat nader onderzoek instellen om de concrete aanknopingspunten voor de twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht te bevestigen of te ontkrachten.
Als de concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht door nader onderzoek bevestigd zijn, betrekt de IND deze informatie bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling.
De IND beschouwt in ieder geval niet als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht:
4.2.3. Vaststelling van het asielmotief
Een asielmotief is een onderwerp of verhaallijn in het asielrelaas van een vreemdeling dat verband houdt met of relevant is bij de beoordeling of iemand te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. Hieronder vallen de feiten en omstandigheden die voor de vreemdeling reden vormen voor het aanvragen van bescherming. De IND beoordeelt enkel de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de gestelde vervolging door autoriteiten of derden, of de feiten en omstandigheden in het verhaal die kunnen wijzen op ernstige schade. De IND betrekt daarom alleen de verklaringen en bewijsmaterialen die hiermee verband houden (zowel in het voordeel als in het nadeel).
Feiten en omstandigheden kunnen zien op gebeurtenissen en op gedragingen. De aangevoerde feiten en omstandigheden kunnen zich in het land van herkomst al voor het vertrek hebben voorgedaan, maar ook na het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst. Onder gestelde gebeurtenissen worden ook de ‘veronderstellingen’ van de vreemdeling verstaan. Onder ‘veronderstellingen’ verstaat de IND aannames van de vreemdeling die deel uitmaken van de door hem gestelde gebeurtenissen in het verleden.
Een asielaanvraag kan gebaseerd zijn op meerdere asielmotieven die los van elkaar staan. Het is echter ook mogelijk dat deze asielmotieven tot op zekere hoogte op elkaar doorwerken of met elkaar samenhangen.
De IND houdt bij het vaststellen van het asielmotief zoveel mogelijk vast aan de door de vreemdeling gestelde persoonlijke gegevens en de door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen. Als de vreemdeling een motief tijdens het gehoor niet naar voren heeft gebracht en pas later in de procedure aanvoert, dan moet hij goede redenen aandragen, waarom hij dit niet eerder naar voren heeft gebracht. Als de redenen die hij aandraagt niet verschoonbaar zijn, dan wordt dit asielmotief in beginsel ongeloofwaardig geacht.
4.3. Beoordeling van de geloofwaardigheid
Feiten en omstandigheden die zien op de persoon van de vreemdeling worden door de IND als eerste vastgesteld. Dit zijn feiten en omstandigheden die zowel betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit, herkomst als achtergrond van de vreemdeling.
De beoordeling van de geloofwaardigheid van deze gegevens wordt op een zelfde wijze verricht als het onderzoek van het asielmotief. Hetgeen is opgenomen in deze paragraaf is eveneens van toepassing op de geloofwaardigheidsbeoordeling van deze gegevens.
Nadat de IND het asielmotief heeft vastgesteld, beoordeelt de IND de geloofwaardigheid van dat asielmotief. Het onderzoek richt zich daarbij op feiten en omstandigheden.
Bij de vaststelling van de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan het asielmotief beoordeelt de IND steeds of het asielmotief:
Als de vreemdeling meerdere asielmotieven heeft aangevoerd, dan beoordeelt de IND voor elk asielmotief of het:
4.3.1. Het onderzoek naar bewijsmateriaal
De IND onderzoekt eerst of de vreemdeling het asielmotief voldoende heeft onderbouwd met bewijsmateriaal. Het gaat hierbij vooral om objectieve documenten/bewijsmiddelen, die authentiek zijn en waarvan de echtheid kan worden vastgesteld en die bevestigen wat de vreemdeling heeft verklaard. Ook kan het gaan om objectieve, openbare bronnen die de verklaringen van de vreemdeling bevestigen, voor zover de vreemdeling daarin persoonlijk wordt genoemd.
Als blijkt dat de objectieve bewijsmaterialen kunnen worden geaccepteerd als volledige onderbouwing van het asielmotief en er geen sprake is van contra-indicaties, dan heeft de vreemdeling het asielmotief aannemelijk gemaakt en kan het asielmotief waarop deze bewijsmaterialen zien geloofwaardig worden geacht.
Als de vreemdeling een asielmotief niet of onvoldoende heeft onderbouwd met bewijsmateriaal, dan past de IND de geloofwaardigheidstoets als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, Kwalificatieverordening toe. Op deze manier houdt de IND rekening met de omstandigheid dat van een vreemdeling niet altijd verwacht kan worden dat hij zijn asielmotief volledig met bewijsmateriaal staaft.
4.3.2. Geen of onvoldoende onderbouwing asielmotief met bewijsmaterialen
Als de vreemdeling een of meer specifieke aspecten van zijn asielmotief niet of onvoldoende heeft onderbouwd met documenten of ander bewijsmateriaal, dan kan de IND de feiten en omstandigheden die aan het asielmotief ten grondslag zijn gelegd (alsnog) als geloofwaardig aanmerken zonder aanvullend bewijsmateriaal met betrekking tot deze specifieke aspecten te verlangen, als de vreemdeling voldoet aan de volgende vier – cumulatief geformuleerde – voorwaarden van artikel 4, vijfde lid, Kwalificatieverordening:
Als de IND de vreemdeling heeft verzocht om aanvullend bewijsmateriaal te overleggen waarover de vreemdeling beschikt of waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat hij het kan verkrijgen en de vreemdeling heeft zonder verschoonbare redenen niet aan dit verzoek voldaan, dan kan de IND de aldus niet onderbouwde verklaringen als ongeloofwaardig beschouwen.
4.3.2.1. Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a, Kwalificatieverordening
Bij het leveren van oprechte inspanning om zijn aanvraag te staven is onder andere van belang dat de vreemdeling zo volledig mogelijk heeft verklaard, de gestelde vragen naar beste kunnen heeft beantwoord en anderszins zo goed mogelijk heeft meegewerkt aan het vaststellen van de relevante feiten en/of omstandigheden, die ten grondslag liggen aan zijn asielmotief.
4.3.2.2. Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening
Met het overleggen van alle relevante elementen worden alle documenten en bewijsmaterialen ter staving van de verschillende relevante feiten en/of omstandigheden bedoeld. Wanneer bepaalde van deze bewijsmaterialen ontbreken, dan wordt de vreemdeling in de gelegenheid gebracht te verklaren waarom hij deze bewijsmaterialen niet heeft. De IND beoordeelt vervolgens of de verklaring bevredigend is. De vraag of de verklaringen van de vreemdeling over het ontbreken van bewijsmateriaal bevredigend zijn, betreft een individuele toets.
Dit betekent dat tijdens het gehoor gevraagd moet worden naar bewijsmaterialen ter onderbouwing van de relevante feiten en/of omstandigheden. Verwacht mag worden dat een vreemdeling die hier asiel aanvraagt zijn asielrelaas met bewijsmaterialen onderbouwt. De verklaring van de vreemdeling dat hij zijn bewijsmaterialen ter staving van zijn asielmotief onderweg is kwijtgeraakt/niet goed heeft bewaard, wordt door de IND op zichzelf niet gezien als een bevredigende verklaring voor het ontbreken van bewijsmaterialen.
4.3.2.3. Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening
Bij de vraag of de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk zijn bevonden en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag, geeft de IND een oordeel aan de hand van alles wat de vreemdeling zelf heeft aangedragen, en van alles wat te toetsen is aan de hand van andere bronnen. De IND beoordeelt kenbaar of de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk zijn en niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie. Deze beoordeling wordt op objectieve, gestructureerde en transparante wijze uitgevoerd. Hierbij kan de IND onder andere betrekken:
Tegenstrijdigheden tussen informatie verkregen tijdens OVA en gehoor kunnen hierbij niet zonder meer aan de vreemdeling worden tegengeworpen. De vreemdeling moet in ieder geval in de gelegenheid worden gesteld uitleg te geven over de belangrijkste tegenstrijdigheden. Als de vreemdeling geen goede verklaring kan geven ten aanzien van de tegenstrijdigheid, dan betrekt de IND dit in de beoordeling van het asielmotief.
Komt de vreemdeling in de correcties en aanvullingen terug op eerdere verklaringen, dan mag van hem een deugdelijke verklaring worden verwacht waarom hij daarop terugkomt. Als hij zijn verklaringen aanvult of corrigeert, dan zal hij afdoende moeten verklaren waarom volgens hem het rapport van gehoor niet klopt of onvolledig is.
In bepaalde gevallen kan de door de vreemdeling verstrekte informatie dusdanig innerlijk tegenstrijdig zijn, dat dit het gehele asielmotief aantast. Dit kan zover gaan dat sprake is van ‘verstrekken onjuiste gegevens’.
De door de vreemdeling afgelegde verklaringen worden, tezamen en in onderling verband met het bewijsmateriaal dat niet voldoet aan de in paragraaf C3/4.3.1 Vc genoemde voorwaarden, beoordeeld.
Tot slot kunnen ook resultaten van onderzoek worden betrokken. Dit kan onder meer zien op documentenonderzoek, taalanalyse en informatie over de situatie in een land van herkomst.
4.3.2.4. Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder d, Kwalificatieverordening
Op de vraag of vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, vallen feiten en/of omstandigheden die raken aan de algemene geloofwaardigheid van de vreemdeling. Deze feiten en omstandigheden zien dus niet enkel op de vastgestelde feiten en/of omstandigheden die behoren tot het asielmotief. Als de vreemdeling in deze of een andere procedure verklaringen aflegt die dusdanig ongeloofwaardig zijn dat ze de geloofwaardigheid van de vreemdeling in zijn algemeenheid aantasten, kan de vreemdeling worden beschouwd als niet geloofwaardig in grote lijnen. Vaststellingen die zijn gedaan met betrekking tot de voorwaarden genoemd in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a tot en met c, Kwalificatieverordening kunnen van invloed zijn op de geloofwaardigheid in grote lijnen.
Omstandigheden die in ieder geval kunnen worden betrokken bij de beoordeling of de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, zijn:
Ook als een vreemdeling in het kader van de AMBV-procedure in de nationale procedure is opgenomen en aantoonbaar onjuiste informatie heeft verstrekt of heeft achtergehouden (al dan niet in de andere lidstaat) betrekt de IND dit bij de beoordeling of een vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.
Bij de beoordeling of vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, houdt de IND verder onder andere rekening met het moment waarop de verzoeker om internationale bescherming heeft verzocht.
Van een vreemdeling die verzoekt om internationale bescherming mag verlangd worden dat hij zo spoedig mogelijk dit verzoek indient. Hiervan is in beginsel sprake als het verzoek om internationale bescherming binnen 48 uur na binnenkomst is ingediend. Als dit niet binnen 48 uur is gebeurd, vraagt de IND naar de reden hiervan. Als de vreemdeling daar geen goede reden voor heeft, kan dit gevolgen hebben voor de conclusie of de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.
4.3.2.5. Eindconclusie geloofwaardigheidsbeoordeling
Aan het eind van de beoordeling van de verschillende feiten en omstandigheden trekt de IND een conclusie ten aanzien van de geloofwaardigheid per asielmotief. Als het asielmotief onvoldoende is onderbouwd met bewijsmateriaal en de vreemdeling voldoet niet aan één of meerdere voorwaarden uit artikel 4, vijfde lid, Kwalificatieverordening, is het asielmotief niet geloofwaardig. De IND geeft gemotiveerd aan waarom het asielmotief niet geloofwaardig wordt geacht.
4.4. De risico-inschatting
Nadat de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die aan het asielmotief ten grondslag zijn gelegd is vastgesteld, beoordeelt de IND aan de hand van de geloofwaardige feiten en omstandigheden, of de gestelde vrees over wat de vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst te wachten staat, aannemelijk is. Als er geen geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden zijn, wordt aan een inschatting van de risico’s van wat de vreemdeling bij terugkeer zal overkomen niet toegekomen.
De risico-inschatting bestaat uit twee onderdelen, namelijk:
De risico-inschatting ziet dus op datgene wat de vreemdeling stelt te vrezen bij terugkeer naar zijn land van herkomst.
Bij de beoordeling van de gegrondheid van de gestelde vrees wordt door de IND de aannemelijkheid van de aan de geloofwaardige feiten en omstandigheden ontleende vermoedens beoordeeld. Hierbij wordt bekeken of de vermoedens van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer te wachten staat, een aannemelijk gevolg zijn van de geloofwaardige feiten en omstandigheden, afgezet tegen wat op grond van objectieve bronnen bekend is over de situatie in het land van herkomst. In plaats van ‘vermoedens’ kan ook over ‘vrees’ gesproken worden.
De feiten en omstandigheden over de vrees van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer te wachten staat, moeten tot de conclusie leiden dat sprake is van een reëel en voorzienbaar risico.
Hierbij kan de IND de volgende aspecten meewegen:
Aan het einde van de beoordeling van de risico’s bij terugkeer, wordt over ieder afzonderlijk vermoeden een duidelijke conclusie getrokken ten aanzien van de aannemelijkheid.
4.5. Beoordeling van de zwaarwegendheid
Als de IND oordeelt dat de vermoedens van de vreemdeling over wat er met hem zal gebeuren bij terugkeer naar het land van herkomst aannemelijk zijn, beoordeelt de IND of de gebeurtenissen die de vreemdeling verwacht, voldoende zwaarwegend zijn om te worden aangemerkt als een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29 Vw of artikel 29a Vw.
5. Onderzoeken
5.1. Medisch onderzoek horen en beslissen
Wanneer de IND twijfelt over de toestand of de geschiktheid van de vreemdeling om een onderhoud te hebben, biedt de IND de vreemdeling op grond van artikel 13, elfde lid Procedureverordening een medisch onderzoek horen en beslissen aan. Het medisch onderzoek en het daarop volgende advies maken deel uit van de beoordeling of de vreemdeling behoefte heeft aan bijzondere procedurele waarborgen, zoals neergelegd in artikel 20, vierde lid Procedureverordening. De IND bepaalt mede op basis van het medisch advies op welke wijze passende steun wordt geboden en op welke wijze rekening gehouden wordt met de conclusies uit het medisch advies (artikel 13, elfde lid Procedureverordening).
De IND bepaalt in de triage zoals neergelegd in paragraaf C1/3 Vc of de vreemdeling een medisch advies wordt aangeboden. Uit het screeningsformulier, de voorlopige kwetsbaarheidscheck of uit andere relevante signalen en informatie kan twijfel volgen over de toestand of de geschiktheid van de vreemdeling om gehoord te worden. Die twijfel kan ook ontstaan gedurende de procedure. In dat geval kan een medisch onderzoek horen en beslissen worden aangeboden teneinde te kunnen bepalen of een gehoor kan worden afgenomen en zo ja, of er omstandigheden zijn waar in het gehoor rekening mee moet worden gehouden.
Deelname aan het medisch onderzoek is vrijwillig. De vreemdeling verleent schriftelijk toestemming voor deelname aan het medisch onderzoek.
De behandeling van de aanvraag van de vreemdeling start zonder medisch advies als de vreemdeling geen schriftelijke toestemming heeft verleend voor het medisch onderzoek. De IND wijst de aanvraag niet af op grond van de weigering van de vreemdeling deel te nemen aan het medisch onderzoek.
Het medisch advies kan aanleiding geven te besluiten de parallelle procedure toe te passen (zie paragraaf A3/7.3 Vc).
5.2. Forensisch medisch onderzoek
Als de IND het voor de beoordeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel relevant vindt, wordt aan de vreemdeling een forensisch medisch onderzoek aangeboden naar aanwijzingen van vroegere vervolging of ernstige schade. Indien de IND het onderzoek niet relevant vindt, kan de vreemdeling op eigen initiatief en kosten een forensisch medisch onderzoek regelen.
Bij het bepalen of een forensisch medisch onderzoek relevant is, betrekt de IND de volgende omstandigheden:
Indicaties over de aanwezigheid van littekens, fysieke klachten en/of psychische klachten kunnen onder andere naar voren komen uit:
De IND kan niet zelf een medische diagnose stellen. De IND kan tijdens de gehoren vragen stellen over de aanwezigheid van littekens, fysieke klachten en/of psychische klachten bij de vreemdeling. De IND vraagt niet aan de vreemdeling of hij littekens en/of fysieke klachten wil laten zien. De enkele stelling van de vreemdeling dat hij psychische klachten heeft, is onvoldoende als indicatie voor het opstarten van forensisch medisch onderzoek. In beginsel moeten psychische klachten onderbouwd worden met medische stukken.
Het forensisch medisch onderzoek kan alleen uitgevoerd worden met toestemming van de vreemdeling. De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet af enkel op grond van de weigering van de vreemdeling deel te nemen aan het forensisch medisch onderzoek.
Het forensisch medisch onderzoek is primair op waarheidsvinding gericht. Dit betekent dat het forensisch medisch onderzoek als instrument kan worden ingezet om een bijdrage te leveren aan de geloofwaardigheidsbeoordeling bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel.
Het forensisch medisch onderzoek kan bestaan uit drie onderdelen:
De centrale vraag die gesteld wordt wanneer een forensisch medisch onderzoek wordt opgestart, is: In welke mate is er sprake van causaliteit tussen fysieke en/of psychische sporen enerzijds en de wijze van het ontstaan daarvan anderzijds. Hierbij kan gedacht worden aan fysieke sporen als gevolg van marteling, verkrachting en andere ernstige vormen van geweld of ernstige psychische schade in relatie tot het asielrelaas. Waar mogelijk bestaat het forensisch medisch onderzoek ook uit onderzoek naar letseldatering. Onder letseldatering wordt verstaan het moment waarop het letsel is opgelopen. Het doel van het forensisch medisch onderzoek is niet om de asielmotieven naar voren te brengen of te toetsen. Dit sluit niet uit dat de vreemdeling aan de onderzoekende arts (privacy-/schuld-/schaamtegevoelige) informatie verstrekt die tijdens het gehoor niet of anders benoemd is.
De IND weegt het forensisch medisch onderzoek mee in de geloofwaardigheidsbeoordeling en de uiteindelijke beslissing op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel.
De IND start geen forensisch medisch onderzoek op in het kader van de beoordeling van de mogelijkheid tot intrekking van een verblijfsvergunning asiel.
5.3. Leeftijdsbepaling
Overeenkomstig artikel 25, zevende lid, Procedureverordening, kan de IND een beslissing die een andere lidstaat over de leeftijdsbepaling heeft genomen erkennen, zolang die leeftijdsbepaling overeenkomstig het Unierecht is verricht.
Indien er bij een niet-begeleide minderjarige vermoedens zijn van evidente meerderjarigheid en de gestelde minderjarigheid niet met authentieke identiteitsdocumenten wordt onderbouwd, houdt de IND een leeftijdsinterview.
Tijdens het OVA-proces worden vermoedens van evidente meerderjarigheid onderkend. Het leeftijdsinterview vindt bij dergelijke vermoedens in beginsel zo spoedig mogelijk na de triage plaats.
Indien tijdens het OVA-proces geen vermoedens van evidente meerderjarigheid worden onderkend, wordt de gestelde minderjarigheid vooralsnog aangenomen.
Dit laat onverlet dat in een later stadium in de procedure, indien hier voldoende aanknopingspunten voor zijn, alsnog een leeftijdsinterview kan worden gehouden. Dit leeftijdsinterview kan afzonderlijk worden gehouden of tijdens het gehoor.
Voorbeelden van aanknopingspunten zijn:
Tijdens dit leeftijdsinterview wordt op basis van uiterlijke kenmerken, het gedrag, de verklaringen van de vreemdeling en eventuele andere relevante omstandigheden beoordeeld of de niet-begeleide vreemdeling die stelt minderjarig te zijn, zonder enige twijfel ouder is dan 18 jaar (evident meerderjarig). Indien na het leeftijdsinterview niet tot evidente meerderjarigheid wordt geconcludeerd, gaat de IND vooralsnog uit van de gestelde minderjarigheid.
De IND voert het medisch leeftijdsonderzoek in ieder geval uit in overeenstemming met artikel 25 van de Procedureverordening.
C4. Afdoeningsgronden
1. Niet in behandeling nemen
De IND neemt op grond van artikel 30 Vw, een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling als een andere lidstaat op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen.
Voor de toepassing van de Asiel- en migratiebeheerverordening wordt verder verwezen naar paragraaf C2/3 Vc.
2. Niet-ontvankelijk
Een aanvraag kan niet-ontvankelijk worden verklaard op grond van artikel 30a Vw in de gevallen als bedoeld in artikel 38, eerste lid, Procedureverordening. Deze gevallen worden hieronder verder uitgewerkt. Dit betreft een nadere uitwerking van paragraaf C1/3.2.3 Vc ‘Ontvankelijkheidsprocedure’.
2.1. Eerste land van asiel (artikel 38, eerste lid aanhef en onder a, jo 58 Procedureverordening)
In artikel 58 Procedureverordening staat het begrip ‘eerste land van asiel’ uitgewerkt. Een land dat geen onderdeel is van de Europese Unie, Europese Economische Ruimte of Zwitserland wordt beschouwd als een eerste land van asiel voor de vreemdeling, indien de vreemdeling daar (doeltreffende) bescherming heeft genoten en nog steeds op die bescherming een beroep kan doen.
Bij de vraag of voor de individuele vreemdeling een derde land als eerste land van asiel moet worden beschouwd, zijn ook de verklaringen van de vreemdeling van belang. Aan de hand van dat relaas en informatie over de situatie in het ‘eerste land van asiel’ wordt beoordeeld of aan de voorwaarden van artikel 58, eerste lid, Procedureverordening is voldaan. Als de vreemdeling aannemelijk maakt dat er sprake is van elementen die rechtvaardigen dat het derde land in zijn geval niet als eerste land van asiel kan worden beschouwd in de zin van artikel 58 Procedureverordening, zal de IND de vreemdeling niet tegenwerpen dat hem in het betreffende derde land reeds bescherming is verleend. In dat geval beoordeelt de IND overeenkomstig hoofdstuk C3 Vc of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. De elementen die de vreemdeling in het kader van een individuele beoordeling kan verstrekken, dienen in verband te staan met de in het eerste lid van artikel 58 Procedureverordening genoemde voorwaarden.
Het begrip ‘eerste land van asiel’ mag niet worden toegepast op verzoekers die als gezinslid van een onderdaan van een derde land of van een burger van de Unie een verzoek indienen en die in de lidstaat die het verzoek behandelt, aanspraak kunnen maken op de rechten die zijn vastgelegd in de Gezinsherenigingsrichtlijn (2003/86/EG) of Richtlijn 2004/38/EG.
Artikel 58 , eerste lid, Procedureverordening beschrijft wanneer een derde land als eerste land van asiel kan worden beschouwd. De mogelijkheid van (weder)toelating wordt daarbij niet als voorwaarde genoemd.
Als echter op voorhand duidelijk is dat de vreemdeling niet tot dat land zal worden toegelaten, kan de aanvraag niet niet-ontvankelijk worden verklaard. Aangezien de vreemdeling eerder in het derde land bescherming heeft genoten, zal dat niet snel worden aangenomen. Het is aan de vreemdeling om aan te tonen dat niet opnieuw zal worden toegelaten. Van de vreemdeling wordt verwacht dat hij zich daadwerkelijk inspant om deze toegang te krijgen.
Een derde land kan voor een niet-begeleide minderjarige slechts als een eerste land van asiel worden beschouwd als aan de voorwaarden is voldaan van artikel 58, derde lid, Procedureverordening.
Bij de vaststelling of een derde land voor een niet-begeleide minderjarige beschouwd moet worden als veilig derde land van asiel, beoordeelt de IND of dit in strijd is met zijn of haar belang. Daarbij houdt de IND rekening met de in artikel 26 Verordening (EU) 2024/1346 genoemde factoren. Daarbij wordt rekening gehouden met de beschikbaarheid van duurzame passende zorg en opvang.
Voor zover in het eerste land van asiel gezins- of familieleden woonachtig zijn, zal het daadwerkelijk samenbrengen van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling met zijn gezins- of familieleden alleen plaatsvinden indien dit in het belang van de minderjarige vreemdeling is. Uitgangspunt hierbij is dat als uitgangspunt geldt dat het in het belang van de minderjarige vreemdeling is om herenigd te worden met zijn gezins- of familieleden.
De IND verstaat onder de voorwaarde vooraf de verzekering hebben ontvangen van het betrokken derde land, het volgende. De IND neemt aan dat de niet-begeleide minderjarige zal worden overgenomen door het bedoelde eerste land van asiel indien de autoriteiten van het eerste land van asiel binnen een door de IND vastgestelde redelijke termijn bevestigen dat zij de niet-begeleide minderjarige overnemen.
De IND neemt aan dat de niet-begeleide minderjarige vreemdeling onmiddellijk zal genieten van doeltreffende bescherming indien de autoriteiten van het eerste land van asiel dit bevestigen.
2.2. Veilig derde land (artikel 38, eerste lid aanhef en onder b, jo 59 en 60 Procedureverordening)
In artikel 59 Procedureverordening staat wat wordt verstaan onder het begrip ‘veilig derde land’ en wanneer dit begrip mag worden toegepast.
Bij de vraag of een veilig derde land voor de individuele vreemdeling als veilig moet worden beschouwd, vormt het relaas van de vreemdeling het uitgangspunt. De IND beoordeelt of het derde land in het individuele geval van de vreemdeling als veilig derde land kan gelden op grond van de voorwaarden van artikel 59, eerste lid, Procedureverordening:
Als de vreemdeling aannemelijk maakt dat er sprake is van elementen die rechtvaardigen dat het derde land in zijn geval niet als veilig derde land kan worden beschouwd in de zin van artikel 59 Procedureverordening, zal de IND het begrip veilig derde land niet toepassen. In dat geval beoordeelt de IND overeenkomstig hoofdstuk C3 Vc of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)