Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Landbouwstructuurbeleid vanaf 1945 (Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek)
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 06-12-2007, nr. aca-2007.04114/3);
Besluit:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Landbouwstructuurbeleid over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Landbouwstructuurbeleid
Basisselectiedocument voor het beleidsterrein landbouwstructuurbeleid 1945–
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV)
Minister van Economische Zaken (EZ)
Minister van Financiën
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)
Minister van Verkeer en Waterstaat (V&W)
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM)
Produktschap Vee en Vlees (PVV) en Produktschap Pluimvee en Eieren (PPE)
Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO)
Stichting zeldzame huisdierrassen
Stichtingen Proefstations
Stichtingen Regionale Onderzoekscentra
PWAA/Rotterdam
Definitie van het BSD
Een Basis Selectiedocument (BSD) is de vorm waarin een of meerdere selectielijst(en), bedoeld in artikel 5 van de Archiefwet 1995 (Stb. 277), worden vastgesteld. Een selectielijst biedt de grondslag voor het vernietigen dan wel het ter blijvende bewaring overbrengen van de neerslag van handelingen van een zorgdrager en de onder hem ressorterende actoren. Een BSD kan bestaan uit één of meer selectielijsten.
Een BSD is gebaseerd op een vastgesteld Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) en bestrijkt dezelfde periode als dit rapport. Eventuele afwijkingen hiervan worden in het verslag van het driehoeksoverleg verantwoord.
Een BSD bevat in principe dezelfde handelingen als het RIO dat aan het BSD ten grondslag ligt. Eventuele afwijkingen hierop worden in het verslag van het gevoerde driehoeksoverleg verantwoord. Indien het RIO een begin- en eindperiode vermeldt wordt de eindperiode niet overgenomen in het BSD, omdat dit ten onrechte zou suggereren dat alle handelingen afgesloten zijn. Een dergelijke wijziging heeft een praktisch nut en betekent geen nader institutioneel onderzoek.
Het handelingenblok wijkt in zoverre af van dat van het RIO dat een veld voor de waardering wordt toegevoegd (zie leeswijzer onder 3.8).
In het veld ‘waardering’ wordt aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden, en welk bewaarcriterium of vernietigingstermijn gehanteerd wordt. De waardering B (= bewaren) betekent dat de neerslag voor permanente bewaring wordt overgebracht naar de Rijksarchiefbewaarplaatsen. De waardering V (= vernietiging) betekent dat de neerslag wordt vernietigd. Op welke termijn dat gebeurt, wordt bij de waardering vermeld. Bij voorkeur wordt ook het ingangsmoment vastgelegd (bijv. 3 jaar na vaststelling nieuwe regeling). Zonder nadere aanduiding gaat de vernietigingstermijn in direct na afsluiting van de zaak waarop een dossier betrekking heeft.
Anders dan in het RIO worden in het BSD de handelingen per actor geordend. Indien een BSD bestaat uit lijsten voor actoren onder verschillende zorgdragers, worden deze per zorgdrager geordend. Hiermee wordt uitdrukking gegeven aan het uitgangspunt dat een selectielijst een eenheid is, bevattende handelingen van een zorgdrager en de onder hem ressorterende actoren. Anders gezegd: een selectielijst kan opgebouwd zijn uit (deel)lijsten voor verschillende actoren die onder dezelfde zorgdrager ressorteren.
Functies van het BSD
Het BSD heeft de volgende functies:
Verantwoording
Voor u ligt het Basis Selectie Document (BSD) Landbouwstructuurbeleid. Het BSD is gebaseerd op het rapport institutioneel onderzoek (RIO) nummer 158 ‘Landbouwstructuurbeleid. Een institutioneel onderzoek naar het handelen van de overheidsorganen op het beleidsterrein landbouwstructuurbeleid 1945–2000’. Het BSD bestrijkt dezelfde periode. Het RIO is in 2001 en 2002 geschreven door drs. A. Mul, drs. S. Aarts, drs. E. Verheijen en J.H. van Tol.
N.B. Per abuis zijn in het RIO twee handelingen weggevallen, handeling 1 en 2. Als gevolg hiervan komen de nummers van het BSD niet overeen met die in het RIO. Het verschil is steeds exact 2: handeling nummer 1 in het RIO is handeling nummer 3 in het BSD etc. In het RIO is een erratum bijgevoegd.
Een aantal actoren uit het RIO is om uiteenlopende reden niet in het BSD opgenomen.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven gaat een eigen BSD opstellen. Ook de handelingen van de actor Gedeputeerde Staten wordt niet in het BSD opgenomen. De actoren Landbouwschap en Landelijke Stichtingen vallen onder de selectielijst van de SER.
Voorts valt de actor Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek (NRLO) onder het zorgdragerschap van TNO, dat een eigen selectielijst heeft. Een deel van het archief van TNO is reeds bij het Nationaal Archief. Hiertoe behoren ook stukken van de Nationale Raad voor landbouwkundig onderzoek uit de periode 1958–1980. Er komt een nieuwe selectielijst voor de TNO, derhalve hoeft deze zorgdrager niet te worden meegenomen in de selectielijst voor het beleidsterrein Landbouwstructuurbeleid.
Diverse actoren zijn niet in het BSD opgenomen, aangezien deze van na 2000, het jaar tot waar het RIO loopt, dateren. Dit betreft de actoren Denkgroep-Wijffels, Praktijkonderzoek Plant & Omgeving (PPO) en het Praktijkonderzoek Veehouderij (PV).
De bedrijfsschappen zijn wel benaderd met de vraag of ze wilden meeliften met het vaststellingstraject van dit BSD, maar hier is geen gebruik van gemaakt.
Van de actor(en) Produktschappen komt alleen het Produktschap Vee en Vlees en Produktschap Pluimvee en Eieren (PVV/PPE) in het BSD voor. De overige produktschappen beschikken reeds over een BSD of zullen dit binnenkort doen, of hebben te kennen gegeven niet mee te willen liften.
Een groot aantal actoren die in het Actorenoverzicht van het RIO niet staan vermeld maar bij diverse handelingen wel als actor optreden, zijn in het BSD opgenomen. Het gaat om de volgende actoren:
Voor de Minister van LNV is een nieuwe handeling opgenomen, ‘Het voeren van overleg met belangenorganisaties’. Deze handeling (nummer 547) komt in het BSD na handeling 9.
Voor de actoren Commissie voor Marktstructuur en Projecten Advies Commissie (PAC), die wel in het overzicht van het RIO staan beschreven maar waar geen handelingen voor waren opgenomen, zijn nieuwe handelingen geformuleerd. Deze actoren staan in deel B. Voor de actor Commissie voor Marktstructuur is de volgende handeling met het nummer 548 geformuleerd: ‘Het adviseren van de Minister van LNV over ingediende projecten ter verbetering van de agrarische marktstructuur’.
Voor de actor Projecten Advies Commissie (PAC) is de volgende handeling met het nummer 549 geformuleerd: ‘Het adviseren van de Minister van LNV over ingediende projecten ter verbetering van de agrarische marktstructuur’.
Een deel van de handelingen die vallen onder het zorgdragerschap van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu die opgenomen zijn in dit selectiedocument, zijn reeds verwerkt. Het gaat om de handelingen 334, 335, 336 en 338.
Een deel van de handelingen die vallen onder het zorgdragerschap van de Minister van Financiën die zijn opgenomen in het RIO Landbouwstructuurbeleid, zijn opgenomen in het rapport Materiele oorlogs- en watersnoodschade (RIO nummer 128). Het gaat om de handelingen 327, 328, 331, 332, 333, 337 en 340.
Doel en de werking van het BSD
De voorliggende selectielijst geldt voor alle actoren onder de archiefzorg van de Minister van LNV. Elke actor selecteert de neerslag van zijn handelen binnen het beleidsterrein Landbouwstructuurbeleid voortaan met deze lijst. Voor handelingen op andere beleidsterreinen gelden andere selectielijsten.
Enkele in het oog springende kenmerken van een selectielijst zijn de volgende.
Afbakening van het beleidsterrein
Het beleidsterrein Landbouwstructuurbeleid heeft raakvlakken met veel andere beleidsterreinen.
Afbakening ten opzichte van andere beleidsterreinen wordt bemoeilijkt door enkele factoren. In de eerste plaats bestaat er geen geïnstitutionaliseerd landbouwstructuurbeleid, in de zin dat er een duidelijk omschreven en afgepaald beleidsterrein met een uitgewerkt wettelijk kader is. De keuze van wat onder landbouwstructuurbeleid valt, is derhalve niet altijd een eenvoudige zaak. In de tweede plaats is het landbouwstructuurbeleid nauw verweven met andere beleidsterreinen. Zo zullen maatregelen die vanuit een beleidsterrein als Landinrichting worden uitgewerkt, van invloed zijn op de landbouwstructuur. Hetzelfde kan worden gezegd van het mestbeleid, dat consequenties heeft voor de omvang van bijvoorbeeld de varkenshouderij. Andere maatregelen, zoals braakleggings- en rooipremieregelingen, kunnen worden opgevat als onderdeel van landbouwstructuurbeleid of als onderdeel van markt- en prijsbeleid. Leidraad zal in principe moeten zijn de motivering en de doelstellingen van de instrumenten. Een andere complicerende factor is dat de doelstellingen van het landbouwstructuurbeleid in de loop der tijd zijn verbreed. Het gaat niet alleen meer om productiviteitsverhoging en (daarmee) inkomenswaarborging, maar ook om milieubehoud, beheer van landschap en natuur, enz..
Feitelijk grijpen de verschillende beleidsterreinen dus steeds meer op elkaar in en bestaat ‘het’ beleidsterrein Landbouwstructuurbeleid uit een groeiend aantal deelbeleidsterreinen.
Agrarisch onderwijs, Bosbouw, Gewasbescherming, Gezondheid en welzijn van dieren, Grondprijsbeleid. Landinrichtingsbeleid, Markt- en prijsbeleid,
Meststoffenbeleid, Milieubeheer, Natuur- en landschapsbeheer, Pachtbeleid, Relatienotabeleid, Visserij, Voedselveiligheid
Sommige productschappen, waaronder het HPA, hebben op de eigen taak en organisatie gerichte rapporten institutioneel onderzoek. Op basis daarvan zijn eigen selectielijsten gemaakt.
Zie het bijbehorende Rapport Institutioneel Onderzoek voor een uitgebreide beschrijven van de afbakening.
Doelstelling en beleidsinstrumenten
Landbouwstructuurbeleid is een van de pijlers van landbouwbeleid, samen met markt- en prijsbeleid. Om inzicht te krijgen in wat landbouwstructuurbeleid inhoudt, moet eerst duidelijk zijn wat wordt verstaan onder landbouwstructuur.1De opvattingen over grenzen en doelstellingen van het agrarisch structuurbeleid zijn in de loop der tijd veranderd en ook in de literatuur lijkt hierover eenduidigheid te ontbreken. In dit hoofdstuk is ervoor gekozen een combinatie van een aantal min of meer met elkaar overeenkomende opvattingen tot een enkele, hanteerbare omschrijving om te smeden. Daarbij zal opvallen dat de economische invalshoek voor de begripsbepaling overheerst. In het verdere contextverhaal wordt die als vanzelf aangevuld c.q. genuanceerd. Een definitie daarvan luidt als volgt: de ordening van het geheel van productiefactoren dat ten behoeve van de voortbrenging van land- en tuinbouwproducten wordt aangewend2Van den Brink 1990.. Landbouwstructuurbeleid is dan aan te merken als de door de overheid met bepaalde middelen en in een bepaalde tijdsvolgorde nagestreefde directe en doelgerichte beïnvloeding van de landbouwstructuur3Idem.. Dit gebeurt door ondersteuning van en ingrijpen in de structuur van de agrarische productie, verwerking en afzet.
Een EEG-verordening uit 1964 noemt onderwerpen die door het landbouwstructuurbeleid worden bestreken:
In de landbouwbegroting van 1971–1972 meldde de Minister dat het structuurbeleid ‘een krachtige ontwikkeling’ had doorgemaakt. Het landbouwstructuurbeleid richtte zich, zo staat in de nota, op de volgende hoofdpunten: a.) begeleiding van afvloeiing, omscholing, bedrijfsbeëindiging, en b.) begeleiding van de ontwikkeling van potentieel gezonde bedrijven (innovatie, ontwikkeling, marktstructuur). Deze tweedeling is altijd terug te vinden geweest, al is de ontwikkelingskant van het landbouwstructuurbeleid sterk dominant geworden.
Het gaat bij structuurbeleid dus om de manier waarop de productiefactoren ondernemerschap (incl. kennis), arbeid, grond en kapitaal optimaal kunnen worden gecombineerd en gericht op de functies die het landbouwbeleid te vervullen heeft.
Zie het bijbehorende Rapport Institutioneel Onderzoek voor een uitgebreide beschrijven van de de doelstelling.
Vaststellingsprocedure
In sepetmber 2006 is het ontwerp-BSD door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedeselkwaliteit aan de Minister van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 oktober 2007 lag de selectielijst gedurende zes weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van de studiezaal en op de website van het Nationaal Archief evenals op de website van het Ministerie van OCW, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.
Op 6 december bracht de RvC advies uit (aca-2007.04114/3), hetwelk aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:
- handeling 126 ((Het aanleggen van gegevensverzamelingen voor meerdere landbouwkundige onderzoeken) wordt niet opgenomen in deze selectielijst. Na nader onderzoek naar de neerslag van deze handeling die een weloverwogen selectiebeslissing mogelijk moet maken, zal de handeling bij een actualisatie van deze selectielijst worden vastgesteld.
Daarop werd het BSD op 15 februari 2006 door de wnd. algemene rijksarchivaris, namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit [C/S&A/08/95], de Minister van Economische Zaken [C/S&A/08/96], de Minister van Financiën [C/S&A/08/97], de Minister van Onderwijs, Cultuur & Wetenschappen[C/S&A/08/98] , de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [C/S&A/08/406], de Minister van Verkeer en Waterstaat [C/S&A/08/408], de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu [C/S&A/08/407], de Produktschappen Vee, Vlees en Eieren[C/S&A/08/409], de Stichting zeldzame huisdierrassen [C/S&A/08/410] en de Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek [C/S&A/08/411] vastgesteld.
De actoren op het beleidsdsterrein
In dit BSD wordt de neerslag beschreven van de handelingen van ondermeer de onderstaande actoren:
1. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
2. Actoren die vallen onder het zorgdragerschap van de Minister van LNV
Adviescommissie Borgstellingsfonds
Adviescommissie Milieuvriendelijke Agrificatie
Adviescommissie Nieuwe agrarische schadeverzekeringen
Beoordelingscommissie vernieuwing landelijk gebied
Beoordelingscommissies investeringsprojecten
Bodemkundig Instituut
Commissie Herstructurering Melkveehouderij (Commissie-Koopmans)
Commissie Organisatie Slachthuiswezen / Herstructurering Slachthuiswezen (Commissie-Franke)
Commissie van advies van de proefstations voor landbouwkundig onderzoek en het Bodemkundig Instituut
Commissie van Advies voor de Agrarische Marktstructuur
Commissie van Advies voor de Rijksdienst voor Landbouwherstel
Commissie voor Marktstructuur
Herstructureringscommissies voor de Akkerbouw
Interdepartementale Stuurgroep Agrificatie
Landelijke Raad voor de Bedrijfsontwikkeling
Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek (NRLO)
Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Landbouw (O&S-fonds)
Proefstations voor het Controle-onderzoek
Proefstations voor Landbouwkundig Onderzoek
Programmacommissie IOP-Koolhydraten
Projecten Advies Commissie (PAC)
Provinciale Adviescommissies
Provinciale raden voor de Bedrijfsontwikkeling
Provinciale raden voor de Rijkslandbouwvoorlichting
Raad voor het Landelijk Gebied
Raad voor het Natuurbeheer
Raden voor de Bedrijfsontwikkeling
Rijksdienst voor Landbouwherstel
Sectorale adviescommissies
Stichting Borgstellingfonds voor de Landbouw
Stichting Dienst Landbouwvoorlichting
Stichting voor de Landbouw
Structuurcommissies
Stuurgroep Arbo-convenant Agrarische sectoren
Stuurgroep Heroriëntatie Pluimveehouderij (Commissie –Alders)
Tijdelijke begeleidingscommissies herstructurering veehouderij
Werkgroep Arbo-projecten
3. Overige actoren
Actoren onder de zorg van de Minister van Economische Zaken (EZ):
Minister van EZ
Herstructureringsmaatschappij (NEHEM)
Structuurcommissies
Stuurgroep Integraal Structuurplan Noorden des Lands
Actoren onder de zorg van de Minister van Financiën:
Minister van Financiën
Werkgroep ‘Fiscale opties bij herstructurering op bedrijfsniveau in de land- en tuinbouw’
Actoren onder de zorg van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW):
Minister van OCW)
Stuurgroep Innovatiegerichte Onderzoeksprogramma’s
Actoren onder de zorg van de Minister van Sociale Zaken & Werkgelegenheid (SZW)
Minister van SZW
Actoren onder de zorg van de Minister van Verkeer & Waterstaat (V&W)
Minister van V&W
Actoren onder de zorg van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM)
Minister van VROM
Overige actoren
Adviescommissie Borgstellingsfonds
Noordbrabantse en zuidelijke adviescommissies
Productschap voor Vlees en Vee en Productschap Pluimvee en Eieren (PVV/PVE)
Raad van Toezicht van de Stichting DLO
Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO/WUR)
Stichting Zeldzame Huisdierrassen
Stichtingen Proefstations
Stichtingen Regionale Onderzoekscentra
Selectiedoelstelling
De doelstelling van het Nationaal Archief bij de selectie van overheidsarchieven is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.
Deze selectiedoelstelling wordt in het BSD toegepast op het betreffende beleidsterrein.
Selectiecriteria
Om de selectiedoelstelling te bereiken worden de handelingen in het BSD gewaardeerd aan de hand van de onderstaande algemene selectiecriteria. Deze criteria zijn in 1997 door het Convent van Rijksarchivarissen vastgesteld en geaccordeerd door PC DIN en KNHG.
Handelingen die gewaardeerd worden met B(ewaren)
Algemene selectiecriteria
Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.
Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.
Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren
Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.
Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.
Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt
Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.
Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten
Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de Ministeriele verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.
Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.
Leeswijzer
Deze leeswijzer maakt duideljk welke informatie in een handelingenblok te vinden is.
(X): Dit is het volgnummer van de handeling.
Dit nummer is overgenomen uit het RIO. Als het volgnummer van één of meerdere handelingen in het BSD afwijkt van het oorspronkelijke RIO-nummer, dan wordt deze vermeld in een concordans.
Handeling: Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid.
In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces.
Bijvoorbeeld: Het voorbereiden, coördineren en bepalen van het beleid inzake geluidshinder.
Periode: Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht.
Is geen specifiek beginjaar bekend dan wordt een beginjaar geschat, of 1945– genoemd. Wanneer er geen eindjaar staat vermeld wordt de handeling nog steeds uitgevoerd.
Grondslag: Dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht
Bijvoorbeeld: Reclasseringsregeling 1947, art. 9, lid 2 (Stb. 1947, H 423), Reclasseringsregeling 1970, art. 8, lid, lid 3 (Stb. 1969, 598), gewijzigd 1978 (Stb. 1978, 254), vervallen in 1986 (Stb. 1986, 1)
Product: Hier achter staat het product vermeld waarin de handeling resulteert of zou moeten resulteren.
Opsommingen geven een indicatie van de producten en zijn niet altijd uitputtend. Vaak wordt volstaan met een algemeen omschreven eindproduct Toepassing is afhankelijk van de zorgdrager.
Opmerking: Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer (een onderdeel van) het handelingenblok toelichting behoeft.
Waardering: Waardering van de handeling in B (bewaren) of V (vernietigen).
Indien vernietigen, dan vermelding van de vernietigingstermijn, zonodig aangevuld met een bewerkingsinstructie, bijvoorbeeld: ‘v 5 jaar na voltooiing project’.
Indien bewaren, dan vermelding van het gehanteerde selectiecriterium.
Eventueel een nadere toelichting op de waardering.
Bij diverse handelingen staat het begin- en of eindjaar tussen […] vermeld. Dit betekent dat het juiste jaartal niet meer precties viel te achterhalen, het aangegeven jaar dient derhalve als indicatief te worden beschouwd.
Actorenoverzicht
De primaire actor op het beleidsterrein Landbouwstructuurbeleid is de Minister van LNV, die regelgeving van diverse aard en voor diverse sectoren heeft doen uitgaan. Echter, ook andere Ministers spelen in toenemende mate een belangrijke rol, die te maken heeft met de inbedding van het beleidsterrein in het werkterrein van andere Ministers.
Met de actor Minister van LNV wordt niet alleen deze bewindsman bedoeld, maar tevens het ondersteunende ambtelijke apparaat. Hoewel dit een aantal ambtelijke functionarissen met zelfstandige bevoegdheden bevat, zoals de directeur I&H, de directeur LNO en de secretaris-generaal, worden ze niet als zelfstandige actoren beschouwd: ze staan immers onder gezag van de Minister. Wel worden deze organisatie-onderdelen in voorkomend geval onder het handelingenblok genoemd, indien zij belast zijn met de uitvoering van de handeling.
Na de Tweede Wereldoorlog kende het Ministerie verschillende benamingen:
In dit document wordt steeds de aanduiding Minister van LNV gebruikt, waarmee dus ook de taakvoorgangers onder andere benamingen worden bedoeld.
In algemene zin zijn de directie Juridische Zaken en de directie Voorlichting betrokken bij alle beleidsterreinen waarop het Ministerie van LNV verantwoordelijk is. Ook bij het landbouwstructuurbeleid, derhalve.
De directie Juridische Zaken (en taakvoorgangers) behandelt alle juridische aangelegenheden op het gebied van wetgeving, rechtsbescherming e.d. Taakvoorgangers van de directie Juridische Zaken zijn:
De directie Voorlichting (en taakvoorgangers) is belast met de interne en externe voorlichting en communicatie (zowel beleid als activiteiten) van het kerndepartement. Taakvoorgangers van de directie Voorlichting zijn:
Wat betreft het landbouwstructuurbeleid spelen verschillende directies een rol. De centrale coördinatie lag steeds bij een algemene directie (directoraat-generaal van de Landbouw en de Voedselvoorziening) en taakvoorgangers, sinds 1995 bij de directie Landbouw.
Complicerende factor vormen de vele reorganisaties en de verschuiving van taken. In onderstaande schema’s wordt – zonder pretentie van compleetheid – in grote lijnen aangegeven welke organisatie-onderdelen voor verschillende aspecten van het landbouwstructuurbeleid verantwoordelijk zijn geweest.
De OVO-onderdelen ‘voorlichting’ en ‘onderzoek’ zijn altijd belangrijk geweest, zij het dat het karakter ervan aan veranderingen onderhevig is geweest. Voorlichting is lang geïntegreerd geweest in het takenpakket van verschillende directies en niet afzonderlijk bij een directie ondergebracht. Vanaf 1963 is er een directie die het toegepaste en strategische onderzoek coördineert. Dit neemt echter niet weg dat de afzonderlijke vakdirecties voorlichting en praktijkonderzoek als taakonderdelen blijven houden.
De volgende organisatie-onderdelen zijn in de loop der tijd belast geweest met landbouwvoorlichting en onderzoek:
Met ingang van augustus 1993 is de Dienst Landbouwvoorlichting (DLV) geprivatiseerd en omgezet in de Stichting Landbouwvoorlichting DLV.
Tussen 1946 en 1976 kende het Ministerie steeds een aparte afdeling of directie voor agrarische handel en nijverheid. Om de belangen van deze bedrijfstak in nauwere samenhang met de primaire landbouwproductie te kunnen behartigen, werden in 1971 de directies Agrarische Handel en Nijverheid (AHN) en Bedrijfsontwikkeling samengevoegd in de directie Agrarische Productie, Verwerking en Afzet (APVA). In 1976 werd de agrarische handel en industrie weer afgezonderd van de primaire productie, dit keer onder toevoeging van de exportbevorderende activiteiten. Zo ontstond de directie Verwerking en Afzet van Agrarische Producten (VAAP), die in 1991 de naam Industrie en Handel (I&H) kreeg.
Sinds 1945 hebben de volgende organisatieonderdelen van het Ministerie van LNV taken uitgeoefend met betrekking tot de verwerking en afzet van agrarische producten.
De uitvoering van Ministeriële regelingen werd tot de jaren ’90 intern gecoördineerd. Daarna zijn daartoe aangewezen verzelfstandigde instanties daarmee belast.
Met de uitvoering van landbouwstructurele regelingen waren binnen het Ministerie van LNV vanaf eind jaren ’60 achtereenvolgens de volgende organisatie-onderdelen expliciet belast:
In 1995 was het de Dienst Uitvoering Regelingen (DUR) die zich bezighield met de uitvoering regelingen. Deze dienst ging in 1996 over in LASER, dat in 1999 een agentschap is geworden.
De DUR nam in 1995 eveneens uitvoerende taken over van de directeur Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie die tot het Provinciaal apparaat Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie (LNO) behoorde. Sindsdien voerde de DUR investeringsbijdrageregelingen uit die de modernisering en verbetering van de landbouwstructuur tot doel hadden.
Deze commissie bestond van 1964 tot 1968. Zij adviseerde het bestuur van het Borgstellingsfonds over beleidsaspecten.
Deze commissie van deskundigen uit het bedrijfsleven en onderzoeksinstellingen adviseerde de Minister over toekenning van bijdragen krachtens de Stimuleringsregeling milieuvriendelijke agrificatie (in 1990 ingesteld door de Minister van LNV, Stcrt. 1990, 118).
Vanaf 1998 adviseert deze commissie de Minister van LNV over verzekeringsovereenkomsten, op grond waarvan subsidieverlening kan worden aangevraagd.
Deze commissie is in 1997 ingesteld door de Minister van LNV. Sindsdien geeft ze advies aan de Minister van LNV over het beslissen op aanvragen voor subsidies voor de uitvoering van innovatieprojecten (het geheel van landbouwkundige vernieuwingen en vernieuwingsprocessen in het landelijk gebied).
De Minister van LNV heeft deze commissies ingesteld die hem sinds 1997 adviseren over het beslissen op aanvragen voor een bijdrage in de kosten van investeringen ter modernisering van de landbouw-, de visserij- en de bosbouwsector.
Het Bodemkundig Instituut ressorteerde onder de in 1915 ingestelde Dienst der Rijkslandbouwproefstations (Stb. 1915, 387; opgeheven bij Stb. 1979, 484). De grondslag voor het handelen van het Bodemkundig Instituut werd gevormd door het Besluit tot regeling van de dienst der Rijkslandbouwproefstations. In dit Besluit werd een onderscheid gemaakt tussen proefstations voor landbouwkundig onderzoek en proefstations voor controle-onderzoek. Het Bodemkundig Instituut hield zich bezig met het opstellen van instructies voor de overige ambtenaren en rijkswerklieden van de proefstations en het Instituut zelf. Tevens stelde het Instituut praktijkgerichte landbouwkundige onderzoeksplannen op. De zorg voor het archief lag bij het Ministerie van Landbouw.
In het jaar 2000 stelde de Minister van LNV de Commissie Herstructuring Melkveehouderij in (Stcrt. 2000, 166). De commissie adviseert de Minister over stimulerende maatregelen in het kader van de herstructurering van de melkveehouderij.
Deze commissie was de opvolger van de Commissie Organisatie Slachthuiswezen. Het eindrapport van de commissie werd uitgebracht in 1976 (Stcrt. 1976, 134). De conclusie luidde dat de openbare slachthuizen niet meer door de lokale en andere overheden gesubsidieerd zouden moeten worden en overgenomen dienen te worden door het bedrijfsleven. Verder zou het aantal slachthuizen drastisch moeten worden verminderd.
Deze commissie, ingesteld in 1926, adviseerde de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) over de werkplannen van de proefstations en andere voor de proefstations van het landbouwkundig onderzoek en het Bodemkundig Instituut van belang zijnde aangelegenheden. In 1979, toen de proefstations stichtingen werden, hield de commissie op te bestaan.
De Minister van Landbouw stelde in 1964 de Commissie van Advies voor de Agrarische Marktstructuur in (Stcrt. 1964, 67), met als doel hem te adviseren over de toepassing van Europese Verordening 17/64/EEG. Het ging om steunverlening aan projecten die de aanpassing en verbetering van de commercialisatie van de landbouw bevorderden, of die de afzetstructuur van agrarische producten verbeterden. Aanvankelijk werd de commissie ook gevraagd om criteria op te stellen waaraan de projecten zouden moeten voldoen.
Voorzitter was de DG van de directie Voedselvoorziening. De commissie bestond verder uit de voorzitters van een vijftal productschappen en leden die benoemd werden door centrale organisaties van het bedrijfsleven. Daarnaast waren er adviserende leden van de departementen van Landbouw, Economische Zaken, Buitenlandse Zaken en Financiën. De commissie is later ‘opgevolgd’ door de zogenoemde Projecten Advies Commissie (PAC).
Van 1945 tot 1956 adviseerde de commissie van Advies voor de Rijksdienst voor Landbouwherstel de Minister van LNV over het landbouwherstel. Het secretariaat werd gevoerd door de Rijksdienst voor Landbouwherstel
De in 1964 ingestelde Commissie van Advies voor de Agrarische Marktstructuur (zie desbetreffende actorbeschrijving) werd in 1968 gesplitst in een zogenaamd ‘gesprekcentrum met landbouw, handel en industrie’ en een Commissie voor Marktstructuur. In het eerste bespraken vertegenwoordigers van het bedrijfsleven structurele ontwikkelingen met het Ministerie van Landbouw, terwijl de Commissie voor Marktstructuur zich alleen richtte op de advisering over ingediende projecten ter verbetering van de agrarische marktstructuur. Deze commissie, bestaande uit vertegenwoordigers van de overheid en van productschappen, is naderhand Projecten Advies Commissie (PAC) gaan heten.
De Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) bestaat vanaf 1990. De directie Landbouwkundig Onderzoek (DLO) waar de dienst uit ontstond, is voortgekomen uit de Hoofddirectie Landbouwvoorlichting en Onderzoek. Per 1-1-1989 is de directie DLO opgesplitst in de Dienst Landbouwkundig Onderzoek en de Directie Wetenschap en Technologie (DWT).
Veel onderzoeksinstellingen van het Ministerie van LNV werden onder de koepel van de dienst DLO gebracht. In de loop van 1999 zijn de DLO-instituten verzelfstandigd. Deze instituten maken thans deel uit van de WUR (Wageningen Universiteit & Researchcentrum). De archieven vallen tot medio 1999 onder de archiefzorg van LNV.
Door de Provinciale Raden voor de Bedrijfsontwikkeling zijn herstructureringscommissies ingesteld. Deze commissies hebben in totaal negen herstructureringsplannen voor de akkerbouw ingediend. Zij omvatten hiermee alle akkerbouwgebieden. De herstructureringsplannen bevatten een visie op de gewenste ontwikkelingen waar specifieke knelpunten liggen en hoe deze knelpunten moeten worden opgelost. Er werden overigens geen aparte archieven voor deze plannen aangelegd, de neerslag bevindt zich bij de Provinciale Raden voor de Bedrijfsontwikkeling.
In de Toelichting Stimuleringsregeling milieuvriendelijke agrificatie (1989) en in de Notitie Agrificatie (1993) werd de oprichting aangekondigd van een interdepartementale stuurgroep milieuvriendelijke agrificatie. Deze moest functioneren als overlegkader voor agrificatie binnen de overheid, in het bijzonder tussen de departementen van LNV, VROM en EZ. De stuurgroep zou moeten adviseren en de inzet van overheidsinstrumentarium coördineren, mogelijke belemmeringen ten aanzien van agrificatie onderzoeken, buitenlandse ontwikkelingen signaleren en fungeren als aanspreekpunt voor bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.
Ingesteld bij beschikking nr. J 2558 van 4 oktober 1968 van de Minister van Landbouw en Visserij.
De raad heeft als taak zich in het bijzonder te beraden over de wijze waarop de activiteiten van de overheid en het georganiseerde bedrijfsleven op het terrein van de voorlichting en het praktijkonderzoek, de activiteiten van het Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Landbouw en de activiteiten van het Borgstellingsfonds voor de Landbouw, zowel ieder voor zich als in hun onderlinge samenhang, een zo groot mogelijke bijdrage kunnen leveren aan de bedrijfsontwikkeling in de landbouw. Andere taken zijn de Minister van Landbouw, organisaties uit het bedrijfsleven en de besturen van bovengenoemde fondsen te informeren en adviseren, en richtlijnen geven aan de Provinciale Raden voor de Bedrijfsontwikkeling.
De raad is ingevolge de Aanpassingswet herziening adviesstelsel (Stb. 1997, 63) per 1 januari 1997 van zijn landelijke beleidsadviestaak ontheven.
Vanuit het landbouwMinisterie waren verschillende organisatie-onderdelen belast met aangelegenheden rond de landelijke raad: van 1971 tot 1976 de hoofddirectie Agrarische Productie, Verwerking en Afzet, van 1976 tot 1984 de directie Bedrijfsstructurele Aangelegenheden, van 1984 tot 1995 het Stafbureau Lavo (secretariaatsvoering), later opgegaan in de Directie Landbouw.
De NRLO is een van de zogeheten sectorraden: adviesorganen voor de beleidsvoering inzake onderzoek en ontwikkeling op diverse beleidsterreinen. De NRLO is onafhankelijk van het Ministerie van LNV hoewel ze daar wel door bekostigd wordt en ook onafhankelijk van de kennisinstellingen.
De NRLO is een samenwerkingsorganisatie van alle bij het landbouwkundig onderzoek betrokkenen: onderzoeksorganisaties, maatschappelijke organisaties en overheidsorganisaties. De raad heeft als opdracht een optimale ontwikkeling van het landbouwkundig onderzoek te bevorderen.
De taken zijn het verrichten van verkenningen van maatschappelijke, wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen, en de Minister van Landbouw en andere deelnemende organisaties desgevraagd of eigener beweging adviseren over de beleidsinvoering inzake onderzoek en ontwikkeling op het werkterrein van de NRLO.
De Stichting Landbouwkundig Onderzoek was de voorganger van de NRLO. Zij had tot doel het verrichten, doen verrichten of op andere wijze bevorderen van wetenschappelijk onderzoek in het belang van de landbouw.
De NRLO maakte aanvankelijk deel uit van TNO, totdat de TNO-wet van 1985 bepaalde dat de NRLO als onderzoekscoördinerende organisatie niet meer paste binnen de hoofdtaak van TNO. Daarom werd met ingang van 1987 een NRLO-nieuwe stijl ingesteld door de Minister van LNV (Stcrt. 1986, 208), in 1994 gewijzigd door de Regeling NRLO (Stcrt. 1994, 251). De Ministers van VROM en OCW benoemen ieder een lid (vanaf 1994 alleen een adviserend lid); de Minister van LNV benoemt de overige leden en voorziet in een secretariaat.
De NRLO draagt sinds 2001 de naam Innovatienetwerk Groene Ruimte en Agrocluster. De Minister van LNV is feitelijk zorgdrager voor dit archief, gedelegeerd aan de voorzitter.
Van 1955 tot 1964 adviseerde de Noordbrabantse/zuidelijke adviescommissies het bestuur van het Borgstellingsfonds over individuele aanvragen tot borgstelling.
Het O&S-fonds werd in 1963 (overigens zonder wettelijke grondslag) opgericht en heeft tot doel de ontwikkeling en sanering van de landbouw te bevorderen. In het bestuur hebben ambtenaren zitting; de voorzitter is de DG Landbouw.
Het O&S-fonds is een stichting die in het kader van het structuurbeleid een aantal (met name ook uit Europese regelgeving – zoals de sociaal-structurele richtlijnen uit 1972 – voortvloeiende) overheidsmaatregelen verder uitwerkt. Zij maakt gebruik van de organen van het Ministerie van LNV voor het realiseren van haar doelen.
De taakomschrijving was: allocatie van gelden voor het stimulerings-, sanerings- en herstructureringsbeleid voor de verschillende landbouwsectoren. De gelden worden door de stichting uit eigen hoofde verstrekt aan individuele bedrijven. Zij richtte zich aanvankelijk vooral op sanering, d.w.z. bedrijfsvergroting door beëindiging van niet-levensvatbare landbouwbedrijven. Vanaf de tweede helft van de jaren ‘70 werd de tweede taak, modernisering en innovatie, belangrijker. Al met al kan worden gesteld dat het O&S-fonds een van de belangrijkste actoren is op het beleidsterrein Landbouwstructuurbeleid.
Alle bestuursbesluiten zijn integraal terug te vinden in de (bijlagen bij) de jaarverslagen van het O&W-fonds, reden waarom in de meeste gevallen daarnaar wordt verwezen.
Tal van directies zijn in de loop der tijd belast geweest met aangelegenheden betreffende het O&S-fonds. Tot 1971 was de directie Algemene Zaken van het directoraat-generaal voor de Landinrichting en de Visserijen verantwoordelijk voor aangelegenheden betreffende het fonds, met dien verstande dat het ontwikkelingsgedeelte onder de hoede stond van de directie Bedrijfsontwikkeling (1968–1970). De directie Algemene Zaken, Milieu en Planologie (AMP) – hetzelfde DG – hield zich daar van 1971 tot 1983 mee bezig, terwijl ook de directie Agrarische Produktie, Verwerking en Afzet dossiers van O&S-projecten had. In 1984 was het de directie Algemene Zaken/Lavo die fondszaken in portefeuille had. Van 1988 tot 1995 waren met O&S-taken belast het Stafbureau Lavo (secretariaatsvoering) en de directie Uitvoering Regelingen (rapportering, financieel beheer en administratie). LASER is in 1997 gemandateerd (Stcrt. 1997, 12) om namens het O&S-fonds beslissingen te nemen ten aanzien van een groot aantal regelingen, waaronder het Besluit structuurverbetering landbouwbedrijven, het Besluit landbouwbedrijven met ontwikkelingsmogelijkheden en de Stimuleringsregeling grote innovatieprojecten.
Vanaf 1926 was het de taak van de proefstations voor het controle-onderzoek het op aanvraag onderzoeken van de proefnemingen uitgevoerd door de proefstations voor het landbouwkundig onderzoek en het Bodemkundig Instituut en het opsporen van vervalsingen. Samen met de proefstations voor landbouwkundig onderzoek ressorteerden de proefstations voor het controle-onderzoek onder de Dienst der Rijkslandbouwproefstations. In 1979 werden de proefstations stichtingen.
De taak van deze proefstations bestond uit het opstellen van de instructies voor de betrokken ambtenaren en rijkswerklieden van de proefstations voor landbouwkundig onderzoek en het Bodemkundig Instituut en het opstellen van het huishoudelijk reglement. Daarnaast werden op de praktijkgericht landbouwkundige onderzoeksplannen opgesteld.
Samen met de proefstations voor het controle-onderzoek ressorteerden de proefstations voor landbouwkundig onderzoek onder de Dienst der Rijkslandbouwproefstations. In 1979 werden de proefstations stichtingen.
In 1979 kwam het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen met de nota Technologische Innovatie (Innovatie. Het overheidsbeleid inzake technologische vernieuwing in de Nederlandse samenleving), waarin een nieuw instrument werd geïntroduceerd: het innovatiegerichte onderzoeksprogramma (IOP). Het doel van die programma’s was het ontwikkelen van technische en wetenschappelijke achtergrondkennis en expertise ten behoeve van de consolidatie en groei van vooral de Nederlandse industrie, landbouw en dienstverlening. Er werd een interdepartementale stuurgroep Innovatiegerichte Onderzoeksprogramma’s ingesteld, waarin de Ministeries van Onderwijs en Wetenschappen en Economische Zaken vertegenwoordigd waren.
De in 1964 ingestelde Commissie van Advies voor de Agrarische Marktstructuur (zie desbetreffende actorbeschrijving) werd in 1968 gesplitst in een zogenaamd ‘gesprekcentrum met landbouw, handel en industrie’ en een Commissie voor Marktstructuur. In het eerste bespraken vertegenwoordigers van het bedrijfsleven structurele ontwikkelingen met het Ministerie van Landbouw, terwijl de Commissie voor Marktstructuur zich alleen richtte op de advisering over ingediende projecten ter verbetering van de agrarische marktstructuur. Deze commissie, bestaande uit vertegenwoordigers van de overheid en van productschappen, is naderhand Projecten Advies Commissie (PAC) gaan heten.
Deze door het Ontwikkelings- & Saneringsfonds ingestelde commissies (meteen al bij Bestuursbesluit nr. 1 van 10 maart 1964) zijn belast met het uitbrengen van adviezen over ingediende aanvragen voor een bijdrage uit het O&S-fonds. Een PAC kan een aanvraag afwijzen of ter goedkeuring voorleggen aan de betreffende directeur, die namens het O&S-bestuur beslist.
Zie: Landelijke Raad voor de bedrijfsontwikkeling. De provinciale raden, in 1962 voortgekomen uit de Provinciale Landbouwvoorlichtingsraden, adviseerden het bestuur van het Borgstellingsfonds vanaf 1963 over aanvragen. Een provinciale raad was samengesteld uit vertegenwoordigers van de landbouworganisaties, de banken en een vertegenwoordiger van de Minister van Landbouw (de HID –Hoofd-ingenieur directeur- voor de Bedrijfsontwikkeling en taakopvolgers).
Vanaf de jaren ’70 gaven de provinciale raden eveneens advies aan bij de uitvoering van het sociaal beleid en bij de uitvoering van het moderniseringsbeleid betrokken LNV-directeuren (vanaf 1971 de directeur Agrarische produktie, Verwerking en Afzet en diens taakopvolgers). Het advies van de provinciale raden had onder meer betrekking op het beslissen op aanvragen voor een bijdrage voor de ontwikkeling van bedrijfsverzorgingsverenigingen en het beslissen op aanvragen voor een bijdrage voor investeringen ter modernisering van de landbouwstructuur.
De Provinciale Raden zijn in 1995 opgeheven.
In 1955 werden de Provinciale Raden voor de Rijkslandbouwvoorlichting ingesteld. Deze raden voerden overleg met betrekking tot problemen op het gebied van de landbouwvoorlichting in de betrokken provincies. In 1968 werd de naam gewijzigd in Provinciale Raden voor de Bedrijfsontwikkeling.
In 1997 werd de Raad voor het Landelijk Gebied officieel bij wet ingesteld. Het werkterrein van de raad betreft het hele beleidsveld van het Ministerie van LNV. De leden van de raad zijn onafhankelijk en de raad heeft een eigen secretariaat. In de jaren ’90 gaf de Raad voor het Landelijk gebied onder meer advies aan de Minister van LNV over plattelandsontwikkeling. Vanaf het jaar 2000 adviseert de raad de Minister van LNV over het maatschappelijk verantwoord produceren en de toekomst van de dierhouderij in Nederland.
De Raad voor het Natuurbeheer adviseert sinds 1996 de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) over plattelandsontwikkeling.
In respectievelijk 1953 en 1955 werden Landelijke en Provinciale Raden voor de Rijkslandbouwvoorlichting (vanaf 1968 Raden voor de Bedrijfsontwikkeling) ingesteld.
De raden adviseerden de Minister over de wijze waarop de activiteiten van de overheid en het georganiseerde bedrijfsleven op het terrein van de voorlichting en het praktijkonderzoek, de activiteiten van het Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Landbouw en de activiteiten van het Borgstellingsfonds voor de Landbouw, zowel ieder voor zich als in hun onderlinge samenhang, een zo groot mogelijke bijdrage zouden kunnen leveren aan de bedrijfsontwikkeling in de landbouw.
De Landelijke Raad voor de Bedrijfsontwikkeling in de Landbouw is per 1 januari 1997 opgeheven. De Provinciale Raden zijn bijna allemaal in 1995 opgeheven.
De Rijksdienst voor Landbouwherstel werd in 1945 ingesteld en in 1956 opgeheven. Aan de dienst werd de behandeling van alle materiële agrarische defensie-, oorlogs- en bezettingsschaden opgedragen. Het betrokken organisatieonderdeel bij het Ministerie van Landbouw was de Afdeling Landbouwherstel (1947–1957). Deze afdeling hield zich bezig met aangelegenheden betreffende het herstel van de landbouw inzake oorlogsschade en de watersnoodschade 1953.
In 1954 stelde het bestuur van het Borgstellingsfonds drie sectorale adviescommissies in, afzonderlijk voor aanvragen uit de akker- en weidebouw, voor aanvragen uit de tuinbouw en voor aanvragen uit de agro-industrie. Tot 1964 adviseerden deze adviescommissies het bestuur van het Borgstellingsfonds over beleidsaspecten en individuele aanvragen tot borgstelling.
Het Borgstellingsfonds voor de Landbouw is in 1951 in het leven geroepen als uitvloeisel van de Marshall-hulp. De stichting (sinds 1965) stelt zich garant, onder de in het Besluit borgstellingsfonds voor de Landbouw opgenomen voorwaarden, voor rente en aflossing van door banken aan landbouwbedrijven verstrekte kredieten, met name als de ondernemer het bedrijf wil verbeteren of overnemen. Het fonds maakt gebruik van de organen van het Ministerie van LNV voor het realiseren van zijn doelen. Pas vanaf 1963 (decentralisatie van activiteiten) was dit feitelijk het geval.
In het kader van de ambtelijke begeleiding waren de volgende organisatie-onderdelen (van Landbouw/Voedselvoorziening) voor behandeling van aangelegenheden betreffende het Borgstellingsfonds verantwoordelijk: Afdeling Algemene Zaken (1951–1957), de directie Akker- en Weidebouw (1957–1963), begin 1963 overgegaan in de hoofddirectie Landbouwvoorlichting en Onderzoek, de directie Bedrijfsontwikkeling (1968–1970), de hoofddirectie Agrarische Productie, Verwerking en Afzet (1971–1976), Stafbureau Lavo (secretariaatsvoering) en directie Uitvoering Regelingen (uitvoerend secretariaat) (1988–1995). Daarna is LASER belast met de afhandeling van aanvragen voor een borgstelling.
Met betrekking tot de ambtelijke begeleiding, specifiek de financiële kant, is er steeds een afdeling Kredietzaken, later Financiering, geweest, achtereenvolgens ondergebracht bij directies Akker- en Weidebouw en Tuinbouw, directie Beheerszaken, directie Algemene Zaken, directie Bedrijfsstructurele Aangelegenheden, directie Uitvoering Regelingen.
De Dienst Landbouwvoorlichting (DLV) werd in 1990 opgericht, nadat in 1989 het besluit was genomen de landbouwvoorlichting te privatiseren. Tot 1993 functioneerde DLV als verzelfstandigde overheidsorganisatie. In 1993 werd DLV een zelfstandige onderneming (Stichting DLV). De Stichting DLV is in 1998 opgeheven en overgegaan in de DLV Adviesgroep NV.
De DLV Adviesgroep NV geeft (evenals haar voorgangers) op commerciële basis, vanuit sectorgerichte teams, technische en economische adviezen, voorlichting en begeleiding aan ondernemers in de agrarische sector. Dit gebeurt zowel individueel als in groepsverband.
Deze stichting heeft geacteerd in de periode 1951–1955. Haar voorzitter, secretaris en secretaris-penningmeester werden benoemd door de Minister van LNV. De Minister van Financiën benoemde de penningmeester van de stichting. Voornaamste taak van deze stichting was het benoemen van bestuursleden van het Borgstellingsfonds voor de Landbouw.
Zie actor ‘Minister van Economische Zaken’.
Gezamenlijk ingesteld door de Minister van LNV, de Minister van SZW en de sociale partners in de agrarische sector. De stuurgroep houdt sinds de oprichting in 1994 onder andere toezicht op de naleving van de in het Arbo-convenant Agrarische Sectoren gemaakte afspraken. Het Arbo-convenant Agrarische Sectoren is een contract waarin de Minister van LNV, de Minister van SZW en de sociale partners in de landbouwsector zich verplichten tot de uitvoering van gezamenlijk gemaakte afspraken ten aanzien van de verbetering van de arbeidsomstandigheden in de landbouw.
De Commissie-Alders adviseerde in 1999 de Minister van LNV over maatregelen in het kader van de herstructurering van de pluimveehouderij.
Deze in 1999 in het leven geroepen commissie (Stcrt. 1999, 235) diende de Minister van LNV van advies over vraagstukken op het terrein van het flankerend beleid in het kader van de herstructurering van de veehouderij. Het rapport kwam in 2000 uit.
In 1995 ingesteld door de Minister van LNV. De werkgroep adviseerde de Minister over het beslissen op aanvragen voor een LNV-bijdrage voor de uitvoering van arbo-projecten. Een arbo-project is in dit kader het geheel aan activiteiten gericht op de verbetering van de arbeidsomstandigheden in de landbouwsector.
Vanaf eind jaren ’60 was de Minister van EZ betrokken bij het op de zwakkere regio’s gerichte landbouwstructuurbeleid doordat hij stimuleringsmaatregelen opstelde ter bevordering van de economische structuur van de noordelijke provincies. De Minister van EZ stelde de maatregelen op in samenwerking met de Minister van VROM, de Minister van V&W en de Minister van LNV. Vanaf 1973 raakte de Minister van EZ nauwer betrokken bij het regiobeleid omdat de Minister toen de Stuurgroep Integraal Structuurplan Noorden des Lands instelde. Deze stuurgroep stelt de Integrale Structuurplannen Noorden des Lands (ISP’s) op. In de ISP’s wordt het regiobeleid voor de noordelijke provincies toegelicht en worden beleidsafspraken vastgelegd die VROM, EZ, V&W, LNV en de provinciale besturen van het noorden ten aanzien van het regionaal beleid hebben gemaakt. De Minister van EZ stelt sinds 1973 de ISP’s vast.
De Stichting Nederlandse Herstructureringsmaatschappij (NEHEM) werd in 1972 door de regering opgericht om bijdragen te leveren aan de structuurverbetering van het Nederlandse bedrijfsleven. Het is een privaatrechtelijk orgaan, dat nauw gelieerd is aan de overheid; zo heeft de Minister van Economische Zaken aanwijzings- en schorsingsbevoegdheid.
Vanaf 1975 werd de NEHEM verantwoordelijk voor alle van overheidswege gesubsidieerde structuuronderzoeken voor het bedrijfsleven. De NEHEM begeleidt in principe het hele traject van herstructurering: de te onderzoeken onderwerpen, de in te schakelen onderzoeksbureaus, de algehele planning en begroting, enz. Daarnaast kan de stichting initiatieven nemen ter uitvoering van de aanbevelingen uit structuuronderzoeken.4Economische structuurnota, 243–245; Sectornota, 28 en 68; brief minister van EZ (Stcrt. 1978, 203). Inmiddels luidt de naam NEHEM Consulting Group.
De Minister van Economische Zaken was doorgaans degene die zulke commissies instelde voor het opstellen van herstructureringsplannen en voor de bevordering van de uitvoering ervan. Voor de agrarische industrie gebeurde dit vanaf het eind van de jaren ’70; de Minister van LNV was in die sectoren betrokken bij de instelling en samenstelling van de commissies. Overigens zijn er ook structuurcommissies ingesteld door het bedrijfsleven, zoals in 1974 door het PGZP ten behoeve van de broodbakkerij.
De voorzitter werd geleverd door de NEHEM, verder waren erin onder andere vertegenwoordigd: werkgevers en werknemers van de bedrijfstak, Ministers van Sociale Zaken en Economische Zaken en Minister(s) die betrokken waren bij steunverlening aan de desbetreffende bedrijfstak. Wanneer er een herstructureringsovereenkomst gesloten werd tussen overheid en bedrijfsleven, moest de structuurcommissie daarmee instemmen. Aangezien een structuurcommissie geen rechtspersoon was, werden contracten en andere verbintenissen gesloten door de NEHEM.
In de agrarische bedrijfstakken zijn er bijvoorbeeld structuurcommissies geweest in de sectoren bloembollen, slachtpluimvee, varkensvlees en in de draf- en rensport.
De Stuurgroep Integraal Structuurplan Noorden des Lands werd in 1973 ingesteld door de Minister van Economische Zaken en had als taak periodiek een Integraal Structuurplan Noorden des Lands (ISP) op te stellen. In het ISP wordt het regiobeleid voor de noordelijke provincies toegelicht en worden beleidsafspraken vastgelegd die VROM, EZ, V&W, LNV en de provinciale besturen van het noorden ten aanzien van het regionaal beleid hebben gemaakt. Een andere taak van de stuurgroep bestaat uit het adviseren van de Minister van EZ over de toewijzing van de financiële middelen aan de bij de uitvoering van de ISP’s betrokken Ministeries en provinciale besturen.
Deze Minister is verantwoordelijk voor diverse fiscale faciliteiten en instrumenten. Daarnaast coördineert de Minister de kredietverstrekking door de Nationale Investeringsbank (NIB), die binnen het ressort valt van een interdepartementale commissie. De Minister heeft tevens de rol van penningmeester van het Borgstellingsfonds voor de Landbouw vervuld.
De Minister verleende na de watersnoodramp van 1953 bijdragen aan getroffenen van deze ramp en riep rampschadebureaus in het leven.
Deze door de staatssecretaris van Financiën ingestelde werkgroep (Stcrt. 1999, 44) had tot taak het inventariseren en beoordelen van opties voor het wegnemen van eventueel bestaande fiscale belemmeringen voor landbouwstructurele maatregelen op bedrijfsniveau.
Samen met de Minister van VROM benoemt de Minister van OCW de bestuursleden, leden, adviserende leden en een secretaris van de Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek.
Deze raad komt voort uit de Regeling Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek van 1986. De benoeming geldt voor vijf jaar. De Ministers van VROM en OC&W benoemen er ieder één.
De instelling van deze stuurgroep (Stcrt. 1981, 150) vloeit voort uit de nota Technologische Innovatie (Innovatie. Het overheidsbeleid inzake technologische vernieuwing in de Nederlandse samenleving) uit 1979. In deze nota introduceerde het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen een nieuw instrument: het innovatiegerichte onderzoeksprogramma (IOP). Het doel van die programma’s was het ontwikkelen van technische en wetenschappelijke achtergrondkennis en expertise ten behoeve van de consolidatie en groei van vooral de Nederlandse industrie, landbouw en dienstverlening. In de stuurgroep zijn ook de Ministeries van Onderwijs en Wetenschappen en Economische Zaken vertegenwoordigd.
De taken van de stuurgroep bestaan uit het toetsen van meerjarenprogramma’s van de programmacommissies op agrarisch terrein en het adviseren van de betrokken Ministers.
De sociale aspecten van herstructureringsmaatregelen vallen onder competentie van de Minister van SZW. Zo is de Minister van SZW sinds de jaren ’70 betrokken bij het voorbereiden, vaststellen en evalueren van het beleid dat in inkomensondersteuning aan landbouwers voorziet. De Minister van SZW draagt vanaf 1994 eveneens bij aan de totstandkoming en uitvoering van het Arbo-convenant Agrarische Sectoren. Dit convenant is een contract waarin de Minister van LNV, de Minister van SZW en de sociale partners in de landbouwsector zich verplichten tot het nakomen van gezamenlijk gemaakte afspraken ten aanzien van de verbetering van de arbeidsomstandigheden in de landbouw.
Vanaf eind jaren ’60 was de Minister van V&W betrokken bij het op de zwakkere regio’s gerichte landbouwstructuurbeleid doordat deze Minister stimuleringsmaatregelen opstelde ter bevordering van de infrastructuur van de noordelijke provincies. De Minister van V&W stelde de maatregelen op in samenwerking met de Minister van EZ, de Minister van VROM en de Minister van LNV. Vanaf 1973 stelt de Minister van V&W in samenwerking met EZ, VROM, LNV en de noordelijke provinciale besturen de Integrale Structuurplannen Noorden des Lands (ISP’s) op. Sinds 1999 draagt de Minister van V&W eveneens bij aan de totstandkoming van het Plattelandsontwikkelingsplan Nederland (POP) en vanaf 2001 aan de uitvoering van dit plan.
Vanaf eind jaren ’60 was de Minister van VROM betrokken bij het op de zwakkere regio’s gerichte landbouwstructuurbeleid doordat hij stimuleringsmaatregelen opstelde ter bevordering van de infrastructuur van de noordelijke provincies. De Minister van VROM stelde de maatregelen op in samenwerking met de Minister van EZ, de Minister van V&W en de Minister van LNV. Vanaf 1973 stelt de Minister van VROM in samenwerking met EZ, V&W, LNV en de noordelijke provinciale besturen de Integrale Structuurplannen Noorden des Lands (ISP’s) op. Sinds 1999 draagt de Minister van V&W eveneens bij aan de totstandkoming van het Plattelandsontwikkelingsplan Nederland (POP) en vanaf 2001 aan de uitvoering van dit plan. De Minister van VROM speelde ook een rol in de afwikkeling van de schadevergoedingen voor onroerend goed aan getroffenen van de watersnoodramp van 1953.
Voor wat betreft het beleidsterrein milieubescherming heeft de Minister van VROM sinds de opkomst van dit beleidsterrein in de jaren ’70 een inbreng in het landbouwstructuurbeleid, inclusief de agrarische handel en industrie.
Daarvoor speelde de Minister ook al een rol bij watersnoodrampen, toen nog onder de benaming Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting.
PVV (Productschap Vee en Vlees) en PPE (Productschap voor Pluimvee en Eieren) zijn beiden in 1956 opgericht op grond van de Wet op de Bedrijfsorganisatie. Beiden zijn een voortzetting van het daarvoor actieve Bedrijfschap. PVV en PPE zijn in 1993 gefuseerd tot de PVE (Productschappen Vee, Vlees en Eieren, ook wel Gemeenschappelijk Secretariaat PVV/PPE). De drie rechtspersonen bestaan echter nog steeds met elk hun eigen bestuur.
Het productschap Vee en Vlees en het productschap Pluimvee en Eieren zijn sinds 1968 verantwoordelijk voor het voorbereiden, vaststellen en evalueren van het beleid op het gebied van innovatie en herstructurering van de agrarische verwerking en afzet. Sinds medio jaren zeventig houden zij zich tevens bezig met het ontwikkelen, vaststellen en uitwerken van herstructureringsplannen in sectoren van de agrarische verwerking en afzet. Voorts richten beide productschappen zich vanaf 1979 ook op het financieren van exploitatietekorten van proefstations en regionale onderzoekscentra.
De Raad van Toezicht van de in 1999 verzelfstandigde Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek stelt het bestuurs- en beheerreglement en de statuten van de stichting vast. De Raad is belast met het houden van toezicht op het beleid en het bestuur en op de algemene gang van zaken in de stichting. Ook stelt zij de onderzoeksplannen en de begrotingen op.
Per 1 juni 1999 is de Dienst Landbouwkundig Onderzoek van het Ministerie van LNV extern verzelfstandigd. De dienst, waaronder onderzoeksinstituten voor toegepast en strategisch onderzoek ressorteren, is sindsdien een stichting met eigen personeel, eigen activa en een eigen openingsbalans. Na de externe verzelfstandiging vormt DLO een van de pijlers onder Wageningen Universiteit en Research Centrum. Het praktijkonderzoek is sinds 2001 onderdeel van de Stichting DLO.
De Stichting DLO voert vooral toepassingsgericht strategisch onderzoek uit. Het onderzoek tracht antwoord te geven op vragen vanuit de plantaardige en dierlijke productie, de agro-industriële productie en het landelijk gebied. Werkzaamheden betreffen het opstellen en uitvoeren van onderzoeksprogramma’s, het uitvoeren van onderzoeksopdrachten en het verrichten van contractonderzoek.
De aansturing van de Stichting DLO, die voor een belangrijk deel afhankelijk is van subsidie van LNV, geschiedt langs twee wegen: via de statuten en via de ‘Regeling subsidie Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek’ (Stcrt. 1999, 65).
De proefstations zijn nationale onderzoeksinstellingen voor een landbouwsector. Ze werden vanaf 1915 ingesteld op grond van het KB tot regeling van dienst der Rijkslandbouwproefstations (Stb. 1915, 387). Tot 1979 waren ze onderdeel van het Ministerie van LNV. In 1979 werden de proefstations stichtingen. Sindsdien is de taakuitvoering geen overheidstaak meer. Er was nog wel grote overheidsbemoeienis. Tot 1998 viel bijvoorbeeld het personeel onder LNV.
Het stichtingsbestuur van proefstations bestaat uit vertegenwoordigers van LNV en van het Landbouwschap en/of Produktschappen en vertegenwoordigers van de besturen van de Regionale Onderzoekscentra. Sinds 1998 vormen het institionele praktijkonderzoek en ROC’s per sector een bestuurlijke eenheid, waar daarvoor ROC bestuurlijk geclusterd waren op basis van de regio.
In 1998 waren er vanuit LNV zo’n 650 ambtenaren werkzaam in het praktijkonderzoek.
In de loop van 1998 gingen de plantaardige proefstations over naar DLO, dat in 1999 is verzelfstandigd. De dierlijke proefstations volgden in 2001.
In het kader van de verzelfstandiging van het landbouwkundig onderzoek en de vorming van Wageningen Universiteit en Researchcentrum (Wageningen-UR) werden in 2001 tien proefstations met de daaronder vallende ROC’s samengevoegd in twee nieuwe organisaties: Praktijkonderzoek Plant & Omgeving (PPO) en Praktijkonderzoek Veehouderij (PV).
De regionale onderzoekscentra zijn, zoals het woord al zegt, regionaal en hebben in de jaren ’90 een ontwikkeling doorgemaakt van proefbedrijf naar regionale faciliteit van de proefstations. De regionale onderzoekscentra hebben tot doel landbouwkundige kennis zo goed mogelijk te toetsen onder uiteenlopende geografische omstandigheden in bedrijfsverband. Voor de akkerbouw bestonden er in de jaren ’90 twaalf proefbedrijven: voor de rundveehouderij vijf, voor de varkenshouderij twee, voor de selectie-mesterij vier en voor de pluimveehouderij drie. Ten slotte waren er voor de tuinbouw 27 proeftuinen.
Jaarlijks verzamelen de medewerkers van de proefstations de onderzoekswensen van de landbouwkundige onderzoeksinstituten en het agrarisch bedrijfsleven en maken op basis hiervan een onderzoeksplan voor een regionaal centrum; dit wordt beoordeeld door het centrum, het Ministerie van LNV, de voorlichtingsdienst, de proefstations en het bedrijfsleven.
In de besturen van de centra hebben zitting de consulent van de regionale voorlichtingsdienst en vertegenwoordigers van het agrarisch bedrijfsleven, terwijl als adviseurs medewerkers van een proefstation en het centrum optreden.
Deze in Groningen gevestigde stichting is, samen met ambtenaren van LNV, belast met de uitoefening van toezicht op de handhaving van de Subsidieregeling zeldzame landbouwhuisdierrassen.
Selectielijsten Landbouwstructuurbeleid
Deel 1. Handelingen van de Minister van LNV
Algemene handelingen
Handeling: Het voorbereiden, vaststellen en evalueren van het beleid betreffende (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1945–
Waardering: B 1
Handeling: Het leveren van bijdragen aan de totstandkoming van het nationale beleid van andere Ministers, voorzover dit (mede) betrekking heeft op (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1945–
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving betreffende (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1945–
Opmerking: Het gaat hierbij om wet- en regelgeving die niet valt onder specifieke handelingen als geformuleerd in volgende hoofdstukken.
Waardering: B 1
Handeling: Het instellen van commissies voor advisering over het beleid, de uitvoering daarvan en wet- en regelgeving ten aanzien van (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1945–
Opmerking: Deze handeling betreft de commissies die niet reeds in andere handelingen zijn benoemd.
Waardering: B 4
Handeling: Het benoemen van leden van adviescommissies ten aanzien van (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1945–
Opmerking: Deze handeling gaat ook over plaatsvervangende leden, secretaris en adjunct-secretaris.
Waardering: V, 2 jaar
Handeling: Het deelnemen aan advies- en overlegcommissies op het gebied van (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid waarvan het voorzitterschap en/of secretariaat bij het Ministerie berust
Periode: 1945–
Waardering: B 1
Handeling: Het deelnemen aan advies- en overlegcommissies op het gebied van (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid waarvan het voorzitterschap en/of secretariaat niet bij het Ministerie berust
Periode: 1945–
Waardering: V, 2 jaar
Handeling: Het deelnemen aan (het bestuur van) niet als overheidsorgaan aan te merken instellingen op een deelgebied van het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1945–
Waardering: V, 2 jaar
Handeling: Het verlenen van subsidies aan instellingen die een adviserende of uitvoerende taak hebben op het terrein of een deelterrein van het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1945–
Waardering: V, 2 jaar
Handeling: Het voeren van overleg met belangenorganisaties
Periode: 1945–
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden van overleg met en informeren van (leden van) de Staten-Generaal over (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1945–
Waardering: B 1
Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden of commissies uit de kamers der Staten-Generaal ter zake van (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1945–
Waardering: B 3
Handeling: Het verstrekken van inlichtingen aan (de Commissie van de Verzoekschriften van) de Staten-Generaal naar aanleiding van klachten van burgers betreffende (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1945–
Waardering: B 3
Handeling: Het informeren van de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid betreffende (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1945–
Waardering: B 3
Handeling: Het behandelen van bezwaarschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende het beleidsterrein
Periode: 1945–
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het voeren van verweer in beroepschriftenprocedures voor administratiefrechtelijke organen
Periode: 1945–
Waardering: V, 5 jaar
Handeling: Het voeren van verweer in strafrechtelijke of civielrechtelijke procedures ter zake van (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1945–
Waardering: V, 5 jaar
Handeling: Het informeren van belanghebbenden over beleidsontwikkelingen, subsidiemogelijkheden en overheidsfaciliteiten betreffende (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Bron: Begrotingen
Periode: 1945–
Waardering: B 5 voor 1 exemplaar van het voorlichtingsmateriaal
V, 2 jaar overige neerslag
Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen betreffende (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1945–
Waardering: B 1
Handeling: Het vaststellen van opdrachten en van de resultaten van (wetenschappelijke) studies met het oog op de beleidsontwikkeling betreffende (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1945–
Waardering: B 1
Handeling: Het (mede) voorbereiden en begeleiden van (wetenschappelijke) studies betreffende (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1945–
Waardering: V, 2 jaar
Handeling: Het verlenen van subsidies voor onderzoeksprojecten op het terrein of een deelterrein van het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1945–
Waardering: V, 2 jaar
Handeling: Het verzamelen en bewerken van gegevens ten behoeve van beleidsvoorbereiding of -evaluatie, dan wel ten behoeve van intern (wetenschappelijk) onderzoek op het gebied van (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1945–
Waardering: V, 2 jaar
Handeling: Het machtigen van personen tot het nemen van beslissingen en het ondertekenen van stukken namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) voor wat betreft aangelegenheden in relatie tot het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1945–
Product: machtigings- en mandaatbesluiten
Waardering: B 5
Handeling: Het mede voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen betreffende (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties, uitgezonderd de EU
Periode: 1945–
Opmerking: Het betreft o.a. de Benelux, de VN, de FAO, de WHO.
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden van bijdragen aan expertgroepen van de Europese Commissie inzake (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1958–
Opmerking: Hieronder valt expliciet ook het opstellen van verslagen over de geleverde bijdrage.
Waardering: B 1
Handeling: Het opstellen van concept-informatiefiches over voorstellen, mededelingen en Groenboeken van de Europese Commissie ter zake van (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1958–
Product: concept-fiches
Opmerking: De interdepartementale WBNC stelt de informatiefiches vast (deze handeling is opgenomen in het concept-RIO ‘Gedane Buitenlandse Zaken’).
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van Raadswerkgroepen met betrekking tot (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1958–
Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg gevoerd worden met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven. De handeling leidt bij het eerstverantwoordelijke Ministerie met name tot instructies; bij de overige betrokken Ministeries tot departementale standpunten. Hieronder valt expliciet ook het opstellen van verslagen over de geleverde bijdrage.
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van ad hoc groepen Raden/Attachés met betrekking tot (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1958–
Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg worden gevoerd met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.De handeling leidt bij het eerstverantwoordelijke Ministerie met name tot instructies; bij de overige betrokken Ministeries tot departementale standpunten.Hieronder valt expliciet ook het opstellen van verslagen over de geleverde bijdrage.
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van het Coreper met betrekking tot (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1958–
Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg gevoerd worden met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.De instructies voor de Nederlandse vertegenwoordiger in het Coreper (de PV) worden vastgesteld in interdepartementaal overleg onder leiding van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.De handeling leidt bij het eerstverantwoordelijke Ministerie met name tot concept-instructies; bij de overige betrokken Ministeries tot departementale standpunten.Hieronder valt expliciet ook het opstellen van verslagen over de geleverde bijdrage.
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van ad hoc High Level-groepen met betrekking tot (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1958–
Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg gevoerd worden met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.De handeling leidt bij het eerstverantwoordelijke Ministerie met name tot concept-instructies; bij de overige betrokken Ministeries tot departementale standpunten. Hieronder valt expliciet ook het opstellen van verslagen over de geleverde bijdrage
Waardering: B 1
Handeling: Het opstellen van departementale standpunten inzake agendapunten van Raadsvergaderingen met betrekking tot (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1958–
Opmerking: Nationale standpunten en onderhandelingsposities inzake agendapunten van Raadsvergaderingen komen tot stand in de Coördinatiecommissie voor Europese Integratie- en Associatieproblemen (CoCo).Hieronder valt expliciet ook het opstellen van verslagen over de geleverde bijdrage.
Waardering: B 1
Handeling: Het opstellen van departementale standpunten inzake algemene en op langere termijn spelende zaken van EU-belang inzake (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1958–
Opmerking: Overleg hierover in de Coördinatiecommissie op Hoog Ambtelijk Niveau (CoCoHan) leidt tot algemene rapporten aan de betrokken Ministers.
Waardering: B 1
Handeling: Het rapporteren over de implementatie van Europese (of internationale) regels in bestaande of nieuwe wet- en regelgeving op nationaal niveau op het gebied van het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1958–
Waardering: B 3
Handeling: Het opstellen en wijzigen van standpunten inzake door de Europese Commissie voorgestelde uitvoeringsbepalingen met betrekking tot (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid, die besproken worden in een raadgevend comité, een beheerscomité of een reglementeringscomité
Periode: 1958–
Opmerking: Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg gevoerd worden met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.Wanneer meerdere departementen betrokken zijn leidt het eerstverantwoordelijke Ministerie het coördinatieoverleg.Onder deze handeling valt ook het opstellen van instructies voor de Nederlandse vertegenwoordiging in de comités, alsook het opstellen van verslagen van vergaderingen van deze comités.
Waardering: B 1
Handeling: Het opstellen en wijzigen van standpunten over door de Europese Commissie voorgenomen besluiten, maatregelen en onderhandelingen met derde landen ter zake van (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid, voorzover deze niet zijn vastgelegd in Raadsbesluiten en worden besproken in commissies en werkgroepen
Periode: 1958–
Opmerking: Hieronder valt ook het opstellen van verslagen van vergaderingen van de commissies en werkgroepen.
Waardering: B 1
Handeling: Het geven van aanwijzingen aan uitvoeringsorganen over de toepassing van internationale verdragen of verordeningen inzake (aspecten van) het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1958–
Product: circulaires
Waardering: B 5
Handeling: Het voordragen van personen voor benoeming in een raadgevend comité, beheerscomité of reglementeringscomité inzake het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1958–
Opmerking: De Raad benoemt de leden van de comités.
Waardering: V, 2 jaar na einde betrekking
Handeling: Het voordragen aan de Europese Commissie van deskundigen belast met de controle op de naleving van de bepalingen van communautaire besluiten betreffende het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1958–
Opmerking: richtlijnen
Waardering: V, 2 jaar na einde betrekking
Handeling: Het aanwijzen van regeringsvertegenwoordigers in commissies of werkgroepen van de Europese Unie inzake het landbouwstructuurbeleid
Periode: 1958–
Waardering: V, 2 jaar na einde betrekking
Handeling: Het opstellen van een plan ter implementatie van een door de Raad vast te stellen besluit op het gebied van het landbouwstructuurbeleid
Grondslag: Aanwijzing voor regelgeving (Stcrt. 1992, 230), nr. 334
Periode: 1993–
Product: Implementatieplan
Opmerking: Het betreft hier plannen ter implementatie van richtlijnen en verordeningen die onderworpen zijn aan de samenwerkingsprocedure of de medebeslissingsprocedure (co-decisie) van Raad en Europees Parlement. Het implementatieplan moet binnen een maand nadat de Raad het gemeenschappelijk standpunt heeft vastgesteld voorgelegd worden aan de Werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen.
Waardering: B 5
Financiering Landbouwstructuurbeleid
Handeling: Het instellen van het Borgstellingsfonds voor de Landbouw
Periode: 1951–
Opmerking: Bij opheffing van het fonds beslist de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, in overeenstemming met de Minister van Financiën, de bestemming van het liquidatiesaldo. Na opheffing blijven de boeken en bescheiden van de stichting berusten onder de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Waardering: B 4
Handeling: Het goedkeuren van een besluit van het bestuur van het Borgstellingsfonds tot wijziging van de statuten van het fonds of tot opheffing van het fonds
Grondslag: statuten Borgstellingsfonds, art. 15
Periode: 1951–
Waardering: V, 2 jaar
Handeling: Het benoemen van bestuursleden van het Borgstellingsfonds voor de Landbouw alsmede van de secretaris en (vanaf 1990) de secretaris-penningmeester
Grondslag: Statuten Borgstellingsfonds, art. 5
Periode: 1951–
Opmerking: De Minister van Financiën benoemde (tot 1989) de penningmeester, terwijl de voorzitter werd benoemd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Benoeming van de secretaris en de secretaris-penningmeester (adviserend) geschiedt door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
Waardering: V, 2 jaar na einde betrekking
Handeling: Het beheren van de gelden van het Borgstellingsfonds voor de Landbouw
Bron: boek ‘Niet alle borgen zijn gelijk’
Periode: 1989–
Opmerking: boek ‘Niet alle borgen zijn gelijk’
Waardering: V, 20 jaar
Handeling: Het ambtelijk begeleiden van het bestuur van het Borgstellingsfonds voor de Landbouw
Bron: boek ‘Niet alle borgen zijn gelijk’
Periode: 1951–
Product: o.a. rapporten
Opmerking: Het betreft , afgezien van de secretariaatsvoering, met name het begeleiden en rapporteren in het kader van de financiële aspecten, o.a. door de afdeling Kredietzaken en taakopvolgers, maar ook de meer beleidsmatige inbreng vanuit andere organisatieonderdelen.
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het goedkeuren van de jaarrekening en verantwoording van het Borgstellingsfonds voor de Landbouw
Bron: statuten Borgstellingsfonds, art. 13.2
Grondslag: 1951–
Waardering: V, 7 jaar na goedkeuring
Handeling: Het beslissen over aanvragen tot borgstelling voor rente en aflossing van aan landbouwbedrijven verstrekte kredieten ter verbetering of overname
Grondslag: Vaststelling Besluit Borgstellingsfonds voor de Landbouw, art. 2 en art. 10
Periode: 1951–
Opmerking: Alleen in bijzondere gevallen beslist het bestuur van het fonds.
Waardering: V, 20 jaar
Handeling: Het herzien van een bestuursbesluit van het Borgstellingsfonds voor de Landbouw
Periode: 1980–
Opmerking: statuten Borgstellingsfonds, art. 9, 2
Waardering: V, 5 jaar
Handeling: Het vaststellen van de financiële bijdrage aan het Borgstellingsfonds voor de Landbouw
Grondslag: begrotingen
Periode: 1951–
Waardering: V, 7 jaar
Handeling: Het instellen van het O&S-fonds voor de Landbouw
Periode: 1963–
Waardering: B 4
Handeling: Het benoemen van bestuursleden van het O&S-fonds, alsmede van de secretaris
Bron: statuten O&S-fonds, art. 3 en 4
Periode: 1963–
Waardering: V, 2 jaar
Handeling: Het vernietigen van een besluit van het bestuur van het O&S-fonds en het eventueel zelf nemen van een besluit betreffende de zaak in kwestie
Grondslag: statuten O&S-fonds, art. 6.2a
Periode: 1963–
Waardering: B 5
Handeling: Het besluiten tot wijziging van de statuten van het O&S-fonds
Grondslag: statuten O&S-fonds, art.10.2
Periode: 1963–
Waardering: B 4
Handeling: Het vaststellen van de financiële bijdrage aan het O&S-fonds
Grondslag: Begrotingen
Periode: 1963–
Waardering: V, 8 jaar
Handeling: Het goedkeuren van (kader)besluiten van het O&S-fonds
Bron: Toelichting bij Kaderbesluit landbouwbedrijven met ontwikkelingsmogelijkheden; e.a.
Periode: 1963–
Waardering: B 5
Handeling: Het vaststellen van formulieren voor bijdrageregelingen van het O&S-fonds
Grondslag: Bijdrageregelingen, bijv. Besluit structuurverbetering landbouwbedrijven, art. 16; Besluit stimulering duurzame landbouwbedrijven, art. 14. 2
Periode: 1963–
Waardering: V, 2 jaar
Handeling: Het periodiek vaststellen van het referentie-inkomen in het kader van het verlenen van subsidies
Grondslag: o.a. Investeringsregeling markt en concurrentiekracht, art. 6.5,2
Periode: 1963–
Waardering: V, 15 jaar
Handeling: Het vaststellen van subsidieplafonds voor subsidieregelingen die betrekking hebben op landbouwstructurele maatregelen, alsmede van perioden gedurende welke een subsidie kan worden aangevraagd
Grondslag: Kaderwet LNV-subsidies, art. 4.4; Investeringsregeling markt en concurrentiekracht, art. 1.3, art. 7.1, art. 12.1
Periode: 1963–
Product: Bijv. Wijziging investeringslijst en subsidieplafond Stimuleringskader (Stcrt. 1997, 229); besluiten betreffende openstelling/sluiting van een aanvraagperiode
Opmerking: Deze handeling is niet van toepassing wanneer de Minister van Financiën heeft ingestemd met het achterwege laten van een subsidieplafond. Hieronder vallen ook de besluiten om een regeling op enig moment voor gesloten te verklaren.
Waardering: B 5
Handeling: Het vaststellen van formulieren voor subsidieregelingen
Grondslag: Vele regelingen, bijv. Investeringsregeling markt en concurrentiekracht, art. 7.2-1
Periode: 1945–
Waardering: V, 2 jaar
Handeling: Het in het kader van vrijstelling van overdrachtsbelasting beoordelen van de voorwaarde van verbetering van de landbouwstructuur
Bron: Wet op belastingen van rechtsverkeer, art. 15.1q
Periode: 1970–
Product: Verklaring verbetering van de landbouwstructuur (in geval van een positieve beoordeling)
Waardering: V, 7 jaar
Handeling: Het voordragen of benoemen van nationale vertegenwoordigers in (raadgevende) comités van het EOGFL en het EFRO die een rol spelen in het Europese landbouwstructuurbeleid
Bron: Beschikking van de Raad van 4 december 1962 betreffende de coördinatie van het structuurbeleid in de landbouw, art. 1.3; Verordening (EEG) nr. 729/70, art. 12; Verordening (EEG) nr. 4253/88, artt. 27 en 29; e.a.
Periode: 1964–
Opmerking: Het betreft met name de volgende comités:Comité van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (Comité van het Fonds, 1964–1988); Comité van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (Comité van het Fonds, 1975–1988); Permanent Comité voor de Landbouwstructuur (1962-1988); Comité landbouwstructuur en plattelandsontwikkeling (vanaf 1988); Comité voor de ontwikkeling en omschakeling van de regio’s (vanaf 1988)
Waardering: V, 2 jaar
Handeling: Het aanwijzen van organen die belast zijn met het aanvragen, beheren en uitbetalen van Structuurfondsgelden ter aanwending voor landbouwstructurele maatregelen
Grondslag: Verordening nr. 17/64/EEG, art. 22.1; Verordening (EEG) nr. 729/70, art. 4.1; Verordening (EEG) nr. 724/75, art. 8.4; Verordening (EG) 1258/1999, art. 4.1 en 6; e.a.
Periode: 1964–
Opmerking: Onder deze handeling valt ook het informeren van de Europese Commissie met betrekking tot de administratieve en boekhoudkundige voorschriften voor de betalingen.
Waardering: B 4
Handeling: Het bij de Europese Commissie indienen van betalingsaanvragen in het kader van cofinanciering door het EOGFL-O van landbouwstructurele maatregelen
Grondslag: Verordening nr. 17/64/EEG, art. 20; e.a.
Periode: 1964–
Opmerking: Deze handeling (uitgevoerd door de betaalorganen) vindt in de regel achteraf plaats.
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het bij de Europese Commissie aanvragen van overboeking van verzoeken om cofinanciering door de Structuurfondsen van Nederlandse projecten in het kader van het landbouwstructuurbeleid
Grondslag: Verordening (EEG) nr. 355/77, art. 21; e.a.
Periode: 1977–1989
Opmerking: Overboeking van een project kan gebeuren wanneer de beschikbare subsidiemiddelen voor het lopende jaar tekort schieten; dit is slechts eenmaal mogelijk.
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het opstellen van stukken voor de financiële verantwoording, aan de Europese Commissie, van de uitgaven van de Structuurfondsgelden
Grondslag: Verordening nr. 17/64/EEG, art. 22.2; Verordening (EEG) nr. 729/70, art. 4.1; e.a.
Periode: 1964–
Product: Voortgangs- en eindrapporten, rekeningen
Opmerking: De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) doet deze stukken aan de Europese Commissie toekomen. Hierbij kunnen ook rapporten van de bevoegde controlediensten worden gevoegd. Op grond van Verordening (EG) nr. 1258/1999 wordt, in geval van erkenning van meer dan één betaalorgaan, een ‘coördinerende instantie’ aangewezen, die ermee is belast de ter beschikking van de Commissie te stellen gegevens te centraliseren en die te verstrekken.
Waardering: V, 7 jaar
Handeling: Het opstellen van stukken voor de Europese Commissie betreffende de te verwachten uitgaven van Structuurfondsgelden
Grondslag: Verordening (EEG) nr. 729/70, art. 5.1; e.a.
Periode: 1970–
Product: Staten betreffende de kaspositie, ramingen van de financiële behoeften
Opmerking: Op grond van de ingeleverde stukken kan de Europese Commissie voorschotten toekennen.
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het opstellen van stukken voor de Europese Commissie betreffende de nationale handhavings- en controlemaatregelen ter zake van de uitgaven van de Structuurfondsgelden
Grondslag: Verordening (EEG) nr. 729/70, artt. 8 en 9; Verordening (EG) 1258/1999, art. 8.1; e.a.
Periode: 1970–
Opmerking: Deze stukken kunnen onder andere betrekking hebben op de regelmatigheid van de uitvoering van regelingen, terugvorderingen en administratieve en gerechtelijke procedures.
Waardering: V 10 jaar
Handeling: Het bijdragen aan de evaluatie in Europees verband van acties van de Gemeenschap op het gebied van het landbouwstructuurbeleid
Grondslag: Verordening (EEG) nr. 4253/88, art. 26
Periode: 1988–
Waardering: B 2
Handeling: Het vaststellen van specifieke programma’s voor de ontwikkeling of rationalisering van ondernemingen op het gebied van de voortbrenging van landbouwproducten, waarbinnen projecten mede door de EU gesubsidieerd kunnen worden
Bron: Begrotingen
Periode: 1964–1977
Opmerking: Het formuleren en wijzigen van prioriteiten of criteria voor steunverlening maakt deel uit van deze handeling.
Waardering: B 5
Handeling: Het, met het oog op bijstandsverlening door het EOGFL-O, bij de Europese Commissie indienen van verzoeken om subsidie voor (individuele) Nederlandse projecten in het kader van specifieke programma’s voor de ontwikkeling of rationalisering van ondernemingen op het gebied van de voortbrenging van landbouwproducten
Grondslag: Verordening 17/64/EEG, art. 20. 2
Periode: 1964–1979
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het, met het oog op cofinanciering door het EOGFL-O, bij de Europese Commissie indienen van verzoeken om bijstand aan nationale landbouwstructurele steunmaatregelen
Bron: Verordening (EEG) 729/70; e.a.
Periode: 1970–
Waardering: B 5
Handeling: Het, met het oog op bijstandsverlening door het EFRO, bij de Europese Commissie indienen van programma’s voor regionale ontwikkeling
Grondslag: Verordening 17/64/EEG, art. 20, 2
Periode: 1975–1988
Opmerking: Deze voor het EFRO specifieke handeling werd voortgezet als algemenere handeling voor verkrijging van bijstand in het kader van de prioritaire doelstellingen 1 en 5a en 5b.
Waardering: B 5
Handeling: Het, met het oog op cofinanciering door het EFRO, bij de Europese Commissie indienen van verzoeken om bijstand aan nationale programma’s van communautair belang
Bron: Verordening (EEG) nr. 1787/84, art. 11
Periode: 1985–
Opmerking: Het betreft hier derhalve cofinanciering van nationale steunmaatregelen.
Waardering: B 5
Handeling: Het, met het oog op bijstandsverlening door het EFRO, bijdragen aan de totstandkoming van communautaire programma’s
Grondslag: Verordening (EEG) nr. 1787/84, art. 10
Periode: 1985–
Waardering: B 5
Handeling: Het opstellen van stukken die de Europese Commissie gebruikt om te kunnen beoordelen of een plattelandszone als doelstelling 5b-gebied kan worden aangemerkt
Grondslag: Verordening (EEG) nr. 4253/88, art. 4.3
Periode: 1988–
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het, in het kader van verkrijging van bijstand van het EOGFL-O en het EFRO, bij de Europese Commissie indienen van plannen voor regionale ontwikkeling of voor plattelandsontwikkeling
Grondslag: Verordening (EEG) nr. 2052/88, art. 8.4, en art. 11.3
Periode: 1988–
Opmerking: Het opstellen van dergelijke plannen (feitelijk steunaanvragen, waarin acties worden voorgesteld) gebeurt door instanties die daartoe op nationaal, regionaal, plaatselijk of ander niveau zijn aangewezen.Eventueel kunnen ook buiten genoemde plannen vallende acties met een bijzonder belang voor de Gemeenschap voor steunaanvraag in aanmerking komen.
Waardering: B 5
Handeling: Het bijdragen aan de totstandkoming van een communautair bestek op basis van ingediende plannen voor regionale ontwikkeling of voor plattelandsontwikkeling
Grondslag: Verordening (EEG) nr. 2052/88, art. 8.5; e.a.
Periode: 1988–
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het bij de Europese Commissie indienen van operationele programma’s in het kader van het landbouwstructuurbeleid
Grondslag: Verordening (EEG) nr. 2052/88, art. 8.4; e.a.
Periode: 1988–
Opmerking: Het gaat hierbij feitelijk om aanvragen voor steun voor dergelijke programma’s.
Waardering: B 5
Handeling: Het bij de Europese Commissie indienen van enkelvoudige programmeringsdocumenten in het kader van het landbouwstructuurbeleid
Grondslag: Verordening (EEG) nr. 2052/88, art. 8.4; Verordening (EG) nr. 3669/93, art. 10bis; e.a.
Periode: 1988–
Opmerking: Deze handeling is van toepassing wanneer een plan voor regionale ontwikkeling of voor plattelandsontwikkeling tegelijk met een (bijstandsaanvraag voor een) operationeel programma wordt ingediend.
Waardering: B 5
Handeling: Het vaststellen van programmacomplementen in het kader van bijstandsverlening door het EOGFL-O en het EFRO
Grondslag: Verordening (EG) nr. 1260/1999, art. 15.6
Periode: 1999–
Waardering: B 5
Handeling: Het aanwijzen van een beheersautoriteit voor het beheer van een bijstandspakket van het EOGFL-O of het EFRO
Grondslag: Verordening (EG) nr. 1260/1999, art.34
Periode: 1999
Waardering: B 4 + 5
Handeling: Het instellen van toezichtcomités voor elk communautair bestek, enkelvoudig programmeringsdocument en operationeel programma
Grondslag: Verordening (EG) nr. 1260/1999, art. 35.1
Periode: 1999–
Opmerking: De toezichtcomités vallen onder de bevoegdheid en de jurisdictie van de staat.
Waardering: V, 7 jaar
Handeling: Het benoemen van nationale vertegenwoordigers als leden van toezichtcomités
Grondslag: Verordening (EG) nr. 1260/1999, art. 35.1
Periode: 1999–
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)