Besluit van 14 december 2007, houdende bepalingen ter uitvoering van de Wet politiegegevens (Besluit politiegegevens)
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie, mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie van 11 juni 2007, nr. 5488670/07/6;
Gelet op de artikelen 6, zesde en zevende lid, 10, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, en onderdeel b, 11, derde lid, 12, vijfde lid, 13, vierde lid, 15, tweede lid, 17, zesde lid, 18, eerste lid, 21, 22, tweede lid, 23, tweede lid, 31, eerste lid, 32, vierde lid, 33, vijfde lid, en 46, eerste lid, van de Wet politiegegevens en artikel 4, tweede lid, van de Wet melding ongebruikelijke transacties;
De Raad van State gehoord (advies van 7 augustus 2007, nr. W03.07.0163/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie, mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie van 5 december 2007, nr. 5516760/07/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet politiegegevens in werking treedt.
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1:1. Definitie
In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder wet: de Wet politiegegevens.
Paragraaf 2. Autorisaties
Artikel 2:1. In combinatie verwerken o.g.v. artikel 8, derde lid (artikel 6, zesde lid)
Voor het in combinatie met elkaar verwerken van politiegegevens, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de wet kunnen worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die zijn belast met taken of werkzaamheden op het gebied van de coördinatie van het informatieproces ter ondersteuning van een goede uitvoering van de politietaak.
Artikel 2:2. Geautomatiseerd vergelijken en in combinatie zoeken o.g.v. artikel 11, eerste, tweede en vierde lid (artikel 6, zesde lid)
Voor het geautomatiseerd vergelijken van politiegegevens, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet, kunnen worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die zijn belast met de taken of werkzaamheden, bedoeld in artikel 2:1. In voorkomende gevallen kunnen daarvoor tevens worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die werkzaam zijn bij een team dat is belast met de verwerking van politiegegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, b of c, van de wet.
Voor het geautomatiseerd vergelijken alsmede het in combinatie met elkaar verwerken van politiegegevens, bedoeld in artikel 11, tweede onderscheidenlijk vierde lid, van de wet, kunnen worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die werkzaam zijn bij een team dat is belast met de verwerking van politiegegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, b of c, van de wet. In voorkomende gevallen kunnen daarvoor tevens worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die zijn belast met de taken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 2:1.
De ambtenaren van politie, bedoeld in de laatste zin van het tweede lid, worden slechts geautoriseerd voor de verwerking van politiegegevens, voor zover dat dringend noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de politietaak en in overeenstemming met het hoofd van het in het tweede lid bedoelde team.
Artikel 2:3. Informanten (artikel 6, zesde lid)
Voor het verwerken van politiegegevens met het oog op de controle en het beheer van een informant alsmede de beoordeling en verantwoording van het gebruik van informantgegevens, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet, kunnen worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die werkzaam zijn bij een team dat is belast met de verwerking van politiegegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a of c, van de wet.
Voor het verwerken van politiegegevens als bedoeld in artikel 6:1, eerste lid, onderdeel a, kunnen worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die werkzaam zijn bij een team dat is belast met infiltratie, pseudo-koop of -dienstverlening en stelselmatige inwinning van informatie.
Voor het verwerken van politiegegevens als bedoeld in artikel 6:1, eerste lid, onderdeel b, kunnen worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die werkzaam zijn bij een dienst van een landelijke eenheid als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet 2012 die is belast met werkzaamheden op het terrein van getuigenbescherming.
Voor het geautomatiseerd vergelijken van politiegegevens, bedoeld in artikel 12, vierde lid, van de wet, kunnen worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die werkzaam zijn bij een team dat is belast met de verwerking van politiegegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a of c, van de wet.
De ambtenaren van politie, bedoeld in de vorige leden van dit artikel, worden slechts geautoriseerd voor de verwerking van politiegegevens, voor zover dat dringend noodzakelijk is voor een goede uitvoering van hun taak.
Voor het verwerken van identificerende gegevens van een informant kunnen uitsluitend worden geautoriseerd het hoofd van het team, bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, of diens plaatsvervanger.
Artikel 2:4. Themaverwerking ernstige misdrijven (artikel 6, zesde lid)
Voor het verwerken van gegevens met het oog op het verkrijgen van inzicht in de betrokkenheid van personen bij handelingen die kunnen wijzen op het beramen of plegen van de misdrijven bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet kunnen worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die werkzaam zijn bij een daartoe ingericht team dat specifiek is belast met de verwerking van politiegegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet.
Indien bij de toepassing van het eerste lid de te verwerken gegevens betrekking hebben op de categorie misdrijven van ambtelijke omkoping, bedoeld in artikel 3:2, onderdeel d, kunnen uitsluitend worden geautoriseerd de bij een daartoe ingericht team werkzame ambtenaren van de rijksrecherche, bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Politiewet 2012, dat specifiek is belast met de verwerking van die gegevens.
In bijzondere gevallen kan de verwerkingsverantwoordelijke andere ambtenaren van politie autoriseren voor de verwerking, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 2:5. CIE- en RID-verwerking (artikel 6, zesde lid)
Voor het verwerken van gegevens met het oog op het verkrijgen van inzicht in de betrokkenheid van personen bij het beramen of plegen van de misdrijven, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de wet kunnen worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die zijn belast met de verwerking van politiegegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de wet. In voorkomende gevallen kunnen daarvoor tevens worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die zijn belast met taken of werkzaamheden op het gebied van de coördinatie van het informatieproces ter ondersteuning van een goede uitvoering van de politietaak.
Voor het verwerken van gegevens met het oog op het verkrijgen van inzicht in de betrokkenheid van personen bij handelingen die, gezien hun aard of frequentie of het georganiseerde verband waarin zij worden gepleegd, een ernstige schending van de openbare orde vormen, kunnen worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die zijn belast met de verwerking van politiegegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de wet. In voorkomende gevallen kunnen daarvoor tevens worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die zijn belast met taken en werkzaamheden op het gebied van de coördinatie van het informatieproces ter ondersteuning van de goede uitvoering van de politietaak.
De ambtenaren van politie, bedoeld in de laatste zin van het tweede lid, worden slechts geautoriseerd voor de verwerking van politiegegevens, voor zover dat dringend noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de politietaak en in overeenstemming met het hoofd van het betreffende team.
Artikel 2:6. Instemming officier van justitie
De categorieën van ambtenaren die in aanmerking kunnen komen voor de autorisaties, bedoeld in de artikelen 2:3, 2:4 en 2:5, eerste lid, worden aangewezen in overeenstemming met de officier van justitie.
Artikel 2:7. Gegevensverwerking door de Financiële inlichtingen eenheid
Voor het verwerken van gegevens met het oog op het doel, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, kunnen worden geautoriseerd de personen die betrokken zijn bij het bewerken en analyseren van gegevens over ongebruikelijke transacties.
De autorisaties kunnen, namens de verwerkingsverantwoordelijke, worden verstrekt door het hoofd van de Financiële inlichtingen eenheid.
Artikel 2:8. Ondersteunende taken (artikel 6, zesde lid)
Voor het verwerken van gegevens met het oog op het uitvoeren van:
- a. een taak ten dienste van de justitie, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel e, van de wet,
- b. een taak ten behoeve van het verkrijgen van landelijk inzicht in een specialistisch onderwerp als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de wet of
- c. de geautomatiseerde vergelijking met het oog op de melding van verschillende verwerkingen jegens eenzelfde persoon, bedoeld in artikel 13, derde lid van de wet,
kunnen worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die werkzaam zijn bij een team dat met de uitvoering van deze taak is belast.
Artikel 2:9. Opleidingen (artikel 6, zesde lid)
De verwerkingsverantwoordelijke draagt er zorg voor dat de ambtenaren van politie, bedoeld in de artikelen 2:1 tot en met 2:5, beschikken over voldoende kennis en vaardigheden op het gebied van:
- a. het informatieproces binnen de politie, meer in het bijzonder de verschillende vormen van verwerking van politiegegevens,
- b. de wet- en regelgeving die relevant is voor de verwerking van politiegegevens, en
- c. methoden en technieken van informatieanalyse.
De eisen inzake kennis en vaardigheden verschillen naar gelang van de aard van de verwerking waartoe de ambtenaar wordt geautoriseerd. Indien noodzakelijk kunnen deze eisen bij ministeriële regeling worden vastgesteld.
Artikel 2:10. Instemming (artikel 6, zevende lid)
Als functionaris, bedoeld in de artikelen 9, derde lid, 11, eerste, tweede en vierde lid en 13, derde lid, van de wet, kunnen worden aangewezen de leider van het betreffende onderzoek of zijn plaatsvervanger.
Als functionaris, bedoeld in de artikelen 10, vijfde lid, 11, tweede en vierde lid en 13, derde lid, van de wet, kunnen worden aangewezen het hoofd van het betreffende team dat is belast met de verwerking van politiegegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen a, b of c, van de wet, dan wel het hoofd van een team met een vergelijkbare taak of hun plaatsvervangers.
Artikel 2:11. Gegevensvergelijking (artikel 11, derde lid)
Indien bij de gegevensvergelijking, bedoeld in artikel 11 van de wet, gegevens overeenkomen, worden de verbanden op de volgende wijze zichtbaar gemaakt:
- a. bij gegevens, voorzien van een codering als bedoeld in artikel 2:12, onderdeel a, en bij gegevens als bedoeld in artikel 8 van de wet, zijn de gerelateerde gegevens zichtbaar;
- b. bij gegevens, als bedoeld in de artikelen 9 en 10, eerste lid, onderdelen a en c van de wet, zijn de overeenkomende gegevens zichtbaar en zijn de andere gerelateerde gegevens na instemming van de daartoe bevoegde functionaris zichtbaar;
- c. bij gegevens, voorzien van een code als bedoeld in het artikel 2:12, onderdeel b, zijn de overeenkomende gegevens gedeeltelijk zichtbaar en de andere gerelateerde gegevens na instemming van de daartoe bevoegde functionaris zichtbaar;
- d. bij gegevens, voorzien van een code als bedoeld in het artikel 2:12, onderdeel c, en bij gegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b van de wet, zijn de overeenkomende gegevens niet zichtbaar.
Artikel 2:12. Codering (artikel 11, derde lid)
De functionaris, bedoeld in artikel 2:10, kan, indien noodzakelijk voor de goede uitvoering van de gegevensvergelijking, bedoeld in artikel 11 van de wet, politiegegevens voorzien van één van de navolgende codes:
- a. instemming met verdere verwerking van politiegegevens;
- b. vertrouwelijke verwerking als bedoeld in artikel 2:13, eerste lid, onderdelen a en b;
- c. vertrouwelijke verwerking als bedoeld in artikel 2:13, eerste lid, onderdelen c, d, e en f.
Artikel 2:13. Weigeringsgronden (artikel 15, tweede lid)
Het ter beschikking stellen van politiegegevens kan alleen worden geweigerd of aan beperkende voorwaarden worden onderworpen in het geval:
- a. het gegevens betreft omtrent informanten of andere personen als bedoeld in artikel 12, vijfde lid van de wet;
- b. gevaar voor leven of gezondheid van betrokkene of derden is te duchten;
- c. van een verwerking voor een intern integriteitonderzoek onder verantwoordelijkheid van de korpschef;
- d. van een verwerking door de rijksrecherche onder verantwoordelijkheid van het College van procureurs-generaal;
- e. het gegevens betreft die worden verwerkt op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel b van de wet;
- f. van een verwerking voor een door het College van procureurs-generaal als embargo-onderzoek aangemerkt onderzoek met een zeer groot belang van afscherming vanwege afbreukrisico’s, levensbedreigende risico’s, politieke gevoeligheid of publiciteitsgevoeligheid van het onderzoek.
De terbeschikkingstelling van persoonsgegevens, die worden verwerkt door de Financiële inlichtingen eenheid, kan gemotiveerd worden geweigerd tenzij:
- a. de terbeschikkingstelling van de gegevens plaatsvindt ten behoeve van verdere verwerking met het oog op het doel, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
- b. uit de gegevens zelf een redelijk vermoeden voortvloeit dat een bepaalde persoon een misdrijf heeft begaan;
- c. de terbeschikkingstelling van de gegevens plaatsvindt op grond van artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van de wet, en deze gegevens redelijkerwijs van belang kunnen zijn ter voorkoming of opsporing van misdrijven als bedoeld in artikel 3:1.
Op een daartoe strekkend verzoek door de Financiële inlichtingen eenheid ter beschikking gestelde persoonsgegevens worden slechts verwerkt voor een ander doel dan bedoeld in de artikelen 8, 9, 10 of 13 van de wet nadat daartoe toestemming is verleend door het hoofd van de Financiële inlichtingen eenheid.
Paragraaf 3. Gegevensverwerking ernstige misdrijven
Artikel 3:1. Ernstige inbreuk rechtsorde misdrijven (artikel 10, eerste lid, onderdeel a, onder 3°)
De misdrijven, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van de wet die gezien hun aard of samenhang met andere door de betrokkene begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, zijn:
- a. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 311, eerste lid, onder 3° tot en met 5°, en 416 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de feiten een schade van ten minste € 25 000 veroorzaakt hebben en betrokkene tevens een misdrijf als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van de wet heeft begaan;
- b. de misdrijven, bedoeld in 241, 245, eerste lid, en 252 en 273f van het Wetboek van Strafrecht;
- c. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 177, 178, 361 en 363 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 179 en 180 van het Wetboek van Strafrecht in verband met de artikelen 181 en 182 van dat wetboek;
- d. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 225, 226, 227, 231 en 232 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de feiten een schade van ten minste € 50 000 veroorzaakt hebben;
- e. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 191 en 197a van het Wetboek van Strafrecht;
- f. het misdrijf, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A, van de Opiumwet;
- g. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 26 en 31 van de Wet wapens en munitie, voor zover de feiten betrekking hebben op het voorhanden hebben van vuurwapens en explosieven.
Artikel 3:2. Ernstig gevaar rechtsorde misdrijven (artikel 10, eerste lid, onderdeel b)
De categorieën van misdrijven, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet, die door hun omvang of ernst of hun samenhang met andere misdrijven een ernstig gevaar voor de rechtsorde opleveren, zijn:
- a. terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht;
- b. mensenhandel als bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht;
- c. mensensmokkel als bedoeld in artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht;
- d. de omkoping van een ambtenaar als bedoeld in de artikelen 177, eerste lid en 363, eerste lid, van een toekomstig ambtenaar als bedoeld in de artikelen 177, tweede lid en 363, tweede lid, of van een voormalig ambtenaar als bedoeld in de artikelen 178a, tweede lid en 364a, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht.
Paragraaf 4. Verstrekking politiegegevens aan derden
Artikel 4:1. Verstrekking politiegegevens artikel 13, eerste lid, onder a en d (artikel 18, eerste lid)
Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig artikel 13, eerste lid, onderdeel a en onderdeel d, van de wet, kunnen, voor zover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, worden verstrekt aan:
- a. de Immigratie- en Naturalisatiedienst, ten behoeve van:
- 1°. het vaststellen van de identiteit van personen;
- 2°. het nemen van beslissingen omtrent de erkenning als referent en de toelating, het verblijf en de ongewenstverklaring als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000, en van beslissingen op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap of een verdrag dan wel een voor Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, als bedoeld in artikel 112 van de Vreemdelingenwet 2000;
- 3°. het opstellen van profielen voor de geautomatiseerde behandeling van aanvragen en voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen en tot referenten als bedoeld in de artikelen 47 en 47a van de Vreemdelingenwet 2000;
- b. luchtvaartmaatschappijen, als bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Luchtvaartwet, voor zover het gaat om personalia en gegevens betreffende de datum van retourvervoer ten behoeve van het voorkomen van overtredingen van de Opiumwet en de bescherming van de gezondheid van personen door het weigeren van het vervoer van personen van en naar bepaald aangewezen buitenlandse bestemmingen en er met de betreffende luchtvaartmaatschappijen schriftelijke afspraken zijn gemaakt over de waarborgen rond de gegevensverstrekking.
- c. Onze Minister van Buitenlandse Zaken, ten behoeve van de uitvoering van opdrachten tot signalering van personen in het buitenland en het nemen van een beslissing omtrent de afgifte van een paspoort of omtrent de verlening of verlenging van een visum;
- d. Onze Minister van Asiel en Migratie, ten behoeve van het nemen van een beslissing omtrent de verlening of wijziging van een machtiging tot voorlopig verblijf.
De op grond van het eerste lid, onder b verstrekte gegevens met betrekking tot individuele personen worden door de luchtvaartmaatschappijen niet langer verwerkt dan gedurende een termijn van ten hoogste zesendertig maanden na de datum van de aanhouding van de betrokkene, die aanleiding geeft tot opneming van de gegevens op de lijst.
Artikel 4:2. Verstrekking politiegegevens artikelen 8 en 13, eerste lid (artikel 18, eerste lid)
Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8 en 13, eerste lid, van de wet, kunnen, voor zover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, worden verstrekt aan:
- a. de commissie, bedoeld in artikel 8 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven, ten behoeve van het nemen van een beslissing op een verzoek tot uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven;
- b. de navolgende instanties die hulp aan slachtoffers verlenen:
- 1°. de stichting slachtofferhulp Nederland, ten behoeve van het behartigen van belangen van slachtoffers van strafbare feiten of verkeersongevallen;
- 2°. de stichting Perspectief Herstelbemiddeling, voor wat betreft gegevens over slachtoffers van strafbare feiten en verkeersongevallen en, in bijzondere of ernstige gevallen, gegevens uit het proces-verbaal, ten behoeve van de bemiddeling tussen die slachtoffers en verdachten of veroordeelden, en;
- 3°. de stichting Comensha, voor wat betreft gegevens over slachtoffers van mensenhandel en de aanmeldende autoriteit, ten behoeve van de coördinatie van de opvang en verzorging van slachtoffers van mensenhandel en de registratie van gegevens over mensenhandel;
- c. de Stichting Processen Verbaal, voor zover het gegevens betreft inzake aanrijdingen of aanvaringen, ten behoeve van een goede uitvoering van haar taak;
- d. het Waarborgfonds Motorverkeer, als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, voor zover het betreft gegevens omtrent de personalia en de verblijfplaats van benadeelden en zij deze gegevens behoeven voor de hulp aan benadeelden ten behoeve van het geldend maken van een recht op schadevergoeding, als bedoeld in de artikelen 25, eerste lid, en 26a, eerste en tweede lid, van die wet;
- e. de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, ten behoeve van:
- –. het onderzoek, bedoeld in de artikelen 101 en 142 van het Reglement rijbewijzen, en het betreft overtreding van artikel 6 of artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, of
- –. de vervulling van de in de artikelen 130 tot en met 134a van de Wegenverkeerswet 1994 aan de Divisie Vorderingen van het bureau opgedragen taak;
- f. Halt-bureaus, voor zover zij zijn aangewezen door Onze Minister van Justitie en Veiligheid, ten behoeve van de alternatieve afdoening van de strafbare feiten, gepleegd door minderjarigen;
- g. reclasseringswerkers als bedoeld in artikel 6 van de Reclasseringsregeling 1995, ten behoeve van het uitvoeren van de werkzaamheden, bedoeld in hoofdstuk 3 van die Regeling en de indicatiestelling ten behoeve van de forensische zorg;
- h. de Dienst Wegverkeer, ten behoeve van het uitvoeren van de taken van de dienst op grond van artikel 2 van de Regeling taken Dienst Wegverkeer;
- i. het college van burgemeesters en wethouders, ten behoeve van de uitvoering van de taken, bedoeld in de artikelen 2.3, eerste en zesde lid, en 2.4, eerste lid, van de Jeugdwet, de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, ten behoeve van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en Veilig Thuis, bedoeld in artikel 1.1.1. van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, ten behoeve van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 4.1.1, tweede lid, van die wet;
- j. de raad voor de kinderbescherming, ten behoeve van de uitvoering van één van de bij wet aan de raad opgedragen taken;
- k. Onze Minister van Justitie en Veiligheid, ten behoeve van:
- 1°. het verwerken van gegevens over jeugdigen in het Cliënt Volgsysteem jeugdcriminaliteit, ter ondersteuning van de voorkoming en bestrijding van jeugdcriminaliteit;
- 2°. het verwerken van gegevens omtrent de identiteit van verdachten en veroordeelden in de strafrechtsketendatabank en de verdere verstrekking van die gegevens aan de functionarissen en organen die met de toepassing van het strafrecht zijn belast, ten behoeve van de vaststelling van de identiteit van verdachten en veroordeelden;
- 3°. het vergelijken van deze gegevens, voor zover deze DNA-profielen van overleden personen betreffen wier identiteit onbekend is, met de DNA-profielen van de personen, bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder d tot en met f, van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, ten behoeve van de vaststelling van de identiteit van deze overleden personen;
- 4°. het verzoek tot weigering of vervallenverklaring van een reisdocument, op grond van artikel 23 van de Paspoortwet;
- l. de Onderzoeksraad voor veiligheid, bedoeld in artikel 2 van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid, ten behoeve van de uitvoering van de in die wet opgedragen taken;
- m. de door Onze Minister van Economische Zaken aangewezen dienst, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen, voor zover het betreft gegevens met betrekking tot het proces-verbaal en de kennisgeving van inbeslagneming, ten behoeve van een goede toepassing van het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen;
- n. benadeelden van strafbare feiten, waaronder begrepen de personen die in verband met die feiten in hun rechten zijn getreden of ingevolge enige wettelijke bepaling terzake van die rechten een recht van verhaal hebben gekregen, voor zover zij deze gegevens behoeven om in rechte voor hun belangen op te kunnen komen;
- o. vervallen;
- p. Onze Minister van Justitie en Veiligheid, ten behoeve van de verzending van beschikkingen en transacties;
- q. de Dienst Terugkeer en Vertrek, voor zover het betreft gegevens over vreemdelingen die zijn verkregen in het kader van de uitoefening van het toezicht, bedoeld in de artikelen 46 en 47 van de Vreemdelingenwet 2000, of de opsporing van strafbare feiten, ten behoeve van de begeleiding van de terugkeer of het vertrek uit Nederland van vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven.
- r. de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van Onze Minister van Economische Zaken, ten behoeve van het uitvoeren van de taak, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB;
- s. een verzekeringsmaatschappij, de korpschef of de Minister van Defensie, ten behoeve van de beoordeling van de wettelijke aansprakelijkheid van de politie of van de Minister van Defensie en de vaststelling van een verplichting tot schadeloosstelling van derden;
- t. het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, ten behoeve van het opstellen van de rapportages pro justitia en de indicatieadvisering;
- u. vervallen;
- v. het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, ten behoeve van het uitvoeren van de taken, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers;
- w. het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, voor wat betreft gegevens over de verblijfplaats van een persoon, ten behoeve van de inning van bijdragen of uitkeringen, bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen;
- x. de Minister van Defensie, ten behoeve van het nemen van een beslissing over de ongeldigverklaring van een door die minister afgegeven militair rijbewijs of rijmachtiging;
- y. Onze Minister van Asiel en Migratie, ten behoeve van het verwerken van gegevens omtrent de identiteit van vreemdelingen in de Basisvoorziening Vreemdelingen en de verdere verstrekking van die gegevens aan instanties die zijn betrokken bij de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000, ten behoeve van de vaststelling van de identiteit van vreemdelingen, en aan andere instanties met een publieke taak belast, ten behoeve van registratie, identificatie en verificatie van vreemdelingen, hun documenten of hun verblijfsrechtelijke positie;
- z. het agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met het oog op de weigering of vervallenverklaring van reisdocumenten zoals bedoeld in artikel 24, onder b, van de Paspoortwet;
- aa. de inspecteur, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene douanewet, voor zover hij deze gegevens behoeft voor een goede uitvoering van de in die wet aan hem opgedragen taken;
- ab. de burgemeester ten behoeve van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 151d, tweede lid, van de Gemeentewet, en de bestuursrechtelijke handhaving van die bevoegdheid, voor zover het gegevens betreft met betrekking tot gedragingen die in of vanuit de woning of het erf behorend bij die woning of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf ernstige hinder voor omwonenden veroorzaken;
- ac. de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Uitvoeringswet verordening terroristische online-inhoud, ten behoeve van de uitvoering van de Uitvoeringswet verordening terroristische online-inhoud en de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal.
Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8 en 13, eerste lid, van de wet kunnen, voor zover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, worden verstrekt aan ambtenaren die bij of krachtens de wet zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van de bij ministeriële regeling aangewezen wetgeving, voor zover het betreft gegevens over de naleving van die wetgeving, en er tussen de verwerkingsverantwoordelijke en de betreffende ambtenaren afspraken zijn gemaakt over welke gegevens verstrekt worden, in welke gevallen en onder welke voorwaarden. De verwerkingsverantwoordelijke legt deze afspraken vast.
Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8 en 13, eerste lid, van de wet kunnen, voor zover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, worden verstrekt aan de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid respectievelijk Onze Minister van Financiën aangewezen ambtenaren, die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen respectievelijk de Invorderingswet 1990, de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Algemene douanewet ten behoeve van de inschatting van de veiligheidsrisico’s met betrekking tot de uitoefening van vorenbedoeld toezicht.
Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8 en 13, eerste lid, van de wet, kunnen worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, met het oog op signalering van veranderingen in de gegevens die in de basisregistratie personen zijn opgenomen.
Artikel 4:3. Verstrekking politiegegevens artikelen 8, 9, 10 en 13 (artikel 18, eerste lid)
Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8, 9, 10, eerste lid, onderdelen a en c en 13 van de wet kunnen, voor zover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, worden verstrekt aan:
- a. Onze Minister van Justitie en Veiligheid, ten behoeve van:
- 1°. de controle van rechtspersonen met het oog op de voorkoming en bestrijding van misbruik van rechtspersonen, waaronder het plegen van misdrijven en overtredingen van financieel-economische aard door of door middel van deze rechtspersonen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet controle op rechtspersonen;
- 2°. de uitvoering van artikel 5, eerste lid, van de Gratiewet;
- 3°. de beoordeling van de benoeming, de herbenoeming of het ontslag van de leden van de commissies van toezicht bij de inrichtingen, bedoeld in onderdeel c, alsmede van de leden van de commissies van toezicht op de arrestantenzorg, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van het Besluit beheer politie;
- 4°. het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en de verdere verstrekking van die gegevens aan de Adviescommissie VOG-politiegegevens, bedoeld in artikel 35a, vierde lid, van die wet, ten behoeve van de toepassing van artikel 44a van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens;
- 5°. de taakuitvoering van de Financiële inlichtingen eenheid, bedoeld in artikel 13 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en artikel 3.2 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES;
- 6°. de tenuitvoerlegging van een geldboete als bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht, van de verbeurdverklaring van niet in beslaggenomen voorwerpen, bedoeld in artikel 34 van het Wetboek van Strafrecht of van een maatregel als bedoeld in de artikelen 36b, eerste lid, 36e, eerste lid, of 36f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;
- 7°. de inspectie, bedoeld in artikel 57, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s, met het oog op de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Politiewet 2012 en op de uitvoering van een bevel, als bedoeld in de artikelen 126nba, eerste lid, 126uba, eerste lid en 126zpa, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, door de ambtenaren, bedoeld in artikel 141, onderdeel d, en de personen, bedoeld in artikel 142, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering;
- 8°. de Passagiersinformatie-eenheid, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven, met het oog op de uitvoering van haar taken, bedoeld in de artikelen 6, eerste lid, onder a en b, en 14, tweede lid, van die wet;
- 9°. het doen en uitvoeren van verzoeken om internationale rechtshulp in stafzaken;
- 10°. de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen d en e, en tweede lid, van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen, door het Nationaal Cyber Security Centrum;
- 11°. de uitvoering van artikel 2 van de Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid;
- 12°. de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in de artikelen 40b, 40c, 40d en 40e, van de Penitentiaire beginselenwet.
- b. de burgemeester ten behoeve van:
- 1°. de beoordeling van een verzoek tot het verkrijgen van het Nederlanderschap op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap;
- 2°. de afgifte van de woonverklaring, bedoeld in artikel 10b, vierde lid, van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek.
- c. de directeuren van inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Penitentiaire beginselenwet, van de inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en van de inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, en functionarissen van de Dienst Justitiële inrichtingen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, ten behoeve van:
-
- het nemen van beslissingen over hetzij de indienstneming of het ontslag van personeel, hetzij de toelating tot de inrichting van personen die niet worden ingesloten in de inrichting, voor zover dat noodzakelijk is voor de orde of veiligheid in de inrichting respectievelijk de voorziening;
-
- het nemen van beslissingen over het verlaten van de inrichting bij wijze van verlof;
-
- het nemen van beslissingen over de erkenning van een penitentiair programma, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet, of een scholing- en trainingprogramma, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Beginselenwet justitiële inrichtingen;
-
- het treffen van maatregelen met betrekking tot de voorkoming van strafbare feiten door of met betrekking tot gedetineerden, de handhaving van de orde en veiligheid in de justitiële inrichting, of de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming.
- d. Onze Minister van Justitie en Veiligheid, ten behoeve van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 37q van de Luchtvaartwet, en de commandant van de Koninklijke marechaussee, voor zover de uitoefening van die bevoegdheid aan hem is gemandateerd;
- e. de korpschef, ten behoeve van zijn adviserende taak in het kader van:
- 1°. de uitvoering van artikel 3B.1 van het Vuurwerkbesluit;
- 2°. de benoeming en de herbenoeming van de leden van de commissies van toezicht op de arrestantenzorg, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van het Besluit beheer politie;
- f. het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, ten behoeve van het verrichten van een onderzoek naar de betrouwbaarheid als bedoeld in artikel 48q, eerste lid, 48s, tweede lid, 48x, eerste en tweede lid, van de Politiewet 2012;
- g. het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, ten behoeve van de uitoefening van de in die wet aan het bureau opgedragen taak;
- h. de Immigratie- en Naturalisatiedienst, ten behoeve van de taken, bedoeld in artikel 4:1, eerste lid, onderdeel a, onder 2° en 3°;
- i. de burgemeester en de commissaris van de Koning, ten behoeve van hun adviserende taak, bedoeld in het Reglement op de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau en Onze Minister van Defensie met het oog op de toekenning van bij koninklijk besluit te verlenen onderscheidingen;
- j. gedragsdeskundigen, voor zover het betreft auditieve of audiovisuele registraties van het verhoor van een persoon naar aanleiding van een ernstig strafbaar feit, voor het beoordelen van het verhoor en het opstellen van een deskundigenrapportage ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek of het onderzoek ter terechtzitting;
- k. Onze Minister van Defensie en de onder hem ressorterende bevelvoerende militairen van een oorlogsschip, inrichting van de zeemacht, compagnie, eskadron, batterij of squadron of een hogere eenheid, voor zover het betreft gegevens omtrent:
- 1°. de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen jegens een militair, ten behoeve van het nemen van maatregelen met betrekking tot de operationele gereedheid van de eenheid; of
- 2°. de betrokkenheid van een militair bij de verdenking van een overtreding van de Opiumwet of een misdrijf, ten behoeve van het nemen van besluiten inzake schorsing of ontslag van militaire ambtenaren, als bedoeld in artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931;
- l. bestuursorganen en rechtspersonen met een overheidstaak, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur, voor zover dat noodzakelijk is in de gevallen waarin zij bevoegd zijn tot toepassing van die wet, uitsluitend voor zover het betreft gegevens omtrent de betrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van die wet. Indien de betrokkene een rechtspersoon is betreffen de gegevens zowel de rechtspersoon als de bestuurders, alsmede de gegevens met betrekking tot strafbare feiten waaraan artikel 51, tweede lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht ten grondslag heeft gelegen. Indien een bestuurder een rechtspersoon is betreffen de gegevens eveneens deze rechtspersoon, alsmede de bestuurders daarvan. Indien de betrokkene een maatschap of vennootschap onder firma is betreffen de gegevens de maten, dan wel de vennoten, uitgezonderd de gegevens betreffende de vennoot en commandite, alsmede de gegevens met betrekking tot strafbare feiten waaraan artikel 51, tweede lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht ten grondslag heeft gelegen. Indien de vennoten of maten rechtspersoonlijkheid bezitten betreffen de gegevens deze rechtspersonen, alsmede de bestuurders daarvan;
- m. het college van burgemeester en wethouders voor zover het gegevens behoeft voor de handhaving van de voorschriften, bedoeld in artikel 10b, vijfde lid, van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek;
- n. bestuursorganen, ten behoeve van het nemen van een beslissing omtrent de toepassing van artikel 6 van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding, uitsluitend voor zover het betreft gegevens omtrent de aanvrager, subsidieontvanger of houder van een vergunning, ontheffing of erkenning als bedoeld in artikel 6, onderdeel a, van die wet. Indien deze aanvrager, subsidieontvanger of houder een rechtspersoon is, betreffen de gegevens zowel de rechtspersoon als de bestuurders, alsmede de gegevens met betrekking tot strafbare feiten waaraan artikel 51, tweede lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht ten grondslag heeft gelegen. Indien een bestuurder een rechtspersoon is betreffen de gegevens eveneens deze rechtspersoon, alsmede de bestuurders daarvan. Indien de aanvrager, subsidieontvanger of houder een maatschap of vennootschap onder firma is betreffen de gegevens de maten, dan wel de vennoten, uitgezonderd de gegevens betreffende de vennoot en commandite, alsmede de gegevens met betrekking tot strafbare feiten waaraan artikel 51, tweede lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht ten grondslag heeft gelegen. Indien de vennoten of maten rechtspersoonlijkheid bezitten betreffen de gegevens deze rechtspersonen, alsmede de bestuurders daarvan;
- o. de hulpofficier van justitie, de functionarissen, bedoeld in de artikelen 17, vierde lid, van de Ambtsinstructie van de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren, het hoofd van de bijzondere opsporingsdienst en de direct toezichthouder, bedoeld in artikel 1 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar, ten behoeve van:
- 1°. de geweldsregistratie, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder m, van de Ambtsinstructie van de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren;
- 2°. de behandeling en beoordeling van de geweldsregistratie, bedoeld in artikel 18a van de Ambtsinstructie van de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren;
- p. de raad van bestuur van de kansspelautoriteit, bedoeld in artikel 33a van de Wet op de kansspelen ten behoeve van het betrouwbaarheidsonderzoek, bedoeld in artikel 31i van de Wet op de kansspelen. De te verstrekken gegevens betreffen uitsluitend de in artikel 3.4, eerste lid, van het Besluit kansspelen op afstand genoemde personen. Indien het daarbij gaat om een rechtspersoon, betreffen de gegevens zowel de rechtspersoon zelf als de bestuurders, alsmede de gegevens met betrekking tot strafbare feiten waaraan artikel 51, tweede lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht ten grondslag heeft gelegen. Indien een bestuurder een rechtspersoon is betreffen de gegevens eveneens deze rechtspersoon, alsmede de bestuurders daarvan. Indien de betrokkene een maatschap of vennootschap onder firma is betreffen de gegevens de maten, dan wel de vennoten, uitgezonderd de gegevens betreffende de vennoot en commandite, alsmede de gegevens met betrekking tot strafbare feiten waaraan artikel 51, tweede lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht ten grondslag heeft gelegen. Indien de vennoten of maten rechtspersoonlijkheid bezitten betreffen de gegevens deze rechtspersonen, alsmede de bestuurders daarvan;
- q. deskundigen als bedoeld in artikel 51i van het Wetboek van Strafvordering ten behoeve van de uitvoering van hen opgedragen onderzoeken in strafzaken;
- r. het Nederlands Forensisch Instituut ten behoeve van de uitvoering van zijn taken met het oog op de waarheidsvinding in strafzaken, het leveren van een bijdrage aan de handhaving van de internationale en nationale rechtsorde of veiligheid, de ondersteuning bij de hulpverleningstaak van de politie en het leveren van een dienst of product, na goedkeuring van de Minister van Justitie en Veiligheid, indien sprake is van een zaak van groot maatschappelijk belang;
- s. de Autoriteit Consument en Markt ten behoeve van haar toezichthoudende taak op de naleving van:
- 1°. de artikelen 6 en 24 van de Mededingingswet, gelet op artikel 2 van die wet;
- 2°. Artikel 3.42 van het Energiebesluit en verordening 1227/2011 als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, gelet op artikel 5.1, eerste lid, van die wet;
- 3°. onderdeel a van de bijlage bij de Wet handhaving consumentenbescherming, gelet op artikel 2.2 van die wet; of
- 4°. De artikelen 4.3 en 4.7 van de Telecommunicatiewet, gelet op artikel 15.1 van die wet;
- t. de Regionale Ambulancevoorzieningen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen, en de besturen van de veiligheidsregio’s, bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s, ten behoeve van de uitoefening van de meldkamerfunctie, bedoeld in artikel 25b, eerste lid, van de Politiewet 2012;
- u. het Informatieknooppunt zorgfraude, genoemd in artikel 1.1 van de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg, ten behoeve van de taak, bedoeld in artikel 2.4, van die wet;
- v. de Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen, bedoeld in artikel 1 van de Wet Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen, ten behoeve van de onderzoeks-, advies- en rapportagetaken, bedoeld in artikel 5 van de Wet Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen;
- w. de leden van een commissie ingesteld op grond van artikel 68, tweede lid, onderdeel a, of 69 van de Politiewet 2012, ten behoeve van de behandeling van en advisering over klachten over gedragingen van ambtenaren van politie of militairen van de Koninklijke Marechaussee dan wel van enig ander onderdeel van de krijgsmacht, de leden van een commissie van toezicht op de arrestantenzorg als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van het Besluit beheer politie, ten behoeve van het toezicht op de arrestantenzorg, en de leden van een commissie als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, ten behoeve van de behandeling van en advisering over klachten over gedragingen van ambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten, alsmede de personen die zijn belast met de ondersteuning van de leden van die commissies;
- x. het Bureau Financieel Toezicht ten behoeve van zijn toezichthoudende taak genoemd in artikel 1d, eerste lid, onderdeel c, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, voor zover het instellingen betreft als bedoeld in artikel 1a, vierde lid, onderdeel a, b, d en e, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, Onze Minister van Financiën ten behoeve van zijn toezichthoudende taak genoemd in artikel 1d, eerste lid, onderdeel e, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, voor zover het instellingen betreft als bedoeld in artikel 1a, vierde lid, onderdeel g, h, i, j, k, o en p, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, en de Kansspelautoriteit ten behoeve van zijn toezichthoudende taak genoemd in artikel 1d, eerste lid, onderdeel f, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, voor zover het instellingen betreft als bedoeld in artikel 1a, vierde lid, onderdeel n, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme;
- y. De Nationale ombudsman, bedoeld in artikel 9:17, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht, ten behoeve van het verrichten van een onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel c, van de Wet Nationale ombudsman;
- z. Onze Minister van Financiën, wanneer de door Onze Minister van Financiën aangewezen inspecteur of een andere aangewezen ambtenaar, bedoeld in Hoofdstuk 2 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, een verzoek doet om deze gegevens in verband met de bevoegdheid op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en wanneer de door Onze Minister van Financiën aangewezen ontvanger of een andere aangewezen ambtenaar, bedoeld in Hoofdstuk 2 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, een verzoek doet om deze gegevens in verband met de bevoegdheid op grond van artikel 62, derde lid, van de Invorderingswet 1990;
- aa. de Politieacademie, bedoeld in artikel 73 van de Politiewet 2012, ten behoeve van de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de Politiewet 2012;
- ab. de korpschef, ten behoeve van de voordracht voor toekenning van de Eremedaille voor verdienste politie aan een ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 5, eerste lid van het Besluit tot een Eremedaille voor verdienste politie.
Politiegegevens, als bedoeld in het eerste lid kunnen, door tussenkomst van het openbaar ministerie, worden verstrekt aan de hierna te noemen personen of instanties:
- a. De Nederlandsche Bank N.V., ten behoeve van:
- 1°. het verkrijgen van inzicht in de voornemens, handelingen en antecedenten, bedoeld in artikel 5 van het Besluit prudentiële regels Wft, ter vaststelling van de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in de artikelen 3:9, eerste lid, en 3:99, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht of ter vaststelling van de betrouwbaarheid van een persoon op grond van een verordening als bedoeld in artikel 1:24, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht, en ter beoordeling van de integere bedrijfsuitoefening onderscheidenlijk de integere bedrijfsvoering, bedoeld in de artikelen 3:10, eerste lid, en 3:17, eerste lid, van die wet;
- 2°. het verkrijgen van inzicht in de voornemens, handelingen en antecedenten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregel inzake de betrouwbaarheid van (kandidaat)(mede)beleidsbepalers van en houders van gekwalificeerde deelnemingen in onder toezicht staande instellingen (Stcrt. 2005, 20), ter vaststelling van de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 10, tweede of derde lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018 en ter beoordeling van een integere uitoefening van het bedrijf als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van die wet;
- 3°. het verkrijgen van inzicht in de voornemens, handelingen en antecedenten, bedoeld in artikel 31 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, ter vaststelling van de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 105, vijfde lid, van de Pensioenwet en artikel 110, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en ter beoordeling van de beheerste en integere bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 143, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 138, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
- b. Onze Minister van Financiën, ten behoeve van het verkrijgen van inzicht in de voornemens, handelingen en antecedenten, bedoeld in artikel 2 van de Beleidsregel inzake de betrouwbaarheid van (kandidaat)(mede)beleidsbepalers van en houders van gekwalificeerde deelnemingen in onder toezicht staande instellingen (Stcrt. 2005, 20), ter vaststelling van de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikelen 2, tweede lid, onderdelen a, b, c of d, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren en ter beoordeling van de integere bedrijfsvoering, bedoeld in de artikelen 2, eerste en tweede lid, 4, tweede lid, 5, tweede lid, en 9, eerste lid, van die wet;
- c. de Stichting Autoriteit Financiële Markten, te behoeve van:
- 1°. het verkrijgen van inzicht in de voornemens, handelingen en antecedenten, bedoeld in artikel 12 van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, ter vaststelling van de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:10, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht of ter vaststelling van de betrouwbaarheid van een persoon op grond van een verordening als bedoeld in artikel 1:25, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht, en ter beoordeling van de integere bedrijfsuitoefening onderscheidenlijk de integere bedrijfsvoering, bedoeld in de artikelen 4:11, eerste lid, 4:14, eerste lid, en 4:15, eerste lid, van die wet;
- 2°. het verkrijgen van inzicht in de voornemens, handelingen en antecedenten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregel 06-01 betrouwbaarheid personen ex Wet toezicht accountantsorganisaties en Besluit toezicht accountantsorganisaties (Stcrt. 2006, 190), ter vaststelling van de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties en artikelen 5 van het Besluit toezicht accountantsorganisaties en ter beoordeling van de integere bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van die wet.
De politiegegevens, bedoeld in het tweede lid, worden door leden van het openbaar ministerie beoordeeld in het kader van de adviserende taak voor de uitvoering van de bovenbedoelde wetten en kunnen, in het kader van vorenbedoelde taak, worden verstrekt aan de personen en instanties, genoemd in het tweede lid. Aan de verstrekking van de politiegegevens kunnen door de leden van het openbaar ministerie nadere voorwaarden worden gesteld. Die voorwaarden kunnen onder meer betreffen het ter beschikking stellen of doorgeven van die gegevens of inlichtingen aan derden.
De politiegegevens, bedoeld in het tweede en derde lid, die zijn verstrekt aan de personen en instanties, bedoeld in het tweede lid, worden niet langer dan gedurende een termijn van twaalf maanden na de datum van verkrijgen bewaard. De gegevens kunnen langer worden bewaard met bijzondere toestemming van het openbaar ministerie. Daarbij kunnen nadere voorwaarden worden gesteld.
Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8, 9, 10, eerste lid, onderdelen a en c, en 13, eerste lid, van de wet, kunnen worden verstrekt aan de volgende personen en instanties, voor zover zij deze behoeven voor het nemen van de besluiten waarmee zij zijn belast op grond van de hiernavolgende wetten:
- –. Onze Minister van Justitie en Veiligheid, ten behoeve van:
- a. het nemen van een beslissing op grond van de Wet wapens en munitie;
- b. het nemen van een beslissing op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus;
- c. een onderzoek naar de betrouwbaarheid van een buitengewoon opsporingsambtenaar en het nemen van een beslissing hieromtrent op grond van de artikelen 17 en 35 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar;
- d. het nemen van beslissingen omtrent het register van verrichters en aanbieders van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden op grond van de Wet kwaliteit incassodienstverlening.
- –. Onze Minister van Defensie, ten behoeve van:
- a. het houden van toezicht op de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)