Besluit van de Minister van Justitie van 30 maart 2009, nummer WBN 2009/1, houdende wijziging van de tekst van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap toegespitst op buiten het Koninkrijk afgelegde optieverklaringen en ingediende naturalisatieverzoeken

Type Circulaire
Publication 2026-02-01
State In force
Source BWB
artikelen 16
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst van het desbetreffende uittreksel daarvan, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen de Minister van Buitenlandse Zaken hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt het uittreksel buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene, nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, is afgelegd. Zie hiervoor paragraaf 2.3.13.4. Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend (artikel 60b, eerste lid BVVN). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen de vaststelling van het besluit en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt het naturalisatiebesluit opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook een minderjarige die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, verkrijgt het Nederlanderschap. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra het naturalisatiebesluit aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt.

De terugwerkende kracht is niet nieuw. Ook nu treedt het naturalisatiebesluit in werking door bekendmaking, die op dit moment niet door uitreiking, maar door toezending per post geschiedt. Deze schriftelijke bekendmaking vindt plaats omstreeks acht weken nadat het besluit is ondertekend. Ook hier werkt de inwerkingtreding terug tot het moment van die ondertekening. En ook hier hebben feiten die zich na de ondertekening voordoen geen invloed op de verkrijging van het Nederlanderschap en treedt het rechtsgevolg in vanaf de dag van dagtekening.

Is een jaar na de dag van de ondertekening van het naturalisatiebesluit verstreken zonder dat de verzoeker op een naturalisatieceremonie is verschenen en het besluit derhalve niet aan hem is bekendgemaakt, dan vervalt het naturalisatiebesluit (artikel 60b, elfde lid, BVVN). De vervaltermijn van één jaar wordt opgeschort als bezwaar en/of beroep is ingesteld tegen het besluit inzake de wijze van bekendmaking van het naturalisatiebesluit en/of de wijze van aflegging van de verklaring van verbondenheid. Om te voorkomen dat het besluit daardoor zou vervallen, is bepaald dat de termijn van één jaar door het instellen van bezwaar of beroep wordt opgeschort totdat daarop onherroepelijk is beslist. De vervaltermijn van één jaar wordt stopgezet op het moment dat de Minister van Buitenlandse Zaken het bezwaarschrift of de rechtbank beroepschrift heeft ontvangen en gaat weer lopen op het moment dat de beslissing van de Minister van Buitenlandse Zaken of de rechtbank onherroepelijk is geworden en dus geen rechtsmiddelen meer openstaan. De termijn loopt dan na de beslissing in bezwaar of beroep verder en vangt niet opnieuw aan. Onder beroep wordt mede hoger beroep begrepen (artikel 60b, elfde lid, BVVN).

Dit kan bijvoorbeeld spelen als de verzoeker heeft verzocht om de verklaring van verbondenheid schriftelijk te mogen afleggen en dit door de Minister van Buitenlandse Zaken geweigerd is. Dit kan ook voorkomen als de verzoeker een beroep op zwaarwegende redenen heeft gedaan om niet op de naturalisatieceremonie te verschijnen en dit door de Minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen.

De verzoeker die niet is verschenen op een naturalisatieceremonie en wiens besluit van rechtswege is vervallen, kan enkel een nieuw verzoek om naturalisatie indienen om zo alsnog Nederlander te worden. Tegen het vervallen van het naturalisatiebesluit, als gevolg van het verstrijken van de vervaltermijn van één jaar na de dagtekening van het besluit staat geen bezwaar of beroep open. Het besluit is immers van rechtswege vervallen.

Als na de vervaltermijn van een jaar geen uitreiking heeft plaatsgevonden en evenmin een bezwaar- of beroepsprocedure (gericht tegen de wijze van bekendmaking dan wel de wijze van aflegging van de verklaring van verbondenheid) aanhangig is, zendt de Minister van Buitenlandse Zaken het besluit aan de IND in Rijswijk, met de vermelding dat het besluit niet in werking is getreden (artikel 5, zesde lid, onder a, RVVN).

De Minister van Buitenlandse Zaken reikt het uittreksel van het naturalisatiebesluit uit op een aan de omstandigheden aangepaste wijze. Vindt bekendmaking plaats door uitreiking, dan wordt daarbij zoveel mogelijk de procedure van artikel 60b BVVN toegepast, met uitzondering van het gestelde in lid 2 en lid 4.

Paragraaf 3.13.5. Zwaarwegende redenen (artikel 60b, zesde lid BVVN) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

Bij een verzoek om medeverlening dient de hoofdpersoon in wiens naturalisatie wordt gedeeld, op de ceremonie aanwezig te zijn. Indien deze persoon niet aanwezig is, dan wordt het uittreksel, waarop zowel de hoofdnaturalisandus als het in diens naturalisatie delende minderjarig kind vermeld staan, niet aan het eventueel aanwezige kind uitgereikt. Dit kind, noch de hoofdnaturalisandus worden op dat moment Nederlander. In dat geval wordt de hoofdnaturalisandus voor de volgende ceremonie opgeroepen, op de wijze die hierboven is beschreven bij ‘termijn van oproeping’.

De persoon aan wie het besluit wordt uitgereikt dient ter identificatie van hemzelf (en, indien van toepassing, de persoon die hij vertegenwoordigt) een (geldig) identiteitsbewijs over te leggen.

De uitreiking van het uittreksel van het naturalisatiebesluit ligt in handen van de Minister van Buitenlandse Zaken die het in artikel 54, vijfde lid, BVVN, bedoelde advies heeft uitgebracht.

Indien de verzoeker zijn hoofdverblijf inmiddels heeft verlegd naar het Koninkrijk en hiervan mededeling heeft gedaan, dan zal de Minister van Buitenlandse Zaken de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de verzoeker.

De verklaring van verbondenheid wordt besloten met het uitspreken van de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’. De keuze is aan de verzoeker. De tekst van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan niet worden afgeweken.

Uitgangspunt bij de bekendmaking is dat ook buiten het Koninkrijk een feestelijk getinte bijeenkomst ter viering van de verkrijging van het Nederlanderschap zal plaatsvinden. Echter wegens bijzondere aan de personele omvang van de diplomatieke of consulaire post gerelateerde omstandigheden kan de Minister van Buitenlandse Zaken komen tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon. Dit staat overigens los van de – door de op te roepen/reeds opgeroepen persoon – aan te voeren zwaarwegende redenen waarom de ceremonie door de optant niet in persoon kan worden bijgewoond. Zie hiervoor verder paragraaf 2.3.13.5.

Op grond van artikel 5, vierde lid onder d, RVVN kan de Minister van Buitenlandse Zaken komen tot een andere wijze van bekendmaking van het uittreksel uit het naturalisatiebesluit dan uitreiking in persoon wegens bijzondere aan de personele omvang van de diplomatieke of consulaire post gerelateerde omstandigheden.

Nederlandse diplomatieke of consulaire posten in het buitenland verrichten hun werkzaamheden onder zeer verschillende omstandigheden en mogelijkheden. Ook bij de verkrijging van het Nederlanderschap in het buitenland is evenwel het uitgangspunt dat sprake is van uitreiking in persoon van het besluit leidend tot het Nederlanderschap. Desalniettemin kan het voorkomen dat een diplomatieke of consulaire post (niet behorend tot een diplomatieke post) zodanig kleinschalig is dat het organiseren van een ceremonie een te zware belasting zou worden of niet spoedig na de ontvangst van het uittreksel kan worden georganiseerd. In een dergelijk voorkomend geval kan incidenteel worden besloten geen ceremonie te houden, maar in het belang van de betrokken burger over te gaan tot de onmiddellijke bekendmaking via de postbezorging.

Voor de uitreiking van het uittreksel van het naturalisatiebesluit kent het BVVN voor de Minister van Buitenlandse Zaken geen vaste uitreikingstermijn. Gezien de zeer verschillende omstandigheden waaronder zij de bekendmaking van de verlening van het Nederlanderschap hebben te verzorgen, is hierbij de mogelijkheid van een ruime uitreikingstermijn dan ook gewenst. Wel blijft gelden dat mede in het belang van de betrokken burger de uitreiking van het uittreksel van het naturalisatiebesluit op een zo kort mogelijke termijn na dagtekening dient plaats te vinden. Bij bekendmaking per post geschiedt dit in beginsel onmiddellijk na ontvangst van het uittreksel van het naturalisatiebesluit, doch uiterlijk binnen één week daarna (artikel 5, vijfde lid, onder e, RVVN).

Indien de naturalisandus zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie wel bereid heeft verklaard (model 2.30a HRWN) de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar komt hij deze toezegging niet na en door de Minister van Buitenlandse Zaken is geen vrijstelling van het afleggen van deze verklaring gegeven, dan zal het uittreksel van het naturalisatiebesluit niet worden uitgereikt en het Nederlanderschap niet verkregen worden. Ook aan de kinderen die wel aanwezig zijn en die met de naturalisandus zouden meenaturaliseren, wordt het hen betreffende uittreksel uit het naturalisatiebesluit niet uitgereikt en zij worden dus geen Nederlander. Zie toelichting bij artikel 60b, derde lid, BVVN.

Voor naturalisandi die op of na 1 maart 2009 een verzoek om naturalisatie indienen, bevat de naturalisatieceremonie na die datum een onderdeel waarin zij de verklaring van verbondenheid afleggen. De verklaring van verbondenheid en het afleggen ervan is de onderstreping van het moment van de verkrijging van de nieuwe nationaliteit; het Nederlanderschap. Het is het moment dat nieuwe rechten en plichten meebrengt, welke men kenbaar aanvaart. Met het afleggen van de verklaring van verbondenheid verklaart de burger dat hij zich bewust is van de betekenis van aanvaarding en verkrijging van de nieuwe nationaliteit. De verklaring van verbondenheid wordt altijd in het Nederlands afgelegd. De verklaring van verbondenheid en de twee varianten voor de bevestiging zijn wettelijk bepaald in artikel 23 RWN. Daarmee staat de uit te spreken tekst wettelijk vast. Er kan geen sprake zijn van het uitspreken van een vertaling van de tekst.

De verklaring van verbondenheid wordt in persoon, in beginsel op een naturalisatieceremonie, doorgaans mondeling en (altijd) in het Nederlands afgelegd voordat het naturalisatiebesluit aan hem wordt uitgereikt. De Minister van Buitenlandse Zaken bepaalt op welke wijze het afleggen van de verklaring van verbondenheid nader wordt ingevuld. Zie artikel 60b, vierde lid, BVVN. Indien de Minister van Buitenlandse Zaken komt tot een andere wijze van bekendmaking dat uitreiking in persoon op een naturalisatieceremonie, wordt de verklaring van verbondenheid schriftelijk afgelegd (artikel 5, vierde lid, RVVN en artikel 60b, vijfde lid, BVVN).

De verklaring van verbondenheid wordt besloten met het uitspreken van de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’. De keuze is aan de verzoeker. De tekst van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan niet worden afgeweken.

De Minister van Buitenlandse Zaken houdt van naturalisatieverzoeken ingediend op of na

1 maart 2009 bij óf een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de Minister van Buitenlandse Zaken aan op het terugmeldformulier (model 2.29a HRWN of 2.29b HRWN) dat aan de IND wordt verzonden. Zie tevens paragraaf 2.3.12.6.

Sinds 1 maart 2009 moet iedere meerderjarige verzoeker, die op of na die datum een verzoek om naturalisatie heeft ingediend, op de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen. Ook een verzoeker om medenaturalisatie van 16 of 17 jaar (artikel 11, derde lid, RWN) is verplicht om op de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid af te leggen. De minderjarige die ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie jonger is dan zestien jaar hoeft niet uitgenodigd te worden om te verschijnen op de naturalisatieceremonie en hoeft geen verklaring van verbondenheid af te leggen.

Uittreksels uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap zijn op één naam gesteld. Er kan echter sprake zijn van kinderen die delen in verkrijging van het Nederlanderschap. Indien de opgeroepen naturalisandus, die verplicht is te verschijnen en de verklaring van verbondenheid af te leggen, niet verschijnt op de naturalisatieceremonie, kan het uittreksel van het naturalisatiebesluit niet worden uitgereikt. De uittreksels betreffende de minderjarige kinderen die met de naturalisandus zouden meenaturaliseren, worden dan ook niet uitgereikt, ook al zijn de kinderen wel aanwezig op de naturalisatieceremonie. De uitreiking van het uittreksel uit het naturalisatiebesluit wordt in dat geval aangehouden. Zie artikel 60b, derde lid en tiende lid, BVVN. Bij de volgende naturalisatieceremonie kan de (hoofd)naturalisandus alsnog op de ceremonie verschijnen en de verklaring van verbondenheid afleggen. Zo nodig wordt de uitnodiging nog eenmaal, dit maal per aangetekende brief, herhaald (artikel 60a, tiende lid, BVVN). Pas dan kan het de naturalisandus betreffende uittreksel van het naturalisatiebesluit en eventueel de meenaturaliserende kinderen betreffende uittreksels worden uitgereikt en verkrijgen zij allen de Nederlandse nationaliteit. Indien de (hoofd)naturalisandus niet op een naturalisatieceremonie is verschenen (en dus niet de verklaring van verbondenheid heeft afgelegd), vervalt het naturalisatiebesluit een jaar na dagtekening ervan.

Indien de naturalisandus zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie wel bereid heeft verklaard (model 2.30a HRWN) de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar komt hij deze toezegging niet na en door de Minister van Buitenlandse Zaken is geen vrijstelling van het afleggen van deze verklaring gegeven, dan zal het uittreksel van het naturalisatiebesluit niet worden uitgereikt en het Nederlanderschap niet verkregen worden. Ook aan de kinderen die wel aanwezig zijn en die met de naturalisandus zouden meenaturaliseren, wordt het hen betreffende uittreksel uit het naturalisatiebesluit niet uitgereikt en zij worden dus geen Nederlander. Zie toelichting bij artikel 60b, derde lid, BVVN.

De niet uitreiking is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Bezwaar en beroep staat dan ook niet open. De verklaring van verbondenheid is immers een wettelijke voorwaarde voor de uitreiking van het besluit en om Nederlander te kunnen worden door naturalisatie.

Onder belanghebbende kan ook worden verstaan een (voormalige) (huwelijks-) partner of een familielid van de overleden persoon.

Voor een enkele verzoeker kan een uitzondering gemaakt worden. Indien van de verzoeker door omstandigheden redelijkerwijs niet verlangd kan worden dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling uitspreekt tegenover de bevoegde autoriteit, wordt een schriftelijke verklaring van verbondenheid ondertekend. Voor het schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid zijn twee modellen ontwikkeld. In model 4.1a HRWN is de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ en in model 4.2a HRWN de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met ‘Dat verklaar en beloof ik’. De verzoeker moet (volgens de dáár geldende regels) bij het indienen van het verzoek om naturalisatie wel de bereidverklaring invullen en ondertekenen. De beoordeling of sprake is van de hier bedoelde omstandigheden, ligt bij de Minister van Buitenlandse Zaken (zie artikel 60a, vijfde lid, BVVN) en wordt gestaafd door ten minste één door of namens de verzoeker overgelegde bewijsstuk(ken).

Paragraaf 3.13.6. Procedurele aspecten na uitreiking

Van de regel om in persoon te verschijnen kan slechts in bijzondere omstandigheden wegens zwaarwegende redenen worden afgeweken. In zulke uitzonderingsgevallen kan de betrokkene, nadat een daartoe strekkend besluit de Minister van Buitenlandse Zaken is genomen, door een gemachtigde worden vertegenwoordigd. Ook kan in die gevallen de Minister van Buitenlandse Zaken besluiten de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen, waarbij te denken is aan een uitreiking buiten de naturalisatieceremonie om of aan toezending per post van het uittreksel. Om uitgezonderd te worden van de regel in persoon te verschijnen, dient betrokkene een daartoe strekkend verzoek in te dienen.

De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij de Minister van Buitenlandse Zaken. Deze beoordeling is een beslissing in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen bezwaar bij de Minister van Buitenlandse Zaken en beroep bij de bestuursrechter openstaan. Bij zwaarwegende redenen kan worden gedacht aan de fysieke en/of psychische onmogelijkheid in persoon te verschijnen (zie toelichting in de Handleiding bij artikel 2, tweede lid RWN). Deze zwaarwegende redenen dienen te worden aangetoond aan de hand van een verklaring van een onafhankelijk arts. Als dit voldoende is aangetoond, kan betrokkene zich laten vertegenwoordigen door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de gemachtigde en de betreffende opgeroepen persoon (artikel 3, tweede lid BVVN is van overeenkomstige toepassing). De gemachtigde dient in persoon te verschijnen en verschaft de nodige zekerheid over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. De machtiging dient op schrift te zijn gesteld en ondertekend te zijn door de persoon wiens verschijning in persoon is vereist. De gemachtigde dient ter identificatie een geldig identiteitsbewijs van de betrokken persoon over te leggen (en tevens de andere gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van het geval). Onder zwaarwegend wordt niet verstaan strikt tijdelijke omstandigheden zoals het hebben van vakantie, het volgen van een cursus, het niet vrij kunnen krijgen van werk, enz. Bij een tijdelijke belemmering wordt in eerste instantie, in overleg met betrokkene, onderzocht of deelname aan een volgende naturalisatieceremonie uitkomst biedt. Onder zwaarwegend wordt bijvoorbeeld verstaan een langdurige zware depressie of een andere, ernstige psychologische belemmering. Daarnaast kan, anders dan in Nederland, incidenteel voor buiten het Koninkrijk woonachtigen sprake zijn van een zodanig grote af te leggen reisafstand naar de plaats waar de ceremonie wordt gehouden, dat in redelijkheid niet van de naturalisandus kan worden verlangd dat hij in persoon de ceremonie bijwoont (artikel 5, vijfde lid, onder c, RVVN).

Uitgangspunt van de regelgeving is dat de opgeroepen persoon zoveel mogelijk op de naturalisatieceremonie verschijnt. Dit betekent dat de Minister van Buitenlandse Zaken vrijstaat, op verzoek van de betrokkene zelf, in overleg met hem een andere datum te bepalen waarop een ceremonie wordt gehouden en hij toch kan verschijnen. Daarbij is het overigens wel van belang dat de duur van de periode die ligt tussen de vaststelling van het naturalisatiebesluit en de uitreiking van het desbetreffende uittreksel, zo beperkt mogelijk blijft, in ieder geval niet langer dan een jaar.

Bij een beroep op zwaarwegende redenen overweegt de Minister van Buitenlandse Zaken eerst of sprake is van een tijdelijke dan wel blijvende reden om niet te verschijnen. Bij een tijdelijke reden onderzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken of de verzoeker binnen een redelijke termijn toch aanwezig kan zijn op een naturalisatieceremonie. Als dat het geval is, wordt in overleg met hem een nieuwe datum bepaald. Bij een blijvende reden om niet te verschijnen, dan wel ingeval de volgende ceremonie pas na lange tijd plaatsvindt, wordt als volgt gehandeld. Als de verzoeker niet binnen een redelijke termijn aanwezig kan zijn, bijvoorbeeld vanwege een blijvende lichamelijke handicap, bepaalt de Minister van Buitenlandse Zaken of het beroep op zwaarwegende redenen gegrond is. Als dit het geval is, beslist de Minister van Buitenlandse Zaken dat betrokkene zich laat vertegenwoordigen door een daartoe schriftelijk gemachtigde, meerderjarige persoon. Ingeval dit laatste niet mogelijk is, kan de Minister van Buitenlandse Zaken het besluit na het al dan niet schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid op een andere wijze bekendmaken, bijvoorbeeld door uitreiking in persoon buiten de naturalisatieceremonie om of door toezending per post van het desbetreffende uittreksel. Als het beroep op zwaarwegende redenen niet gegrond is, dan wijst de Minister van Buitenlandse Zaken het beroep af. Tegen deze beslissing staat bezwaar en beroep open.

Indien de opgeroepen persoon op of na de dag waarop het naturalisatiebesluit is gedagtekend, is overleden, wordt het desbetreffende uittreksel aan een andere belanghebbende, al naar gelang de omstandigheden, uitgereikt of toegezonden. Een belanghebbende kan in dit geval zijn een kind dat na de dag van dagtekening van het besluit, is geboren.

Paragraaf 1. Fictieve toets bij buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken (artikel 8.1.b jo. lid 2, paragraaf 3.8)

Paragraaf 2.3.13.6.2. mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

Paragraaf 1. Fictieve toets bij buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken (artikel 8.1.b jo. lid 2, paragraaf 3.8)

Op grond van artikel 60b, vijfde lid, BVVN en artikel 5, vierde lid, onder c, RVVN kan de Minister van Buitenlandse Zaken bepalen dat een verzoeker de verklaring van verbondenheid schriftelijk aflegt, indien van hem redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij hem schriftelijk aflegt. Hiervan is sprake als niet kan worden verlangd dat een verzoeker de naturalisatieceremonie bijwoont omdat hij bijvoorbeeld onredelijk ver zou moeten reizen om de ceremonie op de diplomatieke of consulaire post bij te wonen. Volstaan kan worden met het schriftelijk afleggen met de verklaring van verbondenheid (model 4.1a HRWN of 4.2a HRWN). De ondertekende schriftelijke verklaring van verbondenheid moet echter eerst (door toezending per post) in het bezit zijn van de Minister van Buitenlandse Zaken, voordat het naturalisatiebesluit door wordt bekendgemaakt, bijvoorbeeld toezending per post.

Voor een enkele verzoeker kan een uitzondering gemaakt worden. Indien van de verzoeker door omstandigheden redelijkerwijs niet verlangd kan worden dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling uitspreekt tegenover de bevoegde autoriteit, wordt een schriftelijke verklaring van verbondenheid ondertekend. Voor het schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid zijn twee modellen ontwikkeld. In model 4.1a HRWN is de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ en in model 4.2a HRWN de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met ‘Dat verklaar en beloof ik’. De verzoeker moet (volgens de dáár geldende regels) bij het indienen van het verzoek om naturalisatie wel de bereidverklaring invullen en ondertekenen. De beoordeling of sprake is van de hier bedoelde omstandigheden, ligt bij de Minister van Buitenlandse Zaken (zie artikel 60a, vijfde lid, BVVN) en wordt gestaafd door ten minste één door of namens de verzoeker overgelegde bewijsstuk(ken).

Paragraaf 3.13.6. Procedurele aspecten na uitreiking

In bovenstaande gevallen kan na het overhandigen dan wel na toezending aan de Minister van Buitenlandse Zaken van de ondertekende schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid, tot uitreiking van het naturalisatiebesluit worden overgegaan, al dan niet aan een gemachtigde of op aangepaste wijze. Hierbij valt te denken aan een uitreiking buiten de ceremonie om of aan toezending van de bekendmaking van verlening van het Nederlanderschap aan de verzoeker.

Er zijn omstandigheden denkbaar waarbij de verzoeker in het geheel niet in staat is om de verklaring van verbondenheid af te leggen. Is de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat de verklaring van verbondenheid mondeling of schriftelijk af te leggen, dan wordt de verklaring van verbondenheid niet afgelegd. Het zal hier zeer uitzonderlijke gevallen betreffen. Indien de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen, wordt het naturalisatiebesluit bekendgemaakt, zonder dat de verklaring van verbondenheid is afgelegd.

In voorkomende gevallen geeft de Minister van Buitenlandse Zaken (meestal) bij de indiening van het verzoek om naturalisatie (door een gemachtigde) op het adviesblad bij punt 6 (zie hiervoor paragraaf 2.3.4.1 onder alinea ‘Uitzondering ondertekenen bereidverklaring) reeds aan dat het afleggen van de bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid niet mogelijk is vanwege de fysieke of psychische toestand van de verzoeker. Zie artikel 60b, zesde lid, BVVN. Daarnaast heeft de Minister van Buitenlandse Zaken ten minste één door of namens de verzoeker overgelegde bewijsstuk(ken) toegevoegd. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN; bijvoorbeeld een gemotiveerde medische verklaring van een onafhankelijk (behandelend) medisch specialist. De uiteindelijke beoordeling of er sprake is van een fysieke of psychische onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid ligt bij Onze Minister. De verklaring van verbondenheid is immers een voorwaarde voor naturalisatie. Als uitgangspunt volgt Onze Minister het advies in deze van de Minister van Buitenlandse Zaken.

Paragraaf 2. Toelichting bij procedure inburgeringsexamen en (gedeeltelijke) vrijstellingen (artikel 8.1.d)

Deze situatie zal doorgaans het geval zijn. De verzoeker heeft bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie de bereidverklaring ondertekend. Na het mondeling afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt het besluit tot verlening van het Nederlanderschap aan de verzoeker uitgereikt.

De verzoeker heeft bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie de bereidverklaring ondertekend. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft, al dan niet bij de indiening van het verzoek om naturalisatie, bepaald dat van de verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt. Eerst na het overleggen van de schriftelijke verklaring van verbondenheid wordt tot uitreiking overgegaan.

De Minister van Buitenlandse Zaken kan ervoor kiezen om de schriftelijke verklaring van verbondenheid met de uitnodiging voor de naturalisatieceremonie mee te sturen, zodat de verzoeker de ondertekende schriftelijke verklaring van verbondenheid aan de Minister van Buitenlandse Zaken overhandigt, voordat de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de verzoeker wordt uitgereikt. Ook kan de Minister van Buitenlandse Zaken ervoor kiezen om op de naturalisatieceremonie zelf de schriftelijke verklaring van verbondenheid te laten ondertekenen.

Bij het (door een gemachtigde) indienen van het verzoek om naturalisatie of na het indienen hiervan is gebleken dat de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Zie artikel 60b, zesde lid BVVN, artikel 5, vierde lid, onder c, RVVN en de toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN. Derhalve is afgezien van het invullen en ondertekenen van de bereidverklaring en van het afleggen van de verklaring van verbondenheid door de optant. Het naturalisatiebesluit wordt bekendgemaakt zonder dat verklaring van verbondenheid is afgelegd.

Vanwege aangetoonde zwaarwegende redenen is de verzoeker vertegenwoordigd door een gemachtigde. Zie artikel 60b, negende lid BVVN en de toelichting bij artikel 7, paragraaf 2.3.13.6, HRWN. De verzoeker heeft bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie de bereidverklaring ondertekend. De verzoeker moet de ondertekende schriftelijke verklaring van verbondenheid meegeven aan de gemachtigde. Eerst na het overleggen van de door de verzoeker ondertekende schriftelijke verklaring van verbondenheid, wordt tot uitreiking aan de gemachtigde overgegaan. De Minister van Buitenlandse Zaken kan ervoor kiezen om de schriftelijke verklaring van verbondenheid bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie aan de verzoeker of gemachtigde mee te geven, zodat de gemachtigde de door de verzoeker ondertekende verklaring op de naturalisatieceremonie aan de Minister van Buitenlandse Zaken kan overhandigen. Ook kan de Minister van Buitenlandse Zaken ervoor kiezen om de schriftelijke verklaring van verbondenheid met de uitnodiging voor de naturalisatieceremonie mee te sturen, zodat de verzoeker de ondertekende schriftelijke verklaring ter overhandiging aan de Minister van Buitenlandse Zaken aan de gemachtigde kan meegeven.

Vanwege aangetoonde zwaarwegende redenen is de verzoeker vertegenwoordigd door een gemachtigde. Zie artikel 60b, negende lid BVVN en de toelichting bij artikel 7, paragraaf 2.3.13.6, HRWN. Bij het (door een gemachtigde) indienen van het verzoek om naturalisatie is gebleken dat de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Zie artikel 60b, zesde lid BVVN en de toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN. Er is derhalve afgezien van het invullen en onderteken van de bereidverklaring en er wordt afgezien van het afleggen van de verklaring van verbondenheid. In voorkomende gevallen wordt het naturalisatiebesluit aan de gemachtigde bekendgemaakt zonder dat verklaring van verbondenheid is afgelegd.

Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie heeft de verzoeker de bereidverklaring ondertekend. Het verzoek van betrokkene om, vanwege zwaarwegende redenen, niet in persoon op een naturalisatieceremonie te verschijnen is door de Minister van Buitenlandse Zaken gehonoreerd. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft besloten om de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen. Na het mondeling afleggen van de verklaring van verbondenheid, wordt het naturalisatiebesluit aan de verzoeker uitgereikt.

Bijvoorbeeld indien de verzoeker vanwege langdurige ziekenhuisopname niet in staat is de naturalisatieceremonie bij te wonen, maar fysiek wel in staat is de verklaring van verbondenheid uit te spreken, kan de Minister van Buitenlandse Zaken een 'privé naturalisatieceremonie' organiseren op de kamer van de verzoeker. Na het mondeling afleggen van de verklaring van verbondenheid, reikt de Minister van Buitenlandse Zaken het naturalisatiebesluit uit.

De verzoeker heeft bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie de bereidverklaring ondertekend. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft, al dan niet bij de indiening van het verzoek om naturalisatie, bepaald dat van de verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt.

Het verzoek van de verzoeker om, vanwege zwaarwegende redenen, niet in persoon op een naturalisatieceremonie te verschijnen is door de Minister van Buitenlandse Zaken gehonoreerd. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft besloten om de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen.

Indien het naturalisatiebesluit bijvoorbeeld door het toezenden per post wordt bekendgemaakt, moet de ondertekende schriftelijke verklaring van verbondenheid voorafgaand aan die toezending in het bezit van de Minister van Buitenlandse Zaken zijn.

Paragraaf 1. Fictieve toets bij buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken (artikel 8.1.b jo. lid 2, paragraaf 3.8)

Weliswaar geldt voor de onder lid 2 bedoelde verzoekers niet het vereiste van vijf jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN), maar het vereiste van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN geldt onverkort. Derhalve dient ambtshalve aan de hand van de voorwaarden in het vreemdelingenbeleid die op de verzoeker van toepassing zouden zijn – indien hij om toelating in Nederland zou vragen – te worden beoordeeld of de verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsrecht, mits hij daar om zou vragen. Alleen indien aan hem een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard verleend zou kunnen worden, voldoet hij aan het vereiste in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b. RWN.

Na uitreiking van het desbetreffende uittreksel stuurt de Minister van Buitenlandse Zaken door middel van het terugmeldformulier (model 2.29a HRWN of 2.29b HRWN) daarvan onverwijld een bericht aan de IND (artikel 60b, negende lid BVVN). Op het terugmeldformulier vermeldt de Minister van Buitenlandse Zaken de datum waarop het besluit is bekendgemaakt en de wijze van bekendmaking. Op grond van artikel 60b, twaalfde lid, BVVN, deelt de uitreikende autoriteit Onze Minister mee ‘of en op welke wijze de verklaring van verbondenheid is afgelegd’. Deze informatie wordt op het terugmeldformulier (model 2.29a HRWN of 2.29b HRWN) aangetekend en is alleen van toepassing op verzoeken om naturalisatie ingediend op of na 1 maart 2009. Ook vermeldt de Minister van Buitenlandse Zaken of hij na herhaalde oproepingen het besluit niet heeft kunnen bekendmaken, als gevolg waarvan het besluit is vervallen. De uittreksels die de Minister van Buitenlandse Zaken niet heeft kunnen uitreiken, stuurt hij terug aan de IND in Rijswijk.

Aan de hand van het terugmeldformulier stelt Onze Minister vast of de verzoeker Nederlander is geworden en zijn procedure kan worden afgesloten. Is betrokkene Nederlander geworden, dan worden de gegevens ten aanzien van deze verlening in het nationaliteitenregister opgenomen. Ook wordt na terugmelding de eventuele afstandsprocedure opgestart.

Paragraaf 2.3. Belemmering

Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit voegt hij een ingevuld formulier gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 (model 1.35a HRWN) toe. De Minister van Buitenlandse Zaken maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige, die door optie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door optie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder. Bij zelfstandige verkrijging van het Nederlanderschap door optie van een minderjarige van Surinaamse nationaliteit wordt eveneens een uitwisselingsformulier opgemaakt.

Indien de verklaring van verbondenheid schriftelijk is afgelegd (model 4.1a HRWN of 4.2a HRWN), wordt deze verklaring gearchiveerd in het naturalisatiedossier bij de diplomatieke of consulaire post.

Eventuele onjuistheden in het desbetreffende uittreksel

De Minister van Buitenlandse Zaken wordt verzocht eventuele onjuistheden in het besluit zo spoedig mogelijk te melden aan de IND. De IND draagt (zonodig) in dat geval zorg voor een nieuw besluit. De Minister van Buitenlandse Zaken hoeft een eerder uitgereikt uittreksel niet door middel van een verbeterd exemplaar opnieuw uit te reiken. Ingeval het besluit reeds is bekendgemaakt, mag het verbeterde exemplaar (aangetekend) aan de betrokkene worden opgestuurd. Wanneer de Minister van Buitenlandse Zaken nog in het bezit is van het onjuiste uittreksel is het wenselijk dat hij dit, ter voorkoming van fraude, terugstuurt aan de IND, alwaar het wordt vernietigd.

Voor dit onderdeel van de Handleiding voor de diplomatieke of consulaire post wordt deze procedure nader beschreven.

Indien verzoeker het inburgeringsexamen wenst af te leggen, laat de Minister van Buitenlandse Zaken hem een aanmeldingsformulier invullen, dat door verzoeker dient te worden ondertekend. Verzoeker voldoet het daarvoor geldende tarief aan de Minister van Buitenlandse Zaken. De Minister van Buitenlandse Zaken handelt overeenkomstig het examenreglement naturalisatietoets in het buitenland (artikel 3, vijfde lid, Regeling naturalisatietoets Nederland).

Om een naturalisatieverzoek in het buitenland te kunnen indienen moet de aspirant-verzoeker (vóór indiening van het verzoek) kunnen aantonen het inburgeringsexamen met goed gevolg te hebben afgelegd. Indien het inburgeringsexamen nog niet werd behaald en dit op de post wordt afgelegd dient betrokkene de volgende vijf onderdelen af te leggen:

Indien de verzoeker het inburgeringsexamen dient af te leggen, deelt de Minister van Buitenlandse Zaken dit aan hem mee en wordt in overleg met verzoeker en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) een plaats en datum bepaald waarop het examen afgelegd kan worden. De Minister van Buitenlandse Zaken stelt de aspirant-verzoeker op de hoogte van de onderdelen van het examen die afgelegd dienen te worden, het te behalen niveau, de wijze waarop het examen is ingericht, de volgorde en de kosten die betaald dienen te worden (€ 350). De Minister van Buitenlandse Zaken deelt aan de verzoeker mee dat de beoordeling van het inburgeringsexamen zal geschieden door DUO. De DUO informeert kandidaat over de examenuitslag. Ook wordt verzoeker in dit stadium gewezen op de mogelijkheid in aanmerking te komen voor (gedeeltelijke) vrijstelling of ontheffing. Voor de procedure hieromtrent wordt verwezen naar de betreffende paragrafen hieronder.

Paragraaf 2.2. Vrijstelling van het examen (paragraaf 2.2)

Opdat de IND kan beoordelen of de verzoeker in aanmerking komt voor toelating voor onbepaalde tijd, is van belang dat bij het verzoek de nodige stukken worden overgelegd die relevant zijn voor een mogelijk verblijfsdoel en een fictieve verblijfstoets. Indien verzoeker gehuwd is met een Nederlander, wordt ambtshalve getoetst of hij voldoet aan de voorwaarden voor gezinshereniging of gezinsvorming met een Nederlander (Vc 2000, Hoofdstuk B7). in dat geval zullen onder meer recente inkomensgegevens van de Nederlandse echtgenoot worden verlangd, om te beoordelen of de Nederlandse echtgenoot beschikt over voldoende middelen van bestaan. Indien verzoeker de Nederlandse nationaliteit ooit heeft gehad maar die heeft verloren, kan ambtshalve worden getoetst aan de voorwaarden voor wedertoelating voor oud-Nederlanders zoals omschreven in Vc 2000, Hoofdstuk B9. Indien verblijf voor een ander doel in de rede ligt (bijvoorbeeld EU-/EER-onderdanen; op grond van vestigingsverdragen of anderszins), wordt ambtshalve getoetst aan de toepasselijke voorwaarden voor toelating en moeten de daartoe relevante stukken worden overgelegd. Deze stukken moeten met het advies aan de IND worden meegezonden.

De examenleider legt uit welke examenonderdelen aan bod komen en geeft uitleg over het gebruik van de apparatuur. Indien betrokkene de instructies heeft begrepen vangt het examen aan.

Paragraaf 3.3.1. algemeen

Paragraaf 2.3. Belemmering

Enkele procedurele stappen verschillen echter met de situatie in Nederland zoals de wijze waarop het inburgeringsexamen wordt afgenomen en de manier waarop een ontheffingsadvies aan de verzoeker wordt gegeven.

Paragraaf 2.2. Vrijstelling van het examen (paragraaf 2.2)

Voorbeeld

Om een naturalisatieverzoek in het buitenland te kunnen indienen moet de aspirant-verzoeker (vóór indiening van het verzoek) kunnen aantonen het inburgeringsexamen met goed gevolg te hebben afgelegd. Indien het inburgeringsexamen nog niet werd behaald en dit op de post wordt afgelegd dient betrokkene de volgende vijf onderdelen af te leggen:

Indien de verzoeker het inburgeringsexamen dient af te leggen, deelt de Minister van Buitenlandse Zaken dit aan hem mee en wordt in overleg met verzoeker en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) een plaats en datum bepaald waarop het examen afgelegd kan worden. De Minister van Buitenlandse Zaken stelt de aspirant-verzoeker op de hoogte van de onderdelen van het examen die afgelegd dienen te worden, het te behalen niveau, de wijze waarop het examen is ingericht, de volgorde en de kosten die betaald dienen te worden (€ 350). De Minister van Buitenlandse Zaken deelt aan de verzoeker mee dat de beoordeling van het inburgeringsexamen zal geschieden door DUO. De DUO informeert kandidaat over de examenuitslag. Ook wordt verzoeker in dit stadium gewezen op de mogelijkheid in aanmerking te komen voor (gedeeltelijke) vrijstelling of ontheffing. Voor de procedure hieromtrent wordt verwezen naar de betreffende paragrafen hieronder.

Indien verzoeker het inburgeringsexamen wenst af te leggen, laat de Minister van Buitenlandse Zaken hem een aanmeldingsformulier invullen, dat door verzoeker dient te worden ondertekend. Verzoeker voldoet het daarvoor geldende tarief aan de Minister van Buitenlandse Zaken. De Minister van Buitenlandse Zaken handelt overeenkomstig het examenreglement naturalisatietoets in het buitenland (artikel 3, vijfde lid, Regeling naturalisatietoets Nederland).

Op de dag dat verzoeker het examen aflegt, stelt de Minister van Buitenlandse Zaken de ruimte aan hem ter beschikking, alsook de andere middelen die voor het afleggen van het examen benodigd zijn (hoofdtelefoon, microfoon, computer). De verzoeker identificeert zich bij deelname aan het examen door middel van een geldig nationaal paspoort.

De examenleider legt uit welke examenonderdelen aan bod komen en geeft uitleg over het gebruik van de apparatuur. Indien betrokkene de instructies heeft begrepen vangt het examen aan.

In geval betrokkene niet alle onderdelen heeft behaald wordt betrokkene ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. De Minister van Buitenlandse Zaken stelt verzoeker in kennis van die onderdelen die niet zijn behaald en wijst hem op de mogelijkheid om het examen of onderdelen daarvan opnieuw af te leggen. Staat betrokkene er in dit stadium toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wordt verzoeker door de Minister van Buitenlandse Zaken erop gewezen dat zijn verzoek om naturalisatie door de IND zal worden afgewezen, en dat hij de voor naturalisatie te betalen leges niet terug zal ontvangen. De Minister van Buitenlandse Zaken kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21a HRWN. De Minister van Buitenlandse Zaken neemt in zijn advies op dat hij in geval van betrokkene negatief adviseert inzake de verlening van het Nederlanderschap. Zie verder onder artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, paragraaf 6.3.1.3, HRWN.

Artikel 11-2. jo. lid 3 jo. lid 6

8.1.b. jo. lid 2 toelichting ad artikel 8.1.b jo. lid 2

Bij het (door een gemachtigde) indienen van het verzoek om naturalisatie is gebleken dat de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Zie artikel 60b, zesde lid BVVN, artikel 5, vierde lid, onder c, RVVN en de toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN. Derhalve is afgezien van het invullen en onderteken van de bereidverklaring en van het afleggen van de verklaring van verbondenheid. In voorkomende gevallen wordt het naturalisatiebesluit bekendgemaakt zonder dat verklaring van verbondenheid is afgelegd. Het verzoek van de optant om, vanwege zwaarwegende redenen, niet in persoon op een naturalisatieceremonie te verschijnen is gehonoreerd. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft besloten om de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen.

Paragraaf 1. Fictieve toets bij buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken (artikel 8.1.b jo. lid 2, paragraaf 3.8)

Indien van toepassing moet een uitwisselingsformulier betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit (model 1.35 HRWN) worden opgemaakt en worden verzonden naar het land van herkomst. Dit is, op grond van de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verlening van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk en Portugal.

Paragraaf 3.2.1. fictieve toets bij buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken

Weliswaar geldt voor de onder lid 2 bedoelde verzoekers niet het vereiste van vijf jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN), maar het vereiste van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN geldt onverkort. Derhalve dient ambtshalve aan de hand van de voorwaarden in het vreemdelingenbeleid die op de verzoeker van toepassing zouden zijn – indien hij om toelating in Nederland zou vragen – te worden beoordeeld of de verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsrecht, mits hij daar om zou vragen. Alleen indien aan hem een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard verleend zou kunnen worden, voldoet hij aan het vereiste in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b. RWN.

Paragraaf 3.3. toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d (procedure inburgeringsexamen en (gedeeltelijke) vrijstellingen)

Voor een gedetailleerde beschrijving van de voorwaarden en procedure behorende bij onderhavig artikellid wordt hier in eerste instantie verwezen naar de toelichting onder artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d van de Handleiding voor Nederland, waaronder ook de informatie over de Wet inburgering 2021, die per 1 januari 2022 in werking treedt en de gevolgen daarvan voor de naturalisatieprocedures op het gebied van de naturalisatietoets. In beginsel biedt deze toelichting de Minister van Buitenlandse Zaken voldoende houvast om dit artikellid toe te passen.

Paragraaf 2.3. Belemmering

Voor dit onderdeel van de Handleiding voor de diplomatieke of consulaire post wordt deze procedure nader beschreven.

Paragraaf 2.3. Belemmering

Zie voor een nadere toelichting van het begrip 'hoofdverblijf' de toelichting bij de artikelen 1, eerste lid, onder h RWN.

Voor de optanten bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i t/m o RWN geldt dat zij naast de afstamming ook de nationaliteit van hun (groot)ouders moeten aantonen. Hiervoor zal in sommige gevallen een persoonskaart of een uittreksel met historische gegevens van één van de (groot)ouders of van beiden dienen te worden opgevraagd

Paragraaf 2.2.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 1.36a HRWN)

Paragraaf 2.2.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 1.36a)

Indien een optant bij het afleggen van de optieverklaring wel bereid is om de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar hij is vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen, dan geldt het volgende. De Minister van Buitenlandse Zaken tekent de bereidheid van de optant aan op de bereidverklaring, maar de bereidverklaring wordt vervolgens niet ondertekend, immers de optant is hiertoe niet in staat. De overige formulieren kunnen in voorkomende gevallen ingevuld worden door bijvoorbeeld een gemachtigde of curator.

In de regel legt degene aan wie de optiebevestiging wordt uitgereikt de verklaring van verbondenheid mondeling af. Zie artikel 60a, vierde lid, BVVN. Echter, indien van de optant redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt, kan de Minister van Buitenlandse Zaken bepalen dat de optant de verklaring van verbondenheid schriftelijk aflegt. Zie artikel 60a, vijfde lid, BVVN. Indien bij het afleggen van de optieverklaring reeds door de Minister van Buitenlandse Zaken geconstateerd is dat van een optant redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt, wordt hiervan door de Minster van Buitenlandse Zaken een aantekening gemaakt in het optiedossier. Deze informatie kan vervolgens bij het toezenden van de uitnodigingbrief voor de naturalisatieceremonie gebruikt worden door bijvoorbeeld alvast de schriftelijke verklaring van verbondenheid toe te sturen.

Paragraaf 2.2.4.2. Waarheidsverklaring

Enkele optanten zijn niet verplicht de verklaring verblijf en gedrag te ondertekenen. Het gaat dan om opties op grond van artikel 6, eerste lid, onder d en artikel 28, derde lid, indien de optant op het moment van het afleggen van de optie de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt. Voorts hoeft geen verklaring verblijf en gedrag te worden ondertekend indien een optie op grond van artikel 6, eerste lid, onder c RWN wordt afgelegd.

Paragraaf 2.2.5. (Overige) over te leggen documenten

Bij een optieverklaring afgelegd in het buitenland behoeft de optant uiteraard niet schriftelijk te verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en de overige in de optieverklaring genoemde personen de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen; immers, de beschikking over een Nederlandse verblijfsvergunning is in het buitenland niet relevant. Een schriftelijke verklaring met betrekking tot het gedrag blijft echter gehandhaafd. Door middel van de zogenoemde verklaring verblijf en gedrag (model 1.14a HRWN) dient de optant schriftelijk te verklaren dat hij of een van de in de optieverklaring genoemde personen ouder dan 16 jaar, al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of justitie in verband met een misdrijf. De Minister van Buitenlandse Zaken zet, voordat de optant de verklaring ondertekent, de openbare orde richtlijnen bij optie uiteen en wijst de optant erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de bevestiging van de optieverklaring. De optant wordt in de gelegenheid gesteld om op de verklaring aan te geven of er sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar zijn mening, ten aanzien van hem of de betreffende minderjarige niet mag worden geconcludeerd dat er op grond van zijn gedrag ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Zie verder de toelichting bij artikel 6, vierde lid, en artikel 9, eerste lid, onder a, RWN. Een opsomming van omstandigheden waarvan uit jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State kan worden afgeleid dat die in het algemeen niet als bijzonder kunnen worden aangemerkt, staat vermeld in de toelichting bij artikel 9, eerste lid, onder a, paragraaf 3.6, HRWN.

Paragraaf 2.2.5. (overige) over te leggen documenten

Om zekerheid te verkrijgen over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling die opteert voor het Nederlanderschap, moet deze vreemdeling nationaliteit- en identiteitvaststellende documenten overleggen (zie onder meer artikel 6 BvvN).

Paragraaf 2.2.5.1. Buitenlands reisdocument

Overigens kan, ook als een optant is vrijgesteld van het documentatievereiste (zie paragraaf 2.3.2.5 hieronder gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit een reden vormen voor afwijzing.

Paragraaf 2.2.5.2. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand

In uitzondering op vorenstaande wordt de bevestiging van een optie niet geweigerd vanwege gerede twijfel aan de identiteit of nationaliteit van de verzoeker als de twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit enkel is ontstaan als gevolg van onjuiste verklaringen van zijn of haar ouders. In dat geval wordt aangenomen dat de bij vergunningverlening veelal minderjarige logischerwijs uitgaat van de gegevens die volgen uit de gegevens zoals opgegeven door de ouder(s) en dat hij/zij de waarheidsverklaring als bedoeld in artikel 31, vierde lid, BvvN naar waarheid invult en ondertekent.

Mocht binnen twaalf jaar na de optiebevestiging blijken dat sprake is geweest van valse verklaringen, bedrog of het verzwijgen van enig voor de verkrijging van het Nederlanderschap relevant feit dan dient te worden onderzocht of de verkrijging van het Nederlanderschap moet worden ingetrokken.

Paragraaf 2.3.2.5.2. buitenlands reisdocument

Paragraaf 2.2.5.3. In het verleden overgelegde buitenlandse akten

Paragraaf 2.2.5.4. In het verleden overgelegde buitenlandse akten

Indien de minderjarige wel in het bezit is van een geldig buitenlands paspoort dan is er geen bezwaar om dit aan het naturalisatiedossier toe te voegen.

Wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van buitenlandse akten van de burgerlijke stand geldt dat de optant in beginsel de volgende documenten dient over te leggen (zie voor uitzonderingen ook hierna bij paragraaf 2.3.2.5.3):

Voor zowel het verkrijgen van documenten als de vertalingen en eventuele legalisatie van stukken, dient betrokkene zelf zorg te dragen. Indien de documenten zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands, Engels, Duits of Frans, dient de optant zorg te dragen voor een door een beëdigd vertaler gemaakte vertaling, die gehecht moet zijn aan het originele (afschrift van het) document. Ten aanzien van de over te leggen documenten is de thans geldende Circulaire legalisatie en verificatie buitenlandse bewijsstukken alsmede toepassing DNA-onderzoek in gevallen waarin bewijsstukken ontbreken van toepassing.

Paragraaf 2.3.2.6. bewijsnood

Paragraaf 2.3. Paragraaf 2.3 Inontvangstneming optieverklaring

Met ingang van 26 oktober 2015 zijn etnisch Armenen die geboren zijn in Azerbeidzjan, vrijgesteld van het overleggen van een geboorteakte uit Azerbeidzjan alsook van een Azerbeidzjaans paspoort (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Van etnisch Armenen uit Azerbeidzjan wordt aangenomen dat zijn in bewijsnood verkeren nu de Azerbeidzjaanse autoriteiten het (juridische) bezit van de Azerbeidzjaanse nationaliteit in het algemeen niet erkennen als het een etnisch Armeen betreft.

Paragraaf 2.3.2. Ontvangstbevestiging

Paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens

Optieverklaringen worden voorzien van een datum en dienststempel (artikel 25, vijfde lid, BVVN). Daarna wordt een kopie van de optieverklaring, als bewijs van ontvangst, aan de optant meegegeven (artikel 25, derde lid, BVVN). Vervolgens dient binnen dertien weken na de inontvangstneming van de optieverklaring hierop te worden beslist. Deze termijn kan éénmaal met ten hoogste dertien weken worden verlengd (artikel 6, vijfde lid, RWN). Een verlenging van de termijn kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn als de Minister van Buitenlandse Zaken verzoekt om verificatie van gegevens van betrokkene die in een ander ressort zijn hoofdverblijf heeft gehad dan het ressort waar de optieverklaring is afgelegd, danwel verificatie van gegevens in een ander land. Als de Minister van Buitenlandse Zaken verlenging van de termijn noodzakelijk acht, deelt hij dit schriftelijk aan de optant mee. De Minister van Buitenlandse Zaken is niet verplicht om de reden van de verlenging te vermelden.

Paragraaf 2.4.2.2. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.

Nadat de optiegelden zijn betaald of de Minister van Buitenlandse Zaken heeft vastgesteld dat geen betaling verschuldigd is, en de Minister van Buitenlandse Zaken heeft vastgesteld dat de verklaring volledig is, toetst hij de door de optant verstrekte gegevens. Hij toetst – voor zover aanwezig – aan de gegevens die in zijn administratie zijn opgenomen (artikel 27, eerste lid, BVVN). Met betrekking tot personen die (mede) in de optieverklaring zijn genoemd en die hoofdverblijf hebben binnen het Koninkrijk, verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken voor zover nodig, al naar gelang de plaats waar zij volgens de basisadministratie als ingezetene zijn ingeschreven, aan de burgemeester van de betreffende gemeente, aan de gezaghebber van het betrokken openbaar lichaam of aan de Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten de hem verstrekte gegevens binnen tien weken te toetsen (artikel 53, tweede lid, BVVN).

In geval de optant in de afgelopen vijf jaar zijn hoofdverblijf in Nederland heeft gehad onderzoekt de IND aan de hand van in Nederland opgevraagde uittreksels uit het register van de Justitiële documentatiedienst (JDD) en gegevens van de korpschef (NSIS, OPS, HKD) de aanwezigheid van mogelijke antecedenten in Nederland. De Minister van Buitenlandse Zaken verzoekt in deze gevallen de IND om verstrekking van deze gegevens.

Paragraaf 2.3.4.2.2. geen gevaar voor de openbare orde, etc.

In geval de optant in de afgelopen vijf jaar zijn hoofdverblijf in Nederland heeft gehad onderzoekt de IND aan de hand van in Nederland opgevraagde uittreksels uit het register van de Justitiële documentatiedienst (JDD) en gegevens van de korpschef (NSIS, OPS, HKD) de aanwezigheid van mogelijke antecedenten in Nederland. De Minister van Buitenlandse Zaken verzoekt in deze gevallen de IND om verstrekking van deze gegevens.

Op het moment van de bevestiging van de optieverklaring geldt – bij onderzoek naar antecedenten in Nederland – dat uittreksels van de JDD niet ouder mogen zijn dan zes maanden. Zie de toelichting bij artikel 6, vierde lid, RWN en artikel 9, eerste lid, onder a, RWN.

Paragraaf 2.4.2.4. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder

Verzoeken tot naamsvaststelling, alsmede verklaringen van instemming van de wettelijk vertegenwoordiger, andere ouder en de kinderen, die de leeftijd van twaalf jaar en ouder hebben bereikt, zijn opgenomen in de modellen 1.15a HRWN, 1.20a HRWN en 1.24a HRWN. Op de optieverklaring wordt vermeld of tevens een verzoek tot vaststelling van de geslachtsna(a)m(en)/of voorna(a)m(en) is gedaan.

Paragraaf 2.4.2.5. Adviesprocedure bij optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN

Bij de naamsvaststelling worden de wettelijk vertegenwoordiger, de andere ouder als bedoeld in artikel 2, vierde lid, RWN en het (de) kind(eren), die de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, in de gelegenheid gesteld hun zienswijze kenbaar te maken (artikel 28, derde lid, BVVN).

Paragraaf 2.8. Weigering bevestiging

Als de Minister van Buitenlandse Zaken concludeert dat aan de optievoorwaarden is voldaan, maar dat de naam van de optant of van de persoon ten aanzien van wie een verklaring tot medeverkrijging is afgelegd, niet vastgesteld kan worden op de wijze zoals in de naamsverklaring is verzocht, deelt de Minister van Buitenlandse Zaken dit aan de optant mee en geeft hij aan op welke wijze hij de namen van de optant zal vaststellen. Hij vraagt de optant of deze in dat geval zijn optieverklaring wil intrekken of dat deze toch een bevestiging van de optieverklaring wenst. Indien de optant de procedure wil voortzetten wordt de optieverklaring bevestigd en de naam vastgesteld in overeenstemming met het Nederlandse namenrecht. Bij deze vaststelling wordt zoveel als mogelijk is, rekening gehouden met de door de optant uitgesproken voorkeur. In een bijlage bij de bevestiging wordt gemotiveerd aangegeven waarom de naam niet is vastgesteld zoals verzocht. Dit besluit is voor bezwaar vatbaar.

Paragraaf 2.3.4.2.4. onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder

Indien dit nog niet gebeurd is in een eerdere fase van de procedure – bijvoorbeeld tegelijk met het afleggen van de optieverklaring door de optant – stelt de Minister van Buitenlandse Zaken de andere in de optieverklaring genoemde personen, mits zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijk vertegenwoordiger en de andere ouder (als bedoeld in artikel 2, vierde lid, RWN) op hun verzoek in de gelegenheid hun zienswijze inzake de optie kenbaar te maken (artikel 10, vierde lid, BVVN). Zie ook hiervoor bij ‘verklaring afleggen in persoon’ en de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN.

Paragraaf 2.3.4.2.5. adviesprocedure bij optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN

Paragraaf 2.8.1. Weigering bevestiging verklaring van de optant

Voornoemde stukken zijn nodig in verband met de opname van deze documenten in het nationaliteitenregister (artikel 30, eerste lid, BVVN).

Paragraaf 2.8.2. Bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging

Indien naamsvaststelling en/of naamskeuze heeft plaatsgevonden, wordt een kopie van het verzoek om naamsvaststelling, (model 1.15a HRWN) een kopie van de bevestiging van de optieverklaring waarbij de geslachtsnaam is vastgesteld (model 1.33a HRWN) en een verklaring van naamskeuze (model 1.16a HRWN en 1.17a HRWN) gezonden aan de desbetreffende instantie (gemeente of ander ressort) waar de geboorteakte is opgemaakt. Dit geldt ook voor naamsvaststellingen die gevolgen hebben voor de namen van de kinderen van de optant. Ook de Centrale Justitiële documentatiedienst te Almelo ontvangt een kennisgeving van de naamsvaststelling en/of naamskeuze in geval van een consulaire geboorteakte.

Paragraaf 2.3.7. Archivering

Paragraaf 2.3.9.2.1. bezwaarschrift gegrond

Op grond van artikel 37 WRvS kan zowel de optant als de Minister van Buitenlandse Zaken van de uitspraak van de rechtbank hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De bepalingen van de hoofdstukken 6 (zie artikel 6:24) en 8 Awb zijn – met uitzondering van enkele artikelen (zie artikel 39 WRvS) en voor zover daarvan in artikel 37 en volgende WRvS niet is afgeweken – van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 2.3.12. naturalisatieceremonie

De Minister van Buitenlandse Zaken roept in beginsel de optant en mede-optant die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring 16 jaar of ouder was (waren) op te verschijnen. Was de optant jonger dan 16 jaar dan roept de Minister van Buitenlandse Zaken zijn wettelijke vertegenwoordiger op.

Paragraaf 2.3.12.2. de oproeping

De optant die niet is verschenen en wiens besluit tot bevestiging is vervallen, kan enkel een nieuwe optieverklaring afleggen om zo alsnog Nederlander te worden. Tegen het vervallen van de bevestiging, als gevolg van het verstrijken van de vervaltermijn van één jaar na de dagtekening van de bevestiging staat geen bezwaar of beroep open. Het betreft immers verval van rechtswege.

De optiebevestiging treedt als regel in werking door de uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de Minister van Buitenlandse Zaken hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt de bevestiging buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene in voorkomende gevallen nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. Zie hiervoor paragraaf 2.3.12.5 hieronder. Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend (artikel 60a, eerste lid BVVN). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen het besluit tot bevestiging van de optieverklaring en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt de optiebevestiging opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra de optiebevestiging aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt.

Paragraaf 2.12.4. Afleggen verklaring van verbondenheid

Paragraaf 2.12.4. Afleggen verklaring van verbondenheid

De uitreiking van de optiebevestiging in het buitenland ligt in handen van de Minister van Buitenlandse Zaken (artikel 60a, eerste lid BVVN jo. artikel 2 BVVN).

Paragraaf 2.12.5.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen

Onder zwaarwegend wordt bijvoorbeeld verstaan een langdurige zware depressie of een andere, ernstige psychologische belemmering. Daarnaast kan, anders dan in Nederland, incidenteel voor buiten het Koninkrijk woonachtigen sprake zijn van een zodanig grote af te leggen reisafstand naar de plaats waar de ceremonie wordt gehouden, dat in redelijkheid niet van de optant kan worden verlangd dat hij in persoon de ceremonie bijwoont (artikel 5, vijfde lid, onder c, RVVN).

Indien de opgeroepen optant op of na de dag waarop het besluit tot bevestiging is gedagtekend, is overleden, wordt dit besluit aan een andere belanghebbende, al naar gelang de omstandigheden, uitgereikt of toegezonden. Een belanghebbende kan in dit geval zijn een kind dat na de dag van dagtekening van het besluit, is geboren. Onder belanghebbende kan ook worden verstaan een (voormalige) (huwelijks-)partner of een familielid van de overleden persoon.

Paragraaf 2.12.6. Procedurele aspecten na uitreiking

Artikel 7

Er zijn omstandigheden denkbaar waarbij de optant in het geheel niet in staat is om de verklaring van verbondenheid af te leggen. Is de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat in persoon de verklaring van verbondenheid mondeling of schriftelijk af te leggen, dan wordt de verklaring van verbondenheid niet afgelegd. Het zal hier zeer uitzonderlijke gevallen betreffen. Indien de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen, wordt de optiebevestiging bekendgemaakt zonder dat de verklaring van verbondenheid is afgelegd. Zie artikel 60a, zesde lid, BVVN.

In voorkomende gevallen heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (meestal) reeds bij het (door een gemachtigde) afleggen van de optieverklaring beoordeeld dat de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Zie artikel 60a, zesde lid, BVVN. De beoordeling door de Minister van Buitenlandse Zaken van de onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid vindt plaats op grond van ten minste één door of namens de optant overgelegde bewijsstuk(ken). Zie hiervoor de toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft dan ook in gevallen als hier bedoeld bij het afleggen van de optieverklaring afgezien van het invullen en ondertekenen van de bereidverklaring door de optant.

2. Naturalisatie vanuit het buitenland

Bij het (door een gemachtigde) afleggen van de optieverklaring of na het afleggen hiervan is gebleken dat de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Zie artikel 60a, zesde lid BVVN, artikel 5, vierde lid onder c, RVVN en de toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft derhalve afgezien van het invullen en ondertekenen van de bereidverklaring en ziet af van het afleggen van de verklaring van verbondenheid door de optant. Van zijn bevindingen dienaangaande maakt hij een aantekening in het optiedossier. De optiebevestiging wordt bekendgemaakt zonder dat verklaring van verbondenheid is afgelegd.

Vanwege aangetoonde zwaarwegende redenen is de optant vertegenwoordigd door een gemachtigde. Zie artikel 60a, negende lid BVVN en de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN, paragraaf 2.3.12.6.1. De optant heeft bij het afleggen van zijn optieverklaring de bereidverklaring ondertekend. De optant moet de ondertekende schriftelijke verklaring van verbondenheid meegeven aan de gemachtigde. Eerst na het overleggen van de door de optant ondertekende schriftelijke verklaring van verbondenheid wordt tot uitreiking aan de gemachtigde overgegaan.

Vanwege aangetoonde zwaarwegende redenen is de optant vertegenwoordigd door een gemachtigde. Zie artikel 60a, negende lid BVVN en de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN, paragraaf 2.3.12.6.1. Bij het (door een gemachtigde) afleggen van de optieverklaring is gebleken dat de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Zie artikel 60a, zesde lid BVVN en de toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft derhalve afgezien van het invullen en ondertekenen van de bereidverklaring en ziet af van het afleggen van de verklaring van verbondenheid. In voorkomende gevallen wordt de optiebevestiging aan de gemachtigde bekendgemaakt zonder dat verklaring van verbondenheid is afgelegd.

7-1. Toelichting ad artikel 7, eerste lid

2. Naturalisatie vanuit het buitenland

Artikel 7

Paragraaf 2.3.12.6*. procedurele aspecten na uitreiking

Met het oog op het correct bijhouden van het nationaliteitenregister (artikel 30, eerste lid BVVN) zal bij iedere optiebevestiging van op of na 1 maart 2009 moeten zijn vermeld op welke datum deze optiebevestiging is uitgereikt of anderszins is bekendgemaakt. Immers, het Nederlanderschap zal pas op die datum van uitreiking of bekendmaking zijn ingegaan (met terugwerkende kracht tot de datum van de optiebevestiging). Terugmelding vindt in dit geval plaats door middel van het toesturen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van een (gewaarmerkte) kopie van de optiebevestiging, voorzien van een uitreikingsdatum en een dienststempel. Voorts deelt op grond van artikel 60a, twaalfde lid, BVVN, de Minister van Buitenlandse Zaken Onze Minister mee ‘of en op welke wijze de verklaring van verbondenheid is afgelegd’. Ten behoeve van de mededeling gebruikt de uitreikende autoriteit de kopie van de optiebevestiging die hij op grond van hetzelfde twaalfde lid, BVVN inzendt naar de IND ter opneming in het register als bedoeld in artikel 22 RWN. De wijze waarop de aantekening betreffende de verklaring van verbondenheid op de kopie van de optiebevestiging wordt genoteerd, is vormvrij en alleen van toepassing op optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009.

Indien de verklaring van verbondenheid schriftelijk is afgelegd, wordt deze verklaring gearchiveerd in het optiedossier bij de post. De verklaring hoeft dus niet naar de IND te worden gestuurd.

Paragraaf 1. toelichting bij artikel 7

Vanaf 1 oktober 2006 treedt het naturalisatiebesluit in werking door de uitreiking ervan aan de betrokkene. Voor het naturalisatiebesluit dat op of na 1 oktober 2006 is vastgesteld, geldt dat dit wordt uitgereikt op de naturalisatieceremonie.

7-1-3. Procedure naturalisatie

Paragraaf 2.1. toelichting algemeen

Artikel 21 RWN bepaalt dat bij algemene maatregel van rijksbestuur de autoriteiten en ambtenaren worden aangewezen die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van verzoeken om naturalisatie. Dit artikel bepaalt voorts dat bij algemene maatregel van rijksbestuur nadere voorschriften kunnen worden gesteld voor de wijze van inontvangstneming van verzoeken om naturalisatie en voor de verdere administratieve behandeling van verlening van het Nederlanderschap. Deze nadere regelgeving is opgenomen in de algemene maatregel van rijksbestuur BVVN. Artikel 2, aanhef en onder d, BVVN bepaalt dat in het buitenland de Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd is tot het in ontvangst nemen van verzoeken om naturalisatie. De vormvoorschriften, procedurele vereisten en administratieve behandeling van de verzoeken om naturalisatie zijn voor het buitenland geregeld in de artikelen 2 tot en met 5; 31 en 32 en 51 tot en met 56 BVVN.

Minderjarige kinderen van 12 jaar of ouder, voor wie medeverlening wordt verzocht, kunnen verzoeken om in de gelegenheid te worden gesteld om hun zienswijze naar voren te brengen over de medeverlening van het Nederlanderschap. De kinderen kunnen op het moment van indiening van het verzoek hun eventuele zienswijze naar voren brengen op model 2.1a (verzoek om naturalisatie door meerderjarige).

Paragraaf 2.3.2. indiening verzoek om naturalisatie

Paragraaf 2.3.2.1. meerderjarige verzoeker (artikel 8, tweede lid, artikel 10 en artikel 11, vijfde lid RWN)

Indien de verzoeker wegens handelingsonbekwaamheid onder curatele is gesteld wordt het verzoek ingediend door zijn curator.

Het verzoek om naturalisatie dient op schrift te worden gesteld en te worden ondertekend door de verzoeker of, in het voorkomende geval, door zijn wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde (artikel 3, derde lid, BVVN). In het verzoek dienen de minderjarige kinderen en kindskinderen, voor wie medeverlening wordt gevraagd, te worden vermeld (artikel 11, eerste lid, RWN; artikel 31, tweede lid, BVVN). Een model van een verzoek om naturalisatie is opgenomen als model 2.1a (verzoek om naturalisatie tot Nederlander).

Uiteraard gaat het niet om de duur van het hoofdverblijf in het Koninkrijk, maar enkel om (de duur van) het hoofdverblijf buiten het Koninkrijk. Het hoofdverblijf (en de duur daarvan) buiten het Koninkrijk zal in veel gevallen blijken uit de bevolkingsadministratie (of andere officiële lokale overheidsbronnen) van het land waar verzoeker verblijft.

Paragraaf 3.4.4. Bereidheidsverklaring afstand

De Minister van Buitenlandse Zaken voegt bij het advies aan de IND (een) uittreksel(s) uit eerdergenoemde bevolkingsadministratie of – voor zover aanwezig – stukken uit de eigen administratie, waaruit – voor zoveel mogelijk – de hier bedoelde gegevens blijken. Ook van de kinderen en kindskinderen voor wie medeverlening wordt verzocht, worden uittreksels en/of (afschriften van) stukken bijgevoegd waaruit – voor zoveel mogelijk – blijkt van de gegevens bedoeld bij ad a t/m e en g (wat betreft het hoofdverblijf), alsmede van de geslachtsnaam, voornamen, plaats en datum van geboorte van de ouders en wie gezag over de kinderen uitoefent. Zie voor een nadere toelichting van het begrip ‘hoofdverblijf‘ de toelichting bij de artikelen 1, eerste lid, onder h en 8, eerste lid, onder c, RWN.

Paragraaf 3.4.2. Waarheidsverklaring

Paragraaf 2.3.4.1. bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30a HRWN)

Sinds 1 maart 2009 geldt de voorwaarde dat de verzoeker bij de indiening van zijn naturalisatieverzoek verklaart bereid te zijn een verklaring van verbondenheid af te leggen. De bereidheid van de verzoeker tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt met het formulier ‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ (model 2.30a HRWN) vastgelegd op het moment dat het verzoek om verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie wordt ingediend.

Paragraaf 3.4.2. Waarheidsverklaring

Tekst van de verklaring van verbondenheid: twee varianten voor de bevestiging

Paragraaf 3.5. Over te leggen documenten

De verzoeker geeft, na het invullen van zijn (persoons)gegevens, op de bereidverklaring aan of hij wel of niet bereid is om de verklaring van verbondenheid af te leggen door het aankruisen van één van de bolletjes. Vervolgens dateert en ondertekent de verzoeker de bereidverklaring. De Minister van Buitenlandse Zaken kan bij de verzoeker reeds informeren op welke wijze hij de bevestiging wenst uit te spreken (‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ of ‘Dat verklaar en beloof ik)’. De Minister van Buitenlandse Zaken kan deze voorkeur vervolgens optioneel aangeven onderaan de bereidverklaring. De bereidverklaring maakt deel uit van het naturalisatiedossier.

Paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf gedrag

Paragraaf 3.5.1. Buitenlands reisdocument

Indien de minderjarige wel in het bezit is van een geldig buitenlands paspoort dan is er geen bezwaar om dit aan het naturalisatiedossier toe te voegen.

De verzoeker dient een waarheidsverklaring te ondertekenen (artikel 31,vierde lid, BVVN). In deze verklaring, waarvan de tekst is opgenomen in het verzoek om naturalisatie, verklaart verzoeker dat hij de gevraagde gegevens naar waarheid heeft verstrekt, dat er ten aanzien van hem geen sprake is van een ander huwelijk dan aangegeven en dat hij geen relevante gegevens heeft verzwegen.

Paragraaf 3.5.5. (overige) over te leggen documenten

Met ingang van 26 oktober 2015 hoeven minderjarigen die zijn geboren in Nederland of elders in het Koninkrijk, geen geldig buitenlands reisdocument over te leggen in de naturalisatieprocedure als zij tegelijkertijd met de ouder(s) naturaliseren, en mits de ouder(s) met betrekking tot zichzelf beschikt(ken) over een geldig buitenlands paspoort en een gelegaliseerde/geapostilleerde geboorteakte. Hetzelfde geldt voor minderjarigen die zijn geboren in een land waarop het Apostilleverdrag van toepassing is (Kamerstuk 19 637, nr. 2072).

Paragraaf 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek

Paragraaf 3.6. Inontvangstneming verzoek

De verzoeker dient in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) over te leggen (zie voor uitzonderingen hieronder paragraaf 2.3.5.3):

Bewijsnood zal zich met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.

Paragraaf 3.6. Inontvangstneming verzoek

Dit zijn personen die nergens ter wereld hun hoofdverblijf hebben omdat zij per voer- of vaartuig steeds van verblijfplaats veranderen. Omdat deze personen geen hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en sub c, RWN, betreft deze categorie uitsluitend personen die overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, tweede lid, RWN hetzij oud-Nederlander zijn, hetzij gehuwd zijn met of een geregistreerd partnerschap hebben met een Nederlander, dan wel tijdens hun meerderjarigheid binnen het Koninkrijk zijn geadopteerd door een Nederlander. Verwacht mag worden dat passanten slechts sporadisch verzoeken om naturalisatie indienen.

Paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden

In Syrië geboren vreemdelingen hoeven geen Syrisch paspoort noch een uit Syrië afkomstige geboorteakte te overleggen. De reden hiervoor is dat uit het ambtsbericht over Syrië uit juni 2022 gebleken is dat in Syrië nog steeds sprake is van een instabiele situatie, die niet alleen wordt veroorzaakt door de aard en frequentie van het geweld, maar ook door repressieve acties van de Syrische regering en andere feitelijke machthebbers in delen van het land. Daardoor kan het verkrijgen van documenten niet gevergd worden.

Paragraaf 3.7.1. Beoordeling bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij verzoeken om naturalisatie ingediend op of ná 1 maart 2009)

Indien een verzoeker om naturalisatie, ten aanzien van wie door de Minister van Buitenlandse Zaken is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die bereidverklaring (model 2.30a HRWN) niet heeft ingevuld en ondertekend of heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en desondanks toch in zijn verzoek om naturalisatie persisteert, brengt de Minister van Buitenlandse Zaken een negatief advies uit en wijst Onze Minister het verzoek om naturalisatie af. Zie tevens paragraaf 3.9.

Paragraaf 2.3.6.1. bevoegdheid Minister van Buitenlandse Zaken

Op grond van artikel 51, eerste en tweede lid, BVVN neemt de Minister van Buitenlandse Zaken verzoeken om naturalisatie in ontvangst van de volgende personen:

Paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden

Paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen inburgeringsexamen

Vervolgens onderzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken (artikel 54 BVVN):

Paragraaf 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase

De administratieve behandeling van het verzoek om naturalisatie vangt aan nadat:

Paragraaf 2.3.8.3. verhuizing tijdens de adviesfase

Verhuist de verzoeker vanuit ressort X naar ressort Y in de periode die ligt tussen indienen van het verzoek om naturalisatie en het uitbrengen van het advies, dan zijn de volgende situaties te onderscheiden:

Paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie

Let op! Het kan dus niet zo zijn dat een minderjarige hangende de bezwaarprocedure alsnog gaat voldoen aan de voorwaarden voor medeverlening. Dat zou immers betekenen dat de minderjarige het Nederlanderschap verwerft op een datum, waarop hij nog niet voldeed aan de vereisten voor medeverlening van het Nederlanderschap.

Paragraaf 2.3.13. naturalisatieceremonie

De Minister van Buitenlandse Zaken roept in beginsel de persoon op te verschijnen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was. Was de naturalisandus of mede-naturalisandus jonger dan 16 jaar, dan roept de Minister van Buitenlandse Zaken zijn wettelijke vertegenwoordiger op (artikel 60b, tweede lid BVVN). Zie tevens paragraaf 3.13.3 Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN). De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de naturalisandus of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige naturalisandus het naturalisatieverzoek heeft ingediend (artikel 2, derde lid RWN). Zie ook bijlage 1 (tabel oproepen en uitreiken).

Paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie

Na de eerste afwezigheid kan worden nagegaan of de uitnodiging aan het juiste adres is gestuurd. Is de betrokkene ook na de tweede oproep niet verschenen, dan verzendt de Minister van Buitenlandse Zaken – zonodig – een derde oproep per aangetekende post. Wie geen van deze drie keren verschijnt, zal daarna zich alsnog voor een uitreiking kunnen melden. De betrokken persoon zal dan voor een (eerst)volgende ceremonie worden uitgenodigd, tenzij het desbetreffende uittreksel – behoudens een eerdere rechterlijke vernietiging van het besluit inzake de wijze van uitreiking – alsdan zou worden uitgereikt één jaar na dagtekening ervan.

In de oproeping dient de verzoeker in ieder geval ook gewezen te worden op de (automatische) vervaltermijn van een jaar. Zie paragraaf 2.3.13.3.

Paragraaf 3.13.3. Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)

Paragraaf 3.13.4. Afleggen verklaring van verbondenheid

De Minister van Buitenlandse Zaken reikt het uittreksel van het besluit uit aan de personen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was én na het, al dan niet schriftelijk, afleggen van de verklaring van verbondenheid door de personen die hiertoe verplicht zijn. Was de betrokkene op dat tijdstip jonger dan 16 jaar dan wordt het uittreksel uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger (artikel 60b, vijfde lid BVVN). Zie ook bijlage 1 (tabel oproepen en uitreiken).

Paragraaf 3.13.5. Zwaarwegende redenen (artikel 60b, zesde lid BVVN) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon van het desbetreffende uittreksel aan de opgeroepen persoon. Dit is een wettelijk gegeven, waartegen geen rechtsmiddel openstaat.

Artikel 8.1.b. jo. c. jo. d. jo. e. jo. lid 2

Onder belanghebbende kan ook worden verstaan een (voormalige) (huwelijks-) partner of een familielid van de overleden persoon.

Het is mogelijk dat, tussen het afleggen van de bereidverklaring en de naturalisatieceremonie waar de verklaring van verbondenheid moet worden afgelegd de fysieke of psychische toestand van de verzoeker is gewijzigd. Het is aan de Minister van Buitenlandse Zaken om te beoordelen of en zo ja op welke wijze de verklaring van verbondenheid onder de gewijzigde omstandigheden wordt afgelegd. Voorbeeld: Indien een verzoeker na het ondertekenen van de bereidverklaring in coma is geraakt, zal hij de verklaring van verbondenheid niet langer kunnen afleggen. In dit geval wordt het naturalisatiebesluit bekendgemaakt zonder dat de verklaring van verbondenheid is afgelegd.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)