Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 26 september 2007, nr. TRCJZ/2007/3100, houdende nadere regels omtrent gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Handelende in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 5, eerste lid, 12, elfde lid, 31, vijfde lid, 37, zevende lid, 42, tweede lid, 43, zevende lid, 64, zevende lid, 70, zevende lid, 82, derde lid, 126, negende lid van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en de artikelen 3, achtste lid, en 4, vierde lid, 8, eerste tot en met vierde lid, 10, 11, derde lid, 12, eerste en vierde lid, 14, 16, derde lid, 17, eerste, vierde en vijfde lid, 18, tweede tot en met zesde lid, 20, tweede lid, 24, vierde en vijfde lid, 25, vierde en vijfde lid, 17, vierde en vijfde lid, 26, zevende lid, 29, derde lid, 30, tweede lid, 31, vierde en vijfde lid, 32, vierde lid, 34, tweede en derde lid, 36, vijfde en zevende lid, 37, tweede lid van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
Besluiten:
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in werking treedt.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- gewasbeschermingsmiddel met een laag risico: gewasbeschermingsmiddel zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de verordening (EG) nr. 1107/2009;
- groepsaccommodaties: een accommodatie met ten minste twintig slaapplaatsen voor het verstrekken van logies aan personen in groepsverband;
- grondwaterbeschermingsgebied: een gebied waarbinnen de kwaliteit van het grondwater krachtens artikel 7.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt beschermd;
- onkruid: een op een bepaalde bodem of ander oppervlak ongewenste plant, plantbegroeiing of houtachtig gewas;
- richtlijn 2000/29/EG: richtlijn nr. 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (PbEG 2000, L 169);
- risicogetal: een volgens een door de Gezondheidsraad opgestelde methode vastgesteld getal dat het extra risico per jaar op sterfte door kanker van 4.10–5 bij een blootstelling gedurende 40 jaar, vijf dagen per week en acht uur per dag weergeeft;
- stobbe: deel van een boom dat achterblijft in en boven de grond nadat de boom bovengronds is omgezaagd;
- ultra low volume-formulering: een gewasbeschermingsmiddel in hooggeconcentreerde vorm, bestemd om in fijne druppelvorm te worden verspoten;
- verordening 284/2013: Verordening (EU) nr. 284/2013 van de Commissie van 1 maart 2013 tot vaststelling van de gegevensvereisten voor gewasbeschermingsmiddelen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (Pb EU 2013, L 93);
- verordening (EU) 1143/2014: Verordening (EU) Nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PbEU 2014, L 317);
Hoofdstuk 2. Toelating gewasbeschermingsmiddelen
§ 1. Bijzondere vormen van toelating
Artikel 2.1. Afbouwplan
De aanvrager van een toelating van een gewasbeschermingsmiddel dat een overeenkomstig artikel 4, zevende lid, van verordening (EG) 1107/2009 goedgekeurde werkzame stof bevat, legt tegelijkertijd met zijn aanvraag een plan voor een alternatieve aanpak van het ernstige gevaar voor aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.
Het plan beschrijft stapsgewijs:
- a. hoe binnen vijf jaren na de eventuele toelating chemische of niet-chemische alternatieven kunnen worden gevonden en ingezet in plaats van het desbetreffende gewasbeschermingsmiddel, en
- b. met behulp van wiens inzet het doel zal worden gerealiseerd.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur kan het plan, na overleg met landbouwsectororganisaties of andere sectororganisaties die belang hebben bij de bestrijding van het ernstige gevaar, wijzigen en stuurt het plan binnen twee weken nadat in voorkomend geval een toelating is verleend, aan de Europese Commissie.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur kan een formulier vaststellen voor het indienen van het plan.
Artikel 2.2. Beoordeling vereenvoudigde uitbreidingstoelating
Op verzoek van de aanvrager volstaat het college bij de beoordeling van een aanvraag tot uitbreiding van een bestaande toelating met een kleine toepassing als bedoeld in artikel 3, onderdeel 26, van verordening (EG) 1107/2009 met de beoordeling van de documentatie en informatie, bedoeld in artikel 51, tweede lid, onderdeel d, van verordening (EG) 1107/2009, volgens de stand van de wetenschappelijke en technische kennis en de richtsnoeren of andere beoordelingsmethoden, zoals die hebben gegolden ten tijde van de aanvraag voor de reeds bestaande toelating.
Indien het college besluit tot toelating van de uitbreiding, overeenkomstig het eerste lid, eindigt de uitbreidingstoelating tegelijk met de bestaande toelating.
Artikel 2.3. Risicogroep gewasbeschermingsmiddelen die micro-organismen bevatten
Het college vermeldt bij de toelating de risicogroep, bedoeld in artikel 4.84 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, waarin een gewasbeschermingsmiddel is ingedeeld.
§ 2. Algemene bepalingen inzake de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen
Artikel 2.4. Beoordelingsmethoden uit richtsnoeren en nationale methoden
Het college maakt gebruik van de beoordelingsmethoden uit de aangewezen richtsnoeren of de andere beoordelingsmethoden, die zijn opgenomen in bijlage XV, deel A respectievelijk B, onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 2.
Het college kan aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een voorstel tot wijziging van bijlage XV doen, nadat het dit voorstel in de Staatscourant bekend heeft gemaakt en aan een ieder de gelegenheid heeft geboden binnen zes weken zijn zienswijze ter kennis van het college te brengen.
Indien geen beoordelingsmethode voor een gewasbeschermingsmiddel beschikbaar is, maar wel voor een biocide, en een beoordeling in verband met de toelatingsvoorwaarden, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, 1° tot en met 5°, van de wet noodzakelijk is, kan het college, onder opgaaf van redenen, een beoordelingsmethode voor biociden op overeenkomstige wijze toepassen voor de beoordeling van een gewasbeschermingsmiddel.
§ 1. Aanvragen
Artikel 2.5. Berekening humaan-toxicologisch risico als gevolg van professioneel gebruik
Een gewasbeschermingsmiddel heeft geen onaanvaardbare effecten op de gezondheid van de mens, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, onder 4°, van de wet, indien bij de toepassing van bijlage VI, deel I, onderdeel C, 2.4.1, van richtlijn 91/414/EEG blijkt dat voor alle omstandigheden waarbij als gevolg van professioneel gebruik blootstelling aan het gewasbeschermingsmiddel kan optreden, een risico-index is berekend die ten hoogste gelijk is aan 1.
De risico-index wordt voor elke voor de toelating relevante blootstelling berekend door de blootstelling als gevolg van professioneel gebruik aan het gewasbeschermingsmiddel te delen door de gezondheidskundige norm als bedoeld in bijlage VI, deel I, onderdeel B, punten 2.4.1.1., en 2.4.1.4., bij richtlijn 91/414/EEG.
Indien het mengen van een gewasbeschermingsmiddel met andere stoffen, middelen of preparaten wordt voorgeschreven zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing op het mengsel.
Artikel 2.6. Blootstelling als gevolg van professioneel gebruik
Het college neemt bij de bepaling van de blootstelling het volgende in acht:
- a. Het college schat de kwantitatieve blootstelling aan het gewasbeschermingsmiddel, bedoeld in bijlage III, deel A, punt 7.2.1.1. bij richtlijn 91/414/EEG, zonder rekening te houden met het effect van persoonlijke beschermingsmaatregelen en met gebruikmaking van de volgende modellen voor blootstellingssituaties:
- i. voor mengen en vullen van de apparatuur:
- –. niet-vast middel bij tractortoepassingen: model EUROPOEM I;
- –. niet-vast middel bij handmatige toepassing: model EUROPOEM I voor huidblootstelling en NL model voor inhalatoire blootstelling;
- –. poedervormig middel: NL-model;
- –. granulaatvormig middel: NL-model, rekening houdend met de poederfractie in het middel;
- ii. voor toepassen van het middel:
- –. buiten opwaarts en neerwaarts met grote spuitapparatuur; model EUROPOEM I;
- –. buiten neerwaarts met handapparatuur: model UK POEM;
- –. buiten opwaarts met handapparatuur: de 90-percentiel waarde volgens het Duitse blootstellingsmodel;
- –. binnen met handapparatuur: NL-kasmodel;
- iii. voor degenen die werkzaamheden uitvoeren in ruimten die behandeld zijn met middelen of werkzaamheden uitvoeren met of aan gewassen die behandeld zijn met middelen: model model EUROPOEM II voor dermale blootstelling;
- iv. voor degenen die werkzaamheden uitvoeren in ruimten die behandeld zijn met middelen of in ruimten werkzaamheden uitvoeren met of aan gewassen die behandeld zijn met middelen: NL model voor inhalatoire blootstelling.
Het college gaat bij de beoordeling van de voorgestelde beschermende kleding en apparatuur als bedoeld in bijlage VI, deel I, onderdeel B, punt 2.4.1.3. bij richtlijn 91/414/EEG, uit van de bij deze kleding en apparatuur vastgestelde beschermingsfactoren als bedoeld in bijlage III.
In aanvulling op het tweede lid hanteert het college voor de voorgestelde beschermende kleding en apparatuur, bedoeld in het tweede lid, een beschermingsfactor die is gemeten wanneer blijkt dat de gemeten blootstelling met toepassing van de voorgestelde beschermende kleding en apparatuur onder de geldende gebruiksomstandigheden en bij het juiste gebruik, anders is dan bij bepaling van de blootstelling overeenkomstig het eerste lid.
De minister stelt de modellen, genoemd in het eerste lid, in een bijlage bij deze regeling vast.
Artikel 2.7. Gezondheidskundige norm
Het college bepaalt voor alle voor de toelating relevante blootstellingen de gezondheidskundige norm voor systemische effecten op de gezondheid door blootstelling via de orale, dermale en inhalatoire blootstellingsroute.
De blootstelling wordt voor iedere blootstellingsroute voor de systemische effecten op de gezondheid uitgedrukt in mg/persoon per dag en voor de inhalatoire blootstellingsroute van vluchtige stoffen tevens uitgedrukt in mg/m3 inademingslucht.
Het college maakt bij de bepaling van de gezondheidskundige norm gebruik van het Acceptable Operator Exposure Level (AOEL) zoals voortkomend uit de beoordeling van de werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, bedoeld in de artikelen 5 en 6 van richtlijn 91/414/EEG, en de grenswaarde zoals vastgesteld krachtens art. 4.3, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
In aanvulling op het tweede lid bepaalt het college in geval van blootstelling aan stoffen met kankerverwekkende effecten zonder toxicologische drempelwaarde het risicogetal. Dit risicogetal wordt overeenkomstig het eerste lid aangemerkt als gezondheidskundige norm.
Het college bepaalt voor zover mogelijk op grond van het dossier in alle gevallen de gezondheidskundige norm voor lokale effecten op de gezondheid door blootstelling voor de dermale en inhalatoire blootstellingsroute voor kortdurende alsmede langdurige blootstelling. Deze effecten worden:
- –. bij de dermale effecten uitgedrukt in mg/persoon per dag en
- –. bij inhalatoire effecten uitgedrukt in mg/m3 in de inademingslucht per persoon per dag.
Wanneer uit de risicobeoordeling bedoeld in bijlage VI, deel I, onderdeel C. punt 2.4.1, bij richtlijn 91/414/ EEG, blijkt dat de risico-index zonder gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen groter is dan 1, wordt de gezondheidskundige norm met uitzondering van die voor kankerverwekkende effecten zonder toxicologische drempelwaarde, opnieuw berekend met behulp van de methode allometrische extrapolatie en wordt de risico-index opnieuw bepaald.
Wanneer na toepassing van het zesde lid de risico-index bij de dermale blootstellingsroute groter is dan 1, wordt bijlage III, deel A, punt 7.3, bij richtlijn 91/414/EEG toegepast en wordt deze risico-index met behulp van de daaruit verkregen nieuwe informatie opnieuw bepaald.
De aanvullende beoordeling, bedoeld in het zesde en zevende lid, aanhef, heeft voorrang op een beoordeling aan de hand van de aanvullende gegevens, genoemd in bijlage III, deel A, punten 7.2.1.2. en 7.2.3.2, bij richtlijn 91/414/EEG, tenzij de aanvrager de aanvullende gegevens al heeft verstrekt.
§ 4. Bepalingen inzake het milieutoxicologische risico van chemische gewasbeschermingsmiddelen
Artikel 2.8. Persistentie
Het college komt bij de toepassing van het uniforme beginsel bedoeld in bijlage VI, deel I, onderdeel C, punt 2.5.1.1, bij richtlijn 91/414/EEG tot het oordeel dat een gewasbeschermingsmiddel geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel 5, van de wet, indien bij de toepassing van de tweede alinea van voornoemd beginsel wordt aangetoond dat de concentratie van die werkzame stof, dan wel een relevant reactie- of afbraakproduct in de bodem van het perceel, twee jaar na de laatste toepassing van het gewasbeschermingsmiddel het MTR voor bodem niet overschrijdt.
Het college berekent het MTR, bedoeld in het eerste lid aan de hand van de methode INS.
Artikel 2.9. Uitspoeling
Het college komt bij de toepassing van het uniforme beginsel, bedoeld in bijlage VI, deel I, onderdeel C, punt 2.5.1.2, bij richtlijn 91/414/EEG, tot het oordeel dat een gewasbeschermingsmiddel geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel 5, van de wet, indien bij de toepassing van dit beginsel wordt aangetoond dat:
- a. de concentratie van een werkzame stof, een relevant reactieproduct of een relevant afbraakproduct in het grondwater gelijk is aan of lager is dan 0,1 µg/liter bij toepassing van één van de volgende methoden van beoordelen van het gewasbeschermingsmiddel:
- i. een berekening met het model PEARL voor het FOCUS Kremsmünster scenario,
- ii. een berekening met het model GeoPEARL,
- iii. een toetsing aan metingen van concentraties in het bovenste grondwater,
- iv. een berekening voor de verzadigde zone, bepaald volgens een rekenvoorschrift waarbij wordt uitgegaan van een afbraaksnelheid volgens de eerste orde kinetiek na 4 jaar op 10 meter diepte,
- v. een toetsing aan metingen van concentraties in het diepere grondwater op minimaal 10 meter beneden het maaiveld, of
- b. bij het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel in een grondwaterbeschermingsgebied de maximaal toelaatbare concentratie van een werkzame stof, een relevant reactieproduct of een relevant afbraakproduct van 0,01 µg/liter gebaseerd op een berekening of toetsing als bedoeld in onderdeel a, onder i tot en met iii niet wordt overschreden, tenzij met nadere gegevens aan de hand van een berekening of toetsing als bedoeld in onderdeel a, onder iii, iv of v, wordt aangetoond dat in grondwaterbeschermingsgebieden de waarde van 0,1 µg/liter niet wordt overschreden.
Artikel 2.10. Waterorganismen
Vervallen
§ 5. Bepalingen inzake de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen die micro-organismen bevatten
Artikel 2.11. Beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen die micro-organismen bevatten
Het college past het bepaalde in deze regeling met betrekking tot het dossier dat moet worden ingediend voor chemische gewasbeschermingsmiddelen voor zover mogelijk op overeenkomstige wijze toe met betrekking tot het dossier als bedoeld in de Bijlagen II, deel B, en III, deel B, bij richtlijn 91/414/EEG dat moet worden ingediend voor gewasbeschermingsmiddelen die micro-organismen bevatten.
Het college past bij de toepassing van de uniforme beginselen voor het evalueren en toelaten van gewasbeschermingsmiddelen die micro-organismen bevatten als bedoeld in bijlage VI, deel II van richtlijn 91/414/EEG, voor zover mogelijk op overeenkomstige wijze het in deze regeling bepaalde met betrekking tot de beoordeling van chemische gewasbeschermingsmiddelen toe.
Voorts past het college bij de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen die micro-organismen bevatten op overeenkomstige wijze de artikelen 2.5, derde lid, 2.6 en 2.7, vierde en vijfde lid toe, alsmede de artikelen 4.84 en 4.100 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
§ 3a. Werkzaamheid van biociden
Artikel 2.12. Beoordeling vereenvoudigde uitbreidingstoelating
Artikel 2.7, zevende lid, is niet van toepassing bij een beoordeling van een aanvraag tot uitbreiding van de toepassing als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de wet.
Artikel 2.13. Beoordeling afgeleide toelating
De paragrafen 1 tot en met 5 zijn, met uitzondering van artikel 2.1, derde lid, niet van toepassing bij de beoordeling van een aanvraag tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet, wanneer het gewasbeschermingsmiddel afkomstig is van dezelfde onderneming die het gewasbeschermingsmiddel onder een andere handelsnaam en voor een zelfde doeleinde op de markt brengt, een daarmee gelieerde onderneming, een onderneming die onder licentie het gewasbeschermingsmiddel vervaardigt of een onderneming die beschikt over de verklaringen van toegang, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet.
In afwijking van het eerste lid is artikel 2.4 van toepassing bij het aanwijzen van een richtsnoer over afgeleide toelating.
Artikel 2.14. Beoordeling parallelle toelating
De paragrafen 1 tot en met 5 zijn niet van toepassing bij de beoordeling van een aanvraag tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 33, eerste lid van de wet, met dien verstande dat artikel 2.4 van toepassing is bij het aanwijzen van een richtsnoer over parallelle toelating.
Het college handelt bij de toets of een gewasbeschermingsmiddel niet wezenlijk verschilt van een reeds in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de wet overeenkomstig de voorwaarden dat:
- a. met in achtneming van de onzuiverheden die voor de onderscheiden gewasbeschermingsmiddelen zijn vastgesteld aan de hand van de gegevens bedoeld in bijlage II, deel A, punt 1.10, bij richtlijn 91/414/EEG sprake is van dezelfde werkzame stof,
- b. met in achtneming van de onzuiverheden die voor de onderscheiden gewasbeschermingsmiddelen zijn vastgesteld met behulp van een methode als bedoeld in bijlage III, deel A, punt 5.1, bij richtlijn 91/414/EEG sprake is van dezelfde formulering, en
- c. de onderscheiden gewasbeschermingsmiddelen op dezelfde wijze worden gebruikt.
In aanvulling op het tweede lid beoordeelt het college of het te importeren gewasbeschermingsmiddel dezelfde gevolgen als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, van de wet heeft als het in Nederland reeds op de markt toegelaten gewasbeschermingsmiddel, waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijke verschillen tussen het land van export en het land van import in de voor het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel relevante agrarische, fytosanitaire en ecologische, met inbegrip van klimatologische, omstandigheden, wanneer naar het oordeel van het college sprake is van een mogelijk wezenlijk verschil omdat het gewasbeschermingsmiddel niet wordt gebruikt met eenzelfde wijze van toediening als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.
Artikel 2.15. Beoordeling toelating op aanvraag van de minister
Artikel 2.7, zevende lid, is niet van toepassing bij een beoordeling van een aanvraag tot toelating van de minister als bedoeld in artikel 35 van de wet.
Artikel 2.16. Beoordeling toelating van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op zaaizaad
Het college laat bij de beoordeling van de gegevens die zijn geleverd bij een aanvraag voor een besluit tot toelating voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor het coaten van zaaizaad, bijlage VI, deel I, onderdeel B, 2.4.1.bij richtlijn 91/414/EEG, buiten toepassing, voor zover uit krachtens de Arbeidsomstandighedenwet vastgestelde documenten blijkt dat de gebruiker voldoende doeltreffende maatregelen voor de bescherming van veiligheid en gezondheid van werkenden als bedoeld in hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft genomen.
Het college laat bij de beoordeling van de gegevens die zijn geleverd bij een aanvraag voor een besluit tot toelating voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op zaaizaad artikel 28, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 2°, van de wet achterwege, indien en voor zover uit de aanvraag blijkt dat het behandelde zaaizaad niet op de Nederlandse markt wordt gebracht of in Nederland gezaaid. Het college brengt dit tot uitdrukking in het gebruiksvoorschrift.
Het college kan besluiten tot het toelaten van het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel dat wordt gebruikt op zaaizaad als bedoeld in artikel 2.2, voor zover:
- a. wordt voldaan aan het eerste en tweede lid en
- b. de gevolgen van het gebruik als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, van de wet die zich voordoen bij de behandeling van zaaizaad, het vervoer en de opslag van het behandeld zaaizaad voldoen aan artikel 28, eerste lid, onderdeel b, onder 3° tot en met 5°, van de wet.
Het college kan besluiten tot het toelaten van een gewasbeschermingsmiddel dat in Nederland wordt gebruikt op zaaizaad als bedoeld in artikel 2.3, wanneer:
- a. wordt voldaan aan het eerste lid en
- b. de gevolgen van het gebruik van het gewasbeschermingmiddel die zich voordoen bij de behandeling van zaaizaad, het vervoer en de opslag van het behandeld zaaizaad, het zaaien, tijdens de groeifase van het gewas en na de oogst voldoen aan artikel 28, eerste lid, onderdeel b, van de wet.
§ 6. Bepalingen inzake bijzondere vormen van toelating
Artikel 2.17. Verwijdering dompelvloeistoffen
Het college neemt in het besluit tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel dat in een dompelvloeistof wordt toegepast een voorschrift op voor de verwijdering van dompelvloeistoffen.
Artikel 2.18. Periodieke toepassing
Vervallen
Artikel 2.19. Bescherming voortvloeiend uit de richtlijn tot opneming van de werkzame stof
Het college neemt bij de toelating een voorschrift op dat een beschermingsmaatregel inhoudt die is vermeld bij de richtlijn tot opneming van een werkzame stof in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG, voor zover deze beschermingsmaatregel voortvloeit uit de beoordeling van het desbetreffende gewasbeschermingsmiddel en dit in overeenstemming is met de beoordeling als bedoeld in de artikelen 8 en 10 van het besluit.
Artikel 2.20. Beschermingsfactor meer dan tien
Het college neemt alleen bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in de artikelen 30 en 31 van het besluit alsmede grondontsmettingsmiddelen een voorschrift op dat leidt tot een persoonlijke bescherming met een beschermingsfactor van meer dan tien als bedoeld in bijlage III.
In afwijking van het eerste lid kan het college bij het mengen, vullen en toepassen van vaste gewasbeschermingsmiddelen een persoonlijke bescherming voorschrijven met behulp van handschoenen als bedoeld in bijlage III met een beschermingsfactor 20.
Artikel 2.21. Bijsluiter
Bij de ambtshalve vaststelling van de wijze van mededelen als bedoeld in artikel 31, vierde lid, van de wet kiest het college voor de wijze van mededelen van voorschriften voor een uitbreiding van de toepassing als bedoeld in artikel 31, derde lid, van de wet uit een van de volgende mogelijkheden:
- a. vermelding op de verpakking,
- b. het in de verpakking opnemen van een bijsluiter, die de mededeling bevat, of
- c. het overhandigen van een bijsluiter met de desbetreffende mededeling aan de gebruiker bij het verstrekken van het gewasbeschermingsmiddel.
Artikel 2.22. Risicogroep gewasbeschermingsmiddelen die micro-organismen bevatten
Het college vermeldt bij de toelating in het voorschrift bij welke risicogroep, bedoeld in artikel 4.84 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, een gewasbeschermingsmiddel is ingedeeld.
§ 8. Handleiding toelating bestrijdingsmiddelen
Artikel 2.23. Handleiding toelating bestrijdingsmiddelen
Vervallen
Hoofdstuk 3. Toelating en registratie van biociden
§ 1. Aanvragen
Artikel 3.1. Te overleggen documenten inzake biociden
Vervallen
§ 8. Handleiding toelating bestrijdingsmiddelen
Artikel 3.2. Werkingssfeer
Vervallen
Artikel 3.3. In acht te nemen communautaire maatregelen
Vervallen
Artikel 3.4. Beoordelingsmethoden uit richtsnoeren en nationale methoden
Vervallen
§ 1. Aanvragen
Artikel 3.5. Berekening humaan-toxicologisch risico als gevolg van professioneel gebruik
Vervallen
Artikel 3.6. Blootstelling als gevolg van professioneel gebruik
Vervallen
Artikel 3.7. Gezondheidskundige norm
Vervallen
§ 4. Bepalingen inzake de beoordeling van biociden die micro-organismen bevatten
Artikel 3.8. Beoordeling van biociden die micro-organismen bevatten
Vervallen
§ 2. Openbaarmaking
Artikel 3.9. Beoordeling afgeleide toelating
Vervallen
Artikel 3.10. Beoordeling parallelle toelating
Vervallen
Artikel 3.11. Beoordeling toelating op aanvraag van de minister
Vervallen
§ 3a. Werkzaamheid van biociden
Artikel 3.12. Voorschriften inzake bescherming voortvloeiend uit de richtlijn tot opneming van de werkzame stof
Vervallen
Artikel 3.13. Beschermingsfactor meer dan tien
Vervallen
Artikel 3.14. Risicogroep biociden die micro-organismen bevatten
Vervallen
§ 5. Bepalingen inzake bijzondere vormen van toelating
Artikel 3.15. Handleiding toelating bestrijdingsmiddelen
Vervallen
Hoofdstuk 4. Erkenning van instanties
§ 6. Voorschriften bij de toelating
Artikel 4.1. Erkenning voor onderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
Proeven en analysen als bedoeld in artikel 29, derde lid, van verordening (EG) 1107/2009, zijn erkend indien zij zijn uitgevoerd door een erkend bedrijf of erkende instelling.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur kan op aanvraag een bedrijf of instelling waar proeven of analysen als bedoeld in artikel 29, derde lid, van verordening (EG) 1107/2009 worden uitgevoerd, erkennen.
De beoordeling van een aanvraag vindt plaats aan de hand van de eisen, bedoeld in punten 3.2 tot en met 3.4.2. van punt 3 Goede Laboratoriumpraktijken (GLP), van de inleiding van de bijlage bij verordening 284/2013.
Artikel 4.2. Aanvraag erkenning voor onderzoek met biociden
Vervallen
Artikel 4.3. Duur van de erkenning
De geldigheidsduur van de erkenning bedraagt ten hoogste zes jaren. Zij kan voor een kortere duur worden verleend.
Een erkenning kan worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken met ingang van een daarbij aan te geven tijdstip, indien:
- a. de houder van de erkenning hier schriftelijk om verzoekt;
- b. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt op grond waarvan een erkenning is verleend;
- c. de houder handelt in strijd met de voorwaarden genoemd in artikel 4.4 of de voorschriften die bij de erkenning zijn gesteld;
- d. de houder van de erkenning tekort schiet in hetgeen op grond van deze erkenning redelijkerwijs van hem mag worden verwacht;
- e. de erkenning dan wel de beperkingen in strijd met wettelijke voorschriften zijn gegeven;
- f. dit noodzakelijk is in verband met gewijzigde regelgeving of ter uitvoering van een communautaire maatregel, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten.
Artikel 4.4. Herbeoordeling erkenning bij wijziging organisatie
Essentiële wijzigingen in de organisatie van het bedrijf dat of de instelling die ingevolge artikel 4.1 of 4.1a een erkenning heeft, worden schriftelijk aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur gemeld. De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur beoordeelt of de gewijzigde organisatie, dan wel een eventuele uitbreiding van het type proeven en analyses door de organisatie, voldoet aan de eisen voor erkenning.
Artikel 4.5. Leges
Vervallen
Hoofdstuk 4. Erkenning van instanties
§ 1. Erkenning van instanties voor onderzoek met gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Artikel 5.1. Het register omtrent gewasbeschermingsmiddelen
Het college houdt het elektronisch register omtrent gewasbeschermingsmiddelen bij, bedoeld in artikel 57 van verordening (EG) 1107/2009.
Het college deelt het register, bedoeld in het eerste lid en in artikel 69, tweede lid, van de wet, ten minste in volgens de hoofdstukken gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur stelt de lijst van kleine toepassingen, bedoeld in artikel 57, eerste lid, onderdeel h, van verordening (EG) 1107/2009, elektronisch ter beschikking aan het publiek.
Artikel 5.2. Het biocidenregister
Het college houdt het biocidenregister bij, bedoeld in artikel 71 van verordening (EG) 528/2012.
Artikel 5.3. Periodieke aanpassingen in databank
Vervallen
§ 1. Geïntegreerde bestrijding en juist gebruik
Hoofdstuk 5. Het register van het college en openbaarmaking
§ 2. Toepassingsmethoden, – technieken en – materialen
Artikel 6.1. Betekenis bewijs van vakbekwaamheid
Een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 71, eerste lid, van de wet geeft aan dat de houder:
- a. voldoende op de hoogte is wanneer en onder welke omstandigheden het gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen of biociden verantwoord is;
- b. voldoende op de hoogte is van de gevaren welke het gebruik met zich meebrengt en van de wijze waarop deze gevaren kunnen worden voorkomen, en
- c. voor zover het een bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbeschermingsmiddelen betreft, voldoende kennis heeft van de onderwerpen, genoemd in bijlage I bij richtlijn 2009/128/EG, rekening houdend met de taken en verantwoordelijkheden die behoren bij zijn functie.
Indien het bewijs van vakbekwaamheid slechts betrekking heeft op bepaalde gewasbeschermingsmiddelen of biociden, op bepaalde toepassingen dan wel op de behandeling van bepaalde ruimten of terreinen, wordt de betrokkene slechts te dien aanzien als houder van een bewijs van vakbekwaamheid aangemerkt.
Artikel 6.2. Bewijs van vakbekwaamheid gewasbescherming
Een aanvraag voor een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van het besluit, wordt ingediend bij Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen. Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden overgelegd:
- a. een naar behoren ingevuld en ondertekend aanvraagformulier;
- b. een goed leesbare kopie van het identiteitsbewijs van de aanvrager, en
- c. een gewaarmerkt afschrift van een diploma of een certificaat als bedoeld in artikel 6.3, derde tot en met zesde lid, of
- d. een gewaarmerkt afschrift van een bekwaamheidsattest of opleidingstitel, dat door Bureau erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen is erkend op grond van artikel 6 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.
Indien een aanvraag voor een bewijs van vakbekwaamheid voor een persoon wordt ingediend door een onderwijsinstelling die het in artikel 6.3, derde, vierde, vijfde, zesde en negende lid, bedoelde certificaat of diploma verstrekt, geldt in afwijking van het eerste lid dat bij de aanvraag de volgende bescheiden worden overgelegd:
- a. een verklaring dat de persoon gedurende de opleiding met goed gevolg een examen heeft afgelegd dat recht geeft op een certificaat als bedoeld in artikel 6.3, derde tot en met zesde lid en negende lid, en
- b. de naam, het adres, de geboortedatum en het burgerservicenummer van de persoon.
Ten behoeve van migrerende beroepsbeoefenaren, bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties kan Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen opleidingstitels of bekwaamheidsattesten erkennen.
De migrerende beroepsbeoefenaar legt aan Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen de documenten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdelen a, b, c, en e, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties over ten behoeve van de erkenning, bedoeld in het derde lid.
De tijdelijke en incidentele dienstverrichter, bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, verstrekt voorafgaand aan zijn eerste dienstverrichting op het terrein van gewasbescherming in Nederland aan Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen de documenten, bedoeld in artikel 23, derde lid, onderdelen a tot en met d, van die wet.
In geval van toepassing van artikel 27, derde lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties beoordeelt Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen of de dienstverrichter, bedoeld in het vijfde lid, over voldoende kennis en vaardigheden beschikt ten aanzien van gewasbescherming en het veilig omgaan met gewasbeschermingsmiddelen.
Bureau Erkenningen brengt na afloop van ieder kalenderjaar verslag uit aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over zijn werkzaamheden en het aantal verstrekte en erkende bewijzen van vakbekwaamheid.
Artikel 6.3. Verstrekken bewijs van vakbekwaamheid gewasbescherming
Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen verstrekt het bewijs van vakbekwaamheid op aanvraag.
Een bewijs wordt niet verstrekt dan nadat het tarief, bedoeld in artikel 6.8, eerste lid, is voldaan.
Het bewijs van vakbekwaamheid Uitvoeren gewasbescherming wordt verstrekt aan de persoon die beschikt over:
- a. een certificaat gewasbescherming A of een diploma dat mede dat certificaat omvat, en dat voldoet aan de kwalificaties en beroepsvereisten die op grond van de artikelen 7.2.4 en 7.2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals die gold voor 1 januari 2012, zijn vastgesteld;
- b. een certificaat gewasbescherming A (uitvoeren) (C0003) als bedoeld in bijlage 1 van de Regeling certificaten wettelijke beroepsvereisten groen middelbaar beroepsonderwijs, of een diploma dat mede dat certificaat omvat en dat voldoet aan de op grond van artikelen 7.2.4 en 7.2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde kwalificaties en beroepsvereisten.
Het bewijs van vakbekwaamheid Bedrijfsvoeren gewasbescherming wordt verstrekt aan de persoon die beschikt over:
- a. een certificaat gewasbescherming B of een diploma dat mede dat certificaat omvat, en dat voldoet aan de kwalificaties en beroepsvereisten die op grond van de artikelen 7.2.4 en 7.2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals die gold voor 1 januari 2012, zijn vastgesteld;
- b. een certificaat gewasbescherming B (bedrijfsvoeren) (C0004) als bedoeld bijlage 1 van de Regeling certificaten wettelijke beroepsvereisten groen middelbaar beroepsonderwijs, of een diploma dat mede dat certificaat omvat en dat voldoet aan de op grond van artikelen 7.2.4 en 7.2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde kwalificaties en beroepsvereisten.
Het bewijs van vakbekwaamheid Distributie en opslag gewasbescherming wordt verstrekt aan de persoon die beschikt over:
- a. een certificaat gewasbescherming C of een diploma dat mede dat certificaat omvat, en dat voldoet aan de kwalificaties en beroepsvereisten die op grond van de artikelen 7.2.4 en 7.2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals die gold voor 1 januari 2012, zijn vastgesteld;
- b. een certificaat gewasbescherming C (distributie en opslag) (C0005) als bedoeld in bijlage 1 van de Regeling certificaten wettelijke beroepsvereisten groen middelbaar beroepsonderwijs, of een diploma dat mede dat certificaat omvat en dat voldoet aan de op grond van artikelen 7.2.4 en 7.2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde kwalificaties en beroepsvereisten.
Het bewijs van vakbekwaamheid Mollen- en Woelrattenbestrijding wordt verstrekt aan de persoon die beschikt over een certificaat MW (Mollen- en Woelrattenbescherming) (C0013) als bedoeld in bijlage 1 van de Regeling certificaten wettelijke beroepsvereisten groen middelbaar beroepsonderwijs, of een diploma dat mede dat certificaat omvat, dat voldoet aan de op grond van de artikelen 7.2.4.en 7.2.6. van de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde kwalificaties en beroepsvereisten.
Het bewijs van vakbekwaamheid op basis van een Veiligheidsinstructie Gewasbescherming, bedoeld in artikel 6.3a, wordt verstrekt aan de persoon die een instructie op de werkplek heeft gevolgd als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel c, van het besluit, welke instructie is erkend door Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen.
Een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in het derde tot en met het zesde lid en het negende lid, wordt ambtshalve verlengd indien voldoende nascholingsbijeenkomsten zijn bijgewoond, die zijn erkend door Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen, of opnieuw met goed gevolg een examen is afgelegd dat recht geeft op een certificaat als bedoeld in het derde tot en met het zesde lid en het negende lid.
Het bewijs van vakbekwaamheid Adviseren Gewasbescherming wordt verstrekt aan de persoon die beschikt over:
- a. het bewijs van vakbekwaamheid B of de benodigde certificaten hiervoor zoals beschreven in het vierde lid;
- b. een certificaat Adviseren Gewasbescherming of een diploma dat mede dat certificaat omvat en dat voldoet aan de beroepsvereisten die op grond van artikel 7.6 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zijn vastgesteld.
Met een certificaat als bedoeld in derde tot en met zesde lid en negende lid, wordt een verklaring als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, onderdeel a, gelijk gesteld.
Artikel 6.4. Bewijs van vakbekwaamheid biociden
De aanvraag voor een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van het besluit, wordt ingediend bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden overgelegd:
- a. een naar behoren ingevuld en ondertekend aanvraagformulier;
- b. een goed leesbare kopie van het identiteitsbewijs van de aanvrager, en
- c. een gewaarmerkt afschrift van een behaald diploma of certificaat, of
- d. een gewaarmerkt afschrift van een bekwaamheidsattest of opleidingstitel, die door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat is erkend op grond van artikel 6 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.
Ten behoeve van migrerende beroepsbeoefenaren, bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties kan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat opleidingstitels of bekwaamheidsattesten erkennen.
De migrerende beroepsbeoefenaar legt aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat de documenten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdelen a, b, c, en e, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties over ten behoeve van de erkenning, bedoeld in het tweede lid.
De tijdelijke en incidentele dienstverrichter, bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, verstrekt voorafgaand aan zijn eerste dienstverrichting met behulp van biociden waarvoor een bewijs van vakbekwaamheid is voorgeschreven in Nederland aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat de documenten, bedoeld in artikel 23, derde lid, onderdelen a tot en met d, van die wet.
In geval van toepassing van artikel 27, derde lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties beoordeelt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat of een door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen instantie of de dienstverrichter, bedoeld in het vierde lid, over voldoende kennis en vaardigheden beschikt.
Een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van het besluit, ten aanzien van het afweren of bestrijden van een dierplaag, het bestrijden van houtrotverwekkende schimmel, gassingsleider of gasmeetdeskundige, wordt verstrekt indien de gebruiker met goed gevolg theorie- en praktijkexamens heeft afgelegd, die voldoen aan de eindtermen voor onderwijs, bedoeld in bijlage VI, onderdeel A, of bijlage VII, en daartoe een getuigschrift van het Register Plaagdierbeheersing, Milieu en Veiligheid van de Stichting Groene Erkenningen heeft ontvangen.
Een bewijs van vakbekwaamheid wordt niet verstrekt dan nadat het tarief, bedoeld in artikel 6.8, eerste lid, is voldaan.
Een bewijs van vakbekwaamheid wordt ambtshalve verlengd als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van het besluit, indien wordt voldaan aan de eindtermen voor onderwijs, bedoeld in bijlage VI, onderdeel B, of bijlage VII.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan een bewijs van vakbekwaamheid biociden intrekken indien de houder ervan niet voldoet aan de eindtermen voor onderwijs, bedoeld in bijlagen VI of VII. Artikel 6.3b, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan een bewijs van vakbekwaamheid biociden intrekken op grond van artikel 85, derde lid, van de wet. Artikel 6.3b, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.5. Voorwaarde voor de verlenging van een bewijs van vakbekwaamheid
De automatische verlenging van een bewijs van vakbekwaamheid gaat in op de datum volgend op de datum waarop de betrokken bewijzen van vakbekwaamheid aflopen dan wel, indien de betrokken houder van een bewijs van vakbekwaamheid niet aan de voorwaarden voldoet met ingang van de datum na de datum dat deze houder alsnog aan de voorwaarden voldoet.
Artikel 6.6. Vrijstelling bewijs van vakbekwaamheid
Voor de volgende handelingen is geen bewijs van vakbekwaamheid vereist:
- a. het afleveren door personeel van reeds bestelde of reeds gekochte gewasbeschermingsmiddelen of biociden, indien dat uit een bestelbon of factuur blijkt, zonder advies aan gebruikers;
- b. het gedurende maximaal één jaar toepassen van biociden door diegene die met goed gevolg deel heeft genomen aan de opleiding starterlicentie voor het beheersen van plaagdieren en houtaantastende organismen, bedoeld in bijlage VI, onderdeel C, en die daartoe een starterlicentie van het Register Plaagdierbeheersing, Milieu en Veiligheid van de Stichting Groene Erkenningen heeft ontvangen en voldoet aan de voorwaarden gesteld in bijlage VI, onderdeel D;
- c. het toepassen van een biocide voor het afweren of bestrijden van een dierplaag, niet zijnde knaagdieren of het bestrijden van een houtrotverwekkende schimmel als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, op een agrarisch bedrijf door een persoon die daar werkzaam is;
- d. het toepassen van biociden voor het afweren of bestrijden van knaagdieren op een agrarisch bedrijf door de ondernemer of een werknemer en die houder is van een licentie voor het beheersen van knaagdieren op een agrarisch bedrijf, bedoeld in bijlage VI, onderdeel E, en die daartoe een licentie van bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen heeft ontvangen. De geldigheid van bovengenoemde licentie wordt na afloop van een termijn van vijf jaar door bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen verlengd indien is voldaan aan de eindtermen voor onderwijs als genoemd in bijlage VI, onderdeel F;
- e. de industriële toepassing van een biocide in hout in verband met de conservering ervan tegen schimmels of dierplagen;
- f. het op de markt aanbieden van biociden.
Hoofdstuk 6. Bewijs van vakbekwaamheid voor handel en gebruik
Artikel 7.1. Kettingbeding verboden gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Degene die een niet in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddel of biocide produceert, opslaat of vervoert, komt bij iedere overeenkomst die strekt tot opslag, vervoer of levering van het middel aan een ander, schriftelijk een beding als bedoeld in artikel 253 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ten behoeve van de Staat overeen, en neemt een afschrift van deze overeenkomst in zijn administratie op.
Het beding, bedoeld in het eerste lid, luidt als volgt:
- a. De ontvangende partij doet al hetgeen redelijkerwijs mogelijk is te voorkomen dat het gewasbeschermingsmiddel of de biocide in Nederland wordt toegepast. De ontvangende partij neemt daartoe dit beding op in een overeenkomst die strekt tot levering aan een derde partij van het bij deze overeenkomst te leveren gewasbeschermingsmiddel of biocide.
- b. Indien niet uit de administratie van de ontvangende partij of een derde partij blijkt dat het gewasbeschermingsmiddel of de biocide buiten Nederland is toegepast of naar het buitenland is vervoerd, verbeurt de ontvangende partij een som van 10% van de marktwaarde van het gewasbeschermingsmiddel of de biocide ten behoeve van de Staat der Nederlanden.
- c. Deze verplichting zal overgaan op degenen die het gewasbeschermingsmiddel of de biocide onder bijzondere titel zullen verkrijgen. Voorts zijn mede gebonden degenen die van de rechthebbende een beperkt recht of een recht tot gebruik van het goed zullen verkrijgen.
Artikel 7.2. Verstrekking gegevens aan de minister
Vervallen
Hoofdstuk 6. Bewijs van vakbekwaamheid voor handel en gebruik
§ 1. Bewijs van vakbekwaamheid
Artikel 8.1. Vrijstelling gewasbeschermingsmonitor
Degene die de biologische productiemethode als bedoeld in artikel 2 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 toepast, is vrijgesteld van de verplichting over een gewasbeschermingsmonitor als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van het besluit te beschikken.
§ 3. Monitoring na toelating
Artikel 8.2. (Noodzakelijk voor veilige exploitatie)
Het eerste lid van artikel 27b van het besluit is niet van toepassing op het gerichte gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de volgende terreinen:
- a. binnen tien meter van een object dat verwijderd moet blijven van open vuur of draaiende motoren en zones waarbinnen het gebruik van open vuur of draaiende motoren niet is toegestaan;
- b. het gebied van vliegvelden dat wordt gebruikt voor het opstijgen, landen en taxiën van vliegtuigen, inclusief het gebied dat wordt gebruikt voor laden, lossen en onderhouden van vliegtuigen;
- c. spoor-, metro en trambanen, voor zover het betreft:
- 1°. het ballastbed bestaande uit een laag steenslag waarin zich de railconstructie bevindt, of;
- 2°. inspectie- of schouwpaden gelegen binnen de veiligheidszone;
- d. locaties waar scherpe munitie of explosieven in de bodem aanwezig zijn of kunnen zijn;
- e. locaties waar prikkeldraadrollen zijn aangebracht voor Defensiedoeleinden, en
- f. binnen tien meter van een elektrische voorziening voor hoogspanning waarvan delen niet of onvoldoende zijn beschermd tegen directe of indirecte aanraking en waarvan de spanning niet op eenvoudige wijze tijdelijk kan worden onderbroken.
Het eerste lid van artikel 27b van het besluit is niet van toepassing op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor het behandelen van stobben in, op of langs weg- en waterbouwkundige constructies, indien door mechanisch verwijderen de stabiliteit van deze constructie in gevaar komt.
Artikel 8.3. (Noodzakelijk voor de bescherming van mens, dier of milieu)
Het eerste lid van artikel 27b van het besluit is niet van toepassing op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor een gerichte bestrijding van:
- a. eikenprocessierups (Thaumetopoea processionea);
- b. bastaardsatijnrups (Euproctis chrysorrhoea);
- c. duizendknoop: Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis), bastaard duizendknoop (Fallopia x bohemica), Afghaanse duizendknoop (Persicaria wallichii) en kruisingen;
- d. fluweelboom/azijnboom (Rhus species);
- e. Pontische rododendron (Rhododendron x superponticum);
- f. robinia (Robinia pseudoacacia);
- g. knolcyperus (Cyperus esculentus), en
- h. schadeveroorzakende organismen op rozen (Rosa species) bij oorlogsgraven.
Het eerste lid van artikel 27b van het besluit is niet van toepassing op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen:
- a. waarvoor op grond van artikel 38 van de wet een vrijstelling is verleend;
- b. voor een gerichte bestrijding van terrestrische soorten die zijn opgenomen op de lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, van verordening 1143/2014 (EG) met uitzondering van moeraslantaarn (Lysichiton americanus) en reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum), en
- c. voor een gerichte bestrijding van soorten die zijn aangewezen in bijlage II van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 van de Commissie van 28 november 2019 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 690/2008 van de Commissie en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2019 van de Commissie (PbEU 2019, L 319).
Artikel 8.4. (Specifieke terreinen voor sport en recreatie)
Het eerste lid van artikel 27b van het besluit is niet van toepassing op het gerichte gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de volgende terreinen:
- a. sportvelden voor het in georganiseerd verband beoefenen van sport in de open lucht, voor zover het het bespeelbare gedeelte van het terrein betreft inclusief een beperkte zone daar omheen die voor het beoefenen van de sport nodig is, maar exclusief de niet met gras begroeide alsmede de in bijlage XVII met ‘nee’ aangeduide delen.
- b. niet door de overheid beheerde recreatieterreinen, voor zover het betreft:
- 1°. bungalowterreinen;
- 2°. groepsaccommodaties;
- 3°. campingterreinen;
- 4°. jachthavens, niet zijnde de aanlegsteigers in of nabij het oppervlaktewater;
- c. terreinen met een specifieke botanische waarde, waar het publiek ten minste twee maanden per jaar tegen betaling toegang heeft, met uitzondering van de verharde oppervlakken.
Artikel 8.5
In de gebieden en omstandigheden, bedoeld in de artikelen 8.2 tot en met 8.4, wordt gebruik gemaakt van een gewasbeschermingsmiddel met een laag risico of een biologisch gewasbeschermingsmiddel voor zover deze voor het desbetreffende gebruik beschikbaar zijn.
In de gebieden en omstandigheden, bedoeld in de artikelen 8.2 tot en met 8.4 wordt geen gebruik gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen die een of meer prioritaire gevaarlijke stoffen bevatten.
Artikel 8.6. Vrijstelling voorwaarden luchtvaarttoepassing
Vervallen
Artikel 8.7. Luchtvaarttoepassing van biociden
Vervallen
Artikel 8.8. Toepasselijkheid bepalingen inzake gasvormige en gasvormende middelen
Artikel 31 van het besluit inzake de toepassingsmethoden bij gasvormige en gasvormende gewasbeschermingsmiddelen en biociden is slechts van toepassing op middelen met een werkzame stof als bedoeld in bijlage X bij deze regeling.
De toegangen, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van het besluit zijn voorzien van een waarschuwingssignaal en opschrift dat in overeenstemming is met hetgeen hieromtrent is bepaald in hoofdstuk 8 van de Arbeidsomstandighedenregeling.
Artikel 8.9. Melding toepassing fosforwaterstof, sulfurylfluoride en waterstofcyanide
Gewasbeschermingsmiddelen en biociden die als werkzame stof fosforwaterstof, sulfurylfluoride of waterstofcyanide bevatten, worden niet toegepast dan nadat ten minste zeven dagen voor aanvang van de toepassing een melding is gedaan bij de bevoegde bedrijfstakdirecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Daartoe wordt het formulier, bedoeld in bijlage XI, volledig en naar waarheid ingevuld.
In afwijking van het eerste lid kan de melding korter dan zeven dagen voor aanvang van de toepassing worden gedaan, indien minder dan 2500 m3 wordt gegast of de toepassing een gassing van lichters of binnenvaartschepen betreft en het spoedeisende karakter van de toepassing dit noodzakelijk maakt, mits:
- –. de melding ten minste 6 uur voor de aanvang van de toepassing is ontvangen en de toepassing een gassing van lichters of binnenvaartschepen betreft,
- –. de melding ten minste 6 uur voor de aanvang van de toepassing is ontvangen en niet meer dan 500 m3 wordt gegast, of
- –. de melding ten minste 24 uur voor aanvang van de toepassing is ontvangen en niet meer dan 2500 m3 wordt gegast.
Voor de gasvrijverklaring, bedoeld in artikel 31, derde lid, van het besluit wordt het formulier bedoeld in bijlage XII volledig en naar waarheid ingevuld, verstrekt aan de opdrachtgever. Een afschrift van dit formulier wordt binnen 48 uur aan de bevoegde directeur van de Inspectie Leefomgeving en Transport toegezonden.
Degene die de verklaring, bedoeld in het derde lid, heeft verstrekt, bewaart een afschrift van de verklaring gedurende ten minste een jaar.
Artikel 8.10. Melding bij periodieke toepassing
De melding, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van het besluit, van de toepassing van een gewasbeschermingsmiddel wordt uiterlijk drie weken voor de toepassing bij de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur gedaan.
Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt een volledig en naar waarheid ingevuld meldingsformulier over gelegd of elektronisch verzonden met daarin opgenomen:
- a. de naam en het adres van de gebruiker,
- b. voor zover van toepassing: de naam en het adres van een bedrijf als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b, subonderdeel 2°, van het besluit,
- c. de naam van het gewasbeschermingsmiddel,
- d. het doelgewas,
- e. het voorgenomen moment van toepassing,
- f. een op een kaart die voldoet aan de door de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur gestelde eisen, op schaal weergegeven aanduiding van het te behandelen perceel of perceelsgedeelte, het te behandelen areaal in m2 en voor zover van toepassing:
- –. een verklaring van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur dat knolcyperus (Cyperus esculentus L.) op het perceel is aangetoond,
- –. een verklaring van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur dat het stengelaaltje (Ditylenchus dipsaci (Kühn) Filipjev) op het perceel is aangetoond, of
- –. de datum van een besluit als bedoeld in artikel 32, derde lid, onderdelen a tot en met c, van het besluit.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur geeft binnen twee weken na de melding een ontvangstbewijs af.
De melder past het gewasbeschermingsmiddel binnen 3 maanden na de op het ontvangstbewijs vermelde datum toe.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)