Besluit van 11 januari 2002, houdende veiligheidsvoorschriften voor vissersvaartuigen (Vissersvaartuigenbesluit 2002)
Elke met olie gestookte stoomketel die is ontworpen om niet met de hand te worden bediend, is voorzien van veiligheidsinrichtingen die de olietoevoer afsluiten en alarm geven in geval van laag waterpeil, storing in de luchttoevoer of vlamstoring.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie schenkt bijzondere aandacht aan stoomketelinstallaties, teneinde zeker te stellen dat voedingwatersystemen, bedieningsapparatuur en veiligheidsvoorzieningen in alle opzichten geschikt zijn om de veiligheid van ketels, stoomdrukvaten en stoomleidingen te garanderen.
Artikel 4.7. Communicatie tussen stuurhuis en machinekamer
Twee onafhankelijk werkende communicatiemiddelen zijn tussen het stuurhuis en de machinekamer aangebracht, waarvan één een machinekamertelegraaf is, met dien verstande dat voor vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt en waarvan de voortstuwingswerktuigen rechtstreeks vanuit het stuurhuis worden bediend, het Hoofd van de Scheepvaartinspectie andere communicatiemiddelen dan een machinekamertelegraaf kan aanvaarden.
Artikel 4.8. Bediening van de voortstuwingsinstallatie vanuit het stuurhuis
Indien een voortstuwingswerktuig vanuit het stuurhuis kan worden bediend:
- a. kan onder alle bedrijfsomstandigheden het manoeuvreren, de snelheid, de richting van de stuwkracht en, indien van toepassing, de spoed van de verstelbare schroef volledig door middel van afstandsbediening vanuit het stuurhuis worden geregeld;
- b. wordt de afstandsbediening, bedoeld in onderdeel a, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie verricht door middel van een bedieningsapparaat dat zonodig voorzien is van een inrichting die voorkomt dat de voortstuwingswerktuigen worden overbelast;
- c. zijn de hoofdvoortstuwingswerktuigen voorzien van een noodstopinrichting in het stuurhuis, die onafhankelijk werkt van het bedieningssysteem in het stuurhuis, bedoeld onder a;
- d. is de bediening zodanig uitgevoerd dat afstandsbediening van het voortstuwingswerktuig slechts op één plaats tegelijk kan geschieden: op elke bedieningsplaats kunnen gekoppelde onderstations worden toegestaan. Op elke bedieningsplaats is aangegeven welke bedieningsplaats het voortstuwingswerktuig bedient. De overschakeling van de bediening tussen het stuurhuis en de ruimte voor machines is slechts mogelijk in de ruimte voor machines of in de controlekamer. Voor vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat de bedieningsplaats in de ruimte voor machines alleen een noodbedieningsplaats is, mits de controle-inrichting en bedieningsorganen in het stuurhuis doelmatig zijn;
- e. zijn instrumenten in het stuurhuis aangebracht die aangeven:
- 1°. de omwentelingssnelheid en de draairichting van de schroef in het geval het vaartuig is voorzien van vaste schroeven,
- 2°. de omwentelingssnelheid en de stand van de spoed in het geval het vaartuig is voorzien van verstelbare schroeven, en
- 3°. het vooralarm, bedoeld in artikel 4.4, vijfde lid;
- f. kunnen, indien een storing optreedt in een onderdeel van het afstandsbedieningsysteem, de voortstuwingswerktuigen ter plaatse worden bediend;
- g. is, tenzij zulks naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie praktisch niet uitvoerbaar is, het afstandsbedieningsysteem zodanig ontworpen, dat bij uitvallen alarm wordt gegeven en de vooraf ingestelde snelheid en richting van de stuwkracht worden gehandhaafd totdat de bediening op andere wijze wordt overgenomen, en
- h. zijn bijzondere voorzieningen aangebracht die verhinderen dat bij automatisch starten de mogelijkheid om te starten uitgeput zal raken, waartoe een alarm is aangebracht dat een lage aanzetdruk aangeeft en dat is afgesteld op een druk waarbij aanzetten van het voortstuwingswerktuig nog mogelijk is.
Wanneer de hoofdvoortstuwingswerktuigen en bijbehorende machine-installaties, met inbegrip van de elektrische hoofdkrachtbron, zijn voorzien van verschillende graden van automatische bediening of afstandsbediening en daarop voortdurend toezicht wordt gehouden vanuit een controlekamer, is deze controlekamer zodanig ontworpen, uitgerust en ingericht, dat de werking van de machine-installaties even veilig en doeltreffend is als wanneer daarop rechtstreeks toezicht wordt gehouden.
Automatische systemen voor aanzetten, regeling en bediening omvatten in het algemeen voorzieningen om de bediening van deze systemen met de hand over te kunnen nemen. Storing in enig gedeelte van deze systemen mag het gebruik van voorzieningen voor handbediening niet verhinderen.
Artikel 4.9. Systemen voor samengeperste lucht
Er zijn voorzieningen aangebracht om ongewenste overdruk te voorkomen in enig deel van systemen voor samengeperste lucht en in die gevallen waarin watermantels of cilinderblokken van luchtcompressoren en huizen van koelers kunnen worden onderworpen aan een gevaarlijke overdruk ten gevolge van lekkage naar deze delen, afkomstig van onder luchtdruk staande onderdelen. Doelmatige ontlastvoorzieningen zijn op deze systemen aangebracht.
De aanzetluchtleidingen van direct omkeerbare voortstuwingsmotoren zijn voorzien van veiligheidsinrichtingen teneinde explosies in de aanzetluchtleidingen te voorkomen of te lokaliseren.
Alle persleidingen van de aanzetluchtcompressoren zijn rechtstreeks aangesloten op de aanzetluchtvaten, terwijl alle aanzetluchtleidingen van de aanzetluchtvaten naar de hoofd- en hulpmotoren geheel gescheiden zijn van het persleidingsysteem van de compressoren.
Er zijn voorzieningen getroffen om het binnendringen van olie in de systemen voor samengeperste lucht tot een minimum te beperken en om deze olie uit het betreffende systeem af te voeren.
Artikel 4.10. Inrichtingen voor brandstofolie, smeerolie en andere ontvlambare oliën
Als vloeibare brandstof mag slechts olie worden gebruikt waarvan het vlampunt niet lager is dan 60°C, welke waarde is verkregen door middel van een toestel voor het bepalen van het vlampunt, behalve voor noodaggregaten, waarvoor olie met een vlampunt dat niet lager is dan 43°C mag worden gebruikt. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter het algemeen gebruik toestaan van brandstofolie met een vlampunt dat niet lager is dan 43°C, onder zodanige voorzorgen als hij nodig acht en op voorwaarde dat de temperatuur in de ruimte waarin zulke brandstofolie is opgeslagen of wordt gebruikt, niet zal mogen stijgen tot een waarde hoger dan 10°C onder het vlampunt van de brandstofolie.
Er zijn veilige en doeltreffende middelen aanwezig ter bepaling van de hoeveelheid brandstofolie in een tank. Indien peilpijpen zijn aangebracht komen de uiteinden daarvan uit op plaatsen waar geen gevaar voor ontsteking bestaat, tenzij voorzorgsmaatregelen zijn genomen zoals het aanbrengen van een doeltreffende afscherming om te voorkomen dat brandstofolie in aanraking komt met een ontstekingsbron in het geval olie uit de uiteinden van de peilpijpen vloeit. Bovendien zijn de uiteinden van de peilpijpen voorzien van een zelfsluitende kraan met daaronder aangebracht een zelfsluitend controlekraantje teneinde, alvorens de zelfsluitende kraan in geopende stand te brengen, te kunnen vaststellen dat aldaar geen brandstofolie aanwezig is. Voorzieningen zijn aangebracht om te waarborgen dat brandstofolie afkomstig uit het controlekraantje geen gevaar voor ontsteking oplevert. Peilglazen die van voldoende dikte zijn en die beschermd zijn door een metalen mantel, mogen worden toegepast, mits zelfsluitende kranen zijn aangebracht. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ter vaststelling van de hoeveelheid brandstofolie in een tank andere middelen toestaan, mits het onklaar raken daarvan of het overvullen van de tanks niet tot gevolg heeft dat daardoor brandstofolie buiten de tank geraakt.
Er zijn voorzieningen getroffen ter vermijding van overdruk in een brandstofolietank of in een gedeelte van het brandstofoliesysteem, met inbegrip van de vulpijpen. Ontlastkleppen en lucht- of overvloeipijpen voeren af op een veilige manier, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Iedere brandstofleiding waaruit bij beschadiging olie zou kunnen ontsnappen uit een boven de dubbele bodem opgestelde voorraad-, bezink- of dagtank, is direct aan de tank voorzien van een afsluiter die vanaf een veilige plaats buiten de betrokken ruimte waarin dergelijke tanks zijn geplaatst, kan worden gesloten in het geval dat in die ruimte brand uitbreekt. In het bijzondere geval van dieptanks in een schroefas- of pijpentunnel of een dergelijke ruimte, zijn afsluiters op deze tanks aangebracht. De afsluiting in het geval van brand mag evenwel worden bewerkstelligd door middel van een extra afsluiter in de pijp of pijpen buiten de tunnel of dergelijke ruimte. Indien zo'n extra afsluiter is aangebracht in de ruimte voor machines, kan deze afsluiter vanaf een plaats buiten deze ruimte worden bediend.
Pompen die deel uitmaken van het brandstofleidingsysteem, zijn gescheiden van elk ander leidingsysteem en de aansluitingen op de betrokken pompen zijn voorzien van een doelmatige ontlastklep die deel uitmaakt van een gesloten systeem. Wanneer brandstofolietanks tevens gebruikt kunnen worden als ballasttanks, zijn doelmatige voorzieningen getroffen om het brandstofleidingsysteem en het ballastleidingsysteem van elkaar te scheiden.
Olietanks mogen niet zodanig zijn gelegen dat overvloeien of lekkage van vloeistof daaruit op hete oppervlakken een gevaar kan vormen. Er zijn voorzorgsmaatregelen genomen om te voorkomen dat olie onder druk, die uit een pomp, filter of voorwarmers zou kunnen ontsnappen, in aanraking komt met hete oppervlakken.
- a. Brandstofleidingen en hun afsluiters en bevestigingen zijn van staal of ander gelijkwaardig materiaal, behoudens dat een beperkt gebruik van flexibele leidingen kan worden toegestaan op plaatsen waar ze naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie noodzakelijk zijn. Dergelijke flexibele leidingen en hun eindbevestigingen zijn zodanig geconstrueerd dat ze van een voldoende sterkte zijn en dat ze ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van goedgekeurd brandbestendig materiaal zijn of dat ze zijn voorzien van een brandbestendige deklaag.
- b. Waar dit noodzakelijk is, zijn brandstofolie- en smeerolieleidingen, voor zover praktisch uitvoerbaar, afgeschermd of op andere wijze doeltreffend beveiligd teneinde olienevel of olielekkage op hete oppervlakken of in luchtinlaten van werktuigen te voorkomen. Het aantal koppelingen in pijpleidingen wordt tot een minimum beperkt.
Voor zover dit praktisch uitvoerbaar is, maken de brandstofolietanks deel uit van de scheepsconstructie en zijn buiten de ruimten voor machines van categorie A als bedoeld in artikel 5.2, veertiende lid, gelegen. Wanneer brandstofolietanks, geen dubbele-bodemtanks zijnde, noodzakelijkerwijze naast of in ruimten voor machines van categorie A gelegen zijn, valt ten minste één van hun verticale zijden samen met de begrenzingwanden van de ruimte voor machines en hebben zij bij voorkeur een gemeenschappelijke begrenzingwand met dubbele-bodemtanks indien deze zijn aangebracht. De oppervlakte van de begrenzingwand tussen de tank en de ruimte voor machines is zo klein mogelijk. Wanneer dergelijke tanks gelegen zijn binnen de begrenzingwanden van ruimten voor machines van categorie A, mogen zij geen brandstofolie bevatten met een vlampunt dat lager is dan 60°C. Het gebruik van vrijstaande brandstofolietanks in brandgevaarlijke ruimten en in het bijzonder in ruimten voor machines van categorie A is in het algemeen niet toegestaan. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter de toepassing van vrijstaande brandstofolietanks toestaan. In dat geval zijn zij geplaatst in een lekbak van ruime afmetingen welke is voorzien van een afvoerleiding van voldoende afmetingen, welke naar een lekolietank leidt met voldoende capaciteit.
De ventilatie van ruimten voor machines is onder alle bedrijfsomstandigheden voldoende om opeenhoping van oliedampen te voorkomen.
De inrichtingen voor de opslag, verdeling en het gebruik van olie voor smeeroliesystemen onder druk zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Indien deze inrichtingen zijn aangebracht in ruimten voor machines van categorie A als bedoeld in artikel 5.2, veertiende lid en, indien praktisch uitvoerbaar, in andere ruimten voor machines, voldoen zij ten minste aan het eerste, derde, zesde en zevende lid en, voorzover dit naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie noodzakelijk is, aan het tweede en vierde lid. Het gebruik van kijkglazen in smeeroliesystemen is toegestaan mits door middel van een proef is aangetoond dat zij in voldoende mate brandbestendig zijn.
De inrichtingen voor de opslag, verdeling en het gebruik van ontvlambare oliën die onder druk worden toegepast in hydraulische systemen voor het overbrengen van vermogen en die geen oliën zijn als bedoeld in het voorgaande lid, alsmede van oliën die worden gebruikt in bedienings-, bekrachtigings- en verwarmingssystemen, zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Op plaatsen waar ontstekingsbronnen aanwezig zijn, voldoen dergelijke inrichtingen ten minste aan het tweede en zesde lid en ten aanzien van sterkte en constructie aan het derde en zevende lid.
Voorpiektanks bevatten geen brandstofolie, smeerolie of andere ontvlambare oliën.
Artikel 4.11. Lensinrichting
Elke waterdichte afdeling die niet permanent is bestemd voor de berging van olie of water kan onder alle omstandigheden die in de praktijk kunnen voorkomen, ongeacht of het vaartuig recht ligt dan wel slagzij heeft, door een doelmatig lenssysteem worden leeggepompt. Indien nodig zijn daartoe lenskorven in de zijden aangebracht. Er zijn voorzieningen getroffen, opdat in een afdeling aanwezig water naar de lenskorven kan toevloeien. Onder voorwaarde dat de veiligheid van het vaartuig niet in het geding is, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat bepaalde afdelingen niet op een lenssysteem zijn aangesloten.
- a. Er zijn ten minste twee onafhankelijk werktuiglijk aangedreven lenspompen aangebracht, waarvan er één door de hoofdmotor mag worden aangedreven. Een ballastpomp of andere algemene dienstpomp van voldoende capaciteit mag worden gebruikt als werktuiglijk gedreven lenspomp;
- b. werktuiglijk aangedreven lenspompen zijn in staat aan het water in de hoofdlensleiding een snelheid van ten minste 2 m/sec te geven, met dien verstande dat de hoofdlensleiding een inwendige diameter heeft van ten minste: d = 25 + 1,68 {L(B+D)}; waarbij: d = de inwendige diameter in millimeters en zijn L, B en D in meters uitgedrukt, en met dien verstande dat het Hoofd van de Scheepvaartinspectie echter kan toestaan dat als werkelijke, inwendige diameter van de hoofdlensleiding de dichtstbijzijnde standaardpijp middellijn wordt toegepast;
- c. elke lenspomp die overeenkomstig dit artikel is aangebracht, is voorzien van een rechtstreekse zuigpijp op de ruimte waarin deze is opgesteld, waarbij, indien twee of meer van dergelijke zuigpijpen in een ruimte voor machines aanwezig zijn, er ten minste één aan bakboordzijde en één aan stuurboordzijde van de ruimte uitmondt, met dien verstande dat vaartuigen met een lengte kleiner dan 75 m kunnen volstaan met slechts één lenspomp met een rechtstreekse zuigpijp;
- d. de inwendige diameter van de zuiglensleiding mag niet kleiner zijn dan 50 mm, met dien verstande dat de inrichting en afmetingen van het lenssysteem zodanig zijn dat de totale capaciteit van de pomp, zoals hierboven aangegeven, kan worden aangewend voor elk van de waterdichte afdelingen die zijn gelegen tussen de aanvarings- en achterpiekschotten.
Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie mag een lensejecteur in samenhang met een onafhankelijk gedreven hoge druk zeewaterpomp worden aangebracht als vervanging van één onafhankelijk gedreven lenspomp, zoals is voorgeschreven in het tweede lid, onderdeel a.
Aan boord van vaartuigen waar de visverwerking kan leiden tot het verzamelen van hoeveelheden water in afgesloten ruimten, is voorzien in een doelmatige afvoer.
Lensleidingen mogen niet zijn gevoerd door brandstof- of ballast- of dubbele-bodemtanks, tenzij deze leidingen zijn uitgevoerd met een extra wanddikte.
De inrichting van lens- en ballastleidingen met de daarbij behorende pompen is zodanig, dat geen water rechtstreeks van buitenboord of uit waterballastruimten naar laadruimten en ruimten voor machines of uit de ene waterdichte ruimte naar een andere kan vloeien. De lensaansluiting van elke pomp die in verbinding kan worden gesteld met een buitenboordsopening of waterballastruimte is uitgerust met óf een terugslagklep, óf een kraan die niet gelijkertijd kan worden geopend hetzij naar de lensputten en naar buitenboord, hetzij naar de lensputten en de waterballastruimten. Verdeelkasten in lensleidingen zijn voorzien van terugslagkleppen.
De doorvoering van een lensleiding door het aanvaringsschot is voorzien van een doelmatig afsluitmiddel dat tegen het schot is bevestigd en dat boven het werkdek kan worden bediend. Op de plaats vanbediening is een standaanwijzer aangebracht die aangeeft of het afsluitmiddel geopend dan wel gesloten is. Indien het afsluitmiddel aan de achterzijde van het aanvaringsschot is aangebracht en bovendien onder alle bedrijfsomstandigheden gemakkelijk bereikbaar is, kan van de bediening boven het werkdek worden afgezien.
Artikel 4.12. Bescherming tegen geluidhinder
Bij ministeriële regeling kunnen maatregelen worden getroffen om geluidhinder in ruimten voor machines te beperken tot aanvaardbare niveaus.
Artikel 4.13. Stuurinrichting en roer
Elk vaartuig is voorzien van een hoofdstuurinrichting en van een hulpstuurinrichting ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Deze inrichtingen zijn zodanig, dat voor zover dit mogelijk en praktisch uitvoerbaar is, een enkelvoudige fout in één van de inrichtingen de ander niet buiten werking stelt.
Wanneer de hoofdstuurinrichting twee of meer gelijkwaardige krachtwerktuigen omvat, behoeft geen hulpstuurinrichting te zijn aangebracht indien de hoofdstuurinrichting geschikt is om het roer te bewegen overeenkomstig het tiende lid, in het geval dat één van de krachtwerktuigen buiten bedrijf is.
Elk krachtwerktuig wordt gevoed vanaf een afzonderlijke stroomkring.
De stand van het roer wordt in het stuurhuis aangegeven indien het roer werktuiglijk wordt bewogen. De roerstandaanwijzing is onafhankelijk van het afstandsbedieningsysteem.
Het uitvallen van de stuurinrichting wordt in het stuurhuis door middel van een hoorbaar en zichtbaar alarm aangegeven.
Het in bedrijf zijn van de motoren van elektrische en elektrisch-hydraulische stuurinrichtingen wordt in het stuurhuis aangegeven. Elke stroomkring en elke motor is voorzien van een kortsluitbeveiliging, een overbelastingsalarm en een «geen-spanning»-alarm. Indien er een overbelastingsbeveiliging is aangebracht dan is deze niet lager ingesteld dan tweemaal de nominale stroomsterkte van de motor of stroomkring en is deze verder zodanig uitgevoerd dat deze bij de gebruikelijke aanloopstroom niet in werking treedt.
De hoofdstuurinrichting is voldoende sterk gebouwd en geschikt voor de besturing van het vaartuig bij maximum dienstsnelheid vooruit. De hoofdstuurinrichting, het roer en de roerkoning zijn zodanig ontworpen, dat zij, ook bij maximum snelheid achteruit of bij het manoeuvreren tijdens het vissen, niet worden beschadigd.
Het vermogen en de uitvoering van de hoofdstuurinrichting zijn zodanig dat het roer van 35° uitslag aan een zijde naar 35° uitslag aan de andere zijde kan worden bewogen wanneer het vaartuig zich bij maximum toelaatbare diepgang, met maximum dienstsnelheid vooruit beweegt. Het roer kan onder deze omstandigheden van 35° uitslag aan één zijde in niet meer dan 28 seconden naar 30° uitslag aan de andere zijde worden bewogen. Zonodig dient de hoofdstuurinrichting werktuiglijk te kunnen worden bewogen teneinde aan deze eisen te voldoen.
Het krachtwerktuig voor de hoofdstuurinrichting wordt hetzij handmatig vanuit het stuurhuis in werking gesteld, hetzij automatisch in werking gesteld zodra de energievoorziening, na te zijn uitgevallen, weer is hersteld.
De hulpstuurinrichting is voldoende sterk gebouwd en is geschikt voor de besturing van het vaartuig bij een snelheid, waarbij het nog manoeuvreerbaar is en is voorts ingericht om in noodgevallen snel in werking te kunnen worden gebracht.
De hulpstuurinrichting is geschikt om het roer in niet meer dan 60 seconden van 15° uitslag aan een zijde te bewegen naar 15° uitslag aan de andere zijde, bij een snelheid vooruit welke maximaal of de helft van de maximum dienstsnelheid of 7 mijl per uur bedraagt, afhankelijk van welke van de twee waarden het grootst is. De hulpstuurinrichting kan werktuiglijk worden bewogen voorzover dit nodig is om aan deze eisen te kunnen voldoen. Ten aanzien van Nederlandse vissersvaartuigen geldt dat in geval van elektrische aandrijving de noodkrachtbron in staat is om de hulpstuurinrichting gedurende ten minste 10 minuten te bedienen.
Aan boord van een vaartuig met een lengte van 75 m of meer wordt de elektrische of elektrisch-hydraulische stuurinrichting bediend door ten minste twee stroomkringen, gevoed vanaf het hoofdschakelbord. De stroomkringen zijn over hun gehele lengte, zover als praktisch mogelijk is, van elkaar verwijderd aangebracht.
Artikel 4.14. Alarminstallatie voor werktuigkundigen
Aan boord van een vaartuig met een lengte van 75 m of meer is een alarminstallatie aangebracht die hetzij vanuit de machinecontrolekamer, hetzij vanaf de manoeuvreerstand in werking kan worden gesteld en die duidelijk hoorbaar is in de verblijven welke zijn bestemd voor de werktuigkundigen.
Artikel 4.15. Koelinstallaties, koel- en vriesruimten
Koelinstallaties zijn zodanig ontworpen, geconstrueerd, beproefd en geïnstalleerd, dat rekening wordt gehouden met de veiligheid van de installaties en tevens met mogelijke emissies van het toegepaste koelmiddel, in hoeveelheden of concentraties die gevaar inhouden voor de mens of het milieu, een en ander ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Het toe te passen koelmiddel in koel- en vriesinstallaties is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
- a. Koelinstallaties zijn voldoende beschermd tegen trillen, schokken, uitzetten, krimpen en soortgelijke omstandigheden en zijn voorzien van een automatische veiligheidsinrichting, waardoor een gevaarlijke stijging van de temperatuur en van de druk wordt voorkomen.
- b. Koelinstallaties waarin giftige of ontvlambare koelmiddelen worden gebruikt, zijn voorzien van afvoerinrichtingen die uitmonden op een plaats waar het koelmiddel geen gevaar oplevert voor het vaartuig of de opvarenden.
- a. Koelmachines, met inbegrip van koelers en gastanks, die giftige koelmiddelen gebruiken, zijn ondergebracht in een afzonderlijke ruimte die door gasdichte schotten van aangrenzende ruimten is gescheiden. Deze ruimte is voorzien van een lekzoeksysteem met een aanwijsinstrument dat is aangebracht naast de ingang tot deze ruimte, een onafhankelijk ventilatiesysteem en een watersproei-installatie.
- b. Indien het ten gevolge van de grootte van het vaartuig praktisch niet uitvoerbaar is dat een koelinstallatie in een afzonderlijke ruimte wordt ondergebracht, kan de installatie worden geplaatst in de ruimte voor machines, mits de hoeveelheid gebruikt koelmiddel in geval van ontsnapping van de totale hoeveelheid gas geen gevaar oplevert voor personen in de ruimte voor machines en mits een alarm is aangebracht dat bij een lekkage in die ruimte waarschuwt voor een gevaarlijke gasconcentratie.
In ruimten voor koelmachines en in koel- en vriesruimten is een alarminstallatie aangebracht die in verbinding staat met het stuurhuis, het controlestation of nooduitgangen, om te voorkomen dat personen opgesloten raken. Ten minste één uitgang van een dergelijke ruimte kan van binnenuit geopend worden. Uitgangen van de ruimten waarin koelinstallaties zijn ondergebracht die giftig of ontvlambaar gas gebruiken geven waar mogelijk niet rechtstreeks toegang tot ruimten voor accommodatie.
Wanneer in een koelinstallatie een voor personen schadelijk koelmiddel wordt gebruikt, zijn ten minste twee persluchttoestellen aanwezig, die te allen tijde bereikbaar zijn in geval koelmiddel ontsnapt. Voor elke tot het toestel behorende luchtcilinder is ten minste een reservecilinder met samengeperste lucht aanwezig. Persluchttoestellen die deel uitmaken van de brandweeruitrusting van het vaartuig, kunnen hiertoe worden gebruikt, mits de plaatsing daarvan zodanig is dat aan beide doeleinden kan worden voldaan.
Met betrekking tot koelinstallaties zijn aan boord duidelijk zichtbaar doelmatige richtlijnen opgehangen ten behoeve van een veilige bedrijfsvoering en het optreden in noodsituaties.
§ 3. Elektrische installaties
Artikel 4.16. Elektrische hoofdkrachtbron
- a. Indien elektrische energie het enige middel vormt tot het onderhouden van de voor de voortstuwing en de veiligheid van het vaartuig onontbeerlijke hulpdiensten, is het vaartuig voorzien van een elektrische hoofdkrachtbron. Deze hoofdkrachtbron bestaat ten minste uit twee generatoraggregaten, waarbij één van de generatoren door de hoofdmotor mag worden aangedreven. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan andere middelen aanvaarden mits deze gelijkwaardige elektrische voorzieningen inhouden.
- b. Het vermogen van de generatoren, bedoeld in het voorgaande lid, is zodanig dat, met uitzondering van het vermogen dat benodigd is voor het vissen, de verwerking en het conserveren van de vangst, de goede werking van de diensten, bedoeld in artikel 4.3, zesde lid, onder a, wordt verzekerd, indien één van de generatoraggregaten buiten bedrijf is gekomen. Indien echter op vaartuigen met een lengte van minder dan 45 m één generator buiten bedrijf is gekomen, is het slechts vereist dat de goede werking van de voor de voortstuwing en veiligheid van het vaartuig noodzakelijke diensten wordt verzekerd.
- c. De elektrische hoofdkrachtbron van het vaartuig is zodanig ingericht dat de diensten, bedoeld in artikel 4.3, zesde lid, onder a, kunnen worden gehandhaafd, ongeacht het toerental en de draairichting van het voortstuwingswerktuig of de schroefas.
- d. Indien transformatoren een essentieel onderdeel vormen van de stroomvoorziening, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, zijn deze zodanig ingericht dat dezelfde continuïteit van de stroomvoorziening verzekerd is.
- a. De hoofdverlichtingsinstallatie is zodanig ingericht dat een brand of ander ongeval in de ruimte of ruimten waarin de elektrische hoofdkrachtbron inclusief eventuele transformatoren is opgesteld, niet de noodverlichtingsinstallatie buiten werking zal stellen.
- b. De noodverlichtingsinstallatie is zodanig ingericht dat een brand of ander ongeval in de ruimte of ruimten waarin de elektrische noodkrachtbron inclusief eventuele transformatoren is opgesteld, niet de hoofdverlichtingsinstallatie buiten werking zal stellen.
Ten aanzien van Nederlandse vissersvaartuigen geldt dat de navigatielichten, indien zij alleen op elektrische stroom werken, worden gevoed via een apart schakelbord en er adequate controlevoorzieningen voor die lichten worden geïnstalleerd.
Artikel 4.17. Elektrische noodkrachtbron
Er wordt voorzien in een onafhankelijk werkende elektrische noodkrachtbron die, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, buiten de ruimten voor machines is opgesteld en die zodanig is uitgevoerd dat de werking niet kan worden beïnvloed door een brand of een storing van de elektrische hoofdkrachtbron.
De elektrische noodkrachtbron is in staat om, rekening houdend met startstromen en inschakelverschijnselen van bepaalde verbruikers, gelijktijdig, gedurende 3 uur stroom te leveren aan:
- a. de VHF radio-installatie, bedoeld in artikel 9.6, eerste lid, onder a en b, en, indien van toepassing:
- 1°. de MF radio-installatie, bedoeld in artikel 9.8, eerste lid, onder a en b, en artikel 9.9, eerste lid, onder b en c,
- 2°. het scheepssatellietstation, bedoeld in artikel 9.9, eerste lid, onder a, en
- 3°. de MF/HF radio-installatie, bedoeld in artikel 9.9, tweede lid, onder a en b, en artikel 9.10, eerste lid;
- b. interne communicatiemiddelen, brandontdekkingsinstallaties en alarmsignaleringen die in geval van nood zijn vereist;
- c. de navigatielichten, indien deze alleen elektrisch zijn uitgevoerd, en de noodverlichting:
- 1°. bij elke tewaterlatingplaats, zowel aan dek als buitenboord,
- 2°. in alle dienst- en accommodatiegangen, bij alle trappen en uitgangen,
- 3°. in ruimten waarin werktuigen of de noodkrachtbron zijn opgesteld,
- 4°. in controlestations,
- 5°. in visverwerkingruimten, en
- d. de bediening van de noodbrandbluspomp, indien deze aanwezig is.
Ten aanzien van Nederlandse vissersvaartuigen geldt dat de elektrische noodkrachtbron op vissersvaartuigen met een lengte van 45 meter of meer gedurende ten minste 8 uur stroom kan leveren voor de in dit artikel vermelde installaties.
De elektrische noodkrachtbron kan een generator of een accumulatorenbatterij zijn.
- a. Indien de elektrische noodkrachtbron een generator is, is deze zowel voorzien van een onafhankelijke brandstoftoevoer als van een doelmatig aanzetsysteem ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Tenzij in een tweede onafhankelijke aanzetinrichting voor de noodgenerator is voorzien, wordt de enige bron met geaccumuleerde energie beveiligd tegen volledige uitputting door de automatische aanzetinrichting.
- b. Indien de elektrische noodkrachtbron een accumulatorenbatterij is, is deze in staat zonder wederoplading de noodbelasting op te nemen, waarbij gedurende de gehele ontlaadperiode de spanning van de accumulatorenbatterij binnen 12% boven of onder zijn nominale spanning blijft. Bij het uitvallen van de elektrische hoofdvoeding schakelt de accumulatorenbatterij automatisch op het noodschakelbord en levert ze onmiddellijk stroom aan ten minste de diensten, bedoeld in het tweede lid, onder b en c. Het noodschakelbord is voorzien van een hulpschakelaar waarmee de batterij met de hand kan worden gekoppeld in geval van het uitvallen van de automatische koppelschakelaar.
Het noodschakelbord is zo dicht als praktisch mogelijk bij de elektrische noodkrachtbron opgesteld, in overeenstemming met het bepaalde in het eerste lid. Indien de elektrische noodkrachtbron een generator is, is het noodschakelbord in dezelfde ruimte opgesteld, tenzij de werking daardoor nadelig zou worden beïnvloed.
Accumulatorenbatterijen die ingevolge dit artikel geplaatst zijn, met uitzondering van die voor de radiozender en -ontvanger in vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, zijn in een goed geventileerde ruimte ondergebracht, niet zijnde de ruimte waar het noodschakelbord is opgesteld. Op een daartoe geschikte plaats op het hoofdschakelbord of in de machinecontrolekamer is een aanwijsinrichting aangebracht die aangeeft wanneer de accumulatorenbatterijen, zijnde de elektrische noodkrachtbron, in ontlading zijn. Het noodschakelbord wordt bij normaal bedrijf via een koppelkabel die in het hoofdschakelbord doelmatig tegen overbelasting en kortsluiting is beveiligd, gevoed vanaf het hoofdschakelbord en wordt automatisch ontkoppeld op het noodschakelbord bij het uitvallen van de elektrische hoofdvoeding. Indien het systeem is ingericht voor een bedrijf met terugvoedmogelijkheid, dan is de koppelkabel ook in het noodschakelbord tegen ten minste kortsluiting beveiligd.
De noodgenerator en zijn aandrijvend werktuig, en elke noodaccumulatorenbatterij zijn zodanig ingericht en opgesteld dat hun goede werking bij hun nominaal vermogen is verzekerd bij recht liggend vaartuig en bij elke slagzijhoek tot 22,5° of bij een trimhoek voor- of achterover tot 10° of bij enige combinatie van hellinghoeken binnen genoemde grenzen.
Er zijn voorzieningen aangebracht voor het adequaat testen van de elektrische noodkrachtbron en de automatische aanzetinrichting, door de bemanning terwijl het vaartuig in bedrijf is.
Artikel 4.18. Voorzorgsmaatregelen tegen schok, brand en andere gevaren van elektrische oorsprong
- a. Onbeschermde nagelvaste metalen delen van elektrische machines of uitrustingen, die niet zijn bestemd om onder spanning te staan, maar ten gevolge van een defect onder spanning kunnen geraken, zijn geaard, tenzij de machines of uitrustingen:
- 1°. worden gevoed met een spanning niet hoger dan 50 V gelijkspanning of 50 V wisselspanning tussen de geleiders, met dien verstande dat spaartransformatoren voor het verkrijgen van de genoemde wisselspanning niet mogen worden gebruikt;
- 2°. worden gevoed met een spanning niet hoger dan 250 V, verkregen van een beschermingstransformator waarop slechts één verbruiker is aangesloten, of
- 3°. zijn geconstrueerd volgens het principe van dubbele isolatie.
- b. Draagbare elektrische uitrusting werkt bij een veilige spanning, waarbij onbeschermde metalen delen van dergelijke uitrusting die niet zijn bestemd om onder spanning te staan, maar ten gevolge van een defect onder spanning kunnen geraken, zijn geaard. Bij ministeriële regeling kunnen aanvullende voorzorgsmaatregelen worden geëist voor looplampen, gereedschap of soortgelijke apparatuur voor gebruik in besloten of uitzonderlijk vochtige ruimten waar bepaalde risico's in verband met de geleidbaarheid kunnen optreden.
- c. Alle elektrische toestellen zijn zo geconstrueerd en geïnstalleerd dat zij geen letsel kunnen veroorzaken wanneer ze op de normale wijze worden behandeld of aangeraakt.
Hoofd- en noodschakelborden zijn zodanig geplaatst en ingericht, dat zij zonder gevaar voor het aanwezige personeel gemakkelijk toegang geven tot de apparatuur en verdere uitrusting. De zijkanten en de achterzijde en zo nodig de voorzijde zijn doelmatig beschermd. Aan de voorzijde van deze schakelborden zijn geen onbeschermde stroomvoerende delen aangebracht waarvan de spanning ten opzichte van aarde hoger is dan 50 V. Waar nodig moeten aan voor- en achterzijde matten of roosters van niet-elektrisch-geleidend materiaal aanwezig zijn.
- a. Het casco van een vaartuig met een lengte van 75 m of meer wordt niet gebruikt als terugleider voor kracht, verwarming of verlichting.
- b. Het bepaalde onder a is, onder door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurde omstandigheden, niet van toepassing op het gebruik van:
- 1°. kathodische beschermingen die werken met opgedrukte stroom,
- 2°. systemen van beperkte omvang die plaatselijk zijn geaard, of
- 3°. inrichtingen voor controle van de isolatieweerstand mits de stroom onder de meest ongunstige omstandigheid niet meer bedraagt dan 30 mA.
- c. Indien het casco als terugleider wordt gebruikt, zijn alle eindgroepen, zijnde alle stroomkringen achter de laatste beveiliging, dubbelpolig en zijn de verbindingen met het casco op toegankelijke plaatsen tot stand gebracht, zodanig dat zij gemakkelijk kunnen worden gecontroleerd en losgemaakt voor het verrichten van isolatiemetingen.
- a. Indien een niet-geaard primair of secundair verdeelsysteem wordt gebruikt voor kracht, verwarming of verlichting, is dit voorzien van een middel voor de voortdurende controle van de isolatieweerstand ten opzichte van aarde.
- b. Indien het verdeelsysteem in overeenstemming is met het bepaalde in het voorgaande lid en een voltage wordt toegepast dat hoger is dan 50 V gelijkspanning of 50 V wisselspanning tussen de geleiders, is dit voorzien van een middel voor de voortdurende controle van de isolatieweerstand ten opzichte van aarde, dat een hoorbare of zichtbare aanwijzing geeft in geval van een te lage isolatieweerstand.
- c. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan toestaan dat verdeelsystemen die worden gevoed met een voltage niet hoger dan 250 V gelijkstroom of 250 V wisselstroom tussen de geleiders en waarop een beperkt aantal verbruikers zijn aangesloten, overeenstemmen met het bepaalde onder a.
- a. Behalve daar waar het Hoofd van de Scheepvaartinspectie in bijzondere omstandigheden zulks anders toestaat, zijn alle metalen omhulsels en afschermingen van kabels elektrisch ononderbroken en geaard.
- b. Alle elektrische kabels zijn ten minste van het brandvertragende type en op zodanige wijze aangebracht dat de oorspronkelijke brandvertragende eigenschappen niet worden aangetast. Indien bijzondere omstandigheden dit noodzakelijk maken, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het gebruik toestaan van speciale kabeltypen, zoals hoogfrequent kabels, die niet voldoen aan het voorafgaande.
- c. Kabels of bedradingen ten behoeve van essentiële of noodkrachtinstallaties, verlichting en interne communicatie of signaalinrichtingen zijn, voorzover uitvoerbaar, op zodanige wijze aangelegd dat zij niet door kombuizen, ruimten voor machines van categorie A als bedoeld in artikel 5.2, veertiende lid, en andere ruimten met groot brandrisico en wasserijen, visverwerkingruimten en andere ruimten met een hoog vochtigheidsgehalte lopen. Verbindingskabels tussen brandbluspompen en het noodschakelbord, die door ruimten lopen met een groot brandrisico, zijn van het brandwerend type. Waar mogelijk zijn al deze kabels op zodanige wijze gelegd dat buiten bedrijf raken door opwarming van schotten, veroorzaakt door een brand in een aangrenzende ruimte, wordt voorkomen.
- d. Indien er kabels zijn aangebracht in ruimten waar brand of een explosie kan plaats vinden naar aanleiding van een elektrische fout in die ruimte, zijn er ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voorzorgsmaatregelen tegen deze gevaren genomen.
- e. Elektrische leidingen en bedrading zijn zodanig aangebracht, dat beschadiging door schavielen of anderszins wordt voorkomen.
- f. De aansluitingen en aftakkingen van elke leiding zijn zodanig uitgevoerd, dat de oorspronkelijke elektrische, mechanische, brandvertragende en waar nodig brandwerende eigenschappen van de leiding behouden blijven.
- g. Leidingen die in koelruimten zijn aangebracht zijn geschikt voor gebruik bij lage temperaturen en bij een hoge vochtigheidsgraad.
- a. Iedere afzonderlijke stroomkring is tegen kortsluiting beveiligd. Iedere afzonderlijke stroomkring is tevens tegen overbelasting beveiligd, uitgezonderd de stroomkringen, bedoeld in artikel 4.13.
- b. De waarde of afstelling van het overbelastingsrelais voor elke stroomkring is permanent aangegeven ter plaatse van het betreffende relais.
Verlichtingsarmaturen zijn zodanig uitgevoerd, dat geen temperatuurstijging kan ontstaan, die schade aan de kabels en bedrading kan veroorzaken of waardoor omringend materiaal uitzonderlijk warm kan worden.
Alle stroomkringen voor verlichting en krachtaansluitingen die uitkomen in een ruimte waar gevaar voor brand of explosie bestaat zijn voorzien van schakelaars buiten die ruimte.
- a. Behuizingen waar accumulatorenbatterijen zijn opgesteld zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geconstrueerd en geventileerd.
- b. Elektrisch en andere uitrusting die een ontstekingsbron kunnen vormen voor brandbare dampen zijn niet toegestaan, behalve als dit volgens het bepaalde in het tiende lid is toegestaan.
- c. Een accumulatorenbatterij mag niet in accommodatieruimten zijn opgesteld, tenzij hermetisch gesloten batterijen worden geïnstalleerd.
In alle ruimten waar brandbare gasmengsels zich kunnen verzamelen en in elke ruimte, voornamelijk bestemd voor een accumulatorenbatterij, zijn geen elektrische inrichtingen aangebracht, tenzij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van oordeel is dat deze:
- a. noodzakelijk zijn vanwege bedrijfstechnische redenen,
- b. van een soort zijn die het betreffende mengsel niet kan ontsteken,
- c. geschikt zijn voor de betreffende ruimte, en
- d. van een goedgekeurd, explosieveilig type zijn voor gebruik daar waar stof, dampen of gassen aanwezig kunnen zijn.
Op alle houten masten of topmasten zijn bliksemafleiders aangebracht. Op vaartuigen die van niet-geleidende materialen zijn vervaardigd, zijn de bliksemafleiders door middel van geschikte geleiders verbonden met een koperen plaat die ruimschoots onder de waterlijn van de romp van het vaartuig is bevestigd.
§ 4. Tijdelijk onbemande machinekamers
Artikel 4.19. Brandbeveiliging
Brandbeveiliging
Bijzondere aandacht wordt gegeven aan de afscherming van hogedruk brandstofleidingen. Waar praktisch uitvoerbaar worden lekkages van deze leidingsystemen in een doelmatige afvoertank opgevangen, die is voorzien van een hoogniveau-alarm.
Wanneer brandstofdagtanks automatisch of door middel van afstandsbediening worden gevuld, wordt een inrichting aangebracht teneinde overlopen te voorkomen. Dit voorschrift is eveneens van toepassing op andere inrichtingen voor de automatische behandeling van brandbare vloeistoffen, met inbegrip van brandstofcentrifuges, die zo mogelijk zijn geïnstalleerd in een speciale ruimte voor centrifuges en hun voorwarmers.
Wanneer brandstofdagtanks of bezinktanks zijn voorzien van een verwarmingsinrichting, is, indien het vlampunt van de brandstofolie kan worden overschreden, een hoogtemperatuuralarm aangebracht.
Branddetectie
Een goedgekeurde brandontdekkingsinstallatie, werkend volgens het principe van zelfbewaking, met inbegrip van een mogelijkheid voor het periodiek beproeven, is aangebracht in ruimten voor machines.
De ontdekkingsinstallatie alarmeert zowel hoorbaar als zichtbaar in het stuurhuis en wordt in voldoende en daartoe geschikte ruimten gehoord en waargenomen door aan boord aanwezige personen, wanneer het vaartuig is afgemeerd.
De brandontdekkingsinstallatie wordt bij het uitvallen van de hoofdkrachtbron automatisch gevoed door een noodkrachtbron.
Inwendige verbrandingsmotoren met een vermogen van 2500 kW of meer zijn voorzien van oliemistdetectie in de krukkast of van temperatuurmeting van de lagers of van een gelijkwaardige voorziening.
Brandbestrijding
Er is een vast aangebrachte brandblusinstallatie die ten genoegen is van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie en die voldoet aan het bepaalde in de artikelen 5.22 en 5.40.
Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, zijn voorzieningen getroffen voor een onmiddellijke waterlevering uit de hoofdbrandblusleiding, hetzij:
- a. door middel van afstandbediening van één van de hoofdbrandbluspompen vanuit het stuurhuis en vanuit het brandcontrolestation, indien dit aanwezig is, hetzij
- b. door middel van het voortdurend onder druk houden van de hoofdbrandblusleiding, met dien verstande dat in dat geval voorzieningen zijn getroffen teneinde beschadiging van de hoofdbrandblusleiding door bevriezing te voorkomen.
Het onderhoud van de brandwerendheid van de ruimten voor machines, van de plaats waar de bedieningsapparatuur van de brandblusinstallatie is samengebracht en van het veiligheidssysteem als bedoeld in artikel 4.24, met inbegrip van ventilatie en brandstofpompen, is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 5 kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie daartoe aanvullende brandblustoestellen, brandbestrijdingsmiddelen alsmede persluchttoestellen voorschrijven.
Artikel 4.20. Beveiliging tegen vervuld raken
Vullings in ruimten voor machines zijn voorzien van een hoogniveau-alarm waarvan de goede werking binnen de normale toestanden van stuur- en koplast is verzekerd. Deze bilge-alarminstallatie kan daar, waar voortdurend de wacht wordt gehouden, een hoorbaar en zichtbaar alarmsignaal in werking stellen.
De bedieningsplaats van elke afsluiter die deel uitmaakt van een zee-inlaat, een uitlaat beneden de waterlijn of een bilge-ejector, is zodanig gelegen dat er voldoende tijd is om deze afsluiters te bedienen in het geval dat water de ruimte binnenstroomt.
Artikel 4.21. Verbindingen
Aan boord van een vaartuig met een lengte van 75 m of meer is één van de twee afzonderlijke communicatiemiddelen, bedoeld in artikel 4.7, een doeltreffende spreekverbinding. Een aanvullende doeltreffende spreekverbinding is aangebracht tussen het stuurhuis en de verblijven van de werktuigkundigen.
Artikel 4.22. Alarminstallatie
Er is een alarminstallatie aangebracht die elke storing die verholpen dient te worden, aangeeft.
- a. De alarminstallatie geeft in de ruimte voor machines een hoorbaar alarmsignaal en geeft elke afzonderlijke alarmfunctie op een doelmatige plaats zichtbaar aan. Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat de installatie elke afzonderlijke alarmfunctie alleen in het stuurhuis hoorbaar en zichtbaar aangeeft.
- b. Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt, is de alarminstallatie verbonden met de hutten van de werktuigkundigen door middel van een keuzeschakelaar naar elke hut en met het dagverblijf van de werktuigkundigen, indien dit aanwezig is. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan andere voorzieningen toestaan die dezelfde veiligheid waarborgen.
- c. Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt, treedt een algemeen werktuigkundigenalarm en een alarm op de brug, bestemd voor de personen die de wacht houden, in werking indien op enige alarmfunctie geen acht is geslagen binnen een tijdsverloop dat ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is.
- d. Op de brug treden hoorbare en zichtbare alarmen in werking in elke situatie die handelend optreden van de verantwoordelijke wachtdoende persoon vereist, of die onder zijn aandacht moet worden gebracht.
- e. De alarminstallatie is, voorzover uitvoerbaar, ontworpen volgens een principe dat het optreden van fouten uitsluit.
De alarminstallatie:
- a. wordt ononderbroken gevoed met een voorziening voor het automatisch overschakelen op een noodvoeding ingeval de normale voeding wegvalt en
- b. alarmeert in het geval een storing in de normale voeding optreedt.
- a. De alarminstallatie kan tegelijkertijd meer dan één storing aangeven. Het accepteren van een alarm mag het doorkomen van een ander alarm niet verhinderen.
- b. Acceptatie van iedere alarmtoestand op de plaatsen, bedoeld in het tweede lid, wordt aangegeven op de plaatsen waar de alarmtoestand werd gemeld. Een alarmtoestand blijft gehandhaafd totdat deze is geaccepteerd, terwijl de zichtbare aanduidingen van afzonderlijke alarmen zichtbaar blijven totdat de storing verholpen is, waarna het alarmsysteem automatisch terugkeert in de normale bedrijfstoestand.
Artikel 4.23. Bijzondere voorschriften voor machine- en ketelinstallaties en elektrische installaties
Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, wordt de elektrische energievoorziening als volgt verzorgd:
- a. indien de energievoorziening in de regel kan worden verzorgd door één generator, zijn doelmatige voorzieningen voor het afschakelen van niet-belangrijke elektrische gebruikers getroffen, teneinde de energielevering ten dienste van de noodzakelijke werktuigen bestemd voor de voortstuwing en de besturing van het vaartuig te kunnen waarborgen. Er zijn passende voorzieningen aanwezig voor het automatisch starten en op het hoofdnet schakelen van een «stand-by» generator bij het uitvallen van de te werk staande generator, waarbij deze generator van voldoende capaciteit is om de voortstuwing en de besturing van het schip te kunnen verzekeren door automatisch starten van de hiervoor belangrijke werktuigen, waar nodig met behulp van een volgorde schakeling. Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kunnen voorzieningen worden aangebracht voor het op afstand starten en op het hoofdnet schakelen van de «stand-by» generator, alsmede voorzieningen voor het bij herhaling op afstand starten van belangrijke hulpwerktuigen, en
- b. indien de energievoorziening in de regel wordt verzorgd door meer dan één generatoraggregaat tegelijkertijd, zijn voorzieningen getroffen, met inbegrip van voorzieningen voor verdeling van de belasting, waardoor bij het uitvallen van één van de generatoraggregaten, de overblijvende aggregaten zonder overbelasting in bedrijf blijven om de voortstuwing en de besturing te kunnen waarborgen.
In geval «stand-by» hulpwerktuigen worden vereist voor andere, voor de voortstuwing noodzakelijke hulpwerktuigen, worden automatische omschakelinrichtingen toegepast. Een automatische omschakeling wordt door middel van een alarm aangegeven.
Automatisch regel- en alarmsystemen voldoen aan de volgende voorschriften:
- a. het regelsysteem is zodanig uitgevoerd dat de diensten die nodig zijn voor de werking van het hoofdvoortstuwingswerktuig en de hulpwerktuigen, door de noodzakelijke automatische voorzieningen zijn verzekerd,
- b. voorzieningen zijn getroffen om de aanzetluchtdruk op het vereiste niveau te houden wanneer verbrandingsmotoren voor de voortstuwing worden gebruikt,
- c. een alarmsysteem dat voldoet aan het bepaalde in artikel 4.22 is aangebracht voor alle belangrijke drukken, temperaturen, vloeistofniveaus en andere van belang zijnde parameters, en
- d. indien van toepassing is een centrale post ingericht met de noodzakelijke alarm- en instrumentenpanelen, welke elk alarm kunnen aangeven.
Artikel 4.24. Veiligheidssysteem
Een veiligheidssysteem is aangebracht teneinde te verzekeren dat een ernstige storing aan de te werk staande werktuigen of ketels, welke een direct gevaar oplevert, automatisch het desbetreffende gedeelte van de installatie zal uitschakelen, waarbij tevens een alarm wordt gegeven. Het stopzetten van de voortstuwingsinstallatie mag niet automatisch plaatsvinden, behalve in die gevallen welke tot ernstige schade, algeheel onklaar raken of explosie zouden kunnen leiden. Indien voorzieningen zijn aangebracht welke het stopzetten van het hoofdvoortstuwingswerktuig ongedaan kunnen maken, zijn deze voorzieningen zodanig uitgevoerd dat ongewild gebruik ervan niet mogelijk is. Wanneer zulk een voorziening is gebruikt, wordt dit zichtbaar aangegeven.
Hoofdstuk 5. Bescherming tegen, alsmede opsporen, blussen en bestrijden van brand
§ 1. Algemeen
Artikel 5.1. Algemeen
Een van de volgende methoden van bescherming tegen brand wordt toegepast in accommodaties en dienstruimten.
- a. Methode IF– het aanbrengen van scheidingsschotten van onbrandbare kwaliteit van klasse «B» of «C», in het algemeen zonder dat daarbij een brandontdekkingsinstallatie of een sprinklersysteem in de ruimten voor accommodatie en de dienstruimten is aangebracht, of:
- b. Methode IIF– het installeren van een automatische sprinkler- en brandalarminstallatie voor het ontdekken en blussen van brand in alle ruimten waarin brand kan ontstaan, in het algemeen zonder beperkingen ten aanzien van het type scheidingsschotten, of:
- c. Methode IIIF– het installeren van een automatische brandalarm- en -ontdekkingsinstallatie in alle ruimten waarin brand kan ontstaan, in het algemeen zonder beperkingen ten aanzien van het type scheidingsschotten, met dien verstande dat de oppervlakte van enige accommodatieruimte of -ruimten die door een schot van klasse «A» of «B» wordt begrensd, niet groter mag zijn dan 50 m2. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor ruimten voor algemeen gebruik een grotere oppervlakte toestaan.
De bepaling inzake de toepassing van onbrandbare materialen bij de constructie en isolatie van de scheidingsschotten van ruimten voor machines, controlestations en dergelijke, en de bescherming van trapomsluitingen en gangen is voor alle drie de methoden gelijk.
Artikel 5.2. Omschrijvingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
-
- onbrandbaar materiaal: een materiaal dat noch brandt, noch ontvlambare gassen in voldoende hoeveelheid afgeeft om bij verhitting tot ongeveer 750°C tot zelfontbranding over te gaan, hetgeen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moet worden aangetoond door middel van een door hem aanvaarde beproevingsmethode. Elk ander materiaal is brandbaar materiaal;
-
- een standaard brandproef: een proef waarbij gedeelten van de betrokken schotten of dekken in een proefoven blootgesteld worden aan temperaturen die ongeveer overeenkomen met de standaard tijdtemperatuurkromme. De gedeelten van de betrokken schotten of dekken moeten een blootgestelde oppervlakte hebben van ten minste 4,65 m2 en een hoogte (of lengte van het dek) van 2,44 m; zij moeten zo nauwkeurig mogelijk overeenkomen met de voorgenomen constructie en waar nodig ten minste één naad bevatten. Met de standaard tijdtemperatuurkromme wordt bedoeld een gelijkmatig verlopende kromme door de volgende punten gemeten boven de aanvankelijke temperatuur in de oven: oorspronkelijke binnentemperatuur van de oven 20°C na 5 minuten 576°C na 10 minuten 679°C na 15 minuten 738°C na 30 minuten 841°C na 60 minuten 945°C
-
- schotten van klasse «A»: schotten en dekken die aan de volgende eisen voldoen: Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan beproeving eisen van een prototype van een schot of een dek teneinde zekerheid te verkrijgen dat dit voldoet aan bovengenoemde eisen omtrent stijfheid, doorlaten van rook en vlammen en temperatuurstijging;
- a. zij moeten geconstrueerd zijn van staal of van ander gelijkwaardig materiaal,
- b. zij moeten voldoende verstijfd zijn,
- c. zij moeten tot aan het einde van de standaard brandproef van één uur de doortocht van rook en vlammen kunnen verhinderen, en
- d. zij moeten zodanig geïsoleerd zijn met goedgekeurde onbrandbare materialen dat de gemiddelde temperatuur aan de niet blootgestelde zijde niet meer dan 139°C boven de begintemperatuur stijgt, noch de temperatuur op enig punt, de naden inbegrepen, meer dan 180°C boven de begintemperatuur stijgt binnen de onderstaand aangegeven tijd: Klasse «A-60» 60 minuten Klasse «A-30» 30 minuten Klasse «A-15» 15 minuten Klasse «A-0» 0 minuten
-
- schotten van klasse «B»: schotten, dekken, plafonds of beschietingen die aan de volgende eisen voldoen: Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan de beproeving eisen van een prototype van een schot van klasse «B», teneinde zekerheid te verkrijgen dat dit voldoet aan bovengenoemde eisen omtrent het doorlaten van vlammen en de temperatuurstijging;
- a. zij moeten tot aan het einde van het eerste half uur van de standaard brandproef de doortocht van vlammen kunnen verhinderen;
- b. zij moeten een zodanig isolerend vermogen hebben dat de gemiddelde temperatuur aan de niet blootgestelde zijde niet meer dan 139°C boven de begintemperatuur stijgt, noch de temperatuur op enig punt, de naden inbegrepen, meer dan 225°C boven de begintemperatuur stijgt binnen de onderstaand aangegeven tijd: Klasse «B-15» 15 minuten Klasse «B-0» 0 minuten
- c. zij moeten zijn opgebouwd uit goedgekeurde, onbrandbare materialen waarbij alle materialen die gebruikt worden voor schotten van klasse «B» en voor het aanbrengen daarvan, onbrandbaar dienen te zijn, behoudens dat brandbare fineerlagen kunnen worden toegestaan onder voorwaarde dat die voldoen aan de daarop van toepassing zijnde voorschriften van dit hoofdstuk.
-
- schotten van klasse «C»: schotten en dekken welke zijn opgebouwd uit goedgekeurde onbrandbare materialen. Zij behoeven niet te voldoen aan eisen betreffende het doorlaten van rook en vlammen of de beperking van de temperatuurstijging. Brandbare fineerlagen kunnen worden toegestaan onder voorwaarde dat die voldoen aan de daarop van toepassing zijnde voorschriften van dit hoofdstuk;
-
- schotten van klasse «F»: schotten, dekken, plafonds of beschietingen die aan de volgende eisen voldoen:
- a. tot aan het einde van het eerste half uur van de standaard brandproef de doortocht van vlammen kunnen verhinderen, en
- b. een zodanig isolerend vermogen hebben dat de gemiddelde temperatuur aan de niet blootgestelde zijde tot aan het einde van het eerste half uur van de standaard brandproef niet meer dan 139°C boven de begintemperatuur stijgt, noch de temperatuur op enig punt, de naden inbegrepen, meer dan 225°C boven de begintemperatuur stijgt. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een beproeving eisen van een prototype van een schot van klasse «F», teneinde zekerheid te verkrijgen dat dit voldoet aan bovengenoemde eisen omtrent stijfheid, doorlaten van rook en vlammen en temperatuurstijging;
-
- doorlopende plafonds of beschietingen van klasse« B»: plafonds of beschietingen van klasse «B» die slechts eindigen bij een schot van klasse «A» of «B»;
-
- staal of ander gelijkwaardig materiaal: staal, of elk ander materiaal dat zelf of door middel van isolatiemateriaal een brandwerendheid heeft die gelijkwaardig is aan die van staal tot aan het einde van de van toepassing zijnde standaard brandproef (bijvoorbeeld een aluminiumlegering, voorzien van een doeltreffende isolatie);
-
- laag vlamverspreidend vermogen: de eigenschap die aangeeft dat het aldus aangeduide oppervlak de vlamuitbreiding op voldoende wijze kan beperken en die ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond door middel van de FTP-Code;
-
- accommodatieruimten: ruimten voor algemeen gebruik, gangen, toiletten, hutten, kantoren, ziekenverblijven, bioscopen, ontspanningsruimten, afzonderlijke pantry's zonder voorzieningen om te koken en soortgelijke ruimten;
-
- ruimten voor algemeen gebruik: die delen van de ruimten voor accommodatie die in gebruik zijn als portalen, eetzalen, salons, en soortgelijke permanent ingesloten ruimten;
-
- dienstruimten: ruimten die gebruikt worden voor kombuizen, pantry's met voorzieningen om te koken, kasten en voorraadkamers, werkplaatsen die geen deel uitmaken van de ruimten voor machines, en soortgelijke ruimten, alsmede de bijbehorende schachten;
-
- controlestations: ruimten waarin de radio-installatie van het vaartuig, de voornaamste navigatiemiddelen of de elektrische noodkrachtbron zijn ondergebracht of die waarin de uitrusting voor de brandmelding of de brandcontrole is samengebracht;
-
- ruimten voor machines van categorie A: alle ruimten waarin zijn ondergebracht:
- a. verbrandingsmotoren of gasturbines, die worden gebruikt als hoofdvoortstuwingswerktuig;
- b. verbrandingsmotoren of gasturbines, andere dan die worden gebruikt als hoofdvoortstuwingswerktuig indien zodanige werktuigen een gezamenlijk vermogen hebben van niet minder dan 375 kW, of
- c. met olie gestookte ketels of oliestookinrichtingen;
-
- ruimten voor machines: alle ruimten voor machines van categorie A en alle andere ruimten waarin voortstuwingswerktuigen, ketels, oliestookinrichtingen, stoommachines, verbrandingsmotoren en gasturbines, generatoren, stuurinrichtingen, belangrijke elektrische werktuigen, olielaadstations, koelmachine-installaties, stabilisatie-inrichtingen, luchtverversings- en luchtbehandelinginstallaties zijn ondergebracht en soortgelijke ruimten, alsmede de bijbehorende schachten.
§ 1. Algemeen
Artikel 5.3. Constructie
De romp, de bovenbouw, structurele schotten, dekken en dekhuizen zijn van staal of ander, gelijkwaardig materiaal vervaardigd, tenzij anders is aangegeven in het vierde lid.
De isolatie van onderdelen van schotten van klasse «A» of« B», die van aluminiumlegering zijn vervaardigd, met uitzondering van die welke naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie niet lastdragend zijn, is zodanig dat de temperatuur van de metalen kern van de constructie gedurende de van toepassing zijnde brandproef te eniger tijd niet meer dan 200°C boven de temperatuur van de omgeving stijgt.
Bijzondere aandacht wordt geschonken aan de isolatie van onderdelen van stutten, stijlen en andere delen van de constructie die van aluminiumlegering zijn vervaardigd en die nodig zijn ter ondersteuning van de plaatsen voor de opstelling en het te water brengen van en de inscheping in de groepsreddingsmiddelen, en van schotten van klasse «A» en «B», teneinde zeker te stellen:
- a. dat voor dergelijke constructiedelen die de plaatsen met de groepsreddingsmiddelen en schotten van klasse «A» steunen, de grens voor de temperatuurstijging, genoemd in het tweede lid, aan het einde van een uur zal gelden, en
- b. dat voor dergelijke constructiedelen die schotten van klasse «B» ondersteunen, de grens voor de temperatuurstijging, genoemd in tweede lid, aan het einde van een half uur zal gelden.
Kappen en schachten van ruimten voor machines van categorie A zijn van staal en zijn naar behoren geïsoleerd, terwijl de eventuele openingen daarin doelmatig zijn aangebracht en zijn voorzien van middelen om uitbreiding van brand tegen te gaan.
Artikel 5.4. Schotten binnen ruimten voor accommodatie en dienstruimten
Binnen ruimten voor accommodatie en dienstruimten zijn alle schotten van klasse «B» opgetrokken van dek tot dek en strekken zij zich uit tot de huid of tot andere begrenzingswanden, tenzij aan beide zijden van de schotten doorlopende plafonds of beschietingen van klasse «B» of beide zijn aangebracht, in welk geval het schot mag eindigen bij het doorlopende plafond of de doorlopende beschieting.
Methode IF: alle schotten die niet ingevolge het bepaalde in dit artikel of andere artikelen van deze paragraaf van klasse« A» of «B» zijn, zijn ten minste schotten van klasse« C».
Methode IIF: de constructie van schotten die niet ingevolge het bepaalde in dit artikel of andere artikelen van deze paragraaf van klasse «A» of «B» zijn, is niet aan beperking onderworpen, behoudens in die gevallen waarin schotten van klasse «C» zijn vereist overeenkomstig tabel 1 in artikel 5.7.
Methode IIIF: de constructie van schotten die niet ingevolge het bepaalde in dit artikel of andere artikelen van deze paragraaf van klasse «A» of «B» zijn, is niet aan beperkingen onderworpen. De oppervlakte van enige ruimte of ruimten voor accommodatie die door een doorlopend schot van klasse «A» of «B» worden begrensd, bedraagt in geen geval meer dan 50 m2, behoudens in die gevallen waarin schotten van klasse «C» zijn vereist overeenkomstig tabel 1 in artikel 5.7. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor ruimten voor algemeen gebruik echter een grotere oppervlakte toestaan.
Artikel 5.5. Bescherming van trappen en liftschachten in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations
Trappen die niet meer dan twee dekken bedienen zijn ten minste op een niveau beschermd door schotten van klasse «B 0» en zelfsluitende deuren. Liften die niet meer dan twee dekken bedienen, zijn omsloten door schotten van klasse «A 0», die op beide niveaus zijn voorzien van stalen deuren. Trappen en liftschachten die meer dan twee dekken bedienen, zijn ten minste omsloten door schotten van klasse «A 0» en zijn beschermd door zelfsluitende deuren op alle niveaus.
Het constructieve deel van alle trappen is van staal, behalve wanneer het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het gebruik van ander, gelijkwaardig materiaal toestaat.
Artikel 5.6. Deuren in brandwerende schotten
Deuren hebben een brandwerend vermogen dat, voor zover als praktisch mogelijk is, gelijkwaardig is aan dat van het schot waarin zij zijn aangebracht. Deuren en deurkozijnen in schotten van klasse «A» zijn van staal. Deuren in schotten van klasse «B» zijn van onbrandbaar materiaal. Deuren aangebracht in begrenzingsschotten van ruimten voor machines van categorie A, zijn zelfsluitend en redelijk gasdicht. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan het gebruik van brandbare materialen toestaan in deuren die hutten scheiden van de eigen bijbehorende sanitaire ruimten, zoals douchecellen, indien methode IF is toegepast.
Deuren die zelfsluitend moeten zijn, zijn niet voorzien van vastzethaken. Vastzetinrichtingen mogen evenwel worden toegepast indien deze zijn voorzien van op afstand bediende ontkoppelingsinrichtingen van een type dat de deur doet sluiten indien het systeem in het ongerede geraakt.
Ventilatieopeningen mogen zijn aangebracht in en onder deuren in schotten van gangen, met dien verstande dat dergelijke openingen niet mogen zijn aangebracht in en onder deuren van trapomsluitingen. De openingen in deuren zijn uitsluitend in de onderste helft van een deur aangebracht. Indien een dergelijke opening zich bevindt in of onder een deur, bedraagt de totale oppervlakte van deze opening of openingen niet meer dan 0,05 m2. Indien een dergelijke opening in een deur is aangebracht, is deze voorzien van een rooster van onbrandbaar materiaal.
Waterdichte deuren behoeven niet geïsoleerd te zijn.
Artikel 5.7. Brandwerendheid van schotten en dekken
Behalve aan de specifieke bepalingen voor brandwerendheid van schotten en dekken die elders in deze paragraaf worden voorgeschreven, voldoet de brandwerendheid van schotten en dekken ten minste aan de eisen zoals voorgeschreven in de onderstaande tabellen 1 en 2.
Bij het gebruik van de tabellen gelden de volgende bepalingen:
- a. de tabellen 1 en 2 zijn van toepassing op onderscheidenlijk schotten en dekken die aan elkaar grenzende ruimten scheiden, en
- b. ter bepaling van de passende normen voor de brandwerendheid die moeten worden aangelegd voor schotten en dekken tussen aan elkaar grenzende ruimten, zijn deze ruimten als volgt ingedeeld op grond van hun brandrisico:
- 1°. Controlestations (1):
- –. ruimten waarin de noodkrachtbronnen en de voorzieningen voor de noodverlichting zijn ondergebracht;
- –. stuurhuis en kaartenkamer;
- –. ruimten waarin de radio-installatie van het vaartuig is ondergebracht;
- –. ruimten ten behoeve van brandblussing, stations voor brandcontrole en brandmelding;
- –. controleruimte voor de voortstuwingsinstallatie, indien deze is gelegen buiten de ruimten voor machines;
- –. ruimten waarin de brandalarmeringsapparatuur bijeen is gebracht.
- 2°. Gangen (2):
- –. gangen en portalen.
- 3°. Ruimten voor accommodatie (3):
- –. ruimten als bedoeld in artikel 5.2, de onderdelen 10 en 11, met uitzondering van gangen.
- 4°. Trappen (4):
- –. binnentrappen, liften en roltrappen, die niet geheel binnen de ruimten voor machines liggen, alsmede de bijbehorende ingesloten ruimten. In dit verband wordt een trap die slechts op één niveau is ingesloten beschouwd als een deel van de ruimte waarin hij niet door een brandwerende deur is gescheiden.
- 5°. Dienstruimten die in geringe mate brandgevaarlijk zijn (5):
- –. bergkasten en bergplaatsen die een oppervlakte hebben van minder dan 2 m2, droogkamers en wasserijen.
- 6°. Ruimten voor machines van categorie A (6):
- –. ruimten als bedoeld in artikel 5.2, onderdeel 14.
- 7°. Andere ruimten voor machines (7):
- –. ruimten als bedoeld in artikel 5.2, onderdeel 15, alsmede ruimten waar vis tot vismeel wordt verwerkt, doch met uitzondering van ruimten voor machines van categorie A.
- 8°. Laadruimten (8):
- –. alle ruimten die gebruikt worden voor lading, met inbegrip van ladingolietanks, alsmede schachten en luikhoofden van zodanige ruimten.
- 9°. Dienstruimten die in hoge mate brandgevaarlijk zijn (9):
- –. kombuizen, pantry's die voorzien zijn van kooktoestellen, verfhutten, lampenhutten, bergkasten en bergplaatsen die een oppervlakte hebben van 2 m2 of meer, alsmede werkplaatsen die geen deel uitmaken van de ruimten voor machines.
- 10°. Open dekken (10):
- –. open dekruimten en gesloten wandelgangen, ruimten waar vis in rauwe staat wordt verwerkt, ruimten waar vis wordt schoongespoeld en soortgelijke ruimten die niet brandgevaarlijk zijn;
- –. luchtruimten buiten de bovenbouwen en dekhuizen.
De titel van elke categorie moet meer als omschrijving dan als beperking worden beschouwd. Het tussen haakjes geplaatste nummer achter elke categorie verwijst naar de desbetreffende kolom of rij in de tabellen.
Tabel 1 – Brandwerendheid van schotten die aan elkaar grenzende ruimten scheiden
| Ruimten | (1) | (2) | (3) | (4) | (5) | (6) | (7) | (8) | (9) | (10) | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Controlestations | (1) | A-0e | A-0 | A-60 | A-0 | A-15 | A-60 | A-15 | A-60 | A-60 | ∗ |
| Gangen | (2) | C | B-0 | B-0A-0c | B-0 | A-60 | A-0 | A-0 | A-0 | ∗ | |
| Ruimten voor accommodatie | (3) | Ca,b | B-0 A-0c | B-0 | A-60 | A-0 | A-0 | A-0 | ∗ | ||
| Trappen | (4) | B-0A-0c | B-0A-0c | A-60 | A-0 | A-0 | A-0 | ∗ | |||
| Dienstruimten die in geringe mate brandgevaarlijk zijn | (5) | C | A-60 | A-0 | A-0 | A-0 | ∗ | ||||
| Ruimten voor machines van categorie A | (6) | ∗ | A-0 | A-0 | A-60 | ∗ | |||||
| Andere ruimten voor machines | (7) | A-0d | A-0 | A-0 | ∗ | ||||||
| Laadruimten | (8) | ∗ | A-0 | ∗ | |||||||
| Dienstruimten die in hoge mate brandgevaarlijk zijn | (9) | A-0d | ∗ | ||||||||
| Open dekken | (10) | - |
Noten: (zie tabel 2)
Tabel 2 – Brandwerendheid van dekken die aan elkaar grenzende ruimten scheiden
| Ruimte onder | Ruimte boven | (1) | (2) | (3) | (4) | (5) | (6) | (7) | (8) | (9) | (10) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Controle stations | (1) | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 | A-60 | A-0 | A-0 | A-0 | ∗ |
| Gangen | (2) | A-0 | ∗ | ∗ | A-0 | ∗ | A-60 | A-0 | A-0 | A-0 | ∗ |
| Ruimten voor accommodatie | (3) | A-60 | A-0 | ∗ | A-0 | ∗ | A-60 | A-0 | A-0 | A-0 | ∗ |
| Trappen | (4) | A-0 | A-0 | A-0 | ∗ | A-0 | A-60 | A-0 | A-0 | A-0 | ∗ |
| Dienstruimten die in geringe mate brandgevaarlijk zijn | (5) | A-15 | A-0 | A-0 | A-0 | ∗ | A-60 | A-0 | A-0 | A-0 | ∗ |
| Ruimten voor machines van categorie A | (6) | A-60 | A-60 | A-60 | A-60 | A-60 | ∗ | A-60 | A-30 | A-60 | ∗ |
| Andere ruimten voor machines | (7) | A-15 | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 | ∗ | A-0 | A-0 | ∗ |
| Laadruimten | (8) | A-60 | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 | ∗ | A-0 | ∗ |
| Dienstruimten die in hoge mate brandgevaarlijk zijn | (9) | A-60 | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 | A-0 | A-0d | ∗ |
| Open dekken | (10) | ∗ | ∗ | ∗ | ∗ | ∗ | ∗ | ∗ | ∗ | ∗ | - |
Noten: Onderstaande noten gelden, voorzover van toepassing, voor zowel tabel 1 als tabel 2.
Bij de brandbescherming volgens methode IIF en IIIF worden geen bijzondere eisen aan deze schotten gesteld.
Bij de toepassing van methode IIIF moeten schotten van klasse «B-0» zijn aangebracht tussen ruimten of groepen van ruimten met een oppervlakte van 50 m2 of meer.
Ter verduidelijking van hetgeen van toepassing is, zie de artikelen 5.4 en 5.5.
Indien ruimten onder dezelfde nummercategorie vallen en de letter d staat vermeld, wordt een schot of dek met een brandwerendheid zoals aangegeven in de tabellen, alleen geëist indien de aan elkaar grenzende ruimten voor verschillende doeleinden dienen, zoals bijvoorbeeld in categorie (9). Indien twee kombuizen aan elkaar grenzen, worden aan het schot geen eisen gesteld, doch indien een kombuis aan een verfhut grenst, is een schot van klasse «A-0» vereist.
Schotten die het stuurhuis, de kaartenkamer en de radiohut van elkaar scheiden, mogen schotten van klasse «B-0» zijn.
Brandisolatie hoeft niet te worden aangebracht indien de ruimte voor machines in categorie (7), naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, niet of in geringe mate brandgevaarlijk is.
∗ Wanneer een sterretje in de tabellen staat vermeld, moet het scheidingsschot of -dek van staal of ander gelijkwaardig materiaal zijn, doch het behoeft niet van klasse «A» te zijn.
Doorlopende plafonds of beschietingen van klasse «B» kunnen, tezamen met de desbetreffende dekken of schotten, worden aanvaard als een volledige of gedeeltelijke bijdrage tot de vereiste isolatie en brandwerendheid van een afscheiding.
Voor ruimten voor machines gelden ten aanzien van ramen en schijnlichten de volgende voorschriften:
- a. schijnlichten die kunnen worden geopend, kunnen van buiten de ruimte waarop zij zijn aangebracht worden gesloten. Schijnlichten waarin ramen zijn aangebracht zijn aan de buitenzijde voorzien van blinden van staal of ander gelijkwaardig materiaal en zijn vast aan het schijnlicht verbonden,
- b. glas of soortgelijk materiaal mag niet in begrenzingsschotten van ruimten voor machines zijn aangebracht. Dit sluit het gebruik van draadglas in schijnlichten en glas in controlekamers die geheel in ruimten voor machines zijn gelegen niet uit, en
- c. schijnlichten als bedoeld onder a zijn voorzien van draadglas.
In de buitenste begrenzingswanden die ingevolge het bepaalde in artikel 5.3, eerste lid, van staal of ander gelijkwaardig materiaal zijn, mogen ramen en patrijspoorten zijn aangebracht, mits niet elders in deze paragraaf is voorgeschreven dat zodanige begrenzingswanden een brandwerendheid van klasse« A» hebben. Evenzo mogen deuren in dergelijke begrenzingswanden die geen brandwerendheid van klasse «A» behoeven te hebben, zijn vervaardigd van materialen die ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.
Artikel 5.8. Constructiedetails
Methode IF
In ruimten voor accommodatie, in dienstruimten en in controlestations zijn alle beschietingen, afstoppingen, plafonds en het bijbehorende grondhout van onbrandbaar materiaal.
Methoden IIF en IIIF
In de gangen en in ingesloten ruimten voor trappen die toegang geven tot ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations, zijn plafonds, beschietingen, afstoppingen en het bijbehorende grondhout van onbrandbaar materiaal.
Methoden IF, IIF en IIIF
- a. Tenzij toegepast in laadruimten of koel- en vrieskamers in dienstruimten, zijn de isolatiematerialen onbrandbaar met dien verstande dat dampwerende lagen, kleefstoffen gebruikt bij isolatie, alsmede de isolatie van pijpleidingen van koudwatersystemen niet van onbrandbaar materiaal behoeven te zijn, doch zij worden tot het praktisch mogelijke minimum beperkt en het vlamverspreidend vermogen van de blootgestelde oppervlakken ervan is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. In ruimten waarin olieproducten aanwezig kunnen zijn, is het oppervlak van de isolatie ondoordringbaar voor olie en oliedampen.
- b. Indien onbrandbare schotten, beschietingen en plafonds zijn aangebracht in ruimten voor accommodatie en dienstruimten, mogen deze binnen deze ruimten zijn voorzien van een brandbare fineerlaag mits deze niet dikker is dan 2 mm, behalve in gangen, ingesloten ruimten voor trappen en controlestations, alwaar deze laag niet dikker mag zijn dan 1,5 mm.
- c. Luchtruimten, ingesloten achter wanden en beschietingen en tussen plafonds en dekken, zijn op passende wijze onderverdeeld door afstoppingen die de trek tegengaan en die niet verder dan 14 m uiteen liggen. In verticale richting zijn dergelijke ruimten, met inbegrip van die achter beschietingen van trappenhuizen, schachten en andere ruimten, op elk dek afgestopt.
Artikel 5.9. Ventilatiesystemen
- a. Ventilatiekanalen zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal. Korte stukken van kanalen die over het algemeen niet langer zijn dan 2 m en waarvan de oppervlakte van de dwarsdoorsnede niet meer dan 0,02 m2 bedraagt, behoeven niet onbrandbaar te zijn, mits aan onderstaande voorwaarden is voldaan:
- 1°. de kanalen zijn vervaardigd van een materiaal dat slechts in beperkte mate brandgevaarlijk is, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie,
- 2°. zij mogen alleen worden gebruikt aan het eind van het ventilatiesysteem, en
- 3°. zij mogen zich, langs het kanaal gemeten, niet op minder dan 600 mm vanaf een doorvoering door een schot van klasse «A» of «B», doorlopende plafonds van klasse «B» daaronder begrepen, bevinden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)