Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen Onderwijsraad beleidsterrein Wetenschappelijk onderwijs (1945) 1960–1997
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 24 augustus 2006, nr. arc-2006.03077/10);
Besluit:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de onder de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ressorterende actor de Onderwijsraad op het beleidsterrein Wetenschappelijk onderwijs over de periode (1945) 1960–1997’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Basisselectiedocument
De adviserende Onderwijsraad
Periode: 1945–2003
(Pivotnr. vooralsnog onbekend)
Waarbij het institutioneel onderzoek werd gebaseerd op de Pivot-rapporten nrs. 48, 52, 55, 62, 63, 64 en 69
Peter Brand, Digital display BV
In opdracht van de Onderwijsraad
1. Lijst met gebruikte afkortingen
ARBO: Adviesraad voor het basisonderwijs
ARHO: Adviesraad voor het hoger onderwijs
ARO: Adviesraad voor het onderwijs
ARVO: Adviesraad voor het voortgezet onderwijs
AWT: Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologie beleid
BSD: Basis Selectie Document
KB: Koninklijk Besluit
LNV: Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
OCenW: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn
RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek
RVE: Raad voor de volwasseneneducatie
SER: Sociaal Economische Raad
Stb.: Staatsblad
TK: Tweede Kamer
WRR: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
WVO: Wet op het Voortgezet Onderwijs
2. Inleiding
Begin jaren negentig kwam de Bijzondere Commissie Vraagpunten Adviesorganen (de commissie-De Jong) met haar rapport ‘Raad op maat’ 1Het rapport werd in februari 1993 door de commissie aangeboden aan Tweede Kamervoorzitter Deetman (TK 1992–1993, 21427, nr. 29).. Dit rapport heeft geleid tot een rijksbrede herziening van het adviesstelsel en een ingrijpende reorganisatie van adviesorganen. De commissie stelde voor het aantal adviesorganen fors te reduceren en te komen tot de instelling van één adviesorgaan per ministerie. Een andere aanbeveling was het afschaffen van wettelijke verplichtingen om advies.
Om de gedane voorstellen te kunnen realiseren was een wijziging van bestaande wetgeving en het maken van nieuwe wetgeving noodzakelijk.
Deze wetten zouden een grote ‘impact’ hebben op bijna alle adviesorganen van de overheid.
De Herzieningenwet adviesstelsel2Stb. 1996, 377. leidde per 1-1-1997 tot de opheffing van alle vaste en tijdelijke colleges van advies. De ‘oude’ Onderwijsraad is als gevolg hiervan per die datum opgeheven.
De Kaderwet adviescolleges3Stb. 1996, 378. maakte het mogelijk om nieuwe adviescolleges in te stellen en regelt de hoofdstructuur van de nieuwe adviesorganen.
De Wet op de Onderwijsraad4Stb. 1997, 220 (Wet van 15 mei 1997, met terugwerkende kracht tot 1-1-1997 in werking getreden). is de instellingswet van de nieuwe Onderwijsraad. De Wet van 21 februari 1919, houdende instelling van eenen Onderwijsraad 5Stb. 1919, 49 (zoals gewijz. Stb. 1952, 355/Stb. 1958, 45/Stb. 1967, 386/Stb. 1983, 727/Stb. 1986, 273/Stb. 1992, 337). werd daarmee ingetrokken.
Het jaar 1997 is derhalve een belangrijk jaar voor de Onderwijsraad. Het markeert het begin van een ‘nieuw’ adviescollege op het gebied van het onderwijs
Algemene advieshandelingen en de noodzaak van een algemeen BSD
Tot 1997 was de Onderwijsraad in afdelingen naar onderwijsveld ingedeeld (zoals de afdelingen primair onderwijs, secundair onderwijs, tertiair onderwijs, kwartair onderwijs, enz.).
Behalve handelingen die specifiek betrekking hadden op een bepaald onderwijsveld, werden tot 1997 ook adviezen verstrekt met een algemeen (integraal) karakter of zoals artikel 4 van de Wet op de Onderwijsraad (1919) het stelt: ‘De Raad geeft aan onzen voornoemden Minister desgevraagd of eigener beweging advies omtrent vraagstukken van algemeene strekking op het gebied van het aan de zorg van diens Departement toevertrouwd onderwijs’.
Bovendien is de samenhang tussen de onderwijsvelden in de jaren negentig steeds groter geworden.
Door de invoering in 1997 van de ‘nieuwe’ Wet op de Onderwijsraad zijn de adviestaken niet langer meer gebonden aan specifieke onderwijssectoren. Het sectorenbeleid werd vervangen door een beleid dat meer is gericht op het verrichten van algemene advieshandelingen. Steeds vaker zullen we dus adviezen van de Onderwijsraad tegenkomen die een algemeen karakter hebben.
Dit brengt echter een praktisch probleem met zich mee.
De bestaande institutionele onderzoeken (RIO’s) en sectorale BSD’s bieden nl. geen mogelijkheid om algemene handelingen van de Onderwijsraad in op te nemen. Doordat bij alle vorige institutionele onderzoeken de beleidsterreinen werden afgestemd op de onderwijsvelden, zijn algemene handelingen, die zich uiteraard niet beperken tot één onderwijsveld, hiertoe niet meer te herleiden.
Het is dan noodzakelijk om deze algemene handelingen in een nieuw BSD op te nemen.
Het BSD ‘De adviserende Onderwijsraad’
Voor u ligt het BSD ‘De adviserende Onderwijsraad’ dat ingaat op de algemene adviestaken van dit adviescollege. Deze algemene adviestaken zijn deels op grond van nieuwe wetgeving en een veranderd takenpakket ontstaan. Voor wat betreft het institutioneel onderzoek kan worden verwezen naar de volgende PIVOT-rapporten:
Naast de algemene adviestaken zijn, uit praktische overwegingen, in deze selectielijst ook enkele andere beleidsterreinoverstijgende taken als het op- en vastellen van werkprogramma’s, jaarverslagen en algemene evaluatieverslagen opgenomen, in plaats van in elke afzonderlijke selectielijst.
In tegenstelling tot de overige handelingen in deze selectielijst, die aanvangen in 1980 of later, worden deze handelingen vastgesteld voor de periode vanaf 1945, omdat zij ook al voor 1980 werden uitgevoerd.
Het hoofdstuk Actoren bevat een beschrijving van het veranderende takenpakket en de algemene adviestaken die de Onderwijsraad uitvoert. In de selectielijst van het BSD zijn alle handelingen opgenomen die op grond van de algemene (advies)taken zijn geformuleerd.
3. Actoren
De Onderwijsraad
De instelling van vaste colleges van advies zoals de Onderwijsraad, geschiedt op basis van art. 79 van de Grondwet, bij of krachtens de wet (hier de Wet van 21 februari 1919, Stb. 49, houdende instelling van eenen Onderwijsraad) 6zoals gewijzigd Stb. 1952, 355/Stb. 1958, 45/Stb. 1967, 386/Stb. 1983, 727/Stb. 1986, 273/Stb. 1992, 337.
De Onderwijsraad is in 1919, kort na de oprichting van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, ingesteld als permanent en onafhankelijk adviesorgaan van de overheid op het gebied van het onderwijs. De instelling van de raad hing samen met de beëindiging van de schoolstrijd. De opdracht die de Onderwijsraad kreeg hield direct verband met het opnemen in de Grondwet van de bepaling dat het bijzonder onderwijs naar dezelfde maatstaf wordt bekostigd als het openbaar onderwijs.
Doordat steeds meer commissies en andere raden van advies in de loop van de tijd werden ingesteld, werd de monopoliepositie van de Onderwijsraad als adviseur van de Minister van Onderwijs aangetast. In de jaren ’60 kregen onderwijsorganisaties en andere belangengroepen een steeds grotere rol bij de beleidsvoorbereiding. In art. 3 WVO (Wet op het voortgezet onderwijs) werden zij zelfs apart genoemd en werden zij deswege aangeduid als de ‘artikel-3 organisaties’. De finale advisering bleef echter uitsluitend de taak van de Onderwijsraad (d.w.z. de Onderwijsraad geeft advies over beleidsvoornemens van de minister, die deze na gevoerd overleg heeft vastgesteld, en over ontwerpregelgeving, nadat daarover door de art.3-organisaties advies is uitgebracht).
Steeds meer adviesraden zagen het licht zoals de in 1980 opgerichte Adviesraad voor het basisonderwijs (ARBO), de in 1982 ingestelde Adviesraad voor het voortgezet onderwijs (ARVO), de in 1985 opgerichte Adviesraad voor het hoger onderwijs (ARHO). De raden waren ingesteld vanwege de sterk in omvang toegenomen beleidsterreinen t.a.v. de diverse sectoren van het onderwijs. Zij zouden zich richten op strategische beleidsadvisering op hoofdlijnen in een vroege fase van de beleidscyclus.
De Onderwijsraad behield zijn finale adviestaak.
Een strikte scheiding tussen de verschillende onderwijssectoren in een vroeg stadium van beleidsvoorbereiding werd op den duur toch niet wenselijk geacht. De wens naar meer bundeling van deskundigheid leidde tot in 1991 tot één beleidsinitiërende adviesraad voor het gehele onderwijs, waarbij de drie adviesraden werden samengevoegd tot één adviesorgaan, de voorlopige Adviesraad voor het onderwijs (ARO). Uiteindelijk wordt deze raad per 1 augustus 1995 opgeheven a.g.v. de herziening van het adviesstelsel.
De Onderwijsraad had tot 1997 de volgende taken:
Bij de instelling van de Onderwijsraad in 1919 werd zij naar onderwijsveld verdeeld in een viertal afdelingen (art. 1 lid 2, Wet van 21 februari 1919, houdende instelling van eenen Onderwijsraad , Stb. 1919, 49). Sinds 1919 is het aantal afdelingen uitgebreid. Bij KB van 12 juni 1968, nr. 14 (laatst gewijzigd 14-2-1985, Stb. 99) werd de Onderwijsraad verdeeld in de volgende afdelingen:
Begin 1990 gaf de toenmalige voorzitter van de Tweede Kamer, drs. W. J. Deetman, in opdracht van de Kamer, het startsein voor een staatkundig, bestuurlijk en staatsrechterlijk vernieuwingsproces.
Een onderdeel van dit vernieuwingsproces vormde de ingrijpende reorganisatie van adviesorganen, m.u.v. de Raad van State, de SER en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
Het startschot voor deze operatie vormde het rapport van de bijzondere commissie Vraagpunten Adviesorganen, genaamd ‘Raad op maat’. Dit rapport heeft geleid tot een algehele herziening van het adviesstelsel.
Gesteld werd dat de reorganisatie mede tot doel het primaat van de politiek op het punt van de besluitvorming te herstellen. Middelen om dat doel te bereiken waren onder andere: het terugdringen van het aantal adviesorganen (één adviesorgaan per ministerie, later gewijzigd in één adviesorgaan per beleidscluster), het omzetten van de verplichting voor de Regering om advies te vragen in een bevoegdheid om advies te vragen, het scheppen van de mogelijkheid dat adviesorganen op verzoek rechtstreeks aan het parlement adviseren, het versnellen van adviesprocedures, het terugdringen van ongevraagde advisering.
Realisatie van de bovengenoemde voorstellen vereiste wijziging van bestaande wetgeving en het maken van nieuwe wetgeving:
Voor de sector onderwijs, cultuur en wetenschappen leidde de herziening tot:
De afschaffing van de adviesverplichting zoals in het rapport ‘Raad op maat’ is beschreven, heeft geleid tot het ‘protocol adviestaak Onderwijsraad’. Dit protocol werd op 7 december 1994 ondertekend door de Minister van OCenW en de voorzitter van de Onderwijsraad. In het protocol was vastgelegd in welke gevallen de Onderwijsraad om advies zou worden gevraagd en in welke gevallen niet. Het protocol was geldig tot 1-1-1997.
De wettelijke taken (art. 2 Wet op de Onderwijsraad):
De gemeenten kunnen advies vragen over bepaalde aspecten van het lokale onderwijsbeleid, te weten huisvesting, onderwijsachterstandenbeleid, het onderwijs in de allochtone levende talen en de schoolbegeleiding.
De raad heeft zijn werkwijze nader uitgewerkt in een Reglement van Orde.
Krachtens art. 21 Kaderwet adviescolleges kan een adviescollege (i.c. de Onderwijsraad) zijn werkwijze nader vaststellen in een reglement van orde.
Adviezen en verkenningen worden in plenaire vergadering vastgesteld (art. 20 Kaderwet adviescolleges/art. 11 e.v. Reglement van Orde).
De raad komt in de regel om de vier weken plenair bijeen, o.a. om adviezen en verkenningen vast te stellen. Een advies is de behandeling van een concrete vraag die meestal betrekking heeft op de korte termijn. Een verkenning is een langetermijnvisie op een bepaalde ontwikkeling in het onderwijs. Uit deze visie kunnen onderwerpen voor advisering voortkomen.
Adviezen en verkenningen worden voorbereid in raadscommissies en meestal in rapportvorm of als briefadvies uitgebracht.
De Kaderwet adviescolleges (art. 23) maakt het mogelijk dat bij de adviesverlening wordt samengewerkt met andere adviescolleges en dat gezamenlijk advies wordt uitgebracht (te denken valt aan adviescolleges zoals de SER, de Raad voor Cultuur, de Raad voor Maatschappelijke ontwikkeling).
Voorts is er sprake van het uitwisselen van ervaringen tussen de verschillende adviesorganen. De voorzitters en secretarissen komen jaarlijks bijeen om met elkaar van gedachten te wisselen over de hoofdlijnen van het overheidsbeleid en de positie van de adviesorganen hierbij.
Ieder jaar dient de Onderwijsraad, in overleg met de minister, een werkprogramma op te stellen met onderwerpen waarover geadviseerd zal worden (art. 26 Kaderwet adviescolleges/art. 5 Reglement van Orde).
Het programma geeft een globaal beeld van de onderwerpen die aan de orde zullen komen; in de loop van het jaar worden de adviesvraag en de tijdsplanning verder gepreciseerd.
De raad dient jaarlijks voor 1 september een ontwerp voor een werkprogramma voor het volgende kalenderjaar aan de Minister van OCenW te zenden. De minister stelt het programma vast en biedt het de beide Kamers der Staten-Generaal aan op Prinsjesdag. Het parlement kan adviesvragen aan het werkprogramma toevoegen.
Ieder jaar dient de Onderwijsraad een verslag vast te stellen van zijn werkzaamheden in het voorafgaande kalenderjaar (art. 28 lid 1 Kaderwet adviescolleges/art. 6 Reglement van Orde).
De raad brengt jaarlijks vóór 1 april verslag uit van zijn werkzaamheden.
Iedere vier jaar dient de Onderwijsraad, op verzoek van de minister, een evaluatieverslag op te stellen waarin de Onderwijsraad aandacht besteedt aan zijn taakvervulling (art. 28 lid 2 Kaderwet adviescolleges/art. 7 Reglement van Orde).
Het evaluatieverslag wordt gezonden aan de minister wie het aangaat, de Minister van Binnenlandse Zaken en aan de beide Kamers der Staten-Generaal.
De vernieuwing in werkwijze is in 2001 ingezet. Het takenpakket is niet drastisch veranderd, maar er zijn wel drie duidelijke accenten gelegd:
Het derde en laatste accent in de werkwijze van de raad is gelegd op interactiviteit. De raad betrekt meer dan voorheen actoren binnen en buiten de onderwijswereld bij de voorbereiding van adviezen en verkenningen. Via seminars en bijeenkomsten, maar ook via de website.
4. Selectie
Doelstelling van de selectie
De selectie richt zich op de (administratieve) neerslag van het handelen door overheidsorganen, die vallen onder de werking van de Archiefwet 19957Archiefwet 1995, Wet van 28 april 1995 (Stb. 276), houdende vervanging van de Archiefwet 1962 (Stb. 313) en in verband daarmee wijziging van enige andere wetten.. De selectielijst is tot stand gekomen op grond van een wettelijk voorgeschreven procedure. Deze procedure, welke zijn grondslag heeft in art. 5 van de Archiefwet 1995, is neergelegd in de artikelen 2 tot en met 5 van het Archiefbesluit 1995, Stb. 671.
De doelstelling van het Nationaal Archief bij de selectie van overheidsarchieven is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.
In dit BSD worden de handelingen van de verschillende organen geselecteerd op hun bijdrage aan de realisering van de selectiedoelstelling. Bij de selectie gaat het er om welke gegevensbestanden, behorend bij welke handeling, en berustend bij welke actor, bewaard moeten blijven met als doel het handelen van de rijksoverheid met betrekking tot het beleidsterrein op hoofdlijnen te kunnen reconstrueren.
Het handelen van overheidsorganen bestaat uit verschillende fasen in het beleidsproces. Deze fasen zijn o.a. agendavorming, beleidsvoorbereiding, beleidsbepaling, beleidsvaststelling, beleidsuitvoering en beleidsevaluatie. Om de reconstructie van het handelen op hoofdlijnen mogelijk te maken, dient dus vooral de neerslag van de eerste vier en de laatste fase bewaard te blijven.
De gegevensbestanden kunnen zowel uit papieren- als uit digitale documenten bestaan.
Indien de neerslag in aanmerking komt voor vernietiging dan vermeldt het BSD een V met een termijn. De termijn gaat in na expiratiedatum of afdoening van de archivistische neerslag.
Selectiecriteria
Teneinde de selectiedoelstelling te operationaliseren zijn de in het Rapport Institutioneel Onderzoek geformuleerde handelingen gewogen aan de hand van de door PIVOT opgestelde selectiecriteria.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.