Besluit van 28 juni 2005, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 11, 20, 22, 32, 34 en 89, van de Zorgverzekeringswet (Besluit zorgverzekering)

Type AMvB
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 146
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De verzekerde van achttien jaar of ouder betaalt een eigen bijdrage voor mondzorg, bedoeld in artikel 2.7, eerste en vijfde lid, onderdeel b.

§ 2. Het eigen risico

§ 1a. Het Zvw-pgb

Hoofdstuk 3. Zorgverzekeraars

§ 1b. De eigen bijdragen

§ 1.1. De onderverdeling van het macro-prestatiebedrag in macro-deelbedragen, de totale geraamde opbrengst van de nominale rekenpremie en de totale geraamde opbrengst van het vrijwillig eigen risico

§ 1.1. De onderverdeling van het macro-prestatiebedrag in macro-deelbedragen, de totale geraamde opbrengst van de nominale rekenpremie en de totale geraamde opbrengst van het verplicht eigen risico

§ 1.3. De herberekening van het normatieve bedrag ten behoeve van een zorgverzekeraar en de vaststelling van de bijdrage aan een zorgverzekeraar

§ 1.2. De verdeling van de macro-deelbedragen en de berekening van het normatieve bedrag ten behoeve van de toekenning van de verevenings-bijdrage (ex ante) aan een zorgverzekeraar

§ 1.2. De verdeling van de macro-deelbedragen en de berekening van het normatieve bedrag ten behoeve van de toekenning van de verevenings-bijdrage (ex ante) aan een zorgverzekeraar

Hoofdstuk 3a. De compensatie voor het verplicht eigen risico

Bijlage 1. van het Besluit zorgverzekering

Bijlage behorende bij artikel 2.6, tweede lid.

  • a. een van de volgende aandoeningen van het zenuwstelsel:
  • 1°. cerebrovasculair accident;
  • 2°. ruggemergaandoening;
  • 3°. multipele sclerose;
  • 4°. perifere zenuwaandoening indien sprake is van motorische uitval;
  • 5°. extrapyramidale aandoening;
  • 6°. motorische retardatie of een ontwikkelingsstoornis van het zenuwstelsel en hij jonger is dan 17 jaar;
  • 7°. aangeboren afwijking van het centraal zenuwstelsel;
  • 8°. cerebellaire aandoening;
  • 9°. uitvalsverschijnselen als gevolg van een tumor in de hersenen of het ruggenmerg dan wel als gevolg van hersenletsel;
  • 10°. radiculair syndroom met motorische uitval;
  • 11°. spierziekte;
  • 12°. myasthenia gravis;
  • b. of een van de volgende aandoeningen van het bewegingsapparaat:
  • 1°. aangeboren afwijking;
  • 2°. progressieve scoliose;
  • 3°. juveniele osteochondrose en hij jonger is dan 22 jaar;
  • 4°. reflexdystrofie;
  • 5°. wervelfractuur als gevolg van osteoporose;
  • 6°. fractuur als gevolg van morbus Kahler, botmetastase of morbus Paget;
  • 7°. frozen shoulder (capsulitis adhaesiva);
  • 8°. reumatoïde artritis of chronische reuma;
  • 9°. chronische artritiden;
  • 10°. spondylitis ankylopoetica (morbus Bechterew);
  • 11°. reactieve artritis;
  • 12°. juveniele chronische artritis;
  • 13°. hyperostotische spondylose (morbus Forestier);
  • 14°. collageenziekten;
  • 15°. status na amputatie;
  • 16°. whiplash;
  • 17°. postpartum bekkeninstabiliteit;
  • 18°. fracturen indien deze conservatief worden behandeld;
  • c. of een van de volgende hartaandoeningen:
  • 1°. myocard-infarct (AMI);
  • 2°. status na coronary artery bypass-operatie (CABG);
  • 3°. status na percutane transluminale coronair angioplastiek (PTCA);
  • 4°. status na hartklepoperatie;
  • 5°. status na operatief gecorrigeerde congenitale afwijkingen;
  • d. of een van de volgende aandoeningen:
  • 1°. chronic obstructive pulmonary disease indien sprake is van een FEV1/VC kleiner dan 60%;
  • 2°. aangeboren afwijking van de tractus respiratorius;
  • 3°. lymfoedeem;
  • 4°. littekenweefsel van de huid al dan niet na een trauma;
  • 5°. status na opname in een ziekenhuis, een verpleeginrichting of een instelling voor revalidatie dan wel na dagbehandeling in een instelling voor revalidatie en de hulp dient ter bespoediging van het herstel na ontslag naar huis of de beëindiging van de dagbehandeling;
  • 6°. claudicatio intermittens (vasculair) graad 2 of 3 Fontaine;
  • 7°. weke delen tumoren;
  • 8°. diffuse interstitiële longaandoening indien sprake is van ventilatoire beperking of diffusiestoornis.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 10, of onderdeel b, subonderdeel 17, is de duur van behandeling maximaal drie maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 18, is de duur van behandeling maximaal zes maanden na conservatieve behandeling.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 7, of onderdeel d, subonderdeel 6, is de duur van behandeling maximaal twaalf maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5, is de duur van de behandeling maximaal twaalf maanden in aansluiting op ontslag naar huis of beëindiging van de behandeling in de instelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 16, is de duur van de behandeling maximaal drie maanden. Indien hierna nog sprake is van de trias bewegingsverlies, conditieverlies en cognitieve stoornissen, kan deze periode verlengd worden met maximaal zes maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 7, is de duur van behandeling maximaal twee jaren na bestraling.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 3a.1

Vervallen

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Bijlage 1. van het Besluit zorgverzekering

Bijlage behorende bij artikel 2.6, tweede lid.

  • a. een van de volgende aandoeningen van het zenuwstelsel:
  • 1°. cerebrovasculair accident;
  • 2°. ruggemergaandoening;
  • 3°. multipele sclerose;
  • 4°. perifere zenuwaandoening indien sprake is van motorische uitval;
  • 5°. extrapyramidale aandoening;
  • 6°. motorische retardatie of een ontwikkelingsstoornis van het zenuwstelsel en hij jonger is dan 17 jaar;
  • 7°. aangeboren afwijking van het centraal zenuwstelsel;
  • 8°. cerebellaire aandoening;
  • 9°. uitvalsverschijnselen als gevolg van een tumor in de hersenen of het ruggenmerg dan wel als gevolg van hersenletsel;
  • 10°. radiculair syndroom met motorische uitval;
  • 11°. spierziekte;
  • 12°. myasthenia gravis;
  • b. of een van de volgende aandoeningen van het bewegingsapparaat:
  • 1°. aangeboren afwijking;
  • 2°. progressieve scoliose;
  • 3°. juveniele osteochondrose en hij jonger is dan 22 jaar;
  • 4°. reflexdystrofie;
  • 5°. wervelfractuur als gevolg van osteoporose;
  • 6°. fractuur als gevolg van morbus Kahler, botmetastase of morbus Paget;
  • 7°. frozen shoulder (capsulitis adhaesiva);
  • 8°. reumatoïde artritis of chronische reuma;
  • 9°. chronische artritiden;
  • 10°. spondylitis ankylopoetica (morbus Bechterew);
  • 11°. reactieve artritis;
  • 12°. juveniele chronische artritis;
  • 13°. hyperostotische spondylose (morbus Forestier);
  • 14°. collageenziekten;
  • 15°. status na amputatie;
  • 16°. whiplash;
  • 17°. postpartum bekkeninstabiliteit;
  • 18°. fracturen indien deze conservatief worden behandeld;
  • c. of een van de volgende hartaandoeningen:
  • 1°. myocard-infarct (AMI);
  • 2°. status na coronary artery bypass-operatie (CABG);
  • 3°. status na percutane transluminale coronair angioplastiek (PTCA);
  • 4°. status na hartklepoperatie;
  • 5°. status na operatief gecorrigeerde congenitale afwijkingen;
  • d. of een van de volgende aandoeningen:
  • 1°. chronic obstructive pulmonary disease indien sprake is van een FEV1/VC kleiner dan 60%;
  • 2°. aangeboren afwijking van de tractus respiratorius;
  • 3°. lymfoedeem;
  • 4°. littekenweefsel van de huid al dan niet na een trauma;
  • 5°. status na opname in een ziekenhuis, een verpleeginrichting of een instelling voor revalidatie dan wel na dagbehandeling in een instelling voor revalidatie en de hulp dient ter bespoediging van het herstel na ontslag naar huis of de beëindiging van de dagbehandeling;
  • 6°. claudicatio intermittens (vasculair) graad 2 of 3 Fontaine;
  • 7°. weke delen tumoren;
  • 8°. diffuse interstitiële longaandoening indien sprake is van ventilatoire beperking of diffusiestoornis.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 10, of onderdeel b, subonderdeel 17, is de duur van behandeling maximaal drie maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 18, is de duur van behandeling maximaal zes maanden na conservatieve behandeling.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 7, of onderdeel d, subonderdeel 6, is de duur van behandeling maximaal twaalf maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5, is de duur van de behandeling maximaal twaalf maanden in aansluiting op ontslag naar huis of beëindiging van de behandeling in de instelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 16, is de duur van de behandeling maximaal drie maanden. Indien hierna nog sprake is van de trias bewegingsverlies, conditieverlies en cognitieve stoornissen, kan deze periode verlengd worden met maximaal zes maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 7, is de duur van behandeling maximaal twee jaren na bestraling.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 2.5a

Zintuiglijk gehandicaptenzorg omvat multidisciplinaire zorg in verband met een visuele beperking, een auditieve beperking, of een communicatieve beperking als gevolg van een taalontwikkelingsstoornis, gericht op het leren omgaan met, het opheffen of het compenseren van de beperking, met als doel de verzekerde zo zelfstandig mogelijk te kunnen laten functioneren.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Bijlage 1. van het Besluit zorgverzekering

Bijlage behorende bij artikel 2.6, tweede lid.

  • a. een van de volgende aandoeningen van het zenuwstelsel:
  • 1°. cerebrovasculair accident;
  • 2°. ruggemergaandoening;
  • 3°. multipele sclerose;
  • 4°. perifere zenuwaandoening indien sprake is van motorische uitval;
  • 5°. extrapyramidale aandoening;
  • 6°. motorische retardatie of een ontwikkelingsstoornis van het zenuwstelsel en hij jonger is dan 17 jaar;
  • 7°. aangeboren afwijking van het centraal zenuwstelsel;
  • 8°. cerebellaire aandoening;
  • 9°. uitvalsverschijnselen als gevolg van een tumor in de hersenen of het ruggenmerg dan wel als gevolg van hersenletsel;
  • 10°. radiculair syndroom met motorische uitval;
  • 11°. spierziekte;
  • 12°. myasthenia gravis;
  • b. of een van de volgende aandoeningen van het bewegingsapparaat:
  • 1°. aangeboren afwijking;
  • 2°. progressieve scoliose;
  • 3°. juveniele osteochondrose en hij jonger is dan 22 jaar;
  • 4°. reflexdystrofie;
  • 5°. wervelfractuur als gevolg van osteoporose;
  • 6°. fractuur als gevolg van morbus Kahler, botmetastase of morbus Paget;
  • 7°. frozen shoulder (capsulitis adhaesiva);
  • 8°. reumatoïde artritis of chronische reuma;
  • 9°. chronische artritiden;
  • 10°. spondylitis ankylopoetica (morbus Bechterew);
  • 11°. reactieve artritis;
  • 12°. juveniele chronische artritis;
  • 13°. hyperostotische spondylose (morbus Forestier);
  • 14°. collageenziekten;
  • 15°. status na amputatie;
  • 16°. whiplash;
  • 17°. postpartum bekkeninstabiliteit;
  • 18°. fracturen indien deze conservatief worden behandeld;
  • c. of een van de volgende hartaandoeningen:
  • 1°. myocard-infarct (AMI);
  • 2°. status na coronary artery bypass-operatie (CABG);
  • 3°. status na percutane transluminale coronair angioplastiek (PTCA);
  • 4°. status na hartklepoperatie;
  • 5°. status na operatief gecorrigeerde congenitale afwijkingen;
  • d. of een van de volgende aandoeningen:
  • 1°. chronic obstructive pulmonary disease indien sprake is van een FEV1/VC kleiner dan 60%;
  • 2°. aangeboren afwijking van de tractus respiratorius;
  • 3°. lymfoedeem;
  • 4°. littekenweefsel van de huid al dan niet na een trauma;
  • 5°. status na opname in een ziekenhuis, een verpleeginrichting of een instelling voor revalidatie dan wel na dagbehandeling in een instelling voor revalidatie en de hulp dient ter bespoediging van het herstel na ontslag naar huis of de beëindiging van de dagbehandeling;
  • 6°. claudicatio intermittens (vasculair) graad 2 of 3 Fontaine;
  • 7°. weke delen tumoren;
  • 8°. diffuse interstitiële longaandoening indien sprake is van ventilatoire beperking of diffusiestoornis.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 10, of onderdeel b, subonderdeel 17, is de duur van behandeling maximaal drie maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 18, is de duur van behandeling maximaal zes maanden na conservatieve behandeling.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 7, of onderdeel d, subonderdeel 6, is de duur van behandeling maximaal twaalf maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5, is de duur van de behandeling maximaal twaalf maanden in aansluiting op ontslag naar huis of beëindiging van de behandeling in de instelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 16, is de duur van de behandeling maximaal drie maanden. Indien hierna nog sprake is van de trias bewegingsverlies, conditieverlies en cognitieve stoornissen, kan deze periode verlengd worden met maximaal zes maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 7, is de duur van behandeling maximaal twee jaren na bestraling.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

§ 1.2. De verdeling van de macro-deelbedragen en de berekening van het normatieve bedrag ten behoeve van de toekenning van de verevenings-bijdrage (ex ante) aan een zorgverzekeraar

Artikel 3.2

Het College zorgverzekeringen verdeelt de in artikel 3.1 genoemde macro-deelbedragen elk volgens de artikelen 3.3 tot en met 3.6 in deelbedragen voor iedere zorgverzekeraar.

§ 1.1. De onderverdeling van het macro-prestatiebedrag in macro-deelbedragen, de totale geraamde opbrengst van de nominale rekenpremie en de totale geraamde opbrengst van het verplicht eigen risico

Artikel 3.8
1.

Ter herberekening van de bijdrage, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet, vindt een herberekening plaats van de gewichten, genoemd in de artikelen 3.3 en 3.6, rekening houdend met de verwachte financiële gevolgen van de toepassing van een specifieke compensatie van hoge kosten voor groepen van verzekerden naar leeftijd en geslacht, FKG’s, DKG’s, aard van het inkomen en regio.

2.

Ter herberekening van de bijdrage, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet vindt een herberekening plaats van de gewichten, genoemd in artikel 3.5, rekening houdend met de verwachte financiële gevolgen van de toepassing van een specifieke compensatie van hoge kosten voor groepen van verzekerden naar leeftijd en geslacht, en regio.

3.

Ter herberekening van de bijdrage, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet, herberekent het College zorgverzekeringen het normatieve bedrag ten behoeve van een zorgverzekeraar. Het College zorgverzekeringen baseert de herberekening van het normatieve bedrag op de ingevolge dit besluit voor de onderscheiden deelbedragen relevante gegevens over het betreffende jaar. Indien zulks naar zijn oordeel is aangewezen, kan het College zorgverzekeringen in afwijking van de tweede volzin bepalen dat voor door hem aan te geven herberekeningen niet wordt uitgegaan van de resultaten in het betreffende jaar maar van de resultaten in een daaraan al dan niet onmiddellijk voorafgaand jaar.

4.

Het College zorgverzekeringen deelt de vergoede kosten van ziekenhuisverpleging en specialistische hulp verleend door instellingen in het buitenland, overeenkomstig een bij ministeriële regeling te bepalen verdeelsleutel toe aan de variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp, onderscheidenlijk aan de vaste kosten van ziekenhuisverpleging.

5.

Indien uit de specificatie van de kosten van in het buitenland verleende hulp niet blijkt om welke soort prestatie het gaat, deelt het College zorgverzekeringen de vergoede kosten overeenkomstig een bij ministeriële regeling te bepalen verdeelsleutel toe aan de kosten voor overige prestaties, variabele kosten van ziekenhuisverpleging en specialistische hulp en vaste kosten van ziekenhuisverpleging.

Artikel 3.9
1.

Het College zorgverzekeringen merkt voor een bij ministeriële regeling te bepalen gedeelte van de verschillende geldende tarieven binnen de kosten van ziekenhuisverpleging, kosten aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp.

2.

Het College zorgverzekeringen merkt de declaraties van specialisten volledig aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp.

3.

Het College zorgverzekeringen past op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze hogekostencompensatie toe.

4.

Na toepassing van het derde lid past het College zorgverzekeringen in een bij ministeriële regeling te bepalen mate generieke verevening toe.

5.

Het College zorgverzekeringen calculeert ten slotte in een bij ministeriële regeling te bepalen mate na op het verschil tussen de variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp, en het resultaat na toepassing van het vierde lid.

Artikel 3.10
1.

Het College zorgverzekeringen merkt voor een bij ministeriële regeling te bepalen gedeelte van de verschillende geldende tarieven binnen de kosten van ziekenhuisverpleging, die kosten aan als vaste kosten van ziekenhuisverpleging.

2.

Het College zorgverzekeringen calculeert in een bij ministeriële regeling te bepalen mate na het verschil tussen de vaste kosten van ziekenhuisverpleging vastgesteld ingevolge het eerste lid en het deelbedrag vaste kosten van ziekenhuisverpleging in het betreffende jaar.

Artikel 3.19
1.

Het Zorginstituut brengt vervolgens op het normatieve bedrag, bedoeld in artikel 3.18, in mindering de voor de zorgverzekeraar naar gerealiseerde verzekerdenaantallen berekende opbrengst van de nominale rekenpremie en de voor de zorgverzekeraar naar gerealiseerde verzekerdenaantallen genormeerde opbrengst van het verplicht eigen risico.

2.

De berekening van de naar gerealiseerde verzekerdenaantallen berekende opbrengst van de nominale rekenpremie en van de naar gerealiseerde verzekerdenaantallen genormeerde opbrengst van het verplicht eigen risico, vindt plaats op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze.

3.

De berekening van de voor de zorgverzekeraar naar gerealiseerde verzekerdenaantallen genormeerde opbrengst van het verplicht eigen risico over het vereveningsjaar 2021, vindt, in afwijking van het tweede lid, op de volgende wijze plaats:

  • a. het Zorginstituut vermenigvuldigt de uitkomst voor het verplicht eigen risico van de berekening, bedoeld in het tweede lid, voor de zorgverzekeraar over het vereveningsjaar 2021, met het quotiënt van de gesommeerde door de zorgverzekeraars gerealiseerde opbrengsten van het verplicht eigen risico en van de gesommeerde uitkomsten voor het verplicht eigen risico, van de berekening, bedoeld in het tweede lid, voor de zorgverzekeraars;
  • b. het Zorginstituut vermindert de onder a verkregen uitkomst met een bedrag dat het als volgt berekent:
  • 1°. het Zorginstituut bepaalt het verschil tussen de gesommeerde door de zorgverzekeraars over het vereveningsjaar 2021 gerealiseerde opbrengsten van het verplicht eigen risico en van de gesommeerde uitkomsten voor het verplicht eigen risico, van de berekening, bedoeld in het tweede lid, voor de zorgverzekeraars;
  • 2°. het Zorginstituut vermenigvuldigt de onder 1° verkregen uitkomst met 0,15;
  • 3°. het Zorginstituut deelt de onder 2° verkregen uitkomst door het totale aantal in het vereveningsjaar 2021 ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is;
  • 4°. het Zorginstituut vermenigvuldigt de onder 3° verkregen uitkomst met het aantal in het vereveningsjaar 2021 bij die verzekeraar ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder, waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.
4.

De berekening van de voor de zorgverzekeraar naar gerealiseerde verzekerdenaantallen genormeerde opbrengst van het verplicht eigen risico over het vereveningsjaar 2022, vindt, in afwijking van het tweede lid, op de volgende wijze plaats:

  • a. het Zorginstituut vermenigvuldigt de uitkomst voor het verplicht eigen risico van de berekening, bedoeld in het tweede lid, voor de zorgverzekeraar over het vereveningsjaar 2022, met het quotiënt van de gesommeerde door de zorgverzekeraars gerealiseerde opbrengsten van het verplicht eigen risico en van de gesommeerde uitkomsten voor het verplicht eigen risico, van de berekening, bedoeld in het tweede lid, voor de zorgverzekeraars;
  • b. het Zorginstituut vermindert de onder a verkregen uitkomst met een bedrag dat het als volgt berekent:
  • 1°. het Zorginstituut bepaalt het verschil tussen de gesommeerde door de zorgverzekeraars over het vereveningsjaar 2022 gerealiseerde opbrengsten van het verplicht eigen risico en van de gesommeerde uitkomsten voor het verplicht eigen risico, van de berekening, bedoeld in het tweede lid, voor de zorgverzekeraars;
  • 2°. het Zorginstituut vermenigvuldigt de onder 1° verkregen uitkomst met 0,30;
  • 3°. het Zorginstituut deelt de onder 2° verkregen uitkomst door het totale aantal in het vereveningsjaar 2022 ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is;
  • 4°. het Zorginstituut vermenigvuldigt de onder 3° verkregen uitkomst met het aantal in het vereveningsjaar 2022 bij die verzekeraar ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder, waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.
5.

Het Zorginstituut laat de gerealiseerde opbrengsten van het verplicht eigen risico ten gevolge van een catastrofe als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel a, van de wet over het vereveningsjaar 2021, buiten beschouwing.

6.

Het Zorginstituut stelt de vereveningsbijdrage vast op de uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid.

7.

Het Zorginstituut deelt aan de zorgverzekeraar het normatieve bedrag, bedoeld in artikel 3.18, en de vastgestelde vereveningsbijdrage, bedoeld in het zesde lid, mee en geeft hierbij aan welke bedragen, bedoeld in het eerste lid, bij de vaststelling van de vereveningsbijdrage zijn betrokken.

§ 1.3. De herberekening van het normatieve bedrag ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage (ex post) aan een zorgverzekeraar

Artikel 3.14
1.

Waar het College zorgverzekeringen bij de berekening en de vaststelling van het normatieve bedrag ten behoeve van een zorgverzekeraar gebruik maakt van historische gegevens, kan hij, indien die gegevens niet beschikbaar zijn, uitgaan van een andere basis die een goede benadering geeft van de ontbrekende historische gegevens.

2.

Indien het toepassen van historische gegevens tot onredelijke en niet-beoogde uitkomsten leidt, is het College zorgverzekeringen bevoegd om uit te gaan van een alternatieve basis.

Artikel 3.20
1.

Het Zorginstituut kan het normatieve bedrag, bedoeld in artikel 3.18, en de vereveningsbijdrage, bedoeld in artikel 3.19, ten behoeve van een zorgverzekeraar voorlopig vaststellen.

2.

Het Zorginstituut kan bij een voorlopige vaststelling als bedoeld in het eerste lid de nacalculatie, bedoeld in artikel 3.15, achterwege laten.

3.

Het Zorginstituut past bij een voorlopige vaststelling als bedoeld in het eerste lid indien dat instituut de hogekostencompensatie, bedoeld in artikel 3.12a, achterwege heeft gelaten, in afwijking van artikel 3.16, dat artikel toe op het verschil tussen enerzijds het na toepassing van artikel 3.12 resulterende deelbedrag voor het cluster «kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg», en anderzijds de gerealiseerde kosten voor dat cluster.

4.

Artikel 3.19, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.21
1.

Waar het Zorginstituut bij de berekening van het normatieve bedrag, bedoeld in artikel 3.9 of 3.18, ten behoeve van een zorgverzekeraar gebruik maakt van historische gegevens, kan hij, indien die gegevens niet beschikbaar zijn, uitgaan van een andere basis die een goede benadering geeft van de ontbrekende historische gegevens.

2.

Indien het toepassen van historische gegevens tot onredelijke en niet-beoogde uitkomsten leidt, is het Zorginstituut bevoegd om uit te gaan van een alternatieve basis.

§ 1.4. Nadere bepalingen met betrekking tot §1.3

Artikel 3.15
1.

In aanvulling op de bijdrage, bedoeld in de artikelen 3.7 en 3.13, verstrekt het College zorgverzekeringen een uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan 18 jaar.

2.

De uitkering is gelijk aan een vast bedrag maal het aantal verzekerden jonger dan 18 jaar op peilmoment 1 juli van het betreffende jaar.

3.

De hoogte van het vaste bedrag per verzekerde jonger dan 18 jaar wordt jaarlijks bij ministeriële regeling bepaald.

Artikel 3.16
1.

In aanvulling op de bijdrage bedoeld in de artikelen 3.7 en 3.13, kan het College zorgverzekeringen een uitkering verstrekken in verband met een substantieel of structureel verschil tussen kosten en deelbedrag per verzekeraar dat rechtstreeks verband houdt met hogere kosten van verzekerden als gevolg van een zeer uitzonderlijke omstandigheid.

2.

Ingevolge het eerste lid worden geen uitkeringen verstrekt dan nadat bij ministeriële regeling is vastgesteld dat sprake is van een nationale ramp die niet opgevangen kan worden binnen de reguliere wijze van vaststelling van de bijdrage aan zorgverzekeraars.

3.

Bij ministeriële regeling wordt de wijze waarop het College zorgverzekeringen de uitkering, bedoeld in het eerste lid, vaststelt, geregeld.

Artikel 3.17

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de bijdrage, bedoeld in de artikelen 3.7 en 3.13, wordt verlaagd met de specifiek voor de verzekeraar geraamde betaling van het verplicht eigen risico en dat het College zorgverzekeringen bij het in mindering brengen van de geraamde opbrengst van de nominale rekenpremie op het berekende normatieve bedrag niet verlaagt met het gemiddeld te betalen bedrag aan verplicht eigen risico.

Artikel 3.18
1.

In aanvulling op de bijdrage, bedoeld in artikel 3.13, verstrekt het College zorgverzekeringen een bijdrage voor het onder de dekking van de zorgverzekering houden van verzekerden ten aanzien van wie niet aan de premieplicht, bedoeld in artikel 16 van de wet, is voldaan.

2.

De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts verstrekt indien:

  • a. een premieschuld bestaat van zes maal de premie op maandbasis of meer;
  • b. de zorgverzekeraar ten aanzien van verzekerden met premieschuld handelt volgens de terzake door de zorgverzekeraars vastgestelde regels dan wel anderszins aantoont zich voldoende te hebben ingespannen om te komen tot inning van de verschuldigde premie en
  • c. de zorgverzekering, nadat de onder a bedoelde situatie is ontstaan, gedurende het resterende deel van het kalenderjaar niet door de zorgverzekeraar is opgezegd of ontbonden, noch de dekking ervan is geschorst of beperkt.
3.

De omvang van de bijdrage wordt bij ministeriële regeling bepaald.

Artikel 3.22
1.

In aanvulling op de vereveningsbijdrage, bedoeld in de artikelen 3.10 en 3.19, verstrekt het Zorginstituut een uitkering in verband met uitvoeringskosten voor verzekerden jonger dan achttien jaar.

2.

De uitkering is gelijk aan een jaarlijks bij ministeriële regeling te bepalen bedrag, vermenigvuldigd met het aantal verzekerden jonger dan achttien jaar op 1 juli van het jaar waarop de vereveningsbijdrage betrekking heeft.

Artikel 3.23
1.

In aanvulling op de vereveningsbijdrage, bedoeld in de artikelen 3.10 en 3.19, kan het Zorginstituut een bijdrage verstrekken in verband met een substantieel verschil tussen kosten en deelbedrag per verzekeraar dat rechtstreeks verband houdt met hogere kosten van verzekerden als gevolg van een zeer uitzonderlijke omstandigheid.

2.

Ingevolge het eerste lid worden geen bijdragen verstrekt dan nadat bij ministeriële regeling is vastgesteld dat sprake is van een ramp die niet opgevangen kan worden binnen de reguliere wijze van vaststelling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraars.

3.

Bij ministeriële regeling wordt de wijze waarop het Zorginstituut de bijdrage, bedoeld in het eerste lid vaststelt, geregeld.

Artikel 3.24

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de berekening van de bijdragen, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de wet, voor zover het de vaststelling betreft van de bijdragen die het Zorginstituut op grond van artikel 33 van de wet heeft toegekend.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Bijlage 1. van het Besluit zorgverzekering

Bijlage behorende bij artikel 2.6, tweede lid.

  • a. een van de volgende aandoeningen van het zenuwstelsel:
  • 1°. cerebrovasculair accident;
  • 2°. ruggemergaandoening;
  • 3°. multipele sclerose;
  • 4°. perifere zenuwaandoening indien sprake is van motorische uitval;
  • 5°. extrapyramidale aandoening;
  • 6°. motorische retardatie of een ontwikkelingsstoornis van het zenuwstelsel en hij jonger is dan 17 jaar;
  • 7°. aangeboren afwijking van het centraal zenuwstelsel;
  • 8°. cerebellaire aandoening;
  • 9°. uitvalsverschijnselen als gevolg van een tumor in de hersenen of het ruggenmerg dan wel als gevolg van hersenletsel;
  • 10°. radiculair syndroom met motorische uitval;
  • 11°. spierziekte;
  • 12°. myasthenia gravis;
  • b. of een van de volgende aandoeningen van het bewegingsapparaat:
  • 1°. aangeboren afwijking;
  • 2°. progressieve scoliose;
  • 3°. juveniele osteochondrose en hij jonger is dan 22 jaar;
  • 4°. reflexdystrofie;
  • 5°. wervelfractuur als gevolg van osteoporose;
  • 6°. fractuur als gevolg van morbus Kahler, botmetastase of morbus Paget;
  • 7°. frozen shoulder (capsulitis adhaesiva);
  • 8°. reumatoïde artritis of chronische reuma;
  • 9°. chronische artritiden;
  • 10°. spondylitis ankylopoetica (morbus Bechterew);
  • 11°. reactieve artritis;
  • 12°. juveniele chronische artritis;
  • 13°. hyperostotische spondylose (morbus Forestier);
  • 14°. collageenziekten;
  • 15°. status na amputatie;
  • 16°. whiplash;
  • 17°. postpartum bekkeninstabiliteit;
  • 18°. fracturen indien deze conservatief worden behandeld;
  • c. of een van de volgende hartaandoeningen:
  • 1°. myocard-infarct (AMI);
  • 2°. status na coronary artery bypass-operatie (CABG);
  • 3°. status na percutane transluminale coronair angioplastiek (PTCA);
  • 4°. status na hartklepoperatie;
  • 5°. status na operatief gecorrigeerde congenitale afwijkingen;
  • d. of een van de volgende aandoeningen:
  • 1°. chronic obstructive pulmonary disease indien sprake is van een FEV1/VC kleiner dan 60%;
  • 2°. aangeboren afwijking van de tractus respiratorius;
  • 3°. lymfoedeem;
  • 4°. littekenweefsel van de huid al dan niet na een trauma;
  • 5°. status na opname in een ziekenhuis, een verpleeginrichting of een instelling voor revalidatie dan wel na dagbehandeling in een instelling voor revalidatie en de hulp dient ter bespoediging van het herstel na ontslag naar huis of de beëindiging van de dagbehandeling;
  • 6°. claudicatio intermittens (vasculair) graad 2 of 3 Fontaine;
  • 7°. weke delen tumoren;
  • 8°. diffuse interstitiële longaandoening indien sprake is van ventilatoire beperking of diffusiestoornis.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 10, of onderdeel b, subonderdeel 17, is de duur van behandeling maximaal drie maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 18, is de duur van behandeling maximaal zes maanden na conservatieve behandeling.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 7, of onderdeel d, subonderdeel 6, is de duur van behandeling maximaal twaalf maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5, is de duur van de behandeling maximaal twaalf maanden in aansluiting op ontslag naar huis of beëindiging van de behandeling in de instelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 16, is de duur van de behandeling maximaal drie maanden. Indien hierna nog sprake is van de trias bewegingsverlies, conditieverlies en cognitieve stoornissen, kan deze periode verlengd worden met maximaal zes maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 7, is de duur van behandeling maximaal twee jaren na bestraling.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

§ 1.1. De onderverdeling van het macro-prestatiebedrag in macro-deelbedragen, de totale geraamde opbrengst van de nominale rekenpremie en de totale geraamde opbrengst van het verplicht eigen risico

§ 1.4. Nadere bepalingen met betrekking tot §1.3

§ 1.3. De herberekening van het normatieve bedrag ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage (ex post) aan een zorgverzekeraar

Hoofdstuk 3a. De compensatie voor het verplicht eigen risico

Hoofdstuk 3a. De compensatie voor het verplicht eigen risico

Hoofdstuk 3a. De compensatie voor het verplicht eigen risico

Bijlage 1. van het Besluit zorgverzekering

Bijlage behorende bij artikel 2.6, tweede lid.

  • a. een van de volgende aandoeningen van het zenuwstelsel:
  • 1°. cerebrovasculair accident;
  • 2°. ruggemergaandoening;
  • 3°. multipele sclerose;
  • 4°. perifere zenuwaandoening indien sprake is van motorische uitval;
  • 5°. extrapyramidale aandoening;
  • 6°. motorische retardatie of een ontwikkelingsstoornis van het zenuwstelsel en hij jonger is dan 17 jaar;
  • 7°. aangeboren afwijking van het centraal zenuwstelsel;
  • 8°. cerebellaire aandoening;
  • 9°. uitvalsverschijnselen als gevolg van een tumor in de hersenen of het ruggenmerg dan wel als gevolg van hersenletsel;
  • 10°. radiculair syndroom met motorische uitval;
  • 11°. spierziekte;
  • 12°. myasthenia gravis;
  • b. of een van de volgende aandoeningen van het bewegingsapparaat:
  • 1°. aangeboren afwijking;
  • 2°. progressieve scoliose;
  • 3°. juveniele osteochondrose en hij jonger is dan 22 jaar;
  • 4°. reflexdystrofie;
  • 5°. wervelfractuur als gevolg van osteoporose;
  • 6°. fractuur als gevolg van morbus Kahler, botmetastase of morbus Paget;
  • 7°. frozen shoulder (capsulitis adhaesiva);
  • 8°. reumatoïde artritis of chronische reuma;
  • 9°. chronische artritiden;
  • 10°. spondylitis ankylopoetica (morbus Bechterew);
  • 11°. reactieve artritis;
  • 12°. juveniele chronische artritis;
  • 13°. hyperostotische spondylose (morbus Forestier);
  • 14°. collageenziekten;
  • 15°. status na amputatie;
  • 16°. whiplash;
  • 17°. postpartum bekkeninstabiliteit;
  • 18°. fracturen indien deze conservatief worden behandeld;
  • c. of een van de volgende hartaandoeningen:
  • 1°. myocard-infarct (AMI);
  • 2°. status na coronary artery bypass-operatie (CABG);
  • 3°. status na percutane transluminale coronair angioplastiek (PTCA);
  • 4°. status na hartklepoperatie;
  • 5°. status na operatief gecorrigeerde congenitale afwijkingen;
  • d. of een van de volgende aandoeningen:
  • 1°. chronic obstructive pulmonary disease indien sprake is van een FEV1/VC kleiner dan 60%;
  • 2°. aangeboren afwijking van de tractus respiratorius;
  • 3°. lymfoedeem;
  • 4°. littekenweefsel van de huid al dan niet na een trauma;
  • 5°. status na opname in een ziekenhuis, een verpleeginrichting of een instelling voor revalidatie dan wel na dagbehandeling in een instelling voor revalidatie en de hulp dient ter bespoediging van het herstel na ontslag naar huis of de beëindiging van de dagbehandeling;
  • 6°. claudicatio intermittens (vasculair) graad 2 of 3 Fontaine;
  • 7°. weke delen tumoren;
  • 8°. diffuse interstitiële longaandoening indien sprake is van ventilatoire beperking of diffusiestoornis.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 10, of onderdeel b, subonderdeel 17, is de duur van behandeling maximaal drie maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 18, is de duur van behandeling maximaal zes maanden na conservatieve behandeling.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 7, of onderdeel d, subonderdeel 6, is de duur van behandeling maximaal twaalf maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5, is de duur van de behandeling maximaal twaalf maanden in aansluiting op ontslag naar huis of beëindiging van de behandeling in de instelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 16, is de duur van de behandeling maximaal drie maanden. Indien hierna nog sprake is van de trias bewegingsverlies, conditieverlies en cognitieve stoornissen, kan deze periode verlengd worden met maximaal zes maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 7, is de duur van behandeling maximaal twee jaren na bestraling.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 3b.1

Als vormen van zorg als bedoeld in artikel 122a, tweede lid, van de wet worden aangewezen:

  • a. genderbehandelingen;
  • b. in-vitrofertilisatiebehandelingen.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Bijlage 1. van het Besluit zorgverzekering

Bijlage behorende bij artikel 2.6, tweede lid.

  • a. een van de volgende aandoeningen van het zenuwstelsel:
  • 1°. cerebrovasculair accident;
  • 2°. ruggemergaandoening;
  • 3°. multipele sclerose;
  • 4°. perifere zenuwaandoening indien sprake is van motorische uitval;
  • 5°. extrapyramidale aandoening;
  • 6°. motorische retardatie of een ontwikkelingsstoornis van het zenuwstelsel en hij jonger is dan 17 jaar;
  • 7°. aangeboren afwijking van het centraal zenuwstelsel;
  • 8°. cerebellaire aandoening;
  • 9°. uitvalsverschijnselen als gevolg van een tumor in de hersenen of het ruggenmerg dan wel als gevolg van hersenletsel;
  • 10°. radiculair syndroom met motorische uitval;
  • 11°. spierziekte;
  • 12°. myasthenia gravis;
  • b. of een van de volgende aandoeningen van het bewegingsapparaat:
  • 1°. aangeboren afwijking;
  • 2°. progressieve scoliose;
  • 3°. juveniele osteochondrose en hij jonger is dan 22 jaar;
  • 4°. reflexdystrofie;
  • 5°. wervelfractuur als gevolg van osteoporose;
  • 6°. fractuur als gevolg van morbus Kahler, botmetastase of morbus Paget;
  • 7°. frozen shoulder (capsulitis adhaesiva);
  • 8°. reumatoïde artritis of chronische reuma;
  • 9°. chronische artritiden;
  • 10°. spondylitis ankylopoetica (morbus Bechterew);
  • 11°. reactieve artritis;
  • 12°. juveniele chronische artritis;
  • 13°. hyperostotische spondylose (morbus Forestier);
  • 14°. collageenziekten;
  • 15°. status na amputatie;
  • 16°. whiplash;
  • 17°. postpartum bekkeninstabiliteit;
  • 18°. fracturen indien deze conservatief worden behandeld;
  • c. of een van de volgende hartaandoeningen:
  • 1°. myocard-infarct (AMI);
  • 2°. status na coronary artery bypass-operatie (CABG);
  • 3°. status na percutane transluminale coronair angioplastiek (PTCA);
  • 4°. status na hartklepoperatie;
  • 5°. status na operatief gecorrigeerde congenitale afwijkingen;
  • d. of een van de volgende aandoeningen:
  • 1°. chronic obstructive pulmonary disease indien sprake is van een FEV1/VC kleiner dan 60%;
  • 2°. aangeboren afwijking van de tractus respiratorius;
  • 3°. lymfoedeem;
  • 4°. littekenweefsel van de huid al dan niet na een trauma;
  • 5°. status na opname in een ziekenhuis, een verpleeginrichting of een instelling voor revalidatie dan wel na dagbehandeling in een instelling voor revalidatie en de hulp dient ter bespoediging van het herstel na ontslag naar huis of de beëindiging van de dagbehandeling;
  • 6°. claudicatio intermittens (vasculair) graad 2 of 3 Fontaine;
  • 7°. weke delen tumoren;
  • 8°. diffuse interstitiële longaandoening indien sprake is van ventilatoire beperking of diffusiestoornis.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 10, of onderdeel b, subonderdeel 17, is de duur van behandeling maximaal drie maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 18, is de duur van behandeling maximaal zes maanden na conservatieve behandeling.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 7, of onderdeel d, subonderdeel 6, is de duur van behandeling maximaal twaalf maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5, is de duur van de behandeling maximaal twaalf maanden in aansluiting op ontslag naar huis of beëindiging van de behandeling in de instelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 16, is de duur van de behandeling maximaal drie maanden. Indien hierna nog sprake is van de trias bewegingsverlies, conditieverlies en cognitieve stoornissen, kan deze periode verlengd worden met maximaal zes maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 7, is de duur van behandeling maximaal twee jaren na bestraling.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 3a.2

Vervallen

Artikel 3a.3

Vervallen

Artikel 3a.4

Vervallen

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Hoofdstuk 3a. De compensatie voor het verplicht eigen risico

Bijlage 1. van het Besluit zorgverzekering

Bijlage behorende bij artikel 2.6, tweede lid.

  • a. een van de volgende aandoeningen van het zenuwstelsel:
  • 1°. cerebrovasculair accident;
  • 2°. ruggemergaandoening;
  • 3°. multipele sclerose;
  • 4°. perifere zenuwaandoening indien sprake is van motorische uitval;
  • 5°. extrapyramidale aandoening;
  • 6°. motorische retardatie of een ontwikkelingsstoornis van het zenuwstelsel en hij jonger is dan 17 jaar;
  • 7°. aangeboren afwijking van het centraal zenuwstelsel;
  • 8°. cerebellaire aandoening;
  • 9°. uitvalsverschijnselen als gevolg van een tumor in de hersenen of het ruggenmerg dan wel als gevolg van hersenletsel;
  • 10°. radiculair syndroom met motorische uitval;
  • 11°. spierziekte;
  • 12°. myasthenia gravis;
  • b. of een van de volgende aandoeningen van het bewegingsapparaat:
  • 1°. aangeboren afwijking;
  • 2°. progressieve scoliose;
  • 3°. juveniele osteochondrose en hij jonger is dan 22 jaar;
  • 4°. reflexdystrofie;
  • 5°. wervelfractuur als gevolg van osteoporose;
  • 6°. fractuur als gevolg van morbus Kahler, botmetastase of morbus Paget;
  • 7°. frozen shoulder (capsulitis adhaesiva);
  • 8°. reumatoïde artritis of chronische reuma;
  • 9°. chronische artritiden;
  • 10°. spondylitis ankylopoetica (morbus Bechterew);
  • 11°. reactieve artritis;
  • 12°. juveniele chronische artritis;
  • 13°. hyperostotische spondylose (morbus Forestier);
  • 14°. collageenziekten;
  • 15°. status na amputatie;
  • 16°. whiplash;
  • 17°. postpartum bekkeninstabiliteit;
  • 18°. fracturen indien deze conservatief worden behandeld;
  • c. of een van de volgende hartaandoeningen:
  • 1°. myocard-infarct (AMI);
  • 2°. status na coronary artery bypass-operatie (CABG);
  • 3°. status na percutane transluminale coronair angioplastiek (PTCA);
  • 4°. status na hartklepoperatie;
  • 5°. status na operatief gecorrigeerde congenitale afwijkingen;
  • d. of een van de volgende aandoeningen:
  • 1°. chronic obstructive pulmonary disease indien sprake is van een FEV1/VC kleiner dan 60%;
  • 2°. aangeboren afwijking van de tractus respiratorius;
  • 3°. lymfoedeem;
  • 4°. littekenweefsel van de huid al dan niet na een trauma;
  • 5°. status na opname in een ziekenhuis, een verpleeginrichting of een instelling voor revalidatie dan wel na dagbehandeling in een instelling voor revalidatie en de hulp dient ter bespoediging van het herstel na ontslag naar huis of de beëindiging van de dagbehandeling;
  • 6°. claudicatio intermittens (vasculair) graad 2 of 3 Fontaine;
  • 7°. weke delen tumoren;
  • 8°. diffuse interstitiële longaandoening indien sprake is van ventilatoire beperking of diffusiestoornis.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 10, of onderdeel b, subonderdeel 17, is de duur van behandeling maximaal drie maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 18, is de duur van behandeling maximaal zes maanden na conservatieve behandeling.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 7, of onderdeel d, subonderdeel 6, is de duur van behandeling maximaal twaalf maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5, is de duur van de behandeling maximaal twaalf maanden in aansluiting op ontslag naar huis of beëindiging van de behandeling in de instelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 16, is de duur van de behandeling maximaal drie maanden. Indien hierna nog sprake is van de trias bewegingsverlies, conditieverlies en cognitieve stoornissen, kan deze periode verlengd worden met maximaal zes maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 7, is de duur van behandeling maximaal twee jaren na bestraling.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 2.5b
1.

Zorg bij stoppen-met-rokenprogramma omvat geneeskundige en farmacotherapeutische interventies ter ondersteuning van gedragsverandering met als doel te stoppen met roken.

2.

De zorg, bedoeld in het eerste lid, omvat het maximaal drie keer per kalenderjaar volgen van een programma.

Hoofdstuk 3. Zorgverzekeraars

§ 1. De vereveningsbijdrage

§ 1.2. De verdeling van de macro-deelbedragen en de berekening van het normatieve bedrag ten behoeve van de toekenning van de verevenings-bijdrage (ex ante) aan een zorgverzekeraar

§ 1.4. Nadere bepalingen met betrekking tot §1.3

Hoofdstuk 3a. De compensatie voor het verplicht eigen risico

Bijlage 1. van het Besluit zorgverzekering

Bijlage behorende bij artikel 2.6, tweede lid.

  • a. een van de volgende aandoeningen van het zenuwstelsel:
  • 1°. cerebrovasculair accident;
  • 2°. ruggemergaandoening;
  • 3°. multipele sclerose;
  • 4°. perifere zenuwaandoening indien sprake is van motorische uitval;
  • 5°. extrapyramidale aandoening;
  • 6°. motorische retardatie of een ontwikkelingsstoornis van het zenuwstelsel en hij jonger is dan 17 jaar;
  • 7°. aangeboren afwijking van het centraal zenuwstelsel;
  • 8°. cerebellaire aandoening;
  • 9°. uitvalsverschijnselen als gevolg van een tumor in de hersenen of het ruggenmerg dan wel als gevolg van hersenletsel;
  • 10°. radiculair syndroom met motorische uitval;
  • 11°. spierziekte;
  • 12°. myasthenia gravis;
  • b. of een van de volgende aandoeningen van het bewegingsapparaat:
  • 1°. aangeboren afwijking;
  • 2°. progressieve scoliose;
  • 3°. juveniele osteochondrose en hij jonger is dan 22 jaar;
  • 4°. reflexdystrofie;
  • 5°. wervelfractuur als gevolg van osteoporose;
  • 6°. fractuur als gevolg van morbus Kahler, botmetastase of morbus Paget;
  • 7°. frozen shoulder (capsulitis adhaesiva);
  • 8°. reumatoïde artritis of chronische reuma;
  • 9°. chronische artritiden;
  • 10°. spondylitis ankylopoetica (morbus Bechterew);
  • 11°. reactieve artritis;
  • 12°. juveniele chronische artritis;
  • 13°. hyperostotische spondylose (morbus Forestier);
  • 14°. collageenziekten;
  • 15°. status na amputatie;
  • 16°. whiplash;
  • 17°. postpartum bekkeninstabiliteit;
  • 18°. fracturen indien deze conservatief worden behandeld;
  • c. of een van de volgende hartaandoeningen:
  • 1°. myocard-infarct (AMI);
  • 2°. status na coronary artery bypass-operatie (CABG);
  • 3°. status na percutane transluminale coronair angioplastiek (PTCA);
  • 4°. status na hartklepoperatie;
  • 5°. status na operatief gecorrigeerde congenitale afwijkingen;
  • d. of een van de volgende aandoeningen:
  • 1°. chronic obstructive pulmonary disease indien sprake is van een FEV1/VC kleiner dan 60%;
  • 2°. aangeboren afwijking van de tractus respiratorius;
  • 3°. lymfoedeem;
  • 4°. littekenweefsel van de huid al dan niet na een trauma;
  • 5°. status na opname in een ziekenhuis, een verpleeginrichting of een instelling voor revalidatie dan wel na dagbehandeling in een instelling voor revalidatie en de hulp dient ter bespoediging van het herstel na ontslag naar huis of de beëindiging van de dagbehandeling;
  • 6°. claudicatio intermittens (vasculair) graad 2 of 3 Fontaine;
  • 7°. weke delen tumoren;
  • 8°. diffuse interstitiële longaandoening indien sprake is van ventilatoire beperking of diffusiestoornis.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 10, of onderdeel b, subonderdeel 17, is de duur van behandeling maximaal drie maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 18, is de duur van behandeling maximaal zes maanden na conservatieve behandeling.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 7, of onderdeel d, subonderdeel 6, is de duur van behandeling maximaal twaalf maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5, is de duur van de behandeling maximaal twaalf maanden in aansluiting op ontslag naar huis of beëindiging van de behandeling in de instelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 16, is de duur van de behandeling maximaal drie maanden. Indien hierna nog sprake is van de trias bewegingsverlies, conditieverlies en cognitieve stoornissen, kan deze periode verlengd worden met maximaal zes maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 7, is de duur van behandeling maximaal twee jaren na bestraling.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Hoofdstuk 3b. Aanwijzing van vormen van zorg die niet medisch noodzakelijk zijn voor bepaalde groepen vreemdelingen

Hoofdstuk 3a. De compensatie voor het verplicht eigen risico

Bijlage 1. van het Besluit zorgverzekering

Bijlage behorende bij artikel 2.6, tweede lid.

  • a. een van de volgende aandoeningen van het zenuwstelsel:
  • 1°. cerebrovasculair accident;
  • 2°. ruggemergaandoening;
  • 3°. multipele sclerose;
  • 4°. perifere zenuwaandoening indien sprake is van motorische uitval;
  • 5°. extrapyramidale aandoening;
  • 6°. motorische retardatie of een ontwikkelingsstoornis van het zenuwstelsel en hij jonger is dan 17 jaar;
  • 7°. aangeboren afwijking van het centraal zenuwstelsel;
  • 8°. cerebellaire aandoening;
  • 9°. uitvalsverschijnselen als gevolg van een tumor in de hersenen of het ruggenmerg dan wel als gevolg van hersenletsel;
  • 10°. radiculair syndroom met motorische uitval;
  • 11°. spierziekte;
  • 12°. myasthenia gravis;
  • b. of een van de volgende aandoeningen van het bewegingsapparaat:
  • 1°. aangeboren afwijking;
  • 2°. progressieve scoliose;
  • 3°. juveniele osteochondrose en hij jonger is dan 22 jaar;
  • 4°. reflexdystrofie;
  • 5°. wervelfractuur als gevolg van osteoporose;
  • 6°. fractuur als gevolg van morbus Kahler, botmetastase of morbus Paget;
  • 7°. frozen shoulder (capsulitis adhaesiva);
  • 8°. reumatoïde artritis of chronische reuma;
  • 9°. chronische artritiden;
  • 10°. spondylitis ankylopoetica (morbus Bechterew);
  • 11°. reactieve artritis;
  • 12°. juveniele chronische artritis;
  • 13°. hyperostotische spondylose (morbus Forestier);
  • 14°. collageenziekten;
  • 15°. status na amputatie;
  • 16°. whiplash;
  • 17°. postpartum bekkeninstabiliteit;
  • 18°. fracturen indien deze conservatief worden behandeld;
  • c. of een van de volgende hartaandoeningen:
  • 1°. myocard-infarct (AMI);
  • 2°. status na coronary artery bypass-operatie (CABG);
  • 3°. status na percutane transluminale coronair angioplastiek (PTCA);
  • 4°. status na hartklepoperatie;
  • 5°. status na operatief gecorrigeerde congenitale afwijkingen;
  • d. of een van de volgende aandoeningen:
  • 1°. chronic obstructive pulmonary disease indien sprake is van een FEV1/VC kleiner dan 60%;
  • 2°. aangeboren afwijking van de tractus respiratorius;
  • 3°. lymfoedeem;
  • 4°. littekenweefsel van de huid al dan niet na een trauma;
  • 5°. status na opname in een ziekenhuis, een verpleeginrichting of een instelling voor revalidatie dan wel na dagbehandeling in een instelling voor revalidatie en de hulp dient ter bespoediging van het herstel na ontslag naar huis of de beëindiging van de dagbehandeling;
  • 6°. claudicatio intermittens (vasculair) graad 2 of 3 Fontaine;
  • 7°. weke delen tumoren;
  • 8°. diffuse interstitiële longaandoening indien sprake is van ventilatoire beperking of diffusiestoornis.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 10, of onderdeel b, subonderdeel 17, is de duur van behandeling maximaal drie maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 18, is de duur van behandeling maximaal zes maanden na conservatieve behandeling.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 7, of onderdeel d, subonderdeel 6, is de duur van behandeling maximaal twaalf maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5, is de duur van de behandeling maximaal twaalf maanden in aansluiting op ontslag naar huis of beëindiging van de behandeling in de instelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 16, is de duur van de behandeling maximaal drie maanden. Indien hierna nog sprake is van de trias bewegingsverlies, conditieverlies en cognitieve stoornissen, kan deze periode verlengd worden met maximaal zes maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 7, is de duur van behandeling maximaal twee jaren na bestraling.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 3.8a

In afwijking van de artikelen 3.4, 3.5 en 3.8 worden verzekerden die in het buitenland wonen ingedeeld in de klasse «Geen FKG» respectievelijk «DKG «0»» en worden de bij deze klasse behorende gewichten voor deze verzekerden op bij ministeriële regeling bepaalde wijze door het College zorgverzekeringen vastgesteld.

§ 1.1. De onderverdeling van het macro-prestatiebedrag in macro-deelbedragen, de totale geraamde opbrengst van de nominale rekenpremie en de totale geraamde opbrengst van het verplicht eigen risico

§ 1.4. Nadere bepalingen met betrekking tot §1.3

§ 1.3. De herberekening van het normatieve bedrag ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage (ex post) aan een zorgverzekeraar

Bijlage 1. van het Besluit zorgverzekering

Bijlage behorende bij artikel 2.6, tweede lid.

  • a. een van de volgende aandoeningen van het zenuwstelsel:
  • 1°. cerebrovasculair accident;
  • 2°. ruggemergaandoening;
  • 3°. multipele sclerose;
  • 4°. perifere zenuwaandoening indien sprake is van motorische uitval;
  • 5°. extrapyramidale aandoening;
  • 6°. motorische retardatie of een ontwikkelingsstoornis van het zenuwstelsel en hij jonger is dan 17 jaar;
  • 7°. aangeboren afwijking van het centraal zenuwstelsel;
  • 8°. cerebellaire aandoening;
  • 9°. uitvalsverschijnselen als gevolg van een tumor in de hersenen of het ruggenmerg dan wel als gevolg van hersenletsel;
  • 10°. radiculair syndroom met motorische uitval;
  • 11°. spierziekte;
  • 12°. myasthenia gravis;
  • b. of een van de volgende aandoeningen van het bewegingsapparaat:
  • 1°. aangeboren afwijking;
  • 2°. progressieve scoliose;
  • 3°. juveniele osteochondrose en hij jonger is dan 22 jaar;
  • 4°. reflexdystrofie;
  • 5°. vervallen;
  • 6°. fractuur als gevolg van morbus Kahler, botmetastase of morbus Paget;
  • 7°. frozen shoulder (capsulitis adhaesiva);
  • 8°. vervallen;
  • 9°. vervallen;
  • 10°. vervallen;
  • 11°. vervallen;
  • 12°. vervallen;
  • 13°. hyperostotische spondylose (morbus Forestier);
  • 14°. collageenziekten;
  • 15°. status na amputatie;
  • 16°. whiplash;
  • 17°. postpartum bekkeninstabiliteit;
  • 18°. fracturen indien deze conservatief worden behandeld;
  • c. vervallen;
  • d. of een van de volgende aandoeningen:
  • 1°. chronic obstructive pulmonary disease indien sprake is van een FEV1/VC kleiner dan 60%;
  • 2°. aangeboren afwijking van de tractus respiratorius;
  • 3°. lymfoedeem;
  • 4°. littekenweefsel van de huid al dan niet na een trauma;
  • 5°. status na opname in een ziekenhuis, een verpleeginrichting of een instelling voor revalidatie dan wel na dagbehandeling in een instelling voor revalidatie en de hulp dient ter bespoediging van het herstel na ontslag naar huis of de beëindiging van de dagbehandeling;
  • 6°. claudicatio intermittens (vasculair) graad 2 of 3 Fontaine;
  • 7°. weke delen tumoren;
  • 8°. diffuse interstitiële longaandoening indien sprake is van ventilatoire beperking of diffusiestoornis.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 10, of onderdeel b, subonderdeel 17, is de duur van behandeling maximaal drie maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 18, is de duur van behandeling maximaal zes maanden na conservatieve behandeling.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 7, of onderdeel d, subonderdeel 6, is de duur van behandeling maximaal twaalf maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5, is de duur van de behandeling maximaal twaalf maanden in aansluiting op ontslag naar huis of beëindiging van de behandeling in de instelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 16, is de duur van de behandeling maximaal drie maanden. Indien hierna nog sprake is van de trias bewegingsverlies, conditieverlies en cognitieve stoornissen, kan deze periode verlengd worden met maximaal zes maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 7, is de duur van behandeling maximaal twee jaren na bestraling.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 2.5c
1.

Geriatrische revalidatie omvat integrale en multidisciplinaire revalidatiezorg zoals specialisten ouderengeneeskunde die plegen te bieden in verband met kwetsbaarheid en complexe multimorbiditeit met als doel herstel of verbetering van het functioneren en de participatie in de maatschappij van de verzekerde.

2.

De geriatrische revalidatie valt slechts onder de zorg, bedoeld in het eerste lid, indien er niet aan vooraf is gegaan verblijf in een instelling als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet langdurige zorg, gepaard gaande met behandeling als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel c, van die wet in dezelfde instelling.

§ 2. Het eigen risico

Hoofdstuk 3. Zorgverzekeraars

§ 1. De vereveningsbijdrage

§ 1.2. De verdeling van de macro-deelbedragen en de berekening van het normatieve bedrag ten behoeve van de toekenning van de verevenings-bijdrage (ex ante) aan een zorgverzekeraar

§ 1.3. De herberekening van het normatieve bedrag ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage (ex post) aan een zorgverzekeraar

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Bijlage 1. van het Besluit zorgverzekering

Bijlage behorende bij artikel 2.6, tweede lid.

  • a. een van de volgende aandoeningen van het zenuwstelsel:
  • 1°. cerebrovasculair accident;
  • 2°. ruggemergaandoening;
  • 3°. multipele sclerose;
  • 4°. perifere zenuwaandoening indien sprake is van motorische uitval;
  • 5°. extrapyramidale aandoening;
  • 6°. motorische retardatie of een ontwikkelingsstoornis van het zenuwstelsel en hij jonger is dan 17 jaar;
  • 7°. aangeboren afwijking van het centraal zenuwstelsel;
  • 8°. cerebellaire aandoening;
  • 9°. uitvalsverschijnselen als gevolg van een tumor in de hersenen of het ruggenmerg dan wel als gevolg van hersenletsel;
  • 10°. radiculair syndroom met motorische uitval;
  • 11°. spierziekte;
  • 12°. myasthenia gravis;
  • b. of een van de volgende aandoeningen van het bewegingsapparaat:
  • 1°. aangeboren afwijking;
  • 2°. progressieve scoliose;
  • 3°. juveniele osteochondrose en hij jonger is dan 22 jaar;
  • 4°. reflexdystrofie;
  • 5°. vervallen;
  • 6°. fractuur als gevolg van morbus Kahler, botmetastase of morbus Paget;
  • 7°. frozen shoulder (capsulitis adhaesiva);
  • 8°. vervallen;
  • 9°. vervallen;
  • 10°. vervallen;
  • 11°. vervallen;
  • 12°. vervallen;
  • 13°. hyperostotische spondylose (morbus Forestier);
  • 14°. collageenziekten;
  • 15°. status na amputatie;
  • 16°. whiplash;
  • 17°. postpartum bekkeninstabiliteit;
  • 18°. fracturen indien deze conservatief worden behandeld;
  • c. vervallen;
  • d. of een van de volgende aandoeningen:
  • 1°. chronic obstructive pulmonary disease indien sprake is van een FEV1/VC kleiner dan 60%;
  • 2°. aangeboren afwijking van de tractus respiratorius;
  • 3°. lymfoedeem;
  • 4°. littekenweefsel van de huid al dan niet na een trauma;
  • 5°. status na opname in een ziekenhuis, een verpleeginrichting of een instelling voor revalidatie dan wel na dagbehandeling in een instelling voor revalidatie en de hulp dient ter bespoediging van het herstel na ontslag naar huis of de beëindiging van de dagbehandeling;
  • 6°. claudicatio intermittens (vasculair) graad 2 of 3 Fontaine;
  • 7°. weke delen tumoren;
  • 8°. diffuse interstitiële longaandoening indien sprake is van ventilatoire beperking of diffusiestoornis.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 10, of onderdeel b, subonderdeel 17, is de duur van behandeling maximaal drie maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 18, is de duur van behandeling maximaal zes maanden na conservatieve behandeling.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 7, of onderdeel d, subonderdeel 6, is de duur van behandeling maximaal twaalf maanden.
    1. Indien het een aandoening betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5, is de duur van de behandeling maximaal twaalf maanden in aansluiting op ontslag naar huis of beëindiging van de behandeling in de instelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)