Besluit van de Minister van Justitie van 30 maart 2009, nummer WBN 2009/1, houdende wijziging van de tekst van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap toegespitst op buiten het Koninkrijk afgelegde optieverklaringen en ingediende naturalisatieverzoeken

Type Circulaire
Publication 2026-02-01
State In force
Source BWB
artikelen 16
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid persoonlijk wordt afgelegd tijdens een naturalisatieceremonie waarbij het uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd. Zie artikel 60b, vierde lid, BVVN en artikel 23, tweede lid, RWN. Van de verplichting tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Het mondeling of schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid kan niet worden overgelaten aan een gemachtigde gezien het persoonlijke karakter van de verklaring.

Artikel 8.1.b. jo. c. jo. d. jo. e. jo. lid 2

Paragraaf 1. Fictieve toets bij buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken (artikel 8.1.b jo. lid 2, paragraaf 3.8)

8.1.b. jo. lid 2 toelichting ad artikel 8.1.b jo. lid 2

Paragraaf 2.1. Voorlichtingsfase (paragraaf 2.1.1)

Paragraaf 3.3.2. voorlichtingsfase

Paragraaf 2.2. Vrijstelling van het examen (paragraaf 2.2)

Het diploma inburgering of de negatieve resultatenbrief wordt door de Dienst Uitvoering Onderwijs aan de examenkandidaat uitgereikt door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken of aan de examenkandidaat toegezonden. Betrokkene wordt als hij in het bezit is van het inburgeringsdiploma in de gelegenheid gesteld een naturalisatieverzoek in te dienen. Het verzoek dient -in beginsel- te worden ingediend op de diplomatieke of consulaire post waar verzoeker het inburgeringsexamen met goed gevolg heeft afgelegd.

Voor 1 juli 2019 behaalde examenonderdelen gelden als behaald voor de overeenkomstige onderdelen van de vanaf 1 juli 2019 afgenomen naturalisatietoets. De niet eerder behaalde examenonderdelen moeten nog wel behaald worden volgens de nieuwe werkwijze.

In onderstaande tabel zijn de oude en overeenkomstige nieuwe onderdelen van het inburgeringsexamen buitenland opgenomen.

Paragraaf 3. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander (artikel 8.2, paragraaf 1.2)

In geval betrokkene niet alle onderdelen heeft behaald wordt betrokkene ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. De Minister van Buitenlandse Zaken stelt verzoeker in kennis van die onderdelen die niet zijn behaald en wijst hem op de mogelijkheid om het examen of onderdelen daarvan opnieuw af te leggen. Staat betrokkene er in dit stadium toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wordt verzoeker door de Minister van Buitenlandse Zaken erop gewezen dat zijn verzoek om naturalisatie door de IND zal worden afgewezen, en dat hij de voor naturalisatie te betalen leges niet terug zal ontvangen. De Minister van Buitenlandse Zaken kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21a HRWN. De Minister van Buitenlandse Zaken neemt in zijn advies op dat hij in geval van betrokkene negatief adviseert inzake de verlening van het Nederlanderschap. Zie verder paragraaf 2.1.2 onder artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN.

Paragraaf 3. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander (artikel 8.2, paragraaf 1.2)

Paragraaf 1.1. Toelichting Openbare orde (Toelichting ad artikel 11, derde lid)

Paragraaf 2.3.2.5.3. buitenlandse akten van de burgerlijke stand

Indien reeds in het verleden gelegaliseerde/van apostille voorziene (en soms tevens inhoudelijk geverifieerde documenten) zijn overgelegd, wordt afgezien van het wederom overleggen van dezelfde documenten. Het moet dan gaan om documenten die zijn gelegaliseerd overeenkomstig de thans geldende legalisatiecirculaire.

Bewijsnood zal zich met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.

Paragraaf 2.3.2. Ontvangstbevestiging

Paragraaf 2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling

Paragraaf 2.3.3. inontvangstneming optieverklaring

Optieverklaringen van andere personen dan hierboven genoemd worden niet door de Minister van Buitenlandse Zaken in ontvangst genomen (artikel 25, vierde lid, BVVN). Zo mogelijk deelt de Minister van Buitenlandse Zaken aan de optant mee waar de optieverklaring wel in persoon kan worden afgelegd.

Paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden

Paragraaf 2.3.3.3. beoordeling verschuldigdheid optiegelden

De Minister van Buitenlandse Zaken controleert bij optieverklaringen die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die in de optieverklaring is genoemd en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Zie paragraaf 2.3.2.4.1 hieronder en toelichting bij artikel 6, tweede lid, RWN. Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan optanten die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan optanten aan wie het, door de Minister van Buitenlandse Zaken is toegestaan zich bij het afleggen van de optieverklaring te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de optant zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de optant, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.

Paragraaf 2.5. Bevestiging

Bij opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN blijft onderzoek naar de antecedenten van de optant achterwege.

Paragraaf 2.4.2.3. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie

Bij een optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN kan in bepaalde gevallen een verklaring van naamskeuze worden afgelegd (zie de toelichting bij die bepaling). Indien naamskeuze wordt gewenst, zal door beide ouders van de optant of de optant zelf (indien deze de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt), de verklaring van naamskeuze bij de Minister van Buitenlandse Zaken worden afgelegd (zie artikel 71 BVVN). Zie model 1.16a HRWN en 1.17a HRWN.

Paragraaf 2.3.6. administratieve verwerking van de bevestiging

Paragraaf 2.8. Weigering bevestiging

Paragraaf 2.9.2. Afhandeling van de beslissing

Tegen een beslissing op het bezwaarschrift (bijvoorbeeld ongegrond- of niet-ontvankelijkverklaring) kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank Den Haag, sector Bestuursrecht, te Den Haag. Dit is de rechtbank van het rechtsgebied waar het bestuursorgaan (Ministerie van Buitenlandse Zaken) zijn zetel heeft (artikel 8:7, tweede lid, Awb). De bepalingen in de hoofdstukken 6 en 8 van de Awb met betrekking tot de beroepsprocedure, zijn van toepassing. (Zie voor de adressering het hoofdstuk Voorlichting).

Paragraaf 2.3.9.2. afhandeling van de beslissing

Paragraaf 2.12.1. De oproeping

Paragraaf 2.12.3. Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)

Paragraaf 2.12.3. Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)

Paragraaf 2.12.3. Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)

Paragraaf 2.12.4. Afleggen verklaring van verbondenheid

Paragraaf 2.3.12.5. afleggen verklaring van verbondenheid

Er zijn omstandigheden denkbaar waarbij de optant in het geheel niet in staat is om de verklaring van verbondenheid af te leggen. Is de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat in persoon de verklaring van verbondenheid mondeling of schriftelijk af te leggen, dan wordt de verklaring van verbondenheid niet afgelegd. Het zal hier zeer uitzonderlijke gevallen betreffen. Indien de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen, wordt de optiebevestiging bekendgemaakt zonder dat de verklaring van verbondenheid is afgelegd. Zie artikel 60a, zesde lid, BVVN.

De optant heeft bij het afleggen van zijn optieverklaring de bereidverklaring ondertekend. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft, al dan niet bij het afleggen van de optieverklaring, bepaald dat van de optant redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt. Eerst na het overleggen van de schriftelijke verklaring van verbondenheid wordt tot uitreiking overgegaan.

De Minister van Buitenlandse Zaken kan ervoor kiezen om de schriftelijke verklaring van verbondenheid bij afleggen van de optieverklaring aan de optant of gemachtigde mee te geven, zodat de gemachtigde de door de optant ondertekende verklaring op de naturalisatieceremonie aan de Minister van Buitenlandse Zaken kan overhandigen. Ook kan de Minister van Buitenlandse Zaken ervoor kiezen om de schriftelijke verklaring van verbondenheid met de uitnodiging voor de naturalisatieceremonie mee te sturen, zodat de optant de ondertekende schriftelijke verklaring ter overhandiging aan de Minister van Buitenlandse Zaken aan de gemachtigde kan meegeven.

Paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase

Voor een gedetailleerde beschrijving van het overgangsrecht wordt verwezen naar artikel 7 van de Handleiding voor Nederland. Hier volstaat de aantekening dat ten aanzien van verzoeken die vóór 1 april 2003 zijn ingediend niet het vereiste van het afleggen van de naturalisatietoets als bedoeld in artikel 2 BNT geldt. Op deze verzoeken blijft de oorspronkelijke tekst van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN van toepassing, evenals de voormalige richtlijnen van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999.

Paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase

Paragraaf 3.2. Indiening verzoek om naturalisatie

Paragraaf 3.2. Indiening verzoek om naturalisatie

Paragraaf 3.2.4. Gemachtigde

Paragraaf 2.3.2.2. medeverlening (artikel 11, eerste lid, RWN)

Paragraaf 3.3. Te verstrekken gegevens

Op grond van artikel 31, eerste lid, BVVN verstrekt de verzoeker bij de indiening van het verzoek, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn:

De informatie over de gegevens genoemd bij a tot en met e, zal bij ieder verzoek om naturalisatie verstrekt moeten worden. De noodzaak van verstrekking van de gegevens genoemd in de onderdelen f tot en met 1 is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Dit geldt voor de naturalisatie op grond van artikel 8, tweede lid, RWN indien de verzoeker in aanmerking meent te komen voor een van de bijzondere regelingen daarvan, dan wel voor een naturalisatie op grond van artikel 10, RWN. Zo zijn de gegevens waarop onderdeel h ziet in het bijzonder van belang om te beoordelen of de verzoeker in aanmerking komt voor een naturalisatie als echtgenoot van een Nederlander (vergelijk artikel 8, tweede lid, RWN) alsmede voor de beantwoording van de vraag of sprake is van eerdere huwelijken en, zo ja, op welke wijze die huwelijken zijn ontbonden en voorts voor de beoordeling van een eventuele vrijstelling van de afstandsplicht ais bepaald in artikel 9, derde lid onder d, RWN. Onderdeel i ziet vooral op naturalisatie van minderjarigen of jongvolwassenen, zoals die wordt geregeld in artikel 11, zesde lid, RWN.

De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige verzoekers om naturalisatie en verzoekers om medenaturalisatie van 16 en 17 jaar (artikel 11, derde lid, RWN).

Paragraaf 3.4.2. Waarheidsverklaring

Paragraaf 2.3.4.3. verklaring verblijf gedrag

Indien reeds in het verleden gelegaliseerde/van apostille voorziene (en soms tevens inhoudelijk geverifieerde) documenten zijn overgelegd, wordt afgezien van het wederom overleggen van dezelfde documenten. Het moet dan gaan om documenten die zijn gelegaliseerd overeenkomstig de thans geldende legalisatiecirculaire.

Het verzoek om naturalisatie dient zoveel mogelijk te worden ondersteund door overgelegde originele, zonodig gelegaliseerde/van apostille voorziene (bewijs)stukken. De Minister van Buitenlandse Zaken kan van de verzoeker verlangen dat hij gegevens bewijst door middel van documenten (artikel 31, vijfde lid, BvvN). Volledigheid van de stukken is ook in het belang van de verzoeker, aangezien in geval van afwijzing van het verzoek de naturalisatiegelden niet worden gerestitueerd. Indien de verzoeker een aantal benodigde gegevens niet kan verstrekken dient hem te worden geadviseerd te wachten met indiening van het verzoek tot het moment dat alle verlangde gegevens kunnen worden verstrekt. Mocht verzoeker er echter op staan om zijn verzoek in te dienen, ondanks het niet overleggen van de door de Minister van Buitenlandse Zaken gevraagde documenten of het niet voldoen aan de voorwaarden voor naturalisatie, dan dient de Minister van Buitenlandse Zaken het verzoek in ontvangst te nemen. De Minister van Buitenlandse Zaken kan in dit geval verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21a HRWN (verklaring ‘geïnformeerd over negatief advies’).

Paragraaf 2.3.5.2. buitenlands reisdocument

Paragraaf 3.5.5. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

Paragraaf 2.3.5.3. buitenlandse akten (van de burgerlijke stand)

Het komt voor dat naturalisatieverzoekers stellen niet van de eigen autoriteiten een geldig paspoort te krijgen omdat zij in het herkomstland de militaire dienstplicht (nog) moeten vervullen. Omdat een betrokkene in verzuim is met het tijdig vervullen van de dienstplicht geven de desbetreffende autoriteiten geen (nieuw) paspoort meer af, ondanks het feit dat betrokkene (nog) wel de nationaliteit van dat land heeft. Dat een vreemdeling door zijn autoriteiten wordt opgeroepen om dienstplicht te vervullen, is een aanwijzing dat hij in het bezit is van de door hem gestelde vreemde nationaliteit. De eis om een geldig buitenlands paspoort te overleggen, vervalt daarom als betrokkene een schriftelijke oproep, die op de dag van het indienen van het naturalisatieverzoek niet ouder is dan een jaar, voor de militaire dienstplicht overlegt.

Paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen inburgeringsexamen

Paragraaf 2.3.7. beoordeling volledigheid van het verzoek

Paragraaf 3.8. Voorbereiding advies

Paragraaf 2.3.8.1. onderzoek juistheid verstrekte persoonsgegevens

Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek

Paragraaf 2.3.10. beslissing op het verzoek

Paragraaf 3.13.3. Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)

Paragraaf 3.13.3. Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)

Paragraaf 3.13.5.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen

Paragraaf 2.3.13.5. afleggen verklaring van verbondenheid

De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de verzoeker het naturalisatiebesluit in ontvangst te nemen, overhandigt de Minister van Buitenlandse Zaken de schriftelijke verklaring van verbondenheid. De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij de Minister van Buitenlandse Zaken (zie tevens paragraaf 2.3.13.6.1). De verklaring van verbondenheid kan ook schriftelijk worden afgelegd indien de verzoeker onredelijk ver zou moeten reizen om de naturalisatieceremonie op de diplomatieke of consulaire post bij te wonen.

Het is mogelijk dat, tussen het afleggen van de bereidverklaring en de naturalisatieceremonie waar de verklaring van verbondenheid moet worden afgelegd de fysieke of psychische toestand van de verzoeker is gewijzigd. Het is aan de Minister van Buitenlandse Zaken om te beoordelen of en zo ja op welke wijze de verklaring van verbondenheid onder de gewijzigde omstandigheden wordt afgelegd. Voorbeeld: Indien een verzoeker na het ondertekenen van de bereidverklaring in coma is geraakt, zal hij de verklaring van verbondenheid niet langer kunnen afleggen. In dit geval wordt het naturalisatiebesluit bekendgemaakt zonder dat de verklaring van verbondenheid is afgelegd.

Artikel 8.1.b. jo. c. jo. d. jo. e. jo. lid 2

8.1.b. jo. lid 2 toelichting ad artikel 8.1.b jo. lid 2

Paragraaf 3.13.6. Procedurele aspecten na uitreiking

Paragraaf 3.13.6. Procedurele aspecten na uitreiking

Artikel 8.1.b. jo. c. jo. d. jo. e. jo. lid 2

Paragraaf 3. toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b/c/d en artikel 8, tweede lid

Paragraaf 3. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander (artikel 8.2, paragraaf 1.2)

Paragraaf 3. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander (artikel 8.2, paragraaf 1.2)

Voorbeeld

Een verzoeker heeft voor 1 juli 2019 alleen het onderdeel EPE gehaald. Verzoeker hoeft de overeenkomstige onderdelen Lezen en Luisteren dus niet te doen. De (nieuwe) onderdelen KNM, Spreken, en Schrijven moet de verzoeker nog wel behalen, voordat hij zijn inburgeringsdiploma kan ontvangen.

Hoewel in artikel 4 van het Besluit naturalisatietoets juncto artikelen 5 en 6 van de Regeling naturalisatietoets Nederland is opgenomen dat ook een verzoeker om naturalisatie in het buitenland een beroep kan doen op ontheffing van het inburgeringsexamen wegens aantoonbaar geleverde inspanningen, zijn vanaf 1 juli 2013 voor verzoekers in het buitenland geen beleidsregels hiervoor opgesteld. Mocht een verzoeker in het buitenland vanaf 1 juli 2013 een beroep doen op deze ontheffing, dan zal dit per geval worden beoordeeld.

Om voor vrijstelling in aanmerking te kunnen komen, dient betrokkene het document over te leggen op grond waarvan hij stelt te zijn vrijgesteld (zie de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, paragraaf 6.3.2, HRWN). De Minister van Buitenlandse Zaken onderzoekt of het document recht op vrijstelling geeft. Is dit niet het geval, dan licht hij betrokkene hierover in.

Het is in eerste instantie aan betrokkene zelf om te onderzoeken of het document recht op vrijstelling geeft. Bij twijfel aan de echtheid van het document of de juistheid van de gegevens kan de Minister van Buitenlandse Zaken contact opnemen met de DUO.

3. Modellen behorend bij optieverklaringen in het buitenland en naturalisatieverzoeken vanuit het buitenland

Paragraaf 2.2.4. Af te leggen verklaringen

Paragraaf 2.2.4.3. Verklaring verblijf en gedrag

Paragraaf 2.3.2.5.1. algemeen

De Minister van Buitenlandse Zaken die de optieverklaring in ontvangst neemt, verlangt in beginsel van de optant dat hij gegevens bewijst door middel van originele, zo nodig gelegaliseerde/van apostille voorziene documenten. Zie ook artikel 6, vijfde lid, BvvN.

Paragraaf 2.2.5.2. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand

In Syrië geboren vreemdelingen hoeven geen Syrisch paspoort noch een uit Syrië afkomstige geboorteakte te overleggen. De reden hiervoor is dat uit het ambtsbericht over Syrië uit juni 2022 gebleken is dat in Syrië nog steeds sprake is van een instabiele situatie, die niet alleen wordt veroorzaakt door de aard en frequentie van het geweld, maar ook door repressieve acties van de Syrische regering en andere feitelijke machthebbers in delen van het land. Daardoor kan het verkrijgen van documenten niet gevergd worden.

Paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing

Paragraaf 2.3.3.2. ontvangstbevestiging

Paragraaf 2.3.4. voorbereiding van de beslissing

Paragraaf 2.4.2.3. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie

7-1-3. Procedure naturalisatie

3. Naturalisatie vanuit het buitenland

Paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker (artikel 8, tweede lid, artikel 10 en artikel 11, vijfde lid RWN)

Paragraaf 2.2. toelichting nadere regelgeving in het BVVN

Paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30a HRWN)

In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn om nadere gegevens en bewijsstukken te vragen (vergelijk ook artikel 31, vijfde lid, BVVN). Te denken valt bijvoorbeeld aan:

Paragraaf 2.3.4. af te leggen verklaringen

Paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf gedrag

Wanneer de verzoeker ervoor kiest om de verklaring van verbondenheid te bevestigen met de eerste mogelijkheid, dan bevat de verklaring van verbondenheid de volgende tekst: ‘Ik zweer dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’ en eindigt met de volgende bevestiging: ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’.

Paragraaf 3.4.2. Waarheidsverklaring

Paragraaf 3.5.4. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

Paragraaf 3.5.3. In het verleden overgelegde buitenlandse akten

Paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid Minister van Buitenlandse Zaken

Paragraaf 3.6. Inontvangstneming verzoek

Paragraaf 2.3.7.4. buitenbehandelingstelling

Paragraaf 3.12. (hoger) beroep

Paragraaf 3.13.5.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen

Paragraaf 3.13.6. Procedurele aspecten na uitreiking

8.1.b. jo. lid 2 toelichting ad artikel 8.1.b jo. lid 2

Paragraaf 2. Toelichting bij procedure inburgeringsexamen en (gedeeltelijke) vrijstellingen (artikel 8.1.d)

Paragraaf 2.2. Vrijstelling van het examen (paragraaf 2.2)

Paragraaf 2.2.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand

Paragraaf 2.3.2.5.4. in het verleden overgelegde buitenlandse akten

Paragraaf 2.3. Paragraaf 2.3 Inontvangstneming optieverklaring

Paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens

Paragraaf 1.1. wettekst artikel 7

Paragraaf 2. toelichting bij artikel 7, eerste lid

Paragraaf 3.2.4. Gemachtigde

Paragraaf 3.5. Over te leggen documenten

Paragraaf 3.5.3. Buitenlandse akten (van de burgerlijke stand)

Paragraaf 3.5.6. Bewijsnood

Paragraaf 3.9. Uitbrengen advies

Paragraaf 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase

Voorafgaand aan de administratieve behandeling van het verzoek om naturalisatie beoordeelt de Minister van Buitenlandse Zaken of en zo ja, welk bedrag de verzoeker dient te betalen overeenkomstig het BON. Indien de verzoeker naturalisatiegelden verschuldigd is, wordt hem dit meegedeeld en de gelegenheid gegeven de betaling te verrichten (artikel 52, tweede lid, BVVN). Zie model 2.8a HRWN. Voor een beoordeling van de al dan niet verschuldigde naturalisatiegelden wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 13, eerste lid, RWN.

Paragraaf 2.3.8.2. toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging

Paragraaf 3.13.4. Afleggen verklaring van verbondenheid

Paragraaf 3.13.5. Zwaarwegende redenen (artikel 60b, zesde lid BVVN) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

Paragraaf 3.13.3. Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)

Paragraaf 3.13.3. Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)

Paragraaf 3.13.6. Procedurele aspecten na uitreiking

8.1.b. jo. lid 2 toelichting ad artikel 8.1.b jo. lid 2

Paragraaf 2. Toelichting bij procedure inburgeringsexamen en (gedeeltelijke) vrijstellingen (artikel 8.1.d)

Paragraaf 3.13.6. Procedurele aspecten na uitreiking

Paragraaf 1. Fictieve toets bij buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken (artikel 8.1.b jo. lid 2, paragraaf 3.8)

Paragraaf 3. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander (artikel 8.2, paragraaf 1.2)

Paragraaf 3.2. toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b en toelichting bij artikel 8, tweede lid

Paragraaf 2.3. Belemmering

Paragraaf 2.3.3.4. beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling

Indien vaststelling van de naam van de optant is voorgeschreven (artikel 6, zesde lid, RWN), overlegt de Minister van Buitenlandse Zaken met de optant over de vast te stellen geslachtsnaam en/of voornamen, alsmede over de vaststelling van de namen van de personen voor wie om medeverkrijging van het Nederlanderschap is verzocht. Voorts overlegt en beslist de Minister van Buitenlandse Zaken over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de naam van de optant, en de namen van de personen voor wie om medeverkrijging van het Nederlanderschap is verzocht, worden overgebracht (artikel 28, tweede lid, BVVN). Het beleid inzake naamsvaststelling bij naturalisatie is van overeenkomstige toepassing (zie de toelichting bij artikel 12 RWN).

Voor de adviesprocedure wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6, derde lid, paragraaf 21.3.4.2.6, HRWN.

Paragraaf 2.3.5. bevestiging

Nadat de Minister van Buitenlandse Zaken heeft vastgesteld dat aan de optievoorwaarden is voldaan, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap zal worden bekendgemaakt onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen. De Minister van Buitenlandse Zaken bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert (artikel 11, eerste lid, BVVN). In beginsel nodigt de Minister van Buitenlandse Zaken de optant uit voor een bijeenkomst waarin de bevestiging op ceremoniële wijze wordt uitgereikt, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. De optant wordt als wettelijk vertegenwoordiger van het minderjarige kind jonger dan zestien jaar opgeroepen te verschijnen. Het minderjarige kind dat ten tijde van de optieverklaring zestien of zeventien jaar oud was wordt ook opgeroepen de uitreiking van de bevestiging bij te wonen. Indien sprake is van een (gedeeltelijke) weigering dan wordt de bevestiging uitgereikt en de gedeeltelijke weigering per aangetekende post verzonden.

Paragraaf 2.3.8. weigering bevestiging

Indien het bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond is, wordt dit schriftelijk en gemotiveerd aan de indiener van het bezwaarschrift kenbaar gemaakt onder vermelding van de instantie waarbij en de termijn waarbinnen een beroepschrift kan worden ingediend.

Paragraaf 2.9.1. De Minister van Buitenlandse Zaken beslist

Paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie

Paragraaf 2.12.3. Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)

Paragraaf 2.12.3. Andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)

Paragraaf 2.12.5. Zwaarwegende redenen (artikel 60a, zesde lid BVVN) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

Paragraaf 2.3.12.4. andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)

Paragraaf 2.12.5.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen

Paragraaf 3.3. Te verstrekken gegevens

Paragraaf 2.3.2.3. wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder

Paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30a HRWN)

Paragraaf 3.5.3. In het verleden overgelegde buitenlandse akten

Paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid Minister van Buitenlandse Zaken

Paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging

Paragraaf 3.12. (hoger) beroep

Paragraaf 3.12. (hoger) beroep

Paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie

Paragraaf 2.3.13.2. de oproeping

Paragraaf 2.3.13.3. de uitreiking/naturalisatieceremonie

Paragraaf 3.13.4. Afleggen verklaring van verbondenheid

Paragraaf 3.13.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

Artikel 8.1.b. jo. c. jo. d. jo. e. jo. lid 2

Paragraaf 3.1. wettekst artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b/c/d en artikel 8, tweede lid

Artikel 11-2. jo. lid 3 jo. lid 6

In geval betrokkene slechts een kopie van een getuigschrift of diploma overlegt, dient hij tevens een recente verklaring van de leiding van het betrokken onderwijsinstituut over te leggen waaruit blijkt dat de kopie overeenstemt met het door dat instituut afgegeven originele getuigschrift of diploma. Ter verificatie neemt de Minister van Buitenlandse Zaken contact op met het instituut waar het getuigschrift of diploma is uitgereikt en dat de verklaring heeft afgelegd. Indien een recente verklaring van de leiding van het betrokkene onderwijsinstituut niet overgelegd kan worden, dient betrokkene het inburgeringsexamen af te leggen.

Voorts is in dit artikellid bepaald dat het mee te naturaliseren kind feitelijk tot het gezin moet behoren van de vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en aldaar om naturalisatie verzoekt. ‘Feitelijk behoren tot het gezin’ van de vader of moeder houdt in het kader van de RWN in dat het kind bij die ouder op hetzelfde adres woont en er sprake is van een morele en financiële afhankelijkheid van de ouder(s). De feitelijke gezinsband met de ouder kan als verbroken worden beschouwd indien ouder en kind niet meer samenwonen (bijvoorbeeld omdat het kind duurzaam is opgenomen in een ander gezin, omdat het zelfstandig is gaan wonen of omdat het zelfstandig een gezin heeft gevormd door het aangaan van een relatie). De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband niet is verbroken, ligt bij de ouder. De ouder zal goede redenen moeten aanvoeren waarom hij en het kind (die beiden hoofdverblijf hebben in het buitenland) niet meer samenwonen. Het enkele feit dat de ouder nog met het gezag is belast, is bijvoorbeeld onvoldoende grond om aan te nemen dat het kind nog feitelijk behoort tot het gezin van die ouder.

Paragraaf 1.1. Toelichting Openbare orde (Toelichting ad artikel 11, derde lid)

Paragraaf 2.3.4.2.1. bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009)

Paragraaf 2.8.2. Bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging

Paragraaf 2.3.8.1*. bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging

Paragraaf 2.3.9.1. de Minister van Buitenlandse Zaken beslist

Paragraaf 2.3.9.2.3. bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond

Paragraaf 2.12.5. Zwaarwegende redenen (artikel 60a, zesde lid BVVN) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

Paragraaf 2.12.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

Paragraaf 2.12.6. Procedurele aspecten na uitreiking

Paragraaf 2.12.6. Procedurele aspecten na uitreiking

Paragraaf 2.3.1. voorlichtingsfase

Paragraaf 2.3.2.4. gemachtigde

Paragraaf 3.4.4. Bereidheidsverklaring afstand

Paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen inburgeringsexamen

Paragraaf 2.3.7.2. beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden

Paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie

Paragraaf 3.13.1. De oproeping

Paragraaf 2.3.12. (hoger) beroep

Paragraaf 2.3.13.4. andere wijze van bekendmaking dan uitreiking en de termijn (artikel 5, vijfde lid, RVVN)

Paragraaf 3.13.5.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen

Paragraaf 1. Fictieve toets bij buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken (artikel 8.1.b jo. lid 2, paragraaf 3.8)

Op grond van artikel 4 Besluit naturalisatietoets juncto artikelen 5 en 6 van de Regeling naturalisatietoets Nederland is een verzoeker om naturalisatie ontheven van het afleggen van het inburgeringsexamen, als de verzoeker heeft aangetoond:

Een verzoeker om naturalisatie wordt ontheven van het afleggen van het inburgeringsexamen als de verzoeker heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, niet in staat is het inburgeringsexamen te halen.

Paragraaf 1.2. Toelichting Geen vereiste van toelating en hoofdverblijf (Toelichting ad artikel 11, zesde lid)

Paragraaf 2.9.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond

Paragraaf 2.11. Verhuizing van de optant tijdens de procedure

Paragraaf 2.11. Verhuizing van de optant tijdens de procedure

Paragraaf 2.3.11. verhuizing van de optant tijdens de procedure

Paragraaf 2.12.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

Paragraaf 2.12.6. Procedurele aspecten na uitreiking

Bijvoorbeeld indien de optant vanwege langdurige ziekenhuisopname niet in staat is de naturalisatieceremonie bij te wonen, maar fysiek wel in staat is de verklaring van verbondenheid uit te spreken, kan de Minister van Buitenlandse Zaken een ‘privé naturalisatieceremonie' organiseren op de kamer van de optant. Na het mondeling afleggen van de verklaring van verbondenheid, reikt de Minister van Buitenlandse Zaken de optiebevestiging uit.

Paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30a HRWN)

Paragraaf 2.3.5.1. algemeen

Paragraaf 2.3.8. voorbereiding advies

Paragraaf 2.3.9. uitbrengen advies

Paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie

Paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie

Paragraaf 3.13.5.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen

Paragraaf 3.13.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

Paragraaf 3.13.6. Procedurele aspecten na uitreiking

Paragraaf 1.2. Toelichting Geen vereiste van toelating en hoofdverblijf (Toelichting ad artikel 11, zesde lid)

Bij de medische belemmering geldt dat als te verwachten is dat betrokkene niet binnen vijf jaren op reguliere wijze of met bijzondere examenomstandigheden het inburgeringsexamen kan afleggen, reden tot ontheffing bestaat. Eenzelfde termijn van vijf jaren wordt gehanteerd bij de beoordeling of het voor betrokkene redelijkerwijs mogelijk is om het inburgeringsexamen te behalen.

3. Modellen behorend bij optieverklaringen in het buitenland en naturalisatieverzoeken vanuit het buitenland

Hij doet dit in het geval van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap aan de hand van een gemotiveerde verklaring van een arts of deskundige, die op de dag van indiening van het naturalisatieverzoek niet ouder is dan zes maanden. Uit die verklaring moet blijken dat er sprake is van een belemmering of een handicap op grond waarvan betrokkene niet in staat is binnen vijf jaar het inburgeringsexamen te behalen. De Minister van Buitenlandse Zaken baseert zich bij zijn oordeel op vorengenoemde verklaring en neemt dit op in zijn advies aan de IND. Bij twijfel kan hij het advies, door tussenkomst van Onze Minister- en alvorens het verzoek in behandeling te nemen – door de IND laten controleren. De IND neemt in dat geval onmiddellijk een beslissing op het ontheffingsberoep en stelt de post hiervan in kennis.

Hoewel in artikel 4 van het Besluit naturalisatietoets juncto artikelen 5 en 6 van de Regeling naturalisatietoets Nederland is opgenomen dat ook een verzoeker om naturalisatie in het buitenland een beroep kan doen op ontheffing van het inburgeringsexamen wegens aantoonbaar geleverde inspanningen, zijn vanaf 1 juli 2013 voor verzoekers in het buitenland geen beleidsregels hiervoor opgesteld. Mocht een verzoeker in het buitenland vanaf 1 juli 2013 een beroep doen op deze ontheffing, dan zal dit per geval worden beoordeeld.

Paragraaf 3.3.3. vrijstelling van het examen

Voordat hij het verzoek om naturalisatie in behandeling neemt, onderzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken of aan de voorwaarden voor ontheffing van de naturalisatietoets wordt voldaan. Betrokkene moet zelf aantonen dat hij in aanmerking komt voor ontheffing. In alle gevallen moet ervan uitgegaan worden dat ontheffing alleen in uitzonderlijke gevallen wordt verleend. Voordat hij het verzoek om naturalisatie in behandeling neemt, onderzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken of aan de voorwaarden voor ontheffing wordt voldaan.

3. Modellen behorend bij optieverklaringen in het buitenland en naturalisatieverzoeken vanuit het buitenland

Op grond van artikel 2 BVVN is in het buitenland de Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd een verzoek om (mede)naturalisatie in ontvangst te nemen. De artikelen 31, 32, en 51 tot en met 56 BVVN voor de administratieve behandeling van verzoeken om naturalisatie vanuit het buitenland zijn van toepassing. Net als bij een verzoek in het Koninkrijk dient de ouder derhalve de kinderen die hij in zijn verzoek wenst te betrekken, te vermelden in zijn verzoek om naturalisatie en verstrekt hij voor zoveel mogelijk de relevante gegevens betreffende zichzelf en die kinderen.

Samenwoning buiten het Koninkrijk kan in sommige gevallen worden aangetoond met een bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie van het land van samenwoning. Overigens heeft niet ieder land een gemeentelijke of centrale bevolkingsadministratie. In die gevallen moet de verzoeker met andere bewijsstukken aantonen dat sprake is geweest van drie jaar feitelijke samenwoning met de Nederlandse echtgenoot. Hierbij wordt onder meer gedacht aan een combinatie van stukken zoals een huurovereenkomst, bankafschriften, rekeningen en officiële documenten van een overheidsinstantie. Van belang is dat in deze stukken de personalia van de verzoeker en het betreffende samenwoonadres worden vermeld.

Een buitenlands huwelijk moet overigens blijken uit een naar Nederlands recht erkende huwelijksakte. Van belang is dat het huwelijk of het in Nederland geregistreerd partnerschap van drie jaar op het moment van het verzoek nog in stand is. Aan de hand van actuele officiële stukken moet dit worden aangetoond.

Paragraaf 2.12.5. Zwaarwegende redenen (artikel 60a, zesde lid BVVN) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

Paragraaf 2.3.12.6. zwaarwegende redenen (artikel 60a, zesde lid BVVN) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

Paragraaf 2.3.2.5. uitsluitend schriftelijk verzoek

Paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling

Paragraaf 2.3.7.3. beoordeling verplichting afleggen inburgeringsexamen

Paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie

Paragraaf 3.13.4. Afleggen verklaring van verbondenheid

Paragraaf 3.13.5. Zwaarwegende redenen (artikel 60b, zesde lid BVVN) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

Paragraaf 3.13.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

Paragraaf 3. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander (artikel 8.2, paragraaf 1.2)

Paragraaf 1.1. Toelichting Openbare orde (Toelichting ad artikel 11, derde lid)

Paragraaf 3.3.4. belemmering

3. Modellen behorend bij optieverklaringen in het buitenland en naturalisatieverzoeken vanuit het buitenland

Samengevat gelden voor het in deze bepaling bedoelde kind de volgende voorwaarden:

Hierbij is voor een deel aangesloten bij het begrip ‘feitelijk behoren tot het gezin’, zoals dat in de het vreemdelingenbeleid wordt gehanteerd.

Vervallen.

Verzoeken om medeverlening voor kinderen die bij het indienen van het verzoek van de ouder zestien jaar of ouder zijn, worden afgewezen indien er op grond van hun gedrag ernstige vermoedens bestaan dat zij een gevaar opleveren voor de openbare orde als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN en artikel 9, tweede lid, RWN. Bij deze groep kinderen wordt op dezelfde wijze als bij meerderjarige verzoekers beoordeeld of er openbare orde aspecten zijn op grond waarvan het verzoek moet worden afgewezen. Zie ook de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, paragraaf 3.7, HRWN.

Paragraaf 2.2.4.2. Waarheidsverklaring

Paragraaf 2.3.2.4.3. verklaring verblijf en gedrag

Paragraaf 2.3.4.1. toetsing juistheid verstrekte gegevens

Paragraaf 2.3.9.2.2. bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond

Paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie

Paragraaf 2.12.5. Zwaarwegende redenen (artikel 60a, zesde lid BVVN) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

Paragraaf 2.12.5.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

Paragraaf 3.2.5. Uitsluitend schriftelijk verzoek

Paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30a HRWN)

Paragraaf 3.13.5. Zwaarwegende redenen (artikel 60b, zesde lid BVVN) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

Paragraaf 2.3.13.6.1. zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen

Paragraaf 2.3.13.7. procedurele aspecten na uitreiking

Paragraaf 4.2. toelichting bij artikel 11, derde lid (toelichting openbare orde)

Vervallen.

De vereisten van toelating en van hoofdverblijf van het tweede en derde lid van artikel 11 RWN zijn niet van toepassing op het minderjarige kind van een vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en die met toepassing van het tweede lid van artikel 8 het Nederlanderschap verkrijgt, mits het kind feitelijk tot het gezin van deze ouder behoort en zijn hoofdverblijf niet heeft in het land waarvan hij onderdaan is.

Op grond van artikel 8, tweede lid, RWN kunnen verzoekers die oud-Nederlander zijn, verzoekers die drie jaren gehuwd zijn met een Nederlander en daarmee samenwonen én verzoekers die tijdens hun meerderjarigheid in het Koninkrijk zijn geadopteerd door ouders waarvan één de Nederlandse nationaliteit bezit, in aanmerking komen voor naturalisatie ondanks het feit dat zij niet in het Koninkrijk zijn toegelaten en daar evenmin hun hoofdverblijf hebben. Voor deze verzoekers geldt immers niet het vereiste van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (sedert vijf jaar toelating en hoofdverblijf onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek) (zie de toelichting bij artikel 8 RWN). Het is uiteraard niet de bedoeling dat minderjarige en feitelijk tot het gezin behorende kinderen van deze verzoekers worden uitgesloten van de mogelijkheid tot medeverlening. Dat zou immers afbreuk doen aan het streven dat binnen een gezin zoveel mogelijk eenheid van nationaliteit bestaat. Om die reden is in dit lid bepaald dat voor kinderen van deze verzoekers ‘de vereisten van toelating en hoofdverblijf van het tweede en derde lid niet van toepassing’ zijn. Onder ‘de vereisten van toelating en hoofdverblijf’ moet in dit verband worden verstaan zowel de onafgebroken periode van toelating en hoofdverblijf van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek alsook de periode van toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf van het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek. De in de onderhavige bepaling bedoelde kinderen kunnen derhalve ook buiten het Koninkrijk in aanmerking komen voor medeverlening.

Het onderhavig artikellid verklaart slechts de vereisten van toelating en hoofdverblijf van het tweede en derde lid niet van toepassing, hetgeen betekent dat de overige in die leden gestelde vereisten voor medeverlening wél van toepassing zijn. Zo zal bij een verzoek om medeverlening van een kind van zestien jaar of ouder worden getoetst of er afwijzingsgronden van artikel 9 RWN aanwezig zijn en zal het kind uitdrukkelijk moeten instemmen met de medeverlening. Ook het bepaalde in artikel 2 RWN is onverkort van toepassing. Zo zal het betrokken kind dat de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, de wettelijk vertegenwoordiger of de andere ouder (mits de wettelijk vertegenwoordiger of andere ouder in hetzelfde land wonen) worden gewezen op de mogelijkheid om op verzoek een zienswijze omtrent de medeverlening naar voren te brengen (zie artikel 54, vierde lid, BVVN en de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).

Op grond van artikel 2 BVVN is in het buitenland de Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd een verzoek om (mede)naturalisatie in ontvangst te nemen. De artikelen 31, 32, en 51 tot en met 56 BVVN voor de administratieve behandeling van verzoeken om naturalisatie vanuit het buitenland zijn van toepassing. Net als bij een verzoek in het Koninkrijk dient de ouder derhalve de kinderen die hij in zijn verzoek wenst te betrekken, te vermelden in zijn verzoek om naturalisatie en verstrekt hij voor zoveel mogelijk de relevante gegevens betreffende zichzelf en die kinderen.

Voorts is in dit artikellid bepaald dat het mee te naturaliseren kind feitelijk tot het gezin moet behoren van de vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en aldaar om naturalisatie verzoekt. ‘Feitelijk behoren tot het gezin’ van de vader of moeder houdt in het kader van de RWN in dat het kind bij die ouder op hetzelfde adres woont en er sprake is van een morele en financiële afhankelijkheid van de ouder(s). De feitelijke gezinsband met de ouder kan als verbroken worden beschouwd indien ouder en kind niet meer samenwonen (bijvoorbeeld omdat het kind duurzaam is opgenomen in een ander gezin, omdat het zelfstandig is gaan wonen of omdat het zelfstandig een gezin heeft gevormd door het aangaan van een relatie). De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband niet is verbroken, ligt bij de ouder. De ouder zal goede redenen moeten aanvoeren waarom hij en het kind (die beiden hoofdverblijf hebben in het buitenland) niet meer samenwonen. Het enkele feit dat de ouder nog met het gezag is belast, is bijvoorbeeld onvoldoende grond om aan te nemen dat het kind nog feitelijk behoort tot het gezin van die ouder.

Voor de behandeling van optieverklaringen en verzoeken om naturalisatie in het buitenland is het van belang dat de buitenlandse documenten of akten die overgelegd worden gelegaliseerd zijn en zonodig inhoudelijk geverifieerd volgens de thans geldende legalisatiecirculaire van de Minister van Justitie.

Circulaire Buitenland

Paragraaf 1.1. wettekst artikel 6, tweede lid

Paragraaf 1.2. algemeen

Uitzonderingen (zie ook de toelichting bij artikel 6, derde lid, paragraaf 21.3.12.5.2, HRWN).

Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (artikel 60a, derde lid, BVVN en de toelichting bij artikel 6, derde lid, paragraaf 21.3.12.5, HRWN)

Wordt de toezegging een verklaring van verbondenheid af te leggen niet nagekomen en is geen ontheffing van het mondeling of schriftelijk afleggen verleend, dan zal de optiebevestiging niet worden uitgereikt en het Nederlanderschap niet worden verkregen. Immers, pas door de bekendmaking wordt iemand Nederlander.

Paragraaf 2. toelichting bij artikel 6, derde lid

Paragraaf 2.1. wettekst artikel 6, derde lid

Paragraaf 2.2. algemeen

In artikel 21 RWN is bepaald dat bij algemene maatregel van rijksbestuur de autoriteiten en ambtenaren worden aangewezen die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen tot verkrijging van het Nederlanderschap. Voorts is bepaald dat bij algemene maatregel van rijksbestuur nadere voorschriften gesteld kunnen worden betreffende de wijze van inontvangstneming van de verklaringen en de bevestigingen van de verkrijging van het Nederlanderschap, alsmede betreffende de verdere administratieve behandeling van de verkrijging van het Nederlanderschap. In het BVVN zijn deze voorschriften opgenomen en vorenbedoelde autoriteiten en ambtenaren aangewezen. In artikel 2, aanhef en onder d, BVVN is bepaald dat in het buitenland de Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd is tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen ter verkrijging van het Nederlanderschap.

De vormvoorschriften, procedurele vereisten en administratieve behandeling van de verklaringen zijn voor het buitenland beschreven in de artikelen 25 tot en met 30 BVVN. In de hierna opgenomen procedurebeschrijving is de volgorde van het BVVN aangehouden.

Paragraaf 2.3. procedure

Het afleggen van een optieverklaring zal worden voorafgegaan door informatieverstrekking aan de aspirant-optant door het tot het in ontvangst nemen van de verklaring bevoegde Minister van Buitenlandse Zaken. Voor een deel zal daarbij gebruik kunnen worden gemaakt van IND-brochures of een verwijzing naar het internet. Verder kan in deze fase aan de aspirant-optant bijvoorbeeld opgave worden gedaan van de bij het afleggen van de optieverklaring te verstrekken gegevens en over te leggen documenten. De Minister van Buitenlandse Zaken informeert de aspirant-optant over zijn verplichting om, als onderdeel van de verkrijging van het Nederlanderschap, een verklaring van verbondenheid af te leggen. De optant wordt erop attent gemaakt dat hij de verklaring van verbondenheid, in beginsel op een naturalisatieceremonie, zal moeten afleggen en dat de optiebevestiging niet eerder bekend wordt gemaakt, dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Ook kan de aspirant-optant erop worden gewezen dat de eventuele optiebevestiging als regel door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst in werking treedt. Indien al onmiddellijk blijkt dat niet wordt voldaan aan de vereisten voor optie, kan de betrokkene worden gewezen op de eventuele mogelijkheid en voorwaarden voor verlening van de Nederlandse nationaliteit door naturalisatie.

Indien de optant zich bij de Minister van Buitenlandse Zaken vervoegt om een optieverklaring af te leggen, ligt het in de rede eerst te onderzoeken of de optant alle voor de aanvraag benodigde documenten heeft verzameld, geld bij zich heeft om de optiegelden te betalen en voor zover mogelijk te toetsen of aan de voorwaarden voor optie wordt voldaan. Indien een optant (nog) niet aan de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap voldoet, of indien hij (nog) niet in staat is de benodigde documenten over te leggen, wordt hem ontraden een verklaring af te leggen. Indien de optant er niettemin op staat een verklaring af te leggen, ondanks het feit dat hij (nog) niet aan de voorwaarden voor bevestiging van de verklaring voldoet, dient de Minister van Buitenlandse Zaken de verklaring in ontvangst te nemen.

Paragraaf 2.3.2. afleggen van de optieverklaring

Paragraaf 2.3.2.1. vormvereisten: afleggen in persoon

Paragraaf 2.3.2.1.2. minderjarige optant

Ingevolge artikel 2, vierde lid, RWN wordt een kind van 12 jaar of ouder op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld om een zienswijze omtrent de verkrijging naar voren te brengen. Bij een minderjarige optant van 12 tot 16 jaar is niet voorgeschreven dat het in persoon verschijnt om een zienswijze naar voren te brengen omtrent de verkrijging van het Nederlanderschap.

Paragraaf 2.3.2.1.3. kinderen van de optant

Ingevolge artikel 2, vierde lid, RWN wordt een kind van 12 jaar of ouder op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld om een zienswijze omtrent de medeverkrijging naar voren te brengen.

Hebben kinderen de leeftijd van 16 jaar bereikt, dan is verschijning in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven (model 1.2a, zie ook model 1.21a) (artikel 6, derde lid, BVVN). Zij dienen zich – zoveel mogelijk – met een geldig buitenlands reisdocument te legitimeren. Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).

Paragraaf 2.3.2.1.4. wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder

Paragraaf 2.3.2.3. te verstrekken gegevens

Paragraaf 2.3.2.4. af te leggen verklaringen

Paragraaf 2.3.2.4.1. bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 1.36a HRWN)

Paragraaf 2.3.10. (hoger) beroep

Paragraaf 2.3.12.6.1. zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen

Paragraaf 2.3.3. te verstrekken gegevens

Paragraaf 2.3.11. bezwaar

Paragraaf 2.3.13.6. zwaarwegende redenen (artikel 60b, zesde lid BVVN) en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

Paragraaf 3.4. toelichting bij artikel 8., tweede lid (drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander)

Paragraaf 4. toelichting bij artikel artikel 11, tweede, derde en zesde lid

Paragraaf 4.1. wettekst artikel 11, tweede, derde en zesde lid

Paragraaf 4.3. toelichting bij artikel 11, zesde lid (toelichting ‘geen vereiste van toelating en hoofdverblijf’)

Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, RWN wordt een verzoek om naturalisatie van een vreemdeling als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN afgewezen, indien hij zijn hoofdverblijf heeft in het land waarvan hij onderdaan is. In artikel 11, zesde lid, RWN is opgenomen dat deze afwijzingsgrond eveneens geldt voor de mee te naturaliseren kinderen van die persoon (zie ook de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, RWN).

Samengevat gelden voor het in deze bepaling bedoelde kind de volgende voorwaarden:

Hierbij is voor een deel aangesloten bij het begrip ‘feitelijk behoren tot het gezin’, zoals dat in de het vreemdelingenbeleid wordt gehanteerd.

4. Modellen behorend bij optieverklaringen in het buitenland en naturalisatieverzoeken vanuit het buitenland

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)