Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen Onderwijsraad beleidsterrein Wetenschappelijk onderwijs (1945) 1960–1997

Type Archiefselectielijst
Publication 2006-10-21
State In force
Source BWB
artikelen 2
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het voorbereiden van regels die het mogelijk maken om extra formatie toe te kennen aan scholen waarvan het leerlingenaantal gedurende het schooljaar meer toeneemt dan verwacht

Periode: 1992–1995

Grondslag: Wet van 27-02-1992, Stb. 113, art. 93a, lid 2

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het gelijkstellen van een in Suriname verworven bewijs van bekwaamheid met een overeenkomstig bewijs van bekwaamheid dat in Nederland is behaald

Periode: 1950–1985

Grondslag: tot 1985: LOW 1920, art. 129 ter, lid 2

Product: advies, nr. O.R. 95278 OVO van 09-07-1981

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het gelijkstellen van een in Suriname verworven bewijs van bekwaamheid met een overeenkomstig bewijs van bekwaamheid dat in Nederland is behaald

Periode: 1985–1987

Grondslag: ISOVSO, art. 3, lid 3

Product: advies, nr. O.R. 5/287P van 04-12-1986

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het gelijkstellen van een in de Nederlandse Antillen of Aruba verworven bewijs van bekwaamheid met een overeenkomstig bewijs van bekwaamheid dat in Nederland is behaald

Periode: 1950–1985

Grondslag: tot 1985: LOW 1920, art. 129 ter, lid 2

Product: advies, nr. O.R. 95278 OVO van 09-07-1981

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het gelijkstellen van een in de Nederlandse Antillen of Aruba verworven bewijs van bekwaamheid met een overeenkomstig bewijs van bekwaamheid dat in Nederland is behaald

Periode: 1985–1987

Grondslag: ISOVSO, art. 3, lid 3

Product: advies, nr. O.R. 5/287 P van 04-12-1986

Waardering: B (1)

7. Bronnen

Wet- en regelgeving

Een academische zaak, deel II

Periode: (1945) 1960–1997

(Pivotnr. 55)

Peter Brand, Digital display BV

In opdracht van de Onderwijsraad

1. Lijst met gebruikte afkortingen

ACO: Adviescommissie Onderwijsaanbod

art.: artikel

BSD: Basis Selectie Document

CROHO: Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs

HO: Hoger Onderwijs

HOOP: Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan

OCenW: Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

OU: Open Universiteit

PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn

RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek

Stb.: Staatsblad

Stcrt: Staatscourant

WHW: Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (Stb. 1992, 593)

WO: Wetenschappelijk onderwijs

WUB: Wet universitaire bestuurshervorming 1970 (Stb. 1970, 601)

WWO-1: Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs (Stb. 1960, 559)

WWO-2: Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs (Stb. 1985, 562)

2. Inleiding

Het PIVOT-rapport ‘Een academische zaak, deel II’, een institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein wetenschappelijk onderwijs, periode (1945) 1960–1997 vormt de basis voor dit basisselectiedocument (BSD).

Het rapport is het resultaat van institutionele onderzoeken welke zijn uitgevoerd binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, in overeenstemming met de afspraken die bij convenant van 9 februari 1995 tussen de Secretaris-Generaal van het Ministerie van OCenW en de Algemene Rijksarchivaris zijn gemaakt, inzake de overbrenging en overdracht van na 1945 gevormde archieven.

Het rapport beschrijft de taken en handelingen van de verschillende actoren op het beleidsterrein wetenschappelijk onderwijs.

Na bestudering van de voor het beleidsterrein van toepassing zijnde wetgeving, bleken in het Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) één of meer handelingen te ontbreken. Daarom zijn in dit BSD ook nieuwe handelingen opgenomen (1000 series). Om die reden wijkt de nummering af van hetgeen gebruikelijk is.

In dit BSD wordt de neerslag van de handelingen gewaardeerd, op basis waarvan de daadwerkelijke selectie van archiefbescheiden uitgevoerd kan worden. Onder archiefbescheiden worden zowel de papieren bescheiden als gedigitaliseerde bescheiden verstaan; deze gedigitaliseerde bestanden vallen nl. ook onder de Archiefwet 1995.

Tevens kan dit BSD als leidraad dienen bij de inrichting of herinrichting van de documentaire informatievoorziening.

Het BSD is als volgt samengesteld:

3. Het beleidsterrein

Definitie

Wetenschappelijk onderwijs omvat het onderwijs dat gericht is op de voorbereiding tot de zelfstandige beoefening van de wetenschap of de beroepsmatige toepassing van wetenschappelijke kennis.

De belangrijkste wetten op het beleidsterrein wetenschappelijk onderwijs van 1960 zijn:

Wet op het wetenschappelijk onderwijs (WWO-1) (Stb. 1960, 559);

Deze werd gedeeltelijk ingetrokken bij invoering van de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs (WWO-2) (Stb. 1985, 562) zoals gewijzigd bij wet van 26 juni 1986 (Stb. 1986, 388);

Deze wet werd ingetrokken door de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek(WHW) (Stb. 1992, 593).

De wet- en regelgeving kent verschillende bepalingen voor de onderscheiden instellingen voor wetenschappelijk onderwijs. Deze instellingen zijn:

De bekostigde universiteiten en hogescholen worden bij wet ingesteld. Met de invoering van de WWO-1 verkregen zij rechtspersoonlijkheid. Zij staan vermeld in de WWO-1 en 2 en de WHW.

De bekostigde universiteiten hebben het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek tot taak. In elk geval verzorgen zij initiële opleidingen, verrichten zij wetenschappelijk onderzoek, voorzien zij in de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker of technologisch ontwerper en dragen zij kennis over ten behoeve van de maatschappij. Er zijn:

De term universiteit verwees naar ‘algemeen’ ; op een universiteit werd in meer dan drie takken van wetenschap (= faculteiten) onderwezen. De hogescholen kenden slechts één faculteit. In wet- en regelgeving waren de bekostigde universiteiten en hogescholen echter volledig gelijksoortig. Het onderscheid universiteit – hogeschool is met de invoering van de WWO-2 in 1986 komen te vervallen. Vandaar dat in dit onderzoek voor de overzichtelijkheid louter voor de term universiteit gekozen is. Met deze term worden ook de technische rijkshogescholen (nu universiteiten) bedoeld.

Academische ziekenhuizen hebben sinds de invoering van de wijzigingswet op de WWO-1 (Stb. 1969, 389) rechtspersoonlijkheid. Zij zijn verbonden aan universiteiten.

Academische ziekenhuizen zijn werkzaam op het gebied van de patiëntenzorg en staan mede ten dienste van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek (het opleiden van student tot arts, verzorgen van de beroepsopleiding van arts tot specialist, bij- en nascholing van verpleegkundigen en paramedici en post-academisch onderwijs alsmede fundamenteel en toegepast klinisch onderzoek). Dit is de zogenaamde werkplaatsfunctie voor de medische faculteit. Voor het beleid en de bekostiging daarvan is de Minister van OCenW verantwoordelijk.

Er zijn academische ziekenhuizen bij:

Met de Wet op de Open Universiteit (Stb. 1984, 573) werd in 1984 de Open Universiteit in Heerlen opgericht.

Op de Open Universiteit wordt wetenschappelijk- en hoger beroepsonderwijs gegeven. Zij verzorgt deze in de vorm van afstandsonderwijs. Met de wet van 25 juni 1997 (Stb. 1997, 284) kreeg de Open Universiteit een nieuwe taak erbij: het leveren van een bijdrage aan de vernieuwing van het hoger onderwijs.

Krachtens respectievelijk art. 118 lid 1 WWO-1, art. 223 lid 1 WWO-2 en art. 1.11 en 6.9 WHW kunnen instellingen voor wetenschappelijk onderwijs tot universiteit aangewezen worden. Het getuigschrift van de aangewezen universiteit geeft recht op de beschermde titulatuur. Enkele aangewezen universiteiten zijn:

Een openbare universiteit kon met één of meerdere universiteiten bij gemeenschappelijke regeling een interuniversitair instituut oprichten ten behoeve van wetenschappelijk onderwijs of onderzoek. Het instituut bezat rechtspersoonlijkheid. Met de invoering van de WWO-2 in 1986 werden de interuniversitaire instituten opgeheven.

Afbakening met andere beleidsterreinen

Het beleidsterrein Wetenschappelijk Onderwijs heeft raakvlakken met andere beleidsterreinen. In deze paragrafen wordt aangegeven welke handelingen in dit RIO beschreven staan en welke in andere RIO’s behandeld worden. De grenzen zijn niet altijd helder, vaak is er ook om praktische redenen voor een bepaalde afbakening gekozen.

Het onderhavige RIO, Een Academische Zaak, Deel II, geeft een beschrijving van het handelen van alle rijksorganen op het beleidsterrein Wetenschappelijk Onderwijs. In het RIO Academische Zaak, Deel I10Een Academische Zaak, Deel I. Een institutioneel onderzoek naar universiteiten op het beleidsterrein wetenschappelijk onderwijs sinds 1985 (samenstelling J. van der Meer en A.T. Spieksma, Werkgroep Selectielijsten Universiteiten)., wordt het handelen van de openbare en bijzondere universiteiten op het beleidsterrein wetenschappelijk onderwijs sinds 1985 beschreven. Dit onderscheid is een gevolg van afspraken die tussen de universiteiten, het Ministerie van OCenW en de Rijksarchiefdienst zijn gemaakt.

Op het moment van schrijven werd het RIO Een Academische Zaak, Deel I, aangevuld met het handelen van de Open Universiteit. In onderhavig RIO worden wel de instelling en regelgeving van openbare en bijzondere universiteiten en de Open Universiteit beschreven maar niet het handelen van organen van deze universiteiten.

Om de sterke samenhang tussen beide onderzoeken tot uitdrukking te brengen, dragen beide onderzoeken dezelfde titel.

De voorbereiding van het wetenschappelijk onderwijsbeleid vindt plaats in samenhang met het de beleidsvoorbereiding van het wetenschappelijk onderzoek op universiteiten. Hetzelfde geldt voor de planning en bekostiging van wetenschappelijk onderwijs en wetenschappelijk onderzoek aan universiteiten. Voorts werd het wetenschappelijk onderzoek aan universiteiten in dezelfde wetgeving geregeld als het wetenschappelijk onderwijs.

Het wetenschappelijk onderwijs wordt aan universiteiten in samenhang met het wetenschappelijk onderzoek gedoceerd. Hoogleraren, wetenschappelijk medewerkers en assistenten in opleiding geven onderwijs en beoefenen de wetenschap.

Desondanks is er voor gekozen het wetenschappelijk onderzoek in een afzonderlijk RIO te beschrijven. Het leeuwendeel van het wetenschappelijk onderzoek vindt immers in andere instituten dan de universiteiten plaats. Organen als het Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO), de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen (KNAW) en de Koninklijke Bibliotheek (KB) zijn belangrijke actoren op dit beleidsterrein. Het wetenschappelijk onderzoek wordt grotendeels gestuurd door het wetenschapsbeleid, een andere sector dan het wetenschappelijk onderwijsbeleid. Ook organisatorisch is er binnen het Ministerie van OCenW een onderscheid tussen een eenheid ‘wetenschappelijk onderwijs’ en een eenheid ‘wetenschappen’. Voorts wordt in de Rijksbegroting wetenschappelijk onderwijs afgezonderd van onderzoek en wetenschapsbeleid. Om de omvang van onderhavig onderzoek te beperken wordt er een afzonderlijk RIO Wetenschappelijk Onderzoek geschreven.

Sinds 1993, de invoering van de WHW (Stb. 1992, 593), wordt het hoger beroepsonderwijs in dezelfde wet geregeld als het wetenschappelijk onderwijs. Het proces van samensmelting van beide onderwijsvormen is reeds met de wet doorstroming HBO-WO uit 1979 (Stb. 1979, 301) in gang gezet. Het HBO was echter vanaf het begin van de onderzoeksperiode (1960) in andere wetgeving geregeld:

Vanuit historisch oogpunt ligt een afbakening van het HBO voor de hand. Het HBO zal in een ander RIO beschreven worden. In de toekomst, bij het onderhoud van RIO’s en BSD’s voor de periode na 1997, kan men er voor kiezen beide terreinen te integreren in één onderzoek.

De handelingen van de Minister van Landbouw ten opzichte van de rijkslandbouwhogeschool te Wageningen tot 1992 zijn beschreven in het RIO Agrarisch Onderwijs 11Agrarisch Onderwijs. Een onderzoek naar actoren, taken en handelingen op het beleidsterrein Agrarisch Onderwijs in de periode 1945–1992 (samenstelling G.M.C.J. Smeets; ISBN 90-74442-30-7) ‘s-Gravenhage, 1995. PIVOT-rapport nr. 26.. In onderhavig RIO worden de handelingen van de periode daarna geanalyseerd. Deze scheiding is aangebracht omdat de Minister van Landbouw gaandeweg minder het onderwijsbeleid bepaald heeft. Tot 1967 wordt het wetenschappelijk landbouwonderwijs bij afzonderlijke wet geregeld. Bij wet van 20 december 1967 (Stb. 1967, 684) wordt de regeling van dit landbouwonderwijs bij de WWO-1 gevoegd. Sindsdien gelden in veel gevallen dezelfde bepalingen voor het wetenschappelijk landbouwonderwijs als voor het reguliere wetenschappelijke onderwijs. Vanaf 1992, met de invoering van de WHW (Stb. 1992, 593) is het hogere landbouwonderwijs volledig gelijkgeschakeld met het overige hogere onderwijs.

Binnen het Ministerie van OCenW is een institutioneel onderzoek naar het deelbeleidsterrein studiefinanciering verricht: het RIO Leergeld 12Leergeld. Een institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein studiefinanciering, 1945–1994 (samenstelling J. van der Meer en G.J. Willighagen; ISBN 90-74442-47-1) ‘s-Gravenhage, 1997. Pivot-rapport nr. 42.. In Leergeld worden de handelingen betreffende de financiële ondersteuning van studenten beschreven. Het kan daarbij gaan om beurzen, giften en leningen. Deze zaken worden in onderhavig onderzoek dus buiten beschouwing gelaten. De beurzen die in het kader van specifieke programma’s worden verstrekt, zoals bijvoorbeeld ERASMUS, worden in dit RIO beschreven.

In dit RIO wordt de bekostiging van het wetenschappelijk onderwijs beschreven, voor zover het beleidsterrein specifiek is. Voor de procedure van het vaststellen van de rijksbegroting voor het wetenschappelijk onderwijs wordt verwezen naar het RIO Per slot van rijksrekening13Per slot van rijksrekening. Een institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein beheer van de rijksbegroting, 1940–1993 (samenstelling: F. van Dijk; ISBN 90-74442-17x) ‘s-Gravenhage 1994. PIVOT-rapport nr. 15..

Binnen het Ministerie van Binnenlandse Zaken zal een RIO betreffende Personeelzaken samengesteld worden. Hierin wordt onder andere de aanstelling en beloning conform het ambtenarenrecht beschreven. In onderhavig RIO wordt niet op deze zaken ingegaan. Binnen het wetenschappelijk onderwijs kent men naast het Algemeen Rijksambtenaren Reglement (ARAR) eigen rechtspositiebesluiten. De rechtspositiebesluiten van 1960, 1984 en 1987 worden behandeld in het RIO betreffende Arbeidsvoorwaarden en Beroepskwaliteit. Wel wordt in dit RIO de aanstelling van specifieke ambtenaren of benoeming van commissieleden, zoals hoogleraren of leden van de Adviescommissie Onderwijsaanbod beschreven evenals de vaststelling van rechtspositieregels voor bovengenoemde personen.

Binnen het Ministerie van OCenW zal een afzonderlijk RIO betreffende Arbeidsvoorwaarden en Beroepskwaliteit samengesteld worden. Hierin worden tevens de rechtpositiereglementen behandeld. Deze elementen blijven in dit RIO dus buiten beschouwing.

Binnen het taakgebied Onderwijs (waaronder o.a. de beleidsterreinen: Primair Onderwijs, Beroepsonderwijs en Volwasseneneductie, HBO, Voortgezet Onderwijs etc.) zijn beleidsoverschrijdende organen werkzaam. Het betreft hier voornamelijk de Onderwijsraad, de Inspectie van het Onderwijs en de Informatie Beheer Groep. De instelling van deze organen wordt in een apart RIO beschreven.

4. Actoren

De Onderwijsraad

De Onderwijsraad is een permanent adviescollege met betrekking tot de uitvoering van het landelijk onderwijsbeleid, ingesteld bij wet (Stb. 1919, 49) 14Deze wet is per 1-1-1997 vervangen door de Wet op de Onderwijsraad (Stb. 1997, 220)..

De Onderwijsraad adviseert de Minister van Onderwijs op het terrein van het wetenschappelijk onderwijs over een gevarieerd aantal zaken:

De Adviescommissie Onderwijsaanbod (ACO)

De Adviescommissie Onderwijsaanbod (ACO) is ingesteld bij beschikking van de Minister van OCenW van 17 juni 1993, Uitleg, OenW-regelingen, no 18, HBO/PR-93038356, instelling Adviescommissie Onderwijsaanbod

Ter beoordeling van de doelmatigheid van opleidingen aan bekostigde universiteiten en de Open Universiteit stelt de Minister van Onderwijs een Adviescommissie Onderwijsaanbod in. Op basis van art. 6.3 lid 1 van de WHW (Stb. 1992, 593) geeft de Adviescommissie Onderwijsaanbod een beoordeling aan universiteiten over de doelmatigheid van de opleidingen die desbetreffende universiteit voornemens is te verzorgen. Bij deze beoordeling betrekt de commissie de behoefte aan wetenschappelijk onderwijs, gelet op het geheel van de voorzieningen en de spreiding daarvan. Daarnaast beoordeelt de ACO eveneens de onderwijskundige aspecten en of het een nieuwe opleiding betreft. De Commissie houdt rekening met het profiel van de instelling.Op een negatief advies van de Adviescommissie kan de Minister van Onderwijs rechten ex art. 1.9 WHW (d.w.z. rechten van erkenning en bekostiging) intrekken. De Minister licht de Adviescommissie Onderwijsaanbod in over zijn besluit.

De Adviescommissie beoordeelt ook bestaande opleidingen op doelmatigheid.

De procedure van de doelmatigheidsbeoordeling wordt geregeld in de Regeling van de Adviescommissie Onderwijsaanbod van 21 augustus 1995, met betrekking tot de werkwijze van de adviescommissie onderwijsaanbod.

Verder adviseert de ACO de Minister van Onderwijs inzake het Hoger Onderwijs en Onderzoeksplan (HOOP). Dit is echter geen wettelijke taak.

Deze commissie telt vijf leden.

Het secretariaat van de Onderwijsraad houdt het secretariaat van de Adviescommissie Onderwijsaanbod (art. 8 Instellingsbeschikking ACO).

Bij Koninklijk Besluit is de Adviescommissie Onderwijsaanbod met ingang van 22 september 2003 opgeheven 15Besluit van 22 september 2003 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreden van enkele artikelen en onderdelen van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302), de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303), de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Staatsblad, 2003, 368..

5. Selectie

Doelstelling van de selectie

De selectie richt zich op de (administratieve) neerslag van het handelen door overheidsorganen, die vallen onder de werking van de Archiefwet 199516Archiefwet 1995, Wet van 28 april 1995 (Stb. 276), houdende vervanging van de Archiefwet 1962 (Stb. 313) en in verband daarmee wijziging van enige andere wetten.. De selectielijst is tot stand gekomen op grond van een wettelijk voorgeschreven procedure. Deze procedure, welke zijn grondslag heeft in art. 5 van de Archiefwet 1995, is neergelegd in de artikelen 2 tot en met 5 van het Archiefbesluit 1995, Stb. 671.

De doelstelling van het Nationaal Archief bij de selectie van overheidsarchieven is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.

In dit BSD worden de handelingen van de verschillende organen geselecteerd op hun bijdrage aan de realisering van de selectiedoelstelling. Bij de selectie gaat het er om welke gegevensbestanden, behorend bij welke handeling, en berustend bij welke actor, bewaard moeten blijven met als doel het handelen van de rijksoverheid met betrekking tot het beleidsterrein op hoofdlijnen te kunnen reconstrueren.

Het handelen van overheidsorganen bestaat uit verschillende fasen in het beleidsproces. Deze fasen zijn o.a. agendavorming, beleidsvoorbereiding, beleidsbepaling, beleidsvaststelling, beleidsuitvoering en beleidsevaluatie. Om de reconstructie van het handelen op hoofdlijnen mogelijk te maken, dient dus vooral de neerslag van de eerste vier en de laatste fase bewaard te blijven.

De gegevensbestanden kunnen zowel uit papieren- als uit digitale documenten bestaan.

Indien de neerslag in aanmerking komt voor vernietiging dan vermeldt het BSD een V met een termijn. De termijn gaat in na expiratiedatum of afdoening van de archivistische neerslag .

Selectiecriteria

Teneinde de selectiedoelstelling te operationaliseren zijn de in het Rapport Institutioneel Onderzoek geformuleerde handelingen gewogen aan de hand van de door PIVOT opgestelde selectiecriteria.

Uitgaande van de selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1993 een lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Bij de vaststelling van deze selectiecriteria is bepaald dat de bruikbaarheid van de criteria binnen afzienbare tijd zou worden geëvalueerd. In april 1996 werd met dat doel een werkgroep samengesteld. Bij de samenstelling van de werkgroep is gezorgd voor inbreng vanuit zowel de Rijksarchiefdienst/PIVOT als vanuit de zorgdragers. Op 26 november 1996 werden de resultaten tijdens een PIVOT-themabijeenkomst gepresenteerd, waarna als gevolg van discussie nog enige aanpassingen volgden. Op 29 april 1997 werden de herziene selectiecriteria door het afdelingswerkoverleg vastgesteld, waarop zij werden aangeboden aan het Convent van rijksar-chivarissen en voor advies voorgelegd aan de Raad voor Cultuur en de Permanente Commissie Documentaire Informatievoorziening Rijksoverheid (PC Din). Na verwerking van de adviezen zijn de herziene selectiecriteria vastgesteld door het Convent van Rijksarchivarissen. In dit BSD zijn de criteria van 1997 gehanteerd.

De algemene selectiecriteria zijn positief geformuleerd, het zijn bewaarcriteria. De criteria geven de handelingen aan die met een B gewaardeerd worden, en waarvan de neerslag dus overgebracht dient te worden. De neerslag van de handelingen die met een V gewaardeerd worden, wordt niet overgebracht en kan op termijn vernietigd worden.

De volgende algemene selectiecriteria worden door het Nationaal Archief gehanteerd om permanent te bewaren handelingen te selecteren:

1.

Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan: agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten

2.

Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van het beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij de terugkoppeling van beleid.

3.

Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren.

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4.

Handelingen betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5.

Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt.

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6.

Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandig-heden en incidenten.

Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

Naast de algemene criteria kunnen er ten aanzien van bepaalde handelingen, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstellingen, in een BSD beleidsterreinspecifieke criteria worden geformuleerd, die met behulp van de algemene criteria niet kunnen worden gewaardeerd.

Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.

Vaststelling BSD

Op 7 april 2006 is het ontwerp-BSD door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 juli 2006 lag de selectielijst gedurende zes weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van het Ministerie van OC&W en de regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Op 24 augustus 2006 bracht de RvC advies uit (kenmerk arc-2006.03077/10), hetwelk [naast enkele tekstuele correcties] aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:

– de waardering van de handelingen 49, 53, 59, 471, 1002, 509 wordt gewijzigd van ‘B (1)’ naar ‘V, 5 jaar’.

Daarop werd het BSD op 26 september 2006 door de algemene rijksarchivaris, namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vastgesteld (C/S/06/2363).

Leeswijzer van de handelingen

In dit BasisSelectiedocument (BSD) worden de handelingen beschreven. Iedere handeling is vastgelegd in een gegevensblok met zes of zeven velden. Op deze wijze:

(..)

Actor: ....

Handeling: ....

Grondslag: ....

Periode: ....

Product: ....

Opmerking: ....

Waardering: ….

Iedere handeling is voorzien van een uniek volgnummer. Dit BSD werd opgesteld terwijl er alreeds een Documentair Structuurplan (DSP) voorhanden was en door de Onderwijsraad in gebruik was genomen. Omdat een aantal handelingen uit het DSP in dit BasisSelectiedocument zijn verwerkt, kan de nummering afwijken van hetgeen gebruikelijk is.

Een actor is een orgaan dat een rol speelt op een beleidsterrein en de bevoegdheid heeft tot het zelfstandig verrichten van handelingen op grond van attributie of delegatie. De naam die voor een actor wordt gebruikt komt overeen met de naam uit de actorenbeschrijving in het hoofdstuk Actoren. In dit BSD is er slechts één actor, nl. de Onderwijsraad.

Een handeling is een complex van activiteiten gericht op het totstandbrengen van een product, dat een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. Een actor kan handelingen via mandatering door organisatieonderdelen of -leden laten verrichten. De handelingen zijn in principe positief geformuleerd. Dat wil zeggen dat bij een handeling als ‘het vaststellen van een regeling’ ook ‘het intrekken van een regeling’ inbegrepen wordt geacht.

De grondslag of bron geeft de wet of de regeling krachtens de wet waarop een handeling is gebaseerd. Een groot aantal aangetroffen gelijksoortige grondslagen is soms samengevat of tot een keuze beperkt. Niet alle handelingen zijn gebaseerd op een grondslag. Dan is de beschrijving van de handeling ontleend aan de literatuur of bronnen. Voor enkele (algemene) handelingen is geen grondslag of bron aangetroffen.

De periode geeft aan wanneer een handeling is uitgevoerd. Hoewel het institutioneel onderzoek zich beperkt tot de periode 1980–2003 zijn handelingen waarvan de grondslag een vroegere startdatum doet vermoeden niet voorzien van een eerder gelegen jaartal. Als een handeling nog niet is beëindigd, is achter het eerste jaartal alleen een streepje gezet (bijvoorbeeld: 1997–). Deze handelingen waren bij het afsluiten van het onderzoek nog niet beëindigd. Onderhoud aan de selectielijst zal eventuele eindjaren moeten achterhalen.

Het product vormt het resultaat van de handeling.

Soms was het noodzakelijk bepaalde velden in de gegevensblokken te verduidelijken met een opmerking of toelichting.

De waardering geeft aan welke selectiebeslissing genomen moet worden ten aanzien van de neerslag van de handeling.

6. Selectielijsten

De Onderwijsraad, (1945) 1960–1997

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het Hoger Onderwijs- en Onderzoek Plan (HOOP)

Periode: 1993–1997

Grondslag: WHW (Stb. 1992, 593) art 2.4 lid 2

Product: advies

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs inzake de lijst met buitenlandse getuigschriften die toegang geven tot examens aan Nederlandse universiteiten

Periode: 1963–1988

Grondslag: Besluit van 26 oktober 1981 houdende vaststelling van het Academisch Statuut (Stb. 1981, 653), art. 66 lid 1

Besluit van 11 september 1963 houdende vaststelling van het Academisch Statuut (Stb. 1963, 380), art. 207 lid 1

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs inzake de lijst met getuigschriften van buitenlandse opleidingen die vrijstelling geven voor examens aan Nederlandse universiteiten

Periode: 1963–1988

Grondslag: Besluit van 26 oktober 1981 houdende vaststelling van het Academisch Statuut (Stb. 1981, 653), art. 76

Besluit van 11 september 1963 houdende vaststelling van het Academisch Statuut (Stb. 1963, 380), art. 200

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs inzake de gelijkstelling van een buitenlands getuigschrift met een Nederlands wat betreft de onderwijsbevoegdheid

Periode: 1963–1981

Grondslag: Besluit van 11 september 1963 houdende vaststelling van het Academisch Statuut (Stb. 1963, 380), art. 220 lid 1

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de taakverdeling binnen en tussen bekostigde universiteiten en academische ziekenhuizen

Periode: 1984–1987

Grondslag: Wet van 18 mei 1984, houdende bijzondere bepalingen van tijdelijke aard voor taakverdeling in het WO (Tijdelijke wet taakverdeling WO, Stb. 1984, 255), art. 2 lid 1

Product: advies

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs en de Minister van Landbouw over het overheidsplan voor het wetenschappelijk onderwijs

Periode: 1986–1993

Grondslag: Wet van 26 juni 1986 houdende wijziging en invoering van de WWO-2 (Invoeringswet WWO, Stb. 1986, 388), art. 185 lid 4

Product: advies

Waardering: B (1)

Handeling: het beoordelen van de kwaliteit van het onderwijs aan een universiteit die om een aanwijzing verzocht heeft

Periode: 1993–

Grondslag: Circulaire van de Staatssecretaris van OenW van 19 juli 1993, Uitleg, OenW-Regelingen, no 18c, CFI/F/BVH-93044153, aanwijzing ex art 6.9

Product: rapport

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren aan de Minister van OCenW inzake de aanwijzing en intrekking van een aanwijzing tot universiteit

Periode: 1993–

Grondslag: WHW (Stb. 1992, 593) art 6.11 lid 2 en 3

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het Academisch Statuut van bekostigde universiteiten en over het Open Universiteit Statuut

Periode: 1960–1993

Grondslag: WWO-2 (Stb. 1985, 562), art. 7 lid 2,

WWO-1 (Stb. 1960, 559), art. 24 lid 5

Product: advies

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de instelling, verlenging of aanwijzing van een (experimentele) studierichting

Periode: 1985–1993

Grondslag: WWO-2 (Stb. 1985, 562), art. 13 en 20

Product: advies

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het reglement van studierichtingen gericht op het buitenland aan bekostigde universiteiten en aan interuniversitaire instituten

Periode: 1977–1993

Grondslag: WWO-2 (Stb. 1985, 562), art. 15 lid 6

Wet van 8 juni 1977 houdende wijziging van de WWO-1 (Stb. 1977, 361), art. 21bis lid 3 en 36 lid 2

Product: advies

N.B. I: het betreft studierichtingen die niet in het Academisch Statuut zijn

opgenomen. Het reglement werd opgesteld door de universiteiten

N.B. II: in 1986 werden de interuniversitaire instituten opgeheven.

Waardering: B (1)

Handeling: het toetsen van de cursusduur voorgesteld door de bekostigde universiteiten met desbetreffende richtlijnen ten behoeve van de Minister van Onderwijs

Periode: 1975–1986

Grondslag: Wet van 12 november 1975 houdende wijziging van de WWO-1 en de WUB (Stb. 1975, 656), art. IV lid 6

Produkt: rapport

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs inzake het maximale aantal studenten dat zich kan inschrijven bij een studierichting waarvan de onderwijscapaciteit overschreden wordt (onderwijsfixus)

Periode: 1972–1993

Grondslag: Wet van 6 juli 1972 houdende voorzieningen van tijdelijke aard m.b.t. de inschrijving van studenten aan de Nederlandse universiteiten en hogescholen (Machtigingswet inschrijving studenten), Stb. 1972, 355, art. 3 lid 1

Machtigingswet inschrijving studenten, Stb. 1985, 59, art. 3 lid 3, art. 7 lid 3, art. 8 lid 3

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de aanwijzing van hogere technische scholen die de titel ingenieur kunnen verlenen

Periode: 1972–1985

Grondslag: Wet van 21 december 1972 houdende regeling van de titel ingenieur (Stb. 1972, 759), art 2 lid 2

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs en de Minister van Landbouw over de opleidingen van het Internationaal Instituut voor Sociale Studiën die toegang tot promotie kunnen geven

Periode: 1993–

Grondslag: WHW (Stb. 1992, 593) art 16.8

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de vraag welke getuigschriften gelijkgesteld kunnen worden met HBO-getuigschriften die toegang geven tot een universitair propedeutisch examen

Periode: 1986–1993

Grondslag: Wet van 26 juni 1986 houdende wijziging en invoering van de WWO (Invoeringswet WWO, Stb. 388), art 31 lid 2

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over samenwerking van een universiteit met een instelling voor hoger beroepsonderwijs

Periode: 1985–1993

Grondslag: WWO-2 (Stb. 1985, 562), art. 158 lid 2

Product: advies

Waardering: B (1)

De Adviescommissie Onderwijsaanbod, 1993–2003

Handeling: het adviseren van de Minister van OCenW inzake de benoeming, schorsing en ontslag van andere leden dan de voorzitter van de Adviescommissie Onderwijsaanbod

Periode: 1993–2003

Grondslag: Beschikking van de Minister van OCenW van 17 juni 1993, Uitleg, OenW-regelingen, no 18, HBO/PR-93038356, instelling Adviescommissie Onderwijsaanbod, art 4 lid 4

Produkt: advies

Toelichting: handeling wordt verricht door de voorzitter van de adviescommissie

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het beoordelen van de doelmatigheid van nieuwe opleidingen bij bekostigde universiteiten en de Open Universiteit

Grondslag: WHW (Stb. 1992, 593) art 6.3 lid 1

Periode: 1993–2003

Produkt: rapport

Waardering: B (1)

N.B.: zie voor de procedure van de doelmatigheidsbeoordeling: Regeling van de Adviescommissie Onderwijsaanbod van 21 augustus 1995, met betrekking tot de werkwijze van de adviescommissie onderwijsaanbod.

Handeling: het beoordelen of er sprake is van een nieuwe opleiding bij wijziging van de hoofdlijnen van haar onderwijs- en examenregeling door een bekostigde universiteit en de Open Universiteit

Periode: 1993–2003

Grondslag: WHW (Stb. 1992, 593) art 6.3 lid 2

Produkt: rapport

Waardering: B (1)

N.B.: zie voor de procedure van deze beoordeling: Regeling van de Adviescommissie Onderwijsaanbod van 21 augustus 1995, met betrekking tot de werkwijze van de adviescommissie onderwijsaanbod.

7. Bronnen

Wet- en regelgeving

– Circulaire inzake aanwijzing ex art. 6.9 WHW (Uitleg, OenW-Regelingen 1993, no. 18c).

Hoger Beroepsonderwijs

Periode: (1945) 1968–1998

(Pivotnr. 62)

Peter Brand, Digital display BV

In opdracht van de Onderwijsraad

1. Lijst met gebruikte afkortingen

ACO: Adviescommissie Onderwijsaanbod

AMvB: Algemene maatregel van bestuur

art.: artikel

BSD: Basis Selectie Document

CROHO: Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs

HBO: Hoger Beroepsonderwijs

HO: Hoger Onderwijs

HOOP: Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan

OCenW: Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn

RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek

Stb.: Staatsblad

Stcrt: Staatscourant

WHBO: Wet op het Hoger Beroepsonderwijs (Stb. 1986, 289)

WHW: Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (Stb. 1992, 593)

WO: Wetenschappelijk onderwijs

WVO: Wet op het Voortgezet Onderwijs (Stb. 1967, 387)

WWO-1: Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs (Stb. 1960, 559)

WWO-2: Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs (Stb. 1985, 562)

2. Inleiding

Het PIVOT-rapport ‘Hoger beroepsonderwijs’, een institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein hoger beroepsonderwijs, periode (1945) 1968–1998 vormt de basis voor dit basisselectiedocument (BSD).

Het rapport is het resultaat van institutionele onderzoeken welke zijn uitgevoerd binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, in overeenstemming met de afspraken die bij convenant van 9 februari 1995 tussen de Secretaris-Generaal van het Ministerie van OCenW en de Algemene Rijksarchivaris zijn gemaakt, inzake de overbrenging en overdracht van na 1945 gevormde archieven.

Het rapport beschrijft de taken en handelingen van de verschillende actoren op het beleidsterrein hoger beroepsonderwijs.

Na bestudering van de voor het beleidsterrein van toepassing zijnde wetgeving, bleken in het Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) één of meer handelingen te ontbreken. Daarom zijn in dit BSD ook nieuwe handelingen opgenomen (1000 series). Om die reden wijkt de nummering af van hetgeen gebruikelijk is.

In dit BSD wordt de neerslag van de handelingen gewaardeerd, op basis waarvan de daadwerkelijke selectie van archiefbescheiden uitgevoerd kan worden. Onder archiefbescheiden worden zowel de papieren bescheiden als gedigitaliseerde bescheiden verstaan; deze gedigitaliseerde bestanden vallen nl. ook onder de Archiefwet 1995.

Tevens kan dit BSD als leidraad dienen bij de inrichting of herinrichting van de documentaire informatievoorziening.

Het BSD is als volgt samengesteld:

3. Het beleidsterrein

Definitie

Het hoger beroepsonderwijs als afzonderlijke categorie van het beroepsonderwijs, is wettelijk gezien betrekkelijk jong: de eerste maal dat het hoger beroepsonderwijs voorkomt in een wettelijke regeling is in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO, Stb. 1963, 40), inwerking getreden op 1 augustus 1968 (Overgangswet WVO, Stb. 1967, 386).

In de WVO (Stb. 1967, 387) werd het hoger beroepsonderwijs als onderdeel van het voortgezet onderwijs gezien. Het voortgezet onderwijs omvatte het onderwijs na de basisschool met uitzondering van het wetenschappelijk onderwijs. Met de Wet op het Hoger Beroepsonderwijs (WHBO, Stb. 1985, 80) kreeg het hoger beroepsonderwijs een eigen wettelijk regime, afgescheiden van het voortgezet onderwijs. Hiermee werd een binair stelsel van hoger onderwijs geschapen. Het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs werden twee gelijkwaardige maar niet gelijksoortige onderdelen van het stelsel van hoger onderwijs. In de WHBO is het hoger beroepsonderwijs als volgt omschreven: ‘Hoger beroepsonderwijs is een vorm van hoger onderwijs en is gericht op de theoretische en praktische voorbereiding tot het uitoefenen van beroepen waarvoor een hogere beroepsopleiding vereist is of dienstig kan zijn, en bevordert in samenhang daarmee de persoonlijke ontplooiing en het maatschappelijk functioneren. Het hoger beroepsonderwijs sluit aan bij het eindniveau van de hogere vormen van het voortgezet onderwijs.’

Een aantal jaren later vervalt de verwijzing naar het voortgezet onderwijs in de definitie helemaal.

In de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW, 1992, 593) wordt het HBO omschreven als ‘onderwijs dat is gericht op de overdracht van theoretische kennis en op de ontwikkeling van vaardigheden in nauwe aansluiting op de beroepspraktijk’. Met de invoering van de WHW in 1993 verviel de WHBO.

Met de invoering van deWVO in 1968 waren er zo’n 350 scholen voor hoger beroepsonderwijs, zoals de hogescholen voor 1985 heetten. Het HBO werd gegeven aan:

Het bevoegd gezag van:

Naast de gewone scholen voor HBO waren er scholengemeenschappen waarvan het HBO deel uit maakte. Dit waren gemeenschappen waarbij één school voor voortgezet onderwijs (waaronder dus HBO) verenigd was met een één of meer andere scholen al dan niet voor voortgezet onderwijs. In de praktijk heeft het HBO alleen met het MBO deel uitgemaakt van een scholengemeenschap, enkele uitzonderingen, zoals het kunstonderwijs, daar gelaten

Voorts is het vanaf 1968 voor de minister mogelijk scholen aan te wijzen als hogescholen. Dit houdt in dat de getuigschriften van deze hogescholen erkend zijn en na invoering van de Wet op de Studiefinanciering (Stb. 1986, 252) dat de studenten studiefinanciering krijgen. De aangewezen hogeschool ontvangt echter geen rijksbijdrage.

Met de operatie Schaalvergroting, Taakverdeling en Concentratie (STC) uit 1983 kwam een grote fusiegolf van hogescholen op gang. Teneinde de positie van de hogescholen ten opzichte van de universiteiten te versterken en de hogescholen duidelijker zichtbaar te maken werden vele kleinere scholen samengevoegd tot grote instellingen. Zo zijn er in 1998 nog maar 56 hogescholen. Daarnaast werd er vanaf 1985 op de Open Universiteit eveneens hoger beroepsonderwijs gegeven. Het ontstaan en de inrichting van de Open Universiteit wordt behandeld in het Rapport Institutioneel Onderzoek Een Academische Zaak, Deel II (Den Haag, 1997).

Met de nieuwe wet op het HBO in 1986 kwam er een wijziging in het bevoegd gezag van de rijkshogescholen:

Het bevoegd gezag van hogescholen van overige openbare organen was het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan.

De benaming van de scholen veranderde in 1986 van ‘scholen voor hoger beroepsonderwijs’ in ‘hogescholen’. Met de invoering van de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs (WWO-2, Stb. 1985, 562) kregen alle instellingen voor wetenschappelijk onderwijs de benaming universiteit. Tot die tijd konden deze instellingen ook hogescholen genoemd worden. Met de invoering van de WHBO werd de term hogeschool voorbehouden aan de instellingen voor hoger beroepsonderwijs. In dit RIO wordt voor de eenduidigheid en overzichtelijkheid de term hogeschool gebruikt als het een instelling voor hoger beroepsonderwijs betreft ook als het de periode voor 1985 betreft.

In 1993 werd de WHBO vervangen door de WHW (Stb. 1992, 593). In de WHW werden de bekostigde hogescholen in de bijlage onder c t/m g opgenomen.

Afbakening met andere beleidsterreinen

Het beleidsterrein Hoger Beroepsonderwijs heeft raakvlakken met andere beleidsterreinen. In deze paragrafen wordt aangegeven welke handelingen in dit RIO beschreven staan en welke in andere RIO’s behandeld worden. De grenzen zijn niet altijd helder, vaak is er ook om praktische redenen voor een bepaalde afbakening gekozen.

Sinds 1993, de invoering van de WHW (Stb. 1992, 593), wordt het hoger beroepsonderwijs in dezelfde wet geregeld als het wetenschappelijk onderwijs. Het proces van samenwerking van beide onderwijsvormen is reeds met de wet doorstroming HBO-WO uit 1979 (Stb. 1979, 301) in gang gezet. Het WO was echter vanaf het begin van de onderzoeksperiode (1960) in andere wetgeving geregeld:

Vanuit historisch oogpunt ligt een afbakening van het WO voor de hand. Het WO is in het RIO Een Academische Zaak, Deel II beschreven. In de toekomst, bij het onderhoud van RIO’s en BSD’s voor de periode na 1997, kan men er voor kiezen beide terreinen te integreren in één onderzoek.

De afbakening met het beleidsterrein Voortgezet onderwijs ligt moeilijker. Met de invoering van de Mammoetwet, de Wet op het Voortgezet onderwijs, in 1968, bestaat het voortgezet onderwijs uit alle vormen van onderwijs na de basisschool met uitzondering van het wetenschappelijk onderwijs. Het Hoger Beroepsonderwijs is dus tot 1986, met de invoering van de Wet HBO, een onderdeel van het Voortgezet Onderwijs. In het RIO Mammoetsporen, deel I wordt het handelen ten opzichte van de scholen voor VWO, HAVO, MAVO en VBO behandeld. In het RIO Mammoetsporen, Deel II wordt het handelen ten opzichte van de scholen voor MBO en VAVO behandeld.

Handelingen van algemene aard uit de periode 1968–1986 die niet het HBO afzonderlijk maar het gehele voortgezet onderwijs betreffen, worden beschreven in het RIO Mammoetsporen, Deel I.

De handelingen van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij ten opzichte van de landbouwonderwijs zijn tot 1992 beschreven in het RIO Agrarisch Onderwijs. In onderhavig RIO worden de handelingen van de Minister van Landbouw van de periode daarna geanalyseerd. Deze scheiding is aangebracht omdat de Minister van Landbouw gaandeweg minder het onderwijsbeleid bepaald heeft. Vanaf 1992, met de invoering van de WHW (Stb. 1992, 593) is het hogere landbouwonderwijs grotendeels gelijkgeschakeld met het overige hogere onderwijs. De Minister van Onderwijs stelt de algemene kaders van het onderwijsstelsel en de Minister van Landbouw is medewetgever.

Binnen het Ministerie van OCenW is een institutioneel onderzoek naar het deelbeleidsterrein studiefinanciering verricht: het RIO Leergeld. In Leergeld worden de handelingen betreffende de financiële ondersteuning van studenten beschreven. Het kan daarbij gaan om beurzen, giften en leningen. Deze zaken worden in onderhavig onderzoek dus buiten beschouwing gelaten. De beurzen die in het kader van specifieke interationaliseringsprogramma’s worden verstrekt, zoals bijvoorbeeld ERASMUS, worden in dit RIO beschreven.

In dit RIO wordt de bekostiging van het Hoger Beroepsonderwijs beschreven, voor zover het beleidsterrein specifiek is. Voor de procedure van het vaststellen van de rijksbegroting voor het wetenschappelijk onderwijs wordt verwezen naar het RIO Per slot van rijksrekening.

In dit RIO wordt niet ingegaan op het personeelsbeleid voor de ambtenaren van het Ministerie van Onderwijs die zich met het HBO-beleid bezig houden. Binnen het Ministerie van Binnenlandse Zaken zal een RIO betreffende Personeelzaken samengesteld worden. Hierin wordt onder andere de aanstelling en beloning conform het ambtenarenrecht beschreven. Wel wordt in dit RIO de aanstelling van specifieke ambtenaren of benoeming van commissieleden, zoals leden van de Adviescommissie Onderwijsaanbod beschreven evenals de vaststelling van rechtspositieregels voor bovengenoemde personen.

Binnen het Ministerie van OCenW zal een afzonderlijk RIO betreffende Arbeidsvoorwaarden en Beroepskwaliteit samengesteld worden. Hierin worden tevens de rechtpositiereglementen van het personeel van hogescholen behandeld.

Deze rechtspositiebesluiten worden behandeld in het RIO betreffende Arbeidsvoorwaarden en Beroepskwaliteit. Deze elementen blijven in dit RIO dus buiten beschouwing.

Binnen het taakgebied Onderwijs (waaronder o.a. de beleidsterreinen: Primair Onderwijs, Beroepsonderwijs en Volwasseneneductie, Wetenschappelijk Onderwijs, Voortgezet Onderwijs etc.) zijn beleidsoverschrijdende organen werkzaam. Het betreft hier voornamelijk de Onderwijsraad, de Inspectie van het Onderwijs en de Informatie Beheer Groep. De instelling van deze organen wordt in een apart RIO beschreven.

4. Actoren

De Onderwijsraad

De Onderwijsraad is een permanent adviescollege met betrekking tot de uitvoering van het landelijk onderwijsbeleid, ingesteld bij wet (Stb. 1919, 49) 17Deze wet is per 1-1-1997 vervangen door de Wet op de Onderwijsraad (Stb. 1997, 220)..

Op het beleidsterrein hoger beroepsonderwijs had de Onderwijsraad tot 1995 voornamelijk de volgende taken:

De adviesverplichting is voor een groot deel vervallen bij de wet van 10-07-1995, Stb. 355. Op 15 mei 1997 kwam er een nieuwe Wet op de Onderwijsraad (Stb. 1997, 220). Met deze wet veranderde het takenpakket. Vanaf dat jaar heeft de Onderwijsraad de volgende taken op het terrein van hoger beroepsonderwijs:

Zo adviseert de Onderwijsraad vanaf 1993 over het Hoger Onderwijs en Onderzoeksplan (HOOP);

De Adviescommissie Onderwijsaanbod (ACO)

De Adviescommissie Onderwijsaanbod (ACO) is ingesteld bij beschikking van de Minister van OCenW van 17 juni 1993, Uitleg, OenW-regelingen, no 18, HBO/PR-93038356, instelling Adviescommissie Onderwijsaanbod

Ter beoordeling van de doelmatigheid van opleidingen aan bekostigde hogescholen (en universiteiten maar die komen hier niet aan de orde) stelt de Minister van Onderwijs een Adviescommissie Onderwijsaanbod in. Op basis van art. 6.3 lid 1 van de WHW (Stb. 1992, 593) geeft de Adviescommissie Onderwijsaanbod een beoordeling aan hogescholen over de doelmatigheid van de opleidingen die desbetreffende hogeschool voornemens is te verzorgen. Bij deze beoordeling betrekt de commissie de behoefte aan hoger beroepsonderwijs, gelet op het geheel van de voorzieningen en de spreiding daarvan. Daarnaast beoordeelt de ACO eveneens de onderwijskundige aspecten en of het een nieuwe opleiding betreft. De Commissie houdt rekening met het profiel van de instelling.Op een negatief advies van de Adviescommissie kan de Minister van Onderwijs rechten ex art. 1.9 WHW (d.w.z. rechten van erkenning en bekostiging) intrekken. De Minister licht de Adviescommissie Onderwijsaanbod in over zijn besluit.

De Adviescommissie beoordeelt ook bestaande opleidingen op doelmatigheid.

De procedure van de doelmatigheidsbeoordeling wordt geregeld in de Regeling van de Adviescommissie Onderwijsaanbod van 21 augustus 1995, met betrekking tot de werkwijze van de adviescommissie onderwijsaanbod.

Verder adviseert de ACO de Minister van Onderwijs inzake het Hoger Onderwijs en Onderzoeksplan (HOOP). Dit is echter geen wettelijke taak.

Deze commissie telt vijf leden.

Het secretariaat van de Onderwijsraad houdt het secretariaat van de Adviescommissie Onderwijsaanbod.

Bij Koninklijk Besluit is de Adviescommissie Onderwijsaanbod met ingang van 22 september 2003 opgeheven. 18Besluit van 22 september 2003 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreden van enkele artikelen en onderdelen van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302), de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303), de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Staatsblad, 2003, 368.

5. Selectie

Doelstelling van de selectie

De selectie richt zich op de (administratieve) neerslag van het handelen door overheidsorganen, die vallen onder de werking van deArchiefwet 199519Archiefwet 1995, Wet van 28 april 1995 (Stb. 276), houdende vervanging van de Archiefwet 1962 (Stb. 313) en in verband daarmee wijziging van enige andere wetten.. De selectielijst is tot stand gekomen op grond van een wettelijk voorgeschreven procedure. Deze procedure, welke zijn grondslag heeft in art. 5 van de Archiefwet 1995, is neergelegd in de artikelen 2 tot en met 5 van het Archiefbesluit 1995, Stb. 671.

De doelstelling van het Nationaal Archief bij de selectie van overheidsarchieven is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.

In dit BSD worden de handelingen van de verschillende organen geselecteerd op hun bijdrage aan de realisering van de selectiedoelstelling. Bij de selectie gaat het er om welke gegevensbestanden, behorend bij welke handeling, en berustend bij welke actor, bewaard moeten blijven met als doel het handelen van de rijksoverheid met betrekking tot het beleidsterrein op hoofdlijnen te kunnen reconstrueren.

Het handelen van overheidsorganen bestaat uit verschillende fasen in het beleidsproces. Deze fasen zijn o.a. agendavorming, beleidsvoorbereiding, beleidsbepaling, beleidsvaststelling, beleidsuitvoering en beleidsevaluatie. Om de reconstructie van het handelen op hoofdlijnen mogelijk te maken, dient dus vooral de neerslag van de eerste vier en de laatste fase bewaard te blijven.

De gegevensbestanden kunnen zowel uit papieren als uit digitale documenten bestaan.

Indien de neerslag in aanmerking komt voor vernietiging dan vermeldt het BSD een V met een termijn. De termijn gaat in na expiratiedatum of afdoening van de archivistische neerslag .

Selectiecriteria

Teneinde de selectiedoelstelling te operationaliseren zijn de in het Rapport Institutioneel Onderzoek geformuleerde handelingen gewogen aan de hand van de door PIVOT opgestelde selectiecriteria.

Uitgaande van de selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1993 een lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Bij de vaststelling van deze selectiecriteria is bepaald dat de bruikbaarheid van de criteria binnen afzienbare tijd zou worden geëvalueerd. In april 1996 werd met dat doel een werkgroep samengesteld. Bij de samenstelling van de werkgroep is gezorgd voor inbreng vanuit zowel de Rijksarchiefdienst/PIVOT als vanuit de zorgdragers. Op 26 november 1996 werden de resultaten tijdens een PIVOT-themabijeenkomst gepresenteerd, waarna als gevolg van discussie nog enige aanpassingen volgden. Op 29 april 1997 werden de herziene selectiecriteria door het afdelingswerkoverleg vastgesteld, waarop zij werden aangeboden aan het Convent van rijksarchivarissen en voor advies voorgelegd aan de Raad voor Cultuur en de Permanente Commissie Documentaire Informatievoorziening Rijksoverheid (PC Din). Na verwerking van de adviezen zijn de herziene selectiecriteria vastgesteld door het Convent van Rijksarchivarissen. In dit BSD zijn de criteria van 1997 gehanteerd.

De algemene selectiecriteria zijn positief geformuleerd, het zijn bewaarcriteria. De criteria geven de handelingen aan die met een B gewaardeerd worden, en waarvan de neerslag dus overgebracht dient te worden. De neerslag van de handelingen die met een V gewaardeerd worden, wordt niet overgebracht en kan op termijn vernietigd worden.

De volgende algemene selectiecriteria worden door het Nationaal Archief gehanteerd om permanent te bewaren handelingen te selecteren:

1.

Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan: agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten

2.

Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van het beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij de terugkoppeling van beleid.

3.

Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren.

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4.

Handelingen betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5.

Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt.

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6.

Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandig-heden en incidenten.

Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

Naast de algemene criteria kunnen er ten aanzien van bepaalde handelingen, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstellingen, in een BSD beleidsterreinspecifieke criteria worden geformuleerd, die met behulp van de algemene criteria niet kunnen worden gewaardeerd.

Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.

Vaststelling BSD

Op 7 april 2006 is het ontwerp-BSD door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 juli 2006 lag de selectielijst gedurende zes weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van het Ministerie van OC&W en de regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscouranten in het Archievenblad.

Op 24 augustus 2006 bracht de RvC advies uit (kenmerk arc-2006.03077/10), hetwelk [naast enkele tekstuele correcties] aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:

– de waardering van de handelingen 57, 129, 131, 146, 148, 152, 154, 156, 186, 187, 1001, 227, 311 wordt gewijzigd van ‘B (1)’ naar ‘V, 5 jaar’.

Daarop werd het BSD op 26 september 2006 door de algemene rijksarchivaris, namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vastgesteld (C/S/06/2359).

Leeswijzer van de handelingen

In dit BasisSelectiedocument (BSD) worden de handelingen beschreven. Iedere handeling is vastgelegd in een gegevensblok met zes of zeven velden. Op deze wijze:

(..)

Actor: ....

Handeling: ....

Grondslag: ....

Periode: ....

Product: ....

Opmerking: ....

Waardering: ….

Iedere handeling is voorzien van een uniek volgnummer. Dit BSD werd opgesteld terwijl er alreeds een Documentair Structuurplan (DSP) voorhanden was en door de Onderwijsraad in gebruik was genomen. Omdat een aantal handelingen uit het DSP in dit BasisSelectiedocument zijn verwerkt, kan de nummering afwijken van hetgeen gebruikelijk is.

Een actor is een orgaan dat een rol speelt op een beleidsterrein en de bevoegdheid heeft tot het zelfstandig verrichten van handelingen op grond van attributie of delegatie. De naam die voor een actor wordt gebruikt komt overeen met de naam uit de actorenbeschrijving in het hoofdstuk Actoren. In dit BSD is er slechts één actor, nl. de Onderwijsraad.

Een handeling is een complex van activiteiten gericht op het totstandbrengen van een product, dat een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. Een actor kan handelingen via mandatering door organisatieonderdelen of -leden laten verrichten. De handelingen zijn in principe positief geformuleerd. Dat wil zeggen dat bij een handeling als ‘het vaststellen van een regeling’ ook ‘het intrekken van een regeling’ inbegrepen wordt geacht.

De grondslag of bron geeft de wet of de regeling krachtens de wet waarop een handeling is gebaseerd. Een groot aantal aangetroffen gelijksoortige grondslagen is soms samengevat of tot een keuze beperkt. Niet alle handelingen zijn gebaseerd op een grondslag. Dan is de beschrijving van de handeling ontleend aan de literatuur of bronnen. Voor enkele (algemene) handelingen is geen grondslag of bron aangetroffen.

De periode geeft aan wanneer een handeling is uitgevoerd. Hoewel het institutioneel onderzoek zich beperkt tot de periode 1980–2003 zijn handelingen waarvan de grondslag een vroegere startdatum doet vermoeden niet voorzien van een eerder gelegen jaartal. Als een handeling nog niet is beëindigd, is achter het eerste jaartal alleen een streepje gezet (bijvoorbeeld: 1997–). Deze handelingen waren bij het afsluiten van het onderzoek nog niet beëindigd. Onderhoud aan de selectielijst zal eventuele eindjaren moeten achterhalen.

Het product vormt het resultaat van de handeling.

Soms was het noodzakelijk bepaalde velden in de gegevensblokken te verduidelijken met een opmerking of toelichting.

De waardering geeft aan welke selectiebeslissing genomen moet worden ten aanzien van de neerslag van de handeling.

6. Selectielijsten

De Onderwijsraad, (1945) 1968–1998

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs inzake de aanwijzing van onderwerpen waaromtrent organisaties van belanghebbenden de Minister van advies kunnen dienen

Periode: 1968–1986

Grondslag: WVO (Stb. 1967, 387), art. 3 lid 1

Product: advies

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs en Landbouw over het HBO-plan/HOOP

Periode: 1986–1993

Grondslag: Wet HBO (Stb. 1986, 289), art. 116 lid 1

Product: advies

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de nadere regeling van het wettelijk bepaalde inzake de aanvang van de bekostiging van voorzieningen in het HBO

Periode: 1986–1993

Grondslag: Wet HBO (Stb. 1986, 289), art. 135

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de Beschikking bekostiging HBO-voorzieningen

Periode: 1986–1993

Grondslag: Wet HBO (Stb. 1986, 289), art. 121 lid 1

Produkt: advies

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de toestemming dat een studierichting waarvan de bekostiging ingevolge de wet beëindigd zou moeten worden, alsnog wordt voortgezet

Periode: 1986–1993

Grondslag: Wet HBO (Stb. 1986, 289), art. 158 lid 5

Produkt: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de toestemming dat een hogeschool waarvan de bekostiging ingevolge de wet beëindigd zou moeten worden, alsnog instandgehouden wordt

Periode: 1986–1993

Grondslag: Wet HBO (Stb. 1986, 289), art. 166 lid 4 en lid 6

Produkt: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de rijksbijdrage voor scholen voor HBO die ondanks een tekort aan leerlingen mogen voortbestaan

Periode: 1968–1986

Grondslag: WVO (Stb. 1967, 387), art. 108 lid 4

Produkt: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs inzake de regeling van de ingebruikgeving van gebouwen en/of terreinen van hogescholen aan andere bekostigde onderwijsinstellingen

Periode: 1986–1993

Grondslag: Wet HBO (Stb. 1986, 289), art. 152 lid 7 en 153 lid 2

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de vraag of een school tot het hoger beroepsonderwijs behoort

Periode: 1968–1986

Grondslag: WVO (Stb. 1967, 387), art. 21 lid 1

Product: advies

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs en de Minister van Landbouw inzake het aanwijzen van een hogeschool

Periode: 1968–1997

Grondslag: WHW (Stb. 1992, 593), art. 6.11 lid 2 (aanwijzing ex art. 6.9)

Wet HBO (Stb. 1986, 289), art. 171 lid 1

WVO (Stb. 1967, 387), art. 56, en art. 58 lid 3 en art 59 lid 1

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs en de Minister van Landbouw inzake het intrekken van een aanwijzing van een hogere beroepsopleiding

Periode: 1968–1997

Grondslag: WHW (Stb. 1992, 593), art. 6.11 lid 3 (aanwijzing ex art. 6.9)

Wet HBO (Stb. 1986, 289), art. 174

WVO (Stb. 1967, 387), art. 59 lid 1

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de aanwijzing van vakken in het HBO waarvoor geen bewijs van bekwaamheid van de eerste graad nodig is

Periode: 1968–1986

Grondslag: WVO (Stb. 1967, 387), art. 36 lid 5

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de afwijking van het wettelijk bepaalde ten aanzien van de bewijzen van bekwaamheid door een scholengemeenschap met hoger beroepsonderwijs

Periode: 1968–1986

Grondslag: WVO (Stb. 1967, 387), art. 36 lid 6

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de vaststelling van voorschriften voor de verkrijging van bewijzen van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding voor het leraarschap HBO

Periode: 1968–1986

Grondslag: WVO (Stb. 1967, 387), art. 37

Product: AMvB

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de aanwijzing van de bewijzen van bekwaamheid en de bijbehorende bewijzen van didactische voorbereiding waarvan een HBO-docent in bezit dient te zijn

Periode: 1986–1993

Grondslag: Wet HBO (Stb. 1986, 289), art. 54 lid 2

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de criteria waaronder een verklaring van bekwaamheid aan aanstaande HBO-docenten kan worden afgegeven

Periode: 1986–1993

Grondslag: Wet HBO (Stb. 1986, 289), art. 54 lid 3

Product: advies

N.B.: Dit geldt ook voor docenten van aangewezen hogescholen

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de minister inzake toestemming aan hogescho(o)l (en) om van het wettelijk bepaalde ten aanzien van de medezeggenschap af te wijken

Periode: 1981–

Grondslag: WHW zoals gewijzigd bij wet van 26 januari 1996, art. IK (Stb. 1996, 125), art. 37

WHW (Stb. 1992, 593), art. 10.29 lid 1 en 2

Wet HBO (Stb. 1986, 289), art. 70 lid 1 en 2 en art. 71 lid 1

Wet medezeggenschap onderwijs van 16 december 1981 (Stb. 1981, 778), art. 17 lid 1 en 2 en art. 18 lid 1

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs en Landbouw inzake de ontheffing aan een bijzondere hogeschool van de wettelijke voorschriften voor de medezeggenschap op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard

Periode: 1993–

Grondslag: WHW zoals gewijzigd bij wet van 26 januari 1996, art. IK (Stb. 1996, 125), art. 10.38 lid 1

WHW (Stb. 1992, 593), art. 10.30 lid 1

Product: advies

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de afwijking van de cursusduur en de inrichting van het onderwijs aan (dag-) avondscholen van het wettelijk bepaalde

Periode: 1968–1986

Grondslag: WVO (Stb. 1967, 387), art. 20 lid 1

Product: advies

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs inzake de inrichting van het onderwijs en de cursussen op scholen voor hoger beroepsonderwijs

Periode: 1968–1986

Grondslag: WVO (Stb. 1967, 387), art. 23 lid 1 en 5

Product: advies

Waardering: B (1)

Handeling: het vaststellen of het leerplan en het lesrooster van een school voor hoger beroepsonderwijs aan de wettelijke bepalingen voldoet

Periode: 1968–1986

Grondslag: WVO (Stb. 1967, 387), art. 24 lid 2

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de aanwijzing van scholen voor hoger beroepsonderwijs waarvan het leerplan ministeriële goedkeuring behoeft

Periode: 1968–1986

Grondslag: WVO (Stb. 1967, 387), art. 24 lid 3

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de afwijking door scholen voor hoger beroepsonderwijs van het wettelijk bepaalde met betrekking tot de inrichting van het onderwijs, leerplannen en lesroosters

Periode: 1968–1986

Grondslag: WVO (Stb. 1967, 387), art. 25 en 26

Waardering: V 5 jaar

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs inzake de vaststelling van het HBO-Statuut

Periode: 1986–1993

Grondslag: Wet HBO (Stb. 1986, 289), art. 19 lid 3

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over een regeling van een hogeschool die afwijkt van het in het HBO-Statuut bepaalde

Periode: 1986–1993

Grondslag: Wet HBO (Stb. 1986, 289), art. 21

Product: advies

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over het experimenteerplan van hogescholen

Periode: 1986–1993

Grondslag: Wet HBO (Stb. 1986, 289), art. 22 lid 2 en 3

Waardering: B (1)

Handeling: het adviseren van de Minister van Onderwijs over de regeling van de wijze van vaststelling en uitvoering van het uitvoeringsplan van het landelijk onderwijsinnovatiebeleid

Periode: 1986–1993

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)