Vaststellingsbesluit selectielijst beleidsterrein Belastingheffing over de periode 1945-2001: neerslag handelingen Minister van Verkeer en Waterstaat

Type Archiefselectielijst
Publication 2005-06-02
State In force
Source BWB
artikelen 2
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 november 2004, nr. arc-2004.01583/3);

Besluiten:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Belastingheffing over de periode 1945–2001’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

BSD 19 belastingver(h)effend

Zorgdrager: Ministerie van Financiën

April 2005

1. Lijst gebruikte afkortingen

In het voorliggende rapport is ook een aantal afkortingen gebruikt. De belangrijkste zijn:

art.: artikel

AFP: directie/afdeling Algemene Fiscale Politiek

AFZ: directie Algemene Fiscale Zaken

AWR: Algemene Wet inzake Rijksbelastingen

b.w.: buiten werking

DB: directie/afdeling Directe Belastingen

DGFZ: Directoraat-generaal Fiscale Zaken

IFZ: directie/afdeling Internationale Fiscale Zaken

iwtr.: inwerkingtreding

Stb: Staatsblad

Stcrt.: Staatscourant

Trb.: Traktatenblad

Vb.: Verordeningenblad

WDB: directie/afdeling Wetgeving Directe Belastingen

2. Verantwoording

Het PIVOT-institutioneel onderzoeksrapport ‘Belastingver(h)effend’ is in de periode 2001–2003 bijgewerkt door A. Piersma van DisConsult te Zoetermeer in samenwerking van A.J.C.H. van Eeden van het Ministerie van Financiën. Het rapport van 1993 van P. Lamboo is hiermee vervangen. Dit basisselectiedocument (BSD) bevat de uitkomsten, met overwegingen, van het selectieproces en is in overeenstemming met het RIO van 2001 aangepast.

Dit basisselectiedocument bestaat behalve uit een inleiding en toelichting ook uit selectielijsten zoals bedoeld in artikel 2 van het archiefbesluit 1995. Ter vaststelling van de selectielijsten zal uitvoering gegeven worden aan artikel 5 van de archiefwet 1995.

De actualisatie van dit basisselectiedocument is uitgevoerd door DisConsult, Zoetermeer (A. Piersma en R. Wetting) en heeft plaatsgevonden in 2001/2003. Dit was een onderdeel van het bijwerken van de RIO’s/BSD’s 37, 38, 19 en 65 in opdracht van het ministerie van Financiën (Belastingdienst). De opzet van alle vier de BSD’s (en RIO’s) is zoveel als mogelijk in elkaars overeenstemming gebracht conform de meer gebruikelijke opzet van een BSD. Het een en ander is tot stand gekomen in nauw overleg met de heer P.C.A. Lamboo van het ministerie van Financiën, mw. drs. P.H. van Santen en mw. drs. A.L. Weyers van de Belastingdienst.

Tevens is de geactualiseerde versie inhoudelijk besproken met mr. J. Nieuwendijk, juridisch medewerker van het team Juridische Zaken van het Directoraat-generaal Belastingdienst, mw. J.W. van den Berg-Koelewijn, Coördinator Sectie Beleidsondersteuning DGFZ, drs. P.A. Bouwhuis, beleidsmedewerker van de afdeling Beleid van de directie Algemene Fiscale Politiek, drs. J.Chr. Donkhorst van Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling en A.J. van Lohuizen van Belastingdienst/Centrum voor Automatisering, Staf Rechtstoepassing.

Het voorgaande BSD 19 (selectielijst neerslag handelingen van de Minister van Financiën op het beleidsterrein algemene wet- en regelgeving inzake het heffen en invorderen van belastingen 1940–1993: Stcrt. 1995, 199 (13-10-1995)) van P.C.A. Lamboo wordt hiermee vervangen.

Naast de cosmetische aanpassingen die uitgevoerd moesten worden, hebben de volgende inhoudelijke wijzigingen plaatsgevonden:

De wijzigingen in het BSD zijn in overeenstemming met het RIO aangepast. Hst. 3.1 en 3.2 zijn volledig aangepast i.v.m. de actuele waarderingcriteria. Dit heeft overigens geen afbreuk gedaan aan de te bewaren/vernietigen handelingen, alleen de selectiecriteria zijn gewijzigd. De waardering van de handelingen die als neerslag individuele beschikkingen hebben is in verband met de wijziging in de belastingwetgeving gezet op ‘V, 7 jaar na afhandeling’. Dit geldt tevens voor de handelingen met de actor Belastingdienst. Dit is in lijn met het advies van de Raad voor Cultuur.

Het BSD gaat over de periode 1945–⁠2001. De neerslag uit de periode 1940–⁠1945, de Tweede Wereldoorlog, is buiten het BSD gelaten. Dit conform de opzet die tegenwoordig voor alle BSD’s wordt toegepast. De handelingen die exclusief slaan op de periode 1940–⁠1945 zijn vervallen. De handelingen die in het BSD beginnen in 1940 zijn aangepast. Dergelijke handelingen beginnen nu in 1945. Dit heeft tot gevolg dat de volgende actoren vervallen:

De handelingen 5, 6, 33, 34, 35, 36, 37, 138 en 139 zijn mede hierdoor vervallen.

De actoren ministers van Binnenlandse Zaken, LNV, SZW en Verkeer en Waterstaat zijn aan het RIO en BSD toegevoegd. De actoren Raden van beroep der directe belastingen, Gerechtshoven, Arrondissementsrechtbanken, Tariefcommissie en Officier van Justitie zijn niet in het BSD opgenomen, omdat de Minister van Justitie, waaronder zij ressorteren, te kennen heeft gegeven niet te willen meeliften in de vaststelling van dit BSD. Hierdoor zijn de handelingen 10, 15, 49, 50, 53, 74, 76, 77 en 144 uit het BSD verwijderd.

Er zijn 22 nieuwe handelingen, 12 verwijderd en in totaal 43 handelingen gewijzigd (waarvan 24 handelingen zijn afgesloten).

De nog geldende handelingen zijn: 1–4, 54–57, 59–96, 98, 99, 101, 102, 104–⁠111, 117–125, 127–130, 132, 134, 135, 149–154, 156, 157, 162, 163, 166–⁠212, 214–217.

Overzicht nieuwe en gewijzigde handelingen:

Nieuwe handeling (203): Hst. 7.1.1.1

Nieuwe handeling (204): Hst. 7.1.1.3

Nieuwe handeling (205): Hst. 7.1.1.3

Nieuwe handeling (206): Hst. 7.1.1.5

Nieuwe handeling (207): Hst. 7.1.1.5

Nieuwe handeling (208): Hst. 7.1.1.6

Nieuwe handeling (209): Hst. 7.1.1.6

Nieuwe handeling (210): Hst. 7.1.1.6

Nieuwe handeling (211): Hst. 7.1.1.6

Nieuwe handeling (212): Hst. 7.1.1.7

Handeling 20: Handeling afgesloten; periode wordt 1945–1951

Handeling 21: Handeling afgesloten; periode wordt 1945–1967

Handeling 23 t/m 32: Handeling afgesloten; periode wordt 1945–1964

Handeling 54: Van 9 naar 17 actoren, grondslagen (+ aanpassing diverse artikelen) en subhandelingen

Handeling 55: Wijziging ad. 2; artikel

Handeling 56: Wijziging artikel

Nieuwe handeling (193): Hst. 7.2.1.1 na H (56)

Handeling 57: Van 8 naar 9 subhandeling, grondslagen (+ aanpassing diverse artikelen)

Handeling 58: Handeling afgesloten; periode wordt 1959–2000

Handeling 59: Wijziging artikel

Handeling 61: Wijziging artikel

Handeling 67: Wijziging grondslag: toevoeging artikel

Handeling 73: Wijziging grondslag

Nieuwe handeling (194): Hst. 7.2.1.1 na H (73)

Nieuwe handeling (195): Hst. 9.1.1.1 na H (54)

Handeling 74: Wijziging grondslag

Handeling 75: Wijziging grondslag

Handeling 76: Wijziging grondslag

Nieuwe handeling (196): Hst. 7.2.1.1 na H (194)

Nieuwe handeling (197): Hst. 7.2.1.1 na H (86)

Handeling 97: verwijderd Is geen handeling volgens grondslag

Handeling 100: verwijderd Is een activiteit van H (99)

Handeling 102: Wijziging grondslag

Handeling 103: verwijderd Is geen handeling volgens grondslag

Handeling 105: Wijziging grondslag

Handeling 109: Wijziging grondslag

Handeling 123: Wijziging grondslag

Nieuwe handeling (198): Hst. 24.1.1.1.1 na H (167)

Handeling 124: Wijziging grondslag

Handeling 125: Wijziging bron, handeling

Handeling 126: Wijziging periode: handeling afgesloten

Nieuwe handeling (199): Hst. 7.2.1.2.1 na H (126); zie ook bestaande handeling (61)

Handeling 127: Wijziging grondslag, handeling

Nieuwe handeling (214): Na H (133)

Nieuwe handeling (215): Na H (150)

Nieuwe handeling (216): Na H (150)

Handelingen 136 en 137: Wijziging periode: handelingen afgesloten

Handelingen 140 t/m 144: Wijziging periode: handelingen afgesloten

Handelingen 147 en 148: Wijziging periode: handelingen afgesloten

Nieuwe handeling (202): Hst. 7.3.1.3.2 na H (148)

Handeling 152: Wijziging grondslag, periode

Handeling 155: Wijziging periode: handeling afgesloten

Nieuwe handeling (217): Na H (156)

Een basisselectiedocument (BSD) is de vorm waarin een selectielijst, als bedoeld in artikel 5 van de Archiefwet 1995 (Stb. 277), wordt vastgesteld. De selectielijst biedt de grondslag voor het vernietigen dan wel voor blijvende bewaring overbrengen van de neerslag van handelingen van een zorgdrager en de onder hem ressorterende actoren.

Dit BSD is gebaseerd op het Rapport Institutioneel Onderzoek ‘Belastingver(h)effend’ (RIO) en bestrijkt de periode 1945–2001. Dit BSD bevat dezelfde handelingen als het RIO. Het handelingenblok wijkt in zoverre af van dat van het RIO, dat het veld voor het product wordt weggelaten en een veld voor de waardering wordt toegevoegd.

In het veld ‘waardering’ wordt aangegeven of de administratieve neerslag van de handeling bewaard dan wel vernietigd moet worden. De waardering B (bewaren) betekent dat de neerslag voor permanente bewaring wordt overgedragen aan het Nationaal Archief. De waardering V (vernietiging) betekent dat de neerslag wordt vernietigd. Achter de waardering wordt vermeld op welke termijn dat gebeurt.

Anders dan in het RIO worden in dit BSD de handelingen per actor geordend. Een aantal actoren valt onder een andere zorgdrager. Deze worden per zorgdrager geordend. Hiermee wordt uitdrukking gegeven aan het uitgangspunt dat een selectielijst een eenheid is, bevattende handelingen van een zorgdrager en de onder hem ressorterende actoren.

Het BSD heeft de volgende functies:

Het beleidsterrein waar dit BSD betrekking op heeft, is te kenmerken als ‘het heffen van belastingen van Rijkswege’. De belastingen zijn een belangrijke bron van inkomsten van het Rijk. De heffing is zeer gereguleerd in wetten, AmvB’s, KB’s en andere uitvoeringsregels. Het gehele beleidsterrein ‘Heffing van belastingen van Rijkswege’ is onderverdeeld in vier onderzoeksgebieden waarvoor selectielijsten worden opgesteld. Voor een uitgebreidere beschrijving kan worden verwezen naar de bijgehorende RIO’s (nrs. 19, 65, 37 en 38).

Voortkomend uit de doelstelling die de rijksoverheid heeft op dit beleidsterrein, wordt een aantal taken uitgevoerd. Om deze taken en daarmee de doelstelling te kunnen realiseren worden er handelingen uitgevoerd. Deze handelingen vinden hun grondslag in de wet- en regelgeving op het beleidsterrein. Een overzicht van deze wet- en regelgeving van het beleidsterrein op hoofdlijnen is opgenomen als bijlage A bij dit document.

De belangrijkste taak van het ministerie van Financiën is de zorg voor het beleid ten aanzien van het samenstel van inkomsten en uitgaven. Een (groot) deel van de inkomsten bestaat uit inkomsten uit de belastingheffing. Met betrekking tot de inkomsten uit belastingen zou de verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën omschreven kunnen worden met: het volgen/voeren van de belastingpolitiek en fiscale wetgeving in het kader van de heffing, inning en controle van de door de rijksoverheid geheven belastingen. Als hoofdtaken vloeien hieruit voort:

Behalve de Minister van Financiën (binnen de organisatie is een onderscheid te maken naar interne actoren die zich op het taakgebied bewegen: het Directoraat-generaal voor Fiscale Zaken, het Directoraat-generaal der Belastingen en de Belastingdienst) is ook nu een aantal andere actoren te onderscheiden. Voor zover relevant en gemotiveerd in het PIVOT-rapport ‘Belastingver(h)effend’ zijn in dit BSD ook de handelingen van die actoren opgenomen.

De belangrijkste taak van de Belastingdienst is het uitvoeren van het beleid ten aanzien van de heffing en inning van belastingen.

In de fiscale wetgeving zijn tevens taken neergelegd voor onderdelen van de gerechtelijke macht, zoals de raden van beroep in belastingzaken, het Openbaar Ministerie, de Officier van Justitie, de Hoge Raad der Nederlanden, de gerechtshoven en de rechtbanken. Zij spelen allen een rol in gerechtelijke procedures tussen partijen die een fiscaal conflict hebben.

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij kan in een aantal gevallen een rol spelen bij de invordering van landbouwheffingen.

Het eerste doel van de belastingheffing en invordering is het verkrijgen van middelen ter financiering van de Rijksuitgaven. Daarnaast kan middels belastingwetgeving en -heffing een aantal nevendoelstellingen gerealiseerd worden. De nevendoelstellingen zijn verschillend van aard. De overheid wil de welvaartsverschillen binnen de perken houden maar ook de conjunctuurbeweging beïnvloeden (stimulering van de bestedingen). Een belangrijk instrument is sedert 1970 de zogenaamde Wiebeltaks. Ook is het mogelijk de nationale productie en werkgelegenheid te bewaken via fiscale maatregelen (bijv. via investeringsregelingen). De laatste jaren zien we dat men ook het verschil tussen de bedrijfseconomische en de maatschappelijke kosten van economische activiteiten wil regelen (bijv. middels het toestaan van milieuheffingen/afschrijvingskosten van milieuveilige machines (Wet Inkomstenbelasting)). Ten slotte kan men ook invloed uitoefenen op het bestedingenpakket (bijv. door verhoging van accijns op alcohol en tabak). Niet al het belastinggeld blijft beschikbaar voor de Rijksoverheid. Een deel gaat naar de lokale overheden. Van de omzetbelasting gaat een deel naar de EEG, terwijl de invoerrechten volledig naar de EEG gaan.

Er zijn vele actoren die zich bewegen op het gebied van de belastingen. Immers een ieder krijgt te maken met de belastingheffing. Dat er vele actoren zijn wil niet zeggen dat alle handelingen van alle actoren in deze rapportage aan de orde moeten komen. Het onderzoek beperkt zich tot de actoren die aan enkele criteria voldoen. Er zijn vier criteria gehanteerd:

Valt de actor onder de Archiefwet 1995?

Maakt de betrokken actor onderdeel uit van de organisatie – in enge zin, doch met inbegrip van (interdepartementale) commissies en adviesraden – van waaruit het onderzoek plaatsvindt?

Wordt in een ander institutioneel PIVOT-onderzoek aandacht besteed aan de betrokken actor?

Verricht de actor handelingen op het beleidsterrein?

De voornaamste actor die in dit rapport naar voren komt is de Minister van Financiën.

Uiteraard komt ook de Belastingdienst als actor met regelmaat terug. De handelingen van deze actor zijn echter in verband met de enorme hoeveelheid te verrichten activiteiten door deze dienst beperkt tot een minimale specificatie hiervan middels veelal een opsomming van het feit dat de dienst activiteiten verricht met bij de bronvermelding een opsomming van de relevante wetsartikelen waarin deze activiteiten aangekondigd worden.

Buiten de Minister van Financiën zijn ook andere instanties actief binnen het belastinggebied. In nationaal verband kan de belastingbetaler als gevolg van bepalingen in de wetgeving zijn recht halen bij de Rechter, de Tariefcommissie en de Raad van State, afd. Rechtspraak. Via de Nationale Ombudsman, waarvoor afzonderlijke wetgeving van toepassing is, kan men zijn beklag doen met betrekking tot zijn/haar ondervindingen met betrekking tot het handelen of nalaten van de Belastingdienst.

Via de Commissies van de Verzoekschriften van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal kan de burger zijn problemen met betrekking tot de belastingheffing en/of belastinginning onder de aandacht brengen van de Eerste of Tweede Kamer. Alle hiervoor genoemde organen/instanties zullen de Minister van Financiën om opheldering verzoeken of in staat stellen verweer te geven. Middels art. 5 van de Grondwet heeft iedere burger het recht schriftelijke verzoeken bij het bevoegde gezag in te dienen. In het wetgevingstraject komen naast de beide Kamers der Staten-Generaal ook de Raad van State, verschillende commissies en deskundigen die advies geven als actoren naar voren. Ook verzoeken die bij de Koningin en het Kabinet van de Koningin vanwege belastingplichtigen binnenkomen worden voor afhandeling en/of advies voorgelegd aan de Minister van Financiën. Het Kabinet van de Koningin speelt ook een rol bij de totstandkoming en de uiteindelijke bewaring van de Koninklijke Besluiten.

Internationaal is er ook een aantal actoren waar te nemen.

Naast de contacten met andere mogendheden die voortvloeien uit met elkaar gesloten verdragen zijn er ook de zogenaamde volkenrechtelijke organisaties en hun instituten en onderdelen. Vanzelfsprekend zijn de EEG en de OESO vooraanstaande actoren.

Vanuit deze volkenrechtelijke organisaties worden internationaal geldende regels gesteld. Nederland, als aangeslotene, werkt mee deze regels op te stellen. Als gevolg van de verschillende verdragsteksten dient bijvoorbeeld de EG op een groot aantal terreinen de gestelde doelen te bereiken en te controleren. Hiertoe worden de zogenaamde verordeningen en richtlijnen uitgevaardigd. Alvorens deze door de daartoe bestemde organen worden uitgevaardigd, gaat er een voorbereiding aan vooraf waarbij de lidstaten ook nauw betrokken zijn.

Op fiscaal gebied betekent dit dat het ministerie van Financiën hierin participeert. Zodoende worden adviezen voorbereid aan de Raad en aan de Europese Commissie inzake te ontwerpen (ontworpen) regelingen. Hiertoe worden activiteiten ontwikkeld in een Permanent Comité (de hoofden van de belastingadministraties van de Lidstaten), de groep van 6 (communautaire fiscale maatregelen t.a.v. grensoverschrijdende situaties), Werkgroep voor financiële vraagstukken, overleg in het kader van de permanente vertegenwoordigers. Ook voor andere internationale organisaties waartoe Nederland is toegetreden geldt dat binnen dat geheel de lidstaten betrokken zijn bij de voorbereiding van Besluiten, conferenties e.d. Een voorbeeld van een uiteindelijk product van een internationale organisatie (samenwerkingsverband) is:

Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen.

Nadat de richtlijnen/verordeningen/resoluties van de verschillende internationale organen zijn uitgebracht worden deze, zoals vaak in de verdragen of overeenkomsten is voorgeschreven, opgenomen d.m.v. wijzigingen in bestaande nationale wetgeving. Het kan ook gebeuren dat een richtlijn uitnodigt tot nieuwe nationale wetgeving. Een voorbeeld hiervan is:

de Wet van 24-10-1979, Stb. 572, m.b.t. de wederzijdse bijstand bij de invordering van enkele EEG-Heffingen (invoerrecht enz. (EEG-middelen) en van nationale omzetbelasting).

De wet geeft uitvoering aan de richtlijnen van de EEG nr. 76/308 en 77/794 EEG. Omdat de Wet van 24-10-1979 nationale wetgeving waarin de richtlijnen opgenomen zijn is een handelingenopsomming gemaakt elders in dit rapport. Mochten de richtlijnen/besluiten van internationale organisaties waartoe Nederland, via verdragen, is toegetreden, leiden tot wijzigingen in bestaande nationale wetgeving dan worden deze wijzigingen automatisch in kaart gebracht bij de handelingenopsommingen van die wetgeving.

Een opsomming van actoren die lopende dit onderzoek aangetroffen werden, verdeeld in actoren waarvan de handelingen wel en waarvan de handelingen niet zijn opgenomen is te vinden in het RIO.

3. Selectie

De selectiedoelstelling van de Rijksarchiefdienst (RAD) is bij de behandeling van de nieuwe Archiefwet 1995 in 1994 verwoord door de Staatssecretaris van Cultuur. Deze is erop gericht dat met de te bewaren gegevens een reconstructie van het handelen van de rijksoverheid op hoofdlijnen ten opzichte van haar omgeving mogelijk moet zijn, waardoor bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring.

Deze selectiedoelstelling wordt in dit BSD toegepast op het beleidsterrein van de heffing en invordering van belastingen.

Om de selectiedoelstelling te bereiken worden de handelingen in het BSD gewaardeerd aan de hand van de volgend algemene selectiecriteria:

1.

Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, evenals het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2.

Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieronder valt ook het toetsen van en het toezien op beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

3.

Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren.

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4.

Handelingen die betrekking hebben op (her-)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5.

Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt.

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6.

Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten.

Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.

De handelingen zoals in dit BSD zijn opgenomen komen overeen met het rapport institutioneel onderzoek ‘Belastingver(h)effend’. De handelingen zijn per actor gegroepeerd. De handelingen zijn in overeenstemming met de handelingen in het rapport genummerd.

4. Verslag van de vaststellingsprocedure

Het Archiefbesluit 1995, artikel 5, onder d, 3° schrijft voor dat in de toelichting bij een selectielijst verslag wordt gedaan van de vaststellingsprocedure.

Eind 2003 is het ontwerp-BSD door de Minister van Financiën aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 3 mei 2004 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van betrokken zorgdrager, het Ministerie van OC&W en de rijksarchieven in de provincie/regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Op 30 november 2004 bracht de RvC advies uit (arc-2004.01583/3), hetwelk naast enkele tekstuele correcties aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:

Daarop werd het BSD op 8 maart door de Algemene Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, en de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (kenmerk: C/S/05/517), Financiën (C/S/05/518), Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (C/S/05/519), Sociale Zaken en Werkgelegenheid (C/S/05/520), Verkeer en Waterstaat (C/S/05/521) vastgesteld.

5. Leeswijzer

In het onderstaande voorbeeld wordt duidelijk gemaakt welke informatie in een handelingenblok te vinden is.

(X): dit is het volgnummer van de handeling. Dit nummer is overgenomen uit het RIO.

Handeling: dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces.

Periode: hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht. Wanneer er geen eindjaar staat vermeld, wordt de handeling nog steeds uitgevoerd.

Grondslag: dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht.

Vermeld worden:

Een voorbeeld: reclasseringsregeling 1947, art. 9, lid 2 (Stb. 1947, H 423), Reclasseringsregeling 1970, art. 8, lid, lid 3 (Stb. 1969, 598), gewijzigd 1978 (Stb. 1978, 254), vervallen in 1986 (Stb. 1986, 1).

Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de bron worden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.

Opmerking: deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer de strekking van de handeling toelichting behoeft

Waardering: waardering van de handeling in B (bewaren) of V (vernietigen).

Indien vernietigen, dan vermelding van de vernietigingstermijn.

Indien bewaren, dan vermelding van het gehanteerde selectiecriterium.

Eventueel een nadere toelichting op de waardering.

6. Actorenoverzicht

Er zijn vele actoren die zich bewegen op het gebied van de belastingen. Immers, een ieder krijgt te maken met de belastingheffing. Dat er vele actoren zijn wil niet zeggen dat alle handelingen van alle actoren in deze selectielijst aan de orde moeten komen. Het onderzoek beperkt zich tot de actoren die aan enkele criteria voldoen. Er zijn vier criteria gehanteerd:

De voornaamste actor die in deze lijst naar voren komt is de Minister van Financiën.

Uiteraard komt ook de Belastingdienst als actor met regelmaat terug.

Buiten de Minister van Financiën zijn ook andere instanties actief binnen het belastinggebied. In nationaal verband kan de belastingbetaler als gevolg van bepalingen in de wetgeving zijn recht halen bij de Rechter, de Tariefcommissie en de Raad van State, afd. Rechtspraak. Via de Nationale Ombudsman, waarvoor afzonderlijke wetgeving van toepassing is, kan men zijn beklag doen met betrekking tot zijn/haar ondervindingen met betrekking tot het handelen of nalaten van de Belastingdienst.

Via de Commissies van de Verzoekschriften van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal kan de burger zijn problemen met betrekking tot de belastingheffing en/of belastinginning onder de aandacht brengen van de Eerste of Tweede Kamer. Alle hiervoor genoemde organen/instanties zullen de Minister van Financiën om opheldering verzoeken of in staat stellen verweer te geven. Middels art. 5 van de Grondwet heeft iedere burger het recht schriftelijke verzoeken bij het bevoegde gezag in te dienen. In het wetgevingstraject komen naast de beide Kamers der Staten-Generaal ook de Raad van State, verschillende commissies en deskundigen die advies geven als actoren naar voren. Ook verzoeken die bij de Koningin en het Kabinet van de Koningin vanwege belastingplichtigen binnenkomen worden voor afhandeling en/of advies voorgelegd aan de Minister van Financiën. Het Kabinet van de Koningin speelt ook een rol bij de totstandkoming en de uiteindelijke bewaring van de Koninklijke Besluiten.

Internationaal is er ook een aantal actoren waar te nemen.

Naast de contacten met andere mogendheden die voortvloeien uit met elkaar gesloten verdragen zijn er ook de zogenaamde volkenrechtelijke organisaties en hun instituten en onderdelen. Vanzelfsprekend zijn de EEG en de OESO vooraanstaande actoren.

Mochten de richtlijnen/besluiten van internationale organisaties waartoe Nederland, via verdragen, is toegetreden, leiden tot wijzigingen in bestaande nationale wetgeving dan worden deze wijzigingen automatisch in kaart gebracht bij de handelingenopsommingen van die wetgeving.

Actoren waarvan de handelingen in deze selectielijst zijn opgenomen:

Actoren waarvan de handelingen in deze selectielijst niet zijn opgenomen:

Selectielijst voor het beleidsterrein belastingen

Algemene wet- en regelgeving m.b.t. het heffen en invorderen van belastingen over het totale handelen gedurende de periode 1945–2001

7. De Minister van Financiën: directoraat-generaal voor de fiscale zaken/administratie der rijksbelastingen/directoraat-generaal der belastingen

Handelingen van algemene aard zijn handelingen welke eigenlijk, ongeacht het beleidsterrein, veelal voorkomen bij alle organisaties die verantwoordelijk zijn voor een beleidsterrein. Deze lijst is met ingang van 2003 opgenomen in dit basisselectiedocument.

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid ten aanzien van het heffen en invorderen van belastingen

Periode: 1945–

Waardering: B, 1

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving ten aanzien van het heffen en invorderen van belastingen

Periode: 1945–

Opmerking: Deze handeling is uitgewerkt in handeling 2 van dit BSD en de handelingen 915 en 916 van het BSD ‘Belastingen: De geheiligde schuld’

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen over ontwikkelingen op het beleidsterrein van de heffing en invordering van belastingen

Periode: 1945–

Waardering: B, 5 (jaarverslagen)

V, 5 jaar (maand- en kwartaalverslagen indien jaarverslagen aanwezig)

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden of commissies uit de Kamers der Staten-Generaal inzake het beleid ten aanzien van de heffing en inning van belastingen

Periode: 1994–

Grondslag: Grondwet

Opmerking: Deze handeling is uitgewerkt in handeling 152

Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot het onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten-Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid ten aanzien van de heffing en inning van belastingen

Periode: 1994–

Opmerking: Deze handeling is uitgewerkt in de handelingen 153, 154 en 156

Handeling: Het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende heffing en inning van belastingen en het voeren van verweer in beroepschriftprocedures voor administratief rechterlijke organen

Periode: 1945–

Waardering: V, 7 jaar na afhandeling beroep

V, 10 jaar na uitspraak/arrest

Handeling: Het mede-voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen inzake de heffing en invordering van belastingen en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties

Periode: 1945–

Opmerking: Deze handeling is uitgewerkt in de handelingen 176, 177, 178 van dit BSD.

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen over het beleid ten aanzien van het heffen en invorderen van belastingen

Periode: 1945–

Grondslag: Grondwet, artikel 5

Waardering: V, 5 jaar

Indien vragen leiden tot beleidswijziging: B, 1

Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het beleidsterrein van de heffing en invordering van belastingen

Periode: 1945–

Waardering: B, 1 (een exemplaar van het eindproduct)

V, 5 jaar (overige neerslag)

Handeling: Het vaststellen van de opdracht en het eindproduct van (wetenschappelijk) onderzoek en het vaststellen van onderzoeksrapporten over de heffing en inning van belastingen

Periode: 1945–

Waardering: B, 1

Handeling: Het begeleiden van (wetenschappelijk) onderzoek naar de heffing en inning van belastingen

Periode: 1945–

Waardering: V, 10 jaar

Handeling: Het verzamelen en bewerken van gegevens ten behoeve van (wetenschappelijk) onderzoek naar de heffing en inning van belastingen

Periode: 1945–

Waardering: V, 10 jaar

Handeling: Het financieren van (wetenschappelijk) onderzoek naar de heffing en inning van belastingen

Periode: 1945–

Waardering: V, 10 jaar

Handeling: Het beslissen op een subsidieaanvraag van een particuliere instelling die actief is op het beleidsterrein heffing en inning van belastingen

Periode: 1945–

Waardering: V, 10 jaar na beëindiging subsidie

Voor de uitwerking van de algemene handelingen betreffende de Europese Unie wordt verwezen naar paragraaf 7.6.1 van het basisselectiedocument, nummer 65: ‘Belastingen: De geheiligde schuld’.

Handeling: Het toewijzen of afwijzen op verzoeken van particulieren/ondernemingen en organisaties, rechtstreeks, via het Kabinet van de Koningin of via andere instanties ontvangen, die menen ingevolge de bepalingen in de fiscale wetgeving nadeel te ondervinden of bezwaar hebben tegen de aan hen opgelegde belastingheffing/inning, n.a.v. bepalingen in de wetgeving en uitvoeringsvoorschriften, en welke niet zijn gegrond op beroeps- of bezwaarbepalingen in de fiscale wetgeving

Periode: 1945–

Grondslag: Grondwet art. 5 v.a. 1983/1987, 1940–987 art. 8

Waardering: V, 10 jaar na afhandeling

Handeling: Het (mede-) voorbereiden, wijzigen en intrekken van wetten m.b.t. de heffing van belastingen (inclusief voornemens tot wetgeving die niet tot nieuwe wetgeving hebben geleid)

Periode: 1945–

Grondslag: Grondwet art. 104 (‘Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld’) v.a. 1983/1987, art. 188 v.a. 1972, art. 181 v.a. 1948, art. 175 v.a. 1938

Waardering: B, 1

Handeling: Het (mede-) voorbereiden, wijzigen en intrekken van bepalingen m.b.t. het heffen van belastingen en andere heffingen in wet- en regelgeving die als eerstverantwoordelijke door ander ministeries opgesteld worden, alsmede advisering over ministerraadstukken hierover

Periode: 1945–

Grondslag: Grondwet art. 104 (‘Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld’) v.a. 1983/1987, art. 188 v.a. 1972, art. 181 v.a. 1948, art. 175 v.a. 1938

Waardering: B, 1

Handeling: Het overleggen met andere ministeries en andere organen met betrekking tot in ontwikkeling zijnde beleidsvoornemens en de afstemming van het te voeren fiscale toepassingsbeleid van de bestaande fiscale wetgeving aan het algemene overheidsbeleid dan wel het beleid op andere specifieke terreinen van de overheidsbemoeiing of aanpassingen aan algemeen maatschappelijke stromingen en wijzigingen

Periode: 1945–

Grondslag: Grondwet art. 104 (‘Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld’) v.a. 1983/1987, art. 188 v.a. 1972, art. 181 v.a. 1948, art. 175 v.a. 1938

Waardering: B, 1

Wet tot bevordering van de richtige heffing der directe belastingen (b.w. 1959, Stb. 301)

Handeling: Het wel/niet verlenen van machtiging aan de inspecteur, om een aanslag op te leggen zonder dat rekening gehouden wordt met rechtshandelingen op grond waarvan zij geen wezenlijke verandering van feitelijke verhoudingen ten doel hebben gehad

Periode: 1945–1959

Grondslag: Wet van 29-04-1925, Stb. 171, art. 1

Waardering: V, 10 jaar na verlening/afwijzing

Wet houdende een regeling m.b.t. het overschrijden van in belastingwetten gestelde termijnen (b.w. 1959, Stb. 301)

Handeling: Het opstellen van memories van toelichting en doorzending aan Raden van beroep voor de directe belastingen van verzoeken om machtiging tot verlengen van de termijn m.b.t. het indienen van bezwaarschriften

Periode: 1945–1959

Grondslag: Wet van 28-06-1926, Stb. 227, art. 1

Waardering: V, 10 jaar na uitspraak

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van aanwijzingen van ambtenaren door wier tussenkomst de ontvanger bezwaarschriften zendt aan de raad van beroep

Periode: 1945–1959

Grondslag: Wet van 28-06-1926, Stb. 227, art. 1

Waardering: V, 10 jaar na intrekking/wijziging

Handeling: Het aanwijzen van de behandelende voorzitters van Raden van beroep voor de directe belastingen in gevallen waar de gemeenten waarin de aanslagen vallen ressorteren onder meerdere raden

Periode: 1945–1959

Grondslag: Wet van 28-06-1926, Stb. 227, art. 2

Waardering: V, 10 jaar na intrekking van de aanwijzing

Wet tot voorkoming van dubbele belasting (ingetrokken in 1958, Stb. 700 b.w. per. 22-11-1962 bij KB. 29-10-1962, Stb. 448; voorschriften uit deze wet worden vanaf die datum geacht te zijn uitgevaardigd krachtens hoofdstuk VII van de AWR

Handeling: Het (mede-) voorbereiden van de totstandkoming, wijziging, en intrekking van bekrachtiging van verdragen tot voorkoming van dubbele belasting door de Kroon

Periode: 1945–1962

Grondslag: Wet van 14-06-1930, Stb. 244, art. 1

Waardering: B, 1

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van door de Kroon te stellen voorschriften/AMvB's die voor het Rijk in Europa, met inachtneming van het beginsel van wederkerigheid, in aansluiting op wetgeving van andere Staten dubbele belasting geheel of gedeeltelijk voorkomen

Periode: 1945–1962

Grondslag: Wet van 14-06-1930, Stb. 244, art. 2

Waardering: B, 1

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van voorschriften, voor het Rijk in Europa, om te voorkomen dat een inkomen zowel in Nederland als in een vreemde Staat door directe belasting getroffen wordt

Periode: 1945–1962

Grondslag: Wet van 14-06-1930, Stb. 244, art. 3

Waardering: B, 1

Wet houdende bijzondere voorzieningen m.b.t. de in gebiedsdelen van het koninkrijk der Nederlanden gevestigde naamloze vennootschappen en andere rechtspersonen, alsmede m.b.t. zeeschepen, die gerechtigd zijn tot het voeren van de Nederlandse vlag (b.w. bij wet van 09-03-1967, Stb. 161, iwtr. 01-06-1967, Stb. 257, 1967; art. 19 b.w. 01-01-1965, Stb. 425, 1964)

Handeling: Het (mede-) voorbereiden, wijzigen en intrekken van AMvB's m.b.t.:

1.

het bij de heffing van belastingen geen rekening houden met handelingen die NV's en andere rechtspersonen verrichten in het kader van de overbrenging naar een ander gebiedsdeel;

2.

de uitvoering van de wet

Periode: 1945–1964

Grondslag: Wet van 26-04-1940, Stb. 200, art. 19.2, 20

Waardering: B, 1

Besluit tot vaststelling van het Besluit Voorschotten Belasting van lichamen 1943

Toelichting: dit Besluit is genomen in de periode dat de Nederlandse Regering in Londen verbleef. Het Besluit had ten doel de nodige middelen te verkrijgen ter financiering van de oorlogsvoering. De voorbereiding van het Besluit werd samen met de Minister van Buitenlandse Zaken gedaan

Handeling: Het aanwijzen, evt. in overleg met de Minister van Buitenlandse zaken, van de inspecteurs die belast zijn met de handhaving van dit besluit

Periode: 1945–1964

Grondslag: Besluit van 23-12-1943, Stb. D 58, art. 1.2

Waardering: B, 5

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van regels en nadere voorschriften:

1.

m.b.t. de wijze van verrekening van voorschotten op bedragen welke van directe belastingen over de jaren 1940 en later na de oorlog verschuldigd zijn;

2.

m.b.t. de bescheiden die bij de aangifte gevoegd moeten worden;

3.

die nodig zijn voor de uitvoering van het Besluit

Periode: 1945–1964

Grondslag: Besluit van 23-12-1943, Stb. D 58, art. 2.4, 10.5

Waardering: B, 1

Handeling: Het afwijzen of toewijzen van verzoeken en bezwaarschriften van lichamen:

1.

inzake de begroting van de winst in aanmerking te nemen m.b.t. te betalen voorschotten op belastingen en het stellen van voorwaarden daartoe;

2.

af te wijken van de betaling van voorschotten in de muntsoort waarin aangifte is gedaan;

3.

m.b.t. het verlenen van uitstel van betaling van voorschotten onder daarbij te stellen voorwaarden;

4.

m.b.t. het afwijken van de verplichting boeken en bescheiden ter inzage te verlenen;

5.

m.b.t. door de inspecteur opgelegde verhoging na vaststelling van de winst ingeval van weigering van inzage van boeken en bescheiden, na het horen van een commissie van drie deskundigen;

6.

m.b.t. door de inspecteur gedane beoordeling dat aangiften te laag geweest zijn i.v.m. de berekening van voorschotten, na het horen van een commissie van drie deskundigen

Periode: 1945–1964

Grondslag: Besluit van 23-12-1943, Stb. D 58,

1.

art. 9;

2.

art. 11.1;

3.

art. 11.6;

4.

art. 12.4;

5.

art. 13.6;

6.

art. 14.4

Waardering: V, 10 jaar na afhandeling

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van:

1.

het aangiftebiljet waarop lichamen aangifte doen van het bedrag der winst over een jaar verkregen en, in voorkomende gevallen, van de omstandigheden dat geen winst is verkregen;

2.

het formulier dat dient als bewijs van betaling van voorschotten

Periode: 1945–1964

Grondslag: Besluit van 23-12-1943, Stb. D 58,

1.

art. 10.1;

2.

art. 11.4

Waardering: V, 10 jaar na intrekking

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van voorschriften voor individuele bijzondere gevallen waarin lichamen niet tijdig hun voorschotten kunnen voldoen

Periode: 1945–1964

Grondslag: Besluit van 23-12-1943, Stb. D 58, art. 11.5, 13.5

Waardering: V, 10 jaar na afhandeling

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van een wettelijke voorziening m.b.t. de verplichting inzage te verlenen in boeken en bescheiden i.v.m. de belastingheffing/het heffen van voorschotten

Periode: 1945–1964

Grondslag: Besluit van 23-12-1943, Stb. D 58, art. 12.4

Waardering: B, 1

Handeling: Het beoordelen, na kennisgeving door de inspecteur, of aangiften gedaan door lichamen te laag zijn geweest en waartegen de vaststelling door de inspecteur geen bezwaarschriften zijn ingediend

Periode: 1945–1964

Grondslag: Besluit van 23-12-1943, Stb. D 58, art. 14.6

Waardering: V, 10 jaar na afhandeling

Handeling: Het in bijzondere gevallen verlenen van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van te betalen voorschotten op te heffen belasting

Periode: 1945–1964

Grondslag: Besluit van 23-12-1943, Stb. D 58, art. 15

Waardering: V, 10 jaar na afhandeling

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van voorschriften, in voorkomende gevallen in overleg met de Minister van Buitenlandse zaken, en het treffen van voorzieningen voor gevallen waarin het Besluit niet voorziet

Periode: 1945–1964

Grondslag: Besluit van 23-12-1943, Stb. D 58, art

Waardering: V, 10 jaar

Besluit zekerheidstelling belastingen; (b.w. 1959, Stb. 301)

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van algemeen verbindende voorschriften inzake het verplicht/vrijwillig stellen van zekerheid m.b.t. belastingschulden

Periode: 1945–1959

Grondslag: Besluit van 11-06-1945, Stb. F 90, art. 1

Waardering: B, 1

Besluit buitengewoon navorderingsbesluit (buiten werking 1959, Stb. 301)

Handeling: Het bepalen hoe onherroepelijk geworden navorderingsaanslagen openbaar gemaakt worden

Periode: 1945–1959

Grondslag: Besluit van 03-09-1945, Stb. F 159, art. 2d

Waardering: V, 10 jaar na intrekking

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van nadere regels of voorschriften t.a.v.:

1.

het schatten van schulden en bezittingen naar de toestand vallende na 01-01-1944 doch voor 02-01-1946;

2.

het bepalen van de grootte van bedrijfsvermogen naar een tijdstip waarop niet geïnventariseerd is;

3.

het doen van aangifte d.m.v. het buitengewone aangiftebiljet;

4.

de uitvoering van dit Besluit

Periode: 1945–1959

Grondslag: Besluit van 03-09-1945, Stb. F 159,

1.+2. art. 3.2;

3.

art. 7.1;

4.

art. 13

Waardering: B, 6

Handeling: Het behandelen van verzoeken om voor het belastingjaar 1940/1941 vermogens- of verdedigingsbelasting te mogen bijbetalen zonder het opleggen van navorderingsaanslagen

Periode: 1945–1959

Grondslag: Besluit van 03-09-1945, Stb. F 159, art. 3.3

Waardering: V, 6 jaar na afhandeling

Handeling: Het onder voorwaarden toestaan waarderingen, die per 01-01-1940 geacht waren juist te zijn, te herzien

Periode: 1945–1959

Grondslag: Besluit van 03-09-1945, Stb. F 159, art. 4.2

Waardering: V, 10 jaar na afhandeling

Handeling: Het vaststellen van een datum vóór 01-04-1946 waarvoor de inspecteur de belastingplichtigen middels de uitreiking van het Buitengewoon aangiftebiljet kan uitnodigen tot het doen van aangifte

Periode: 1945–1946

Grondslag: Besluit van 03-09-1945, Stb. F 159, art. 5.1

Waardering: V, 10 jaar na publicatie in de Staatscourant

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van het formulier van de buitengewone aangiftebiljetten

Periode: 1945–1959

Grondslag: Besluit van 03-09-1945, Stb. F 159, art. 7.1

Waardering: B, 5

Handeling: Het aan belastingplichtigen opleggen van de verplichting voor een te bepalen datum inventaris op te maken van a) betaalmiddelen en roerende goederen en b) van al zijn roerend vermogen en schulden

Periode: 1945–1959

Grondslag: Besluit van 03-09-1945, Stb. F 159, art. 11.1

Waardering: V, 6 jaar na afhandeling

Handeling: Het wel/niet tegemoetkomen aan gevallen/groepen van gevallen van onbillijkheden van overwegende aard bij de toepassing van dit Besluit

Periode: 1945–1959

Grondslag: Besluit van 03-09-1945, Stb. F 159, art. 13.b

Waardering: V, 10 jaar na afhandeling

Handeling: Het wel/niet toelaten van verdachte belastingplichtigen tot transacties

Periode: 1945–1959

Grondslag: Besluit van 03-09-1945, Stb. F 159, art. 19.2

Waardering: V, 6 jaar na afhandeling

Wet houdende bepalingen inzake vervanging van het fiscale noodrecht (b.w. 1959, Stb. 301, 1962, Stb. 319 en 1967, Stb. 377)

Handeling: Het wel/niet toelaten van verdachten tot transacties (i.p.v. vervolging)

Periode: 1952–1962

Grondslag: Wet van 23-04-1952, Stb. 191, art. 18.2

Waardering: V, 6 jaar na afhandeling

(Is in verschillende fasen in werking getreden) Inclusief handelingen uit het Besluit voorkoming dubbele belasting vanaf 07-04-1965, Stb. 145

Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren:

1.

die het bestuur van ’s Rijksbelastingen uitoefenen;

2.

jegens wie men dezelfde verplichtingen ten behoeve van de belastingheffing heeft

Periode: 1959–

Grondslag: AWR,

1.

art. 2.4, bij wet van 19-12-1991, Stb. 740;

2.

art. 52, bij wet van 07-03-1991, Stb. 95: art. 56 bij wet van 29-06-1994, Stb. 499

Waardering: B, 5

Handeling: Het bepalen welke directeur, inspecteur of ontvanger bevoegd is bij uitvoering van de belastingwet, ingeval dit niet bij die wet is geschied

Periode: 1959–

Grondslag: AWR, art. 3: 3.1 bij wet van 04-03-1993, Stb. 153

Waardering: B, 5

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van regels betreffende de inrichting van de Rijksbelastingdienst

Periode: 1993–

Grondslag: AWR, art. 3.2 bij wet van 04-03-1993, Stb. 153

Waardering: B, 4

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van algemene voorschriften, (nadere) regelen:

1.

ten aanzien van het stellen van een termijn waarbinnen men verplicht een verzoek om uitreiking van een aangiftebiljet dient in te dienen;

2.

ten aanzien van het opleggen/vaststellen van voorlopige aanslagen door de inspecteur tot het bedrag van de vermoedelijke aanslag;

2A. ten aanzien van het vaststellen van voorlopige aanslagen tot een negatief bedrag;

3.

ten aanzien van het tijdvak waarover de belasting moet worden betaald en welke voorlopige betalingen in de loop van dat tijdvak dienen te worden gedaan;

3A. ten aanzien van de verlening van uitstel voor de voldoening van in een tijdvak verschuldigd geworden belasting of afdracht van een in een tijdvak ingehouden belasting, indien m.b.t. dat tijdvak een verzoek om teruggaaf is ingediend;

4.

ten aanzien van de heffing van belasting bij wege van uitnodiging tot betaling eventueel in overstemming met Onze minister wie het mede aan gaat;

5.

ten aanzien van het verlenen van vrijstelling van belasting indien het volkenrecht dan wel het internationale gebruik daartoe noopt en de toerekening aan het vrijgestelde gedeelte. (NB. de zogenaamde diplomatieke en consulaire vrijstellingen);

6.

ter uitvoering van de belastingwet;

7.

ter bestraffing van overtreding van krachtens de belastingwet opgestelde algemene voorschriften;

8.

met betrekking tot de wijze waarop de boekhouding moet worden ingericht en gevoerd en de wijze waarop aantekeningen moeten worden gehouden;

9.

met betrekking tot de heffingsmaatstaf van de LB en de IB

Periode: 1959–

Grondslag: AWR,

1.

art. 6.3;

2.

art. 13.1, art. 14.1 bij wet van 08-11-1984, Stb. 531;

2A. art. 13.2 bij wet van 08-11-1984, Stb. 531;

3.

art. 19.2: art. 19.2a bij wet van wet van 30-05-1990, Stb. 222;

3A. art. 19.2b bij wet van 30-05-1990, Stb. 222;

4.

art. 22b, art. 22c.2.3.4, art. 22d, art. 22g bij wet van 02-11-1995, Stb. 554;

5.

art. 39, art. 40, vervalt bij wet van 11-05-2000, Stb. 216;

6.

art. 62;

7.

art. 71;

8.

art. 53a.3 bij wet van 26-11-1987, Stb.536, deze vervalt bij wet van 29-06-1994, Stb. 99;

9.

Wet faciliteiten Zeevaart van 28-12-1989, Stb. 602, art. VIII

Waardering: B, 1

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van het formulier van de aangiftebiljetten

Periode: 1959–2000

Grondslag: AWR, art. 7.3, vervallen bij wet van 14-12-2000, Stb. 569

Waardering: B, 5

Handeling: Het bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden de inspecteur ontheffing kan verlenen van de verplichting het uitgereikte aangiftebiljet in te leveren

Periode: 1984–

Grondslag: AWR, art. 8.3 bij wet van 08-11-1984, Stb. 531 omgenummerd tot art. 8.4 bij wet van 04-06-1992, Stb. 422

Waardering: B, 5

Handeling: Het verlenen van toestemming aan de inspecteur om uitspraken op bewaarschriften voor ten hoogste een jaar te verdagen

Periode: 1992–

Grondslag: AWR, art. 25.2 bij wet van 04-06-1992, Stb. 422

Waardering: V, 10 jaar na afhandeling

Handeling: Het berekenen van het ongewogen gemiddelde effectieve rendement van de laatste drie uitgegeven, op de effectenbeurs te Amsterdam genoteerde staatsleningen ter vaststelling van het percentage van de heffingsrente

Periode: 1992–

Grondslag: AWR, art. 30a.6 bij wet van 30-09-1992, Stb. 508: omgenummerd tot art. 30f.6 bij wet van 02-11-1995, Stb. 554. en vervolgens tot art. 30f.5 bij wet van 17-12-1998, Stb. 723

Waardering: B, 1

Handeling: Het machtigen van de inspecteur tot het vaststellen van een belastingaanslag voor de heffing van een directe belasting middels een met redenen omklede uitspraak

Periode: 1959–

Grondslag: AWR, art. 32.1

Waardering: V, 10 jaar na verlenging machtiging

Handeling: Het opstellen, wijziging en intrekking van door de Kroon te stellen nadere regelen/AMvB's:

1.

ter voorkoming van dubbele belasting in aansluiting op wetgeving van een ander deel van het Koninkrijk, van een andere Mogendheid of van een bestuurlijke eenheid dan wel een volkenrechtelijke organisatie, met inachtneming van het beginsel van wederkerigheid;

2.

om ter voorkoming van dubbele belasting gehele of gedeeltelijke vrijstelling of vermindering van belasting te verlenen;

3.

tot verzekering van de heffing en invordering van belasting van hen die niet binnen het Rijk een vaste woonplaats of plaats van vestiging hebben;

4.

m.b.t. boetestelling op overtreding van de belastingwet

Periode: 1959–

Grondslag: AWR,

1.

art. 37 bij wet van 19-05-1988, Stb. 251 AMvB: voordien nadere regelen;

2.

art. 38.1 bij wet van 19-05-1988, Stb. 251 AMvB: voordien: behouden Ons voor vrijstelling/ontheffing te verlenen; het product is tussen 1961 en 1988 namelijk een ‘klein’ KB gebaseerd op art. 38/art. 38.1 AWR (zie handeling 72);

3.

art. 61;

4.

art. 70

Waardering: B, 1

Handeling: Het bepalen dat inkomsten van bepaalde groepen/gevallen wel/niet betrekking hebben op arbeid welke gedurende 3 aaneengesloten maanden wordt verricht op het grondgebied van een Mogendheid waarmee Nederland geen verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten

Periode: 1985–

Grondslag: AWR, art. 38.2 bij wet van 04-09-1985, Stb. 567

Waardering: B, 5

Handeling: Het aanwijzen van landen waarmee uitwisseling van inlichtingen m.b.t. lichamen en personen die in die landen gevestigd/woonachtig zijn ter uitvoering van nationale wetgeving en verdragen ter voorkoming van dubbele belasting i.v.m. de heffing van belastingen mogelijk is

Periode: 1991–

Grondslag: AWR, art 47a.3 bij wet van 07-03-1991, Stb. 95, tot uitbreiding van informatieverplichting in internationale verhoudingen

Waardering: B, 5

Handeling: Het machtigen van de inspecteur om inlichtingen rechtstreeks bij betrokken lichamen/personen, gevestigd in landen waarin bepalingen van nationale wetgeving of in verdragen die met die landen gesloten zijn, op te vragen indien het betreffende land de inlichtingen niet kan verschaffen

Periode: 1991–

Grondslag: AWR, art. 47a.4 sinds wijziging wet van 07-03-1991, Stb. 95, tot uitbreiding van informatieverplichtingen in internationale verhoudingen

Waardering: V, 10 jaar na afhandeling

Handeling: Het wel/niet verlenen van ontheffing aan onze ministers, openbare lichamen en rechtspersonen van de verplichting tot informatieverstrekking aan de Belastingdienst i.v.m. de uitvoering van de belastingwet

Periode: 1987–

Grondslag: AWR, art 56, bij wet van 26-11-1987, Stb. 536 tot wijziging van de AWR (Uitbreiding informatieverplichtingen en invoering van een boekhoudverplichting): art. 55, bij wet van 29-06-1994, Stb. 499

Waardering: V, 10 jaar na afhandeling/vervallen ontheffing

Handeling: Het wel/niet tegemoetkomen aan gevallen/groepen van gevallen i.v.m. onbillijkheden van overwegende aard bij de toepassing van de belastingwet

Periode: 1959–

Grondslag: AWR, art 63

Waardering: V, 7 jaar na afhandeling

Handeling: Het afwijzen dan wel toewijzen van kwijtschelding van verhogingen (boete) welke in de aanslag inbegrepen zijn

Periode: 1959–

Grondslag: AWR, art. 66

Waardering: V, 7 jaar na afhandeling

Handeling: Het wel/niet verlenen van ontheffing van de geheimhoudingsplicht van diegenen die betrokken zijn bij de uitvoering van de belastingwet of de invordering van heffingen van enige rijksbelasting

Periode: 1959–

Grondslag: AWR, art. 67.2

Waardering: V, 10 jaar na verlenging/weigering ontheffing

Handeling: Het, in overeenstemming met de Minister van Justitie, aanwijzen van ambtenaren als contactpersonen ten dienste van de vervolging en berechting van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten

Periode: 1959–

Grondslag: AWR, art. 84

Waardering: V, 10 jaar na intrekking van de aanwijzing

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten:

1.

betreffende het treffen van regelen ter voorkoming van dubbele belasting;

2.

betreffende het in werking treden van de bepalingen in de Wet

Periode: 1959–

Grondslag: AWR,

1.

art. 38: omgenummerd tot art. 38.1 bij wet van 08-11-1984, Stb.545; bij wet van 19-05-1988, Stb. 251 AMvB: zie handeling 63;

2.

art. 95.1, Wet van 26-03-1987, Stb. 120, tot berekening van rente inzake belastingen en premies volksverzekeringen (o.a. ter wijziging van de AWR) art. XIII, tweede lid onderdeel b

Waardering: B, 1

Handeling: Het aanwijzen, in overleg met de minister zonder portefeuille belast met de zorg voor de aangelegenheden betreffende de Ontwikkelingssamenwerking, van een land welke voor de toepassing van het Besluit in aanmerking genomen wordt

Periode: 1970–

Grondslag: Besluit voorkoming dubbele belasting van 07-04-1965, Stb. 145, art. 3a.c (vanaf wijzigingswet 1970, Stb. 238), art. 3a.d (vanaf Besluit 31-10-1985, Stb. 568), art. 4.2d (vanaf Besluit 21-12-1989, Stb. 594, iwtr. 01-01-1990), art. 6 (vanaf Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 van 21-12-2000, Stb. 642)

Waardering: B, 1

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van nadere regels:

1.

over de toedeling van het vrij te stellen buitenlands inkomen uit werk en woning per Mogendheid aan de te verlenen vermindering volgens art. 10, en de overbrenging van buitenlands inkomen uit werk en woning naar een volgend jaar van het eerste lid;

2.

over de toedeling van de vrij te stellen buitenlandse winst per Mogendheid aan de te verlenen vermindering volgens art. 33, en de overbrenging van buitenlandse winst naar een volgend jaar van het eerste lid;

3.

voor het bepalen van het per groep van gevallen, indien op of na 01-01-2001 een onder het inkomen uit werk en woning vallend inkomensbestanddeel wordt belast tegen een bijzonder tarief, vindt bij de bepaling van de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting volgens art. 10 in het desbetreffende jaar art. 3.2, van het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989, zoals dat luidde op 31-12-2000, overeenkomstige toepassing;

4.

over de wijze waarop, naar een volgend jaar over te brengen bedragen uit het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989, in aanmerking worden genomen bij de toepassing van het besluit van 2001

Periode: 2001–

Grondslag: Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 van 21-12-2000, Stb. 642,

1.

art. 11.3;

2.

art. 34.3;

3.

art. 56.2;

4.

art. 58

Waardering: B, 1

Handeling: Het, binnen drie jaren na inwerkintreding (01-07-1998) van de Wijzigingswet AWR van 12-06-1997, zenden van een verslag aan de Staten-Generaal over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk

Periode: 1998–

Grondslag: Wijzigingswet AWR van 12-06-1997, Stb. 279, art. V

Waardering: B, 3

Wet houdende een belastingregeling voor het koninkrijk. iwtr. bij besluit van 18-12-1964, Stb. 528: Besluit inwerkingtreding van de belastingregeling voor het koninkrijk

Handeling: Het, in samenwerking met de betrokken landen, opstellen, wijzigen en intrekken van (nadere) regels m.b.t.:

1.

de toerekening van winst i.v.m. de belastingheffing;

2.

de toepassing van het tarief van belasting op dividend;

3.

de uitvoering van de Rijkswet

Periode: 1964–

Grondslag: Belastingregeling voor het Koninkrijk,

1.

art. 5.4;

2.

art. 11.4 gewijzigd bij Rijkswet 05-12-1985, Stb. 645, in 11.3;

3.

art. 42

Waardering: B, 1

Handeling: Het bepalen, in overleg met de minister van het mede betrokken land, dat in bepaalde gevallen de inkomsten genoten uit niet-zelfstandige arbeid niet worden belast indien die inkomsten ten laste zijn van het land waarin gewerkt wordt

Periode: 1964–

Grondslag: Belastingregeling voor het Koninkrijk, art. 17.3.b

Waardering: B, 5

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van een wettelijke regeling m.b.t. het buiten werking stellen van de bepaling dat winst behaald met vervoer in een bepaald land belast dient te worden

Periode: 1964–

Grondslag: Belastingregeling voor het Koninkrijk, art. 18.2

Waardering: B, 1

Handeling: Het, in overleg, vaststellen waar de belastingheffing plaatsvindt indien betrokkene niet gewoonlijk in één van beide landen verblijft

Periode: 1964–

Grondslag: Belastingregeling voor het Koninkrijk, art. 34.1.c

Waardering: V, 7 jaar na afhandeling

Handeling: Het afwijzen of toewijzen van bezwaren van belastingplichtigen m.b.t. dubbele belastingheffingen die niet in overeenstemming zijn met de Rijkswet i.v.m. maatregelen die door betrokken landen zijn getroffen

Periode: 1964–

Grondslag: Belastingregeling voor het Koninkrijk, art.35, art. 35.1. en art. 35.2 bij wet van 05-12-1985, Stb. 645

Waardering: V, 6 jaar na afhandeling indien identiek aan eerder precedent/gelijk geval

Handeling: Het voeren van overleg met betrokken landen over toepassing/uitleg van de Rijkswet

Periode: 1985–

Grondslag: Belastingregeling voor het Koninkrijk, art. 35.3 bij wet van 05-12-1985, Stb. 645

Waardering: B, 1

Handeling: Het voeren van overleg met betrokken land om in concrete gevallen waarin deze wet niet voorziet een dubbele belasting ongedaan te maken

Periode: 1985–

Grondslag: Belastingregeling voor het Koninkrijk, art. 35, art. 35.3 bij wet van 05-12-1985, Stb. 645

Waardering: V, 6 jaar na afhandeling indien identiek aan eerder precedent/gelijk geval

Handeling: Het instellen en opheffen van commissies die ter voorkoming van (gevallen van) dubbele belasting overleg plegen m.b.t. de bepalingen van de Rijkswet

Periode: 1985–

Grondslag: Belastingregeling voor het Koninkrijk, art. 35.4 bij wet van 05-12-1985, Stb. 645

Waardering: B, 4

Handeling: Het, in overleg met de ministers van Financiën van het Koninkrijk, vaststellen welke regelingen – beleid ter uitvoering van de wet daaronder begrepen – in hun geheel of voor bepaalde categorieën van inkomen niet wordt onderworpen aan een tarief dat, of een grondslag die, aanzienlijk afwijkt van het tarief dat, of de grondslag die, in het algemeen geldt voor inwoners van dat land

Periode: 1997–

Grondslag: Belastingregeling voor het Koninkrijk, art. 35b.3 bij wet van 13-12-1996, Stb. 644

Waardering: B, 5

Handeling: Het afwijzen of toewijzen op, en het doen van verzoeken om bijstand bij invordering van belastingschulden in een van de landen

Periode: 1964–

Grondslag: Belastingregeling voor het Koninkrijk, art. 36

Waardering: V, 6 jaar na afhandeling

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van voorschriften ter invordering van belastingschulden

Periode: 1964–

Grondslag: Belastingregeling voor het Koninkrijk, art. 36.3

Waardering: B, 1

Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren ter behandeling van verzoeken om bijstand bij invordering welke gedaan worden door een van de andere landen

Periode: 1964–

Grondslag: Belastingregeling voor het Koninkrijk, art. 36.3

Waardering: V, 10 jaar na intrekking van de aanwijzing

Handeling: Het uitwisselen van inlichtingen met betrokken landen ten behoeve van de uitvoering van de Rijkswet

Periode: 1964–

Grondslag: Belastingregeling voor het Koninkrijk, art. 37.1, art. 37.2 tot wet van 05-12-1985, Stb. 645

Waardering: V, 10 jaar na het verstrekken van de inlichtingen

Handeling: Het overeenkomen met betrokken landen dat in bepaalde gevallen ambtenaren van de Belastingdienst op het grondgebied van een ander land onderzoek mogen verrichten en het vaststellen van regels hiertoe

Periode: 1985–

Grondslag: Belastingregeling voor het Koninkrijk, art. 37.2 bij wet van 05-12-1985, Stb. 645

Waardering: B, 5

Handeling: Het bepalen dat dividend/genoten rente wel/niet voor vrijstelling van de heffing van belasting in aanmerking komt indien deze genoten is door een van de andere landen

Periode: 1964–

Grondslag: Belastingregeling voor het Koninkrijk, art. 41.2

Waardering: B, 5

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van bepalingen in (bestaande) wetgeving betreffende het niet van kracht zijn van gedeelten van de Belastingregeling voor het Koninkrijk

Periode: 1964–

Grondslag: Belastingregeling voor het Koninkrijk, art. 43, 48

Waardering: B, 1

Handeling: Het, gezamenlijk met de andere landen, bepalen dat de Gevolmachtigde Ministers en hun plaatsvervangers als ingezetene worden gerekend van het land waardoor zij zijn uitgezonden

Periode: 1964–

Grondslag: Belastingregeling voor het Koninkrijk, art. 45

Waardering: B, 1

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van Algemene Maatregelen van Rijksbestuur m.b.t. inwerkingtreding van de Rijkswet

Periode: 1964–

Grondslag: Belastingregeling voor het Koninkrijk, art. 47

Waardering: B, 1

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken, vanaf 1970, van de eventuele buitenwerking stelling van deze beschikking

Periode: 1964–

Grondslag: Gezamenlijke Beschikking omtrent winsttoerekening bij verzekeringsondernemingen van 17-12-1964, Stcrt. 255, art. 2.2

Waardering: B, 1

Handeling: Het bepalen, na 1975, dat de Beschikking buiten werking wordt gesteld

Periode: 1975–

Grondslag: Gezamenlijke Beschikking Indische Pensioenen, 15-05-1968 nr. B68/6671, Stcrt. 96, art. 2.2

Waardering: B, 1

Wet tot tijdelijke verhoging of verlaging van belasting op grond van conjuncturele overwegingen

Handeling: Het, in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, opstellen, wijzigen en intrekken van beschikkingen ter tijdelijke verhoging/verlaging van de loonbelasting, inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, omzetbelasting, bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's (later: motorrijtuigen) en accijns op benzine (deze laatste vervalt bij Wet 1972, Stb. 696)

Periode: 1970–

Grondslag: Conjunctuurwet, art. 1.1 en art. 1.4

Waardering: B, 1

Handeling: Het opstellen, wijzigen of intrekken van voorstellen van wet tot goedkeuring/handhaving van de Beschikking, met inbegrip van een overzicht van de recente ontwikkeling van de rijksfinanciën, van de noodzakelijk geachte wijzigingen in de rijksuitgaven alsmede van de voornemens t.a.v. de financiering

Periode: 1970–

Grondslag: Conjunctuurwet, art. 1.3 en 1.6

Waardering: B, 1

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van nadere regels m.b.t.:

1.

de berekening van de verhoogde/verlaagde belastingen op zodanige wijze dat voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting de verhoging of verlaging voor zoveel nodig naar tijdsgelang in aanmerking wordt genomen;

2.

de omzetbelasting, de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de noodzakelijk geachte aanpassingen aan de verhoging of verlaging

Periode: 1970–

Grondslag: Conjunctuurwet, art. 2.1.2.3; lid 3 vervalt bij wet 11-05-2000, Stb. 216

Waardering: B, 1

Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen

Handeling: Het afwijzen of (geheel of gedeeltelijk) toewijzen van verzoeken van andere Staten, evt. na overleg met de Minister van Justitie, om inlichtingen t.b.v. belastingheffing

Periode: 1986–

Grondslag: Wet van 25-04-1986, Stb. 249, art. 5.1, art. 5.6: art. 5.5 bij wet van 16-12-1993, Stb. 650, art. 13.1.2: lid 2 wordt lid 3 en lid 2 wordt tussengevoegd bij wet van 26-06-1996, Stb. 361, art. 14.2

Waardering: V, 10 jaar na afwijzing/toewijzing

Handeling: Het, in overleg met andere Staten, opstellen, wijzigen en intrekken van voorwaarden m.b.t. tot automatische inlichtingenverstrekking t.a.v. bepaalde aangewezen gevallen/groepen van gevallen i.v.m. de belastingheffing

Periode: 1986–

Grondslag: Wet van 25-04-1986, Stb. 249, art. 6

Waardering: B, 1

Handeling: Het uit eigener beweging verstrekken van inlichtingen aan andere Staten i.v.m. de belastingheffing

Periode: 1986–

Grondslag: Wet van 25-04-1986, Stb. 249, art. 7.1

Waardering: V, 10 jaar na verstrekking van de inlichtingen

Handeling: Het wel/niet toestaan dat belastingambtenaren uit EG-lidstaten hier te lande onderzoek doen t.b.v. de belastingheffing

Periode: 1986–

Grondslag: Wet van 25-04-1986, Stb. 249, art. 9.1

Waardering: V, 10 jaar na afsluiten onderzoek

Handeling: Het met een lidstaat van de EG overeenkomen, met inachtneming van EEG-Richtlijn nr. 77/799/EEG, PB EG 1977 L366, van voorwaarden waaronder een belastingambtenaar van dat land op Nederlands gebied onderzoek mag verrichten

Periode: 1986–

Grondslag: Wet van 25-04-1986, Stb. 249, art. 9.3: art. 9.2 bij wet van 26-06-1996, Stb. 361

Waardering: B, 1

Handeling: Het aanwijzen van belastingambtenaren die in het eigen land dan wel in een ander land meewerken aan een onderzoek t.b.v. de inlichtingenverstrekking aan Nederland

Periode: 1986–

Grondslag: Wet van 25-04-1986, Stb. 249, art. 8, 12

Waardering: V, 10 jaar na afsluiten onderzoek

Handeling: Het weigeren en verlenen van/het verzoeken tot het verkrijgen van toestemming aan/van een andere Staat tot het verstrekken van inlichtingen, welke van een andere Staat zijn verkregen, aan een derde Staat

Periode: 1986–

Grondslag: Wet van 25-04-1986, Stb. 249, art. 15

Waardering: V, 10 jaar na verlenen/het verzoeken om toestemming

Wet overgang belastingheffing in euro’s; houdende regels inzake de heffing en de invordering van rijksbelastingen in euro’s. Deze wet is gefaseerd ingevoerd: art. 14 iwtr. 31-12-1998; art. 1 t/m 6, 8, 10 t/m 13, 15 t/m 19 iwtr. 01-01-1999; art. 7 en 9 iwtr. 01-04-1999

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van ministeriële regelingen:

1.

waarin wordt bepaald, in afwijking van art. 2, voor welke belastingen de heffing en de invordering reeds geheel of gedeeltelijk kan plaatsvinden in euro’s;

2.

waarin wordt bepaald dat bedragen in guldens, die worden afgeleid van andere bedragen of die het resultaat zijn van een rekenkundige bewerking van andere bedragen, worden omgerekend in euro’s door dezelfde afleiding of rekenkundige bewerking toe te passen met behulp van de in euro’s omgerekende andere bedragen;

3.

waarin de bedragen worden aangepast genoemd in art. 25a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en art. 10 en 14.4 van de Wet belasting zware motorrijtuigen;

4.

waarin de depositorente van de Europese Centrale Bank wordt aangepast met een aantal procentpunten, indien de geldende depositorente hoger onderscheidenlijk lager is dan het geldende promessedisconto en/of geldende voorschotrente van De Nederlandsche Bank NV;

5.

ter bevordering van een goede uitvoering van deze wet

Periode: 1999–

Grondslag: Wet overgang belastingheffing in euro’s,

1.

art. 3;

2.

art. 5.2;

3.

art. 15, 16;

4.

art. 17.1.3;

5.

art. 18.1

Waardering: B, 1

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van een wetsvoorstel tot goedkeuring van de Regeling ophoging depositorente

Periode: 1999–

Grondslag: Wet overgang belastingheffing in euro’s, art. 18.2

Waardering: B, 1

Wet betreffende de invordering van belastingen en andere overheidsvorderingen (b.w. 01-06-1990)

Invorderingsbepalingen zijn ook opgenomen in andere fiscale wetten en wetten die heffingen regelen of voorschrijven doch in eerste instantie regarderen onder een andere minister of instantie doch waarvan werkzaamheden zijn opgedragen aan de Belastingdienst

Handeling: Het opstellen, wijzigen of intrekken van uitvoeringsvoorschriften:

1.

omtrent inhouding tot verhaal van belasting op bezoldigingen of pensioenen, door het Rijk verschuldigd;

2.

omtrent de bevoegdheid het vanwege onze minister afschrijven (kwijtschelden) van belastingschuld en het verlenen van uitstel van betaling;

3.

m.b.t. de vaststelling van te betalen rente ingeval uitstel van betaling is verleend

Periode: 1945–1990

Grondslag: Wet van 22-05-1845, Stb. 22,

1.

art. 7bis;

2.

art. 17;

3.

art. 17

Waardering: B, 1/5

Handeling: Het verlenen/weigeren van machtigingen aan de Belastingdienst (ontvanger) m.b.t. te ondernemen stappen i.v.m. het toepassen van lijfsdwang t.b.v. de invordering van belastingen

Periode: 1945–1990

Grondslag: Wet van 22-05-1845, Stb. 22, art. 15bis

Waardering: V, 6 jaar na verlenen/weigeren van de machtiging

Handeling: Het geheel of gedeeltelijk afschrijven en het verlenen/weigeren van uitstel van betaling door de minister

Periode: 1945–1990

Grondslag: Wet van 22-05-1845, Stb. 22, art. 17

Waardering: V, 6 jaar na instemming/weigering

Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van enkele EEG-heffingen

(deze wet is van toepassing op de invordering van: restituties, interventies en andere maatregelen die deel uitmaken van financiering door het Europese Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw; landbouwheffingen, rechten van in- en uitvoer; omzetbelasting)

Handeling: Het verzoeken om – verstrekken/weigeren van – inlichtingen van/aan lidstaten van EEG, evt. na overleg met de Minister van Landbouw en Visserij en de Minister van Economische Zaken, i.v.m. invordering van belastingschulden

Periode: 1981–

Grondslag: Wet van 24-10-1979, Stb. 572, art. 3 en art. 5

Waardering: V, 10 jaar na de behandeling/het doen van de verzoeken

Handeling: Het doen, al dan niet namens de Minister van Landbouw en Visserij of de Minister van Economische Zaken, van – behandelen van verzoeken aan/van lidstaten om uitreiking en betekening van schuldvorderingen

Periode: 1981–

Grondslag: Wet van 24-10-1979, Stb. 572, art. 8, 10, 34

Waardering: V, 6 jaar na de behandeling/het doen van de verzoeken

Handeling: Het doen, al dan niet namens de Minister van Landbouw en Visserij of de Minister van Economische Zaken, van – behandelen van verzoeken aan/van lidstaten om invordering van schuldvorderingen, en het verlenen van uitstel van betaling

Periode: 1981–

Grondslag: Wet van 24-10-1979, Stb. 572, art. 12, 15, 19, 34

Waardering: V, 6 jaar na afdoening

Handeling: Het verzoeken, al dan niet namens de Minister van Landbouw en visserij of de Minister van Economische Zaken, om – behandelen van verzoeken aan/van lidstaten om conservatoire maatregelen te treffen i.v.m. waarborging van de invordering van belastingschulden

Periode: 1981–

Grondslag: Wet van 24-10-1979, Stb. 572, art. 25, 28, 34

Waardering: V, 10 jaar na de afhandeling van het verzoek

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van voorschriften, evt. in overleg met de Minister van Landbouw en Visserij en de Minister van Economische Zaken, ter uitvoering van de wet

Periode: 1979–

Grondslag: Wet van 24-10-1979, Stb. 572, art. 41

Waardering: B, 1

Wet inzake invordering van rijksbelastingen, andere dan invoerrechten en accijnzen (invorderingswet 1990). iwtr. 01-06-1990 bij invoeringswet invorderingswet 1990

Invorderingsbepalingen zijn ook opgenomen in andere fiscale wetten en wetten die heffingen regelen of voorschrijven doch in eerste instantie regarderen onder een andere minister of instantie doch waarvan werkzaamheden zijn opgedragen aan de Belastingdienst

Voor handelingen op invorderingsgebied als gevolg van Internationale Overeenkomsten wordt verwezen naar de Hoofdstukken in dit rapport die dat onderdeel behandelen

Handeling: Het bepalen welke directeur, inspecteur of ontvanger bevoegd is

Periode: 1990–

Grondslag: Invorderingswet 1990, art. 5 en art. 62.1: art. 62.1 tot 29-06-1994, hierna art. 56 AWR (bij wet van 29-06-1994, Stb. 499)

Waardering: V, 10 jaar na vaststelling

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van AMvB’s:

1.

houdende regels m.b.t. het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van ten hoogste 10 jaren in die gevallen waarin aanslagen in de rechten van successie of schenking zijn opgelegd en door de voldoening daarvan zonder uitstel een sociaal-economisch dan wel cultureel belang in gevaar zou komen;

2.

houdende regels m.b.t. het verlenen van uitstel van betaling voor belastingaanslagen bij de vaststelling waarvan de Wet Inkomstenbelasting 1964 toepassing heeft gevonden ingeval negatieve persoonlijke verplichtingen voor de heffing in aanmerking genomen worden;

3.

houdende regels m.b.t. het verlenen van uitstel van betaling als bedoeld in artikel 224 van het Communautair douanewetboek;

4.

houdende regels m.b.t. het in rekening brengen van invorderingsrente indien betaling niet plaatsvindt binnen de termijn waarvoor uitstel is verleend;

5.

houdende regels met betrekking tot de inhoud van mededelingen, aard en de inhoud van de te verstrekken inlichtingen en de over te leggen stukken, alsmede de termijnen waarbinnen het doen van mededelingen, het verstrekken van inlichtingen en het overleggen van stukken dienen te geschieden, ingeval de ontvanger dit verlangt van – bestuurders van – lichamen die niet in staat zijn loon- of omzetbelasting te betalen

Periode: 1990–

Grondslag: Invorderingswet 1990,

1.

art. 25.3, bij wet van 12-12-1991, Stb. 697, gewijzigd bij wet van 18-12-1995, Stb. 660;

2.

art. 25.4, bij wet van 12-12-1991, Stb. 697: bij wet van 14-12-2000, Stb. 570 ministeriële regeling, zie handeling 127;

3.

art. 25.5, bij wet van 02-11-1995, Stb. 554: 25.7 bij wet van 14-12-2000, Stb. 570;

4.

art. 28.2, bij wet van 30-05-1990, Stb. 222;

5.

art. 36.2, bij wet van 19-12-1991, Stb. 740

Waardering: B, 1

Handeling: Het wel/niet verlenen van ontheffing m.b.t. beëindiging van uitstel van betaling van belastingen ingeval door aandelenfusie verkregen aandelen of winstbewijzen worden vervreemd binnen 5 jaren na de aandelenfusie

Periode: 1992–1996

Grondslag: Invorderingswet 1990, Stb. 221, art. 25.4.a vanaf wijzigingswet 10-09-1992, Stb. 491, vervalt bij wet van 13-12-1996, Stb. 652

Waardering: V, 10 jaar na verlening/weigering machtiging

Handeling: Het berekenen van het ongewogen gemiddelde effectieve rendement van de laatste drie uitgegeven op de effectenbeurs te Amsterdam genoteerde staatsleningen ter vaststelling van het percentage van de heffingsrente

Periode: 1992–

Grondslag: Invorderingswet 1990, art. 29 bij wet van 30-09-1992, Stb. 508 en 17-12-1998, Stb. 723

Waardering: B, 1

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van regels:

1.

m.b.t. het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van resp. 12 maanden, 10 jaren en 2 jaren mits voldoende zekerheid is gesteld;

2.

m.b.t. gehele of gedeeltelijke kwijtschelding voor belastingplichtigen;

3.

m.b.t. bij de berekening van invorderingsrente toe te passen afrondingen en voor het niet in rekening brengen van invorderingsrente die een bij die regeling bepaald bedrag niet te boven gaat;

4.

m.b.t. doelmatige invordering van invorderingsrente;

5.

m.b.t. de aansprakelijkheid voor de loonbelasting van aannemers die ingevolge een schriftelijke overeenkomst met een onderaannemer het bedrag waarvoor hij aansprakelijk is heeft gestort op een rekening die door die onderaannemer wordt gehouden;

6.

krachtens welke de aansprakelijk gestelde die niet anders dan met buitengewoon bezwaar een belastingaanslag geheel of gedeeltelijk te voldoen, geheel of gedeeltelijk wordt ontslagen van zijn betalingsverplichting;

7.

m.b.t. de uitvoering van de Invorderingswet 1990

Periode: 1990–

Grondslag: Invorderingswet 1990,

1.

resp. art. 25.4, 25.5 en art. 25.6.8.9.11.13.15, bij wet van 14-12-2000, Stb. 570 (art. 25.8 was 25.6 en art. 25.9 was 25.7, omgenummerd bij wet van 14-12-2000, Stb. 570);

2.

art. 26 omgenummerd tot 26.1; 26.2 en 26.3 bij wet van 16-12-1999, Stb. 556, met twk. 01-01-1997; art. 26.4 bij wet van 14-12-2000, Stb. 570;

3+4. art. 31;

5.

art. 34.6 bij wet van 14-05-1998, Stb. 306 en 35.5;

6.

art. 53.3;

7.

art. 69

Waardering: B, 1

Handeling: Het verlenen of weigeren van ontheffingen, aan degenen die belast zijn met de uitvoering van de Invorderingswet 1990, van de geheimhoudingsplicht

Periode: 1990–

Grondslag: Invorderingswet 1990, art. 67

Waardering: V, 10 jaar na het verlenen van de ontheffing/afdoening van het verzoek

Handeling: Het wel/niet verlenen van machtigingen aan de ontvanger om uitstel van betaling wel/niet te beëindigen indien één of meer aandelen of winstbewijzen welke zijn verkregen door aandelenfusie als bedoeld in de Wet Inkomstenbelasting 1964 worden vervreemd binnen vijf jaren na de fusie

Periode: 1992–

Grondslag: Besluit van 30-05-1990, Stb. 223, art. 5a.6 vanaf wijzigingswet van 30-12-1992, Stb. 1993/19, iwtr. per 01-01-1992

Waardering: V, 6 jaar na afhandeling

Wet houdende inwerkingtreding van en aanpassing van wetgeving aan de invorderingswet 1990. (invoeringswet invorderingswet 1990)

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van nadere regels ter zake van belastingaanslagen en andere schuldvorderingen die zijn ontstaan vóór 01-06-1990 tot uitvoering van de Invorderingswet 1990 en daaruit voortkomende regelingen

Periode: 1990–

Grondslag: Invoeringswet Invorderingswet 1990, art. LXI

Waardering: B, 1

Houdende een regeling met betrekking tot de kosten van vervolging inzake rijksbelastingen. (Kostenwet invordering Rijksbelastingen) iwtr. 22-03-1969 bij KB, Stb. 119

Handeling: Het bepalen, in overleg met de ministers van Binnenlandse Zaken, van Verkeer en Waterstaat, en van Sociale Zaken en Volksgezondheid, dat dwangbevelen mogen worden betekend bij een tegen ontvangstbewijs af te geven brief

Periode: 1969–1990

Grondslag: Kostenwet invordering Rijksbelastingen, art. 10, vervallen bij wet van 30-05-1990, Stb. 222

Waardering: B, 5

Wet tot berekening van rente inzake belastingen en premies volksverzekeringen

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van een Koninklijk Besluit houdende de bepaling van het tijdstip inzake de inwerkingtreding van deze wet voor de heffing en invordering

Periode: 1987–

Grondslag: Wet van 26-03-1987, Stb. 120, art. XIII

Waardering: V, 10 jaar na publicatie in de Staatscourant

Wet houdende uitbreiding van de wettelijke en administratieve bevoegdheden der belastingambtenaren

Handeling: Het opdragen van werkzaamheden m.b.t. de belastingheffing aan andere ambtenaren van de Belastingdienst dan die in de belastingwetten en besluiten zijn aangewezen

Periode: 1945–

Grondslag: Wet van 24-12-1927, Stb. 416, art. 1

Waardering: B, 5

Handelingen voortkomende uit het besluit van 17-09-1944, Stb. E 93, houdende vaststelling van het besluit bezettingsmaatregelen (b.w. 1951 (1953), Stb. 25)

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten die handhaving, intrekking en de rechtsgevolgen van bezettingsregelingen en bezettingsbeslissingen regelen

Periode: 1945–1951 (1953)

Grondslag: Besluit Bezettingsmaatregelen art. 15.2, 27

Waardering: B, 1

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van administratieve voorschriften ter richtige uitvoering van de taak, voortvloeiende uit gehandhaafde, ingetrokken en geschorste bezettingsregelingen

Periode: 1945–1951 (1953)

Grondslag: Besluit Bezettingshandelingen, art. 6.2

Waardering: B, 1

Besluit houdende vaststelling van het besluit uitbreiding bevoegdheden belastingambtenaren (b.w. 1945, Stb. F 254 m.i.v. 01-01-1951)

Handeling: Het aanwijzen van:

1.

andere ambtenaren van ’s-⁠Rijksbelastingdienst die in plaats treden van de inspecteur;

2.

andere personen, niet zijnde een ambtenaar, die met machtiging plaatsen mogen betreden, voorwerpen die bij een bewaarder zijn geplaatst mogen openen, èèn en ander ter vaststelling van belastingschulden

Periode: 1945–1950

Grondslag: Besluit van 09-11-1945, Stb. F 254,

1.

art. 1.2, 2.1.2;

2.

art. 3.4

Waardering: V, 10 jaar na intrekking aanwijzing

Handeling: Het opstellen, wijzigen en intrekken van voorschriften:

1.

m.b.t. het verzegelen of onder bewaking stellen van plaatsen en voorwerpen die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van belastingschulden;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)