Wet van 3 april 2008 tot algehele herziening van de douanewetgeving (Algemene douanewet)

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 303
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hoofdstuk 7. Douaneschuld

Afdeling 7.1. Zekerheidstelling voor het bedrag van de douaneschuld

Afdeling 7.3. Invordering van het bedrag van de douaneschuld en toepassing handelspolitieke maatregelen

Paragraaf 7.3.1. Boeking en mededeling

Hoofdstuk 8. Beroep in een eerste fase (bezwaar) en beroep in een tweede fase (beroep)

Afdeling 9.2. Aanvullende voorschriften inzake het opleggen van bestuurlijke boeten

Afdeling 10.2. Algemene bepalingen van strafrecht

Artikel 11:1
1.

De rechtbanken vonnissen in eerste aanleg over bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten.

2.

De vonnissen zijn aan hoger beroep onderworpen, voorzover zij zijn gewezen:

  • a. ter zake van misdrijven;
  • b. ter zake van overtredingen ten aanzien van degene die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen, de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt.
3.

Tegen andere vonnissen kan de verdachte hoger beroep instellen, indien hechtenis als hoofdstraf is opgelegd, een geldboete van € 113 of meer is opgelegd dan wel een verbeurdverklaring is uitgesproken; het openbaar ministerie kan hoger beroep instellen, indien het gelijke straffen heeft gevorderd.

Artikel 11:2

Ten aanzien van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten worden personen, niet zijnde natuurlijke personen, voor de toepassing van artikel 2 van het Wetboek van Strafvordering geacht te wonen, waar zij gevestigd zijn.

Artikel 11:3
1.

Met het opsporen van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen, belast de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, dan wel de ambtenaren die bij regeling van Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat zijn aangewezen.

2.

In afwijking van artikel 156 van het Wetboek van Strafvordering worden alle processen-verbaal betreffende bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten ingezonden bij de inspecteur. De inspecteur doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten,

  • a. als bedoeld in de artikelen 22 en 25 van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie («EOM») (PbEU 2017, L 283), of
  • b. ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning tegen de wil van de bewoner is binnengetreden, met de inbeslaggenomen voorwerpen,

onverwijld toekomen aan de bevoegde officier van justitie.

De overige processen-verbaal doet de inspecteur, met de in beslag genomen voorwerpen, toekomen aan de officier van justitie, indien hij een vervolging of verdere vervolging door deze wenselijk acht.

3.

De officier van justitie is bevoegd, de zaak ter afdoening weer in handen van de inspecteur te stellen, welke daarmede alsdan kan handelen overeenkomstig artikel 10:15.

4.

Het bepaalde in artikel 148, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering vindt geen toepassing in zaken, waarin de inspecteur het proces-verbaal niet aan de officier van justitie heeft doen toekomen.

Artikel 11:4

De ambtenaren belast met het opsporen van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten, zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van de ingevolge het Wetboek van Strafvordering voor inbeslagneming vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.

Artikel 11:5
1.

In zaken waarin de inspecteur het proces-verbaal niet ingevolge het bepaalde in artikel 11:3, tweede lid, aan de officier van justitie heeft doen toekomen, geldt ten aanzien van de inspecteur hetgeen in artikel 116 van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van het openbaar ministerie is bepaald.

2.

In de zaken, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de toepassing van de artikelen 552a en 552ab van het Wetboek van Strafvordering, alvorens het gerecht ingevolge artikel 552a, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 552ab, vierde lid, van dat artikel een beschikking neemt, ook de inspecteur in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en is, in afwijking van het bepaalde in artikel 552d van dat wetboek, niet het openbaar ministerie doch de inspecteur bevoegd tot het instellen van beroep in cassatie. De griffier van het gerecht hetwelk in die zaken ingevolge artikel 552a, vijfde lid, of artikel 552ab, vierde lid, van dat wetboek een beschikking neemt, deelt deze onverwijld mee aan de inspecteur.

Artikel 11:6

Bij het opsporen van een bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gesteld feit hebben de in artikel 11:3, eerste lid, bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij zijn bevoegd zich door bepaalde door hen aangewezen personen te doen vergezellen.

Artikel 11:7

Ten dienste van de vervolging en berechting van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten kan Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid, ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, aanwijzen, die het contact onderhouden met het openbaar ministerie.

Artikel 11:8

De griffiers verstrekken aan de inspecteur desgevraagd kosteloos afschrift of uittreksel van arresten of vonnissen, met toepassing van deze wet gewezen.

Artikel 11:9

Met betrekking tot gerechtelijke mededelingen inzake bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten hebben de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, de bevoegdheden bij het Wetboek van Strafvordering aan ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, toegekend.

Hoofdstuk 12. Slotbepalingen

Artikel 12:1

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter verzekering van een juiste toepassing van het Douanewetboek van de Unie, de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie of de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie nadere regels worden gesteld ter aanvulling van de in deze wet geregelde onderwerpen.

Artikel 12:2

Bij het uitoefenen van het recht op beroep moet in bezwaar-, verzoek-, beroep-, verweer- en verzetschriften hij die niet in Nederland een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, domicilie kiezen in Nederland.

Artikel 12:3

Het ingevolge het Douanewetboek van de Unie, de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie of de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie of de wet bekendmaken, toezenden daaronder begrepen, van een stuk aan een persoon, die niet binnen Nederland een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, kan ook geschieden aan de binnen Nederland gelegen vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep, dan wel aan de woning of het kantoor van de binnen Nederland wonende of gevestigde vertegenwoordiger.

Artikel 12:4

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 12:5

Voor de bekendmaking van deze wet stelt Onze Minister van Financiën de nummering van de artikelen, paragrafen, hoofdstukken en afdelingen van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen, paragrafen, hoofdstukken en afdelingen daarmee in overeenstemming.

Artikel 12:6

Deze wet wordt aangehaald als: Algemene douanewet.

Bijlage. bij de artikelen 1:1 en 1:3 van de Algemene douanewet

Voorschriften gebaseerd op de artikelen 31, 33, 42, 43, 75, 91, 100, 107, 108, 109, 113, 114, 115, 168, 192, 207, 215 of 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voorzover het voorschriften aangaande onderwerpen betreft die vallen onder de reikwijdte van de hierna genoemde wetten.

B. Nationale regelgeving

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 1:37a
1.

Onze Ministers, openbare lichamen en rechtspersonen die bij of krachtens een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen, de onder hen ressorterende instellingen en diensten, alsmede personen die hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van het Rijk, verschaffen kosteloos, mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur –, de gegevens en inlichtingen, die hun door de inspecteur worden gevraagd voor de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens de in artikel 1:1 bedoelde regelingen dan wel voor de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

2.

Onze Minister van Financiën kan, op verzoek, ontheffing verlenen van de in het eerste lid omschreven verplichting.

3.

De inspecteur verstrekt kosteloos mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – de gegevens en inlichtingen aan Onze Ministers, openbare lichamen en rechtspersonen die bij of krachtens een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen, de onder hen ressorterende instellingen en diensten, alsmede personen die hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van het Rijk voorzover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens de in artikel 1:1 bedoelde regelingen dan wel voor de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

4.

De inspecteur verstrekt kosteloos mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – de gegevens en inlichtingen aan de douaneautoriteiten van de lidstaten of de Europese Commissie, bedoeld in de artikelen 12 en 47, tweede lid, van het Douanewetboek van de Unie.

5.

In afwijking in zoverre van artikel 1:2 verstrekt de inspecteur kosteloos mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – de gegevens en inlichtingen aan de ambtenaar onder wiens leiding de belastingdienst op de BES-eilanden valt, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde bij de wetgeving die geldt op de BES-eilanden en die betrekking heeft op verboden of beperkingen die op goederen bij het binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van de BES-eilanden, of die bij het kiezen van een douanebestemming op de BES-eilanden van toepassing zijn.

Afdeling 2.2. Overige bepalingen

Hoofdstuk 4. Vrije zones en vrije entrepots

Hoofdstuk 5. Goederen die het douanegebied van de Unie verlaten

Afdeling 7.3. Invordering van het bedrag van de douaneschuld en toepassing handelspolitieke maatregelen

Paragraaf 7.3.1. Boeking en mededeling

Hoofdstuk 8. Beroep in een eerste fase (bezwaar) en beroep in een tweede fase (beroep)

Hoofdstuk 10. Strafrechtelijke bepalingen

Afdeling 10.1. Strafbare feiten

Afdeling 10.2. Algemene bepalingen van strafrecht

Artikel 11:1
1.

De rechtbanken vonnissen in eerste aanleg over bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten.

2.

De vonnissen zijn aan hoger beroep onderworpen, voorzover zij zijn gewezen:

  • a. ter zake van misdrijven;
  • b. ter zake van overtredingen ten aanzien van degene die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen, de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt.
3.

Tegen andere vonnissen kan de verdachte hoger beroep instellen, indien hechtenis als hoofdstraf is opgelegd, een geldboete van € 113 of meer is opgelegd dan wel een verbeurdverklaring is uitgesproken; het openbaar ministerie kan hoger beroep instellen, indien het gelijke straffen heeft gevorderd.

Artikel 11:2

Ten aanzien van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten worden personen, niet zijnde natuurlijke personen, voor de toepassing van artikel 2 van het Wetboek van Strafvordering geacht te wonen, waar zij gevestigd zijn.

Artikel 11:3
1.

Met het opsporen van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen, belast de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, dan wel de ambtenaren die bij regeling van Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat zijn aangewezen.

2.

In afwijking van artikel 156 van het Wetboek van Strafvordering worden alle processen-verbaal betreffende bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten ingezonden bij de inspecteur. De inspecteur doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten,

  • a. als bedoeld in de artikelen 22 en 25 van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie («EOM») (PbEU 2017, L 283), of
  • b. ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning tegen de wil van de bewoner is binnengetreden, met de inbeslaggenomen voorwerpen,

onverwijld toekomen aan de bevoegde officier van justitie.

De overige processen-verbaal doet de inspecteur, met de in beslag genomen voorwerpen, toekomen aan de officier van justitie, indien hij een vervolging of verdere vervolging door deze wenselijk acht.

3.

De officier van justitie is bevoegd, de zaak ter afdoening weer in handen van de inspecteur te stellen, welke daarmede alsdan kan handelen overeenkomstig artikel 10:15.

4.

Het bepaalde in artikel 148, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering vindt geen toepassing in zaken, waarin de inspecteur het proces-verbaal niet aan de officier van justitie heeft doen toekomen.

Artikel 11:4

De ambtenaren belast met het opsporen van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten, zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van de ingevolge het Wetboek van Strafvordering voor inbeslagneming vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.

Artikel 11:5
1.

In zaken waarin de inspecteur het proces-verbaal niet ingevolge het bepaalde in artikel 11:3, tweede lid, aan de officier van justitie heeft doen toekomen, geldt ten aanzien van de inspecteur hetgeen in artikel 116 van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van het openbaar ministerie is bepaald.

2.

In de zaken, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de toepassing van de artikelen 552a en 552ab van het Wetboek van Strafvordering, alvorens het gerecht ingevolge artikel 552a, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 552ab, vierde lid, van dat artikel een beschikking neemt, ook de inspecteur in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en is, in afwijking van het bepaalde in artikel 552d van dat wetboek, niet het openbaar ministerie doch de inspecteur bevoegd tot het instellen van beroep in cassatie. De griffier van het gerecht hetwelk in die zaken ingevolge artikel 552a, vijfde lid, of artikel 552ab, vierde lid, van dat wetboek een beschikking neemt, deelt deze onverwijld mee aan de inspecteur.

Artikel 11:6

Bij het opsporen van een bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gesteld feit hebben de in artikel 11:3, eerste lid, bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij zijn bevoegd zich door bepaalde door hen aangewezen personen te doen vergezellen.

Artikel 11:7

Ten dienste van de vervolging en berechting van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten kan Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid, ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, aanwijzen, die het contact onderhouden met het openbaar ministerie.

Artikel 11:8

De griffiers verstrekken aan de inspecteur desgevraagd kosteloos afschrift of uittreksel van arresten of vonnissen, met toepassing van deze wet gewezen.

Artikel 11:9

Met betrekking tot gerechtelijke mededelingen inzake bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten hebben de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, de bevoegdheden bij het Wetboek van Strafvordering aan ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, toegekend.

Hoofdstuk 12. Slotbepalingen

Artikel 12:1

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter verzekering van een juiste toepassing van het Douanewetboek van de Unie, de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie of de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie nadere regels worden gesteld ter aanvulling van de in deze wet geregelde onderwerpen.

Artikel 12:2

Bij het uitoefenen van het recht op beroep moet in bezwaar-, verzoek-, beroep-, verweer- en verzetschriften hij die niet in Nederland een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, domicilie kiezen in Nederland.

Artikel 12:3

Het ingevolge het Douanewetboek van de Unie, de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie of de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie of de wet bekendmaken, toezenden daaronder begrepen, van een stuk aan een persoon, die niet binnen Nederland een vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, kan ook geschieden aan de binnen Nederland gelegen vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep, dan wel aan de woning of het kantoor van de binnen Nederland wonende of gevestigde vertegenwoordiger.

Artikel 12:4

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 12:5

Voor de bekendmaking van deze wet stelt Onze Minister van Financiën de nummering van de artikelen, paragrafen, hoofdstukken en afdelingen van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen, paragrafen, hoofdstukken en afdelingen daarmee in overeenstemming.

Artikel 12:6

Deze wet wordt aangehaald als: Algemene douanewet.

Bijlage. bij de artikelen 1:1 en 1:3 van de Algemene douanewet

A. Europese regelgeving

Voorschriften gebaseerd op de artikelen 31, 33, 42, 43, 75, 91, 100, 107, 108, 109, 113, 114, 115, 168, 192, 207, 215 of 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voorzover het voorschriften aangaande onderwerpen betreft die vallen onder de reikwijdte van de hierna genoemde wetten.

B. Nationale regelgeving

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)