Wet van 3 april 2008 tot algehele herziening van de douanewetgeving (Algemene douanewet)
In zaken waarin de inspecteur het proces-verbaal niet ingevolge het bepaalde in artikel 11:3, tweede lid, aan de officier van justitie heeft doen toekomen, geldt ten aanzien van de inspecteur hetgeen in artikel 116 van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van het openbaar ministerie is bepaald.
In de zaken, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de toepassing van de artikelen 552a en 552ab van het Wetboek van Strafvordering, alvorens het gerecht ingevolge artikel 552a, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 552ab, vierde lid, van dat artikel een beschikking neemt, ook de inspecteur in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en is, in afwijking van het bepaalde in artikel 552d van dat wetboek, niet het openbaar ministerie doch de inspecteur bevoegd tot het instellen van beroep in cassatie. De griffier van het gerecht hetwelk in die zaken ingevolge artikel 552a, vijfde lid, of artikel 552ab, vierde lid, van dat wetboek een beschikking neemt, deelt deze onverwijld mee aan de inspecteur.
Artikel 11:6
Bij het opsporen van een bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gesteld feit hebben de in artikel 11:3, eerste lid, bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij zijn bevoegd zich door bepaalde door hen aangewezen personen te doen vergezellen.
Artikel 11:7
Ten dienste van de vervolging en berechting van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten kan Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid, ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, aanwijzen, die het contact onderhouden met het openbaar ministerie.
Artikel 11:8
De griffiers verstrekken aan de inspecteur desgevraagd kosteloos afschrift of uittreksel van arresten of vonnissen, met toepassing van deze wet gewezen.
Artikel 11:9
Met betrekking tot gerechtelijke mededelingen inzake bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten hebben de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, de bevoegdheden bij het Wetboek van Strafvordering aan ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, toegekend.
Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
Artikel 12:1
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter verzekering van een juiste toepassing van het Douanewetboek van de Unie, de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie of de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie nadere regels worden gesteld ter aanvulling van de in deze wet geregelde onderwerpen.
Artikel 12:2
Bij het uitoefenen van het recht op beroep moet in bezwaar-, verzoek-, beroep-, verweer- en verzetschriften hij die niet in Nederland een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, domicilie kiezen in Nederland.
Artikel 12:3
Het ingevolge het Douanewetboek van de Unie, de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie of de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie of de wet bekendmaken, toezenden daaronder begrepen, van een stuk aan een persoon, die niet binnen Nederland een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, kan ook geschieden aan de binnen Nederland gelegen vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep, dan wel aan de woning of het kantoor van de binnen Nederland wonende of gevestigde vertegenwoordiger.
Artikel 12:4
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 12:5
Voor de bekendmaking van deze wet stelt Onze Minister van Financiën de nummering van de artikelen, paragrafen, hoofdstukken en afdelingen van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen, paragrafen, hoofdstukken en afdelingen daarmee in overeenstemming.
Artikel 12:6
Deze wet wordt aangehaald als: Algemene douanewet.
Bijlage. bij de artikelen 1:1 en 1:3 van de Algemene douanewet
A. Europese regelgeving
Voorschriften gebaseerd op de artikelen 31, 33, 42, 43, 75, 91, 100, 107, 108, 109, 113, 114, 115, 168, 192, 207, 215 of 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voorzover het voorschriften aangaande onderwerpen betreft die vallen onder de reikwijdte van de hierna genoemde wetten.
A. Europese regelgeving
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 9:1a
Indien een ingevolge de douanewetgeving vereiste aangifte onjuist of onvolledig is gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die de aangifte indient dan wel in had moeten dienen of degene op wiens naam de aangifte wordt gedaan een bestuurlijke boete van ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan opleggen, behoudens het bepaalde in artikel 10:5, vierde lid.
Indien door het onjuist of onvolledig doen van een ingevolge de douanewetgeving vereiste aangifte een verschuldigd bedrag aan rechten bij invoer te laag werd meegedeeld en het meer verschuldigde bedrag aan rechten bij invoer hoger is dan het bedrag dat is vastgesteld voor de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur een van degenen, bedoeld in het eerste lid, een bestuurlijke boete van ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan opleggen, behoudens het bepaalde in artikel 10:5, vierde lid.
Artikel 9:1b
Indien iemand ingevolge de douanewetgeving verplicht is tot het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, binnen de eventueel vastgestelde termijn, en deze niet, onjuist of onvolledig verstrekt vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die deze verplichting niet is nagekomen een bestuurlijke boete van ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan opleggen, behoudens het bepaalde in artikel 10:5, vijfde lid.
Afdeling 9.2. Aanvullende voorschriften inzake het opleggen van bestuurlijke boeten
Hoofdstuk 10. Strafrechtelijke bepalingen
Afdeling 9.2. Aanvullende voorschriften inzake het opleggen van bestuurlijke boeten
Afdeling 10.2. Algemene bepalingen van strafrecht
Hoofdstuk 11. Algemene bepalingen van strafvordering
Artikel 11:1
De rechtbanken vonnissen in eerste aanleg over bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten.
De vonnissen zijn aan hoger beroep onderworpen, voorzover zij zijn gewezen:
- a. ter zake van misdrijven;
- b. ter zake van overtredingen ten aanzien van degene die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen, de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt.
Tegen andere vonnissen kan de verdachte hoger beroep instellen, indien hechtenis als hoofdstraf is opgelegd, een geldboete van € 113 of meer is opgelegd dan wel een verbeurdverklaring is uitgesproken; het openbaar ministerie kan hoger beroep instellen, indien het gelijke straffen heeft gevorderd.
Artikel 11:2
Ten aanzien van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten worden personen, niet zijnde natuurlijke personen, voor de toepassing van artikel 2 van het Wetboek van Strafvordering geacht te wonen, waar zij gevestigd zijn.
Artikel 11:3
Met het opsporen van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen, belast de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, dan wel de ambtenaren die bij regeling van Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat zijn aangewezen.
In afwijking van artikel 156 van het Wetboek van Strafvordering worden alle processen-verbaal betreffende bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten ingezonden bij de inspecteur. De inspecteur doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten,
- a. als bedoeld in de artikelen 22 en 25 van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie («EOM») (PbEU 2017, L 283), of
- b. ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning tegen de wil van de bewoner is binnengetreden, met de inbeslaggenomen voorwerpen,
onverwijld toekomen aan de bevoegde officier van justitie.
De overige processen-verbaal doet de inspecteur, met de in beslag genomen voorwerpen, toekomen aan de officier van justitie, indien hij een vervolging of verdere vervolging door deze wenselijk acht.
De officier van justitie is bevoegd, de zaak ter afdoening weer in handen van de inspecteur te stellen, welke daarmede alsdan kan handelen overeenkomstig artikel 10:15.
Het bepaalde in artikel 148, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering vindt geen toepassing in zaken, waarin de inspecteur het proces-verbaal niet aan de officier van justitie heeft doen toekomen.
Artikel 11:4
De ambtenaren belast met het opsporen van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten, zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van de ingevolge het Wetboek van Strafvordering voor inbeslagneming vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.
Artikel 11:5
In zaken waarin de inspecteur het proces-verbaal niet ingevolge het bepaalde in artikel 11:3, tweede lid, aan de officier van justitie heeft doen toekomen, geldt ten aanzien van de inspecteur hetgeen in artikel 116 van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van het openbaar ministerie is bepaald.
In de zaken, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de toepassing van de artikelen 552a en 552ab van het Wetboek van Strafvordering, alvorens het gerecht ingevolge artikel 552a, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 552ab, vierde lid, van dat artikel een beschikking neemt, ook de inspecteur in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en is, in afwijking van het bepaalde in artikel 552d van dat wetboek, niet het openbaar ministerie doch de inspecteur bevoegd tot het instellen van beroep in cassatie. De griffier van het gerecht hetwelk in die zaken ingevolge artikel 552a, vijfde lid, of artikel 552ab, vierde lid, van dat wetboek een beschikking neemt, deelt deze onverwijld mee aan de inspecteur.
Artikel 11:6
Bij het opsporen van een bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gesteld feit hebben de in artikel 11:3, eerste lid, bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij zijn bevoegd zich door bepaalde door hen aangewezen personen te doen vergezellen.
Artikel 11:7
Ten dienste van de vervolging en berechting van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten kan Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid, ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, aanwijzen, die het contact onderhouden met het openbaar ministerie.
Artikel 11:8
De griffiers verstrekken aan de inspecteur desgevraagd kosteloos afschrift of uittreksel van arresten of vonnissen, met toepassing van deze wet gewezen.
Artikel 11:9
Met betrekking tot gerechtelijke mededelingen inzake bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten hebben de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, de bevoegdheden bij het Wetboek van Strafvordering aan ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, toegekend.
Hoofdstuk 11. Algemene bepalingen van strafvordering
Artikel 12:1
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter verzekering van een juiste toepassing van het Douanewetboek van de Unie, de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie of de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie nadere regels worden gesteld ter aanvulling van de in deze wet geregelde onderwerpen.
Artikel 12:2
Bij het uitoefenen van het recht op beroep moet in bezwaar-, verzoek-, beroep-, verweer- en verzetschriften hij die niet in Nederland een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, domicilie kiezen in Nederland.
Artikel 12:3
Het ingevolge het Douanewetboek van de Unie, de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie of de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie of de wet bekendmaken, toezenden daaronder begrepen, van een stuk aan een persoon, die niet binnen Nederland een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, kan ook geschieden aan de binnen Nederland gelegen vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep, dan wel aan de woning of het kantoor van de binnen Nederland wonende of gevestigde vertegenwoordiger.
Artikel 12:4
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 12:5
Voor de bekendmaking van deze wet stelt Onze Minister van Financiën de nummering van de artikelen, paragrafen, hoofdstukken en afdelingen van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen, paragrafen, hoofdstukken en afdelingen daarmee in overeenstemming.
Artikel 12:6
Deze wet wordt aangehaald als: Algemene douanewet.
Bijlage. bij de artikelen 1:1 en 1:3 van de Algemene douanewet
Voorschriften gebaseerd op de artikelen 31, 33, 42, 43, 75, 91, 100, 107, 108, 109, 113, 114, 115, 168, 192, 207, 215 of 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voorzover het voorschriften aangaande onderwerpen betreft die vallen onder de reikwijdte van de hierna genoemde wetten.
B. Nationale regelgeving
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 1:26a
Gebruikers van gebouwen, niet zijnde woningen, en terreinen, spoorwegemplacementen, plaatsen voor distributie en overslag voor goederen die over de weg worden vervoerd, havens, haventerreinen, luchthavens en luchtvaartterreinen, als bedoeld in artikel 1:26 stellen op aanwijzing van de inspecteur kosteloos kantoorruimtes en andere ruimtes ter beschikking ter uitvoering van ambtelijke werkzaamheden als bedoeld in deze wet, op deze wet berustende bepalingen en de bepalingen, bedoeld in artikel 1:1.
De ruimte voldoet aan de eisen gesteld bij de aanwijzing.
Hoofdstuk 2. Bepalingen die op de in het douanegebied van de Unie binnengebrachte goederen van toepassing zijn tot deze onder een douaneregeling zijn geplaatst, worden wederuitgevoerd, het douanegebied van de Unie zullen verlaten of worden verwijderd
Afdeling 2.1. Formaliteiten met betrekking tot goederen en goederenverkeer
Afdeling 2.2. Overige bepalingen
Hoofdstuk 3. Verboden en beperkingen
Afdeling 3.1. Liquide middelen
Hoofdstuk 4. Vrije zones en vrije entrepots
Hoofdstuk 3. Verboden en beperkingen
Hoofdstuk 7. Douaneschuld
Afdeling 7.2. Ontstaan van de douaneschuld
Afdeling 7.3. Invordering van het bedrag van de douaneschuld en toepassing handelspolitieke maatregelen
Paragraaf 7.3.1. Boeking en mededeling
Hoofdstuk 8. Beroep in een eerste fase (bezwaar) en beroep in een tweede fase (beroep)
Hoofdstuk 9. Bestuurlijke boeten
Afdeling 9.2. Aanvullende voorschriften inzake het opleggen van bestuurlijke boeten
Hoofdstuk 10. Strafrechtelijke bepalingen
Afdeling 9.2. Aanvullende voorschriften inzake het opleggen van bestuurlijke boeten
Afdeling 10.1. Strafbare feiten
Hoofdstuk 11. Algemene bepalingen van strafvordering
Artikel 11:1
De rechtbanken vonnissen in eerste aanleg over bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten.
De vonnissen zijn aan hoger beroep onderworpen, voorzover zij zijn gewezen:
- a. ter zake van misdrijven;
- b. ter zake van overtredingen ten aanzien van degene die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen, de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt.
Tegen andere vonnissen kan de verdachte hoger beroep instellen, indien hechtenis als hoofdstraf is opgelegd, een geldboete van € 113 of meer is opgelegd dan wel een verbeurdverklaring is uitgesproken; het openbaar ministerie kan hoger beroep instellen, indien het gelijke straffen heeft gevorderd.
Artikel 11:2
Ten aanzien van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten worden personen, niet zijnde natuurlijke personen, voor de toepassing van artikel 2 van het Wetboek van Strafvordering geacht te wonen, waar zij gevestigd zijn.
Artikel 11:3
Met het opsporen van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen, belast de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, dan wel de ambtenaren die bij regeling van Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat zijn aangewezen.
In afwijking van artikel 156 van het Wetboek van Strafvordering worden alle processen-verbaal betreffende bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten ingezonden bij de inspecteur. De inspecteur doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten,
- a. als bedoeld in de artikelen 22 en 25 van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie («EOM») (PbEU 2017, L 283), of
- b. ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning tegen de wil van de bewoner is binnengetreden, met de inbeslaggenomen voorwerpen,
onverwijld toekomen aan de bevoegde officier van justitie.
De overige processen-verbaal doet de inspecteur, met de in beslag genomen voorwerpen, toekomen aan de officier van justitie, indien hij een vervolging of verdere vervolging door deze wenselijk acht.
De officier van justitie is bevoegd, de zaak ter afdoening weer in handen van de inspecteur te stellen, welke daarmede alsdan kan handelen overeenkomstig artikel 10:15.
Het bepaalde in artikel 148, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering vindt geen toepassing in zaken, waarin de inspecteur het proces-verbaal niet aan de officier van justitie heeft doen toekomen.
Artikel 11:4
De ambtenaren belast met het opsporen van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten, zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van de ingevolge het Wetboek van Strafvordering voor inbeslagneming vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.
Artikel 11:5
In zaken waarin de inspecteur het proces-verbaal niet ingevolge het bepaalde in artikel 11:3, tweede lid, aan de officier van justitie heeft doen toekomen, geldt ten aanzien van de inspecteur hetgeen in artikel 116 van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van het openbaar ministerie is bepaald.
In de zaken, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de toepassing van de artikelen 552a en 552ab van het Wetboek van Strafvordering, alvorens het gerecht ingevolge artikel 552a, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 552ab, vierde lid, van dat artikel een beschikking neemt, ook de inspecteur in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en is, in afwijking van het bepaalde in artikel 552d van dat wetboek, niet het openbaar ministerie doch de inspecteur bevoegd tot het instellen van beroep in cassatie. De griffier van het gerecht hetwelk in die zaken ingevolge artikel 552a, vijfde lid, of artikel 552ab, vierde lid, van dat wetboek een beschikking neemt, deelt deze onverwijld mee aan de inspecteur.
Artikel 11:6
Bij het opsporen van een bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gesteld feit hebben de in artikel 11:3, eerste lid, bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij zijn bevoegd zich door bepaalde door hen aangewezen personen te doen vergezellen.
Artikel 11:7
Ten dienste van de vervolging en berechting van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten kan Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid, ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, aanwijzen, die het contact onderhouden met het openbaar ministerie.
Artikel 11:8
De griffiers verstrekken aan de inspecteur desgevraagd kosteloos afschrift of uittreksel van arresten of vonnissen, met toepassing van deze wet gewezen.
Artikel 11:9
Met betrekking tot gerechtelijke mededelingen inzake bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten hebben de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, de bevoegdheden bij het Wetboek van Strafvordering aan ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, toegekend.
Hoofdstuk 11. Algemene bepalingen van strafvordering
Artikel 12:1
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter verzekering van een juiste toepassing van het Douanewetboek van de Unie, de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie of de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie nadere regels worden gesteld ter aanvulling van de in deze wet geregelde onderwerpen.
Artikel 12:2
Bij het uitoefenen van het recht op beroep moet in bezwaar-, verzoek-, beroep-, verweer- en verzetschriften hij die niet in Nederland een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, domicilie kiezen in Nederland.
Artikel 12:3
Het ingevolge het Douanewetboek van de Unie, de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie of de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie of de wet bekendmaken, toezenden daaronder begrepen, van een stuk aan een persoon, die niet binnen Nederland een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, kan ook geschieden aan de binnen Nederland gelegen vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep, dan wel aan de woning of het kantoor van de binnen Nederland wonende of gevestigde vertegenwoordiger.
Artikel 12:4
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 12:5
Voor de bekendmaking van deze wet stelt Onze Minister van Financiën de nummering van de artikelen, paragrafen, hoofdstukken en afdelingen van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen, paragrafen, hoofdstukken en afdelingen daarmee in overeenstemming.
Artikel 12:6
Deze wet wordt aangehaald als: Algemene douanewet.
Bijlage. bij de artikelen 1:1 en 1:3 van de Algemene douanewet
A. Europese regelgeving
Voorschriften gebaseerd op de artikelen 31, 33, 42, 43, 75, 91, 100, 107, 108, 109, 113, 114, 115, 168, 192, 207, 215 of 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voorzover het voorschriften aangaande onderwerpen betreft die vallen onder de reikwijdte van de hierna genoemde wetten.
B. Nationale regelgeving
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Afdeling 9.1. Beboetbare feiten
Hoofdstuk 10. Strafrechtelijke bepalingen
Afdeling 10.1. Strafbare feiten
Afdeling 10.1. Strafbare feiten
Hoofdstuk 11. Algemene bepalingen van strafvordering
Artikel 11:1
De rechtbanken vonnissen in eerste aanleg over bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten.
De vonnissen zijn aan hoger beroep onderworpen, voorzover zij zijn gewezen:
- a. ter zake van misdrijven;
- b. ter zake van overtredingen ten aanzien van degene die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen, de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt.
Tegen andere vonnissen kan de verdachte hoger beroep instellen, indien hechtenis als hoofdstraf is opgelegd, een geldboete van € 113 of meer is opgelegd dan wel een verbeurdverklaring is uitgesproken; het openbaar ministerie kan hoger beroep instellen, indien het gelijke straffen heeft gevorderd.
Artikel 11:2
Ten aanzien van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten worden personen, niet zijnde natuurlijke personen, voor de toepassing van artikel 2 van het Wetboek van Strafvordering geacht te wonen, waar zij gevestigd zijn.
Artikel 11:3
Met het opsporen van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen, belast de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, dan wel de ambtenaren die bij regeling van Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat zijn aangewezen.
In afwijking van artikel 156 van het Wetboek van Strafvordering worden alle processen-verbaal betreffende bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten ingezonden bij de inspecteur. De inspecteur doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten,
- a. als bedoeld in de artikelen 22 en 25 van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie («EOM») (PbEU 2017, L 283), of
- b. ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning tegen de wil van de bewoner is binnengetreden, met de inbeslaggenomen voorwerpen,
onverwijld toekomen aan de bevoegde officier van justitie.
De overige processen-verbaal doet de inspecteur, met de in beslag genomen voorwerpen, toekomen aan de officier van justitie, indien hij een vervolging of verdere vervolging door deze wenselijk acht.
De officier van justitie is bevoegd, de zaak ter afdoening weer in handen van de inspecteur te stellen, welke daarmede alsdan kan handelen overeenkomstig artikel 10:15.
Het bepaalde in artikel 148, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering vindt geen toepassing in zaken, waarin de inspecteur het proces-verbaal niet aan de officier van justitie heeft doen toekomen.
Artikel 11:4
De ambtenaren belast met het opsporen van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten, zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van de ingevolge het Wetboek van Strafvordering voor inbeslagneming vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.
Artikel 11:5
In zaken waarin de inspecteur het proces-verbaal niet ingevolge het bepaalde in artikel 11:3, tweede lid, aan de officier van justitie heeft doen toekomen, geldt ten aanzien van de inspecteur hetgeen in artikel 116 van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van het openbaar ministerie is bepaald.
In de zaken, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de toepassing van de artikelen 552a en 552ab van het Wetboek van Strafvordering, alvorens het gerecht ingevolge artikel 552a, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 552ab, vierde lid, van dat artikel een beschikking neemt, ook de inspecteur in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en is, in afwijking van het bepaalde in artikel 552d van dat wetboek, niet het openbaar ministerie doch de inspecteur bevoegd tot het instellen van beroep in cassatie. De griffier van het gerecht hetwelk in die zaken ingevolge artikel 552a, vijfde lid, of artikel 552ab, vierde lid, van dat wetboek een beschikking neemt, deelt deze onverwijld mee aan de inspecteur.
Artikel 11:6
Bij het opsporen van een bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gesteld feit hebben de in artikel 11:3, eerste lid, bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij zijn bevoegd zich door bepaalde door hen aangewezen personen te doen vergezellen.
Artikel 11:7
Ten dienste van de vervolging en berechting van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten kan Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid, ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, aanwijzen, die het contact onderhouden met het openbaar ministerie.
Artikel 11:8
De griffiers verstrekken aan de inspecteur desgevraagd kosteloos afschrift of uittreksel van arresten of vonnissen, met toepassing van deze wet gewezen.
Artikel 11:9
Met betrekking tot gerechtelijke mededelingen inzake bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten hebben de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, de bevoegdheden bij het Wetboek van Strafvordering aan ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, toegekend.
Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
Artikel 12:1
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter verzekering van een juiste toepassing van het Douanewetboek van de Unie, de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie of de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie nadere regels worden gesteld ter aanvulling van de in deze wet geregelde onderwerpen.
Artikel 12:2
Bij het uitoefenen van het recht op beroep moet in bezwaar-, verzoek-, beroep-, verweer- en verzetschriften hij die niet in Nederland een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, domicilie kiezen in Nederland.
Artikel 12:3
Het ingevolge het Douanewetboek van de Unie, de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie of de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie of de wet bekendmaken, toezenden daaronder begrepen, van een stuk aan een persoon, die niet binnen Nederland een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, kan ook geschieden aan de binnen Nederland gelegen vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep, dan wel aan de woning of het kantoor van de binnen Nederland wonende of gevestigde vertegenwoordiger.
Artikel 12:4
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 12:5
Voor de bekendmaking van deze wet stelt Onze Minister van Financiën de nummering van de artikelen, paragrafen, hoofdstukken en afdelingen van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen, paragrafen, hoofdstukken en afdelingen daarmee in overeenstemming.
Artikel 12:6
Deze wet wordt aangehaald als: Algemene douanewet.
Bijlage. bij de artikelen 1:1 en 1:3 van de Algemene douanewet
Voorschriften gebaseerd op de artikelen 31, 33, 42, 43, 75, 91, 100, 107, 108, 109, 113, 114, 115, 168, 192, 207, 215 of 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voorzover het voorschriften aangaande onderwerpen betreft die vallen onder de reikwijdte van de hierna genoemde wetten.
B. Nationale regelgeving
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 1:23a
De inspecteur is bevoegd persoonsgegevens te verwerken bij het gebruik van camera’s.
De verwerking van de persoonsgegevens heeft tot doel:
- a. het systematisch in kaart brengen van risico’s voor het uitvoeren van risicoanalyse in het kader van risicobeheer;
- b. de blootstelling aan risico’s te beperken;
- c. te bepalen of een douanecontrole moet worden ingesteld;
- d. het ondersteunen van een douanecontrole.
De persoonsgegevens worden binnen het doel gebruikt om natuurlijke personen te identificeren voor zover dat noodzakelijk is voor de taak van de inspecteur bij de uitvoering van het gestelde bij of krachtens deze wet of voor de persoonlijke veiligheid van de betrokken ambtenaar of zijn directe omgeving.
De camera’s waarbij persoonsgegevens worden verwerkt, worden:
- a. gericht zeewaarts, op de binnenwateren of de hoofdvaarwegen;
- b. gericht op dan wel ingezet in of op de locaties, bedoeld in artikel 1:26, met uitzondering van in of op die locaties aanwezige woningen;
- c. gericht op personen of vervoermiddelen die een risico met zich brengen; of
- d. in dringende gevallen gericht op dan wel ingezet in of op andere locaties dan bedoeld in de onderdelen a of b na toestemming van een ambtenaar die daartoe bij regeling van Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat, is aangewezen.
Camera’s worden alleen gericht op dan wel ingezet in een militaire haven, militaire luchthaven of militair oefenterrein na verkregen schriftelijke toestemming van de hoofdgebruiker.
Wanneer de inspecteur gebruikmaakt van camera’s waarbij persoonsgegevens worden verwerkt, van personen of instellingen die geen inspecteur of ontvanger zijn, sluit hij daartoe een overeenkomst af met die personen of instellingen.
Artikel 1:23b
De inspecteur is bevoegd om camera’s te gebruiken waarbij bijzondere persoonsgegevens in de vorm van gegevens over de gezondheid worden verwerkt.
De camera’s worden gericht op reizigers als bedoeld in artikel 1:28, derde lid.
De verwerking heeft tot doel te bepalen of een douanecontrole moet worden ingesteld waaronder wordt begrepen het onderwerpen van de reiziger aan lijfsvisitatie.
Artikel 1:23c
De inspecteur is bevoegd in het kader van een douanecontrole van goederen die worden overgebracht van een opslagruimte voor tijdelijke opslag naar een andere opslagruimte voor tijdelijke opslag als bedoeld in artikel 148, vijfde lid, van het Douanewetboek van de Unie camera’s te gebruiken waarbij persoonsgegevens worden verwerkt.
De verwerking heeft tot doel te controleren of de goederen worden overgebracht naar de andere opslagruimte voor tijdelijke opslag.
In afwijking in zoverre van artikel 1:23a, vierde lid, worden de camera’s gericht op het vervoermiddel waarmee de goederen worden vervoerd.
Artikel 1:23d
De inspecteur is bevoegd in het kader van een douanecontrole van goederen die worden vervoerd nadat zij onder een bijzondere regeling als bedoeld in artikel 210 van het Douanewetboek van de Unie zijn geplaatst of worden vervoerd met toepassing van artikel 219 van het Douanewetboek van de Unie camera’s te gebruiken waarbij persoonsgegevens worden verwerkt.
De verwerking heeft tot doel te controleren of na vrijgave van de goederen deze worden overgebracht naar het douanekantoor van bestemming, de toegelaten geadresseerde, de locatie of de plaats die in de betreffende douaneaangifte of vergunning is vermeld.
In afwijking in zoverre van artikel 1:23a, vierde lid, worden de camera’s gericht op het vervoermiddel waarmee de goederen worden vervoerd.
Artikel 1:23e
De inspecteur is bevoegd in het kader van een douanecontrole van goederen die vallen onder de werking van Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren (PbEU 2004, L 47) en die worden vervoerd camera’s te gebruiken waarbij persoonsgegevens worden verwerkt.
De verwerking heeft tot doel te controleren of de goederen worden overgebracht naar een vergunninghouder, een geregistreerde marktdeelnemer of een afnemer die een afnemersverklaring heeft ondertekend of ter controle van een kennisgeving als bedoeld in die verordening.
In afwijking in zoverre van artikel 1:23a, vierde lid, worden de camera’s gericht op het vervoermiddel waarmee de goederen worden vervoerd.
Artikel 1:23f
De inspecteur is bevoegd in het kader van een douanecontrole van goederen die vallen onder de werking van Verordening (EU) 2019/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 98/2013 (PbEU 2019, L 186) en die worden vervoerd camera’s te gebruiken waarbij persoonsgegevens worden verwerkt.
De verwerking heeft tot doel te controleren of de goederen worden overgebracht naar een vergunninghouder of ter controle van een melding als bedoeld in die verordening.
In afwijking in zoverre van artikel 1:23a, vierde lid, worden de camera’s gericht op het vervoermiddel waarmee de goederen worden vervoerd.
Artikel 1:23g
De inspecteur draagt zorg voor passende algemeen aanvaarde beveiligingsmaatregelen teneinde ongeautoriseerde toegang te voorkomen en draagt ervoor zorg dat de toegang tot de beelden tussen aanvang van de verwerking en de vernietiging alleen kunnen worden ingezien door speciaal daartoe gemandateerden.
De aanwezigheid van vaste camera’s waarbij persoonsgegevens zouden kunnen worden verwerkt wordt op duidelijke wijze kenbaar gemaakt.
De persoonsgegevens verkregen met camera’s worden zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen vier weken nadat ze zijn verkregen vernietigd, tenzij deze gegevens noodzakelijk zijn voor de afhandeling van de uitkomsten van een douanecontrole of indien de inspecteur ingevolge een bij of krachtens de wet bestaande verplichting gehouden is de gegevens te verstrekken. Persoonsgegevens noodzakelijk voor de afhandeling van de uitkomsten van een douanecontrole worden zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen vier weken nadat de beelden niet meer noodzakelijk zijn voor die uitkomsten, vernietigd.
Onze Minister van Financiën controleert minimaal eenmaal per jaar de uitvoering van de bij of krachtens de artikelen 1:23a tot en met 1:23g gegeven regels door middel van een audit op privacy- en integriteitsaspecten.
Onze Minister van Financiën stelt jaarlijks vóór 1 januari een cameraplan vast en publiceert dit in de Staatscourant.
Artikel 1:23h
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ter verzekering van de juiste uitvoering en toepassing van de artikelen 1:23a tot en met 1:23g. Daarbij worden in ieder geval regels gesteld met betrekking tot de inhoud van het cameraplan, waaronder de onderbouwing voor de inzet van de camera’s waarbij mogelijk persoonsgegevens worden verwerkt.
Paragraaf 1.2.5. Verstrekking van gegevens en inlichtingen
Artikel 1:38
De inspecteur verstrekt kosteloos mondeling, schriftelijk of op andere wijze de gegevens en inlichtingen aan de inspectie belastingen, toeslagen en douane, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken van die inspectie. Het is deze inspectie niet toegestaan verkregen gegevens en inlichtingen die van vertrouwelijke aard zijn, of die als vertrouwelijk zijn verstrekt, aan derden te verstrekken.
Hoofdstuk 2. Bepalingen die op de in het douanegebied van de Unie binnengebrachte goederen van toepassing zijn tot deze onder een douaneregeling zijn geplaatst, worden wederuitgevoerd, het douanegebied van de Unie zullen verlaten of worden verwijderd
Afdeling 2.1. Formaliteiten met betrekking tot goederen en goederenverkeer
Afdeling 2.1. Formaliteiten met betrekking tot goederen en goederenverkeer
Hoofdstuk 4. Vrije zones en vrije entrepots
Hoofdstuk 4. Vrije zones en vrije entrepots
Hoofdstuk 5. Goederen die het douanegebied van de Unie verlaten
Afdeling 7.1. Zekerheidstelling voor het bedrag van de douaneschuld
Afdeling 7.2. Ontstaan van de douaneschuld
Paragraaf 7.3.1. Boeking en mededeling
Hoofdstuk 8. Beroep in een eerste fase (bezwaar) en beroep in een tweede fase (beroep)
Hoofdstuk 9. Bestuurlijke boeten
Afdeling 10.2. Algemene bepalingen van strafrecht
Hoofdstuk 11. Algemene bepalingen van strafvordering
Artikel 11:1
De rechtbanken vonnissen in eerste aanleg over bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten.
De vonnissen zijn aan hoger beroep onderworpen, voorzover zij zijn gewezen:
- a. ter zake van misdrijven;
- b. ter zake van overtredingen ten aanzien van degene die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen, de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt.
Tegen andere vonnissen kan de verdachte hoger beroep instellen, indien hechtenis als hoofdstraf is opgelegd, een geldboete van € 113 of meer is opgelegd dan wel een verbeurdverklaring is uitgesproken; het openbaar ministerie kan hoger beroep instellen, indien het gelijke straffen heeft gevorderd.
Artikel 11:2
Ten aanzien van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten worden personen, niet zijnde natuurlijke personen, voor de toepassing van artikel 2 van het Wetboek van Strafvordering geacht te wonen, waar zij gevestigd zijn.
Artikel 11:3
Met het opsporen van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen, belast de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, dan wel de ambtenaren die bij regeling van Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat zijn aangewezen.
In afwijking van artikel 156 van het Wetboek van Strafvordering worden alle processen-verbaal betreffende bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten ingezonden bij de inspecteur. De inspecteur doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten,
- a. als bedoeld in de artikelen 22 en 25 van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie («EOM») (PbEU 2017, L 283), of
- b. ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning tegen de wil van de bewoner is binnengetreden, met de inbeslaggenomen voorwerpen,
onverwijld toekomen aan de bevoegde officier van justitie.
De overige processen-verbaal doet de inspecteur, met de in beslag genomen voorwerpen, toekomen aan de officier van justitie, indien hij een vervolging of verdere vervolging door deze wenselijk acht.
De officier van justitie is bevoegd, de zaak ter afdoening weer in handen van de inspecteur te stellen, welke daarmede alsdan kan handelen overeenkomstig artikel 10:15.
Het bepaalde in artikel 148, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering vindt geen toepassing in zaken, waarin de inspecteur het proces-verbaal niet aan de officier van justitie heeft doen toekomen.
Artikel 11:4
De ambtenaren belast met het opsporen van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten, zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van de ingevolge het Wetboek van Strafvordering voor inbeslagneming vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.
Artikel 11:5
In zaken waarin de inspecteur het proces-verbaal niet ingevolge het bepaalde in artikel 11:3, tweede lid, aan de officier van justitie heeft doen toekomen, geldt ten aanzien van de inspecteur hetgeen in artikel 116 van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van het openbaar ministerie is bepaald.
In de zaken, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de toepassing van de artikelen 552a en 552ab van het Wetboek van Strafvordering, alvorens het gerecht ingevolge artikel 552a, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 552ab, vierde lid, van dat artikel een beschikking neemt, ook de inspecteur in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en is, in afwijking van het bepaalde in artikel 552d van dat wetboek, niet het openbaar ministerie doch de inspecteur bevoegd tot het instellen van beroep in cassatie. De griffier van het gerecht hetwelk in die zaken ingevolge artikel 552a, vijfde lid, of artikel 552ab, vierde lid, van dat wetboek een beschikking neemt, deelt deze onverwijld mee aan de inspecteur.
Artikel 11:6
Bij het opsporen van een bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gesteld feit hebben de in artikel 11:3, eerste lid, bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij zijn bevoegd zich door bepaalde door hen aangewezen personen te doen vergezellen.
Artikel 11:7
Ten dienste van de vervolging en berechting van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten kan Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid, ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, aanwijzen, die het contact onderhouden met het openbaar ministerie.
Artikel 11:8
De griffiers verstrekken aan de inspecteur desgevraagd kosteloos afschrift of uittreksel van arresten of vonnissen, met toepassing van deze wet gewezen.
Artikel 11:9
Met betrekking tot gerechtelijke mededelingen inzake bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten hebben de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, de bevoegdheden bij het Wetboek van Strafvordering aan ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, toegekend.
Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
Artikel 12:1
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter verzekering van een juiste toepassing van het Douanewetboek van de Unie, de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie of de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie nadere regels worden gesteld ter aanvulling van de in deze wet geregelde onderwerpen.
Artikel 12:2
Bij het uitoefenen van het recht op beroep moet in bezwaar-, verzoek-, beroep-, verweer- en verzetschriften hij die niet in Nederland een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, domicilie kiezen in Nederland.
Artikel 12:3
Het ingevolge het Douanewetboek van de Unie, de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie of de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie of de wet bekendmaken, toezenden daaronder begrepen, van een stuk aan een persoon, die niet binnen Nederland een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, kan ook geschieden aan de binnen Nederland gelegen vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep, dan wel aan de woning of het kantoor van de binnen Nederland wonende of gevestigde vertegenwoordiger.
Artikel 12:4
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 12:5
Voor de bekendmaking van deze wet stelt Onze Minister van Financiën de nummering van de artikelen, paragrafen, hoofdstukken en afdelingen van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen, paragrafen, hoofdstukken en afdelingen daarmee in overeenstemming.
Artikel 12:6
Deze wet wordt aangehaald als: Algemene douanewet.
Bijlage. bij de artikelen 1:1 en 1:3 van de Algemene douanewet
A. Europese regelgeving
Voorschriften gebaseerd op de artikelen 31, 33, 42, 43, 75, 91, 100, 107, 108, 109, 113, 114, 115, 168, 192, 207, 215 of 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voorzover het voorschriften aangaande onderwerpen betreft die vallen onder de reikwijdte van de hierna genoemde wetten.
B. Nationale regelgeving
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 9:6b
In afwijking van artikel 5:43 van de Algemene wet bestuursrecht kan de inspecteur een boete naar aanleiding van een vergrijp opleggen wegens hetzelfde feit als waarvoor eerder een boete naar aanleiding van een verzuim is opgelegd, indien nieuwe bezwaren bekend zijn geworden.
Als nieuwe bezwaren kunnen enkel worden aangemerkt:
- a. inlichtingen van eenieder die direct of indirect bij het vervullen van douaneformaliteiten of douanecontroles is betrokken die later bekend zijn geworden of niet zijn onderzocht;
- b. boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, die later bekend zijn geworden of niet zijn onderzocht; of
- c. gegevens en resultaten van controles als bedoeld in artikel 47 van het Douanewetboek van de Unie, die later bekend zijn geworden of niet zijn onderzocht.
Het rapport, bedoeld in artikel 5:48 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt opgemaakt en vermeldt tevens waaruit de nieuwe bezwaren bestaan.
De eerder opgelegde boete ter zake van een verzuim wordt verrekend met de wegens hetzelfde feit opgelegde boete ter zake van een vergrijp.
Afdeling 10.2. Algemene bepalingen van strafrecht
Hoofdstuk 11. Algemene bepalingen van strafvordering
Artikel 11:1
De rechtbanken vonnissen in eerste aanleg over bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten.
De vonnissen zijn aan hoger beroep onderworpen, voorzover zij zijn gewezen:
- a. ter zake van misdrijven;
- b. ter zake van overtredingen ten aanzien van degene die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen, de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt.
Tegen andere vonnissen kan de verdachte hoger beroep instellen, indien hechtenis als hoofdstraf is opgelegd, een geldboete van € 113 of meer is opgelegd dan wel een verbeurdverklaring is uitgesproken; het openbaar ministerie kan hoger beroep instellen, indien het gelijke straffen heeft gevorderd.
Artikel 11:2
Ten aanzien van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten worden personen, niet zijnde natuurlijke personen, voor de toepassing van artikel 2 van het Wetboek van Strafvordering geacht te wonen, waar zij gevestigd zijn.
Artikel 11:3
Met het opsporen van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen, belast de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, dan wel de ambtenaren die bij regeling van Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat zijn aangewezen.
In afwijking van artikel 156 van het Wetboek van Strafvordering worden alle processen-verbaal betreffende bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten ingezonden bij de inspecteur. De inspecteur doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten,
- a. als bedoeld in de artikelen 22 en 25 van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie («EOM») (PbEU 2017, L 283), of
- b. ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning tegen de wil van de bewoner is binnengetreden, met de inbeslaggenomen voorwerpen,
onverwijld toekomen aan de bevoegde officier van justitie.
De overige processen-verbaal doet de inspecteur, met de in beslag genomen voorwerpen, toekomen aan de officier van justitie, indien hij een vervolging of verdere vervolging door deze wenselijk acht.
De officier van justitie is bevoegd, de zaak ter afdoening weer in handen van de inspecteur te stellen, welke daarmede alsdan kan handelen overeenkomstig artikel 10:15.
Het bepaalde in artikel 148, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering vindt geen toepassing in zaken, waarin de inspecteur het proces-verbaal niet aan de officier van justitie heeft doen toekomen.
Artikel 11:4
De ambtenaren belast met het opsporen van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten, zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van de ingevolge het Wetboek van Strafvordering voor inbeslagneming vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.
Artikel 11:5
In zaken waarin de inspecteur het proces-verbaal niet ingevolge het bepaalde in artikel 11:3, tweede lid, aan de officier van justitie heeft doen toekomen, geldt ten aanzien van de inspecteur hetgeen in artikel 116 van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van het openbaar ministerie is bepaald.
In de zaken, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de toepassing van de artikelen 552a en 552ab van het Wetboek van Strafvordering, alvorens het gerecht ingevolge artikel 552a, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 552ab, vierde lid, van dat artikel een beschikking neemt, ook de inspecteur in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en is, in afwijking van het bepaalde in artikel 552d van dat wetboek, niet het openbaar ministerie doch de inspecteur bevoegd tot het instellen van beroep in cassatie. De griffier van het gerecht hetwelk in die zaken ingevolge artikel 552a, vijfde lid, of artikel 552ab, vierde lid, van dat wetboek een beschikking neemt, deelt deze onverwijld mee aan de inspecteur.
Artikel 11:6
Bij het opsporen van een bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gesteld feit hebben de in artikel 11:3, eerste lid, bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij zijn bevoegd zich door bepaalde door hen aangewezen personen te doen vergezellen.
Artikel 11:7
Ten dienste van de vervolging en berechting van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten kan Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid, ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, aanwijzen, die het contact onderhouden met het openbaar ministerie.
Artikel 11:8
De griffiers verstrekken aan de inspecteur desgevraagd kosteloos afschrift of uittreksel van arresten of vonnissen, met toepassing van deze wet gewezen.
Artikel 11:9
Met betrekking tot gerechtelijke mededelingen inzake bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten hebben de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, de bevoegdheden bij het Wetboek van Strafvordering aan ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, toegekend.
Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
Artikel 12:1
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter verzekering van een juiste toepassing van het Douanewetboek van de Unie, de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie of de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie nadere regels worden gesteld ter aanvulling van de in deze wet geregelde onderwerpen.
Artikel 12:2
Bij het uitoefenen van het recht op beroep moet in bezwaar-, verzoek-, beroep-, verweer- en verzetschriften hij die niet in Nederland een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, domicilie kiezen in Nederland.
Artikel 12:3
Het ingevolge het Douanewetboek van de Unie, de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie of de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie of de wet bekendmaken, toezenden daaronder begrepen, van een stuk aan een persoon, die niet binnen Nederland een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, kan ook geschieden aan de binnen Nederland gelegen vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep, dan wel aan de woning of het kantoor van de binnen Nederland wonende of gevestigde vertegenwoordiger.
Artikel 12:4
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 12:5
Voor de bekendmaking van deze wet stelt Onze Minister van Financiën de nummering van de artikelen, paragrafen, hoofdstukken en afdelingen van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen, paragrafen, hoofdstukken en afdelingen daarmee in overeenstemming.
Artikel 12:6
Deze wet wordt aangehaald als: Algemene douanewet.
Bijlage. bij de artikelen 1:1 en 1:3 van de Algemene douanewet
A. Europese regelgeving
Voorschriften gebaseerd op de artikelen 31, 33, 42, 43, 75, 91, 100, 107, 108, 109, 113, 114, 115, 168, 192, 207, 215 of 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voorzover het voorschriften aangaande onderwerpen betreft die vallen onder de reikwijdte van de hierna genoemde wetten.
A. Europese regelgeving
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 1:39
De inspecteur verstrekt op verzoek kosteloos mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – de gegevens, waaronder persoonsgegevens, en inlichtingen aan de politie of de Koninklijke Marechaussee, ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de Politiewet 2012, die noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van inzicht in misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.
De inspecteur kan, voor zover dit met het oog op een zwaarwegend algemeen belang noodzakelijk is, uit eigen beweging ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de Politiewet 2012, in overeenstemming met het bevoegd gezag, bedoeld in de artikelen 12 en 14, tweede lid, van die wet, of voor de persoonlijke veiligheid van de betrokken ambtenaar of zijn directe omgeving, kosteloos mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – gegevens, waaronder persoonsgegevens, en inlichtingen met betrekking tot individuele gevallen verstrekken aan de politie of de Koninklijke Marechaussee.
De inspecteur verstrekt alleen de gegevens die hij reeds voorafgaand aan het verzoek heeft verwerkt voor zover die verwerking noodzakelijk was voor de taak van de inspecteur bij de uitvoering van het gestelde bij of krachtens deze wet.
Indien dit geen gevolgen heeft voor de effectiviteit van de uitvoering van de politietaak worden de gegevens, bedoeld in het eerste lid, door de inspecteur geanonimiseerd.
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
- a). het soort gegeven dat kan worden verstrekt;
- b). de wijze waarop de gegevensoverdracht wordt beveiligd;
- c). de wijze waarop de inspecteur ondersteuning biedt bij het doorgronden van de gegevens;
- d). de wijze waarop en door wie de belangenafweging wordt gemaakt bij verstrekking van gegevens als bedoeld in het tweede lid;
- e). de eisen die aan een verzoek om gegevensverstrekking worden gesteld, waaronder eisen ter voorkoming van discriminatie op grond van nationaliteit, etniciteit of op welke grond dan ook;
- f). voorkoming van discriminatie op grond van nationaliteit, etniciteit of op welke grond dan ook bij de verstrekking van de gegevens.
De voordracht voor een krachtens het vijfde lid, onderdelen a, d of e, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 1:40
De inspecteur verstrekt op verzoek kosteloos mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – de gegevens, waaronder persoonsgegevens, en inlichtingen aan de Financiële inlichtingen eenheid, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, en de Belastingdienst/Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken gericht op het verkrijgen van inzicht in goederenstromen met het oog op het voorkomen van witwassen door middel van internationale handelstransacties.
De inspecteur verstrekt, voor zover dit noodzakelijk is, zowel uit eigen beweging als op verzoek, kosteloos mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – gegevens, waaronder persoonsgegevens, en inlichtingen met betrekking tot individuele gevallen aan de Belastingdienst/Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst, voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en opsporing, bedoeld in de artikelen 3 en 12 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, in overeenstemming met het bevoegd gezag, bedoeld in dat artikel 3, onderscheidenlijk dat artikel 12.
De inspecteur verstrekt alleen de gegevens die hij reeds voorafgaand aan het verzoek heeft verwerkt voor zover die verwerking noodzakelijk was voor de taak van de inspecteur bij de uitvoering van het gestelde bij of krachtens deze wet.
Indien dit geen gevolgen heeft voor de effectiviteit van de uitvoering van de taken worden de gegevens, bedoeld in het eerste lid, door de inspecteur geanonimiseerd.
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
- a). het soort gegeven dat kan worden verstrekt;
- b). de wijze waarop de gegevensoverdracht wordt beveiligd;
- c). de wijze waarop de inspecteur ondersteuning biedt bij het doorgronden van de gegevens;
- d). de eisen die aan een verzoek om gegevensverstrekking worden gesteld, waaronder eisen ter voorkoming van discriminatie op grond van nationaliteit, etniciteit of op welke grond dan ook;
- e). voorkoming van discriminatie op grond van nationaliteit, etniciteit of op welke grond dan ook bij de verstrekking van de gegevens.
De voordracht voor een krachtens het vijfde lid, onderdelen a of d, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Hoofdstuk 2. Bepalingen die op de in het douanegebied van de Unie binnengebrachte goederen van toepassing zijn tot deze onder een douaneregeling zijn geplaatst, worden wederuitgevoerd, het douanegebied van de Unie zullen verlaten of worden verwijderd
Afdeling 2.1. Formaliteiten met betrekking tot goederen en goederenverkeer
Afdeling 2.2. Overige bepalingen
Afdeling 3.1. Liquide middelen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)