Besluit van de Minister van Justitie van 30 maart 2009, nummer WBN 2009/1, houdende wijziging van de tekst van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap toegespitst op buiten het Koninkrijk afgelegde optieverklaringen en ingediende naturalisatieverzoeken
De terugwerkende kracht is niet nieuw. Ook nu treedt het besluit tot bevestiging in werking door bekendmaking, die op dit moment niet door uitreiking, maar door toezending per post geschiedt. Ook hier werkt de inwerkingtreding terug tot het moment van ondertekening. En ook hier hebben feiten die zich na de ondertekening voordoen geen invloed op de verkrijging van het Nederlanderschap en treedt het rechtsgevolg in vanaf de dag van dagtekening.
Is een jaar na de dag van ondertekening van de optiebevestiging verstreken zonder dat de optant (op een naturalisatieceremonie) is verschenen en derhalve de bevestiging niet aan hem is bekendgemaakt, dan vervalt de optiebevestiging (artikel 60a, elfde lid, BVVN). De vervaltermijn van één jaar is opgeschort indien sprake is van bezwaar en beroep tegen het besluit inzake de wijze van bekendmaking van de optiebevestiging en/of de wijze van aflegging van de verklaring van verbondenheid. Om te voorkomen dat het besluit zou vervallen is bepaald dat de termijn van één jaar door het instellen van bezwaar of beroep wordt opgeschort totdat op het bezwaar dan wel het beroep onherroepelijk is beslist. De vervaltermijn van één jaar wordt stopgezet op het moment dat de Minister van Buitenlandse Zaken of de rechtbank het bezwaar- dan wel beroepschrift heeft ontvangen en gaat weer lopen op het moment dat de beslissing van de Minister van Buitenlandse Zaken of de rechtbank onherroepelijk is geworden en er dus geen rechtsmiddelen meer open staan. De termijn loopt dus na de beslissing in bezwaar of beroep verder en vangt niet opnieuw aan. Onder beroep wordt mede hoger beroep begrepen (artikel 60a, elfde lid, BVVN).
Dit kan bijvoorbeeld spelen als de optant heeft verzocht om de verklaring van verbondenheid schriftelijk te mogen afleggen en dit door de Minister van Buitenlandse Zaken geweigerd is. Dit kan ook voorkomen indien betrokkene een beroep op zwaarwegende redenen heeft gedaan om niet op de naturalisatieceremonie te verschijnen en dit door de Minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen.
De optant die niet is verschenen en wiens besluit tot bevestiging is vervallen, kan enkel een nieuwe optieverklaring afleggen om zo alsnog Nederlander te worden. Tegen het vervallen van de bevestiging, als gevolg van het verstrijken van de vervaltermijn van één jaar na de dagtekening van de bevestiging staat geen bezwaar of beroep open. Het betreft immers verval van rechtswege.
De Minister van Buitenlandse Zaken reikt het besluit tot bevestiging van de optieverklaring uit op een aan de omstandigheden aangepaste wijze. Vindt bekendmaking plaats door uitreiking, dan wordt daarbij zoveel mogelijk de procedure van artikel 60a BVVN toegepast, met uitzondering van het gestelde in lid 4.
De Minister van Buitenlandse Zaken reikt het besluit tot bevestiging van de optieverklaring, na het (al dan niet schriftelijk) afleggen van de verklaring van verbondenheid, uit aan de optant die ten tijde van het indienen van de optieverklaring zestien jaar of ouder was. Was de optant op dat tijdstip jonger dan zestien jaar dan wordt het besluit uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger (artikel 60a, vijfde lid BVVN). Zie ook bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN (tabel oproepen en uitreiken).
De optant en zij die in de verkrijging van het Nederlanderschap door optie delen, zijn in één bevestiging genoemd. Deze personen worden dan ook tezamen opgeroepen te verschijnen. Indien de hoofdoptant niet aanwezig is, kan de bevestiging niet worden uitgereikt. In dat geval wordt de hoofdoptant voor de volgende ceremonie opgeroepen, op de wijze die hierboven is beschreven bij ‘termijn van oproeping’.
De persoon aan wie het besluit wordt uitgereikt, dient ter identificatie van hemzelf (en, indien van toepassing, de personen die in de bevestiging worden genoemd) een (geldig) identiteitsbewijs over te leggen.
Paragraaf 2.12.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
Indien de optant zijn hoofdverblijf inmiddels heeft verlegd naar het Koninkrijk en hiervan mededeling heeft gedaan, dan zal de Minister van Buitenlandse Zaken de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant.
De Minister van Buitenlandse Zaken houdt bij of een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de Minister van Buitenlandse Zaken aan op het afschrift van de optieverklaring dat aan de IND ter opname in het nationaliteitenregister wordt verzonden. Zie tevens paragraaf 2.12.6 Procedurele aspecten na de terugmelding. Dit geldt alleen voor optieverklaringen die zijn afgelegd op of ná 1 maart 2009.
Uitgangspunt bij de bekendmaking is dat ook buiten het Koninkrijk een feestelijk getinte bijeenkomst ter viering van de verkrijging van het Nederlanderschap zal plaatsvinden. Echter wegens bijzondere aan de personele omvang van de diplomatieke of consulaire post gerelateerde omstandigheden kan de Minister van Buitenlandse Zaken komen tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon. Dit staat overigens los van de – door de op te roepen/reeds opgeroepen optant – aan te voeren zwaarwegende redenen waarom de ceremonie door de optant niet in persoon kan worden bijgewoond. Zie hiervoor verder paragraaf 2.3.12.6.
Op grond van artikel 5, vierde lid onder d, RVVN kan de Minister van Buitenlandse Zaken komen tot een andere wijze van bekendmaking van het besluit tot verkrijging van het Nederlanderschap dan uitreiking in persoon wegens bijzondere aan de personele omvang van de diplomatieke of consulaire post gerelateerde omstandigheden.
Nederlandse diplomatieke of consulaire posten in het buitenland verrichten hun werkzaamheden onder zeer verschillende omstandigheden en mogelijkheden. Ook bij de verkrijging van het Nederlanderschap in het buitenland is evenwel het uitgangspunt dat sprake is van uitreiking in persoon van het besluit leidend tot het Nederlanderschap. Desalniettemin kan het voorkomen dat een diplomatieke of consulaire post (niet behorend tot een diplomatieke post) zodanig kleinschalig is dat het organiseren van een ceremonie een te zware belasting zou worden of niet spoedig na de vaststelling van de optiebevestiging kan worden georganiseerd. In een dergelijk voorkomend geval kan incidenteel worden besloten geen ceremonie te houden, maar in het belang van de betrokken burger over te gaan tot de onmiddellijke bekendmaking via de postbezorging.
Voor de uitreiking van de optiebevestiging kent het BVVN voor de Minister van Buitenlandse Zaken geen vaste uitreikingstermijn. Gezien de zeer verschillende omstandigheden waaronder zij de bekendmaking van de verlening van het Nederlanderschap hebben te verzorgen, is hierbij de mogelijkheid van een ruime uitreikingstermijn dan ook gewenst. Wel blijft gelden dat mede in het belang van de betrokken burger de uitreiking van de optiebevestiging op een zo kort mogelijke termijn na dagtekening dient plaats te vinden. Bij bekendmaking per post geschiedt dit in beginsel onmiddellijk na de vaststelling van de optiebevestiging, doch uiterlijk binnen één week daarna (artikel 5, vijfde lid, onder e, RVVN).
Indien de optant bij het afleggen van de optieverklaring zich wel bereid heeft verklaard (model 1.36a HRWN) de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar hij komt deze toezegging niet na en door de Minister van Buitenlandse Zaken is geen vrijstelling van het afleggen van deze verklaring gegeven, dan zal de optiebevestiging niet worden uitgereikt en het Nederlanderschap niet worden verkregen.
Sinds 1 maart 2009 geldt de voorwaarde dat optanten die op of na voornoemde datum een optieverklaring afleggen bereid dienen te zijn in beginsel op een naturalisatieceremonie een verklaring van verbondenheid af te leggen. De verklaring van verbondenheid en het afleggen ervan is de onderstreping van het moment van de verkrijging van de nieuwe nationaliteit; het Nederlanderschap. Het is het moment dat nieuwe rechten en plichten meebrengt, welke men kenbaar aanvaart. Met het afleggen van de verklaring van verbondenheid verklaart de burger dat hij zich bewust is van de betekenis van aanvaarding en verkrijging van de nieuwe nationaliteit. De verklaring van verbondenheid wordt altijd in het Nederlands afgelegd. De verklaring van verbondenheid en de twee varianten voor de bevestiging zijn wettelijk bepaald in artikel 23 RWN. Daarmee staat de uit te spreken tekst wettelijk vast. Er kan geen sprake zijn van het uitspreken van een vertaling van de tekst.
De verklaring van verbondenheid wordt in persoon, in beginsel op een naturalisatieceremonie, doorgaans mondeling en (altijd) in het Nederlands afgelegd voordat de optiebevestiging wordt uitgereikt. De Minister van Buitenlandse Zaken bepaalt op welke wijze het afleggen van de verklaring van verbondenheid nader wordt ingevuld. Zie artikel 60a, vierde lid, BVVN. Als de Minister van Buitenlandse Zaken komt tot een andere wijze van bekendmaking dat uitreiking in persoon op een naturalisatieceremonie, wordt de verklaring van verbondenheid schriftelijk afgelegd (artikel 5, vierde lid, RVVN en artikel 60a, vijfde lid, BVVN).
De verklaring van verbondenheid wordt besloten met het uitspreken van de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’. De keuze is aan de optant. De tekst van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan niet worden afgeweken.
De Minister van Buitenlandse Zaken houdt bij of een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de Minister van Buitenlandse Zaken aan op het afschrift van de optieverklaring dat aan de IND ter opname in het nationaliteitenregister wordt verzonden. Zie ook paragraaf 2.3.12.6. Dit geldt alleen voor optieverklaringen die zijn afgelegd op of ná 1 maart 2009.
Niet verschijnen op een naturalisatieceremonie
Indien de optant bij het afleggen van de optieverklaring zich wel bereid heeft verklaard (model 1.36a HRWN) de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar hij komt deze toezegging niet na en door de Minister van Buitenlandse Zaken is geen vrijstelling van het afleggen van deze verklaring gegeven, dan zal de optiebevestiging niet worden uitgereikt en het Nederlanderschap niet worden verkregen.
Het niet uitreiken is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Bezwaar of beroep staat dan ook niet open. De verklaring van verbondenheid is immers een wettelijke voorwaarde voor de uitreiking van het besluit en om Nederlander te kunnen worden door optie.
Indien de minderjarige medeoptant van zestien of zeventien jaar, die wettelijk verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen weigert om de verklaring van verbondenheid af te leggen, dan wordt de uitreiking voor alle in het besluit genoemde personen aangehouden. Zie artikel 60a, derde lid, BVVN en artikel 60a, tiende lid, BVVN. Na herhaalde oproepen wordt de optiebevestiging vervolgens aan deze omstandigheid aangepast en zo gewijzigd dat de betreffende medeoptant niet meer in het bevestigingsbesluit wordt genoemd. Tijdens de eerstvolgende ceremonie wordt de aangepaste optiebevestiging uitgereikt aan de hoofdoptant en eventuele andere medeoptanten. De wijziging van het bevestigingsbesluit moet plaatsvinden vóór de vervaldatum van een jaar na ondertekening van de optiebevestiging. Zie toelichting bij artikel 60a, derde lid, BVVN, Stb. 2006, 250.
Onder zwaarwegend wordt bijvoorbeeld verstaan een langdurige zware depressie of een andere, ernstige psychologische belemmering. Daarnaast kan, anders dan in Nederland, incidenteel voor buiten het Koninkrijk woonachtigen sprake zijn van een zodanig grote af te leggen reisafstand naar de plaats waar de ceremonie wordt gehouden, dat in redelijkheid niet van de optant kan worden verlangd dat hij in persoon de ceremonie bijwoont (artikel 5, vijfde lid, onder c, RVVN).
Uitgangspunt van de regelgeving is dat de optant zoveel mogelijk op een naturalisatieceremonie verschijnt. Dit betekent dat de Minister van Buitenlandse Zaken vrij staat, op verzoek van de optant zelf, in overleg met hem een andere datum te bepalen waarop een ceremonie wordt gehouden en hij toch kan verschijnen. Daarbij is het overigens wel van belang dat de duur van de periode die ligt tussen de bevestiging en de uitreiking daarvan, zo beperkt mogelijk blijft, in ieder geval niet langer dan een jaar.
Het besluit tot bevestiging treedt als regel in werking door uitreiking ervan in persoon aan de opgeroepen optant/wettelijk vertegenwoordiger. Dit is een wettelijk gegeven, waartegen geen rechtsmiddel openstaat.
Van de regel om in persoon te verschijnen kan slechts in bijzondere omstandigheden wegens zwaarwegende redenen worden afgeweken. In zulke uitzonderingsgevallen kan de betrokkene, nadat een daartoe strekkend besluit door de Minister van Buitenlandse Zaken is genomen, door een gemachtigde worden vertegenwoordigd. Ook kan in die gevallen de Minister van Buitenlandse Zaken besluiten de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen, waarbij te denken is aan een uitreiking buiten de naturalisatieceremonie om of aan toezending per post van de bevestiging. Om uitgezonderd te worden van de regel in persoon te verschijnen, dient de optant een daartoe strekkend verzoek in te dienen.
De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij de Minister van Buitenlandse Zaken. Deze beoordeling is een beslissing in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen bezwaar bij de Minister van Buitenlandse zaken en beroep bij de bestuursrechter openstaan.
Bij zwaarwegende redenen kan worden gedacht aan de fysieke en/of psychische onmogelijkheid in persoon te verschijnen (zie toelichting in de Handleiding RWN bij artikel 2, tweede lid, RWN). Deze zwaarwegende redenen dienen te worden aangetoond aan de hand van een verklaring van een onafhankelijk arts. Als dit voldoende is aangetoond, kan betrokkene zich laten vertegenwoordigen door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de gemachtigde en de betreffende optant (artikel 3, tweede lid BVVN is van overeenkomstige toepassing). De gemachtigde dient in persoon te verschijnen en verschaft de nodige zekerheid over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. De machtiging dient op schrift te zijn gesteld en ondertekend te zijn door de persoon wiens verschijning in persoon is vereist. De gemachtigde dient ter identificatie een geldig identiteitsbewijs van de betrokken persoon over te leggen (en tevens de andere gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van het geval). Onder zwaarwegend wordt niet verstaan strikt tijdelijke omstandigheden zoals bijvoorbeeld het hebben van vakantie, het volgen van een cursus of het niet vrij kunnen krijgen van werk. Bij een tijdelijke belemmering wordt in eerste instantie, in overleg met de optant, onderzocht of deelname aan een volgende naturalisatieceremonie uitkomst biedt.
Paragraaf 2.12.6. Procedurele aspecten na uitreiking
Uitgangspunt van de regelgeving is dat de optant zoveel mogelijk op een naturalisatieceremonie verschijnt. Dit betekent dat de Minister van Buitenlandse Zaken vrij staat, op verzoek van de optant zelf, in overleg met hem een andere datum te bepalen waarop een ceremonie wordt gehouden en hij toch kan verschijnen. Daarbij is het overigens wel van belang dat de duur van de periode die ligt tussen de bevestiging en de uitreiking daarvan, zo beperkt mogelijk blijft, in ieder geval niet langer dan een jaar.
Bij een beroep op zwaarwegende redenen overweegt de Minister van Buitenlandse Zaken eerst of sprake is van een tijdelijke dan wel blijvende reden om niet te verschijnen. Bij een tijdelijke reden onderzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken of de optant binnen een redelijke termijn toch aanwezig kan zijn op een naturalisatieceremonie. Als dat het geval is, wordt in overleg met hem een nieuwe datum bepaald. Bij een blijvende reden om niet te verschijnen, dan wel ingeval de volgende ceremonie pas na lange tijd plaatsvindt, wordt als volgt gehandeld. Als de optant niet binnen een redelijke termijn aanwezig kan zijn, bijvoorbeeld vanwege een blijvende lichamelijke handicap, bepaalt de Minister van Buitenlandse Zaken of het beroep op zwaarwegende redenen gegrond is. Als dit het geval is, beslist de Minister van Buitenlandse Zaken dat de optant zich laat vertegenwoordigen door een daartoe schriftelijk gemachtigde, meerderjarige persoon. Ingeval dit laatste niet mogelijk is, kan de Minister van Buitenlandse Zaken het besluit na het al dan niet schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid op een andere wijze bekendmaken, bijvoorbeeld door uitreiking in persoon buiten de reguliere naturalisatieceremonie om of door toezending per post van de optiebevestiging. Als het beroep op zwaarwegende redenen niet gegrond is, dan wijst de Minister van Buitenlandse Zaken dit beroep af. Tegen deze beslissing staat bezwaar en beroep open.
2. Naturalisatie vanuit het buitenland
Paragraaf 2.3.12.6.2. mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid persoonlijk wordt afgelegd tijdens een naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd. Zie tevens artikel 23, tweede lid, RWN. Van de verplichting tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt alleen vrijstelling gegeven indien het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Het mondeling of schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid kan niet worden overgelaten aan een gemachtigde gezien het persoonlijke karakter van de verklaring.
Op grond van artikel 60a, vijfde lid, BVVN en artikel 5, vierde lid, onder c, RVVN kan de Minister van Buitenlandse Zaken bepalen dat een optant de verklaring van verbondenheid schriftelijk aflegt, indien van hem redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij hem schriftelijk aflegt. Hiervan is sprake als niet kan worden verlangd dat een optant de naturalisatieceremonie bijwoont omdat hij bijvoorbeeld onredelijk ver zou moeten reizen om de ceremonie op de diplomatieke of consulaire post bij te wonen. Volstaan kan worden met het schriftelijk afleggen met de verklaring van verbondenheid (model 4.1a HRWN of 4.2a HRWN). De ondertekende schriftelijke verklaring van verbondenheid moet echter eerst (door toezending per post) in het bezit zijn van de Minister van Buitenlandse Zaken, voordat de optiebevestiging wordt bekendgemaakt, bijvoorbeeld door toezending per post.
Voor een enkele optant zal een uitzondering gemaakt moeten worden. Indien van de optant door omstandigheden redelijkerwijs niet verlangd kan worden dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling uitspreekt tegenover de bevoegde autoriteit, wordt een schriftelijke verklaring van verbondenheid ondertekend. Voor het schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid zijn twee modellen ontwikkeld. In model 4.1a HRWN is de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ en in model 4.2a HRWN de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met ‘Dat verklaar en beloof ik’. De optant dient (volgens de dáár geldende regels) bij het afleggen van de optieverklaring wel de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen. De beoordeling of sprake is van de hier bedoelde omstandigheden, ligt bij de Minister van Buitenlandse Zaken (artikel 60a, vijfde lid, BVVN) en wordt gestaafd door ten minste één door of namens de optant overgelegde bewijsstuk(ken).
De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de optant de optiebevestiging in ontvangst te nemen, overhandigt de Minister van Buitenlandse Zaken de schriftelijke verklaring van verbondenheid. Voor de beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen zie paragraaf 2.3.12.6.1. De verklaring van verbondenheid kan ook schriftelijk worden afgelegd indien de optant onredelijk ver zou moeten reizen om de naturalisatieceremonie op de diplomatieke of consulaire post bij te wonen.
In bovenstaande gevallen kan na het overhandigen dan wel na toezending aan de Minister van Buitenlandse Zaken van de ondertekende schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid, tot uitreiking van de optiebevestiging worden overgegaan, al dan niet aan een gemachtigde of op aangepaste wijze, hierbij valt te denken aan een uitreiking buiten de naturalisatieceremonie om of aan toezending van de optiebevestiging aan de optant.
2. Naturalisatie vanuit het buitenland
Paragraaf 2.12.6. Procedurele aspecten na uitreiking
Het is mogelijk dat tussen het afleggen van de bereidverklaring en de naturalisatieceremonie waar de verklaring van verbondenheid moet worden afgelegd de fysieke of psychische toestand van de optant is gewijzigd. Het is aan de Minister van Buitenlandse Zaken om te beoordelen of en zo ja op welke wijze de verklaring van verbondenheid onder de gewijzigde omstandigheid wordt afgelegd. Voorbeeld: Indien een optant na het ondertekenen van de bereidverklaring in coma is geraakt, kan hij de verklaring van verbondenheid niet langer afleggen. In dit geval wordt de optiebevestiging bekendgemaakt zonder dat de verklaring van verbondenheid is afgelegd.
Met betrekking tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid zijn de volgende, niet limitatieve, scenario’s denkbaar:
Deze situatie zal doorgaans het geval zijn. De optant heeft bij het afleggen van zijn optieverklaring de bereidverklaring ondertekend. Na het mondeling afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de optant uitgereikt.
Artikel 7
De Minister van Buitenlandse Zaken kan ervoor kiezen om de schriftelijke verklaring van verbondenheid met de uitnodiging voor de naturalisatieceremonie mee te sturen, zodat de optant de ondertekende schriftelijke verklaring van verbondenheid aan de Minister van Buitenlandse Zaken overhandigt, voordat de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de optant wordt uitgereikt. Ook kan de Minister van Buitenlandse Zaken ervoor kiezen om op de naturalisatieceremonie zelf de schriftelijke verklaring van verbondenheid te laten ondertekenen.
Artikel 7
7-1-1. Toelichting algemeen
2. Naturalisatie vanuit het buitenland
Paragraaf 2.12.6. Procedurele aspecten na uitreiking
Bij het afleggen van de optieverklaring heeft de optant de bereidverklaring ondertekend. Het verzoek van de optant om, vanwege zwaarwegende redenen, niet in persoon op een naturalisatieceremonie te verschijnen is door de Minister van Buitenlandse Zaken gehonoreerd. Zie artikel 60a, negende lid BVVN en de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN, paragraaf 2.3.12.6.1. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft besloten om de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen. Na het mondeling afleggen van de verklaring van verbondenheid, wordt de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de optant uitgereikt.
7-1-1. Toelichting algemeen
De optant heeft bij het afleggen van zijn optieverklaring de bereidverklaring ondertekend. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft, al dan niet bij het afleggen van de optieverklaring, bepaald dat van de optant redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling kan afleggen.
Het verzoek van de optant om, vanwege zwaarwegende redenen, niet in persoon op een naturalisatieceremonie te verschijnen is door de Minister van Buitenlandse Zaken akkoord bevonden. Zie artikel 60a, negende lid, BVVN, artikel 5, vierde lid onder c, RVVN en de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN, paragraaf 2.12.5.1. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft besloten om de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen. Indien de bevestiging bijvoorbeeld door het toezenden per post wordt bekendgemaakt, moet de ondertekende schriftelijke verklaring van verbondenheid voorafgaand aan die toezending in het bezit van de Minister van Buitenlandse Zaken zijn.
Bij het (door een gemachtigde) afleggen van de optieverklaring is gebleken dat de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Zie artikel 60a, zesde lid BVVN en de toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft derhalve afgezien van het invullen en onderteken van de bereidverklaring en ziet af van het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Het verzoek van de optant om, vanwege zwaarwegende redenen, niet in persoon op een naturalisatieceremonie te verschijnen is door de Minister van Buitenlandse Zaken ook gehonoreerd. Zie artikel 60a, zesde lid BVVN en de toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft besloten om de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen. In voorkomende gevallen wordt de optiebevestiging bekendgemaakt zonder dat verklaring van verbondenheid is afgelegd.
Op de kinderen voor wie medeverlening wordt verzocht, is in alle gevallen artikel 11, zesde lid, RWN van toepassing (dus ook indien het verzoek is ingediend vóór 1 april 2003).
7-1-1. Toelichting algemeen
Archiveren schriftelijke verklaring
Paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase
Dit artikel is een inleidende bepaling waaruit blijkt dat naturalisatie – de RWN spreekt van ‘verlenen van het Nederlanderschap’ – tot stand komt bij koninklijk besluit en alleen als iemand daar zelf om vraagt. Dit koninklijk besluit is een zogenoemd ‘klein KB’, waarvoor geen overleg in de ministerraad is vereist, waarvoor het advies van de Raad van State achterwege kan blijven en waarvoor geen plaatsing in het Staatsblad nodig is. Artikel 7, tweede lid, RWN verleent een adviserende functie aan de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen respectievelijk Aruba maar de uiteindelijke voordracht vindt plaats door de Minister van Justitie van Nederland op grond van artikel 7, eerste lid, RWN. De Minister is bevoegd om een verzoek om naturalisatie aan te houden of af te wijzen (zie artikel 9, vijfde lid, RWN).
Indien de verzoeker (nog) niet voldoet aan de voorwaarden voor naturalisatie en/of niet alle vereiste gegevens heeft verstrekt of de gevraagde documenten heeft overgelegd, dient hem te worden ontraden om een verzoek in te dienen. Indien verzoeker er onder deze omstandigheden niettemin op staat een verzoek in te dienen, dient de Minister van Buitenlandse Zaken het verzoek in ontvangst te nemen. De verzoeker dient erop te worden geattendeerd dat de uiteindelijke beslissing wordt genomen door Onze Minister en dat dus van tevoren geen uitsluitsel kan worden gegeven over het al dan niet inwilligen van het verzoek om naturalisatie.
Hieronder wordt de procedure beschreven voor de behandeling van verzoeken om naturalisatie.
7-1-3. Procedure naturalisatie
Op de kinderen voor wie medeverlening wordt verzocht, is in alle gevallen artikel 11, zesde lid, RWN van toepassing (dus ook indien het verzoek is ingediend vóór 1 april 2003).
7-1-2. Toelichting nadere regelgeving in het BVVN
Zie artikel II van het Besluit van 19 mei 2006, Stb. 250, tot wijziging van het BVVN. Zie verder artikel 60b BVVN en hieronder paragraaf 2.3.13.
Met ingang van 1 maart 2009 is de bereidheid om bij verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen een nieuwe voorwaarde voor de verkrijging van het Nederlanderschap. In de regel moet tijdens de naturalisatieceremonie de naturalisandus die de bereidverklaring gegeven heeft, de verklaring van verbondenheid afleggen voordat hem het uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. Zie ook toelichting bij artikel 60b, derde lid, BVVN en artikel 2, vijfde lid, artikel 6, artikel 8, eerste lid, onder e, artikel 11 vierde en vijfde lid, artikel 23, artikel 26 en artikel 28 RWN.
Omdat het van belang is dat de verzoeker aantoont dat hij degene is die hij opgeeft te zijn, dient hij als hoofdregel in persoon te verschijnen bij de indiening van zijn verzoek (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, eerste lid, BVVN; zie ook paragraaf 3.2.5. (gemachtigde) (zie model 2.1a HRWN). De Minister van Buitenlandse Zaken die het verzoek in ontvangst neemt, moet zich door nader onderzoek de nodige zekerheid verschaffen over de identiteit van de verzoeker. Daartoe wordt de verzoeker gevraagd om – zoveel mogelijk – een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. Voorts wordt de verzoeker – ter meerdere zekerheid – gevraagd om andere bewijsstukken over te leggen, zoals bijvoorbeeld een geboorteakte. Zie paragraaf 3.5 Over te leggen documenten.
Indien de verzoeker (nog) niet voldoet aan de voorwaarden voor naturalisatie en/of niet alle vereiste gegevens heeft verstrekt of de gevraagde documenten heeft overgelegd, dient hem te worden ontraden om een verzoek in te dienen. Indien verzoeker er onder deze omstandigheden niettemin op staat een verzoek in te dienen, dient de Minister van Buitenlandse Zaken het verzoek in ontvangst te nemen. De verzoeker dient erop te worden geattendeerd dat de uiteindelijke beslissing wordt genomen door Onze Minister en dat dus van tevoren geen uitsluitsel kan worden gegeven over het al dan niet inwilligen van het verzoek om naturalisatie.
Hieronder wordt de procedure beschreven voor de behandeling van verzoeken om naturalisatie.
Voor wat betreft de voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap, zie de toelichting bij artikelen 8, 9, eerste lid en 11 RWN.
Dit artikel is een inleidende bepaling waaruit blijkt dat naturalisatie – de RWN spreekt van ‘verlenen van het Nederlanderschap’ – tot stand komt bij koninklijk besluit en alleen als iemand daar zelf om vraagt. Dit koninklijk besluit is een zogenoemd ‘klein KB’, waarvoor geen overleg in de ministerraad is vereist, waarvoor het advies van de Raad van State achterwege kan blijven en waarvoor geen plaatsing in het Staatsblad nodig is. Artikel 7, tweede lid, RWN verleent een adviserende functie aan de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen respectievelijk Aruba maar de uiteindelijke voordracht vindt plaats door de Minister van Justitie van Nederland op grond van artikel 7, eerste lid, RWN. De Minister is bevoegd om een verzoek om naturalisatie aan te houden of af te wijzen (zie artikel 9, vijfde lid, RWN).
Voor kinderen van 16 jaar of ouder is verschijning in persoon voorgeschreven in artikel 3 1, derde lid, BVVN; zij dienen zich te legitimeren met een geldig buitenlands reisdocument. Zie ook de toelichting bij artikel 2 RWN.
Paragraaf 3.2.3. Wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
Paragraaf 2.3. procedure naturalisatie
Voor kinderen tussen de 12 en de 16 jaar is verschijning in persoon niet voorgeschreven maar verdient het wel de voorkeur dat zij in persoon verschijnen. Stuit dat op bezwaar, dan wordt hen schriftelijk verzocht het model 2.10a (formulier zienswijze medeverlening minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar) te ondertekenen, waarin zij aangeven of zij al dan niet instemmen met de medeverlening van het Nederlanderschap en die verklaring, met een kopie van een geldig buitenlands reisdocument, te zenden aan de autoriteit waar het verzoek om naturalisatie van de ouder is ingediend. Zie ook de toelichting bij artikel 2 RWN.
Indien de verzoeker (nog) niet voldoet aan de voorwaarden voor naturalisatie en/of niet alle vereiste gegevens heeft verstrekt of de gevraagde documenten heeft overgelegd, dient hem te worden ontraden om een verzoek in te dienen. Indien verzoeker er onder deze omstandigheden niettemin op staat een verzoek in te dienen, dient de Minister van Buitenlandse Zaken het verzoek in ontvangst te nemen. De verzoeker dient erop te worden geattendeerd dat de uiteindelijke beslissing wordt genomen door Onze Minister en dat dus van tevoren geen uitsluitsel kan worden gegeven over het al dan niet inwilligen van het verzoek om naturalisatie.
In voorkomende gevallen kan het hoofd van de post verlangen dat de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van 16 jaar of ouder hem ontvangt om in persoon de voor de besluitvorming benodigde gegevens in ontvangst te nemen.
Voor de andere ouder of wettelijk vertegenwoordiger is verschijning in persoon niet voorgeschreven, maar verdient dat wel de voorkeur. Stuit persoonlijke verschijning op bezwaar, dan wordt betrokkene schriftelijk verzocht om een verklaring te ondertekenen waarin staat of al dan niet wordt ingestemd met de medeverlening van het Nederlanderschap aan het minderjarige kind en die verklaring, met een kopie van een geldig identiteitsbewijs, te zenden aan de Minister van Buitenlandse Zaken, de diplomatieke of consulaire post van het ressort waar de hoofdverzoeker om naturalisatie zijn hoofdverblijf heeft. Voor de zienswijze van de andere ouder of wettelijk vertegenwoordiger kan gebruik worden gemaakt van model 2.13a HRWN (brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger) en model 2.14a HRWN (formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger). Zie ook de toelichting bij artikel 2 RWN.
Omdat het van belang is dat de verzoeker aantoont dat hij degene is die hij opgeeft te zijn, dient hij als hoofdregel in persoon te verschijnen bij de indiening van zijn verzoek (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, eerste lid, BVVN; zie ook paragraaf 2.3.2.4(zie model 2.1a HRWN). De Minister van Buitenlandse Zaken die het verzoek in ontvangst neemt, moet zich door nader onderzoek de nodige zekerheid verschaffen over de identiteit van de verzoeker. Daartoe wordt de verzoeker gevraagd om – zoveel mogelijk – een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. Voorts wordt de verzoeker – ter meerdere zekerheid – gevraagd om andere bewijsstukken over te leggen, zoals bijvoorbeeld een geboorteakte. Zie paragraaf 2.3.5.
In gevallen, waarin verschijning in persoon weliswaar is voorgeschreven, maar dit om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd, kan het verzoek om naturalisatie worden ingediend c.q. de verklaring van al dan niet instemming met de (mee-)naturalisatie worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van 16 jaar of ouder en de gemachtigde (artikel 3, tweede lid, BVVN). Bij zwaarwegende redenen wordt gedacht aan fysieke en/of psychische onmogelijkheid om in persoon te verschijnen. De door betrokkene en/of zijn gemachtigde aangevoerde zwaarwegende redenen dienen te worden aangetoond (bijvoorbeeld door een medische verklaring). De gemachtigde dient in persoon aan het loket te verschijnen en de nodige zekerheid te verschaffen over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. De machtiging dient schriftelijk te zijn en ondertekend door de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van 16 jaar of ouder. De gemachtigde dient een geldig buitenlands reisdocument van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van 16 jaar of ouder over te leggen.
Deze kinderen hoeven niet in persoon te verschijnen bij de indiening van het verzoek.
Minderjarige kinderen van 12 jaar of ouder, voor wie medeverlening wordt verzocht, kunnen verzoeken om in de gelegenheid te worden gesteld om hun zienswijze naar voren te brengen over de medeverlening van het Nederlanderschap. De kinderen kunnen op het moment van indiening van het verzoek hun eventuele zienswijze naar voren brengen op model 2.1a (verzoek om naturalisatie door meerderjarige).
Voor kinderen tussen de 12 en de 16 jaar is verschijning in persoon niet voorgeschreven maar verdient het wel de voorkeur dat zij in persoon verschijnen. Stuit dat op bezwaar, dan wordt hen schriftelijk verzocht het model 2.10a (formulier zienswijze medeverlening minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar) te ondertekenen, waarin zij aangeven of zij al dan niet instemmen met de medeverlening van het Nederlanderschap en die verklaring, met een kopie van een geldig buitenlands reisdocument, te zenden aan de autoriteit waar het verzoek om naturalisatie van de ouder is ingediend. Zie ook de toelichting bij artikel 2 RWN.
Voor kinderen van 16 jaar of ouder is verschijning in persoon voorgeschreven in artikel 3 1, derde lid, BVVN; zij dienen zich te legitimeren met een geldig buitenlands reisdocument. Zie ook de toelichting bij artikel 2 RWN.
Uiteraard gaat het niet om de duur van het hoofdverblijf in het Koninkrijk, maar enkel om (de duur van) het hoofdverblijf buiten het Koninkrijk. Het hoofdverblijf (en de duur daarvan) buiten het Koninkrijk zal in veel gevallen blijken uit de bevolkingsadministratie (of andere officiële lokale overheidsbronnen) van het land waar verzoeker verblijft.
Voor de andere ouder of wettelijk vertegenwoordiger is verschijning in persoon niet voorgeschreven, maar verdient dat wel de voorkeur. Stuit persoonlijke verschijning op bezwaar, dan wordt betrokkene schriftelijk verzocht om een verklaring te ondertekenen waarin staat of al dan niet wordt ingestemd met de medeverlening van het Nederlanderschap aan het minderjarige kind en die verklaring, met een kopie van een geldig identiteitsbewijs, te zenden aan de Minister van Buitenlandse Zaken, de diplomatieke of consulaire post van het ressort waar de hoofdverzoeker om naturalisatie zijn hoofdverblijf heeft. Voor de zienswijze van de andere ouder of wettelijk vertegenwoordiger kan gebruik worden gemaakt van model 2.13a HRWN (brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger) en model 2.14a HRWN (formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger). Zie ook de toelichting bij artikel 2 RWN.
Voor zoveel mogelijk verstrekt hij dezelfde gegevens over de minderjarige kinderen en kindskinderen voor wie medeverlening verzocht wordt (artikel 31, tweede lid, BVVN).
In gevallen, waarin verschijning in persoon weliswaar is voorgeschreven, maar dit om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd, kan het verzoek om naturalisatie worden ingediend c.q. de verklaring van al dan niet instemming met de (mee-)naturalisatie worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van 16 jaar of ouder en de gemachtigde (artikel 3, tweede lid, BVVN). Bij zwaarwegende redenen wordt gedacht aan fysieke en/of psychische onmogelijkheid om in persoon te verschijnen. De door betrokkene en/of zijn gemachtigde aangevoerde zwaarwegende redenen dienen te worden aangetoond (bijvoorbeeld door een medische verklaring). De gemachtigde dient in persoon aan het loket te verschijnen en de nodige zekerheid te verschaffen over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. De machtiging dient schriftelijk te zijn en ondertekend door de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van 16 jaar of ouder. De gemachtigde dient een geldig buitenlands reisdocument van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van 16 jaar of ouder over te leggen.
In voorkomende gevallen kan het hoofd van de post verlangen dat de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van 16 jaar of ouder hem ontvangt om in persoon de voor de besluitvorming benodigde gegevens in ontvangst te nemen.
Paragraaf 3.4. Af te leggen verklaringen
De Minister van Buitenlandse Zaken voegt bij het advies aan de IND (een) uittreksel(s) uit eerdergenoemde bevolkingsadministratie of – voor zover aanwezig – stukken uit de eigen administratie, waaruit – voor zoveel mogelijk – de hier bedoelde gegevens blijken. Ook van de kinderen en kindskinderen voor wie medeverlening wordt verzocht, worden uittreksels en/of (afschriften van) stukken bijgevoegd waaruit – voor zoveel mogelijk – blijkt van de gegevens bedoeld bij ad a t/m e en g (wat betreft het hoofdverblijf), alsmede van de geslachtsnaam, voornamen, plaats en datum van geboorte van de ouders en wie gezag over de kinderen uitoefent. Zie voor een nadere toelichting van het begrip ‘hoofdverblijf‘ de toelichting bij de artikelen 1, eerste lid, onder h en 8, eerste lid, onder c, RWN.
Paragraaf 3.4.3. Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag
In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn om nadere gegevens en bewijsstukken te vragen (vergelijk ook artikel 31, vijfde lid, BVVN). Te denken valt bijvoorbeeld aan:
Paragraaf 3.4. Af te leggen verklaringen
Voor zoveel mogelijk verstrekt hij dezelfde gegevens over de minderjarige kinderen en kindskinderen voor wie medeverlening verzocht wordt (artikel 31, tweede lid, BVVN).
Paragraaf 3.4.3. Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag
Paragraaf 3.4.2. Waarheidsverklaring
Een kanttekening wordt gemaakt bij de echtgenoot/partner van een ambtenaar, bedoeld in artikel 17, eerste lid, juncto artikel 2, tweede lid, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken die uitgezonden is (geweest) naar een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland. Deze vreemdeling behoudt niet alleen zijn hoofdverblijf in Nederland, maar behoudt in de regel, mits aan de daarvoor gestelde voorwaarden voldaan blijft, tevens zijn verblijfsrecht in Nederland. Een vereiste is dat de vreemdeling gedurende de periode van uitzending alsook het daaraan voorafgaande verblijf in Nederland heeft samengewoond met de echtgenoot/partner. Zie artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h RWN.
Paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf gedrag
Bij naturalisatieverzoeken ingediend in het buitenland geldt uiteraard niet het vereiste van toelating in het Koninkrijk. De verzoeker zal in de praktijk niet in het bezit zijn van een verblijfsdocument voor het Koninkrijk.
Paragraaf 3.4.4. Bereidheidsverklaring afstand
De Minister van Buitenlandse Zaken informeert de verzoeker vervolgens dat hij de verklaring van verbondenheid, in beginsel op een naturalisatieceremonie, moet afleggen voordat het naturalisatiebesluit aan hem bekend kan worden gemaakt.
De verzoeker geeft, na het invullen van zijn (persoons)gegevens, op de bereidverklaring aan of hij wel of niet bereid is om de verklaring van verbondenheid af te leggen door het aankruisen van één van de bolletjes. Vervolgens dateert en ondertekent de verzoeker de bereidverklaring. De Minister van Buitenlandse Zaken kan bij de verzoeker reeds informeren op welke wijze hij de bevestiging wenst uit te spreken (‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ of ‘Dat verklaar en beloof ik)’. De Minister van Buitenlandse Zaken kan deze voorkeur vervolgens optioneel aangeven onderaan de bereidverklaring. De bereidverklaring maakt deel uit van het naturalisatiedossier.
Paragraaf 3.4.2. Waarheidsverklaring
De verklaring van verbondenheid drukt de verbondenheid met de Nederlandse samenleving uit. Dit wordt uitgedrukt in het respect voor de rechtsorde en in de belofte de plichten te vervullen die uit het Nederlanderschap voortvloeien.
Paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf gedrag
De Minister van Buitenlandse Zaken informeert de verzoeker dat van de verklaring van verbondenheid twee varianten bestaan. Is de verzoeker religieus, dan kan hij de verklaring van verbondenheid bevestigen met ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’. Anders kiest hij voor ‘Dat verklaar en beloof ik’. De Minister van Buitenlandse Zaken legt aan de verzoeker uit dat de keuze voor de bevestiging aan de verzoeker is.
Paragraaf 3.4.4. Bereidheidsverklaring afstand
Wanneer de verzoeker ervoor kiest om de verklaring van verbondenheid uit te spreken met de tweede mogelijkheid, dan bevat de verklaring van verbondenheid de volgende tekst: ‘ Ik verklaar dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en beloof de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’ en eindigt met de volgende bevestiging: ‘Dat verklaar en beloof ik’.
De Minister van Buitenlandse Zaken informeert de verzoeker vervolgens dat hij de verklaring van verbondenheid, in beginsel op een naturalisatieceremonie, moet afleggen voordat het naturalisatiebesluit aan hem bekend kan worden gemaakt.
Paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf gedrag
Paragraaf 3.5. Over te leggen documenten
1 Het betreft hier de leeftijd op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie is ingediend.
Het ondertekenen van de bereidverklaring (model 2.30a HRWN), is net als het daadwerkelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid een voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap. Van deze verplichting wordt alleen vrijstelling gegeven, indien het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Zie artikel 60b, vijfde lid en zesde lid BVVN. Er zijn omstandigheden denkbaar waarin het voor de verzoeker niet mogelijk is de bereidverklaring in te vullen en te tekenen.
Indien een verzoeker bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie wel bereid is om de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar is hij vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen, dan geldt het volgende. De Minister van Buitenlandse Zaken tekent de bereidheid van de verzoeker aan op de bereidverklaring, maar de bereidverklaring wordt vervolgens niet ondertekend, immers de verzoeker is hiertoe niet in staat. De overige formulieren kunnen worden ingevuld door bijvoorbeeld een gemachtigde of curator. In voorkomende gevallen wordt door de Minister van Buitenlandse Zaken op het adviesblad bij punt 6. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid het derde bolletje ‘niet mogelijk, zie toelichting’ ingevuld en een schriftelijke toelichting gegeven.
Ook is het mogelijk dat de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is om de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen en vervolgens ook niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Hierbij kan gedacht worden aan personen die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan verzoekers aan wie het, door de Minister van Buitenlandse Zaken, is toegestaan zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 2 tweede lid, RWN. Indien bij de (door een gemachtigde) indiening van het verzoek om naturalisatie reeds duidelijk is dat de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen, wordt de bereidverklaring niet ingevuld. Dit wordt op het adviesblad opgenomen. Zie hiervoor artikel 60b, zesde lid, BVVN en de toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN. Bij punt 6. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid wordt het derde bolletje ‘niet mogelijk, zie toelichting’ ingevuld en wordt naast een schriftelijke toelichting hierbij ook ten minste één bewijsstuk(ken) van de onmogelijk tot het invullen van de bereidverklaring en het afleggen verklaring van verbondenheid toegevoegd. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN; bijvoorbeeld een gemotiveerde medische verklaring van een onafhankelijk (behandelend) medisch specialist. De uiteindelijke beoordeling of er sprake is van een fysieke of psychische onmogelijkheid ligt bij Onze Minister. Als uitgangspunt volgt Onze Minister het advies in deze van de Minister van Buitenlandse Zaken.
In de regel legt degene aan wie het uittreksel uit het naturalisatiebesluit wordt uitgereikt de verklaring van verbondenheid mondeling af. Zie artikel 60b, vierde lid, BVVN. Echter, indien van de verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt, kan de Minister van Buitenlandse Zaken bepalen dat de verzoeker de verklaring van verbondenheid schriftelijk aflegt. Zie artikel 60b, vijfde lid, BVVN. Indien bij het indienen van het verzoek om naturalisatie reeds door de Minister van Buitenlandse Zaken geconstateerd is dat van een verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt, kan hiervan door de Minister van Buitenlandse Zaken een aantekening worden gemaakt in het naturalisatiedossier. Dan zal betrokkene wel de bereidverklaring ondertekenen, hij is immers bereid om een verklaring van verbondenheid af te leggen en dit is een voorwaarde voor naturalisatie. Deze informatie kan vervolgens bij het toezenden van de uitnodigingbrief voor de naturalisatieceremonie gebruikt worden door bijvoorbeeld alvast de schriftelijke verklaring van verbondenheid toe te sturen.
Indien de Minister van Buitenlandse Zaken een verzoek om de verklaring van verbondenheid schriftelijk te mogen afleggen (gemotiveerd) weigert, is dit een beslissing in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen de verzoeker binnen 6 weken bezwaar kan indienen bij de Minister van Buitenlandse Zaken. Vervolgens staat beroep bij de bestuursrechter open.
Indien de verzoeker weigert de bereidverklaring te ondertekenen of op de bereidverklaring aangeeft dat hij niet bereid is de verklaring van verbondenheid af te leggen, attendeert de Minister van Buitenlandse Zaken de verzoeker erop dat hij vanwege zijn weigering het Nederlanderschap niet verkrijgt en dat daardoor zijn eventuele minderjarige kinderen voor wie hij medeverlening heeft verzocht, geen Nederlander worden. De Minister van Buitenlandse Zaken ontraadt de verzoeker een verzoek om naturalisatie in te dienen. Mocht de verzoeker desalniettemin met zijn verzoek verder willen gaan, dan wordt de verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie afgewezen.
Paragraaf 2.3.4.2. waarheidsverklaring
Paragraaf 3.5.2. Buitenlandse akten (van de burgerlijke stand)
In uitzondering op vorenstaande wordt een naturalisatieverzoek niet afgewezen vanwege gerede twijfel aan de identiteit of nationaliteit van de verzoeker als de twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit enkel is ontstaan als gevolg van onjuiste verklaringen van zijn of haar ouders. In dat geval wordt aangenomen dat de bij vergunningverlening veelal minderjarige logischerwijs uitgaat van de gegevens die volgen uit de gegevens zoals opgegeven door de ouder(s) en dat hij/zij de waarheidsverklaring als bedoeld in artikel 31, vierde lid, BvvN naar waarheid invult en ondertekent.
Bij een naturalisatieverzoek ingediend in het buitenland behoeft de verzoeker uiteraard niet schriftelijk te verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning (binnen het Koninkrijk) van hemzelf en de overige in het naturalisatieverzoek genoemde personen de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen. Een schriftelijke verklaring over het gedrag blijft echter gehandhaafd. Door middel van de verklaring verblijf en gedrag (model 2.3a HRWN) dient de verzoeker schriftelijk te verklaren dat hij of een van de in het verzoek om naturalisatie genoemde personen ouder dan 16 jaar, al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie in verband met een misdrijf. Indien verzoeker in deze verklaring aangeeft wel in aanraking te zijn geweest met politie en/of Justitie, of aangeeft dat dit geldt voor een in het verzoek om naturalisatie genoemd kind, dan informeert de Minister van Buitenlandse Zaken de verzoeker over de openbare orde richtlijnen bij naturalisatie en wijst verzoeker erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de beslissing op het verzoek om naturalisatie. De verzoeker wordt in de gelegenheid gesteld om in de verklaring aan te geven of er sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar zijn mening, ten aanzien van hem of de betreffende minderjarige niet mag worden geconcludeerd dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Zie ook de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 3.7, HRWN.
Paragraaf 2.3.4.4. bereidheidsverklaring afstand
Ten aanzien van de afstandsverplichting informeert de Minister van Buitenlandse Zaken – voor zover mogelijk – de verzoeker of hij al dan niet behoort tot een uitzonderingscategorie dan wel of redelijkerwijs van hem kan worden verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Indien geen van de uitzonderingen van toepassing is, dient de verzoeker een verklaring te ondertekenen dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de totstandkoming van de naturalisatie zijn oorspronkelijke nationaliteit(en) te verliezen (artikel 32 BVVN). De bereidheidsverklaring is opgenomen als model 2.4a HRWN (bereidheidsverklaring tot afstand oorspronkelijke nationaliteit) respectievelijk model 2.5a HRWN (verklaring in verband met verlies van de Egyptische/Oostenrijkse/Zuid-Afrikaanse nationaliteit). Zie voor de afstandsverplichting verder de toelichting bij artikel 9, eerste lid, onder b, RWN.
Paragraaf 2.3.5. over te leggen documenten
Het bovenstaande betreft medenaturalisatie in de zin van artikel 11, eerste, tweede, derde en zevende lid, RWN. Na-naturalisatie van het minderjarige kind, zoals bedoeld in artikel 11, vierde lid, valt ook onder de vrijstelling.
Paragraaf 3.5.5. (overige) over te leggen documenten
In uitzondering op vorenstaande wordt een naturalisatieverzoek niet afgewezen vanwege gerede twijfel aan de identiteit of nationaliteit van de verzoeker als de twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit enkel is ontstaan als gevolg van onjuiste verklaringen van zijn of haar ouders. In dat geval wordt aangenomen dat de bij vergunningverlening veelal minderjarige logischerwijs uitgaat van de gegevens die volgen uit de gegevens zoals opgegeven door de ouder(s) en dat hij/zij de waarheidsverklaring als bedoeld in artikel 31, vierde lid, BvvN naar waarheid invult en ondertekent.
Mocht binnen twaalf jaar na de naturalisatie blijken dat sprake is geweest van valse verklaringen, bedrog of het verzwijgen van enig voor de verkrijging van het Nederlanderschap relevant feit dan dient te worden onderzocht of de verkrijging van het Nederlanderschap moet worden ingetrokken.
Overigens kan, ook als een verzoeker is vrijgesteld van het documentatievereiste (zie paragraaf 3.5.6 bij artikel 7, eerste lid, RWN van de Circulaire optie/naturalisatieverzoeken in het buitenland), gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit een reden vormen voor afwijzing.
De verzoeker dient -voor zover mogelijk- een geldig buitenlands reisdocument over te leggen, inclusief alle pagina’s met in- en uitreisstempels. Dit niet alleen in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akt(e)n van de burgerlijke stand.
Met ingang van 26 oktober 2015 hoeven minderjarigen die zijn geboren in Nederland of elders in het Koninkrijk, geen geldig buitenlands reisdocument over te leggen in de naturalisatieprocedure als zij tegelijkertijd met de ouder(s) naturaliseren, en mits de ouder(s) met betrekking tot zichzelf beschikt(ken) over een geldig buitenlands paspoort en een gelegaliseerde/geapostilleerde geboorteakte. Hetzelfde geldt voor minderjarigen die zijn geboren in een land waarop het Apostilleverdrag van toepassing is (Kamerstuk 19 637, nr. 2072).
Het bovenstaande betreft medenaturalisatie in de zin van artikel 11, eerste, tweede, derde en zevende lid, RWN. Na-naturalisatie van het minderjarige kind, zoals bedoeld in artikel 11, vierde lid, valt ook onder de vrijstelling.
Indien de minderjarige wel in het bezit is van een geldig buitenlands paspoort dan is er geen bezwaar om dit aan het naturalisatiedossier toe te voegen.
Tot 1 augustus 2023 geldt dat in Syrië geboren vreemdelingen tijdelijk geen Syrisch paspoort noch een uit Syrië afkomstige geboorteakte hoeven te overleggen. De reden hiervoor is dat uit het ambtsbericht over Syrië uit juni 2021 gebleken is dat in Syrië nog steeds sprake is van een te instabiele situatie, waardoor het verkrijgen van documenten niet gevergd kan worden.
Paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen inburgeringsexamen
Paragraaf 2.3.5.4. in het verleden overgelegde buitenlandse akten
Indien reeds in het verleden gelegaliseerde/van apostille voorziene (en soms tevens inhoudelijk geverifieerde) documenten zijn overgelegd, wordt afgezien van het wederom overleggen van dezelfde documenten. Het moet dan gaan om documenten die zijn gelegaliseerd overeenkomstig de thans geldende legalisatiecirculaire.
Echter, in geval van op goede gronden gerezen twijfel, dienen opnieuw originele gelegaliseerde/van apostille voorziene documenten te worden overgelegd.
Paragraaf 2.3.5.5. verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten
Voor zowel het verkrijgen van documenten als de vertalingen en eventuele legalisatie van stukken, dient betrokkene zelf zorg te dragen. Indien de documenten zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands, Engels, Duits of Frans, dient verzoeker zorg te dragen voor een door een beëdigd vertaler gemaakte vertaling, die gehecht moet zijn aan het originele (afschrift van het) document. Ten aanzien van de over te leggen documenten is de thans geldende Circulaire legalisatie en verificatie buitenlandse bewijsstukken alsmede toepassing DNA-onderzoek in gevallen waarin bewijsstukken ontbreken van toepassing.
Paragraaf 2.3.5.6. bewijsnood
Van de voorwaarde van het overleggen van uit het buitenland afkomstige gelegaliseerde/van apostille voorziene documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen. Indien geen sprake is van bewijsnood, wordt geen vrijstelling verleend.
Bewijsnood zal zich met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.
Paragraaf 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek
Met ingang van 26 oktober 2015 zijn etnisch Armenen die geboren zijn in Azerbeidzjan, vrijgesteld van het overleggen van een geboorteakte uit Azerbeidzjan alsook van een Azerbeidzjaans paspoort (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Van etnisch Armenen uit Azerbeidzjan wordt aangenomen dat zijn in bewijsnood verkeren nu de Azerbeidzjaanse autoriteiten het (juridische) bezit van de Azerbeidzjaanse nationaliteit in het algemeen niet erkennen als het een etnisch Armeen betreft.
Het komt voor dat naturalisatieverzoekers stellen niet van de eigen autoriteiten een geldig paspoort te krijgen omdat zij in het herkomstland de militaire dienstplicht (nog) moeten vervullen. Omdat een betrokkene in verzuim is met het tijdig vervullen van de dienstplicht geven de desbetreffende autoriteiten geen (nieuw) paspoort meer af, ondanks het feit dat betrokkene (nog) wel de nationaliteit van dat land heeft. Dat een vreemdeling door zijn autoriteiten wordt opgeroepen om dienstplicht te vervullen, is een aanwijzing dat hij in het bezit is van de door hem gestelde vreemde nationaliteit. De eis om een geldig buitenlands paspoort te overleggen, vervalt daarom als betrokkene een schriftelijke oproep, die op de dag van het indienen van het naturalisatieverzoek niet ouder is dan een jaar, voor de militaire dienstplicht overlegt.
Paragraaf 2.3.6. inontvangstneming verzoek
Indien de verzoeker de verschuldigde naturalisatiegelden niet voldoet op het moment van indiening van het verzoek om naturalisatie, stelt de Minister van Buitenlandse Zaken hem in de gelegenheid om daartoe alsnog over te gaan binnen een termijn van zes weken na de indiening van het verzoek. Indien de verzoeker hieraan binnen deze termijn geen gevolg geeft, stelt de Minister van Buitenlandse Zaken, binnen vier weken na het verstrijken van voornoemde termijn (artikel 4:5, vierde lid, Awb), het verzoek om naturalisatie buiten behandeling (model 2.23a HRWN). In dat geval wordt geen advies uitgebracht maar zendt de Minister van Buitenlandse Zaken het (incomplete) dossier aan de IND. Tegen de beslissing tot buitenbehandelingstelling kan binnen zes weken bezwaar worden ingediend bij Onze Minister. Zie ook de toelichting bij artikel 13, eerste lid, RWN, paragraaf 3. Beslist de Minister van Buitenlandse Zaken niet binnen vier weken, dan is buitenbehandelingstelling wettelijk niet meer toegestaan. In dat geval moet inhoudelijk op het verzoek om (mede)naturalisatie worden beslist.
Paragraaf 3.8. Voorbereiding advies
Dit betreft de hoofdregel: de Minister van Buitenlandse Zaken neemt naturalisatieverzoeken in ontvangst op de diplomatieke of consulaire post in het ressort waar de verzoeker om naturalisatie zijn hoofdverblijf heeft. Het feit dat het verzoek om naturalisatie mede betrekking kan hebben op minderjarigen die hun hoofdverblijf hebben buiten dit ressort, doet hier niet aan af.
Dit zijn personen die nergens ter wereld hun hoofdverblijf hebben omdat zij per voer- of vaartuig steeds van verblijfplaats veranderen. Omdat deze personen geen hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en sub c, RWN, betreft deze categorie uitsluitend personen die overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, tweede lid, RWN hetzij oud-Nederlander zijn, hetzij gehuwd zijn met of een geregistreerd partnerschap hebben met een Nederlander, dan wel tijdens hun meerderjarigheid binnen het Koninkrijk zijn geadopteerd door een Nederlander. Verwacht mag worden dat passanten slechts sporadisch verzoeken om naturalisatie indienen.
Verzoeken van andere personen dan hierboven genoemd worden niet door de Minister van Buitenlandse Zaken in behandeling genomen (artikel 51, vierde lid, BVVN). Zo mogelijk deelt de Minister van Buitenlandse Zaken aan de verzoeker mee waar het verzoek in persoon kan worden ingediend.
Nadat de Minister van Buitenlandse Zaken een verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, wordt daarop een datum van ontvangst en een dienststempel geplaatst (artikel 51, vijfde lid, BVVN), waarna een kopie van het naturalisatieverzoek, als bewijs van inontvangstneming, aan de verzoeker wordt meegegeven (artikel 51, derde lid, BVVN).
De Minister van Buitenlandse Zaken beoordeelt voorts of de verzoeker is vrijgesteld (artikel 3 BNT) of ontheven (artikel 4 BNT) van het afleggen van het inburgeringsexamen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, BNT. Vrijstelling van het inburgeringsexamen kan bijvoorbeeld geschieden op grond van een overgelegd diploma dat in Nederland is behaald; ontheffing kan plaatsvinden als sprake is van een ernstige belemmering met medische oorzaak dan wel een ernstige taalgerichte belemmering. Voor een gedetailleerde beschrijving van de procedure wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (zie ook dit onderdeel van de Handleiding). Indien de verzoeker niet is vrijgesteld noch ontheven, dan dient de verzoeker bij het verzoek om naturalisatie een inburgeringsdiploma, bedoeld in artikel 5 BNT over te leggen. Zie verder de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Zie voor vrijstelling van de toets aldaar paragraaf 2.2 en voor ontheffing paragraaf 2.3.
Paragraaf 2.3.7.1. beoordeling bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij verzoeken om naturalisatie ingediend op of ná 1 maart 2009)
De Minister van Buitenlandse Zaken controleert bij verzoeken om naturalisatie die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die om verkrijging van het Nederlanderschap heeft verzocht en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Zie paragraaf 2.3.4.1. Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan verzoekers die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan verzoekers aan wie het door de Minister van Buitenlandse Zaken is toegestaan zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de verzoeker zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de verzoeker, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.
Indien een verzoeker om naturalisatie, ten aanzien van wie door de Minister van Buitenlandse Zaken is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die bereidverklaring (model 2.30a HRWN) niet heeft ingevuld en ondertekend of heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en desondanks toch in zijn verzoek om naturalisatie persisteert, brengt de Minister van Buitenlandse Zaken een negatief advies uit en wijst Onze Minister het verzoek om naturalisatie af. Zie tevens paragraaf 2.3.9.
De in artikel 8, eerste lid, BON bedoelde afdracht van de geïnde naturalisatiegelden geschiedt, ongeacht door welk ressort advies wordt uitgebracht, door het ressort waar de gelden zijn betaald. Dat ressort behoudt ook altijd de vergoeding als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 BON.
Paragraaf 3.9. Uitbrengen advies
Alsdan toetst de Minister van Buitenlandse Zaken de door de verzoeker verstrekte persoonsgegevens – voor zover aanwezig – aan de gegevens die zijn opgenomen in de administratie (artikel 53, eerste lid, BVVN). Met betrekking tot personen die (mede) in het naturalisatieverzoek zijn genoemd en die hoofdverblijf hebben binnen het Koninkrijk, verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken zo nodig, al naar gelang de plaats waar zij volgens de basisadministratie als ingezetene zijn ingeschreven, aan de burgemeester van de betreffende gemeente, aan de gezaghebber van het betrokken openbaar lichaam of aan de Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten de hem verstrekte gegevens binnen tien weken te toetsen (artikel 53, tweede lid, BVVN). Voor zover mogelijk onderzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken de juistheid van de persoonsgegevens die niet op de hierboven aangegeven wijze kunnen worden gecontroleerd (artikel 53, derde lid, BVVN).
De Minister van Buitenlandse Zaken beoordeelt voorts of de verzoeker is vrijgesteld (artikel 3 BNT) of ontheven (artikel 4 BNT) van het afleggen van het inburgeringsexamen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, BNT. Vrijstelling van het inburgeringsexamen kan bijvoorbeeld geschieden op grond van een overgelegd diploma dat in Nederland is behaald; ontheffing kan plaatsvinden als sprake is van een ernstige belemmering met medische oorzaak dan wel een ernstige taalgerichte belemmering. Voor een gedetailleerde beschrijving van de procedure wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (zie ook dit onderdeel van de Handleiding). Indien de verzoeker niet is vrijgesteld noch ontheven, dan dient de verzoeker bij het verzoek om naturalisatie een inburgeringsdiploma, bedoeld in artikel 5 BNT over te leggen. Zie verder de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, paragrafen 6.3.2 en 6.3.3 voor respectievelijk voor vrijstelling van de toets en voor ontheffing paragraaf.
Vervolgens onderzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken (artikel 54 BVVN):
Indien de verzoeker de verschuldigde naturalisatiegelden niet voldoet op het moment van indiening van het verzoek om naturalisatie, stelt de Minister van Buitenlandse Zaken hem in de gelegenheid om daartoe alsnog over te gaan binnen een termijn van zes weken na de indiening van het verzoek. Indien de verzoeker hieraan binnen deze termijn geen gevolg geeft, stelt de Minister van Buitenlandse Zaken, binnen vier weken na het verstrijken van voornoemde termijn (artikel 4:5, vierde lid, Awb), het verzoek om naturalisatie buiten behandeling (model 2.23a HRWN). In dat geval wordt geen advies uitgebracht maar zendt de Minister van Buitenlandse Zaken het (incomplete) dossier aan de IND. Tegen de beslissing tot buitenbehandelingstelling kan binnen zes weken bezwaar worden ingediend bij Onze Minister. Zie ook de toelichting bij artikel 13, eerste lid, paragraaf 2.5, HRWN. Beslist de Minister van Buitenlandse Zaken niet binnen vier weken, dan is buitenbehandelingstelling wettelijk niet meer toegestaan. In dat geval moet inhoudelijk op het verzoek om (mede)naturalisatie worden beslist.
Verhuist de verzoeker vanuit ressort X naar ressort Y in de periode die ligt tussen indienen van het verzoek om naturalisatie en het uitbrengen van het advies, dan zijn de volgende situaties te onderscheiden:
De in artikel 8, eerste lid, BON bedoelde afdracht van de geïnde naturalisatiegelden geschiedt, ongeacht door welk ressort advies wordt uitgebracht, door het ressort waar de gelden zijn betaald. Dat ressort behoudt ook altijd de vergoeding als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 BON.
Paragraaf 3.9. Uitbrengen advies
Alsdan toetst de Minister van Buitenlandse Zaken de door de verzoeker verstrekte persoonsgegevens – voor zover aanwezig – aan de gegevens die zijn opgenomen in de administratie (artikel 53, eerste lid, BVVN). Met betrekking tot personen die (mede) in het naturalisatieverzoek zijn genoemd en die hoofdverblijf hebben binnen het Koninkrijk, verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken zo nodig, al naar gelang de plaats waar zij volgens de basisadministratie als ingezetene zijn ingeschreven, aan de burgemeester van de betreffende gemeente, aan de gezaghebber van het betrokken openbaar lichaam of aan de Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten de hem verstrekte gegevens binnen tien weken te toetsen (artikel 53, tweede lid, BVVN). Voor zover mogelijk onderzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken de juistheid van de persoonsgegevens die niet op de hierboven aangegeven wijze kunnen worden gecontroleerd (artikel 53, derde lid, BVVN).
De Minister van Buitenlandse Zaken zendt het verzoek om naturalisatie, de door hem over de verzoeker en andere betrokkenen ingewonnen inlichtingen, de bewijzen van persoonsgegevens (verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van akten van de burgerlijke stand), de door verzoeker en andere betrokkenen ondertekende verklaringen en verzoeken, de overige door verzoeker overgelegde bewijsstukken, – indien mogelijk – de stukken uit de eigen administratie en het advies aan Onze Minister (artikel 55, eerste lid, BVVN). De Minister van Buitenlandse Zaken zorgt voor doorzending van bovengenoemde stukken aan Onze Minister (artikel 55, tweede lid, BVVN). Indien de Minister van Buitenlandse Zaken dat noodzakelijk acht, kan hij kopieën van deze documenten behouden. In verband met de wettelijke behandeltermijn van een jaar is het van belang dat uit de stukken die aan de IND worden toegezonden duidelijk blijkt op welke datum de naturalisatiegelden zijn betaald, op welke datum eventueel ontheffing van betaling is verleend en op welke datum de aanvullende stukken zijn overgelegd (zie ook de toelichting bij artikel 9, vierde lid, RWN). De IND bevestigt de ontvangst van het dossier aan de Minister van Buitenlandse Zaken.
Vervolgens onderzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken (artikel 54 BVVN):
Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van de naturalisatiegelden, of na de beslissing tot ontheffing daarvan, dan wel nadat de gevraagde stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek, zijn ontvangen (artikel 9, vierde lid, RWN). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) informeert de verzoeker over de beslissing tot afwijzing (artikel 56, eerste lid, BVVN). In geval van een positieve beslissing stuurt de IND het de verzoeker betreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap onverwijld aan de Minister van Buitenlandse Zaken. De Minister van Buitenlandse Zaken draagt zorg voor het bekendmaken van het besluit (zie paragraaf 3.13). Het uittreksel vermeldt de naam van de persoon die is genaturaliseerd. Ook de meegenaturaliseerde minderjarige kinderen worden in het uittreksel genoemd. Benadrukt wordt dat kinderen slechts hebben gedeeld in de naturalisatie indien dit uitdrukkelijk is vermeld in het besluit tot verlening van het Nederlanderschap. Voor zover van toepassing blijkt uit de bekendmaking tevens de bij het naturalisatiebesluit tot stand gekomen naamsvaststelling c.q. naamswijziging.
Paragraaf 3.11. Bezwaar
De in artikel 8, eerste lid, BON bedoelde afdracht van de geïnde naturalisatiegelden geschiedt, ongeacht door welk ressort advies wordt uitgebracht, door het ressort waar de gelden zijn betaald. Dat ressort behoudt ook altijd de vergoeding als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 BON.
Een informatieve brief, waarin het beleid nader wordt toegelicht, is géén besluit in de zin van de Awb. Een bezwaarschrift gericht tegen een informatieve brief wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij kan worden gedacht aan een bezwaarschrift gericht tegen de bijlage bij de bekendmaking van het naturalisatiebesluit, waarin de naturalisandus wordt gewezen op de afstandsplicht.
De Minister van Buitenlandse Zaken sluit het onderzoek af met het uitbrengen van een schriftelijk advies aan de IND over het verzoek om naturalisatie en over de eventuele naamsvaststelling c.q. naamswijziging (artikel 54, vijfde lid, BVVN). Zie model 2.22a HRWN (adviesblad naturalisatie). De adviezen die kunnen worden uitgebracht zijn: ‘geen bezwaar’ en ‘bezwaar’
De Minister van Buitenlandse Zaken zendt het verzoek om naturalisatie, de door hem over de verzoeker en andere betrokkenen ingewonnen inlichtingen, de bewijzen van persoonsgegevens (verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van akten van de burgerlijke stand), de door verzoeker en andere betrokkenen ondertekende verklaringen en verzoeken, de overige door verzoeker overgelegde bewijsstukken, – indien mogelijk – de stukken uit de eigen administratie en het advies aan Onze Minister (artikel 55, eerste lid, BVVN). De Minister van Buitenlandse Zaken zorgt voor doorzending van bovengenoemde stukken aan Onze Minister (artikel 55, tweede lid, BVVN). Indien de Minister van Buitenlandse Zaken dat noodzakelijk acht, kan hij kopieën van deze documenten behouden. In verband met de wettelijke behandeltermijn van een jaar is het van belang dat uit de stukken die aan de IND worden toegezonden duidelijk blijkt op welke datum de naturalisatiegelden zijn betaald, op welke datum eventueel ontheffing van betaling is verleend en op welke datum de aanvullende stukken zijn overgelegd (zie ook de toelichting bij artikel 9, vierde lid, RWN). De IND bevestigt de ontvangst van het dossier aan de Minister van Buitenlandse Zaken.
Let op! Het kan dus niet zo zijn dat een minderjarige hangende de bezwaarprocedure alsnog gaat voldoen aan de voorwaarden voor medeverlening. Dat zou immers betekenen dat de minderjarige het Nederlanderschap verwerft op een datum, waarop hij nog niet voldeed aan de vereisten voor medeverlening van het Nederlanderschap.
Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van de naturalisatiegelden, of na de beslissing tot ontheffing daarvan, dan wel nadat de gevraagde stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek, zijn ontvangen (artikel 9, vierde lid, RWN). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) informeert de verzoeker over de beslissing tot afwijzing (artikel 56, eerste lid, BVVN). In geval van een positieve beslissing stuurt de IND het de verzoeker betreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap onverwijld aan de Minister van Buitenlandse Zaken. De Minister van Buitenlandse Zaken draagt zorg voor het bekendmaken van het besluit (zie paragraaf 2.3.13). Het uittreksel vermeldt de naam van de persoon die is genaturaliseerd. Ook de meegenaturaliseerde minderjarige kinderen worden in het uittreksel genoemd. Benadrukt wordt dat kinderen slechts hebben gedeeld in de naturalisatie indien dit uitdrukkelijk is vermeld in het besluit tot verlening van het Nederlanderschap. Voor zover van toepassing blijkt uit de bekendmaking tevens de bij het naturalisatiebesluit tot stand gekomen naamsvaststelling c.q. naamswijziging.
Tegen een beslissing op het bezwaarschrift (bijvoorbeeld niet-ontvankelijkverklaring of ongegrondverklaring) kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank te Den Haag, sector Bestuursrecht, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag, Nederland. De bepalingen in de hoofdstukken 6 en 8 Awb met betrekking tot de beroepsprocedure, zijn van toepassing.
Een beslissing tot buitenbehandelingstelling, aanhouding of afwijzing van een verzoek om naturalisatie of tot afwijzing van een verzoek om medeverlening, is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tegen deze beslissingen kan een bezwaarschrift worden ingediend. De hoofdstukken 6 en 7 Awb zijn dan van toepassing. In de volgende gevallen kan bezwaar worden ingediend:
Een informatieve brief, waarin het beleid nader wordt toegelicht, is géén besluit in de zin van de Awb. Een bezwaarschrift gericht tegen een informatieve brief wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij kan worden gedacht aan een bezwaarschrift gericht tegen de bijlage bij de bekendmaking van het naturalisatiebesluit, waarin de naturalisandus wordt gewezen op de afstandsplicht.
Wordt een bezwaarschrift gegrond verklaard, dan zijn de volgende situaties te onderscheiden:
In afwijking van de hoofdregel dat een beslissing op bezwaar wordt genomen met inachtneming van de feiten, omstandigheden en geldende regelgeving op het moment van de beslissing op bezwaar (ex nunc-toetsing), wordt een bezwaarschrift tegen afwijzing van een verzoek om medeverlening beoordeeld naar de feiten, omstandigheden en regelgeving ten tijde van de beslissing in eerste aanleg (ex tunc-toetsing). Dit vloeit voort uit het feit dat medeverlening aan de minderjarige is gekoppeld aan de situatie op de dag waarop aan de ouder het Nederlanderschap werd verleend. Om alsnog vanaf die dag Nederlander te kunnen worden, moet de minderjarige dus op die datum hebben voldaan aan alle vereisten voor medeverlening.
Paragraaf 3.13.3. Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)
Zodra een betrokkene wordt voorgedragen voor naturalisatie meldt Onze Minister dit aan de Minister van Buitenlandse Zaken. Met behulp van dit bericht verkrijgt de Minister van Buitenlandse Zaken inzicht in het aantal naturalisandi dat hij voor een bepaalde naturalisatieceremonie zal moeten uitnodigen. Ook betrokkene ontvangt een bericht over de voortgang van zijn naturalisatieverzoek.
Tegen een beslissing op het bezwaarschrift (bijvoorbeeld niet-ontvankelijkverklaring of ongegrondverklaring) kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank te Den Haag, sector Bestuursrecht, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag, Nederland. De bepalingen in de hoofdstukken 6 en 8 Awb met betrekking tot de beroepsprocedure, zijn van toepassing.
Op grond van artikel 8:23, tweede lid, Awb wordt in een beroepsprocedure de Kroon vertegenwoordigd door de minister wie het aangaat onderscheidenlijk door een of meer ministers wie het aangaat. In de naturalisatieprocedure is dat Onze Minister.Op grond van artikel 37 WRvS kan zowel de verzoeker als Onze Minister hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De bepalingen van hoofdstuk 6 Awb (zie artikel 6:24 Awb) en hoofdstuk 8 Awb – met uitzondering van enkele artikelen (vergelijk artikel 39 WRvS) en voor zover daarvan in artikel 37en volgende WRvS niet is afgeweken – zijn van overeenkomstige toepassing.
Na de eerste afwezigheid kan worden nagegaan of de uitnodiging aan het juiste adres is gestuurd. Is de betrokkene ook na de tweede oproep niet verschenen, dan verzendt de Minister van Buitenlandse Zaken – zonodig – een derde oproep per aangetekende post. Wie geen van deze drie keren verschijnt, zal daarna zich alsnog voor een uitreiking kunnen melden. De betrokken persoon zal dan voor een (eerst)volgende ceremonie worden uitgenodigd, tenzij het desbetreffende uittreksel – behoudens een eerdere rechterlijke vernietiging van het besluit inzake de wijze van uitreiking – alsdan zou worden uitgereikt één jaar na dagtekening ervan.
Paragraaf 2.3.13.1. algemeen
De regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: RVVN) bevat in artikel 5 sinds 1 april 2003 de mogelijkheid tot een ceremoniële bijeenkomst op vrijwillige basis voor zowel overheid als betrokkenen. Tijdens deze ceremonie zal de verkrijging van het Nederlanderschap worden gevierd. Met ingang van 1 oktober 2006 is dit voor het naturalisatiebesluit veranderd (artikel 5, vijfde lid, RVVN). Vanaf die datum treedt het naturalisatiebesluit voor een daarin genoemde persoon pas in werking door uitreiking van het hem betreffende uittreksel daarvan, in de regel op een naturalisatieceremonie. Sinds 1 maart 2009 is voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. Indien de Minister van Buitenlandse Zaken komt tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon, wordt de verklaring van verbondenheid eerst schriftelijk afgelegd (zie hiervoor artikel 56, tweede lid, BVVN, artikel 60b, vijfde en zesde lid, BVVN, artikel 5, vierde lid, onder d, RVVN, paragraaf 2.3.13.6.2 en paragraaf 2.3.13.4).
Het uittreksel uit het naturalisatiebesluit wordt aan de naturalisandus bekendgemaakt door uitreiking en pas dan treedt het besluit, met terugwerkende kracht tot de datum van dagtekening, in werking. De naturalisandus moet daadwerkelijk op een naturalisatieceremonie verschijnen om rechten te kunnen ontlenen aan het naturalisatiebesluit. Verschijnt de naturalisandus niet, dan kan de verklaring van verbondenheid niet worden afgelegd en het uittreksel uit het naturalisatiebesluit niet worden bekendgemaakt.
Op grond van artikel 60b, tweede en vierde lid BVVN is in het buitenland de Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd tot bekendmaking van het naturalisatiebesluit. Het staat hem vrij om door middel van een machtiging de uitreiking over te dragen aan een ambtenaar van de betreffende diplomatieke of consulaire post. Hij roept de naturalisandus tijdig op voor een naturalisatieceremonie. Verschijnt de opgeroepen persoon niet, dan vindt geen uitreiking plaats en wordt een oproeping voor de volgende ceremonie toegezonden. Zonodig wordt een derde oproep per aangetekende post verzonden. Wordt het besluit niet binnen een jaar na de dag waarop het is gedagtekend, uitgereikt, dan vervalt het in de regel. De naturalisandus is dan geen Nederlander geworden. Hij dient daarvoor een nieuw verzoek tot naturalisatie in te dienen of een optieverklaring af te leggen.
Zodra een betrokkene wordt voorgedragen voor naturalisatie meldt Onze Minister dit aan de Minister van Buitenlandse Zaken. Met behulp van dit bericht verkrijgt de Minister van Buitenlandse Zaken inzicht in het aantal naturalisandi dat hij voor een bepaalde naturalisatieceremonie zal moeten uitnodigen. Ook betrokkene ontvangt een bericht over de voortgang van zijn naturalisatieverzoek.
Na ondertekening van het koninklijk besluit tot naturalisatie zendt Onze Minister onverwijld aan de Minister van Buitenlandse Zaken het desbetreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap en het bijbehorende terugmeldformulier (artikel 56 BVVN).
De eis tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt alleen voor verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend op of na 1 maart 2009. Sinds 1 maart 2009 geldt dat de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek een bereidverklaring moet ondertekenen. Deze verzoekers moeten in beginsel bij de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen.
Is een jaar na de dag van de ondertekening van het naturalisatiebesluit verstreken zonder dat de verzoeker op een naturalisatieceremonie is verschenen en het besluit derhalve niet aan hem is bekendgemaakt, dan vervalt het naturalisatiebesluit (artikel 60b, elfde lid, BVVN). De vervaltermijn van één jaar wordt opgeschort als bezwaar en/of beroep is ingesteld tegen het besluit inzake de wijze van bekendmaking van het naturalisatiebesluit en/of de wijze van aflegging van de verklaring van verbondenheid. Om te voorkomen dat het besluit daardoor zou vervallen, is bepaald dat de termijn van één jaar door het instellen van bezwaar of beroep wordt opgeschort totdat daarop onherroepelijk is beslist. De vervaltermijn van één jaar wordt stopgezet op het moment dat de Minister van Buitenlandse Zaken het bezwaarschrift of de rechtbank beroepschrift heeft ontvangen en gaat weer lopen op het moment dat de beslissing van de Minister van Buitenlandse Zaken of de rechtbank onherroepelijk is geworden en dus geen rechtsmiddelen meer openstaan. De termijn loopt dan na de beslissing in bezwaar of beroep verder en vangt niet opnieuw aan. Onder beroep wordt mede hoger beroep begrepen (artikel 60b, elfde lid, BVVN).
De Minister van Buitenlandse Zaken roept in beginsel de persoon op te verschijnen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was. Was de naturalisandus of mede-naturalisandus jonger dan 16 jaar, dan roept de Minister van Buitenlandse Zaken zijn wettelijke vertegenwoordiger op (artikel 60b, tweede lid BVVN). Zie tevens paragraaf 2.3.13.4. De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de naturalisandus of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige naturalisandus het naturalisatieverzoek heeft ingediend (artikel 2, derde lid RWN). Zie ook bijlage 1 (tabel oproepen en uitreiken).
De oproeping vindt plaats tijdig voor de uitreiking (artikel 60b, tweede lid, BVVN). Indien de opgeroepen persoon niet verschijnt, en hij heeft geen (succesvol) beroep op zwaarwegende redenen gedaan, wordt hij opnieuw opgeroepen.
Paragraaf 3.13.3. Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)
Paragraaf 3.13.5.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
De Minister van Buitenlandse Zaken reikt het uittreksel van het besluit uit aan de personen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was én na het, al dan niet schriftelijk, afleggen van de verklaring van verbondenheid door de personen die hiertoe verplicht zijn. Was de betrokkene op dat tijdstip jonger dan 16 jaar dan wordt het uittreksel uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger (artikel 60b, vijfde lid BVVN). Zie ook bijlage 1 (tabel oproepen en uitreiken).
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)