Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 januari 2006, nr. WJZ/2006/288(8182), houdende bekendmaking van spellingregels en een lijst van woorden betreffende de schrijfwijze van de Nederlandse taal waartoe het Comité van Ministers op 25 april 2005 heeft beslist (Besluit bekendmaking spellingvoorschriften 2005)
Het ezelsbruggetje dat ons doet luisteren naar de verleden tijd om de laatste letter van het voltooid deelwoord te bepalen, werkt ook voor Engelse werkwoorden.
ik downloadde – ik heb gedownload
ik faxte – ik heb gefaxt
→ voltooid deelwoord van regelmatige werkwoorden: 11.4
Als de eindmedeklinker van de stam op twee manieren kan worden uitgesproken, bijvoorbeeld /f/ en /v/, /s/ en /z/, /dzj/ en /tsj/, zijn zowel de vormen met t als die met d correct.
to golf – golfen, (stam) golf – ik golf, ze golft, we golften/golfden, we hebben gegolft/gegolfd
to brief – briefen, (stam) brief – ik brief, ze brieft, we brieften/briefden, we hebben gebrieft/gebriefd
to lease – leasen, (stam)lease – ik lease, ze leaset, we leaseten/leaseden, we hebben geleaset/geleased
to bridge – bridgen (stam) bridge – ik bridge, ze bridget, we bridgeten/bridgeden, we hebben gebridget/gebridged.
Als het woord in het Engels eindigt op een dubbele medeklinker, vernederlandsen we de stam en schrijven we een enkele medeklinker, tenzij dit een andere uitspraak oproept.
Als het woord in het Engels in de laatste uitgesproken lettergreep* een lange /oo/ of een daaraan verwante klank heeft, vernederlandsen we de stam en schrijven we oo met dubbel klinkerteken.
De regels voor werkwoorden waarvan de Engelse stam eindigt op -e, gelden niet voor Franse werkwoorden. We schrijven douchen – ik douch – zij doucht – ik douchte – hij heeft gedoucht.
13. Speciale meervouden van zelfstandige naamwoorden
13.1. regelmatige meervoudsvormen
We schrijven de regelmatige meervoudsvorm van een zelfstandig naamwoord zoals we hem uitspreken: met de uitgang* (doorgaans -en, -n, -s ) aan het woord vast. Daarbij passen we de spellingregels voor open of gesloten lettergrepen toe.
hand – handen
boom – bomen
kan – kannen
weide – weiden, weides
appel – appelen, appels
leraar – leraren, leraars
kind – kinderen
kleed – kleden, klederen, kleren
13.2. woorden die eindigen op een lange klinker
Als het grondwoord eindigt op een lange klinker die we met één letterteken en zonder accent schrijven, gebruiken we een apostrof voor de meervouds -s.
oma’s
alibi’s
risico’s
haiku’s
directory’s
alinea’s
duo’s
la’s
De s wordt aan het woord vast geschreven als het eindigt op een toonloze /ə /, op een klinker met een accentteken, of op een klinker die met twee letters of meer wordt geschreven.
lente – lentes
café – cafés
bureau – bureaus
shampoo – shampoos
spray – sprays
Ook als we aan het eind van het woord een klinker horen, maar een medeklinker schrijven, hechten we de s vast aan het woord.
escargot – escargots
sjah – sjahs
ayatollah – ayatollahs
14.. Bezitsvorm van zelfstandige naamwoorden
Een bezitsvorm of genitief maken we doorgaans door een s toe te voegen aan een zelfstandig naamwoord. Dat kunnen we doen bij bepaalde soortnamen die naar personen verwijzen (mijn broers fiets) en bij eigennamen (Annie M.G. Schmidts verhalenbundel*).
We schrijven de bezits- s vast aan het grondwoord*, tenzij dat eindigt op een lange klinker of een sisklank.
moeders kennis
Boons cursiefjes
tantes beroep
Miekes speelgoed
Sarahs paarden
Als het grondwoord eindigt op een lange klinker die we met één letterteken zonder accent* schrijven, gebruiken we een apostrof.
oma’s huis
Antigone’s claim
Rossini’s huis
Romeo’s verdriet
Dus geen apostrof in:
Aimés trots
Manous verjaardagsfeest
Guinees havensteden
Stafleus catalogus
Disneys film
Als het grondwoord eindigt op een sisklank, schrijven we alleen een apostrof.
Agnes’ overtuiging
Joyce’ laatste roman
Marx’ theorie
Márquez’ autobiografie
Ook als het grondwoord eindigt op een s die niet wordt uitgesproken, passen we de uitzonderingsregel toe. De /s/ is immers wel te horen in de bezitsvorm.
Alexandre Dumas’ meesterwerk
Carpentras’ bevolking
Maar als het grondwoord eindigt op een z of een xdie niet wordt uitgesproken, hechten we de bezits-s vast aan het grondwoord.
Deprezs argumenten
Debrouxs schuldenlast
Bordeauxs omgeving
15. Verkleinwoorden
15.1. hoofdregel
Van veel zelfstandige naamwoorden kunnen we een verkleinwoord maken met een achtervoegsel -je, -tje, -etje of -pje . Dat schrijven we vast aan het grondwoord*.
mens – mensje
cognac – cognacje
touw – touwtje
zee – zeetje
aardbei – aardbeitje
souvenir – souvenirtje
kan – kannetje
koek – koekje
probleem – probleempje
Als het grondwoord eindigt op de klank /ng/, geschreven als -ng, eindigt het verkleinwoord op -kje of -etje.
camping – campinkje
leerling – leerlingetje
In de lettergreep voor -etje passen we de regels voor de verdubbeling van medeklinkers toe.
bal – balletje
bon – bonnetje
big – biggetje
→ verdubbeling van medeklinkers: 2.2
Sommige woorden hebben twee verkleinvormen, soms met een betekenisverschil.
bloem – bloemetje, bloempje
pop – poppetje, popje
Soms heeft het grondwoord twee varianten, en daardoor twee verkleinvormen.
heg, hegge – hegje, heggetje
Het verkleinwoord van jongen is jongetje.
Als het grondwoord eindigt op een lange klinker, of als het van vreemde oorsprong is, kunnen zich spellingproblemen voordoen. Daar zijn bijzondere regels voor.
15.2. grondwoord eindigt op lange klinker
Als het grondwoord eindigt op een lange klinker die met één klinkerteken geschreven wordt, dan voegen we een klinkerteken toe in het verkleinwoord.
De lange /aa/, /ee/, /oo/ en /uu/ worden geschreven als aa, ee, oo, uu. De lange /ee/, geschreven als é, verliest het accent en wordt ee. De lange /ie/, geschreven als i, wordt ie.
oma – omaatje
café – cafeetje
taxi – taxietje
auto – autootje
paraplu – parapluutje
Als het grondwoord eindigt op een u (uitgesproken als /oe/) of een y (na een medeklinker en uitgesproken als /ie/), dan gebruiken we een apostrof in het verkleinwoord.
tiramisu – tiramisu’tje
baby – baby’tje
Maar geen apostrof in jockey – jockeytje.
15.3. grondwoord van Franse herkomst
Als het grondwoord eindigt op -ade, -ave, -ffe, -ine, -ppe, -tte, -ule, -ure, -ute , dan hangt de spelling van het verkleinwoord af van de uitspraak. Als de eind- e van het grondwoord in het verkleinwoord niet te horen is, wordt de spelling van het verkleinwoord vernederlandst.
-ade: karbonade – karbonaadje
-ave: enclave – enclaafje
-ffe: giraffe – girafje
-ine: sardine – sardientje
-ppe: enveloppe – envelopje
-tte: diskette – disketje
-ule: molecule – molecuultje
-ure: blessure – blessuurtje
-ute: parachute – parachuutje
Als de eind-e in het verkleinwoord wordt uitgesproken of als het grondwoord eindigt op een andere uitgang, passen we hoofdregel 15.A toe.
affiche – afficheje
blessure – blessuretje
douche – doucheje
enclave – enclavetje
enveloppe – enveloppetje
giraffe – giraffetje
molecule – moleculetje
Opmerkingen:
(a) Als het grondwoord deel uitmaakt van een uitheemse woordgroep, wordt het verkleinwoord niet vernederlandst. We schrijven dus eau de toiletteje.
(b) Engelse woorden die eindigen op een toonloze /ə /, behouden omwille van de uitspraak ook de eind-e.
cake – cakeje
milkshake – milkshakeje
Als het Franse grondwoord eindigt op een medeklinker t of d die we niet uitspreken, voegen we -je toe. Het verkleinwoord wordt wel uitgesproken met /tjə /.
colbert – colbertje
biscuit – biscuitje
boulevard – boulevardje
Opmerkingen:
(a) Sommige van deze woorden kunnen ook worden uitgesproken met t aan het eind, bijvoorbeeld restaurant. Dat heeft geen consequenties voor de spelling.
(b) Als we afbreken, gaat alleen -je naar de volgende regel.
colbert•je
restaurant•je
In alle andere gevallen voegen we het achtervoegsel dat we horen, doorgaans -tje, toe volgens regels 15.A. en 15.B
souvenir – souvenirtje
diner – dinertje
deux-chevaux – deux-chevauxtje
tournedos – tournedostje
mistral – mistralletje
detail – detailtje
reçu – reçuutje
15.4. grondwoord is initiaalwoord, letter, cijfer of symbool
Als het grondwoord een initiaalwoord, een letter, een cijfer of een symbool is, gebruiken we een apostrof in het verkleinwoord.
cd’tje
A4’tje
s’je
m’etje
Letterwoorden en verkortingen worden behandeld als gewone grondwoorden. We hechten het achtervoegsel vast aan het woord.
radar – radartje
cd-rom – cd-rommetje
prof – profje
demo – demootje
Een letterwoord met een hoofdletter krijgt een apostrof voor de uitgang van het verkleinwoord.
de FAQ’jes
een Benelux’je
→ samenstelling met koppelteken: 6.3
→ afleiding van initiaalwoord met apostrof: 6.4
16. Hoofdletters of kleine letters?
16.1. hoofdletter voor een eigennaam
Als we een persoon, een plaats of een zaak willen aanduiden, kunnen we daarvoor een eigennaam gebruiken (hij heet Wim Smidt, hij werkt bij een organisatie die het Rode Kruis heet, hij woont in een stad die Amsterdam heet) of een soortnaam (hij is een van de vele veertigers, woont op een van de vele pleinen, naast een van de vele postkantoren).
De meeste spellingregels zijn niet van toepassing op eigennamen, die immers worden gekozen en doorgegeven mét een schrijfwijze. We respecteren deze soms afwijkende schrijfwijze van namen op grond van het donorprincipe*. Dat geldt ook voor plaats- en straatnamen en voor namen van instellingen en bedrijven. De officiële spelling betreft alleen het gebruik van hoofdletters.
Een eigennaam krijgt een hoofdletter; een soortnaam schrijven we klein.
Wim Smidt
Alice Nahon
Snoopy
Amsterdam
de Schelde
het Rode Kruis
Café De Posthoorn
een veertiger
een secretaresse
een beagle
een plein
een provincie
een postkantoor
een arrondissementsrechtbank
16.2. persoonsnamen
(1) De voornaam en de familienaam van een persoon schrijven we met een hoofdletter.
(2) Voorzetsels* en lidwoorden in sommige familienamen krijgen in Nederland een kleine letter als er een voornaam, initiaal of familienaam aan voorafgaat. Volgens de Belgische wetgeving worden deze elementen altijd geschreven zoals ze in het geboorteregister staan.
Femke
Nasira
Louis Paul Boon
Renate Rubinstein
J.C.T. Perk
De Laat
mevrouw De Laat
mevrouw Van Dijk-de Laat
Marjolien de Laat
M. de Laat
M. van Dijk-de Laat
De Jonghe
mevrouw De Jonghe
mevrouw Van den Bossche-De Jonghe
Rita De Jonghe
R. De Jonghe
R. Van den Bossche-De Jonghe
Een aanspreekvorm of de titel die iemand draagt, schrijven we (voluit of afgekort) in lopende tekst met kleine letter.
*mevr. Augusta de Wit*
mr. Eddy Van Vliet
professor Gobelijn
em. prof. dr. J.J. Aerts
dominee François Haverschmidt
*Een afleiding van een persoonsnaam krijgt een kleine letter.**
freudiaans
marxisme
maoïst
victoriaans
montignaccen
Ook als de naam van een persoon ongewijzigd wordt gebruikt om een voorwerp te benoemen, vervalt de hoofdletter. Alleen als het voorwerp het product is van de arbeid of creativiteit van de genoemde persoon, behouden we de hoofdletter. Dat geldt bijvoorbeeld voor schilderijen, boeken, kledingstukken of voorwerpen die een persoonsnaam als merknaam hebben. Ook de persoonsnamen die zijn gegeven aan schepen of andere voertuigen, behouden de hoofdletter.
een colbert
een bintje
een diesel
een Mondriaan
een Armani
de Mercator
een Ford
→ hoofdletter uit respect: 16.7
Een samenstelling* met een persoonsnaam behoudt de hoofdletter. Alleen als de genoemde persoon niet betrokken is bij het nieuwe begrip schrijven we het woord met kleine letter.
een Shakespearedrama
een Dylanplaat
een Picassofan
De hoofdletter wordt ook behouden als een instelling of een merk genoemd wordt naar een persoon.
de Van Goghtentoonstelling
de Erasmushogeschool
een Philipslamp
Als het verband met de persoon is verzwakt, verliest de samenstelling haar hoofdletter.
een Beatlesplaat: een plaat gemaakt door The Beatles
beatlehaar: haar zoals The Beatles, maar gedragen door iemand anders
Hitlerretoriek: de manier waarop Adolf Hitler sprak
een molotovcocktail: benzinebom, genoemd naar de Sovjetminister Molotov
Samenstellingen met de naam van een uitvinder of ontdekker krijgen een kleine letter.
berlitzmethode
coopertest
dieselmotor
montessorionderwijs
fröbelschool
Als we de naam los gebruiken om expliciet naar de uitvinder of ontdekker te verwijzen, behouden we de hoofdletter.
het downsyndroom
het syndroom van Down
zij heeft alzheimer
een alzheimerpatiënt
de ziekte van Alzheimer
16.3. benamingen van plaatsen, windstreken, talen, volkeren
Een aardrijkskundige naam schrijven we met een hoofdletter.
Deze regel geldt voor plaatsen, streken, landen, maar ook bijvoorbeeld voor bergen, rivieren, woestijnen, hemellichamen.
Amsterdam
Antarctica
de Verenigde Staten
het Andesgebergte
de Schelde
de Sahara
de Poolster
In niet-wetenschappelijke teksten schrijven we: de aarde, de maan, de zon.
Samenstellingen en afleidingen op basis van een aardrijkskundige naam behouden de hoofdletter.
Nederlandkunde
de Scheldeoevers
Nederlands
Belgisch
een Gentenaar
Zuid-Afrikaans
een Zuid-Afrikaan
een New Yorker
→ verzwakte betekenis van aardrijkskundige naam: regel 16.H
(1) De naam van een windstreek schrijven we met een kleine letter.
(2) Als we er een geografisch, economisch of politiek gebied mee bedoelen, krijgt het woord een hoofdletter, maar dat geldt niet voor de afgeleide vorm.
(3) Ook als de naam van een windstreek deel is van een aardrijkskundige naam, krijgt het woord een hoofdletter.
het noorden
het zuiden van Frankrijk
het Zuiden vraagt meer ontwikkelingshulp van het Westen
de oosterse filosofie
Zuid-Afrika
Zuidwest-Vlaanderen (het zuidwesten van Vlaanderen)
Zuid-West-Vlaanderen (het zuiden van de provincie West-Vlaanderen)
Noordwest-Friesland (het noordwesten van de provincie Friesland)
Noord-West-Friesland (het noorden van de streek West-Friesland)
Soms denken we bij de soortnaam van een zaak niet meer aan de plaats van herkomst, maar aan de kenmerken van de zaak. Dan vervalt de hoofdletter.
een fles bordeaux
driehonderd gram parmaham
We schrijven dus een plakje edammer, maar een plakje Edammer kaas. Alleen in het tweede geval wordt verwezen naar de plaats.
De regel geldt ook voor sommige andere samenstellingen en afleidingen.
een marsmannetje
moezelwijn
nijlkrokodil
neerlandistiek
balkaniseren
een belgicisme
bourgondisch leven
(1) De naam van een taal of dialect wordt met een hoofdletter geschreven.
(2) Samenstellingen en afleidingen behouden de hoofdletter, maar werkwoorden en daarvan afgeleide zelfstandige naamwoorden schrijven we met een kleine letter.
het Nederlands
het Fries
het Noordwijkerhouts
het Standaardnederlands
We gebruiken de koppeltekens of spaties die ook voorkomen in de aardrijkskundige naam waarvan de taalnaam is afgeleid.
het West-Vlaams
het New Yorks
We gebruiken een koppelteken en twee of meer hoofdletters in de naam van een taal die is samengesteld met afgeleide aardrijkskundige namen.
het Belgisch-Nederlands
het Indo-Europees
Na een element als Standaard, Middel-, Oud-, Nieuw-, Hoog- en Plat- vervalt de hoofdletter in de taalnaam. We gebruiken geen koppelteken, behalve als het element dat volgt ook al een koppelteken of een spatie heeft.
het Standaardnederlands
het Middelnederlands
het Nieuwgrieks
het Hoogduits
het Oud-West-Vlaams
het Plat-New Yorks
Een woord dat op een subjectieve manier een taal noemt, schrijven we met een kleine letter.
steenkolenengels
schoolfrans
→ samengestelde aardrijkskundige naam: 6.3
Duitse romans
Middelnederlandse poëzie
Nederlandstalige kranten
Franssprekende toeristen
on-Nederlands
oer-Engels
Werkwoorden gevormd met een taalnaam en zelfstandige naamwoorden die van zulke werkwoorden zijn afgeleid, schrijven we met een kleine letter:
vernederlandsen
verfransing
De spelling van de taalnaam Oudfries schrijven we volgens de regels aaneen, met één hoofdletter. Omdat die regel niet geldt als we de cultuur of geschiedenis bedoelen, schrijven we bijvoorbeeld over *een oud-Friese sport*.
(1) De naam voor een bevolkingsgroep of een lid daarvan schrijven we met een hoofdletter als hij is afgeleid van een aardrijkskundige naam of als het om een specifiek volk gaat.
(2) Een overkoepelende term voor etnische groepen schrijven we met een kleine letter.
(3) Als de benaming gebaseerd is op een (geloofs)overtuiging schrijven we geen hoofdletter.
de West-Vlamingen
een Groningse
een Kortrijkzaan
een Palestijn
een Afro-Surinaamse
een Hun
de Kelten
een Eskimo
een indiaanse
een zigeuner
een bedoeïen
een mulattin
een protestant
een islamiet
Hetzelfde geldt voor andere afleidingen, bijvoorbeeld bijvoeglijke naamwoorden.
Koerdisch
Nederlands
indiaans
islamitisch
Opmerkingen:
(1) Ook als de benaming van een groep gebaseerd is op de naam van een godsdienst, kunnen we een hoofdletter gebruiken. Die drukt uit dat we een etnische of politieke groep (al dan niet gelovige mensen) bedoelen. Zo schrijven we de dialoog tussen christenen en joden, maar de gesprekken tussen Joden en Palestijnen.
(2) Spotnamen voor leden van een bevolkingsgroep hebben geen hoofdletter.
spanjool
mof
kaaskop
spaghettivreter
In samenstellingen behouden we de hoofdletters of kleine letters.
een Vlamingenhater
protestantentaal
16.4. benamingen van historische en terugkerende periodes
Het woord waarmee we een historische periode benoemen of waarmee we de tijd indelen, krijgt een kleine letter.
de middeleeuwen
het mesolithicum
Deze regel geldt voor courante teksten. In gespecialiseerde publicaties kan ervan worden afgeweken.
maandag
januari
lente
de advent
de ramadan
Het woord waarmee we een feestdag of een historische gebeurtenis benoemen, krijgt een hoofdletter.
Pasen
Loofhuttenfeest
Suikerfeest
Bevrijdingsdag
Moederdag
Chanoeka
de Tweede Wereldoorlog
de Anjerrevolutie
de Endlösung
de Golfoorlog
Opmerking:
Namen van feestdagen schrijven we met een hoofdletter, maar samenstellingen* met deze namen niet.
Pasen – paasei, paasfeest, paaszondag
Kerstmis – kerstdag, kerstboom, kerstwensen
Nieuwjaar – nieuwjaarsdag, nieuwjaarsavond, nieuwjaarsreceptie
16.5. benamingen van stromingen en overtuigingen
(1) Het woord waarmee we een culturele, maatschappelijke, religieuze of artistieke stroming benoemen, krijgt een kleine letter.
(2) Ook een samenstelling of afleiding met die naam schrijven we met een kleine letter.
(3) Soortnamen* voor beoefenaars van godsdiensten of andere overtuigingen en voor religieuze praktijken krijgen een kleine letter.
het protestantisme
de islam
het socialisme
de renaissance
jugendstil
het dadaïsme
een protestant
protestants
een islamiet
een socialist
een renaissancekasteel
een dadaïst
We behouden de hoofdletters voor de delen van samengestelde namen die duidelijk naar een plaatsnaam verwijzen.
Dus: Grieks-orthodox, Nederlands-hervormd, maar rooms-katholiek, oosters-orthodox.
de paus
een imam
een rabbijn
een jezuïet
een prediking
het vrijdaggebed
een bidstond
een eucharistieviering
de biecht
16.6. namen van instellingen, merken, titels
(1) De eigennaam waarmee een instelling zichzelf benoemt, krijgt een hoofdletter. Ook samenstellingen* met die eigennaam als eerste deel schrijven we met hoofdletter.
(2) Als we verschillende instellingen kunnen noemen met hetzelfde woord, dan is dat een soortnaam. Die schrijven we met een kleine letter.
het Hof van Cassatie
de Hoge Raad
de Knesset
de Wereldhandelsorganisatie
het Vlaams Parlement
Het gaat hier om de officiële benamingen van deze instellingen. We gebruiken geen hoofdletter voor het woord parlement dat we als soortnaam gebruiken als we bijvoorbeeld schrijven het Italiaanse en het Duitse parlement.
Samenstellingen behouden de hoofdletter.
een Europees Parlementslid
een Tweede Kamerfractie
Maar we schrijven bijvoorbeeld een Italiaans parlementslid, omdat we hier geen officiële benaming gebruiken.
een politiebureau
het stadhuis (van Amsterdam)
het hof van assisen (van Antwerpen)
het gerechtshof (in Den Haag)
Een merknaam schrijven we met een hoofdletter, tenzij het een soortnaam is geworden.
Dafalgan
Coca-Cola
Esso
We behouden de hoofdletter in samenstellingen.
een Philipslamp
een Boeing 737
een Essotankstation
Soortnamen:
een aspirientje
een colaatje
een airbus
(1) De titel van een boek, film, theaterproductie, artistieke onderscheiding of een evenement schrijven we met een hoofdletter.
(2) Voor een krant, een tijdschrift, een handelszaak of een organisatie gebruiken we de schrijfwijze die de auteur of oprichter heeft gekozen.
(3) Samenstellingen met een titel behouden de hoofdletter.
de Ilias
Het verdriet van België
De tuin der lusten
Sneeuwwitje en de zeven dwergen
de Nobelprijs
De Standaard
de Volkskrant
Onze Taal
Café De Posthoorn
dEUS
een Iliasbewerking
een Nobelprijswinnares
de Daviscupfinale
De naam van een heilig boek schrijven we met een hoofdletter als we de tekst bedoelen, maar met een kleine letter als het om een exemplaar van het boek gaat.
de Bijbel
de Koran
een Bijbellezing
een Koranvertaling
een mooi uitgegeven bijbel
een versierde koran
16.7. hoofdletter uit respect
(1) In een brief gebruiken we kleine letters als we iemand aanspreken, behalve aan het begin van een zin of een tekstregel. Ook de voornaamwoorden u en uw hebben een kleine letter.
(2) Om bijzonder respect uit te drukken kan een hoofdletter worden gebruikt.
Geachte lezer,
Zeer geachte mevrouw Schmidt,
Mijnheer de voorzitter,
De heer S. Streuvels, Lijsternest, Ingooigem
Wilt u zo vriendelijk zijn hieronder uw handtekening te plaatsen?
Heilige Vader (aanspreking van de paus)
Majesteit (aanspreking van een vorst)
Een titel of functiebenaming, al dan niet gevolgd door een naam, schrijven we met een kleine letter.
De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.
De minister van Binnenlandse Zaken heeft de brandweerlui gefeliciteerd.
Wij wachten nog op minister Pelemans.
prof. dr. J. Gobelijn
ds. Gremdaat
prinses Juliana
paus Gregorius X
Een naam voor een heilig persoon of een heilig begrip schrijven we met een hoofdletter.
Deze regel heeft betrekking op namen voor God of een godheid, op voornaamwoorden die naar de godheid verwijzen, en op namen voor andere heilige begrippen waarvoor men respect of ontzag wil uitdrukken. Samenstellingen met deze woorden behouden de hoofdletter, maar afleidingen schrijven we met een kleine letter. Als een dergelijk woord niet (meer) naar een heilig persoon of begrip verwijst, verliest het de hoofdletter.
God
Jahweh
Allah
de Heilige Maagd (maar: de heilige Thomas)
Uw Koninkrijk
een Venusbeeld
goddelijk
messiaans
een christusdoorn
een sint-bernardshond
→ benamingen van stromingen en overtuigingen: 16.5
→ heilige boeken: 16.6
16.8. zelfstandige naamwoorden uit het Duits
Zelfstandige naamwoorden die aan het Duits zijn ontleend, schrijven we in het Nederlands met een kleine letter.
übermensch
schnaps
umlaut
edelweiss
apfelstrudel
aha-erlebnis
Alleen als dergelijke zelfstandige naamwoorden de waarde van een eigennaam* hebben, krijgen ze een hoofdletter.
Endlösung
Sturm und Drang
Wehrmacht
16.9. hoofdletter aan het begin van een zin
Het eerste woord van een zin krijgt een hoofdletter.
Gaat Joachim mee op reis?
M’n gsm is gestolen.
Professor Gobelijn was tevreden.
Als de zin met een apostrof begint, krijgt het daaropvolgende volledige woord de hoofdletter.
’k Heb er niets meer van gehoord.
’s Morgens eet ik yoghurt.
Als de zin met een cijfer of een symbool begint, wordt het eerstvolgende woord met kleine letter geschreven.
67 personen werden geëvacueerd.
= is het is-teken.
17. Afkortingen, symbolen, initiaalwoorden, letterwoorden, verkortingen
Er bestaan verschillende vormen om een woord of een woordgroep korter te schrijven. We onderscheiden daarbij: afkortingen, symbolen, letterwoorden, initiaalwoorden en verkortingen.
17.1. afkortingen
Een afkorting (in de specifieke betekenis van het woord) is de weergave van een woord of een woordgroep door een of meer (begin)letters, zonder dat de afkorting in de plaats komt van wat wordt afgekort: als we de afkorting voorlezen, spreken we niet de afkorting uit, wel het woord of de woorden waar ze voor staat.
Een afkorting schrijven we met een of meer punten. We gebruiken een hoofdletter als die ook in het afgekorte woord voorkomt.
p. – pagina
bv., bijv. – bijvoorbeeld
blz. – bladzijde
m.a.w. – met andere woorden
mr. – meester
H.K.H. – Hare Koninklijke Hoogheid
17.2. symbolen
Een symbool is een notatie van een wetenschappelijk begrip, een eenheid of een valuta. De schrijfwijze is genormeerd, vaak internationaal. Ook als we een symbool lezen, spreken we het woord uit waar het voor staat.
Een symbool schrijven we zonder punt. We gebruiken de hoofdletters of kleine letters die nationaal of internationaal zijn afgesproken.
km/h – kilometer per uur
s – seconde
g – gram
EUR – euro
V – volt
kHz – kilohertz
mHz – millihertz
MHz – megahertz
MB – megabyte
Ca – calcium
Van sommige eenheden waarvoor in technische en wetenschappelijke teksten een symbool wordt gebruikt, zoals gram, uur en seconde, gebruiken we in gewone teksten een afkorting.
30 sec. wachttijd
500 gr. rundergehakt
17.3. initiaalwoorden en letterwoorden
Een initiaalwoord of een letterwoord wordt gevormd door de eerste letters van een naam of een andere woordgroep en gedraagt zich in de zin als een woord. Als we het voorlezen, spreken we de korte vorm uit, niet de gehele naam of woordgroep waar het voor staat. Sommige van deze woorden lezen we als een stel letternamen (bijvoorbeeld pc: /peesee/ personal computer). Dan spreken we van een initiaalwoord. Als we het geheel als een woord lezen (bijvoorbeeld havo: /haavoo/ hoger algemeen voortgezet onderwijs), spreken we van een letterwoord.
Een initiaalwoord of letterwoord schrijven we zonder punten. We nemen de hoofdletters van de afgekorte woorden over. Als een organisatie zelf een schrijfwijze hanteert die afwijkt van deze regel, dan volgen we het donorprincipe* en respecteren we die schrijfwijze.
pc (personal computer)
btw (belasting over de toegevoegde waarde)
wc (watercloset)
NMBS (Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen)
NS (Nederlandse Spoorwegen)
pin (persoonlijk identificatienummer)
Riagg (Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg)
BuZa ((Ministerie van) Buitenlandse Zaken)
SERV (Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen)
→ samenstelling met initiaalwoord of letterwoord: 6.3
→ afleiding van initiaalwoord met apostrof: 6.4
→ apostrof voor verkleinwoorden: 15.4
(1) In of achter initiaalwoorden die oorspronkelijk werden uitgesproken als de woorden waar ze voor staan (en dus afkortingen waren), maar waarbij een letter-voor-letteruitspraak gewoon is geworden, schrijven we nog wel de punten.
a.u.b. – /aa uu bee/ (alstublieft)
c.q. – /see kuu/ (casu quo – in welk geval)
a.m. – /aa em/ (ante meridiem – voor de middag)
(2) In initiaalwoorden die ten onrechte als een bestaand woord kunnen worden gelezen, schrijven we punten, tenzij binnen de gegeven context geen twijfel bestaat over de betekenis.
a.s.o. (algemeen secundair onderwijs) – aso (asociaal)
b.o.t. (beroeps onbepaalde tijd) – bot (stomp, dom)
m.o.k. (moeilijk opvoedbare kinderen) – mok (drinkbeker)
In contexten waarin de betekenis van het initiaalwoord bekend is, mogen de punten verdwijnen. Men schrijft dan aso, bot, mok.
(1) Een initiaalwoord of letterwoord dat we ontlenen aan een andere taal, behoudt zijn spelling zolang we het als vreemdtalig aanvoelen.
RAM (random access memory)
ADSL (asymmetric digital subscriber line)
GmbH (Gesellschaft mit beschränkter Haftung)
(2) Naarmate een letterwoord of initiaalwoord ingeburgerd raakt, verdwijnen de hoofdletters. Een letterwoord wordt daarna zonder koppelteken of apostrof opgenomen in een samenstelling of afleiding. Een letterwoord met een of meer hoofdletters behoudt het koppelteken en de apostrof. Dat geldt ook voor initiaalwoorden.
aids (acquired immune deficiency syndrome) – aidsvirus – ontaidsen
pin (persoonlijk identificatienummer) – pincode – pinnen
vip (very important person) – vipruimte – vipjes
pet (polyethyleentereftalaat) – petfles
lat (living apart together) – latrelatie
havo (hoger algemeen voortgezet onderwijs) – havoleerling – havoër
AOW (Algemene Ouderdomswet) – AOW’er
pc (personal computer) – pc-gebruiker
tv (televisie) – tv-kijker – tv’tje
SIS (Sociaal Informatiesysteem) – SIS-kaart
(3) De afgekorte namen van wetten, besluiten of overheidsplannen schrijven we met hoofdletters, ook als de uitgeschreven vorm geen hoofdletters bevat.
KB (Koninklijk Besluit)
WVO (Wet op het voortgezet onderwijs)
VUT (vervroegde uittreding)
MAP (Mestactieplan)
Als een andere schrijfwijze ingeburgerd is, bijvoorbeeld onder ambtenaren, dan geldt het donorprincipe*.
AMvB (Algemene Maatregel van Bestuur)
Wajong (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten)
(4) De afgekorte namen van ziekten schrijven we met hoofdletters. Alleen woorden die tot het dagelijkse taalgebruik zijn doorgedrongen, schrijven we met kleine letters.
BSE (boviene spongiforme encefalopathie)
ME (myalgische encefalomyelitis)
MKZ (mond-en-klauwzeer)
Tot het gewone taalgebruik behoren onder meer:
aids (acquired immune deficiency syndrome)
soa (seksueel overdraagbare aandoening)
(5) Als het donorprincipe niet speelt, dan hangt het gebruik van hoofdletters bij letterwoorden die een eigennaam* aanduiden af van de lengte.
17.4. verkortingen
Een verkorting is opgebouwd uit een of meer (delen van) lettergrepen. Zo is horeca samengesteld uit de eerste letters van hotel, restaurant en café.
Verkortingen gedragen zich als gewone woorden. Als het om een eigennaam gaat, schrijven we een hoofdletter of respecteren we het donorprincipe.
info (informatie)
airco (airconditioning)
camcorder (camera-recorder)
hetero (heteroseksueel)
hifi (high fidelity)
StuBru (Studio Brussel)
nettiquette (netetiquette)
webzine (webmagazine)
Samenstellingen en afleidingen maken we zoals met gewone grondwoorden*, tenzij we het grondwoord met een of meer hoofdletters schrijven.
infostand
aircospecialist
hifitoren
infootje
aircootje
Een samenstelling met een verkorting die we met een hoofdletter schrijven, krijgt een koppelteken. Een afleiding krijgt een apostrof.
StuBru-medewerker
Benelux-land, Vinex’er
18. Woorden afbreken
Wie gebruikmaakt van een Nederlandstalig tekstverwerkingsprogramma, hoeft zich weinig zorgen te maken over de afbreekregels. De computer breekt desgewenst woorden af en maakt weinig fouten. De Woordenlijst geeft van de opgenomen woorden aan waar ze volgens de regels kunnen worden afgebroken.
Een woord wordt afgebroken op de grens tussen twee lettergrepen.
wa•fel
las•ter
sok•kel
au•la
eu•tha•na•sie
ou•der
Ne•der•land
boom•stam
be•vei•li•gen
te•vre•den•heid
Dat betekent dat we kunnen afbreken:
(a) tussen de delen van een samenstelling (hoofd•regel*)
(b) tussen een voorvoegsel en een grondwoord in een afleiding* (ge•regeld)
(c) tussen een grondwoord en een achtervoegsel, als dat laatste met een medeklinker begint, of als het grondwoord eindigt met een klinkerteken (werk•ster, onderzee•er*)
(d) op andere plaatsen als we zo veel mogelijk medeklinkertekens naar het tweede deel brengen (pu•bliek)
Tegelijk letten we erop dat:
(a) het tweede deel van het woord niet begint met een lettercombinatie die nooit aan het begin van een Nederlands woord voorkomt (dus herf•stig, maar niet her•fstig)
(b) geen los klinkerteken blijft staan aan het eind of het begin van een tekstregel (dus niet e•zels of regi•o), ook niet in samenstellingen (dus niet pake•zels)
(c) geen verkeerde uitspraak opgeroepen wordt (dus niet prog•ramma, maar wel pro•gramma)
Soms zijn er kleine verschillen tussen de afgebroken en de niet-afgebroken vorm van een woord. Extra klinkertekens in woorden zoals parapluutje vervallen: paraplu•tje. Het trema dat we gebruiken bij klinkerbotsing vervalt als we een woord op die plaats afbreken: beëindigen wordt be•eindigen. Dat geldt ook voor de apostrof: sherry’tje wordt sherry•tje
Dit zijn slechts enkele vingerwijzingen. De Woordenlijst geeft alle afbreekplaatsen van de opgenomen woorden weer.
Lijst van vaktermen
Teken boven een klinker op een woord van meestal Franse herkomst, bijvoorbeeld op de e in café (= accent aigu), op de a in déjà vu (= accent grave), op de i in maîtresse (= accent circonflexe of dakje). Het trema en het klemtoonteken* worden niet beschouwd als een accent.
In een afleiding: element dat niet als los woord kan voorkomen, maar achter een grondwoord wordt toegevoegd. Voorbeelden: (waarde)loos, (hoek)ig. Als het element voor het grondwoord komt, is het een voorvoegsel*.
synoniem: suffix
→ uitgang, verbuiging
Liggend streepje (-) op het eind van een volgeschreven tekstregel, waarmee we aangeven dat het woord op de volgende regel wordt vervolgd. In de Leidraad en de Woordenlijst worden de mogelijke afbreekplaatsen aangeduid met het teken •.
Het slechts gedeeltelijk schrijven van een te lang woord op het eind van een volgeschreven tekstregel, waarna de rest aan het begin van de volgende regel komt.
→ apostrof
Verzamelnaam voor woorden die niet volledig worden geschreven, maar worden aangeduid met minder letters, doorgaans de beginletter(s). Ook een woordgroep kan worden afgekort. Voorbeelden: ds. (dominee), tv (televisie), NAVO (Noord-Atlantische Verdragsorganisatie). Afkortingen in ruime zin worden vaak ingedeeld in echte afkortingen, letterwoorden, initiaalwoorden, symbolen en verkortingen*.
(Echte afkorting) aanduiding van een woord of een woordgroep door een beperkt aantal letters, die we uitspreken als het geheel. Voorbeelden: ds. (we spreken uit: dominee), *m.a.w. (we spreken uit: met andere woorden*).
Geleed woord dat bestaat uit een grondwoord en een of meer voor- of achtervoegsels. Voorbeeld: onschuldig, dat bestaat uit het voorvoegsel on-, het grondwoord schuld en het achtervoegsel -ig.
Teken (’) dat de weglating van een of meer letters aanduidt, of dat we gebruiken om een open lettergreep open te houden als er bijvoorbeeld een uitgang of achtervoegsel volgt. Voorbeelden: m’n vriendin; opa’s fiets; een baby’tje.
synoniemen: afkappingsteken, weglatingsteken
Deel van het woord waar een klemtoon op ligt. Bijvoorbeeld: in het woord voorstellen zijn voor en stel beklemtoond, waarbij voor de hoofdklemtoon draagt en stel een nevenklemtoon; len* is onbeklemtoond.
Achtervoegsel dat we aan een zelfstandig naamwoord hechten om een bezits- of afhankelijkheidsrelatie aan te duiden. Voorbeeld: de s in mijn broers kamer of in Anna’s handschrift*.
synoniem: genitief-s
Vorm van een zelfstandig naamwoord met een bezits-s. Voorbeeld: moeders in moeders pc*.
synoniem: genitief
Woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een ander bijwoord, een werkwoord of een gehele zin bepaalt. Voorbeeld: heel in een heel mooi boek; erg in erg goed gegeten; lang in ik heb lang geslapen; misschien in misschien lukt het.
→ accentteken
→ trema
→ verkleinwoord
Het respecteren van de schrijfwijze die in de taal van herkomst gebruikt wordt of die de oprichter, de ontwerper of de eigenaar van een instelling of merk heeft gekozen. Zo kan iemand een eigennaam vastleggen die afwijkt van de officiële spellingregels, bijvoorbeeld het hoofdlettergebruik in StuBru (Studio Brussel) of PvdA (Partij van de Arbeid)*.
Officiële naam waarmee men verwijst naar een unieke persoon, plaats, zaak, instelling, een merk of een historische gebeurtenis. Voorbeelden: Gina, T. Janssens, Van de Velde, Soest, Polynesië, Eiffeltoren, Raad van State, Mercedes-Benz, Tweede Wereldoorlog.
Herkomst en ontwikkeling van de vorm en de betekenis van een woord. Door het beginsel van de etymologie schrijven we de klank /ei/ soms met een lange ij, soms met een korte ei.
→ korte klinker
Woord dat bestaat uit verschillende onderdelen, namelijk een of meer grondwoorden, en voor- of achtervoegsels. Voorbeelden: keukendeur (twee grondwoorden: keuken en deur); keukentje (grondwoord keuken met achtervoegsel tje*).
→ samenstelling, afleiding, ongeleed woord
Vreemd woord of vreemde uitdrukking die incidenteel in een Nederlandse tekst wordt gebruikt, bijvoorbeeld om iets van de sfeer van de vreemde taal over te brengen op de lezer, of omdat het in de vreemde taal om een gevleugeld woord gaat. Vaak wordt een gelegenheidsontlening cursief gedrukt. Voorbeeld: ‘Het was werkelijk ‘another brick in the wall.’’
Spellingbeginsel waardoor we een gelijk woorddeel zo veel mogelijk op gelijke wijze schrijven. Voorbeeld: voed altijd met d in:ik voed, jij voedt, ik voedde, het voeden, het voedsel, de voeding.
synoniem: vormovereenkomst
→ bezitsvorm
→ bezits-s
→ woordgeslacht
Lettergreep die eindigt op een medeklinker. Voorbeeld: mak, maak, buurt, han•den, mor•gen.
Plaats waar twee woorddelen elkaar raken in een samenstelling of afleiding. Voorbeeld: de plaats tussen de n en de d in keukendeur, tussen de n en de h in schoonheid. Op de grens tussen woorddelen horen we in een samenstelling soms een tussenklank. Voorbeeld: tussen station en gebouw horen we een s in stationsgebouw.
Woord waarvan uitgegaan wordt bij de vorming van een samenstelling (met een ander grondwoord, bijvoorbeeld: keukendeur) of van een afleiding (met een voorvoegsel en/of een achtervoegsel, bijvoorbeeld: ondeugdelijk).
Woord dat in alle opzichten tot onze taal behoort en bestaat uit klanken die tot het Nederlandse spraaksysteem behoren. Inheemse woorden zijn van Nederlandse oorsprong (mens, meisje), of zijn in die mate vernederlandst dat hun vreemde herkomst niet meer te herkennen is (kasteel, venster).
→ onbepaalde wijs van een werkwoord
Woord dat gevormd wordt met de beginletters van afzonderlijke woorden en dat we uitspreken als een reeks letternamen. Voorbeeld: pc: /peesee/ personal computer.
→ letterwoord, afkorting
Nadruk waarmee een woord of een woorddeel wordt uitgesproken. Bij meerlettergrepige woorden krijgt één lettergreep de hoofdklemtoon. Bijvoorbeeld: in het woord ondoorgrondelijk zijn deze lettergrepen onbeklemtoond: on-door-gron-de- lijk. Hier ligt de hoofdklemtoon: on-door-gron-de-lijk. Hier ligt een nevenklemtoon: on-door-gron-de-lijk*.
Teken boven een klinker of tweeklank, waarmee we een bijzondere klemtoon aanduiden. Het teken heeft dezelfde vorm als het Franse accent aigu. We plaatsen bijvoorbeeld een klemtoonteken als we niet zomaar de oplossing willen noemen, maar dé oplossing, of als we een tegenstelling willen accentueren: het was een fíéts, geen brómfiets*.
synoniem: nadrukteken
De lettertekens a, e, i, o, u en in de meeste gevallen y of combinaties daarvan, bijvoorbeeld aa, oe (maar niet de tweeklanken zoals au en ui) ;
De klanken die door deze letters worden voorgesteld.
→ medeklinker, tweeklank
Verwarring die kan ontstaan wanneer we twee letters die meestal één klinker of tweeklank voorstellen (bijvoorbeeld aa of ui), in een woord toch afzonderlijk moeten lezen (dus als a-a of u-i) omdat ze tot verschillende lettergrepen behoren. We kunnen klinkerbotsing oplossen met een koppelteken of een trema. Voorbeeld: auto-onderdelen, ruïne*.
Verandering van klinker, bijvoorbeeld als we een sterk werkwoord van de tegenwoordige naar de verleden tijd brengen, of als we een onregelmatig meervoud vormen. Voorbeelden: ik lees – ik las; schip – schepen.
Liggend streepje (-) dat wordt gebruikt als verbindingsteken tussen de delen van sommige samenstellingen en samenkoppelingen*.
De klinkers van bal, bel, bil, bol, bul.
synoniem: gedekte klinker
De klinkers van baan, been, bier, boon, duw, boer, beul.
synoniem: vrije klinker
→ uitheems woord
Elke klankgroep die we onderscheiden als we een woord scanderen en die in geschreven vorm bestaat uit een klinker met eventueel daaromheen medeklinkers. Voorbeeld: on-door-gron-de-lij-ke. Een lettergreep kan open of gesloten zijn.
Woord dat gevormd wordt met de beginletters van afzonderlijke woorden, die we samen als een woord uitspreken. Voorbeeld: havo: /haavoo/ hoger algemeen voortgezet onderwijs.
→ initiaalwoord, afkorting
→ koppelteken, afbreekteken, weglatingsstreepje
In een samenstelling: het eerste van twee woorddelen. Voorbeeld: in keukendeur is keuken het linkerdeel. Ook in een drie- of meerdelige samenstelling spreken we van een linkerdeel. We bedoelen dan: het woorddeel of de woorddelen links van de grens die we in beschouwing nemen. Voorbeeld: als we het over de tussenklank /s/ hebben in studentenbevolkingsaangroei, noemen we studentenbevolking het linkerdeel en aangroei het rechterdeel, maar als we het over de tussenklank /ə / hebben in hetzelfde woord, noemen we studenten het linkerdeel en bevolking* het rechterdeel.
synoniem: linkerlid
→ linkerdeel
De lettertekens b, c, d, f, g, h, j, k, l, m, n, p, q, r, s, t, v, w, x, z en enkele combinaties daarvan, bijvoorbeeld ch, ng, sj en th. In een woord als yoghurt is de y ook een medeklinker.
De klanken die door deze letters worden voorgesteld.
→ klinker
In een samenstelling of een woordgroep: element dat komt na het woord dat wordt bepaald. Voorbeeld: verbaal is een nabepaling in de samenstelling proces-verbaal; met een puntdak is een nabepaling in de woordgroep huizen met een puntdak.
→ klemtoonteken
Elk van de delen van een woord waar geen klemtoon op ligt. Bijvoorbeeld: in het woord onoverkomelijk zijn deze lettergrepen onbeklemtoond: on-o- ver-ko-me-lijk. Hier ligt de hoofdklemtoon: on-o-ver-ko-me-lijk. Hier ligt een nevenklemtoon: on-o-ver-ko-me-lijk*.
De vorm van een werkwoord die in een woordenboek is opgenomen. Deze vorm is onbepaald wat persoon, getal en tijd betreft. Doorgaans eindigt de onbepaalde wijs op -en, soms op -n. Voorbeelden: lopen, werken, eten, gaan, zien, doen, zijn.
synoniem: infinitief
→ vervoeging, persoonsvorm
Woord waarin we geen samenstellende woorddelen (grondwoorden, voor- of achtervoegsels) kunnen onderscheiden. Voorbeeld: keuken. In de samenstelling keukendeur en de afleiding keukentje zijn wel woorddelen te onderscheiden. Sommige woorden zijn van oorsprong samenstellingen of afleidingen, maar omdat we de delen nauwelijks nog onderscheiden, worden ze behandeld als ongeleed. Voorbeeld: coëfficiënt volgt de regels voor klinkerbotsing bij ongelede woorden, want het wordt niet herkend als co+efficiënt; co-existeren wordt wel herkend als co+existeren* en volgt daarom de regels voor klinkerbotsing bij samenstellingen.
Werkwoord dat bij de vervoeging wisselingen van klinkers en/of medeklinkers vertoont. Voorbeelden: lopen – liep – gelopen; brengen – bracht – gebracht. Als de vervoeging buiten de klinkerwisseling regelmatig verloopt, wordt een onregelmatig werkwoord ook sterk werkwoord genoemd. Daarnaast zijn er werkwoorden als zijn en hebben* die niet volgens regels vervoegd worden.
→ sterk werkwoord
Lettergreep die eindigt op een lange klinker of een tweeklank. Bijvoorbeeld: ma(ken), bo(ter), lui(den)*.
De vervoegde vorm van een werkwoord in een zin. Deze vorm wordt gekenmerkt door een persoon (eerste, tweede, derde), een getal (enkelvoud of meervoud) en een tijd (bijvoorbeeld tegenwoordige of verleden tijd). Voorbeeld: zit of zat in Jeroen zit/zat aan de computer.
→ voorvoegsel
In een samenstelling: het tweede van twee woorddelen. Voorbeeld: in keukendeur is deur het rechterdeel. Ook in een drie- of meerdelige samenstelling spreken we van een rechterdeel. We bedoelen dan: het woorddeel of de woorddelen rechts van de grens die we in beschouwing nemen. Voorbeeld: als we het over de tussenklank /s/ hebben in studentenbevolkingsaangroei, noemen we aangroei het rechterdeel en studentenbevolking het linkerdeel. Als we het over de tussenklank /ə / hebben in hetzelfde woord, noemen we bevolking het rechterdeel en studenten het linkerdeel.
synoniem: rechterlid
→ rechterdeel
Herhaling van een lettergreep of een woorddeel in een woord als tuftuf of pilipili. Als er een klinkerwisseling is, spreken we van bijna-reduplicatie. Voorbeeld: rimram*.
Twee of meer woorden die vaak samen voorkomen en daardoor een vaste uitdrukking zijn gaan vormen, die zich in haar geheel gedraagt als een samengesteld woord. Voorbeeld: een kruidje-roer-me-niet. De grens tussen samenkoppeling en woordgroep is niet scherp te trekken. Een samenkoppeling kan een samenstelling vormen met een ander woord. Voorbeeld: zwart-wit; een zwart-wittoestel.
Geleed woord dat bestaat uit twee of meer grondwoorden, eventueel verbonden door een tussenklank. De samenstelling heeft doorgaans een betekenis die verband houdt met de grondwoorden. Zo is een badkamerdeur een deur die toegang geeft tot een kamer waar een bad staat. Een samenstelling heeft één hoofdklemtoon en wordt doorgaans in één woord geschreven of met een koppelteken. De delen van een samenstelling noemen we het linkerdeel en het rechterdeel*.
Het weglaten van een deel in een woordgroep waarin een gelijkwaardig element voorkomt. Op de plaats van het weggelaten element dat een deel is van een samenstelling, schrijven we een weglatingsstreepje. Voorbeeld: land- en tuinbouw voorlandbouw en tuinbouw.
De klanken /s/, /z/, /sj/, /ts/, /tsj/, /zj/ en /dzj/ zoals we ze horen aan het begin van samen, zalf, shampoo, tsaar, check, journaal en jeans.
→ toonloze /ə /
Woord waarmee wordt verwezen naar een persoon, dier, plaats, instelling, merk, zaak, tijdstip, door de soort te noemen waartoe een bedoeld individu of exemplaar behoort. De meeste soortnamen kunnen we laten voorafgaan door een onbepaald lidwoord (een). Een menselijk individu heet bijvoorbeeld Mieke (dat is haar eigennaam), maar er kan naar deze persoon verwezen worden met verschillende soortnamen, want zij is bijvoorbeeld een mens, een meisje, een studente, een zangeres*.
Basisvorm van een werkwoord, dat wil zeggen de onbepaalde wijs zoals we die uitspreken min de uitgang /ə /, /ə n/ of /n/. De stam van lopen is loop, de stam van staan is sta*.
De medeklinkers die niet voorkomen in ’t kofschip*, namelijk /b/, /d/, /g/, /v/, /z/, /zj/, /dzj/,
/g/, /m/, /n/, /ng/, /l/, /r/, /w/, /j/. Als we deze medeklinkers uitspreken, laten we onze stembanden trillen.
De medeklinkers die voorkomen in ’t kofschip*, namelijk /t/, /k/, /f/, /s/, /ch/, /p/, plus de /sj/. Als we deze medeklinkers uitspreken, laten we onze stembanden niet trillen.
Werkwoord dat bij de vervoeging in de verleden tijd en/of de vorming van het voltooid deelwoord een klinkerwisseling (soms ook medeklinkerwisseling) vertoont. Voorbeeld: eten – at – gegeten; kopen – kocht – gekocht*.
→ onregelmatig werkwoord
→ toonloze /ə /
→ achtervoegsel
Nationaal of internationaal genormeerde term om een technisch of wetenschappelijk begrip aan te duiden. Voorbeeld: C (koolstof). De spellingregels voor symbolen gelden ook voor valutatekens, zoals £ (pond sterling) en € (euro).
De onbeklemtoonde klinker in bijvoorbeeld de lettergrepen de, be(ginnen), (vol)gen, (he)vig, (eer)lijk*.
synoniem: sjwa, stomme e, toonloze e
Twee puntjes op een klinker die apart van een voorafgaande klinker moet worden uitgesproken, zoals in poëzie. De umlaut, bijvoorbeeld in hüttenkäse*, wordt niet beschouwd als een trema.
synoniem: deelteken
Klank die we horen tussen de woorddelen in sommige samenstellingen en afleidingen. Voorbeelden: de /s/ tussen station en gebouw in stationsgebouw, de toonloze /ə /, soms uitgesproken als /ə n/, tussen eeuw en oud in eeuwenoud, de toonloze /ə / tussen vrucht en loos in vruchteloos.
Een letter (e, n of s) of een lettercombinatie (en) die we spellen in een woord waar we een tussenklank horen. Voorbeeld: -en- in eikenboom*.
De n die we in een aantal gevallen aan de e schrijven tussen de woorddelen in een samenstelling of afleiding als we daar een toonloze /ə / of /ə n/ horen. Voorbeeld: de n in hondenhok (hond+en+hok), ziekenhuis (zieke+n+huis) of heldendom (held+en+dom).
De s die we in een aantal gevallen schrijven tussen de woorddelen in een samenstelling. Voorbeeld: de s in dorpskern*.
De klinkers van krijt, koud, kruid. De /ei/ kunnen we schrijven als een lange ij of een korte ei. De /au/ kunnen we schrijven als au of als ou.
Element dat we toevoegen aan een woord dat we verbuigen of vervoegen. Voorbeeld: -e aan het eind van andere, -te aan het eind van lachte.
→ verbuiging, vervoeging
Woord dat we uit een vreemde taal hebben overgenomen. Soms is een uitheems woord te herkennen aan uitheemse klanken, bijvoorbeeld de /zj/ in journaal of de /i/ in timbre. Een uitheems woord past zich doorgaans in de loop van de tijd aan de Nederlandse taalregels aan. Het wordt dan bastaardwoord genoemd. Vaak wordt de spelling dan vernederlandst. Zo is de c die nog te zien is in vacant, in het woord vakantie vervangen door een k. Sommige woorden uit vreemde talen worden nog als zuiver uitheems beschouwd. Ze behouden dan hun spelling. Voorbeelden: paella, délégué, perpetuum mobile. Ook de meeste woorden uit het Engels behouden hun spelling: computer, baby.
synoniem: leenwoord, vreemd woord
→ inheems woord
Accent aigu of accent grave op een e, waarmee we in uitzonderlijke gevallen aangeven dat we de klank van mee uitspreken (hé) of de klank van met (hè).
Twee puntjes in een woord van Duitse of Scandinavische oorsprong om aan te duiden dat ä als /ee/ of /è/ gelezen moet worden, ü als /uu/ (en niet als /oe/), ö als /eu/. Voorbeelden: übermensch, knäckebröd.
Vormverandering die nodig is om een woord bij andere woorden te doen passen. Voorbeeld: ons wordt onze, nieuwwordt nieuwe, schoen wordt schoenen in: onze nieuwe schoenen. Verbuiging doet zich voor bij zelfstandige naamwoorden (enkelvoud of meervoud), voornaamwoorden (ons/onze) en bijvoeglijke naamwoorden of bijwoorden (met of zonder e). Meestal krijgt een verbogen woord een specifiek toevoegsel, dat we uitgang noemen.
Afleiding van een zelfstandig naamwoord met bijvoorbeeld het achtervoegsel -je of -tje. Voorbeeld: kindje, eitje.
synoniem: diminutief
Verkorte vorm van een woord of woordgroep die ontstaat door weglating van een of meer lettergrepen. Voorbeeld: prof (professor/professioneel), horeca (hotel, restaurant, café).
Vorm van een onregelmatig werkwoord die we horen in de meervoudsvormen van de verleden tijd, min de uitgang -en. Voorbeeld: lopen – we liepen – verledentijdsstam: liep*.
Geleed woord dat niet meer herkend wordt als een samenstelling, of waarin we de betekenis van een of meer woorddelen niet meer herkennen. Voorbeeld: bolleboos*.
Vormverandering die nodig is om een werkwoord in een zin te doen passen, voornamelijk door aan de stam een uitgang toe te voegen. Voorbeeld: werken wordt werkten in de zin: mijn ouders werkten in Breda. Bij de vervoeging wordt een tijd (tegenwoordig of verleden, voltooid of onvoltooid), een persoon (eerste, tweede, derde) en een getal (enkelvoud of meervoud) toegekend aan het werkwoord.
→ onregelmatig werkwoord, persoonsvorm, verbuiging
In een samenstelling of in een woordgroep: element dat voor het woord komt dat wordt bepaald. Voorbeeld: oud is een voorbepaling in de samenstelling oud-voorzitter, hoge is een voorbepaling in de woordgroep hoge huizen.
Samenstelling van een bijwoord (bijvoorbeeld er, hier, daar, waar) en een of meer voorzetselbijwoorden (bijvoorbeeld aan, bij, in, voor). Voorbeelden: eraan, hierbij, waarvoor, eronderdoor.*
In een afleiding: element dat niet als los woord kan voorkomen, maar voor een grondwoord wordt geplaatst. Voorbeelden: on(schuld), be(gaan). Als het element achter het grondwoord komt, is het een achtervoegsel*.
synoniem: prefix
niet te verwarren met: voorzetsel*
Woord zoals in, op, aan, tegen, bij. Het geeft een bepaalde relatie aan (vaak in ruimte of tijd) tegenover datgene waarnaar het volgende zelfstandig naamwoord verwijst. Voorbeeld: in de kast, tegenover op de kast.
niet te verwarren met: voorvoegsel
Voorzetsel dat de functie heeft van een bijwoord. Voorbeeld: op in Tom is nog op.
→ gelijkvormigheid
→ uitheems woord
→ lange klinker
Liggend streepje in een woordgroep op de plaats waar door samentrekking een deel van een samenstelling wordt weggelaten. Voorbeeld: in land- en tuinbouw*.
→ apostrof
Een van de grondwoorden in een samenstelling, of een grondwoord of een voor- of achtervoegsel in een afleiding. Voorbeelden: in onderdompelingen de delen onder+dompel+ing+en*.
Onderscheid tussen de-woorden en het-woorden, en bij de-woorden soms het onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke woorden.
synoniem: genus
Opeenvolging van woorden die bij elkaar horen. Voorbeeld: heel mooie bomen in een rij. De scheidingslijn tussen samenkoppeling* en woordgroep is niet scherp te trekken.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst en bekend worden gemaakt op de internetsite van de Centrale Financiën Instellingen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)