Besluit van 14 december 2007, houdende bepalingen ter uitvoering van de Wet politiegegevens (Besluit politiegegevens)
- b. het houden van toezicht op de naleving van de Wet wapens en munitie;
- c. het houden van toezicht op de naleving van de Wet explosieven voor civiel gebruik;
- d. de bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 opgedragen taken.
- –. de korpschef, ten behoeve van:
- a. het nemen van beschikkingen omtrent het verlenen of intrekken van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit op grond van de Omgevingswet;
- b. het nemen van een beslissing op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus;
- c. het nemen van beschikkingen omtrent het verlenen of intrekken van een erkenning op grond van de Wet explosieven voor civiel gebruik;
- d. het nemen van een beslissing omtrent de Wet wapens en munitie;
- e. de hem bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 opgedragen taken.
- –. de burgemeester, ten behoeve van het nemen van een beslissing omtrent:
- a. de verlening, weigering of intrekking van een vergunning of ontheffing op grond van de Alcoholwet;
- b. het nemen van een beslissing omtrent een vergunning op grond van de Wet op de kansspelen.
- –. de werkgever van een ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de wet, ten behoeve van het vaststellen en behandelen van bedrijfsziekten, bedrijfsongevallen of PTSS als uitvoering van de aan die werkgever opgelegde taak in de zin van hoofdstuk 2 Arbeidsomstandighedenwet.
Politiegegevens die worden verstrekt in de gevallen, bedoeld in het vijfde lid, kunnen tevens worden verstrekt aan een bestuursorgaan dat beslist naar aanleiding van een ingesteld bezwaar of administratief beroep.
Vervallen.
Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8, 9, 10, eerste lid, onderdelen a en c, en 13 van de wet kunnen, door tussenkomst van het openbaar ministerie, worden verstrekt aan bestuursorganen indien deze verstrekking noodzakelijk is voor de uitvoering van de aan hen opgelegde taak of taken, bedoeld in:
- i. de artikelen 7d, eerste lid, en 19, achtste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
- j. de artikelen 1a:6, eerste lid, aanhef en onderdeel f, 2:11, eerste lid, aanhef en onderdeel f, 3:5b en 3:19, elfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
- k. artikel 6, tweede lid, aanhef en onderdeel h, en artikel 6, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
- q. de artikelen 43, aanhef en onderdeel i, 49, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en 56, eerste lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
Artikel 4:4. Verstrekking politiegegevens artikelen 8, 9, 10 en 13 (artikel 18, eerste lid)
Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8, 9, 10 en 13 van de wet kunnen, voor zover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, worden verstrekt aan:
- a. Onze Minister van Justitie en Veiligheid en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, ten behoeve van het verrichten van dreiging- en risico-evaluaties en het vaststellen van bewakings- en beveiligingsopdrachten en adviezen door de evaluatiedriehoek, met het oog op het bewaken en beveiligen van personen, objecten en diensten;
- b. Onze Minister van Justitie en Veiligheid, ten behoeve van het nemen van een beslissing omtrent de toepassing van de artikelen 2 tot en met 4 van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding.
Artikel 4:5. Verstrekking artikel 9- of 10-gegevens op incidentele basis of ten behoeve van een samenwerkingsverband (artikel 21)
In de gevallen waarin de verwerkingsverantwoordelijke beslist tot verstrekking van politiegegevens op grond van artikel 19 of artikel 20, eerste lid, van de wet, worden geen politiegegevens verstrekt die worden verwerkt overeenkomstig artikel 9 of artikel 10 van de wet.
In afwijking van het eerste lid kan de verwerkingsverantwoordelijke beslissen tot verstrekking van politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig artikel 9 of 10, eerste lid, onderdelen a en c van de wet, indien dit strikt noodzakelijk is voor het doel van de verstrekking, na overleg met een functionaris die is aangewezen op grond van artikel 2:10.
Artikel 4:6. Rechtstreekse verstrekking politiegegevens (artikel 23, tweede en derde lid)
Aan de volgende daartoe bepaald aangewezen personen kunnen op grond van artikel 23, tweede lid, van de wet, rechtstreeks politiegegevens, die worden verwerkt op grond van de artikelen 8, 9 of 10, eerste lid, onderdelen a en c, en 13 van de wet worden verstrekt, voor zover zij deze behoeven voor de volgende doeleinden:
- a. de ambtenaren van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, ten behoeve van het doel, bedoeld in artikel 4:1, eerste lid, onderdeel a;
- b. de ambtenaren van Onze Minister van Buitenlandse Zaken, ten behoeve van het doel, bedoeld in artikel 4:1, eerste lid, onderdeel c;
- c. de personen, werkzaam bij de Financiële inlichtingen eenheid, ten behoeve van de taak van het meldpunt, bedoeld in artikel 13 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en artikel 3.2 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES;
- d. de ambtenaren die werkzaam zijn bij de nationale politiële contactpunten, bedoeld in artikel 5:3, vierde lid;
- e. de ambtenaren, werkzaam bij de Passagiersinformatie-eenheid, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven, ten behoeve van de in dat artikel bedoelde taken;
- f. de ambtenaren van Onze Minister van Justitie en Veiligheid, ten behoeve van het doel, bedoeld in artikel 4:3, eerste lid, onderdeel a, onder 4°, voor functies aangewezen op grond van artikel 35a, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;
- g. de functionarissen van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het ministerie van Justitie en Veiligheid, ten behoeve van het doel, bedoeld in artikel 4:3, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4;
- h. de door Onze Minister van Financiën aangewezen ambtenaren van de Douane, voor zover zij werkzaam zijn in de landelijke meldkamer van de Douane, ten behoeve van het doel, bedoeld in artikel 4:2, derde lid.
De op grond van artikel 4:3, vijfde lid, te verstrekken politiegegevens aan de korpschef of Onze Minister van Defensie kunnen op grond van artikel 23, derde lid, van de wet rechtstreeks worden verstrekt.
Artikel 4:7. Verstrekking politiegegevens ten behoeve van beleidsinformatie, wetenschappelijk onderzoek en statistiek (artikel 22, tweede lid)
Politiegegevens, die worden verwerkt op grond van de artikelen 8 en 13, eerste lid, van de wet, kunnen slechts worden verstrekt ten behoeve van beleidsinformatie en wetenschappelijk onderzoek en statistiek nadat aan de betrokken onderzoeker daartoe schriftelijk toestemming is verleend door:
- a. Onze Minister van Justitie en Veiligheid, indien het gegevens betreft die worden verwerkt met het oog op de uitvoering van een taak onder het gezag van de officier van justitie, of
- b. de burgemeester, indien het gegevens betreft die worden verwerkt met het oog op de uitvoering van een taak onder het gezag van de burgemeester.
De toestemming, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts gegeven indien
- a. het onderzoek het algemeen belang dient;
- b. de organisatie van de politie niet onnodig wordt belast;
- c. het onderzoek zonder de betrokken gegevens niet kan worden uitgevoerd, en
- d. de persoonlijke levenssfeer van de betreffende personen niet onevenredig wordt geschaad.
Aan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorwaarden worden verbonden.
De toestemming, bedoeld in het eerste lid, wordt ter kennis gebracht van de betreffende verwerkingsverantwoordelijke en geldt als machtiging tot het verstrekken van de omschreven gegevens.
Rechtstreekse benadering van personen, over wie politiegegevens worden verwerkt, door de onderzoeker vindt niet plaats, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan bij de toestemming ingevolge het eerste lid. Deze toestemming kan slechts worden verleend indien rechtstreekse benadering voor het doel van het onderzoek onvermijdelijk is.
Indien politiegegevens, als bedoeld in de artikelen 8, 9, 10 of 13 van de wet,.op grond van artikel 18, tweede lid, van de wet worden verstrekt ten behoeve van het in het eerste lid omschreven doel, is het bepaalde in het tweede, derde, vierde en vijfde lid van toepassing.
Artikel 4:8. Geheimhoudingsplicht
Bij de verstrekking van politiegegevens aan derden, op grond van de artikelen 19 en 20 van de wet, wijst de verwerkingsverantwoordelijke de betrokken personen en instanties op de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de wet.
Paragraaf 5. Verstrekking politiegegevens aan het buitenland
Artikel 5:1. Doorgiften aan derde landen (artikel 17a)
Aan de bevoegde autoriteiten in een derde land of aan internationale organisaties kunnen politiegegevens worden doorgegeven onder de algemene voorwaarde dat deze slechts kunnen worden verwerkt voor het doel waarvoor ze zijn doorgegeven. In bijzondere gevallen kunnen de doorgegeven gegevens verder worden verwerkt ten behoeve van de voorkoming van een onmiddellijke en ernstige bedreiging van de openbare veiligheid. Op verzoek van de ontvangende persoon of instantie kan de verwerkingsverantwoordelijke instemmen met de verdere verwerking van doorgegeven gegevens voor een ander doel voor zover dit noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de politietaak in dat land.
De doorgifte van politiegegevens, die worden verwerkt in verband met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde of de handhaving van de openbare orde, vindt plaats door tussenkomst van een landelijke eenheid als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet 2012. De doorgifte kan zonder tussenkomst van deze landelijke eenheid plaatsvinden overeenkomstig afspraken met politieautoriteiten in het derde land of met de betrokken internationale organisatie, voor zover deze afspraken zijn goedgekeurd door Onze Minister van Justitie en Veiligheid.
Politiegegevens die betrekking hebben op de in artikel 5 van de wet genoemde kenmerken worden slechts doorgegeven indien dit met het oog op een juiste beantwoording van een door een buitenlandse politieautoriteit gestelde vraag onvermijdelijk is.
Politiegegevens die worden verwerkt op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet worden niet doorgegeven. Doorgifte van gegevens die worden verwerkt op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel a of onderdeel c, van de wet vindt slechts plaats na instemming van de betrokken officier van justitie, respectievelijk de betrokken burgemeester.
De gegevens worden verstrekt onder de voorwaarde dat deze door de ontvangende autoriteit worden vernietigd zodra de doeleinden zijn verwezenlijkt. Indien dit uit de wet voortvloeit, kunnen bij de verstrekking termijnen worden gesteld, na afloop waarvan de verstrekte gegevens door de ontvangende autoriteit moeten worden vernietigd, behoudens wanneer verdere verwerking noodzakelijk is voor een lopend onderzoek, de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen.
Politiegegevens die worden verwerkt door de Financiële inlichtingen eenheid kunnen worden doorgegeven aan van overheidswege aangewezen administratieve of politiële meldpunten in derde landen die een vergelijkbare taak hebben als het meldpunt. Het bepaalde in het tweede lid vindt geen toepassing.
Als blijkt dat onjuiste gegevens zijn verstrekt deelt de verstrekkende autoriteit dit onverwijld mee aan de personen of instanties van de lidstaat aan wie de gegevens zijn verstrekt, met het verzoek de gegevens onmiddellijk te corrigeren, te wissen of af te schermen.
Artikel 5:2. Ontvangst politiegegevens derde landen
Indien politiegegevens zonder voorafgaand verzoek tot doorgifte worden ontvangen van een derde land of van een internationale organisatie, beoordeelt de ontvangende autoriteit in Nederland onmiddellijk of deze gegevens noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor zij zijn doorgegeven.
Indien krachtens het recht van het derde land specifieke beperkingen op de verwerking van politiegegevens gelden, ziet de ontvangende autoriteit in Nederland toe op inachtneming van de beperkingen indien deze door de doorgevende autoriteit zijn gemeld.
Indien politiegegevens worden ontvangen van een derde land of van een internationale organisatie, wordt de doorgevende instantie desgevraagd geïnformeerd over de verwerking van de doorgegeven gegevens en het daardoor behaalde resultaat.
Artikel 5:3. Doorzending politiegegevens aan andere lidstaten van de EU ten behoeve van strafrechtelijke handhaving rechtsorde (artikel 15a, tweede lid)
Aan personen of instanties in een andere lidstaat van de Europese Unie, die zijn belast met de voorkoming en opsporing van strafbare feiten in de betreffende lidstaat, worden politiegegevens doorgezonden onder gelijke voorwaarden als aan politieambtenaren in Nederland, voor zover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van die taak en behoudens de toepassing van de gronden, bedoeld in het tweede lid.
De doorzending kan worden geweigerd of aan beperkende voorwaarden worden onderworpen indien dit:
- a. een geval betreft als bedoeld in artikel 2:13;
- b. strijdig zou zijn met of schade zou toebrengen aan essentiële nationale veiligheidsbelangen;
- c. het welslagen van een lopend onderzoek naar een strafbaar feit of de veiligheid van een persoon in gevaar zou brengen;
- d. de beschermde essentiële belangen van een rechtspersoon disproportioneel zou schaden;
- e. betrekking heeft op een strafbaar feit dat in Nederland strafbaar is gesteld met een gevangenisstraf van een jaar of minder;
- f. betrekking heeft op een aangelegenheid die naar Nederlands recht geen strafbaar feit is;
- g. betrekking heeft op politiegegevens die uitsluitend kunnen worden doorgezonden na instemming van de officier van justitie en deze geen toestemming geeft voor de doorzending;
- h. betrekking heeft op politiegegevens die zijn verkregen van een andere lidstaat of van een derde land en deze geen toestemming geeft voor de doorzending;
- i. betrekking heeft op politiegegevens die niet behoren tot de in deel B van bijlage II bij Verordening (EU) 2016/794 opgesomde categorieën persoonsgegevens en niet nodig is voor, en niet in verhouding staat tot, het bereiken van het doel waarvoor om doorzending van de gegevens is verzocht.
Aan personen of instanties in een andere lidstaat, als bedoeld in het eerste lid, worden politiegegevens doorgezonden, voor zover zij deze behoeven ter voorkoming van strafbare feiten en ter handhaving van de openbare orde in verband met grootschalige evenementen. De politiegegevens kunnen uitsluitend worden doorgezonden indien definitieve veroordelingen of andere feiten het vermoeden rechtvaardigen dat de desbetreffende personen tijdens de evenementen strafbare feiten zullen plegen of dat zij een gevaar voor de openbare orde en veiligheid vormen. De politiegegevens worden doorgezonden onder de voorwaarde dat deze worden vernietigd zodra de doeleinden zijn verwezenlijkt, in elk geval uiterlijk na één jaar.
De gegevens worden doorgezonden onder de voorwaarde dat deze slechts kunnen worden verwerkt voor het doel waarvoor ze zijn doorgezonden.
De gegevens worden doorgezonden onder de voorwaarde dat deze door de ontvangende autoriteit worden vernietigd zodra de doeleinden zijn verwezenlijkt.
Indien dit uit de wet voortvloeit kunnen bij de doorzending termijnen worden gesteld, na afloop waarvan de doorgezonden gegevens door de ontvangende autoriteit moeten worden vernietigd, behoudens wanneer verdere verwerking noodzakelijk is voor een lopend onderzoek, de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen.
In afwijking van het vierde lid kunnen in specifieke omstandigheden door de doorzendende autoriteit specifieke beperkingen worden gesteld aan de verdere verwerking van de doorgezonden politiegegevens, voor zover deze beperkingen ook van toepassing zijn op de beschikbaarstelling van de gegevens aan andere politieambtenaren in Nederland.
Artikel 5:1, tweede, derde en vierde lid, en artikel 5:2 zijn van overeenkomstige toepassing.
In de grensgebieden kan de doorzending in verband met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde of de handhaving van de openbare orde zonder tussenkomst van een landelijke eenheid, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet 2012, plaatsvinden voor zover dit voortvloeit uit een verdrag waarbij ook België of Duitsland als verdragsluitende partij betrokken zijn of uit een besluit, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Op doorzending in de grensgebieden waarvoor geen tussenkomst van een landelijke eenheid, bedoeld in de vorige volzin, vereist is, is het tweede lid niet van toepassing.
Op een daartoe strekkend verzoek van de personen of instanties, bedoeld in het eerste lid, vindt doorzending van door de Financiële inlichtingen eenheid ter beschikking gestelde persoonsgegevens voor het gebruik van die gegevens voor een ander doel dan bedoeld in de artikelen 8, 9, 10 of 13 van de wet slechts plaats nadat daartoe toestemming is verleend door het hoofd van de Financiële inlichtingen eenheid.
De doorzending van politiegegevens met het oog op het voorkomen, onderzoeken, opsporen of vervolgen van terroristische misdrijven als bedoeld in de artikelen 83 en 83b van het Wetboek van Strafrecht, blijft voor zover het de personen betreft, bedoeld in bijlage II, deel B, punt 1, onder a en b, bij Verordening (EU) 2016/794 van 11 mei 2016, beperkt tot de categorieën persoonsgegevens die zijn vermeld in bijlage II, deel B, punt 2, bij die verordening. De vorige zin is niet van toepassing voor zover het doorzenden van de gegevens voortvloeit uit een rechtsinstrument betreffende de wederzijdse erkenning van beslissingen in strafzaken op grond van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of om het doorzenden van de gegevens is verzocht op grond van een toepasselijk verdrag.
Artikel 5:4. Ontvangst politiegegevens binnen de EU ten behoeve van strafrechtelijke handhaving rechtsorde
Indien politiegegevens worden ontvangen van een andere lidstaat van de Europese Unie ten aanzien van de verwerking waarvan door de bevoegde autoriteit van de doorzendende lidstaat op grond van het nationale recht specifieke voorwaarden zijn gesteld en de ontvangende autoriteit daarvan in kennis is gesteld, ziet de ontvangende bevoegde autoriteit in Nederland toe op de naleving van die voorwaarden.
Artikel 5:5. Rechtstreeks geautomatiseerde doorzending politiegegevens binnen de EU (artikel 15a, tweede lid)
Doorzending van politiegegevens betreffende de voorkoming en opsporing van strafbare feiten, aan politieautoriteiten in een andere lidstaat van de Europese Unie kan rechtstreeks plaatsvinden door middel van de geautomatiseerde vergelijking van de categorieën van politiegegevens, bedoeld in het tweede lid.
De vergelijking van gegevens, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats in afzonderlijke gevallen en betreft dactyloscopische gegevens.
Indien bij de gegevensvergelijking wordt vastgesteld dat gegevens overeenkomen dan worden uitsluitend de overeenkomende gegevens doorgezonden. Voor doorzending van nadere, met betrekking tot de overeenkomende gegevens beschikbare persoon- of zaaksgegevens is een verzoek, als bedoeld in artikel 5.1.1 van het Wetboek van Strafvordering, vereist. De verdere verwerking van de doorgezonden politiegegevens is uitsluitend toegestaan met het oog op:
- a. de vaststelling of de vergeleken profielen overeenstemmen;
- b. de voorbereiding en indiening van een verzoek om rechtshulp;
- c. de protocollering van de gegevens.
Na afloop van de gegevensvergelijking worden de doorgezonden gegevens onverwijld gewist, tenzij verdere verwerking noodzakelijk is ten behoeve van de doelen, als bedoeld in onderdeel b of c.
De doorzending vindt uitsluitend plaats aan ambtenaren die werkzaam zijn bij daartoe aangewezen nationale politiële contactpunten en die zijn geautoriseerd voor de geautomatiseerde vergelijking van de politiegegevens. De lijst van ambtenaren, die zijn geautoriseerd tot de geautomatiseerde bevraging of vergelijking als bedoeld in het eerste lid, wordt desgevraagd ter beschikking gesteld aan de andere lidstaten en aan de Autoriteit persoonsgegevens.
Artikel 23, vierde lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 6. Diversen
Artikel 6:1. Overeenkomstige toepassing informanten (artikel 12, vijfde lid)
Het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing op de volgende categorieën van personen:
- a. infiltranten;
- b. personen die in aanmerking zijn gebracht voor beschermingsmaatregelen, als bedoeld in het Besluit getuigenbescherming.
De verwerking, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, vindt slechts plaats omtrent:
- a. verdachten;
- b. personen in de omgeving van de verdachte wier handelen van invloed kan zijn op het doel van de verwerking, als bedoeld in het eerste lid, en de bescherming van de infiltrant;
- c. infiltranten;
- d. begeleiders;
- e. opsporingsambtenaren;
- f. leden van het openbaar ministerie.
De verwerking, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, vindt slechts plaats omtrent:
- a. getuigen ten aanzien van wie een dreiging bestaat;
- b. personen in de omgeving van de getuigen;
- c. verdachten;
- d. personen in de omgeving van de verdachte wier handelen van invloed kan zijn op het doel van de verwerking, als bedoeld in het eerste lid, en de bescherming van de getuige;
- e. begeleiders;
- f. opdrachtgevers.
Artikel 6:2. Ondersteunende taken (artikel 13, vierde lid)
Over de verwerkingen bedoeld in artikel 13, eerste, tweede en derde lid, van de wet, wordt tevoren schriftelijk vastgelegd:
- a. ten behoeve van welk specifiek doel ter ondersteuning van de politietaak de gegevens verder worden verwerkt;
- b. de categorieën van personen over wie gegevens ten behoeve van het betreffende doel verder worden verwerkt en de soorten van de over hen op te nemen gegevens;
- c. de termijn waarbinnen dan wel de gevallen waarin het verder verwerken van de betreffende gegevens wordt beëindigd;
- d. de frequentie waarmee de gegevens ter voldoening aan de onder c bedoelde verplichting tot beëindiging van de verwerking worden gecontroleerd;
- e. de verantwoordelijke of verantwoordelijken die de gegevens verder verwerken;
- f. indien sprake is van een bewerker, degene die als bewerker optreedt.
Artikel 6:3. Vergoeding van kosten (artikel 31, eerste lid)
Vervallen
Artikel 6:4. Documentatieplicht (artikel 32, vijfde lid)
De schriftelijke vastlegging van het doel van het onderzoek, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de wet, omvat een omschrijving van het onderwerp waar het onderzoek op is gericht en op welk deel van de uitoefening van de politietaak het onderzoek betrekking heeft.
Indien politiegegevens op grond van paragraaf 3 van de wet worden verstrekt, worden van die verstrekking de volgende gegevens vastgelegd:
- a. de identiteit van de verzoeker;
- b. de datum van de verstrekking;
- c. een omschrijving van de verstrekte gegevens;
- d. het doel van de verstrekking.
Indien politiegegevens op grond van paragraaf 3 van de wet rechtstreeks langs geautomatiseerde weg, als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet worden verstrekt, worden van die verstrekking de volgende gegevens vastgelegd:
- a. een uniek kenmerk van de verzoeker;
- b. de gegevens die ten behoeve van de gegevensvergelijking door de verzoeker zijn ingebracht;
- c. de gegevens op grond waarvan kan worden nagegaan welke gegevens naar aanleiding van de gegevensvergelijking zijn verstrekt inclusief de mededeling van het niet voorhanden zijn van een gegeven;
- d. de datum en het tijdstip van de verstrekking.
De verplichtingen van het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op de verstrekking van gegevens op grond van artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van de wet.
Artikel 6:5. Audits (artikel 33, vijfde lid)
De controle heeft betrekking op de wijze waarop het verwerken van politiegegevens is georganiseerd, de maatregelen en procedures die daarop van toepassing zijn en de werking van deze maatregelen en procedures.
Een onafhankelijke auditor die voldoet aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen van werkwijze, deskundigheid en betrouwbaarheid voert de controle uit.
De hercontrole, bedoeld in artikel 33, derde lid, van de wet, vindt plaats op bij ministeriële regeling te bepalen wijze.
Bij ministeriële regeling kan bepaald worden dat ter voorbereiding op de controle, bedoeld in het eerste lid, interne audits plaatsvinden en kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop deze audits worden verricht.
Artikel 6:6. Gegevensverwerking door de Financiële inlichtingen eenheid
Bij de Financiële inlichtingen eenheid worden persoonsgegevens verwerkt over de volgende categorieën van personen:
- a. personen ten aanzien van wie een melding heeft plaatsgevonden van een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie;
- b. personen die als opdrachtgever, begeleider, tussenpersoon, begunstigde of lastgever betrokken zijn bij een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie;
- c. personen, ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat van het plegen van een misdrijf en personen die zijn veroordeeld terzake van het plegen van een misdrijf, indien noodzakelijk voor het doel van de Financiële inlichtingen eenheid;
- d. personen, die betrokken zijn bij een verrichte of voorgenomen financiële transactie, ten aanzien waarvan een melding heeft plaatsgevonden op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES of bij een meldpunt in een land binnen het Koninkrijk of in een ander land;
- e. personen, die betrokken zijn bij een verdachte transactie;
- f. personen, die werkzaam zijn bij de Financiële inlichtingen eenheid, bij de politie, bij justitie, bij een instantie belast met het toezicht op de personen en instellingen die onder de wettelijke meldplicht vallen dan wel met enige publiekrechtelijke taak, bij een instelling of bij een buitenlands meldpunt, die als contactpersoon optreden voor wat betreft de verstrekking van gegevens door of aan het meldpunt;
- g. personen, ten aanzien van wie een voor het doel van het meldpunt relevante relatie met een gemelde ongebruikelijke transactie bekend is geworden of vermoedelijk bekend zal worden, en deze relatie een andere is dan die bedoeld in de voorgaande onderdelen.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden verwijderd zodra zij niet langer noodzakelijk zijn voor het doel van de verwerking. De gegevens worden vernietigd uiterlijk vijf jaar na de datum van laatste opneming.
Paragraaf 6. Diversen
Artikel 7:1. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet politiegegevens in werking treedt.
Artikel 7:2. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit politiegegevens.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 4:3a. (verstrekking aan BES)
Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8, 9, 10, eerste lid, onderdelen a en c en 13 van de wet kunnen worden verstrekt aan leden van het openbaar ministerie met het oog op het verder verstrekken aan het openbaar ministerie in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba ten behoeve van de adviserende taak van laatstbedoeld openbaar ministerie in het kader van de uitvoering van de wetten, genoemd in artikel 6a:6, tweede lid, onderdelen a en b, en, door tussenkomst van dat openbaar ministerie in het kader van vorenbedoelde taak, verder worden verstrekt aan:
- a. de Nederlandsche Bank ten behoeve van de uitoefening van de taken, genoemd in artikel 6a:6, tweede lid, onderdeel a.
- b. de Autoriteit Financiële Markten ten behoeve van de uitoefening van de taken, genoemd in artikel 6a:6, tweede lid, onderdeel b.
Artikel 4:3, derde en vierde lid, is van toepassing.
Paragraaf 5. Doorgifte aan en ontvangst uit derde landen
Paragraaf 6. Diversen
Paragraaf 6. Diversen
Artikel 6a:1. (toepasselijkheid op Bonaire, Sint Eustatius en Saba)
Dit besluit is mede van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba met inachtneming van het in deze paragraaf bepaalde met dien verstande dat voor de toepassing of lezing van een aantal bepalingen in dit besluit artikel 36b onderscheidenlijk artikel 36c, eerste lid, van de wet in acht moet worden genomen.
Artikel 6a:2. (omzetting bepalingen naar toepasselijkheid Bonaire, Sint Eustatius en Saba)
Voor de toepassing van:
- a. artikel 2:4, eerste lid, wordt in plaats van «de ambtenaren van politie die werkzaam zijn bij een daartoe ingericht team dat specifiek is belast met de verwerking van politiegegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet» gelezen: de daartoe door de verwerkingsverantwoordelijke aangewezen ambtenaren van politie;
- b. artikel 2:5, eerste lid, wordt in plaats van «de ambtenaren van politie die zijn belast met de verwerking van politiegegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de wet» gelezen: de daartoe door de verwerkingsverantwoordelijke aangewezen ambtenaren van politie;
- c. artikel 2:5, tweede lid, wordt in plaats van «de ambtenaren van politie die zijn belast met de verwerking van politiegegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de wet» gelezen: de daartoe door de verwerkingsverantwoordelijke aangewezen ambtenaren van politie;
- d. artikel 2:7, eerste lid, wordt in plaats van «artikel 14, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme» gelezen: artikel 3:3, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES;
- e. artikel 2:8 wordt in plaats van «kunnen worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die werkzaam zijn bij een team dat met de uitvoering van deze taak is belast» gelezen: kunnen daartoe door de verwerkingsverantwoordelijke aangewezen ambtenaren van politie worden belast;
- f. artikel 2:10, tweede lid, wordt in plaats van «het hoofd van het betreffende team dat is belast met de verwerking van politiegegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen a, b of c, van de wet, dan wel het hoofd van een team met een vergelijkbare taak of hun plaatsvervanger» gelezen: de ambtenaren van politie die daartoe door de verwerkingsverantwoordelijke zijn aangewezen;
- g. artikel 2:13, eerste lid, onderdeel c, wordt in plaats van «de korpschef» gelezen: de korpsbeheerder;
- h. artikel 2:13, eerste lid, onder d, wordt in plaats van «rijksrecherche» gelezen «recherche» en in plaats van «het College van procureurs-generaal» gelezen: de procureur-generaal;
- i. artikel 2:13, eerste lid, onder f, wordt in plaats van «het College van procureurs-generaal» gelezen: de procureur-generaal;
- j. vervallen;
- k. artikel 2:13, tweede lid, onderdeel c, wordt in plaats van «artikel 16, eerste lid, onderdeel a» gelezen «artikel 36d, eerste lid, onderdeel a» en in plaats van «artikel 3:1» gelezen: artikel 6a:3;
- l. artikel 4:1, eerste lid, onderdeel b, wordt in plaats van «artikel 1, onderdeel h, van de Luchtvaartwet» gelezen «artikel 1, eerste lid, onderdeel i van de Luchtvaartwet BES» en wordt in plaats van «Opiumwet» gelezen: Opiumwet 1960 BES;
- m. artikel 4:2, eerste lid, onderdeel aa, wordt in plaats van «bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene douanewet» gelezen: bedoeld in artikel 1.1, onderdeel h, van de Douane- en Accijnswet BES;
- n. artikel 4:7, eerste lid, onder b, wordt in plaats van «de burgemeester» telkens gelezen: de gezaghebber;
- o. artikel 5:1, eerste lid, onder c, wordt in plaats van «artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Politiewet 2012» gelezen: artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
- p. artikel 5:1, tweede lid, wordt in plaats van «een landelijke eenheid als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet 2012» gelezen «de officier van justitie» en vervalt de tweede zin;
- q. artikel 5:1, vierde lid, wordt in plaats van «burgemeester» gelezen: gezaghebber;
- r. artikel 6:4, vierde en vijfde lid, wordt telkens na «paragraaf 3» ingevoegd: en artikel 36d;
- s. artikel 6:4, zesde lid, wordt in plaats van «artikel 16, eerste lid, onderdeel c,» gelezen: artikel 36d, eerste lid, onderdeel a,;
- t. artikel 6:6, eerste lid, onderdeel d, wordt in plaats van «op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES» gelezen: op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.
De artikelen 2:3, derde lid, 2:4, tweede lid, 4:2, derde en vierde lid, 4:3, derde tot en met zesde lid, 4:3a, 4:4, tweede gedachtestreepje, 4:6, eerste lid, onderdeel d, 4:7, eerste lid, onderdeel b, 5:1, vierde lid, 5:2, 5:3, 5:4, 5:5 en 6:1, eerste lid, onder b, en derde lid zijn niet van toepassing
Artikel 6a:3. Ernstige inbreuk rechtsorde misdrijven (artikel 10, eerste lid, onderdeel a, onder 3°)
In afwijking van artikel 3:1 zijn de misdrijven, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, onder 3° juncto artikel 36c, eerste lid, onderdeel c, van de wet die gezien hun aard of samenhang met andere door de betrokkene begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren:
- a. de misdrijven bedoeld in de artikelen 324, onderdelen 4° en 5°, en artikel 431 van het Wetboek van Strafrecht BES, voor zover de feiten een schade van ten minste USD 14 000 veroorzaakt hebben en betrokkene tevens een misdrijf als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, juncto artikel 36c, eerste lid, onderdeel c, van de wet heeft begaan;
- b. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 246, 253, 256, 256a, 257, 258 en 286f van het Wetboek van Strafrecht BES;
- c. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 183, 184, 377 en 379 van het Wetboek van Strafrecht BES en de artikelen 185 en 186 van het Wetboek van Strafrecht BES in verband met de artikelen 187 en 188 van dat wetboek;
- d. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 230, 231, 232, 236 en 237 van het Wetboek van Strafrecht BES, voor zover de feiten een schade van ten minste USD 28 000 veroorzaakt hebben;
- e. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 196a en 203a van het Wetboek van Strafrecht BES;
- f. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 3a, eerste lid en 4, eerste lid, onderdelen b, c en d, telkens onder A van de Opiumwet 1960 BES;
- g. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 3 en 5 van de Vuurwapenwet BES, voor zover de feiten betrekking hebben op het voorhanden hebben van vuurwapens en explosieven.
Artikel 6a:4. Ernstig gevaar rechtsorde misdrijven (artikel 10, eerste lid, onderdeel b)
In afwijking van artikel 3:2 zijn de categorieën van misdrijven, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet, die door hun omvang of ernst of hun samenhang met andere misdrijven een ernstig gevaar voor de rechtsorde opleveren:
- a. terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 84a van het Wetboek van Strafrecht BES;
- b. mensenhandel als bedoeld in artikel 286f van het Wetboek van Strafrecht BES;
- c. mensensmokkel als bedoeld in artikel 203a van het Wetboek van Strafrecht BES;
- d. de omkoping van een ambtenaar als bedoeld in de artikelen 183, eerste lid, 183a eerste lid, 378, eerste lid, en 379, eerste lid, van een toekomstig ambtenaar als bedoeld in de artikelen 183, tweede lid, 183a, tweede lid, 378, tweede lid, en 379, tweede lid, of van een voormalig ambtenaar als bedoeld in de artikelen 184a, tweede lid, en 380a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht BES.
Artikel 6a:5. Verstrekking politiegegevens artikelen 8 en 13, eerste lid (artikel 18, eerste lid)
In afwijking van artikel 4:2, eerste lid, kunnen politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8 en 13, eerste lid, van de wet en voor zover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, worden verstrekt aan:
- a. het Waarborgfonds Motorverkeer, als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen BES, voor zover het betreft gegevens omtrent de personalia en de verblijfplaats van benadeelden en zij deze gegevens behoeven voor de hulp aan benadeelden ten behoeve van het geldend maken van een recht op schadevergoeding, als bedoeld in artikel 17 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen BES;
- b. degene die namens een reclasseringsinstelling reclasseringswerkzaamheden verricht ten behoeve van die werkzaamheden;
- c. de voogdijraad ten behoeve van de uitvoering van één van de bij wet aan de voogdijraad opgedragen taken;
- d. Onze Minister van Asiel en Migratie ten behoeve van het verwerken van gegevens omtrent de identiteit van vreemdelingen en de verdere verstrekking van die gegevens aan instanties die zijn betrokken bij de uitvoering van de Wet toelating en uitzetting BES, ten behoeve van de vaststelling van de identiteit vreemdelingen, en aan andere instanties met een publieke taak belast, ten behoeve van registratie, identificatie en verificatie van vreemdelingen, hun documenten of hun verblijfsrechtelijke positie;
- e. de Onderzoeksraad voor veiligheid, bedoeld in artikel 2, van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid, ten behoeve van de uitvoering van de in die wet opgedragen taken;
- f. benadeelden van strafbare feiten, waaronder begrepen de personen die in verband met die feiten in hun rechten zijn getreden of ingevolge enige wettelijke bepaling terzake van die rechten een recht van verhaal hebben gekregen, voor zover zij deze gegevens behoeven om in rechte voor hun belangen op te kunnen komen;
- g. de door Onze Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen organisatie, ten behoeve van de verzending van beschikkingen en transacties en de tenuitvoerlegging van ontnemings- en schadevergoedingsmaatregelen;
- h. de Dienst Terugkeer en Vertrek, voor zover het betreft gegevens over vreemdelingen die zijn verkregen in het kader van de uitoefening van het toezicht, bedoeld in artikel 22a van de Wet toelating en uitzetting BES, of de opsporing van strafbare feiten, ten behoeve van de begeleiding van de terugkeer of het vertrek uit de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van vreemdelingen die geen toelating tot verblijf hebben;
Artikel 4:2, tweede lid, is van toepassing.
Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8 en 13, eerste lid, van de wet kunnen, voor zover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, worden verstrekt aan de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid respectievelijk Onze Minister van Financiën aangewezen ambtenaren, die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen BES respectievelijk de hoofdstukken I en VIII van de Belastingwet BES ten behoeve van de inschatting van de veiligheidsrisico’s met betrekking tot de uitoefening van vorenbedoeld toezicht.
Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8 en 13, eerste lid, van de wet, kunnen worden verstrekt aan de basisadministratie persoonsgegevens van een van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, bedoeld in artikel 2 van de Wet basisadministraties persoonsgegevens BES, met het oog op de signalering van veranderingen in de gegevens die in de basisadministraties zijn opgenomen.
Artikel 6a:6. Verstrekking politiegegevens artikelen 8, 9, 10 en 13 (artikel 18, eerste lid)
In afwijking van artikel 4:3, eerste lid, kunnen politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8, 9, 10, eerste lid, onderdelen a en c juncto artikel 36c, eerste lid, onder c, en 13 van de wet en voor zover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, worden verstrekt aan:
- a. Onze Minister van Justitie en Veiligheid, ten behoeve van:
- –. de uitvoering van artikel 5, eerste lid, van de Gratiewet;
- –. de beoordeling van de benoeming, de herbenoeming of het ontslag van de leden van de commissies van toezicht bij de gestichten, bedoeld in artikel 41 van de Wet beginselen gevangeniswezen BES;
- –. het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES;
- –. de taakuitvoering van de Financiële inlichtingen eenheid;
- b. de directeuren van de gestichten, bedoeld in artikel 2 van de Wet beginselen gevangeniswezen BES en de functionarissen van de Dienst Justitiële inrichtingen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, ten behoeve van:
-
- het nemen van beslissingen over hetzij de aanstelling of het ontslag van personeel, hetzij de toelating tot het gesticht van personen die niet worden ingesloten in het gesticht, voor zover dat noodzakelijk is voor de orde of veiligheid in het gesticht respectievelijk de voorziening;
-
- het nemen van beslissingen over het verlaten van het gesticht bij wijze van verlof;
-
- het treffen van maatregelen met betrekking tot de voorkoming van strafbare feiten door of met betrekking tot gedetineerden, de handhaving van de orde en veiligheid in het justitiële gesticht, of de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming;
- c. Onze Minister van Justitie en Veiligheid, ten behoeve van de erkenning, bedoeld in artikel 22va van de Luchtvaartwet BES, en de commandant van de Koninklijke marechaussee, voor zover de uitoefening van die bevoegdheid aan hem is gemandateerd;
- d. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ten behoeve van het verrichten van een onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid ten aanzien van ambtenaren van politie van het politiekorps voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
- e. de Immigratie- en Naturalisatiedienst, ten behoeve van het nemen van beslissingen omtrent de toelating, het verblijf of de ongewenstverklaring, als bedoeld in de Wet toelating en uitzetting BES, de Rijkswet op het Nederlanderschap of een verdrag dan wel een voor Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, als bedoeld in artikel 25 van de Wet toelating en uitzetting BES;
- f. de Rijksvertegenwoordiger en de gezaghebber van Bonaire, Sint Eustatius of Saba, ten behoeve van hun adviserende taak, bedoeld in het Reglement op de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau;
- g. gedragsdeskundigen, voor zover het betreft auditieve of audiovisuele registraties van het verhoor van een persoon naar aanleiding van een ernstig strafbaar feit, voor het beoordelen van het verhoor en het opstellen van een deskundigenrapportage ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek of het onderzoek ter terechtzitting;
- h. Onze Minister van Justitie en Veiligheid, ten behoeve van het verrichten van een onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid ten aanzien van personen die anders dan als ambtenaar van politie werkzaamheden verrichten voor het politiekorps voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba alsmede buitengewone agenten van politie;
- i. de Rijksdienst Caribisch Nederland door tussenkomst van het openbaar ministerie indien deze verstrekking noodzakelijk is voor de uitvoering van de aan die dienst opgelegde taak of taken, bedoeld in:
- –. artikel 8, eerste lid, onderdeel d, en artikel 10a, eerste lid, van de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES;
- –. artikel 5, vijfde lid, en artikel 13, eerste lid, onderdeel d, van de Wet kinderbijslagvoorziening BES;
In afwijking van artikel 4:3, tweede lid, kunnen politiegegevens als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt aan leden van het openbaar ministerie ten behoeve van de adviserende taak in het kader van de uitvoering van de hierna te noemen wetten en door tussenkomst van dat openbaar ministerie in het kader van vorenbedoelde taak, verder worden verstrekt aan:
- a. de Nederlandsche Bank, ten behoeve van:
- –. het verkrijgen van inzicht in de voornemens, handelingen en antecedenten, bedoeld in artikel 3:1 van het Besluit financiële markten BES, ter vaststelling van de betrouwbaarheid van een persoon, als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Wet financiële markten BES;
- –. het verkrijgen van inzicht in de voornemens, handelingen en antecedenten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit Pensioenwet BES, ter vaststelling van de betrouwbaarheid van een persoon, als bedoeld in artikel 5a, vijfde lid, Pensioenwet BES;
- b. de Autoriteit Financiële Markten, ten behoeve van het verkrijgen van inzicht in de voornemens, handelingen en antecedenten, bedoeld in artikel 3:1 van het Besluit financiële markten BES, ter vaststelling van de betrouwbaarheid van een persoon, als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Wet financiële markten BES.
Aan de verdere verstrekking van de op grond van het tweede lid verstrekte politiegegevens kunnen door het openbaar ministerie nadere voorwaarden worden gesteld. Die voorwaarden kunnen onder meer betreffen het ter beschikking stellen of doorgeven van die gegevens of inlichtingen daarover aan derden.
De op grond van het tweede lid verstrekte gegevens worden door de in dat lid genoemde personen en instanties niet langer dan gedurende een termijn van twaalf maanden na datum van verkrijgen bewaard. Gegevens die door de leden van het openbaar ministerie verder zijn verstrekt, kunnen langer worden bewaard met bijzondere toestemming van het openbaar ministerie. Daarbij kunnen nadere voorwaarden worden gesteld.
Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8, 9, 10, eerste lid, onderdelen a en c, en 13, eerste lid, van de wet, kunnen worden verstrekt aan Onze Minister van Justitie en Veiligheid en de gezaghebber, ten behoeve van het nemen van een beslissing op grond van de Wapenwet BES en de Vuurwapenwet BES. Deze gegevens kunnen tevens worden verstrekt aan een bestuursorgaan dat beslist naar aanleiding van een ingesteld administratief beroep.
Artikel 6a:7. (verstrekking aan Europese deel van Nederland)
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)