Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 26 september 2007, nr. TRCJZ/2007/3100, houdende nadere regels omtrent gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 215
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Handelende in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;

Gelet op de artikelen 5, eerste lid, 12, elfde lid, 31, vijfde lid, 37, zevende lid, 42, tweede lid, 43, zevende lid, 64, zevende lid, 70, zevende lid, 82, derde lid, 126, negende lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en de artikelen 3, achtste lid, en 4, vierde lid, 8, eerste tot en met vierde lid, 10, 11, derde lid, 12, eerste en vierde lid, 14, 16, derde lid, 17, eerste, vierde en vijfde lid, 18, tweede tot en met zesde lid, 20, tweede lid, 24, vierde en vijfde lid, 25, vierde en vijfde lid, 17, vierde en vijfde lid, 26, zevende lid, 29, derde lid, 30, tweede lid, 31, vierde en vijfde lid, 32, vierde lid, 34, tweede en derde lid, 36, vijfde en zevende lid, 37, tweede lid van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

Besluiten:

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in werking treedt.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Toelating gewasbeschermingsmiddelen

§ 1. Bijzondere vormen van toelating

Artikel 2.1. Afbouwplan
1.

De aanvrager van een toelating van een gewasbeschermingsmiddel dat een overeenkomstig artikel 4, zevende lid, van verordening (EG) 1107/2009 goedgekeurde werkzame stof bevat, legt tegelijkertijd met zijn aanvraag een plan voor een alternatieve aanpak van het ernstige gevaar voor aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.

2.

Het plan beschrijft stapsgewijs:

3.

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur kan het plan, na overleg met landbouwsectororganisaties of andere sectororganisaties die belang hebben bij de bestrijding van het ernstige gevaar, wijzigen en stuurt het plan binnen twee weken nadat in voorkomend geval een toelating is verleend, aan de Europese Commissie.

4.

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur kan een formulier vaststellen voor het indienen van het plan.

Artikel 2.2. Beoordeling vereenvoudigde uitbreidingstoelating
1.

Op verzoek van de aanvrager volstaat het college bij de beoordeling van een aanvraag tot uitbreiding van een bestaande toelating met een kleine toepassing als bedoeld in artikel 3, onderdeel 26, van verordening (EG) 1107/2009 met de beoordeling van de documentatie en informatie, bedoeld in artikel 51, tweede lid, onderdeel d, van verordening (EG) 1107/2009, volgens de stand van de wetenschappelijke en technische kennis en de richtsnoeren of andere beoordelingsmethoden, zoals die hebben gegolden ten tijde van de aanvraag voor de reeds bestaande toelating.

2.

Indien het college besluit tot toelating van de uitbreiding, overeenkomstig het eerste lid, eindigt de uitbreidingstoelating tegelijk met de bestaande toelating.

Artikel 2.3. Risicogroep gewasbeschermingsmiddelen die micro-organismen bevatten

Het college vermeldt bij de toelating de risicogroep, bedoeld in artikel 4.84 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, waarin een gewasbeschermingsmiddel is ingedeeld.

§ 2. Algemene bepalingen inzake de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen

Artikel 2.4. Beoordelingsmethoden uit richtsnoeren en nationale methoden
1.

Het college maakt gebruik van de beoordelingsmethoden uit de aangewezen richtsnoeren of de andere beoordelingsmethoden, die zijn opgenomen in bijlage XV, deel A respectievelijk B, onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 2.

2.

Het college kan aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een voorstel tot wijziging van bijlage XV doen, nadat het dit voorstel in de Staatscourant bekend heeft gemaakt en aan een ieder de gelegenheid heeft geboden binnen zes weken zijn zienswijze ter kennis van het college te brengen.

3.

Indien geen beoordelingsmethode voor een gewasbeschermingsmiddel beschikbaar is, maar wel voor een biocide, en een beoordeling in verband met de toelatingsvoorwaarden, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, 1° tot en met 5°, van de wet noodzakelijk is, kan het college, onder opgaaf van redenen, een beoordelingsmethode voor biociden op overeenkomstige wijze toepassen voor de beoordeling van een gewasbeschermingsmiddel.

§ 1. Aanvragen

Artikel 2.5. Berekening humaan-toxicologisch risico als gevolg van professioneel gebruik
1.

Een gewasbeschermingsmiddel heeft geen onaanvaardbare effecten op de gezondheid van de mens, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, onder 4°, van de wet, indien bij de toepassing van bijlage VI, deel I, onderdeel C, 2.4.1, van richtlijn 91/414/EEG blijkt dat voor alle omstandigheden waarbij als gevolg van professioneel gebruik blootstelling aan het gewasbeschermingsmiddel kan optreden, een risico-index is berekend die ten hoogste gelijk is aan 1.

2.

De risico-index wordt voor elke voor de toelating relevante blootstelling berekend door de blootstelling als gevolg van professioneel gebruik aan het gewasbeschermingsmiddel te delen door de gezondheidskundige norm als bedoeld in bijlage VI, deel I, onderdeel B, punten 2.4.1.1., en 2.4.1.4., bij richtlijn 91/414/EEG.

3.

Indien het mengen van een gewasbeschermingsmiddel met andere stoffen, middelen of preparaten wordt voorgeschreven zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing op het mengsel.

Artikel 2.6. Blootstelling als gevolg van professioneel gebruik
1.

Het college neemt bij de bepaling van de blootstelling het volgende in acht:

2.

Het college gaat bij de beoordeling van de voorgestelde beschermende kleding en apparatuur als bedoeld in bijlage VI, deel I, onderdeel B, punt 2.4.1.3. bij richtlijn 91/414/EEG, uit van de bij deze kleding en apparatuur vastgestelde beschermingsfactoren als bedoeld in bijlage III.

3.

In aanvulling op het tweede lid hanteert het college voor de voorgestelde beschermende kleding en apparatuur, bedoeld in het tweede lid, een beschermingsfactor die is gemeten wanneer blijkt dat de gemeten blootstelling met toepassing van de voorgestelde beschermende kleding en apparatuur onder de geldende gebruiksomstandigheden en bij het juiste gebruik, anders is dan bij bepaling van de blootstelling overeenkomstig het eerste lid.

4.

De minister stelt de modellen, genoemd in het eerste lid, in een bijlage bij deze regeling vast.

Artikel 2.7. Gezondheidskundige norm
1.

Het college bepaalt voor alle voor de toelating relevante blootstellingen de gezondheidskundige norm voor systemische effecten op de gezondheid door blootstelling via de orale, dermale en inhalatoire blootstellingsroute.

2.

De blootstelling wordt voor iedere blootstellingsroute voor de systemische effecten op de gezondheid uitgedrukt in mg/persoon per dag en voor de inhalatoire blootstellingsroute van vluchtige stoffen tevens uitgedrukt in mg/m3 inademingslucht.

3.

Het college maakt bij de bepaling van de gezondheidskundige norm gebruik van het Acceptable Operator Exposure Level (AOEL) zoals voortkomend uit de beoordeling van de werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, bedoeld in de artikelen 5 en 6 van richtlijn 91/414/EEG, en de grenswaarde zoals vastgesteld krachtens art. 4.3, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

4.

In aanvulling op het tweede lid bepaalt het college in geval van blootstelling aan stoffen met kankerverwekkende effecten zonder toxicologische drempelwaarde het risicogetal. Dit risicogetal wordt overeenkomstig het eerste lid aangemerkt als gezondheidskundige norm.

5.

Het college bepaalt voor zover mogelijk op grond van het dossier in alle gevallen de gezondheidskundige norm voor lokale effecten op de gezondheid door blootstelling voor de dermale en inhalatoire blootstellingsroute voor kortdurende alsmede langdurige blootstelling. Deze effecten worden:

6.

Wanneer uit de risicobeoordeling bedoeld in bijlage VI, deel I, onderdeel C. punt 2.4.1, bij richtlijn 91/414/ EEG, blijkt dat de risico-index zonder gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen groter is dan 1, wordt de gezondheidskundige norm met uitzondering van die voor kankerverwekkende effecten zonder toxicologische drempelwaarde, opnieuw berekend met behulp van de methode allometrische extrapolatie en wordt de risico-index opnieuw bepaald.

7.

Wanneer na toepassing van het zesde lid de risico-index bij de dermale blootstellingsroute groter is dan 1, wordt bijlage III, deel A, punt 7.3, bij richtlijn 91/414/EEG toegepast en wordt deze risico-index met behulp van de daaruit verkregen nieuwe informatie opnieuw bepaald.

8.

De aanvullende beoordeling, bedoeld in het zesde en zevende lid, aanhef, heeft voorrang op een beoordeling aan de hand van de aanvullende gegevens, genoemd in bijlage III, deel A, punten 7.2.1.2. en 7.2.3.2, bij richtlijn 91/414/EEG, tenzij de aanvrager de aanvullende gegevens al heeft verstrekt.

§ 4. Bepalingen inzake het milieutoxicologische risico van chemische gewasbeschermingsmiddelen

Artikel 2.8. Persistentie
1.

Het college komt bij de toepassing van het uniforme beginsel bedoeld in bijlage VI, deel I, onderdeel C, punt 2.5.1.1, bij richtlijn 91/414/EEG tot het oordeel dat een gewasbeschermingsmiddel geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel 5, van de wet, indien bij de toepassing van de tweede alinea van voornoemd beginsel wordt aangetoond dat de concentratie van die werkzame stof, dan wel een relevant reactie- of afbraakproduct in de bodem van het perceel, twee jaar na de laatste toepassing van het gewasbeschermingsmiddel het MTR voor bodem niet overschrijdt.

2.

Het college berekent het MTR, bedoeld in het eerste lid aan de hand van de methode INS.

Artikel 2.9. Uitspoeling
1.

Het college komt bij de toepassing van het uniforme beginsel, bedoeld in bijlage VI, deel I, onderdeel C, punt 2.5.1.2, bij richtlijn 91/414/EEG, tot het oordeel dat een gewasbeschermingsmiddel geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel 5, van de wet, indien bij de toepassing van dit beginsel wordt aangetoond dat:

Artikel 2.10. Waterorganismen

Vervallen

§ 5. Bepalingen inzake de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen die micro-organismen bevatten

Artikel 2.11. Beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen die micro-organismen bevatten
1.

Het college past het bepaalde in deze regeling met betrekking tot het dossier dat moet worden ingediend voor chemische gewasbeschermingsmiddelen voor zover mogelijk op overeenkomstige wijze toe met betrekking tot het dossier als bedoeld in de Bijlagen II, deel B, en III, deel B, bij richtlijn 91/414/EEG dat moet worden ingediend voor gewasbeschermingsmiddelen die micro-organismen bevatten.

2.

Het college past bij de toepassing van de uniforme beginselen voor het evalueren en toelaten van gewasbeschermingsmiddelen die micro-organismen bevatten als bedoeld in bijlage VI, deel II van richtlijn 91/414/EEG, voor zover mogelijk op overeenkomstige wijze het in deze regeling bepaalde met betrekking tot de beoordeling van chemische gewasbeschermingsmiddelen toe.

3.

Voorts past het college bij de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen die micro-organismen bevatten op overeenkomstige wijze de artikelen 2.5, derde lid, 2.6 en 2.7, vierde en vijfde lid toe, alsmede de artikelen 4.84 en 4.100 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

§ 3a. Werkzaamheid van biociden

Artikel 2.12. Beoordeling vereenvoudigde uitbreidingstoelating

Artikel 2.7, zevende lid, is niet van toepassing bij een beoordeling van een aanvraag tot uitbreiding van de toepassing als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de wet.

Artikel 2.13. Beoordeling afgeleide toelating
1.

De paragrafen 1 tot en met 5 zijn, met uitzondering van artikel 2.1, derde lid, niet van toepassing bij de beoordeling van een aanvraag tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet, wanneer het gewasbeschermingsmiddel afkomstig is van dezelfde onderneming die het gewasbeschermingsmiddel onder een andere handelsnaam en voor een zelfde doeleinde op de markt brengt, een daarmee gelieerde onderneming, een onderneming die onder licentie het gewasbeschermingsmiddel vervaardigt of een onderneming die beschikt over de verklaringen van toegang, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet.

2.

In afwijking van het eerste lid is artikel 2.4 van toepassing bij het aanwijzen van een richtsnoer over afgeleide toelating.

Artikel 2.14. Beoordeling parallelle toelating
1.

De paragrafen 1 tot en met 5 zijn niet van toepassing bij de beoordeling van een aanvraag tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 33, eerste lid van de wet, met dien verstande dat artikel 2.4 van toepassing is bij het aanwijzen van een richtsnoer over parallelle toelating.

2.

Het college handelt bij de toets of een gewasbeschermingsmiddel niet wezenlijk verschilt van een reeds in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de wet overeenkomstig de voorwaarden dat:

3.

In aanvulling op het tweede lid beoordeelt het college of het te importeren gewasbeschermingsmiddel dezelfde gevolgen als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, van de wet heeft als het in Nederland reeds op de markt toegelaten gewasbeschermingsmiddel, waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijke verschillen tussen het land van export en het land van import in de voor het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel relevante agrarische, fytosanitaire en ecologische, met inbegrip van klimatologische, omstandigheden, wanneer naar het oordeel van het college sprake is van een mogelijk wezenlijk verschil omdat het gewasbeschermingsmiddel niet wordt gebruikt met eenzelfde wijze van toediening als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.

Artikel 2.15. Beoordeling toelating op aanvraag van de minister

Artikel 2.7, zevende lid, is niet van toepassing bij een beoordeling van een aanvraag tot toelating van de minister als bedoeld in artikel 35 van de wet.

Artikel 2.16. Beoordeling toelating van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op zaaizaad
1.

Het college laat bij de beoordeling van de gegevens die zijn geleverd bij een aanvraag voor een besluit tot toelating voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor het coaten van zaaizaad, bijlage VI, deel I, onderdeel B, 2.4.1.bij richtlijn 91/414/EEG, buiten toepassing, voor zover uit krachtens de Arbeidsomstandighedenwet vastgestelde documenten blijkt dat de gebruiker voldoende doeltreffende maatregelen voor de bescherming van veiligheid en gezondheid van werkenden als bedoeld in hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft genomen.

2.

Het college laat bij de beoordeling van de gegevens die zijn geleverd bij een aanvraag voor een besluit tot toelating voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op zaaizaad artikel 28, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 2°, van de wet achterwege, indien en voor zover uit de aanvraag blijkt dat het behandelde zaaizaad niet op de Nederlandse markt wordt gebracht of in Nederland gezaaid. Het college brengt dit tot uitdrukking in het gebruiksvoorschrift.

3.

Het college kan besluiten tot het toelaten van het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel dat wordt gebruikt op zaaizaad als bedoeld in artikel 2.2, voor zover:

4.

Het college kan besluiten tot het toelaten van een gewasbeschermingsmiddel dat in Nederland wordt gebruikt op zaaizaad als bedoeld in artikel 2.3, wanneer:

§ 6. Bepalingen inzake bijzondere vormen van toelating

Artikel 2.17. Verwijdering dompelvloeistoffen

Het college neemt in het besluit tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel dat in een dompelvloeistof wordt toegepast een voorschrift op voor de verwijdering van dompelvloeistoffen.

Artikel 2.18. Periodieke toepassing

Vervallen

Artikel 2.19. Bescherming voortvloeiend uit de richtlijn tot opneming van de werkzame stof

Het college neemt bij de toelating een voorschrift op dat een beschermingsmaatregel inhoudt die is vermeld bij de richtlijn tot opneming van een werkzame stof in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG, voor zover deze beschermingsmaatregel voortvloeit uit de beoordeling van het desbetreffende gewasbeschermingsmiddel en dit in overeenstemming is met de beoordeling als bedoeld in de artikelen 8 en 10 van het besluit.

Artikel 2.20. Beschermingsfactor meer dan tien
1.

Het college neemt alleen bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in de artikelen 30 en 31 van het besluit alsmede grondontsmettingsmiddelen een voorschrift op dat leidt tot een persoonlijke bescherming met een beschermingsfactor van meer dan tien als bedoeld in bijlage III.

2.

In afwijking van het eerste lid kan het college bij het mengen, vullen en toepassen van vaste gewasbeschermingsmiddelen een persoonlijke bescherming voorschrijven met behulp van handschoenen als bedoeld in bijlage III met een beschermingsfactor 20.

Artikel 2.21. Bijsluiter

Bij de ambtshalve vaststelling van de wijze van mededelen als bedoeld in artikel 31, vierde lid, van de wet kiest het college voor de wijze van mededelen van voorschriften voor een uitbreiding van de toepassing als bedoeld in artikel 31, derde lid, van de wet uit een van de volgende mogelijkheden:

Artikel 2.22. Risicogroep gewasbeschermingsmiddelen die micro-organismen bevatten

Het college vermeldt bij de toelating in het voorschrift bij welke risicogroep, bedoeld in artikel 4.84 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, een gewasbeschermingsmiddel is ingedeeld.

§ 8. Handleiding toelating bestrijdingsmiddelen

Artikel 2.23. Handleiding toelating bestrijdingsmiddelen

Vervallen

Hoofdstuk 3. Toelating en registratie van biociden

§ 1. Aanvragen

Artikel 3.1. Te overleggen documenten inzake biociden

Vervallen

§ 8. Handleiding toelating bestrijdingsmiddelen

Artikel 3.2. Werkingssfeer

Vervallen

Artikel 3.3. In acht te nemen communautaire maatregelen

Vervallen

Artikel 3.4. Beoordelingsmethoden uit richtsnoeren en nationale methoden

Vervallen

§ 1. Aanvragen

Artikel 3.5. Berekening humaan-toxicologisch risico als gevolg van professioneel gebruik

Vervallen

Artikel 3.6. Blootstelling als gevolg van professioneel gebruik

Vervallen

Artikel 3.7. Gezondheidskundige norm

Vervallen

§ 4. Bepalingen inzake de beoordeling van biociden die micro-organismen bevatten

Artikel 3.8. Beoordeling van biociden die micro-organismen bevatten

Vervallen

§ 2. Openbaarmaking

Artikel 3.9. Beoordeling afgeleide toelating

Vervallen

Artikel 3.10. Beoordeling parallelle toelating

Vervallen

Artikel 3.11. Beoordeling toelating op aanvraag van de minister

Vervallen

§ 3a. Werkzaamheid van biociden

Artikel 3.12. Voorschriften inzake bescherming voortvloeiend uit de richtlijn tot opneming van de werkzame stof

Vervallen

Artikel 3.13. Beschermingsfactor meer dan tien

Vervallen

Artikel 3.14. Risicogroep biociden die micro-organismen bevatten

Vervallen

§ 5. Bepalingen inzake bijzondere vormen van toelating

Artikel 3.15. Handleiding toelating bestrijdingsmiddelen

Vervallen

Hoofdstuk 4. Erkenning van instanties

§ 6. Voorschriften bij de toelating

Artikel 4.1. Erkenning voor onderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
1.

Proeven en analysen als bedoeld in artikel 29, derde lid, van verordening (EG) 1107/2009, zijn erkend indien zij zijn uitgevoerd door een erkend bedrijf of erkende instelling.

2.

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur kan op aanvraag een bedrijf of instelling waar proeven of analysen als bedoeld in artikel 29, derde lid, van verordening (EG) 1107/2009 worden uitgevoerd, erkennen.

3.

De beoordeling van een aanvraag vindt plaats aan de hand van de eisen, bedoeld in punten 3.2 tot en met 3.4.2. van punt 3 Goede Laboratoriumpraktijken (GLP), van de inleiding van de bijlage bij verordening 284/2013.

Artikel 4.2. Aanvraag erkenning voor onderzoek met biociden

Vervallen

Artikel 4.3. Duur van de erkenning
1.

De geldigheidsduur van de erkenning bedraagt ten hoogste zes jaren. Zij kan voor een kortere duur worden verleend.

2.

Een erkenning kan worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken met ingang van een daarbij aan te geven tijdstip, indien:

Artikel 4.4. Herbeoordeling erkenning bij wijziging organisatie

Essentiële wijzigingen in de organisatie van het bedrijf dat of de instelling die ingevolge artikel 4.1 of 4.1a een erkenning heeft, worden schriftelijk aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur gemeld. De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur beoordeelt of de gewijzigde organisatie, dan wel een eventuele uitbreiding van het type proeven en analyses door de organisatie, voldoet aan de eisen voor erkenning.

Artikel 4.5. Leges

Vervallen

Hoofdstuk 4. Erkenning van instanties

§ 1. Erkenning van instanties voor onderzoek met gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Artikel 5.1. Het register omtrent gewasbeschermingsmiddelen
1.

Het college houdt het elektronisch register omtrent gewasbeschermingsmiddelen bij, bedoeld in artikel 57 van verordening (EG) 1107/2009.

2.

Het college deelt het register, bedoeld in het eerste lid en in artikel 69, tweede lid, van de wet, ten minste in volgens de hoofdstukken gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen.

3.

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur stelt de lijst van kleine toepassingen, bedoeld in artikel 57, eerste lid, onderdeel h, van verordening (EG) 1107/2009, elektronisch ter beschikking aan het publiek.

Artikel 5.2. Het biocidenregister

Het college houdt het biocidenregister bij, bedoeld in artikel 71 van verordening (EG) 528/2012.

Artikel 5.3. Periodieke aanpassingen in databank

Vervallen

§ 1. Geïntegreerde bestrijding en juist gebruik

Hoofdstuk 5. Het register van het college en openbaarmaking

§ 2. Toepassingsmethoden, – technieken en – materialen

Artikel 6.1. Betekenis bewijs van vakbekwaamheid
1.

Een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 71, eerste lid, van de wet geeft aan dat de houder:

2.

Indien het bewijs van vakbekwaamheid slechts betrekking heeft op bepaalde gewasbeschermingsmiddelen of biociden, op bepaalde toepassingen dan wel op de behandeling van bepaalde ruimten of terreinen, wordt de betrokkene slechts te dien aanzien als houder van een bewijs van vakbekwaamheid aangemerkt.

Artikel 6.2. Bewijs van vakbekwaamheid gewasbescherming
1.

Een aanvraag voor een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van het besluit, wordt ingediend bij Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen. Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden overgelegd:

2.

Indien een aanvraag voor een bewijs van vakbekwaamheid voor een persoon wordt ingediend door een onderwijsinstelling die het in artikel 6.3, derde, vierde, vijfde, zesde en negende lid, bedoelde certificaat of diploma verstrekt, geldt in afwijking van het eerste lid dat bij de aanvraag de volgende bescheiden worden overgelegd:

3.

Ten behoeve van migrerende beroepsbeoefenaren, bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties kan Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen opleidingstitels of bekwaamheidsattesten erkennen.

4.

De migrerende beroepsbeoefenaar legt aan Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen de documenten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdelen a, b, c, en e, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties over ten behoeve van de erkenning, bedoeld in het derde lid.

5.

De tijdelijke en incidentele dienstverrichter, bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, verstrekt voorafgaand aan zijn eerste dienstverrichting op het terrein van gewasbescherming in Nederland aan Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen de documenten, bedoeld in artikel 23, derde lid, onderdelen a tot en met d, van die wet.

6.

In geval van toepassing van artikel 27, derde lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties beoordeelt Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen of de dienstverrichter, bedoeld in het vijfde lid, over voldoende kennis en vaardigheden beschikt ten aanzien van gewasbescherming en het veilig omgaan met gewasbeschermingsmiddelen.

7.

Bureau Erkenningen brengt na afloop van ieder kalenderjaar verslag uit aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over zijn werkzaamheden en het aantal verstrekte en erkende bewijzen van vakbekwaamheid.

Artikel 6.3. Verstrekken bewijs van vakbekwaamheid gewasbescherming
1.

Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen verstrekt het bewijs van vakbekwaamheid op aanvraag.

2.

Een bewijs wordt niet verstrekt dan nadat het tarief, bedoeld in artikel 6.8, eerste lid, is voldaan.

3.

Het bewijs van vakbekwaamheid Uitvoeren gewasbescherming wordt verstrekt aan de persoon die beschikt over:

4.

Het bewijs van vakbekwaamheid Bedrijfsvoeren gewasbescherming wordt verstrekt aan de persoon die beschikt over:

5.

Het bewijs van vakbekwaamheid Distributie en opslag gewasbescherming wordt verstrekt aan de persoon die beschikt over:

6.

Het bewijs van vakbekwaamheid Mollen- en Woelrattenbestrijding wordt verstrekt aan de persoon die beschikt over een certificaat MW (Mollen- en Woelrattenbescherming) (C0013) als bedoeld in bijlage 1 van de Regeling certificaten wettelijke beroepsvereisten groen middelbaar beroepsonderwijs, of een diploma dat mede dat certificaat omvat, dat voldoet aan de op grond van de artikelen 7.2.4.en 7.2.6. van de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde kwalificaties en beroepsvereisten.

7.

Het bewijs van vakbekwaamheid op basis van een Veiligheidsinstructie Gewasbescherming, bedoeld in artikel 6.3a, wordt verstrekt aan de persoon die een instructie op de werkplek heeft gevolgd als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel c, van het besluit, welke instructie is erkend door Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen.

8.

Een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in het derde tot en met het zesde lid en het negende lid, wordt ambtshalve verlengd indien voldoende nascholingsbijeenkomsten zijn bijgewoond, die zijn erkend door Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen, of opnieuw met goed gevolg een examen is afgelegd dat recht geeft op een certificaat als bedoeld in het derde tot en met het zesde lid en het negende lid.

9.

Het bewijs van vakbekwaamheid Adviseren Gewasbescherming wordt verstrekt aan de persoon die beschikt over:

10.

Met een certificaat als bedoeld in derde tot en met zesde lid en negende lid, wordt een verklaring als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, onderdeel a, gelijk gesteld.

Artikel 6.4. Bewijs van vakbekwaamheid biociden
1.

De aanvraag voor een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van het besluit, wordt ingediend bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden overgelegd:

2.

Ten behoeve van migrerende beroepsbeoefenaren, bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties kan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat opleidingstitels of bekwaamheidsattesten erkennen.

3.

De migrerende beroepsbeoefenaar legt aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat de documenten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdelen a, b, c, en e, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties over ten behoeve van de erkenning, bedoeld in het tweede lid.

4.

De tijdelijke en incidentele dienstverrichter, bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, verstrekt voorafgaand aan zijn eerste dienstverrichting met behulp van biociden waarvoor een bewijs van vakbekwaamheid is voorgeschreven in Nederland aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat de documenten, bedoeld in artikel 23, derde lid, onderdelen a tot en met d, van die wet.

5.

In geval van toepassing van artikel 27, derde lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties beoordeelt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat of een door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen instantie of de dienstverrichter, bedoeld in het vierde lid, over voldoende kennis en vaardigheden beschikt.

6.

Een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van het besluit, ten aanzien van het afweren of bestrijden van een dierplaag, het bestrijden van houtrotverwekkende schimmel, gassingsleider of gasmeetdeskundige, wordt verstrekt indien de gebruiker met goed gevolg theorie- en praktijkexamens heeft afgelegd, die voldoen aan de eindtermen voor onderwijs, bedoeld in bijlage VI, onderdeel A, of bijlage VII, en daartoe een getuigschrift van het Register Plaagdierbeheersing, Milieu en Veiligheid van de Stichting Groene Erkenningen heeft ontvangen.

7.

Een bewijs van vakbekwaamheid wordt niet verstrekt dan nadat het tarief, bedoeld in artikel 6.8, eerste lid, is voldaan.

8.

Een bewijs van vakbekwaamheid wordt ambtshalve verlengd als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van het besluit, indien wordt voldaan aan de eindtermen voor onderwijs, bedoeld in bijlage VI, onderdeel B, of bijlage VII.

9.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan een bewijs van vakbekwaamheid biociden intrekken indien de houder ervan niet voldoet aan de eindtermen voor onderwijs, bedoeld in bijlagen VI of VII. Artikel 6.3b, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

10.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan een bewijs van vakbekwaamheid biociden intrekken op grond van artikel 85, derde lid, van de wet. Artikel 6.3b, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.5. Voorwaarde voor de verlenging van een bewijs van vakbekwaamheid

De automatische verlenging van een bewijs van vakbekwaamheid gaat in op de datum volgend op de datum waarop de betrokken bewijzen van vakbekwaamheid aflopen dan wel, indien de betrokken houder van een bewijs van vakbekwaamheid niet aan de voorwaarden voldoet met ingang van de datum na de datum dat deze houder alsnog aan de voorwaarden voldoet.

Artikel 6.6. Vrijstelling bewijs van vakbekwaamheid

Voor de volgende handelingen is geen bewijs van vakbekwaamheid vereist:

Hoofdstuk 6. Bewijs van vakbekwaamheid voor handel en gebruik

Artikel 7.1. Kettingbeding verboden gewasbeschermingsmiddelen en biociden
1.

Degene die een niet in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddel of biocide produceert, opslaat of vervoert, komt bij iedere overeenkomst die strekt tot opslag, vervoer of levering van het middel aan een ander, schriftelijk een beding als bedoeld in artikel 253 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ten behoeve van de Staat overeen, en neemt een afschrift van deze overeenkomst in zijn administratie op.

2.

Het beding, bedoeld in het eerste lid, luidt als volgt:

Artikel 7.2. Verstrekking gegevens aan de minister

Vervallen

Hoofdstuk 6. Bewijs van vakbekwaamheid voor handel en gebruik

§ 1. Bewijs van vakbekwaamheid

Artikel 8.1. Vrijstelling gewasbeschermingsmonitor

Degene die de biologische productiemethode als bedoeld in artikel 2 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 toepast, is vrijgesteld van de verplichting over een gewasbeschermingsmonitor als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van het besluit te beschikken.

§ 3. Monitoring na toelating

Artikel 8.2. (Noodzakelijk voor veilige exploitatie)
1.

Het eerste lid van artikel 27b van het besluit is niet van toepassing op het gerichte gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de volgende terreinen:

2.

Het eerste lid van artikel 27b van het besluit is niet van toepassing op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor het behandelen van stobben in, op of langs weg- en waterbouwkundige constructies, indien door mechanisch verwijderen de stabiliteit van deze constructie in gevaar komt.

Artikel 8.3. (Noodzakelijk voor de bescherming van mens, dier of milieu)
1.

Het eerste lid van artikel 27b van het besluit is niet van toepassing op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor een gerichte bestrijding van:

2.

Het eerste lid van artikel 27b van het besluit is niet van toepassing op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen:

Artikel 8.4. (Specifieke terreinen voor sport en recreatie)

Het eerste lid van artikel 27b van het besluit is niet van toepassing op het gerichte gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de volgende terreinen:

Artikel 8.5
1.

In de gebieden en omstandigheden, bedoeld in de artikelen 8.2 tot en met 8.4, wordt gebruik gemaakt van een gewasbeschermingsmiddel met een laag risico of een biologisch gewasbeschermingsmiddel voor zover deze voor het desbetreffende gebruik beschikbaar zijn.

2.

In de gebieden en omstandigheden, bedoeld in de artikelen 8.2 tot en met 8.4 wordt geen gebruik gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen die een of meer prioritaire gevaarlijke stoffen bevatten.

Artikel 8.6. Vrijstelling voorwaarden luchtvaarttoepassing

Vervallen

Artikel 8.7. Luchtvaarttoepassing van biociden

Vervallen

Artikel 8.8. Toepasselijkheid bepalingen inzake gasvormige en gasvormende middelen
1.

Artikel 31 van het besluit inzake de toepassingsmethoden bij gasvormige en gasvormende gewasbeschermingsmiddelen en biociden is slechts van toepassing op middelen met een werkzame stof als bedoeld in bijlage X bij deze regeling.

2.

De toegangen, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van het besluit zijn voorzien van een waarschuwingssignaal en opschrift dat in overeenstemming is met hetgeen hieromtrent is bepaald in hoofdstuk 8 van de Arbeidsomstandighedenregeling.

Artikel 8.9. Melding toepassing fosforwaterstof, sulfurylfluoride en waterstofcyanide
1.

Gewasbeschermingsmiddelen en biociden die als werkzame stof fosforwaterstof, sulfurylfluoride of waterstofcyanide bevatten, worden niet toegepast dan nadat ten minste zeven dagen voor aanvang van de toepassing een melding is gedaan bij de bevoegde bedrijfstakdirecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Daartoe wordt het formulier, bedoeld in bijlage XI, volledig en naar waarheid ingevuld.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de melding korter dan zeven dagen voor aanvang van de toepassing worden gedaan, indien minder dan 2500 m3 wordt gegast of de toepassing een gassing van lichters of binnenvaartschepen betreft en het spoedeisende karakter van de toepassing dit noodzakelijk maakt, mits:

3.

Voor de gasvrijverklaring, bedoeld in artikel 31, derde lid, van het besluit wordt het formulier bedoeld in bijlage XII volledig en naar waarheid ingevuld, verstrekt aan de opdrachtgever. Een afschrift van dit formulier wordt binnen 48 uur aan de bevoegde directeur van de Inspectie Leefomgeving en Transport toegezonden.

4.

Degene die de verklaring, bedoeld in het derde lid, heeft verstrekt, bewaart een afschrift van de verklaring gedurende ten minste een jaar.

Artikel 8.10. Melding bij periodieke toepassing
1.

De melding, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van het besluit, van de toepassing van een gewasbeschermingsmiddel wordt uiterlijk drie weken voor de toepassing bij de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur gedaan.

2.

Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt een volledig en naar waarheid ingevuld meldingsformulier over gelegd of elektronisch verzonden met daarin opgenomen:

3.

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur geeft binnen twee weken na de melding een ontvangstbewijs af.

4.

De melder past het gewasbeschermingsmiddel binnen 3 maanden na de op het ontvangstbewijs vermelde datum toe.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)