Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Regionaal en Ruimtelijk Economisch Beleid 1945– (Minister van Verkeer & Waterstaat)
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 29 maart 2007, nr. arc-2007.03635/4);
Besluiten:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer & Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Regionaal en Ruimtelijk Economisch Beleid 1945–’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Basisselectiedocument
Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag voor de zorgdragers
de Minister van Economische Zaken,
en de daaronder ressorterende actoren,
de Minister van Defensie,
de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
de Minister van Binnenlandse Zaken,
de Minister van Justitie,
de Minister van Financiën,
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, en
de Minister van Verkeer en Waterstaat.
op het beleidsterrein
1945–
Overzicht van gebruikte afkortingen
AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur
AWB: Algemene Wet Bestuursrecht
BAVK: Besluit Algemeen Vestigingsverbod Kleinbedrijf
BCN: Bestuurscommissie Noorden des lands
BLM: Bedrijfslocatiemonitor
BNL: Beleidsnotitie Zuid-Limburg
BOB: [Stimuleringsregeling] Bedrijfsomgevingsbeleid
BOM: Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij
BOSOM: Bodemsanering Ontwikkeling en Marktwerking/Bodemsanering op maat
BRT: Bijzondere Regionale Toeslag
BSB: Commissie Bodemsanering in gebruik zijnde Bedrijfsterreinen
BSRI: Besluit Subsidies Regionale Investeringsprojecten
BZK: [Ministerie van] Binnenlandse Zaken en Koninkrijksaangelegenheden
CB: Communautair Bestek van de Europese Structuurfondsen
CBIN: Commissariaat voor Buitenlandse Investeringen in Nederland
CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek
CIMK: (Centraal) Coördinerend Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf
CoCo: Coördinatiecommissie voor Europese Integratie- en Associatieproblemen
CoCoHan: Coördinatiecommissie op Hoog Ambtelijk Niveau
CPB: Centraal Planbureau
CRM: [Ministerie van] Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk
CvT: Comité van Toezicht
DGES: Directoraat-generaal Economische Structuur
DGIR: Directoraat-generaal voor Industrie en Regionaal Economisch Beleid.
DUW: Dienst Uitvoerende Werken
EC: Europese Commissie
EFRO: Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling
EG: Europese gemeenschap
EPD: Enkelvoudig/Enig Programmeringsdocument van de EG-Structuurfondsen.
ESF: Europees Sociaal Fonds
ETD/ETI: Economisch-Technologische Dienst, Economisch Technologisch Instituut van een provincie
EU: Europese Unie
EURES-IGA: European Employment Services voor investeringen van grensoverschrijdende activiteiten
EZ: (Ministerie van) Economische Zaken
FES: Fonds Economische Structuurversterking
GOM: Gelderse Ontwikkelingsmaatschappij
GS: Gedeputeerde Staten (van een provincie)
HdTK: Handelingen der Tweede Kamer (der Staten-Generaal)
IBN: Industrialisatiebureau voor het Noorden
IC: Innovatiecentrum
ICO: International Coffee Organization
ICES: Interdepartementale Commissie voor Economische Structuurversterking
IMT: Integrale Milieutaakstelling
INSTIR: Subsidieregeling Innovatiestimulering
Interreg: Interregio-subsideprojecten van het EFRO
IPR: Investeringspremieregeling
IPO: Interprovinciaal Overleg
ISP: Integraal Structuurplan voor het Noorden des Lands
ISV: Infrastructurele voorzieningen
KB: Koninklijk Besluit
KNOV: Koninklijk Nederlands Ondernemersverbond
KvK: Kamer(s) van Koophandel en Fabrieken
LIOF: Limburgs Ontwikkelingsfonds
LNV: [Ministerie van ] Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
[Ministerie van] Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (vanaf 2003)
MCRB: Ministeriele Commissie voor Regionaal Beleid
MDW: (Projectgroep) Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit
MKB: Midden- en Kleinbedrijf
MTI: (Project ) MKB, Toerisme en Industrie
MvT: Memorie van Toelichting
MvA: Memorie van Antwoord
NBW: Nieuw Burgerlijk Wetboek
NCC: Noordelijke Contactcommissie
NCOV: Nederlands Christelijk Ondernemersverbond
NEI: Nederlands Economisch Instituut
NOM: Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij
NOVEM: Nederlandse Organisatie voor Energie en Milieu
NPB: Nationaal Planbureau
NREB: Nota Regionaal Economisch Beleid; Nota Ruimtelijk Economisch Beleid
OEEI: Onderzoeksprogramma Economische Effecten Infrastructuur
ONL: [Project] Ontwikkeling Nationale Luchthaven
OOM: Overijsselse Ontwikkelingsmaatschappij
PBO: Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie
PBTS: (Regeling) Programmabegeleiding Bedrijfsgerichte Technologie Stimulering
PMR: Project Mainport Rotterdam
PNL: Perspectievennota Zuid-Limburg
PPM: Particuliere Participatiemaatschappij
PS: Provinciale Staten
PSOL: Premieregeling Stimulering Ontwikkeling Lelystad
PVVP: Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan
R & D: Research and Development
RARO: Raad voor de Ruimtelijke Ordening
REAP: Regionaal Actieprogramma
REON: Ruimte Economisch Ontwikkelingsplan Noord Nederland
RIMK: Regionaal Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf
ROM: Regionale Ontwikkelingsmaatschappij
ROMA: Samenwerkingsverband van de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen
ROP: Regionaal Ontwikkelingsplan
ROT: Ruimtelijke Ordeningstoelage
RPC: Rijks Planologische Commissie
RROM : Raad voor Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
RSEB: Regionaal sociaal-economisch beleid
RTS: Afdeling Regio’s, Toerisme en Steden van het bureau van het Ministerie van EZ.
SEOL: Sociaal-economisch Orgaan Limburg
SER: Sociaal-Economische Raad
SG: Secretaris-Generaal
SIO: Stimuleringsregeling voor Industriële Ontwikkeling
SIOL: Stimuleringsregeling voor Industriële Omschakeling in Limburg
SIR: (Wet) Selectieve Investeringsregeling
SNN: Samenwerkingsverband Noord-Nederland
SNOECK: Organisatie voor Energiecomsulenten voor de Kwartaire Sector in Noord-Nederland
SOS: Stichting Ontwikkeling en Samenwerking
Stb.: Staatsblad
Stcrt.: Staatscourant
STiREA: (Besluit) Stimulering Ruimte voor Economische Activiteiten
SVEN: Stichting Voorlichting Energiebesparing Nederland
TIPP: Tender Investeringsprogramma Provincies
TNO: [Nederlandse Organisatie voor] Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek
UCLAF: Fraude-opsporingsorgaan van de EU
URBAN: Door het EFRO gesteunde projecten tot stimulering van de economie in grote steden.
V&W: [Ministerie van] Verkeer en Waterstaat.
VNG: Vereniging van Nederlandse Gemeenten
VNO: Vereniging van Nederlandse Ondernemers
VVK: Vereniging van Kamers van Koophandel en Fabrieken (Nederland)
VRO: [Ministerie van] Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
VROM: [Ministerie van] Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Vijno: Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening
WBB: Wet Bodembescherming
WIR: Wet Investeringsrekening
Wm: Wet Milieubeheer
WRO: Wet op de Ruimtelijke ordening
ZBO: Zelfstandige Bestuursorganen
I. Verantwoording
1.1 Wettelijk kader voor de selectie van overheidsarchieven
Ingevolge artikel 3 van de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) dient de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren. Onder ‘archiefbescheiden’ worden niet slechts papieren documenten verstaan, maar alle bescheiden – ongeacht de drager – die door een overheidsorgaan zijn ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd zijn daaronder te berusten. Ook digitaal vastgelegde informatie valt dus onder de werking van de archiefwetgeving.
Het in goede en geordende staat bewaren van archiefbescheiden houdt onder meer in dat een overheidsarchief op gezette tijden wordt geschoond. In dat verband schrijft de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) zowel een vernietigingsplicht (art. 3) als overbrengingsplicht (art. 12) voor. Beide plichten rusten op degene die de bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt voor het beheer van het desbetreffende archief: de zorgdrager.
De verplichting tot overbrenging bepaalt dat de zorgdrager zijn archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen en ouder zijn dan twintig jaar ter blijvende bewaring overbrengt naar een archiefbewaarplaats. Wat de archiefbescheiden van de Ministeries en de Hoge Colleges van Staat betreft, is de aangewezen archiefbewaarplaats het Nationaal Archief in Den Haag. Het Nationaal Archief is een onderdeel van de Rijksarchiefdienst (RAD). Deze dienst ressorteert onder de Minister van OCW en staat onder leiding van de Algemeen Rijksarchivaris.
In verband met de selectie van hun archiefbescheiden zijn zorgdragers op grond van artikel 5 van de Archiefwet 1995 verplicht hiertoe selectielijsten op te stellen. In een selectielijst dient te worden aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging, dan wel voor blijvende bewaring in aanmerking komen. Voorts dient een selectielijst de termijnen aan te geven, waarna de te vernietigen bestanddelen dienen te worden vernietigd.
Een selectielijst is naar haar aard een duurzaam instrument. Het ligt in de rede dat een organisatie een vastgestelde lijst niet eenmalig toepast maar (zonodig in geactualiseerde vorm) blijft hanteren om de periodieke aanwas van archiefmateriaal te selecteren. Een selectielijst vormt zo een belangrijk onderdeel van het instrumentarium voor het beheer van de documentaire informatievoorziening in een overheidsorganisatie.
Bij het ontwerpen van een selectielijst dient krachtens art. 2, lid 1 van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 671) rekening gehouden te worden met:
Voorts moeten ingevolge art. 3 van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 671) bij het ontwerpen van een selectielijst ten minste betrokken zijn:
Wat betreft de geldigheidsduur van de selectielijst wordt uitgegaan van de wettelijke periode van twintig jaar vanaf de vaststelling. Dit laat uiteraard onverlet dat de selectielijst (of een bepaald onderdeel daarvan) binnen deze termijn zal komen te vervallen, indien dit mocht worden bepaald bij de vaststelling (via de aangewezen archiefwettelijke weg) van een nieuwe dan wel herziene selectielijst. Elke selectielijst wordt na advies van de Raad voor Cultuur vastgesteld door de Minister van OCW en de Minister wie het mede aangaat. De vastgestelde lijsten worden in de Staatscourant gepubliceerd.
1.2 Het doel en de werking van het Basis Selectiedocument
Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein. Een BSD kan bestaan uit één of meer selectielijsten.
Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.
Een BSD wordt opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In een Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken actoren op dat beleidsterrein. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.
Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.
Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.
Het opgestelde ontwerp-BSD wordt voorgelegd aan de Raad van Cultuur en op verschillende plaatsen ter inzage gelegd. Na eventuele wijziging van het ontwerp-BSD kan worden overgegaan tot de vaststelling. Het BSD wordt vastgesteld in een gezamenlijk besluit van de Minister belast met het cultuurbeleid (tegenwoordig de Minister van OCW) en de betrokken zorgdrager(s).
1.2.1 Functies van het BSD
De selectielijsten in het BSD bieden de grondslag voor de vernietiging en overbrenging van archiefbescheiden waarvoor een zorgdrager verantwoordelijk is. (Archiefwet 1995, art. 5, eerste lid). Voor de zorgdrager is het BSD van belang voor de bedrijfsvoering als mogelijke basis voor archiefordening volgens bedrijfsprocessen.
Voor de zorgdrager dient het BSD als verantwoording tegenover de recht- en bewijszoekende burger, die de mogelijkheid heeft tijdens de ter inzage legging invloed uit te oefenen op het bewaar- en vernietigingsbeleid (Archiefbesluit 1995, art. 2, eerste lid, onder d).
Voor de Minister belast met het cultuurbeleid (vertegenwoordigd door de Algemeen Rijksarchivaris) is het BSD de verantwoording inzake het bewaar- en vernietigingsbeleid vanuit cultureel-historisch belang (Archiefbesluit 1995, art. 2, eerste lid, onder c).
Voor de Nationaal Archief is het BSD (tezamen met het RIO) het uitgangspunt voor de Institutionele Toegangen.
1.3 Het Beleidsterrein
Dit basisselectiedocument is opgesteld aan de hand van het rapport institutioneel onderzoek (RIO) Regionaal en Ruimtelijk Economisch Beleid, Een institutioneel onderzoek naar het handelen van de overheid op het beleidsterrein regionaal en ruimtelijk economisch beleid, 1945–2002 (PIVOT-rapport 150, door dr. J.A.A. Bervoets en I.J. van Riet). Het onderzoek is in 2002 afgerond en behandelt de periode 1945–2002. Het conceptrapport is van commentaar voorzien door mr. E.J. de Vries, directeur Ruimtelijk Economisch Beleid.
Het Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) beschrijft de handelingen van overheidsorganen op het beleidsterrein regionaal en ruimtelijk economisch beleid.
Het regionaal economisch beleid richt zich als steunbeleid op (wisselende) delen van Nederland. De aansturing van dit beleid is vooral financieel gericht. Het ruimtelijk economisch beleid geldt voor heel Nederland, ook al heeft het per regio zijn eigen accenten.
Voor wat betreft het onderdeel economische crisisbeheersing steunt het BSD mede op het RIO (Pivot-nummer 169) ‘Handelen met kennis van zaken’ (auteur drs. R. Haans, DOXiS, Leidschendam 2002/2005).
1.4 Definitie en doelstellingen
Een rapport van de Sociaal-Economische Raad (SER) uit 1973 geeft de volgende definitie van het regionaal beleid van de regering1SER, Advies inzake een selectieve investeringsregeling […], 1973.. Het regionaal (economisch) beleid van de regering ‘houdt zich in de eerste plaats bezig met de vraag of […] zowel nationaal als in de verschillende landsdelen, een verhoging van het welzijn mogelijk is door specifieke, op bepaalde regio’s gerichte maatregelen.’
De overheid had aanvankelijk de volgende doelstellingen voor ogen:
De doelstellingen van het regionaal beleid zijn in de loop van de jaren regelmatig verschoven. Belangrijke discussiepunten werden onder andere gevormd door de vraag of sterke regio’s ook bij het regionaal beleid betrokken moesten worden en door de vraag of het regionaal beleid centraal of decentraal moest worden vormgegeven.
In de nota ‘Regio’s zonder grenzen’ stelde de Minister dat het regionaal beleid tot 1980 zich beperkte tot het ‘verkleinen van de achterstand’, met als doel een ‘grotere gelijkwaardigheid van de regionale welvaart’ te bewerkstelligen2Ministerie van EZ, Regio’s zonder grenzen, 1990–1994(Nota). Vanaf 1981 streeft het Ministerie naar ‘vergroting van de bijdrage van alle regio’s aan de nationale welvaartsontwikkeling’. Dat betekende een decentralisatiebeleid op economisch terrein en bovendien een ‘voorwaardenscheppend beleid’, gericht op verbetering van de infrastructuur. Vanaf 1991 publiceert het Ministerie geen nota’s Regionaal (Sociaal-) Economisch Beleid meer. Er werd vanuit gegaan dat het terrein onderdeel vormt van het ruimtelijk economisch beleid.
Het ruimtelijk economisch beleid wordt tegenwoordig thematisch door het Directoraat-generaal Ondernemen & Innovatie aangestuurd.3De huidige organisatie van het Ministerie van Economische Zaken is , o.a. weergegeven in een organogram, te raadplegen op de website: www.ez.nl. De volgende onderwerpen zijn daarbij van belang:
Samenvattend is te stellen dat uit het institutioneel onderzoek is gebleken dat het beleidsterrein, wat betreft het overheidshandelen, zich op hoofdlijnen laat splitsen in een drietal uitgangspunten:
De bij het Ministerie gesignaleerde achterstandsgebieden;
Ruimtelijke aangelegenheden;
Kamers van Koophandel.
Oorspronkelijk werd het beleid ten aanzien van ruimtelijke aangelegenheden, op regionaal gebied behartigd door de Kamers van Koophandel. De kamers van Koophandel bestaan vanaf de 19e eeuw. Het zijn afzonderlijke regionale bestuursorganen met eigen bevoegdheden, waarvoor vanaf 1916 wettelijke regels zijn vastgesteld. Naast het behartigen van de regionale economische belangen voeren deze zelfstandige adviesorganen ook taken uit die hen door verschillende wetten zijn toegekend. De Minister van Economische Zaken heeft, in het belang van het voortbestaan van deze organen, een toezichthoudende rol. De besluitvorming van de rijksoverheid ten aanzien van de Kamers van Koophandel beperkt zich tot het opleggen van ambtelijke uitvoeringstaken afkomstig van regelgeving aangestuurd vanuit verschillende beleidsterreinen. Overheidshandelingen met betrekking tot de Kamers van Koophandel op het gebied van het Regionaal Economisch Beleid zijn het derde uitgangspunt van het Rapport Institutioneel Onderzoek.
In dit RIO wordt ook aandacht besteed aan crisisbeheersing. Voor alle Ministeries zijn bevoegde autoriteiten aangewezen in de provincies om op te treden bij rampen en andere noodsituaties. Voor het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zijn dit de voedselcommissarissen, voor het Ministerie van Binnenlandse Zaken de commissarissen van de Koningin. Voor het Ministerie van Economische Zaken zijn de economisch commissarissen aangewezen als bevoegde autoriteit. Meer informatie kunt u vinden in het PIVOT-rapport nr. 169 ‘Handelend met kennis van zaken’ (auteur R. Haans, DOXiS, Leidschendam 2002/2005).
Hieronder zal nader worden ingegaan op de afbakening van regionaal en ruimtelijk economisch beleid ten opzichte van andere beleidsterreinen.
1.5 Afbakening van het beleidsterrein
Het beleidsterrein Regionaal Economisch Beleid heeft raakvlakken met de Kamers van Koophandel. De Kamers van Koophandel hebben vanaf het begin de vrijheid gehad om in het belang van de economie van de streek beleid te ontwikkelen. Deze werkzaamheden verschillen per Kamer van Koophandel en zijn niet in dit selectiedocument opgenomen. De Kamers van Koophandel zijn afzonderlijke zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) en zijn zelf verantwoordelijk voor hun selectielijsten. Informatie over de Kamers van Koophandel is te vinden in het RIO Handelend met kennis van zaken van R. Haans.
Het regionaal economisch beleid heeft daarnaast raakpunten met de volgende beleidsterreinen:
Raakvlakken met dit beleidsterrein ontstaan met name wanneer de oplossing van regionaal-economische achterstandsproblemen wordt gezocht in bevordering van de industrialisatie. Het industrialisatiebeleid als zodanig dient, voorzover niet in het Rapport Institutioneel Onderzoek regionaal en ruimtelijk economisch beleid opgenomen, nog in een nader institutioneel onderzoek beschreven te worden.
Er is een raakvlak op dit terrein omdat regionale organen met name facilitaire taken krijgen toegewezen ter bevordering van de kwaliteit van het MKB of om diensten daarvoor te verrichten. Daarnaast worden vanaf 1982 organen ten behoeve van het MKB gedecentraliseerd, waardoor zij naast de Kamer van Koophandel een regionale rol gaan spelen. Meer informatie over dit beleidsterrein is te vinden in PIVOT-rapport 149.
Het betreft voornamelijk de bevordering van infrastructurele voorzieningen. Dit BSD beschrijft de handelingen van de Minister van Economische Zaken inzake de voorbereiding van waterstaatswerken. De Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de zorg voor de uitvoering. Meer informatie betreffende het beleidsterrein Waterstaat is te vinden in PIVOT-rapport 28.
De raakvlakken met dit beleidsterrein betreffen met name bedrijfsterreinen en infrastructurele voorzieningen. In deze gevallen is het Ministerie van Economische Zaken onder meer via regionale kantoren een overlegpartner van andere overheden. Meer informatie over dit beleidsterrein is te vinden in PIVOT-rapport 120, Ruimtelijke ordening en geo-informatie.
De Minister van Economische Zaken houdt zich bezig met de uitvoering van milieuregels, met name op het gebied van bodemsanering en milieueffectrapportage. In PIVOT-rapport 94 is meer informatie te vinden over dit beleidsterrein.
Vanuit het ruimtelijk economisch beleid worden de bestedingen van het Aardgasbatenfonds (vanaf 1993 het Fonds voor Economische Structuurversterking) inhoudelijk aangestuurd. Daarnaast kan het beleid van de rijksbegroting worden beïnvloed door bepaalde Ministeriële garantiebeslissingen op het gebied van bijzondere regionale steunverlening. Een onderzoek betreffende dit beleid is beschreven in PIVOT-rapport 15, Per slot van rijksrekening.
De wet- en regelgeving die het gevolg is van het ruimtelijk economisch beleid wordt grotendeels bepaald door de projectgroep Marktwerking, Deregulering, Wetgevingskwaliteit (MDW). Deze projectgroep wordt voorgezeten door het Ministerie van Economische Zaken. Het Ministerie van Justitie levert hieraan een bijdrage. Handelingen met betrekking tot de totstandkoming van wetten vallen onder het beleidsterrein Wetgeving en worden beschreven in PIVOT-rapport 12, ‘So many laws argue so many sins’. Handelingen van beleidsambtenaren van het Ministerie van Economische Zaken komen aan bod in handeling 19 van het PIVOT-rapport 81, Macro-economische politiek.
Crisisbeheersing is een beleidsterrein waar vrijwel alle overheden mee te maken hebben. Binnen de Rijksoverheid loopt het door alle departementen heen. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) heeft een coördinerende rol, naast de Minister-president en het Ministerie van Algemene Zaken. Zo is door het Ministerie van BZK het Nationaal Coördinatiecentrum (NCC) opgericht. Op departementaal niveau bestaan er departementale versies hiervan. Verder zijn er lijnen vastgelegd tussen de departementen en de overheden op provinciaal en lokaal niveau.
Voor dit beleidsterrein is een algemeen RIO uitgebracht dat handelt over over brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing (Pivot-nummer 49). Dit rapport heeft echter alleen betrekking op de rol van de Minister van Binnenlandse Zaken. Per beleidsterrein komt de uitoefening van rijkstaken in buitengewone omstandigheden in RIO en BSD aan bod. In dit BSD betreft dit de paragraaf over de rol van economische commissarissen.
1.6 De actoren op het beleidsterrein, voor zover hun selectielijsten in het BSD zijn opgenomen
Van onderstaande actoren zijn handelingen in het BSD opgenomen:
1945–1947: Minister van Openbare Werken en Wederopbouw;
1947–1956: Minister Wederopbouw en Volkshuisvesting;
1956–1965: Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid;
1965–1982: Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO).;
1982– :Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM).
1.7 Wijzigingen ten opzichte van het RIO
Het Ministerie van VROM achtte de oorspronkelijke handelingen te gedetailleerd en daardoor weinig geschikt voor praktische toepassing. Met behoud van contextinformatie en waardering zijn daarom een aantal handelingen samengevoegd zoals het Ministerie van VROM deze als zorgdrager wil vaststellen. De oorspronkelijke handelingen vervallen; voor de nieuwe handelingen is doorgenummerd vanuit het RIO. Enkele kleine afwijkingen ten opzichte de van in het RIO voorgestelde waardering zijn: de Vergunninghandeling (nr. 57 + nr. 61) heeft de termijn van V 7 jaar gekregen. De handeling inzake het vaststellen van AMVB en nadere regelingen (nr. 58 + nr. 59) heeft een B waardering gekregen.
Omdat het Ministerie van VROM hiernaast eenzelfde handeling in het BSD Milieubeheer heeft staan, worden handeling 47 en de actor Minister belast met het Milieubeheer niet in het onderhavige BSD opgenomen.
Wat V&W betreft: de zogenaamde tegenhandeling van handeling 67 is al in het RIO Waterstaat opgenomen. Handeling 176 van V&W betreffende het overleg met de Kamers van Koophandel is in de organisatie uitgezet, waarna V&W concludeerde dat meeliften geen zin heeft. Beide handelingen vervallen.
Omdat niet alle Ministeries neerslag bleken te hebben van de vakMinistershandelingen, worden ze uitgesplitst in afzonderlijke selectielijsten voor de actoren die de handelingen wel verrichten. BZK en FIN, die een eigen lijst hebben, wilden ook meeliften met de vakMinistershandelingen. Hier is geen aparte lijst voor gemaakt: de handelingen zijn aan de bestaande lijsten toegevoegd. Het Ministerie van Justitie gaf aan alleen neerslag te hebben van handelingen 121 en 122.
Ook van de Werkgroep Hoge Land Provincie Groningen, die in het RIO als actor wordt genoemd, zijn in dit BSD geen handelingen opgenomen. Deze werkgroep kan niet worden getraceerd. Bij het Ministerie van Economische Zaken is er geen archiefmateriaal van gevonden.
In de praktijk gebeurt het vaak dat selecteurs de dossiers van een commissie niet kwijt kunnen, omdat er alleen specifieke handelingen per commissie zijn opgenomen en de betreffende commissie tijdens het opstellen van het BSD over het hoofd is gezien. De neerslag van dergelijke commissies is daarom ondergebracht onder een algemene handeling betreffende advisering (220) voor de actor adviescommissies.
De foutieve naam van de Ministeriële Contactcommissie Regionaal beleid is gecorrigeerd. Ook is de actor gesplitst in drie actoren, met de correcte benamingen, namelijk Ministeriële Contactcommissie Regionaal Economisch beleid (1974–1983), diens opvolger Ministeriële Commissie Regionaal beleid (MCRB) (1983–) en de Interdepartementale Commissie Regionaal beleid (ICRB). Bij elke actor zijn nieuwe handelingen geformuleerd, inclusief een overleghandeling, om de taken goed te dekken.
Aan dit BSD zijn ook handelingen toegevoegd die abusievelijk in het BSD betreffende kamers van koophandel (Stcrt. 2006, 71) zijn opgenomen onder de actor economische commissarissen. Na vaststelling van het BSD van de Kamers van Koophandel is gebleken dat de ‘actor’ economische comissarissen al zijn wettelijke taken en bevoegdheden (waarop de genoemde handelingen zijn gebaseerd), uitoefent als gemandateerde van de Minister van EZ. De Minister van EZ is als mandataris de zorgdrager voor de door economische commissarissen gevormde of te vormen archiefbescheiden, niet de kamers van koophandel. Deze conclusie wordt gedeeld door het Ministerie van EZ, het Nationaal Archief en de Erfgoedinspectie.
Omdat bij mandatering per definitie namens een overheidsorgaan wordt gehandeld, behoudt de Minister van EZ zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid. De handelingen van de economische commissarissen worden dus uitgevoerd namens, oftewel onder verantwoordelijkheid van de Minister van EZ: deze is dus de formele actor.
De handelingen uit het BSD van de KvK (124 t/m 143) zijn overgenomen en omgenummerd (224 t/m 243).
Handeling 66 is aan de lijsten van de Ministeries van Binnenlandse Zaken, Defensie en Justitie toegevoegd: gezien de rol van deze actoren is de kans groot dat zij de Minister ook adviseren over regionaal economisch beleid of dat zij dit in de toekomst zullen doen.
Omdat een handeling over de deelname aan het bestuur van de ROM’s ontbrak, is handeling 244 aan de lijst van het Ministerie van Economische Zaken toegevoegd.
Tot slot zijn er een aantal algemene handelingen betreffende overleg opgenomen (216, 217, 218, 219).
2. Selectiedoelstelling
Het BSD is opgesteld in overeenstemming met de selectiedoelstelling van de RAD/PIVOT. Tijdens de behandeling van de ontwerp-Archiefwet 1995 in de Tweede Kamer verwoordde de Minister van WVC op 13 april 1994 deze doelstelling als volgt: het mogelijk maken van een reconstructie van de hoofdlijnen van het handelen van de overheid. Door het Convent van Rijksarchivarissen is de selectiedoelstelling vertaald als ‘het selecteren van handelingen van de overheid om bronnen voor de kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig te stellen voor blijvende bewaring’. Met het te bewaren materiaal moet het niet alleen mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.
3. Selectiecriteria
Uitgaande van de algemene selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1998 een (gewijzigde) lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Met behulp van die algemene criteria wordt in een BSD een waardering toegekend aan de handelingen die door middel van het institutioneel onderzoek in kaart zijn gebracht.
De algemene selectiecriteria van PIVOT zijn positief geformuleerd; het zijn bewaarcriteria. Is een handeling op grond van een criterium gewaardeerd met B (‘blijvend te bewaren’), dan betekent dit dat de administratieve neerslag van die handeling te zijner tijd geheel dient te worden overgebracht naar het Nationaal Archief onder verwijzing naar het nummer van het aangehaalde criterium. De neerslag van een handeling die niet aan één van de selectiecriteria voldoet, wordt op termijn vernietigd. De waardering van de desbetreffende handeling luidt dan V (vernietigen), onder vermelding van de periode waarna de vernietiging dient plaats te vinden. De neerslag die uit dergelijke handelingen voortvloeit, wordt dus niet noodzakelijk geacht voor een reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen en er worden met vernietiging geen langdurige of blijvende rechtszekerheden aangetast waarvoor althans het bureau de verantwoording draagt. Ingeval van ‘vernietigen’ blijft het orgaan dus verantwoordelijk voor de bestemming en de zorg voor de betreffende documentaire neerslag en de rechtsgevolgen die daaruit kunnen voortvloeien. Ter wille van de rechtszekerheid heeft de wetgever daarom bepaald dat in de selectielijst bewaartermijnen moeten worden vastgesteld voor stukken die uiteindelijk niet voor permanente bewaring in aanmerking komen. Mede om die reden worden selectielijsten, alvorens zij worden vastgesteld, publiek ter inzage gelegd.
Overigens verlangt art. 5, onder e van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 276) dat selectielijsten de mogelijkheid bieden om neerslag die met een V is gewaardeerd in exceptionele gevallen te bewaren op grond van een uitzonderingscriterium. PIVOT heeft daarom het volgende uitzonderingscriterium geformuleerd: ‘Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd’.
Om de selectiedoelstelling te bereiken worden de handelingen in het BSD gewaardeerd aan de hand van de algemene selectiecriteria, zoals deze op de volgende pagina staan vermeld.
Algemene selectieriteria
Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijn
Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.
Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieronder valt ook het toetsen van en het toezien op beleid. Hieruit worden niet perse consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.
Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren
Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.
Handelingen die betrekking hebben op(her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.
Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt
Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.
Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten
Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de Ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.
Naast de algemene criteria kunnen er in een BSD, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstelling, beleidsterrein-specifieke criteria worden geformuleerd. Daar de noodzaak hiertoe niet aanwezig werd geacht, is in dit BSD de mogelijkheid om specifieke selectiecriteria te formuleren niet benut.
Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.
4. Verslag van de vaststellingsprocedure
Op 5 februari 2006 is het ontwerp-BSD door de Minister van Economische Zaken, de Minister van Defensie, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Justitie, de Minister van Financiën, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de Minister van OCW aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 februari 2007 lag de selectielijst gedurende zes weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van de studiezaal en op de website van het Nationaal Archief evenals op de website van het Ministerie van OCW, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.
Op 29 maart 2007 bracht de RvC advies uit arc-2007.03635/4, hetwelk behoudens enkele tekstuele correcties geen aanleiding heeft gegeven tot wijziging van de ontwerp-selectielijst.
In het kader van de terinzagelegging heeft het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis (ING) bezwaren ten aanzien van de selectielijst kenbaar gemaakt. De zienswijze van het ING heeft aanleiding gegeven tot het opnieuw uitvoeren van een historisch maatschappelijke analyse. De bevindingen van deze analyse leidden tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:
Het Nationaal Archief heeft de RvC en het ING over deze veranderingen geïnformeerd.
Daarop werd het BSD op 21 augustus 2007 door de algemene rijksarchivaris, namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en door de projectdirecteur van het PWAA namens de Minister van Economische Zaken (C/S&A/07/1891), de Minister van Defensie (C/S&A/07/1892), de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (C/S&A/07/1894), de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (C/S&A/07/1893), de Minister van Justitie (C/S&A/07/1896), de Minister van Financiën (C/S&A/07/1895), de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (C/S&A/07/1898) en de Minister van Verkeer en Waterstaat (C/S&A/07/1899), en de directeur Informatiebeleid & Facilitaire Zaken van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (C/S&A/07/1897) vastgesteld.
5. Leeswijzer van de handelingen
De handelingen worden beschreven in handelingenblokken. Daarin worden de volgende items beschreven:
Handelingnr.
Dit is het unieke volgnummer van de handeling. Dit nummer is overgenomen uit het RIO.
Handeling
Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces.
Periode
Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht. Wanneer er geen eindjaar staat vermeld wordt de handeling nog steeds uitgevoerd.
Grondslag
Dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht.
Vermeld worden:
Een paar voorbeelden:
Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de bron worden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.
Product
Hier staat het product vermeld waarin de handeling resulteert of zou moeten resulteren. Opsommingen geven een indicatie van de producten en zijn niet altijd uitputtend. Vaak wordt volstaan met een algemeen omschreven eindproduct.
Opmerking
Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer de strekking van de handeling toelichting behoeft.
Waardering
Waardering van de handeling als B (bewaren) of V (vernietigen).
Indien vernietigen, dan vermelding van de vernietigingstermijn.
Indien bewaren, dan vermelding van het gehanteerde selectiecriterium.
Eventueel een nadere toelichting op de waardering.
6. Actoren op het beleidsterrein
Een actor is een overheidsorgaan, een particuliere instelling of een persoon die een rol speelt op een beleidsterrein. Een uitgangspunt van PIVOT ten aanzien van een institutioneel onderzoek is dat dit zich niet beperkt tot een beschrijving van het handelen van een afzonderlijke instelling, maar dat de beschrijving zich uitstrekt over het handelen van de verschillende actoren van de rijksoverheid die op een bepaald beleidsterrein een rol spelen. Dit betekent dus dat niet alleen de actoren die onder de Minister van Economische Zaken vallen worden meegenomen in dit onderzoek, maar ook die actoren die daarbuiten vallen en wel tot de rijksoverheid behoren.
Op het beleidsterrein regionaal en ruimtelijk economisch beleid zijn verschillende actoren actief. Bij de actor de Minister van Economische Zaken zijn voor de overzichtelijkheid tussen de handelingenblokken kopjes geplaatst die overeenkomen met de titels van de hoofdstukken uit het Rapport Institutioneel Onderzoek. Onderstaande is een samenvatting van het overzicht van de actoren uit hoofdstuk 3 van het Rapport Institutioneel Onderzoek. Alleen de actoren wier handelingen in dit BSD zijn opgenomen, worden hieronder vermeld.
Primaire zorgdrager
In 1973, bij het ontstaan van het Directoraat-generaal voor de Prijzen, Ordeningenvraagstukken en Regionaal Beleid, krijgt het Regionaal Economisch Beleid voor het eerst een eigen benaming. De verantwoordelijke directie houdt zich op dit moment bezig met de volgende onderwerpen, waarvoor in de meeste gevallen projecten zijn opgestart:
Daarnaast heeft het Ministerie van economische Zaken een netwerk van regiokantoren. Deze kantoren dragen het EZ-beleid uit in de regio en hebben de zorg voor evenwichtige coördinatie en integratie in de provinciale en gemeentelijke beleids- en planvorming. Tevens houden ze zich bezig met het terugkoppelen van regionale ontwikkelingen naar de beleidsvorming van de directie.
In crisistijd mandateert de Minister van EZ bepaalde bevoegdheden regionaal aan een economisch commissaris. Deze functionaris is per regio de secretaris van de desbetreffende KvK. De economisch commissaris heeft geen eigen bevoegdheden, maar oefent die uit namens de Minister van EZ. Daarom ook zijn de economische commissarissen zelf geen actor. Wanneer regionale ontwikkelingen worden opgemerkt die tot een crisis zouden kunnen leiden, neemt de economisch commissaris contact op met het Ministerie van Economische Zaken. Verder neemt hij deel aan het overleg met provinciale autoriteiten over crisisbeheersingsmaatregelen.4Ministerie van Economische Zaken, Handboek crisisbeheersing EZ (Den Haag 1999) p. 29. Wanneer een provinciaal of regionaal Crisiscentrum wordt geactiveerd, maakt de economisch commissaris hier vanaf het begin deel van uit, ook al wordt de economische veiligheid niet bedreigd. Wanneer er echter sprake is van een afgesloten gebied en er geen contact kan plaats hebben tussen de Minister van Economische Zaken en een bepaalde regio, gaan automatisch alle bevoegdheden van de Minister van Economische Zaken uit de bovenstaande wetten over op de economisch commissaris.
In 1996 werd de Stimuleringsregeling Ruimte voor Economische Activiteit in het leven geroepen (Stb.1996, 161). STiREA was aangekondigd in de nota ‘Ruimte voor Regio’s’ en is onderdeel van het beleid dat is gericht op het tijdig reserveren van voldoende bedrijventerreinen op de juiste plaats. De regeling heeft tot doel gemeenten te stimuleren om bedrijventerreinen aan te leggen of te vernieuwen. Na advies van de provincies en de Adviescommissie STiREA, kent de Staatssecretaris van Economische Zaken de subsidies toe.
De Begeleidingscommissie werd ingesteld na de aanvaarding van de PNL in 1978. Het was een overleg- en uitvoeringsorgaan van de provincie Limburg en het rijk ter besteding van in het kader van de PNL-gereserveerde gelden. Zij werd voorgezeten door een ambtenaar van het Ministerie van Economische Zaken, dat ook het secretariaat beheerde. De commissie stelde om de vijf jaar de planning bij die in de PNL werd voorzien. In haar jaarverslag deed zij aanbevelingen tot wijziging van de plannen. Daarnaast begeleidde zij de aanvragen van uit te voeren projecten met adviezen aan de Ministeriële (Contact)Commissie Regionaal Beleid. De commissie hield op 17 december 1990 op te bestaan.
De commissie, ingesteld in 1974, was het overlegorgaan tussen het rijk en de provincie Limburg ter voorbereiding van de Perspectievennota Zuid-Limburg. Zij had de bevoegdheid werkgroepen in te stellen, die, door middel van onderzoek, oplossingen probeerden te vinden voor vraagstukken die waren ontstaan na de mijnsluitingen in deze regio. Bij de vaststelling van de nota in 1978 werd ze na het voltooien van haar taak opgeheven.
Dit is een door de Minister van Economische Zaken ingesteld onderzoeks- en adviesorgaan met als hoofdtaak het bevorderen van de industrialisatie van Nederland. Binnen deze commissie wordt werk verricht door een Monitoringscommissie Regionaal Subsidiebeleid, die werkzaam was in de periode 1950–1958. Het regionaal economisch beleid viel rond 1950 onder het Directoraat-generaal voor Industrialisatie. Vanaf 1958 werd het regionaal beleid volledig los gezien van het industrialisatiebeleid.
De taak van de commissie is het bewerkstelligen van besluiten op grond van aanvragen van projecten in het kader van het Integraal Structuurplan voor het Noorden des Lands en de Perspectievennota Zuid-Limburg. Meestal is voor een dergelijk besluit het fiat van verschillende departementen nodig. De Ministeriële contactcommissie wordt voorgezeten door de Minister van Economische Zaken. De commissie heeft uiteindelijk arbitraire beslissingsbevoegdheid voor het geval dat de afzonderlijke departementen niet in staat zijn om een consensus te bereiken.
In 1983 werd de commissie vervangen door een onderraad van de Ministerraad. De nieuwe commissie, de Ministeriële Commissie voor Regionaal Beleid (MCRB), wordt voorgezeten door de Minister-President. Zij bereidt de beraadslagingen voor van de Ministerraad.
Het tegelijkertijd ingestelde ambtelijk voorportaal van dit orgaan is de Interdepartementale Commissie voor Regionaal Beleid (ICRB), dat wordt voorgezeten door een ambtenaar van het Ministerie van Economische Zaken. De ICRB is ingesteld bij beschikking (nr. 638/840) van 23 juni 1983 van de Minister van Economische Zaken. Deze interdepartementale commissie is het ambtelijk voorportaal van de (ad hoc) Ministeriële Commissie voor het Regionaal Beleid (MCRB). De ICRB heeft als taken de voorbereiding van de besluitvorming in de Ministerraad inzake het Regionaal Beleid en het adviseren van de Minister van Economische Zaken op het terrein van het sociaal-economische problematiek van de grote steden.
Het FES is een beheersfonds dat is gevormd uit de aardgasbaten en wordt ook wel het Aardgasbatenfonds genoemd. Het kreeg een wettelijke status als afzonderlijk begrotingsfonds overeenkomstig art. 2 van de Comptabiliteitswet 1995. De Ministers van Economische Zaken en van Financiën beheren de begroting van het fonds.
Deze commissie werd in 1993 ingesteld na de vorming van het Fonds Economische Structuurversterking. Door middel van openbare adviezen geeft ze aan welke investeringen nodig zijn voor een economische structuurversterking, in het bijzonder op het gebied van verkeer en vervoer, vitaliteit van de steden, ruimtelijk economisch beleid, milieu en kennis. De ICES werkt samen met particuliere instellingen zoals bijvoorbeeld het Nederlands Economisch Instituut en het CBS.
Deze commissie wordt voorgezeten door het Ministerie van Economische Zaken en heeft vaste leden uit de Ministeries belast met:
De commissie is betrokken bij de voorbereiding en opstelling van het eerste Integraal Structuurplan voor het Noorden des Lands. Samen met de Bestuurscommissie Noorden des lands stelt zij de periodieke beleidsvoornemens in het kader van het ISP op. Daarnaast bereidt zij de afstemming voor tussen de coördinerende Ministers die budgettair belast zijn met de uitvoering c.q. financiering van beleidsonderdelen. Voor de uiteindelijke opstelling van het ISP is de Minister van Economische Zaken eindverantwoordelijk.
De Structuurcommissie werd ingesteld op 12 juli 1968 door de staatssecretaris van Economische Zaken. De commissie had de volgende taken:
De Stuurgroep ISP is een commissie op ambtelijk niveau, waarvan de voorzitter en secretaris worden geleverd door het Ministerie van Economische Zaken. Ambtenaren van verschillende afdelingen van het Ministerie hebben er zitting in, evenals het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Centraal Planbureau. Naast afgevaardigden van andere departementen zitten ook vertegenwoordigers in van belangenorganisaties en publiekrechtelijke organisaties (zoals bijvoorbeeld de Kamers van Koophandel). De stuurgroep doet en organiseert het onderzoek naar vraagstukken die leiden tot de voorbereiding, herziening en bijstelling van de ISP-planning en de daartoe te formuleren beleidsvoornemens.
De coördinatiecommissie ISP coördineert de voortgang en verdere ontwikkeling van het Integraal Structuurplan voor het Noorden des Lands.
Secundaire zorgdragers
Vanaf 1945 zijn de volgende Ministers belast geweest met dit beleidsterrein:
1945–1947: Minister van Openbare Werken en Wederopbouw;
1947–1956: Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting;
1956–1965: Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid;
1965–1982: Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO).;
1982–: Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM).
De Minister belast met Ruimtelijke Ordening heeft de zorg voor de ruimtelijke ordening in Nederland. Bij de besluitvorming inzake, bij wet voorgeschreven, nationale plannen op het gebied van ruimtelijke ordening zijn de Ministerraad en de Staten-Generaal betrokken. Bij de opstelling van periodieke nota’s met betrekking tot ruimtelijke ordening en daaraan verbonden planologische kernbeslissingen is de Minister van Economische Zaken betrokken. Hij kan aangeven in hoeverre een economisch belang zodanig van nationale betekenis is dat zij als nationaal belang kan worden aangemerkt.
In het kader van de SIR-heffing stelt de Minister van Financiën voorschriften vast met betrekking tot de aangifte van de verschuldigde heffing aan de Inspecteur van de Vennootschapsbelasting. Hiernaast toetst de Minister, samen met de Minister van Economische Zaken en de Interdepartementale Commissie voor Economische Structuurversterking, de aanvragen van Ministeries voor middelen voor projecten op hun begrotingspost uit het Fonds Economische Structuurversterking.
De Minister van BZK is belast met het Grotestedenbeleid, een beleidsterrein dat nauw verbonden is met het regionaal economisch beleid. De Minister keert onder andere subsidies uit aan de grote steden voor ruimtelijke economische projecten en aan Gedeputeerde Staten in het kader van het co-financieren van EFRO-projecten. Ook stelt de Minister commissies in voor sociaal-economisch onderzoek naar regiospecifieke problemen.
Minister van Defensie
Minister van Justitie
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit
Minister van Verkeer en Waterstaat
Bedoeld zijn de Ministers die betrokken zijn bij de uitvoering van regionale beleids- en structuurplannen ter stimulering van de economie. Voorzover zij betrokken zijn bij regionale beleidsbeslissingen als structuurplannen, streekplannen, tracébesluiten, milieuvergunningen en dergelijke handelen zij vanuit het perspectief van andere beleidsterreinen. Het gaat om de Ministeries van Defensie, Justitie, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Verkeer en Waterstaat, en Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit. De Ministeries van Binnenlandse Zaken en Financiën verrichten dezelfde handelingen; deze handelingen zijn opgenomen in de selectielijsten van deze Ministeries.
7. Selectielijsten
Deze lijst is opgesteld aan de hand van het rapport institutioneel onderzoek (RIO) Regionaal en Ruimtelijk Economisch Beleid, Een institutioneel onderzoek naar het handelen van de overheid op het beleidsterrein regionaal en ruimtelijk economisch beleid, 1945–2002 (PIVOT-rapport 150, door dr. J.A.A. Bervoets en I.J. van Riet). Het Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) beschrijft alle handelingen van overheidsorganen op het beleidsterrein regionaal en ruimtelijk economisch beleid vanaf 1945.
De selectielijst begint met een beschrijving van alle handelingen op het beleidsterrein die worden toegeschreven aan de actor Minister van Economische Zaken. Daarna volgt een opsomming van de handelingen op het beleidsterrein die toebehoren aan de overige betrokken actoren. Deze actoren zijn gerangschikt op alfabetische volgorde zoals ook is beschreven in Hoofdstuk 2.6.
NB: Waar bij een handeling geen grondslag/bron wordt vermeld, is de handeling is ontleend aan de literatuur vermeld in de literatuurlijst van het RIO. Indien bij een dergelijke handeling een of meer producten staan genoemd, is deze literatuur ook als vindplaats van de desbetreffende handeling aan te merken.
A Selectielijst voor de Minister van Economische Zaken
7.1 Actor: de Minister van Economische Zaken
7.1.1 Algemene handelingen
7.1.1.1 Beleidsontwikkeling en evaluatie (nationaal)
Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van het regionaal economisch beleid.
Periode: 1945–
Product: Beleidsnota’s, beleidsnotities, rapporten, adviezen, evaluaties, etc. Nota inzake de ontwikkelingsgebieden, 1950, Nota inzake het te voeren industriespreidingsbeleid 1965–1968, Nota selectieve groei, (HdTK 1975/76 13 955), Nota Regionaal Sociaal-Economisch Beleid 1981-1985 Nota Regionaal Sociaal-Economisch Beleid 1986–1990, Nota Herijking Regionaal Economisch Beleid 1987, Regio’s zonder grenzen, het ruimtelijk economisch beleid voor de periode 1991–1994, Perspectievennota Limburg Nota Ruimte voor Regio’s, het ruimtelijk economisch beleid tot 2000, 1994/95, Dynamiek in Netwerken, Nota Ruimtelijk Economisch Beleid 2000–2005, 1999.
Opmerking: Naast afzonderlijke nota’s levert de Minister ook bijdragen op het gebied van regionaal beleid in industrialisatienota’s, in ieder geval vanaf 1958. Ook worden beleidsplannen in de rijksbegroting verdisconteerd. Onder deze handeling valt ook: Het voeren van overleg met de andere betrokken actoren op het beleidsterrein regionaal economisch beleid; Het voorbereiden van een standpunt ter inbrenging in de Ministerraadvergaderingen voor beraad en besluitvorming betreffende het beleidsterrein regionaal economisch beleid;
Het voeren van overleg met/het leveren van bijdragen aan het overleg met het Staatshoofd betreffende het beleidsterrein regionaal economisch beleid;
Het voorbereiden van de Memorie van toelichting op de Rijksbegroting betreffende het beleidsterrein; (zie ook handelingen 5, 177 en 183 van het BSD ‘Per slot van Rijksrekening’); Het toetsen van de uitvoering van het beleid (evaluatie).; Het leveren van commentaar op de recht- en doelmatigheidscontroles van de Algemene Rekenkamer op het beleidsterrein; (zie ook ‘Per Slot van Rijksrekening’, handeling 295, 357 en 374); Het aan externe adviescommissies verzoeken om advies betreffende het beleidsterrein regionaal economisch beleid; Het informeren van het Kabinet van de Koningin over ontwikkelingen op het beleidsterrein regionaal economisch beleid; Het voorbereiden en vaststellen van het voorlichtingsbeleid (als beleidsinstrument).
Waardering: B 1
Handeling: Het mede voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen inzake het regionaal economisch beleid en het inbrengen van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties
Periode: 1945–
Product: Internationale regelingen, nota’s, notities en rapporten
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving ten aanzien van het ruimtelijk of regionaal economisch beleid.
Periode: 1945–
Product: Wetten, algemene maatregelen van bestuur, koninklijke besluiten, circulaires
Waardering: B 1
7.1.1.2 Verantwoording van beleid
Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen over het beleidsterrein regionaal economisch beleid.
Periode: 1945–
Product: Jaarverslagen, kwartaalverslagen, maandverslagen
Waardering: B 3
Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten-Generaal betreffende het regionaal economisch beleid.
Periode: 1945–
Grondslag: Grondwet
Product: Brieven, notities
Waardering: B 2
Handeling: Het informeren van de Commissie voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamer der Staten-Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het regionaal economisch beleid.
Periode: 1945–
Product: Brieven, notities
Waardering: B 2
Handeling: Het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende het regionaal economisch beleid en het voeren van verweer in beroepschriftprocedures voor administratief rechterlijke organen
Periode: 1945–
Product: Beschikkingen, verweerschriften
Waardering: V 5 jaar na beroepsprocedure
7.1.1.3 Informatieverstrekking
Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen betreffende regionaal economisch beleid.
Periode: 1945–
Product: Brieven, notities
Waardering: V 5 jaar
Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het beleidsterrein regionaal economisch beleid.
Periode: 1945–
Product: Voorlichtingsmateriaal
Waardering: B 5 één exemplaar van het eindproduct
V 5 jaar overige neerslag
Handeling: Het verrichten van werkbezoeken aan regio’s.
Periode: 1945–
Product: o.a. draaiboeken
Waardering: V 5 jaar
Handeling: Het leveren van bijdragen aan de inhoudelijke opzet van werkbezoeken van leden van het koninklijk huis aan regio’s.
Periode: 1945–
Product: o.a. draaiboeken
Waardering: V 5 jaar
7.1.1.4 Onderzoek
Handeling: Het (laten) uitvoeren en vaststellen van (wetenschappelijk) onderzoek inzake regionaal economisch beleid.
Periode: 1945–
Product: Opdrachtformuleringen, offertes, brieven, notities, notulen, (studie)rapporten, eindrapporten
Opmerking: Recente voorbeelden zijn: Ruimte voor Economische activiteiten, 1994
Ruimte voor economische dynamiek, 1997, Deze rapporten vormen voorstukken voor de nota’s Regionaal Economisch Beleid. Aangetekend moet echter worden dat er al in overlegverband studies werden verricht in 1950 voor de regio Maas-Waal en Zeeland.
Waardering: B 5
Handeling: Het verzamelen en bewerken van gegevens ten behoeve van (wetenschappelijk) onderzoek naar het regionaal economisch beleid.
Periode: 1945–
Product: Notities, brieven, etc.
Waardering: V 10 jaar na afronden onderzoek
Handeling: Het leveren van bijdragen aan interdepartementale nota’s die (mede) betrekking hebben op het ruimtelijk of regionaal economisch beleid.
Periode: 1985–
Product: Recente voorbeelden zijn: Nota milieu en economie; Structuurschema Groene Ruimte (SGR); Nota Vitaal Platteland; Onderzoeksprogramma Economische Effecten Infrastructuur (OEEI).
Waardering: B 1
Handeling: Het (doen) adviseren van provinciale instellingen op het gebied van regionale beleidsproblemen.
Periode: 1945–
Product: advies
Opmerking: Het betreft hier werkzaamheden van onderzoekscommissies waarin de regering participeert: Hoofdcommissie voor de Industrialisatie, vaste commissie voor regionale vraagstukken; Adviescommissie voor de Noordelijke Marktsector (commissie Goudswaard), rapport ‘Het noorden aan zet’; Commissie Bosman.
Waardering: B 1
7.1.1.5 Overleg
Handeling: Het voorbereiden van, danwel het leveren van een bijdrage aan, de besluitvorming in (interdepartementale) coördinatiecommissies en (ad hoc) (interdepartementale) overlegstructuren waarvan de Minister van Economische Zaken het secretariaat voert
Periode: 1945–
Product: Adviezen, instructies, verslagen
Opmerking: ten aanzien van deze handeling geldt dat de Minister van Economische Zaken het secretariaat voert.
Waardering: B5
Handeling: Het voorbereiden van, danwel het leveren van een bijdrage aan, de besluitvorming in (interdepartementale) coördinatiecommissies en (ad hoc) (interdepartementale) overlegstructuren, waarbij een ander departement het secretariaat voert.
Periode: 1945–
Product: Adviezen, instructies, verslagen
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het voorbereiden van, danwel het leveren van een bijdrage aan, de besluitvorming in interne overlegstructuren en het opstellen van een verslag van het overleg met betrekking tot regionaal economisch beleid
Periode: 1945–
Product: verslagen, notulen, instructie
Opmerking: Het gaat om zowel structureel (afdelingsoverleg, SGDG-beraad, DG-beraad) als ad hoc overleg.
Bron: interviews (en dossiers van deze overleggen)
Waardering: Verslagen SGDG-beraad, DG-beraad: B1
Overig: V 10
Handeling: Het consulteren van maatschappelijke vertegenwoordigingen en/of het bedrijfsleven ten aanzien van onderwerpen op het gebied van regionaal economisch beleid
Periode: 1945–
Product: verslagen
Opmerking: Met deze handeling wordt niet gedoeld op alledaagse vormen van overleg.
Bron: Interviews
Waardering: B 1
7.1.2 Europese handelingen
7.1.2.1 Algemeen
Handeling: Het detacheren/benoemen van ambtenaren bij de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging bij de EG.
Periode: 1958–
Product: Besluit
Waardering: V 5 jaar na aflopen benoemingstermijn
7.1.2.2 Raadsbesluiten
Handeling: Het voorbereiden van bijdragen aan werkgroepen van de Europese Commissie inzake het regionaal economisch beleid.
Periode: 1958–
Product: instructies, verslagen
Opmerking: Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen over de geleverde inbreng in de werkgroepen.
Waardering: B 1
Handeling: Het opstellen van concept-informatiefiches over voorstellen, mededelingen en Groenboeken van de Europese Commissie op het gebied van het regionaal economisch beleid.
Periode: 1958–
Product: Concept-fiches
Opmerking: De interdepartementale WBCN stelt de informatiefiches vast. De handeling hiervoor is opgenomen in het PIVOT-rapport ‘Gedane Buitenlandse Zaken’ (rapportnr. 103).
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van Raadswerkgroepen met betrekking tot het regionaal economisch beleid.
Periode: 1958–
Product: Instructies, agenda’s, verslagen
Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven; De handeling leidt in het eerstverantwoordelijke Ministerie met name tot instructies; bij de overige betrokken Ministeries tot departementale standpunten; Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van Raadswerkgroepen.
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van ad hoc groepen Raden/Attachés met betrekking tot het regionaal economisch beleid.
Periode: 1958–
Product: Instructies, agenda’s, verslagen
Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven; De handeling leidt in het eerstverantwoordelijke Ministerie met name tot instructies; bij de overige betrokken Ministeries tot departementale standpunten; Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van Raden/Attachés.
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van het Coreper met betrekking tot het regionaal economisch beleid.
Periode: 1958–
Product: Instructies, achtergrondnotities van PV-medewerkers
Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven; De instructies voor de Nederlandse vertegenwoordiger in het Coreper (de PV) worden vastgesteld in interdepartementaal overleg onder leiding van Buitenlandse Zaken; De handeling leidt bij het eerstverantwoordelijke Ministerie met name tot concept-instructies; bij de overige betrokken Ministeries tot departementale standpunten;
Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van de vergaderingen van het Coreper.
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van ad hoc High Level groepen met betrekking tot het regionaal economisch beleid.
Periode: 1958–
Product: Instructies, agenda’s, verslagen
Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven; De handeling leidt in het eerstverantwoordelijke Ministerie met name tot instructies; bij de overige betrokken Ministeries tot departementale standpunten. Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van High Level groepen.
Waardering: B 1
Handeling: Het opstellen van departementale standpunten inzake agendapunten van Raadsvergaderingen met betrekking tot het regionaal economisch beleid.
Periode: 1958–
Product:
Opmerking: Nationale standpunten en onderhandelingsposities inzake agendapunten van Raadsvergaderingen komen tot stand in de Coördinatiecommissie voor Europese Integratie- en Associatieproblemen (CoCo); Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van Raadsvergaderingen.
Waardering: B 1
Handeling: Het opstellen van departementale standpunten inzake algemene en op langere termijn spelende zaken van EU-belang inzake het regionaal economisch beleid.
Periode: 1958–
Product: o.a. nota’s
Opmerking: Overleg hierover in de Coördinatiecommissie op Hoog Ambtelijk Niveau (CoCoHan) leidt tot algemene rapporten aan de betrokken Ministers.
Waardering: B 1
7.1.2.3 Uitvoeringsbepalingen van de Europese Commissie
Handeling: Het voordragen van personen voor benoeming in een raadgevend comité, beheerscomité of reglementeringscomité.
Periode: 1958–
Product: Voordrachten
Opmerking: De Raad benoemt de leden van de comités.
Waardering: V 5 jaar na aflopen benoemingstermijn
Handeling: Het opstellen en wijzigen van standpunten inzake door de Europese Commissie voorgestelde uitvoeringsbepalingen met betrekking tot het regionaal economisch beleid, die besproken worden in een raadgevend comité, een beheerscomité of een reglementeringscomité.
Periode: 1958–
Product: Instructies, agenda’s, verslagen
Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg gevoerd worden met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven; Wanneer meerdere departementen betrokken zijn, leidt het eerstverantwoordelijke Ministerie het coördinatie-overleg; Onder deze handeling valt ook het opstellen van instructies voor de Nederlandse vertegenwoordigers in de comités; Onder deze handeling valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van deze comités.
Waardering: B 1
7.1.2.4 Implementatie van Europese regelgeving
Handeling: Het opstellen van een plan ter implementatie van een door de Raad vast te stellen besluit.
Periode: 1993–
Grondslag: Aanwijzingen voor regelgeving (Stcrt. 1992, 230)
Product: Implementatieplan
Opmerking: Het betreft hier plannen ter implementatie van richtlijnen en verordeningen die onderworpen zijn aan de samenwerkingsprocedure of de medebeslissingsprocedure (co-decisie) van Raad en Europees Parlement. Het gemeenschappelijke standpunt heeft vastgesteld, voorgelegd worden aan de Werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen.
Waardering: B 5
Handeling: Het voordragen aan de Europese Commissie van deskundigen belast met de controle op de naleving van de bepalingen van communautaire besluiten betreffende het regionaal economisch beleid.
Periode: 1958–
Grondslag: Richtlijnen
Product: Besluit
Waardering: V 5 jaar na aflopen benoemingstermijn
7.1.3 Beleidsvoorbereiding
7.1.3.1 Ruimtelijke ordening en/of milieubeheer
Handeling: Het leveren van bijdragen aan interdepartementale adviescommissies inzake ruimtelijke ordening en milieubeheer.
Periode: 1965–
Grondslag: Wetten Ruimtelijke Ordening (Stb. 1964, 222) (Stb. 1985, 626); Wet Algemene Bepalingen Milieubeheer (Stb. 1989); Wet Milieubeheer (Stb. 1992, 414); Tracéwet (Stb. 1993, 582)
Product: Tracébesluiten, planologische kernbeslissingen, adviezen bij Milieueffectrapporten
Opmerking: Voorbeelden zijn de Rijks Planologische Commissie en de Commissies milieu-effectrapportage. Hierbij is het overleg met de bij deze commissies betrokken instanties zoals de vakMinisters inbegrepen.
Waardering: B 1
Handeling: Het leveren van bijdragen in het belang van het regionale economische beleid aan beleidsnota’s en -plannen op het gebied van ruimtelijke ordening en milieubeheer.
Periode: 1965–
Grondslag: Wetten Ruimtelijke Ordening (Stb. 1964, 222) (Stb. 1985, 626); Wet Milieubeheer (Stb. 1992, 414)
Product: Deelrapporten voor de Nota’s Ruimtelijke Ordening (Vierde Nota, VINEX, Vijno) en de Nationale milieubeleidsplannen
Opmerking: Het eindproduct wordt gepubliceerd door het Ministerie van VROM.
Waardering: B 5
Handeling: Het leveren van bijdragen in het belang van het regionaal-economische beleid bij de vaststelling van nadere regels voor de toekenning van Hinderwet- of milieuvergunningen.
Periode: 1952–
Grondslag: Hinderwet (Stb. 1952, 274) (Stb. 1985, 129 en 494); Wet Milieubeheer (Stb. 1992, 414)
Product: nota’s, notities
Opmerking: Milieuvergunningen worden verstrekt door de gemeente of de provincie, afhankelijk van normen die zijn vastgesteld in het Inrichtingen- en Vergunningenbesluit Milieubeheer. De Minister van VROM stelt (deels aan de hand van Europese regelgeving) kaders vast die als vergunningsvoorwaarden gelden. Het Ministerie van Economische Zaken voert in het belang van het regionaal economisch beleid overleg met het Ministerie over dit onderwerp, soms in projectgroepverband. Recent voorbeeld: een voorstel tot verhandelbare emissierechten.
Waardering: B 5
7.1.3.2 Infrastructurele voorzieningen
Handeling: Het leveren van bijdragen in het belang van het regionaal-economische beleid aan plannen op het gebied van Rijkswaterstaat.
Periode: 1952–
Grondslag: Tracéwet (Stb. 1993, 582)
Product: Deelrapporten voor het Nationaal Verkeer en Vervoersplan, het Rijkswegenplan en voorbereidingsstukken. Deelrapporten voor plannen op het gebied van spoorwegen, luchtverbindingen e.d.
Opmerking: Het hoofdrapport wordt ingediend door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. De Ministeries van EZ en VROM (in verband met ruimtelijke ordening en milieubeheer) leveren bijdragen in de voorbereiding van de uit te voeren werken, adviezen bij de (milieu)-effectrapportage e.d. (vgl. PIVOT-rapport nr. 28, Waterstaat, activiteit nr. 1 van de bijlage en de procedurebeschrijvingen in hoofdstuk 7.5.1., p. 256-261).
Waardering: B 1
7.1.3.3 Regionale voorzieningen
Handeling: Het instellen van regionale beleidsorganen.
Periode: 1993–
Bron: EZ-web 1999
Product: Instellingsbeschikking
Opmerking: Het betreft de instelling c.q. reorganisatie van de rijksconsulentschappen, die in 1997 zijn omgezet in regionale kantoren van het Ministerie.
Waardering: B 4
Handeling: Het mede instellen van regionale economische samenwerkingsverbanden met betrekking tot economische voorzieningen.
Periode: 1973–
Product: Instellingsbesluiten
Opmerking: Noordelijke Contactcommissie, Regio-convent Langman
Waardering: B 4
Handeling: Het vaststellen van overeenkomsten met regionale economische samenwerkingsverbanden met betrekking tot economische voorzieningen.
Periode: 1990–
Grondslag: Nota Ruimtelijk Economisch Beleid 1999
Product: Regionale Actieprogramma’s (REAP’s)
Opmerking: Een dergelijke afspraak is reeds gemaakt met de Zuidelijke Alliantie.
Waardering: B 5
Handeling: Het voeren van overleg met regionale actoren inzake de uitvoering van Regionale Actieprogramma’s.
Periode: 1945–
Grondslag: Regionaal Actieprogramma Zuidelijke Alliantie
Product: Projecten, instelling van projectorganen
Waardering: B 1
Handeling: Het participeren in projectgroepen voor bijzondere voorzieningen van landelijk belang op regionaal economisch terrein.
Periode: 1985–
Grondslag: Nota’s Regionaal Economisch Beleid, werkplannen van het Ministerie
Product: Nota Project Mainport Rotterdam (PMR); Nota Project Ontwikkeling Nationale Luchthaven (ONL).
Waardering: B 5
7.1.3.4 Bijzondere gebeurtenissen
Handeling: Het voeren van overleg met regionale actoren naar aanleiding van de onverwachte opheffing of staking van werkzaamheden van economisch belangrijke ondernemingen.
Periode: 1945–
Product: Agenda’s, verslagen, nota’s, rapporten (met de eventueel daarbij vast te stellen regelingen)
Waardering: B 5
Handeling: Het verrichten van verplichtingen op grond van getroffen steunmaatregelen naar aanleiding van de onverwachte opheffing of staking van werkzaamheden van economisch belangrijke ondernemingen.
Periode: 1945–
Product: Financiële verrekeningsbescheiden
Waardering: V 7 jaar na het vaststellen van de rekening
7.1.4 Uitvoeringsinstrumenten op ordeningsbeleid
(40.)
Handeling: Het bij AMvB van toepassing verklaren van de wet Selectieve Investeringsregeling op daarvoor in de wet aangegeven gebieden in de Veluwe.
Periode: 1975–1985
Grondslag: Wet SIR (Stb. 1974, 95) art. 2.2
Product: Besluit van 4 februari 1975 (Stb. 1975, 50), houdende toepassing van art. 2.2 van de Wet SIR
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het bij AMVB stellen van nadere regels met betrekking tot de uitvoering van de wet Selectieve Investeringsregeling.
Periode: 1974–1985
Grondslag: Wet SIR (Stb. 1974, 95) art. 32
Product: Algemene Maatregelen van Bestuur
Waardering: B 5
Handeling: Het jaarlijks informeren van de Staten-Generaal inzake de werking van de wet Selectieve Investeringsregeling.
Periode: 1974–1985
Grondslag: Wet SIR (Stb. 1974, 95) art. 34
Product: brieven, notities
Waardering: B 3
7.1.4.1 Heffingen wet SIR
Handeling: Het bij AMvB stellen van nadere regels ten aanzien van vrijstellingen of tarieven van heffingen bij de vestiging van industriebedrijven in een SIR-gebied.
Periode: 1974–1982
Grondslag: Wet SIR (Stb. 1974, 95) art. 3a en 5
Product: Besluiten ter aanwijzing van categorieën gebouwen, die van de SIR-heffing zijn vrijgesteld (Besluiten vrijstellingen SIR); Besluiten nadere regelingen selectieve investeringsheffing (Stb. 1975, 168); Besluit nadere regelingen selectieve investeringsheffing (Stb. 1976, 478);Besluit van 2 juni 1982 (Stb. 1982, 329m), houdende opschorting van de heffing.
Opmerking: Hierbij is inbegrepen het intrekken en herinvoering van de heffing.
Waardering: B 5
Handeling: Het bij AMvB vaststellen van tarieven van de SIR-heffing voor specifieke ondernemingen.
Periode: 1974–1982
Grondslag: Wet SIR (Stb. 1974, 95) art. 5.2 en 32
Product: Tarievenbesluit Selectieve Investeringsheffing (Stb. 1975, 167) (Stb. 1978, 346) (Stb. 1978, 559) (Stb.1980, 439)
Opmerking: Deze besluiten dienen bij wet te worden goedgekeurd. Zij zijn bedoeld voor bankgebouwen, verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen.
Waardering: V 7 jaar na vervallen
Handeling: Het bij Ministeriële regeling vaststellen van nadere regels inzake de inning van de SIR-heffing.
Periode: 1974–1985
Grondslag: Wet SIR (Stb. 1974, 95) art. 3a, 10, 13, 14 en 37
Product: Uitvoeringsbeschikking Selectieve Investeringsheffing (Stcrt. 1975, 186) (Stb. 1978, 144.7)
Opmerking: De Minister van Financiën stelt met name voorschriften vast met betrekking tot de aangifte van de verschuldigde heffing aan de Inspecteur van de Vennootschapsbelasting.
Waardering: V 7 jaar
7.1.4.2 Individuele vrijstellingen en ontheffingen
Handeling: Het op aanvraag vaststellen van een vrijstelling van heffingen inzake investeringen ter beperking van water- bodem of luchtverontreiniging dan wel geluid-, licht of trillingshinder.
Periode: 1974–1985
Grondslag: Wet SIR (Stb. 1974, 95) art. 3.4, Besluit nadere regelingen SIR 1975 (Stb. 1975, 168) art. 2.1
Product: Verklaringen aan de inspecteur van Vennootschapsbelastingen
Waardering: V 5 jaar na vervallen
Handeling: Het op aanvraag opstellen van een verklaring van geen bezwaar voor nadere investeringen door een bedrijf waaraan vrijstelling van heffingen inzake investeringen ter beperking van water- bodem of luchtverontreiniging dan wel geluid-, licht of trillingshinder is verleend.
Periode: 1974–1985
Grondslag: Wet SIR (Stb. 1974, 95) art. 3.4; Besluit nadere regelingen SIR 1975 (Stb. 1975, 168) art. 2.2
Product: Verklaring aan de aanvrager en aan de inspecteur van Vennootschapsbelastingen
Opmerking: Deze verklaring kan binnen drie jaar na de oplevering worden aangevraagd als de investering, die oorspronkelijk bedoeld was voor beperking van milieuhinder, na drie jaar voor doeleinden wordt gebruikt die niet tot die verklaring zouden kunnen leiden.
Waardering: V 5 jaar na vervallen verklaring
Handeling: Het bij Ministeriële regeling vrijstellen van saneringsgebieden, in daartoe aangewezen gemeenten in een SIR-gebied, van verschuldigde heffingen op de bouw- en andere investeringskosten.
Periode: 1974–1985
Grondslag: Wet SIR (Stb. 1974, 95) art. 3.5
Product: Beschikking in Staatscourant houdende aanwijzing van de desbetreffende gemeente, met circulaires. (Bijv. Stcrt 1979, 127)
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het verlenen van ontheffingen van verschuldigde heffingen op de bouw- en andere investeringskosten van bepaalde categorieën vestigingen in een SIR-gebied.
Periode: 1975–1985
Grondslag: Wet SIR (Stb. 1974, 95) art. 16.1; Aanwijzingsbesluit 1975 (Stb. 1975) art. 2
Product: Beschikking
Waardering: V 5 jaar na vervallen ontheffing
7.1.4.3 Vergunningen wet SIR
Handeling: Het bij AMvB verlenen van vrijstelling van vergunningplicht voor de vestiging van industriebedrijven in het SIR-gebied.
Periode: 1974–1985
Grondslag: Wet SIR (Stb. 1974, 95) art. 17.2
Product: Besluit vrijstellingen vergunningen en melding SIR (Stb. 1975, 8 en 487)
Opmerking: Deze besluiten zijn naderhand bij wet goedgekeurd.
Waardering: B 5
Handeling: Het bij AMvB stellen van regels voor de aanvraag van vergunningen aan industriebedrijven in het Rijnmondgebied.
Periode: 1974–1985
Grondslag: Wet SIR (Stb. 1974, 95) art. 17
Product: Besluit beoordeling vergunningsaanvragen SIR (Stb. 1974, 766); Besluit vergunningen SIR (Stb. 1975, 312).
Waardering: B 5
Handeling: Het bij Ministeriële regeling stellen van regels voor de aanvraag van vergunningen voor gebouwen en installaties in het Rijnmondgebied.
Periode: 1975–1985
Grondslag: Wet SIR (Stb. 1974, 95) art. 17 en 39
Product: Regeling in Staatscourant
Waardering: V 10 jaar na vervallen regeling
Handeling: Het verlenen van vergunningen voor investeringen aan, voor een bouwvergunning in aanmerking komende, industriebedrijven in het Rijnmondgebied.
Periode: 1975–1985
Grondslag: Wet SIR (Stb. 1974, 95) art. 17–22; Besluit beoordeling vergunningsaanvraag SIR 1975 (Stb. 1975, 289)
Product: Vergunningen
Opmerking: Het betreft investeringen die niet binnen de bevoegdheid van het Openbaar Lichaam Rijnmond vallen.
Waardering: V 7 jaar na vervallen vergunning
7.1.4.4 Meldingsplicht
Handeling: Het bij AMvB vaststellen van categorieën bedrijfsgebouwen en installaties die van aanmeldingsplicht zijn vrijgesteld.
Periode: 1974–1985
Grondslag: Wet SIR (Stb. 1974, 95) art. 27.2
Product: Algemene maatregelen van bestuur
Waardering: B 5
Handeling: Het vaststellen van nadere regels ten aanzien van de aanmeldingsplicht van bedrijfsgebouwen en installaties in het SIR-gebied.
Periode: 1974–1985
Grondslag: Wet SIR (Stb. 1974, 95) art. 27.4
Product: ‘Beschikking, houdende toepassing van art. 27…’ (Stcrt. 1975, 174)
Waardering: V 10 jaar na vervallen regels
Handeling: Het reageren op meldingen van bedrijfsgebouwen en installaties in SIR-gebieden buiten het Rijnmond-gebied.
Periode: 1975–1985
Grondslag: Wet SIR (Stb. 1974, 95) art. 27 en 29
Product: Advies inzake vestiging elders; verklaring van vergunningsplicht
Opmerking: Deze reactie dient binnen een maand na de aanmelding in het bezit te zijn van aanvrager. Tegen een Ministeriële beschikking kan beroep bij de Kroon worden ingesteld.
Waardering: V 5 jaar
Handeling: Het verlenen van vergunningen voor de oprichting van vergunningplichtig verklaarde bedrijfsgebouwen en installaties in SIR-gebieden buiten het Rijnmond-gebied.
Periode: 1975–1985
Grondslag: Wet SIR (Stb. 1974, 95) art. 27 en 29
Product: Vergunningen
Waardering: V 5 jaar na vervallen vergunning
7.1.5 Stimuleringsbeleid van achterstandgebieden
Handeling: Het vaststellen van regels met betrekking tot steun van daartoe aangewezen economische achterstandsgebieden.
Periode: 1945–
Product: Regels
Opmerking: Deze regels kunnen bestaan uit wettelijke regels als wel regels die voortkomen uit door het parlement aangenomen beleidsnota’s.
Waardering: B 5
7.1.5.1 Regiospecifieke infrastructuurprojecten
Handeling: Het aanwijzen van regiospecifieke projecten
Periode: 1945–
Grondslag: Nota’s Ruimtelijk Economisch Beleid
Product: Aanwijzingsbesluiten van de regio’s: Zuid-Limburg, Zuidoost-Drenthe, Oostelijk-Friesland, Linker-Maasoever, Zeeland; Aanwijzing van Mainports.
Waardering: B 5
Handeling: Het instellen van commissies voor sociaal-economisch onderzoek naar regiospecifieke problemen.
Periode: 1945–
Product: Instelling commissie onderzoek industriële ontwikkelingsmogelijkheden linker Maas- en Waaloever, ca. 1950; Structuurcommissie Midden- en Kleinbedrijf Noorden des Lands, 12 juli 1968; Werkgroep ontwikkelings- en welvaartspeil Hoge Land provincie Groningen.
Opmerking: Rond 1950 is geprobeerd te komen tot een regionaal welvaartsplan met een daarbij behorend fonds. Het doel was aan de hand van concrete projecten op gebied van industrialisatie maar ook op agrarisch en infrastructureel terrein een regionale ontwikkeling tot stand te brengen. De planning ging echter niet verder dan het stadium van voorstellen. De commissies konden bestaan uit vertegenwoordigers van verschillende Ministeries onder voorzitterschap van ambtenaren van deze Ministeries.
Waardering: B 4
Handeling: Het leveren van bijdragen aan de vaststelling van infrastructurele voorzieningen voor regiospecifieke projecten.
Periode: 1945–
Product:
Opmerking: De Minister van Verkeer en Waterstaat is de hoofdactor van deze handeling. Zie PIVOT-rapport nr. 28, Waterstaat
Waardering: V 10 jaar na vaststelling
Handeling: Het vaststellen van financiële bijdragen of andere voorzieningen aan de bekostiging van infrastructurele voorzieningen voor regiospecifieke projecten.
Periode: 1945–
Grondslag: MvA Wetsvoorstel aanvullende begroting 1952; SER-rapport SIR-wet 1974
Product: Beschikking
Waardering: B 5
7.1.5.2 Het Integraal Structuurplan Noorden des Lands
Handeling: Het (mede) voorbereiden, vaststellen en evalueren van het Integrale Structuurplan Noorden des Lands.
Periode: 1945–
Product: Intentieverklaring Structuurplan 1975; ISP-beleidsrapport (ISP1) (HdTK 1978-1979 15 550)
Opmerking: De evaluatie van de ISP’s aan de hand van de binnengekomen voortgangsrapporten valt ook hieronder.
Waardering: B 5
Handeling: Het mede voorbereiden en vaststellen van beleidsplannen in het kader van het Integraal Structuurplan voor het Noorden des Lands.
Periode: 1978–
Product: Meerjarenperspectief: ISP-2, (1981) ISP-3 (1986), ISP-4 (1991), ISP-5 (1995); Herijkingsnota ISP 1987.
Opmerking: De evaluatie van de ISP’s aan de hand van de binnengekomen voortgangsrapporten en de periodieke evaluatierapporten vallen ook hieronder.
Waardering: B 5
Handeling: Het maken van financieringsafspraken inzake de toekenning van gelden voor projecten van het Integraal Structuurplan voor het Noorden des Lands.
Periode: 1978–1990
Grondslag: ISP-1, ISP-2, ISP-3.
Product: Convenant, budgetafspraak.
Opmerking: Het gaat bijvoorbeeld over instellingen van (Hoger) Beroepsonderwijs, infrastructuur en werkverschaffing.
Waardering: B 5
Handeling: Het toekennen van gelden voor projecten van het Integraal Structuurplan voor het Noorden des Lands.
Periode: 1978-
Grondslag: ISP-1, ISP-2, ISP-3, ISP-4, ISP-5; Rijksbegroting
Product: Voorbereidingsstukken in de Rijksbegroting
Waardering: V 7 jaar na vaststellen van de rekening
Handeling: Het uitkeren van stimuleringsgelden voor het bedrijfsleven in het ISP-gebied aan het samenwerkingsverband Noord-Nederland.
Periode: 1995–
Grondslag: Regeling bedrijfsgerichte stimulering Noord-Nederland
Product: Regeling bedrijfsgerichte stimulering Noord-Nederland.
Opmerking: Het Samenwerkingsverband Noord-Nederland behandelt de aanvragen van individuele bedrijven en keert de subsidies uit. Voor een deel is de afhandeling van de meeste, niet-problematische gevallene gemandateerd aan de ISP-coördinatiegroep.
Waardering: V 7 jaar
7.1.5.3 De Perspectievennota Zuid-Limburg
Handeling: Het voorbereiden van een Perspectievennota Zuid-Limburg.
Periode: 1971–1978
Product: Nota herstructurering Zuid-Limburg 1992, Perspectievennota
Waardering: B 5
Handeling: Het instellen van organen voor de uitvoering van de Perspectievennota Zuid-Limburg.
Periode: 1971–1990
Product: Instellingsbeschikking met instructies.
Opmerking: Ingesteld zijn de Coördinatiecommissie PNL en de Begeleidingscommissie PNL. De taken van laatstgenoemde zijn in de Perspectievennota Zuid-Limburg vermeld.
Waardering: B 4
Handeling: Het benoemen van functionarissen in de organen ter uitvoering van de Perspectievennota Zuid-Limburg.
Periode: 1971–1990
Product: Benoemingsbesluiten
Waardering: V5 jaar na aflopen van benoemingstermijn
Handeling: Het vaststellen van vijfjaarlijkse ontwikkelingsplannen.
Periode: 1978–1985
Product: Ontwikkelingsplannen
Waardering: B 5
Handeling: Het doen vaststellen van de vereiste gelden voor projecten uit de gereserveerde gelden in het kader van de Perspectievennota Zuid-Limburg.
Periode: 1978–1990
Opmerking: De gelden, bestemd voor vastgestelde projecten, worden door de Minister van EZ uit de gereserveerde gelden overgedragen aan de vakMinister.
Waardering: B 5
7.1.5.4 Subsidies en stimuleringsregelingen
Handeling: Het vaststellen van investeringspremieregelingen voor gemeentes in economische achterstandsgebieden.
Periode: 1950–
Product: Premie- en Prijsverlagingsregeling Stimulering Industrievestigingen Ontwikkelingskernen SIO, (Stcrt. 1964, 241), (Stcrt. 1966, 134); Premie- en Prijsverlagingsregeling Stimulering Industriële Omscholing in Limburg (SIOL) (Stcrt. 1966, 134); Investeringspremieregeling (Stcrt. 1968, 94) (Stcrt. 1969) (Stcrt. 1977, 109) (Stcrt. 1980,7) (Stcrt. 1984) (Stcrt. 1986).
Opmerking: De regelingen worden aangekondigd in de periodieke nota’s betrekking hebbend op het regionaal-economisch beleid en kunnen op deze manier aan nadere parlementaire controles worden onderworpen.
Waardering: B 5
Handeling: Het vaststellen van stimuleringsregelingen voor bedrijven in aangewezen ontwikkelingsgebieden.
Periode: 1950–1991
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)