Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Curaçao en Sint Maarten
Een sporter die voldoet aan één van de hierboven gestelde maatstaven is een sporter die in zijn tak van sport een niveau haalt waarop in voldoende mate de kans bestaat dat hij, indien in het bezit van de Nederlandse nationaliteit, zou worden uitgezonden door een van de landen van het Koninkrijk. Door het hanteren van deze maatstaven sluiten de Minister van Justitie van Curaçao en Sint Maarten en de Minister van Onderwijs, Sport en Cultuur aan bij het hierboven gestelde dat het een verzoeker dient te betreffen die na naturalisatie kan deelnemen als vertegenwoordiger van het Koninkrijk aan internationale concoursen of internationale sportwedstrijden.
paragraaf 2.1. Koninkrijks c.q. Nederlands-Antilliaans belang (staatsbelang, economisch en cultureel)
Wil de sporter uitkomen voor Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba op de Olympische Spelen dan dient ontheffing te worden verzocht van de drie jaar die het Olympic Charter noemt. Deze ontheffing dient te worden verzocht op de wijze bepaald in het Olympic Charter.
Artikel 11
12-alg. Toelichting algemeen
11-alg. Toelichting algemeen
paragraaf 1. Toelating en hoofdverblijf
paragraaf 3. Openbare orde
paragraaf 6. Regeling 2009 m.b.t. gaten in de verblijfsrechtelijke historie
paragraaf 5. Verklaring van verbondenheid
paragraaf 2. Toelating en hoofdverblijf
paragraaf 2. Toelating en hoofdverblijf
Een onderzoekverslag wordt – behoudens uitzonderingen – binnen twee maanden na het verzoek daartoe beschikbaar gesteld.
paragraaf 2. Naturalisatiegelden
11-8. Toelichting ad artikel 11, achtste lid
11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen
paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen delen niet in naamsvaststelling of naamswijziging
12-1. Toelichting ad artikel 12, eerste lid
paragraaf 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
12-2. Toelichting ad artikel 12, tweede lid
12-1. Toelichting ad artikel 12, eerste lid
paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Model 1.4. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.2. : Bijlage bij optieverklaring: aanvullende gegevens kinderen (van oud naar jong)
Model 1.3. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)
Model 1.7. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder e, RWN
Model 1.5. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.6. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder d, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.10. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder g, RWN
Model 1.12. : Optieverklaring op grond van artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
Model 1.14. : Verklaring omtrent verblijfstatus en gedrag
Model 1.16. : Verklaring van naamskeuze door ouders (kind jonger dan 16 jaar)
Model 1.17. : Verklaring van naamskeuze door kind (kind van 16 jaar of ouder)
Model 1.18. : Brief zienswijze (mede)verkrijging Nederlanderschap (aan minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar)
Model 1.19. : Formulier zienswijze (mede)verkrijging Nederlanderschap (minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)
Model 1.20. : Formulier zienswijze naamsvaststelling (minderjarigen van 12 jaar en ouder) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)
Model 1.23. : Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verkrijging Nederlanderschap van minderjarige(n)
Model 1.25. : Verklaring ‘Ingelicht over betaling van optiegelden’ tevens inverzuimstelling1Een kopie van dit formulier wordt aan betrokkene meegegeven indien niet gelijktijdig bij het indienen van het verzoek om naturalisatie het verschuldigde bedrag is betaald.; alsook Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Model 1.26. : Buitenbehandelingstelling optieverklaring wegens niet-betaling van optiegelden
Model 1.3. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)
Model 1.28. : Afwijzing ontheffing optiegelden
Model 1.30. : Verzoek tot verstrekken van gegevens uit de Justitiële Documentatie
Model 1.5. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.35. : Uitwisselingsformulier
Model 1.10. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder g, RWN
Model 1.37. :
Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Model 2.1. : Verzoek om naturalisatie tot Nederlander (meerderjarige)
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden
Model 1.15. : Verzoek om naamsvaststelling bij optie
Model 2.5. : Verklaring in verband met verlies van de Egyptische/Oostenrijkse/Zuid-Afrikaanse nationaliteit
Model 1.25. : Verklaring ‘Ingelicht over betaling van optiegelden’ tevens inverzuimstelling1Een kopie van dit formulier wordt aan betrokkene meegegeven indien niet gelijktijdig bij het indienen van het verzoek om naturalisatie het verschuldigde bedrag is betaald.; alsook Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Model 2.9. : Brief zienswijze (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 12 jaar tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)
Model 2.10. : Formulier zienswijze (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 12 jaar tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)
Model 2.11. : Formulier zienswijze naamswijziging/naamsvaststelling (minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)
Model 2.16. : Formulier zienswijze (andere) ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamswijziging kind(eren)
Model 2.16. : Formulier zienswijze (andere) ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamswijziging kind(eren)
Gegevens vreemdeling:
Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, RWN wordt niet voorafgegaan door het uitbrengen van een voornemen waarop de betrokkene een zienswijze kan geven (Kamerstukken I, 34 356, nr. C, blz. 13). Artikel 4:11 Awb verzet zich hiertegen. De personen waar het om gaat vormen namelijk een gevaar voor de nationale veiligheid en het is daarom van belang dat het besluit tot intrekking zo snel mogelijk na het bekend worden van de relevante feiten kan worden genomen, zonder dat de betrokken persoon naar aanleiding van een voornemen de gelegenheid wordt geboden terug te keren naar Nederland. Zo wordt de legale terugkeer naar Nederland onmogelijk en wordt de dreiging die van de betrokkenen uitgaat zoveel mogelijk weggenomen.
Model 1.33. Bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie (artikel 6, derde lid, RWN)
Model 1.20. : Formulier zienswijze naamsvaststelling (minderjarigen van 12 jaar en ouder) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)
Algemeen
1. Verificatie persoonsgegevens
Model 1.35a. Uitwisselingsformulier MoU Nederland-Suriname
Invullen
Zie voor het overgangsrecht de toelichting bij de afzonderlijke artikelleden.
Model 1.37. :
6. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid
Model 2.4. : Bereidheidsverklaring tot afstand huidige nationaliteit bij het verzoek tot verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie
Artikel 15 lid 2 onder b: onder ‘**die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad**’ moet worden verstaan: die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren op het huidige grondgebied van de staat waarvan de nationaliteit wordt verkregen zijn hoofdverblijf heeft gehad. Kort samengevat, in de visie van de Hoge Raad moeten de volgende vragen worden gesteld:
Ook bij toepassing van artikel 15, tweede lid onder a of b, RWN kan statenopvolging een rol spelen. Als een persoon vrijwillig een vreemde nationaliteit heeft verkregen, dan kan het verlies van de Nederlandse nationaliteit toch niet intreden als de persoon in het land van die nieuwe nationaliteit is geboren en daar verblijft op het moment van de verkrijging of als hij daar vijf jaar voor zijn meerderjarigheid heeft gewoond. De Hoge Raad heeft op 26 juni 2015 uitspraak gedaan inzake de interpretatie van artikel 15 lid 2 RWN bij een statenopvolging. Het betrof in deze zaak een persoon die vóór de onafhankelijkheid van Suriname aldaar is geboren en die tevens vóór de onafhankelijkheid van Suriname vijf jaar als minderjarige aldaar had gewoond. De vraag was of hij door vrijwillige verkrijging van de Surinaamse nationaliteit (ná 1 april 2003) de Nederlandse nationaliteit had verloren. De Hoge Raad oordeelde met de volgende overweging dat deze persoon het Nederlanderschap had behouden:
Na de publicatie in het Staatsblad op 5 oktober 2020 is deze Rijkswet vooralsnog niet in werking getreden (zie artikel 4, eerste lid Rijkswet). De Rijkswet inperking gevolgen Brexit kan slechts worden ingetrokken door een andere Rijkswet. Het toepassen van artikel 4, tweede lid Rijkswet, dat gaat over het vervallen van de Rijkswet, is alleen mogelijk als eerder artikel 4, eerste lid Rijkswet heeft plaats gehad.
Dit betekent dat een Nederlander, die de Britse nationaliteit heeft aangevraagd en verkregen, het Nederlanderschap verliest, tenzij een van de situaties in paragraaf 1.2 bij de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a RWN van toepassing is of één van de uitzonderingen van artikel 15, tweede lid, RWN.
Artikel 15 lid 2 onder a: Onder ‘**die in het land van die andere nationaliteit is geboren**’ moet worden verstaan: geboren op het huidige grondgebied van de staat waarvan de nationaliteit wordt verkregen.
Behalve het vereiste van meerderjarigheid, geldt hier verder als enige voorwaarde dat betrokkene naast het Nederlanderschap nog een andere nationaliteit bezit. Hij mag immers volgens artikel 14, achtste lid, RWN niet staatloos worden. Het bezit van die andere nationaliteit zal in de meeste gevallen blijken uit de beschrijving van betrokkene in de PIVA. Is dat niet het geval, dan dient een bewijs van de andere nationaliteit te worden overgelegd, welk bewijs ook kan worden verlangd indien bijvoorbeeld aan het al dan niet bezitten van een andere nationaliteit wordt getwijfeld (vergelijk artikel 62, tweede lid, BVVN). Het gestelde in de vorige zin geldt eveneens ten aanzien van de minderjarige kinderen van betrokkene, die – mits zij daardoor niet staatloos worden – ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN delen in de afstand.
Als bij 2. er twee keer ‘ja’ moet worden geantwoord, blijft betrokkene Nederlander.
Van het afgelegd hebben van een verklaring van afstand wordt door de Gouverneur onverwijld een bevestiging (zie model 3.3) afgegeven aan de betrokkene, welke bevestiging – voor zoveel mogelijk – tevens de namen vermeldt van de minderjarige kinderen die ingevolge artikel 16 RWN in het verlies van het Nederlanderschap hebben gedeeld (artikel 63, derde lid, BVVN). Heeft de afgelegde verklaring geen rechtsgevolg, omdat de betrokkene door de afstand staatloos zou worden, dan zal dit in de bevestiging worden opgenomen. Het in de bevestiging opgenomen oordeel dat de verklaring van afstand geen rechtsgevolg heeft, zal betrokkene kunnen betwisten in de gerechtelijke procedure, voorzien in artikel 17 RWN (vergelijk de toelichting bij artikel 63 BVVN).
Een verklaring van afstand wordt in beginsel in persoon (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, eerste lid, BVVN) en schriftelijk (artikel 62, eerste lid, BVVN) afgelegd, omdat van belang is dat wordt aangetoond dat de betrokkene is wie hij zegt te zijn. De Gouverneur moet zich de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de betreffende persoon (artikel 63, tweede lid, BVVN). In dat kader wordt betrokkene verzocht een geldig identiteitsdocument te overleggen.
Model 2.29A. Terugmeldformulier Naturalisatie – verzoek om medenaturalisatie
Dit betekent dat een Nederlander, die de Britse nationaliteit heeft aangevraagd en verkregen, het Nederlanderschap verliest, tenzij een van de situaties in paragraaf 1.2 bij de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a RWN van toepassing is of één van de uitzonderingen van artikel 15, tweede lid, RWN.
De verklaring van afstand vermeldt dat de persoon die de verklaring aflegt, bekend is met het feit dat ingevolge artikel 16 RWN minderjarige kinderen onder omstandigheden zullen delen in het verlies van het Nederlanderschap (artikel 62, eerste lid, BVVN). Alvorens de verklaring in ontvangst te nemen bepaalt de Gouverneur, voor zoveel mogelijk, of hiervan sprake zal zijn (artikel 63, tweede lid, BVVN) en licht hij degene die de afstandsverklaring aflegt daarover in.
Model 2.12. : Brief verzoek om instemming (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 16 jaar of ouder)
De door de Gouverneur opgemaakte verklaring van afstand wordt door de betrokkene of, in het voorkomend geval, door zijn gemachtigde ondertekend (artikel 3, derde lid, BVVN). Tevens vindt ondertekening plaats door of namens de Gouverneur. Tenzij de betrokkene daardoor staatloos zou worden, treedt verlies van het Nederlanderschap van rechtswege in door de verklaring zelf. Aan het verlies ligt dan ook geen enkele beslissing van overheidswege ten grondslag.
Van het afgelegd hebben van een verklaring van afstand wordt door de Gouverneur onverwijld een bevestiging (zie model 3.3) afgegeven aan de betrokkene, welke bevestiging – voor zoveel mogelijk – tevens de namen vermeldt van de minderjarige kinderen die ingevolge artikel 16 RWN in het verlies van het Nederlanderschap hebben gedeeld (artikel 63, derde lid, BVVN). Heeft de afgelegde verklaring geen rechtsgevolg, omdat de betrokkene door de afstand staatloos zou worden, dan zal dit in de bevestiging worden opgenomen. Het in de bevestiging opgenomen oordeel dat de verklaring van afstand geen rechtsgevolg heeft, zal betrokkene kunnen betwisten in de gerechtelijke procedure, voorzien in artikel 17 RWN (vergelijk de toelichting bij artikel 63 BVVN).
Behoudens het gestelde in de volgende alinea, treedt verlies van het Nederlanderschap in door langdurig verblijf in het buitenland. Van belang hierbij is dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan. Betrokkene:
De Gouverneur zendt het origineel van de afgelegde afstandsverklaring alsmede een afschrift van de bevestiging, ter opneming in het nationaliteitenregister bedoeld in artikel 22 RWN, aan de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie (192) te Rijswijk en behoudt zelf afschriften van deze documenten (artikel 64, eerste lid, BVVN). Tevens zendt hij een afschrift van de bevestiging aan de autoriteit van de plaats waar de personen, die door of als gevolg van de verklaring van afstand hun Nederlanderschap verloren hebben, in de basisadministratie (bijvoorbeeld in Nederland) zijn ingeschreven. Wonen de hier bedoelde personen in Curaçao en Sint Maarten of Aruba, dan zendt hij een afschrift van de verklaring van afstand en van de bevestiging aan de Minister van Justitie van Curaçao en Sint Maarten, onderscheidenlijk de Minister van Justitie van Aruba (artikel 64, tweede lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
In verband met de wijziging van de Paspoortwet (Stb 2014, 10) heeft de Nederlandse identiteitskaart sinds 20 januari 2014 (Stb 2014, 11) binnen de EU niet langer de status van een reisdocument, maar van een identiteitskaart. De Nederlandse identiteitskaart is geldig voor de landen die behoren tot de Europese Unie. Als landen buiten de Europese Unie zijn aangewezen Andorra, Liechtenstein, Monaco, Noorwegen, San Marino, Turkije, IJsland en Zwitserland waar binnen de grenzen van de Paspoortwet een daar woonachtige Nederlander recht heeft op verstrekking van een Nederlandse identiteitskaart (artikel 5a Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001).
Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het nederlanderschap
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van dertien jaar in het bezit van beide nationaliteiten zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, en buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, anders dan in een dienstverband met Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van of als ongehuwde in een duurzame relatie samenlevend met een persoon in een zodanig dienstverband.
Betrokkene Y is het bezit van zowel de Nederlandse als de Australische nationaliteit en heeft nog nooit binnen het Koninkrijk of binnen de Europese Unie gewoond. Zij is ook nog nooit in het bezit gesteld van een Nederlands reisdocument. Y werd meerderjarig op 1 mei 2012. Wanneer verliest zij het Nederlanderschap? Antwoord: Op 1 april 2022 is de verliestermijn van tien jaar van artikel 15, eerste lid, onder c, RWN (zoals dat artikel luidde van 1 april 2003 tot 1 april 2022) nog niet voltooid. De verliestermijn wordt door de verlenging van de verliestermijn van tien naar dertien jaar per 1 april 2022, met drie jaar verlengd. Derhalve verliest Y het Nederlanderschap op 1 mei 2025.
Model 2.9. : Brief zienswijze (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 12 jaar tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)
Model 2.7. : Verzoek om naamswijziging bij naturalisatie2Wordt naamswijziging voor een minderjarig kind verlangd maar kan het kind, ingevolge bepalingen van het burgerlijk wetboek (artikel 7, lid 3, boek 1), niet delen in de geslachtsnaamswijziging van de verzoeker, dan dient een apart verzoek van de wettelijk vertegenwoordiger tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind te worden bijgevoegd. Kinderen van 12 tot en met 15 jaar kunnen hun zienswijze kenbaar maken. Voor kinderen van 16 jaar of ouder is instemming verplicht.
Bijlage 4
Model 4.1. Verklaring van verbondenheid
Model 2.8. Verklaring ‘Ingelicht over betaling van naturalisatiegelden’tevens inverzuimstelling1Een kopie van dit formulier wordt aan betrokkene meegegeven indien niet gelijktijdig bij het indienen van het verzoek om naturalisatie het verschuldigde bedrag is betaald. ; alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
2-1. Toelichting ad artikel 2, eerste lid
2-1. Toelichting ad artikel 2, eerste lid
Artikel 3
3-alg. Toelichting algemeen
2-5. Toelichting ad artikel 2, vijfde lid
3-3. Toelichting ad artikel 3, derde lid
paragraaf 2. Kind geboren vóór 1 januari 1985, Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
paragraaf 3. Kind geboren op of ná 1 januari 1985; Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
paragraaf 4. Kind geboren op of na 1 januari 1985, buitenlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
4-1. Toelichting ad artikel 4, eerste lid
4-2. Toelichting ad artikel 4, tweede lid
Had de moeder van Julie haar hoofdverblijf op Bonaire, maar is zij uitsluitend in verband met de geboorte van het kind voor korte tijd naar Haïti gegaan en spoedig na de geboorte met Julie naar Bonaire teruggekeerd, dan moeten zij en Julie geacht worden ten tijde van de geboorte van het kind hoofdverblijf te hebben gehad op Bonaire, waardoor Julie dus wel Nederlander is ingevolge artikel 3, derde lid RWN.
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 2. Kind geboren vóór 1 januari 1985, Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
Paragraaf 2. Kind geboren vóór 1 januari 1985, Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
4-2. Toelichting ad artikel 4, tweede lid
Artikel 5
Artikel 5a
Artikel 5
Per 1 april 2003 zijn in het toenmalige artikel 5 RWN de woorden ‘de adoptief-vader of adoptief-moeder’ gewijzigd in: ‘ten minste één der adoptiefouders’, zulks in verband met de mogelijkheid van adoptie door personen van hetzelfde geslacht. Verder zijn op die datum de termijnen in het toenmalige eerste en derde lid van artikel 5 RWN aangepast aan de per 1 januari 2002 gewijzigde termijnen voor beroep en cassatie in verzoekschriftprocedures (zie artikel 358 respectievelijk artikel 426 WBRv).
Artikel 5b
Artikel 5b
Artikel 5b
paragraaf 1. Algemeen
5b-2. Toelichting ad artikel 5b, tweede lid
Artikel 5c
Artikel 6
6-alg. Toelichting Algemeen
6-alg. Toelichting Algemeen
paragraaf 1. Algemeen
6-1-a. Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a
6-1-c. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c
6-1-c. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c
paragraaf 1. Algemeen
paragraaf 3. Vereiste van opvoeding en verzorging door de Nederlandse man
paragraaf 3.2. Bewijsmiddelen
paragraaf 3.1. Bewijslast opvoeding en verzorging
paragraaf 5. Naamskeuze voor/door de optant
Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a van het Europees Verdrag inzake nationaliteit (Trb. 1998, 149) kan de bevestiging van de optieverklaring niet worden geweigerd als er op grond van het gedrag van de optant ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk.
paragraaf 5. Naamskeuze voor/door de optant
Op grond van artikel 1:5 BWNA vloeit de geslachtnaam van het kind voort uit die van zijn vader en anders die van zijn moeder.
Overgangsrecht
Indien het gezag over een kind bij één ouder berust, bijvoorbeeld als gevolg van een gezagsregeling na echtscheiding of omdat het kind alleen een moeder heeft, kan de rechtbank op gezamenlijk verzoek van de met gezag belaste ouder en een ander dan de ouder hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten (artikel 1:253t BW). De niet-ouder moet in zo’n geval in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staan. Als het kind nog een andere ouder heeft, geldt daarnaast nog een aantal andere voorwaarden.
paragraaf 2.1. Gezamenlijk gezag bij geboorte op grond van artikelen 1.253aa en 1:253sa BW24Deze Nederlandse bepalingen komen niet voor in het BW van de Nederlandse Antillen.
Geregistreerde partners krijgen naar Nederlands recht van rechtswege – dus zonder dat daar nog een procedure voor nodig is – gezamenlijk gezag over hun tijdens het geregistreerde partnerschap geboren kinderen, als er geen andere juridische ouder is. Van gezamenlijk gezag is sprake als een kind wordt geboren tijdens huwelijk of partnerschap van een man en een vrouw en tijdens het huwelijk of partnerschap van twee vrouwen, mits er geen man is die het kind tijdens de zwangerschap heeft erkend. Ook het gezamenlijk gezag dat van rechtswege bij de geboorte ontstaat, geeft onder de hierboven genoemde voorwaarden het optierecht van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN.
paragraaf 2.2.3. Te verstrekken gegevens
6-1-f. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f
Nog openstaande bezwaarzaken tegen afgewezen optieverzoeken worden eveneens door de Gouverneur aangevuld met een onderzoeksverslag.
Paragraaf 1. Algemeen
Voor zaken waarin uitsluitend gaten in het verblijfsrecht voorkomen die gelegen zijn ná 1 januari 2009, geldt deze regeling niet. Voor deze datum is gekozen, omdat de verwachting gerechtvaardigd is dat vanaf deze datum de vreemdelingrechtelijke registratie in Curaçao en Sint Maarten consistent is.
6-1-f. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f
Wettekst: Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: de meerderjarige vreemdeling die te eniger tijd het Nederlanderschap of de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten en in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba tenminste één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft tenzij hij het Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, eerste lid, onder d of e.
Paragraaf 1. Algemeen
paragraaf 2. Oud-Nederlander of oud-Nederlands onderdaan-niet-Nederlander
Paragraaf 3. Regeling 2009 m.b.t. gaten in de verblijfsrechtelijke historie
Ten aanzien van vreemdelingen die na 1 april 2003 een optieverklaring hebben afgelegd, welke nog niet definitief is afgehandeld, en bij wie het geconstateerde gat in het vreemdelingrechtelijke verblijfsrecht geheel of gedeeltelijk is gelegen in de periode vóór 1 januari 2009, wordt als volgt gehandeld.
2.5. Wettelijke doelstelling: enkelvoudige nationaliteit
Factoren die bijvoorbeeld mogelijk wijzen op (niet) onevenredige gevolgen vanuit het oogpunt van het Unierecht zijn:
2.4.1. Beroep op schending van het familie- of gezinsleven en het belang van het kind
Als de optant minderjarig was ten tijde van het verlies van het Unieburgerschap en door hem of haar wordt aangevoerd dat sprake was van schending van de rechten van het kind, moet worden getoetst aan artikel 24 Handvest.
3.3. Benodigde informatie van de bevoegde instantie ten behoeve van de evenredigheidstoets
6-2. Toelichting ad artikel 6, tweede lid
Tenslotte kan de optant verklaringen van familieleden en bekenden overleggen. Dit zijn zogenaamde niet-objectieve en niet-verifieerbare bewijsstukken. De IND beschouwt deze bewijsmiddelen als ondersteunend bewijs. Dit betekent dat een verklaring van een familielid of een andere persoon meestal niet voldoende zal zijn als er verder geen objectief bewijs wordt overgelegd.
3.3. Benodigde informatie van de bevoegde instantie ten behoeve van de evenredigheidstoets
Paragraaf 1.2. Staatloosheid
Paragraaf 1.3. Het in redelijkheid niet kunnen verkrijgen van andere nationaliteit
paragraaf 1. Algemeen
paragraaf 4. Afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN)
paragraaf 2.2. Afleggen van de optieverklaring
Paragraaf 2.2.5.4. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
Paragraaf 2.3.2. Ontvangstbevestiging
Paragraaf 2.2.4.4. Bereidheidsverklaring afstand
paragraaf 2.4.2.5. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
Paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid Gouverneur
Paragraaf 2.2.5.3. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)
Paragraaf 2.3.2. Ontvangstbevestiging
paragraaf 2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling
paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing
paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens
Paragraaf 2.4.2.3. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
paragraaf 2.8.1. Weigering bevestiging verklaring van de optant
Paragraaf 2.6. Administratieve verwerking van de bevestiging
paragraaf 2.8. Weigering bevestiging
paragraaf 2.9.2. Afhandeling van de beslissing
paragraaf 2.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking
6-8. Toelichting ad artikel 6, achtste lid
6-9. Toelichting ad artikel 6, negende lid
6-8. Toelichting ad artikel 6, achtste lid
6a-3. Toelichting ad artikel 6a, derde lid
6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid
Artikel 7
6a-1. Toelichting ad artikel 6a, eerste lid
Artikel 7
6a-3. Toelichting ad artikel 6a, derde lid
7-alg. Toelichting algemeen
paragraaf 2. Nadere regelgeving in het BVVN
paragraaf 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek
paragraaf 3.6. Inontvangstneming verzoek
paragraaf 3.8.1. Onderzoek juistheid verstrekte persoonsgegevens
Paragraaf 3.5. Over te leggen documenten
paragraaf 3.8.1. Onderzoek juistheid verstrekte persoonsgegevens
paragraaf 3.8.1. Onderzoek juistheid verstrekte persoonsgegevens
Paragraaf 3.5.7. Bewijsnood gelegaliseerde buitenlandse documenten
paragraaf 3.13.3. Afleggen verklaring van verbondenheid
paragraaf 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase
paragraaf 3.12. (hoger) beroep
paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie
paragraaf 3.13.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
paragraaf 3.13.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
paragraaf 1. Algemeen
paragraaf 3. (geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
paragraaf 3.13.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment
paragraaf 3.13.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
paragraaf 3.4. Buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken
paragraaf 2. Verblijfsvergunningen en andere verblijfsdocumenten op grond van de LTU
Bijlage
paragraaf 1. Algemeen
paragraaf 2.3. Ontheffing van de naturalisatietoets
paragraaf 2. Procedure
paragraaf 3.4. Buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken
8-1-c. Toelichting ad artikel 8 eerste lid, aanhef en onder c
paragraaf 3.2. Reden tot intrekking/niet-verlenging/einde van de verblijfsvergunning
Het onderzoeksverslag wordt bij het Bericht omtrent Toelating (BOT) gevoegd en getekend door de Gouverneur van het eilandgebied.
2.3.2.2. Te volgen procedure bij de Gouverneur
8-1-c. Toelichting ad artikel 8 eerste lid, aanhef en onder c
paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
paragraaf 2. Procedure
Paragraaf 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets
Bijlage 7
paragraaf 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
Artikel 9
2.3.2.2. Te volgen procedure bij de Gouverneur
paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 3.1. Polygamie
Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
Paragraaf 4.3. Cumulatie van sancties
Bijlage 7
paragraaf 1. Algemeen
paragraaf 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
8-3. Toelichting ad artikel 8, derde lid
Paragraaf 4.2. Transacties
Artikel 9
paragraaf 4.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
Paragraaf 4.6. Buitenlandse feiten
Paragraaf 5. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
paragraaf 7.4. Beoordeling bijzondere feiten of omstandigheden
RWN: artikelen 1.1f; 1.2; 6; 7; 8; 10; 11.6; 13; 15.1d en 16.1
Paragraaf 4.2. Transacties
paragraaf 4.4. Voeging
Paragraaf 4.5. Taakstraffen
Paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
Paragraaf 4.2. Transacties
Paragraaf 4.8. Vijfjaartermijn
paragraaf 6. Afwijzing als ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk
Paragraaf 7.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst bij naturalisatie
paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)
paragraaf 7.4. Beoordeling bijzondere feiten of omstandigheden
paragraaf 1. Algemeen
paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN
Artikel 10
paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
Paragraaf 5.3. De verzoeker is wél bereid afstand te doen
paragraaf 2.1. Koninkrijks c.q. Nederlands-Antilliaans belang (staatsbelang, economisch en cultureel)
Paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim
paragraaf 3.5. Beslissing
9-3-c. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder c
9-3-c. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder c
9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
paragraaf 3.4. Advies Minister van Justitie van Curaçao respectievelijk Sint Maarten (na overleg met de Minister van Onderwijs, Sport en Cultuur van Curaçao respectievelijk de Minister van Onderwijs, Cultuur, Jeugdzaken en Sport van Sint Maarten)
paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
Paragraaf 2.2. Humanitaire redenen
paragraaf 3.1. Advisering
paragraaf 3.5. Beslissing
paragraaf 5. Samenvatting
paragraaf 3.4. Advies Minister van Justitie van Curaçao respectievelijk Sint Maarten (na overleg met de Minister van Onderwijs, Sport en Cultuur van Curaçao respectievelijk de Minister van Onderwijs, Cultuur, Jeugdzaken en Sport van Sint Maarten)
11-3. Toelichting ad artikel 11, derde lid
paragraaf 2. Verklaring van verbondenheid
11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid
paragraaf 1. Algemeen
paragraaf 3. Samernvatting
paragraaf 1.4. Correctie van kennelijke misslagen in het koninklijk besluit
paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling optiegelden
paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling optiegelden
Artikel 12
paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen
paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen delen niet in naamsvaststelling of naamswijziging
paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen
12-1. Toelichting ad artikel 12, eerste lid
paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen delen niet in naamsvaststelling of naamswijziging
Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Model 1.1. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder a, RWN
Model 1.2. : Bijlage bij optieverklaring: aanvullende gegevens kinderen (van oud naar jong)
Model 1.5. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.8. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, RWN
Model 1.9. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, juncto artikel 26 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
Model 1.10. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder g, RWN
Model 1.11. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder h, RWN
Model 1.12. : Optieverklaring op grond van artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
Model 1.13. : Optieverklaring op grond van artikel V, eerste lid, RRWN (overgangsbepaling)
Model 1.14. : Verklaring omtrent verblijfstatus en gedrag
Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
Model 1.26. : Buitenbehandelingstelling optieverklaring wegens niet-betaling van optiegelden
Model 1.27. : Besluit tot ontheffing betaling optiegelden
Model 1.1. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder a, RWN
Model 1.29. : Verzoek om bericht van de Korpschef
Model 1.30. : Verzoek tot verstrekken van gegevens uit de Justitiële Documentatie
Model 1.33. Bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie (artikel 6, derde lid, RWN)
Model 1.34. : Aanvullende gegevens van kind(eren) die het Nederlanderschap heeft/hebben verkregen
Model 1.10. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder g, RWN
Model 1.12. : Optieverklaring op grond van artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Model 2.1. : Verzoek om naturalisatie tot Nederlander (meerderjarige)
Bijlage bij verzoek om naturalisatie tot Nederlander: aanvullende gegevens kinderen voor wie medeverlening wordt verzocht (van oud naar jong)
Model 1.11. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder h, RWN
Model 2.4. : Bereidheidsverklaring tot afstand huidige nationaliteit bij het verzoek tot verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie
Model 1.15. : Verzoek om naamsvaststelling bij optie
Model 1.4. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 2.13. : Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verlening Nederlanderschap aan minderjarige(n)
Model 2.14. : Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verlening Nederlanderschap aan minderjarige(n)
Model 2.15. : Formulier zienswijze (andere) ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamsvaststelling kind(eren)
Model 1.26. : Buitenbehandelingstelling optieverklaring wegens niet-betaling van optiegelden
Model 1.30. : Verzoek tot verstrekken van gegevens uit de Justitiële Documentatie
Model 1.22. : Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verkrijging Nederlanderschap van minderjarige(n)
Model 1.36. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid
Bijlage bij verzoek om naturalisatie tot Nederlander: aanvullende gegevens kinderen voor wie medeverlening wordt verzocht (van oud naar jong)
7. Antecedenten
Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
Dossiervolgorde
Model 2.23. : Buitenbehandelingstelling verzoek om naturalisatie wegens niet-betaling van naturalisatiegelden
Model 2.24. : Besluit tot ontheffing betaling naturalisatiegelden
Model 2.25. : Afwijzing ontheffing naturalisatiegelden
Artikel 15 lid 2 onder a: Onder ‘**die in het land van die andere nationaliteit is geboren**’ moet worden verstaan: geboren op het huidige grondgebied van de staat waarvan de nationaliteit wordt verkregen.
Model 2.29. Terugmeldformulier Naturalisatie – zelfstandig naturalisatieverzoek
Model 2.29A. Terugmeldformulier Naturalisatie – verzoek om medenaturalisatie
Model 1.30. : Verzoek tot verstrekken van gegevens uit de Justitiële Documentatie
Een verklaring van afstand (zie model 3.2) dient in Nederland te worden afgelegd ten overstaan van een gezaghebber (artikel 63, eerste lid, aanhef en onder b, BVVN). Hoewel dat dus niet de Gouverneur hoeft te zijn van het eilandgebied waar betrokkene in de PIVA is ingeschreven (zie ook artikel 64, tweede lid BVVN), verdient dat wel de voorkeur, aangezien juist die gezaghebber veelal over de gegevens beschikt om direct te kunnen beoordelen of de verklaring al dan niet rechtsgevolg heeft.
Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het nederlanderschap
Model 2.6. : Verzoek om naamsvaststelling bij naturalisatie2Wordt naamsvaststelling voor een minderjarig kind verlangd maar kan het kind, ingevolge bepalingen van het burgerlijk wetboek (artikel 7, lid 3, boek 1), niet delen in de geslachtsnaamsvaststelling van de verzoeker, dan dient een apart verzoek van de wettelijk vertegenwoordiger tot vaststelling van de geslachtsnaam van het kind te worden bijgevoegd. Kinderen van 12 tot en met 15 jaar kunnen hun zienswijze kenbaar maken. Voor kinderen van 16 jaar of ouder is instemming verplicht.
Indien de Gouverneur van oordeel is, dat de verschijning in persoon om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd, kan de verklaring worden afgelegd door een schriftelijk daartoe gemachtigde, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van degene die afstand wil doen en van de gemachtigde (artikel 3, tweede lid, BVVN). Bij zwaarwegende redenen kan worden gedacht aan oorzaken van fysieke en/of psychische aard. De aangevoerde redenen dienen te worden aangetoond. De gemachtigde dient in persoon te verschijnen en verschaft de nodige zekerheid over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. Er dient sprake te zijn van een schriftelijke machtiging, die is ondertekend door degene die afstand wil doen. De gemachtigde dient tevens een geldig identiteitsbewijs te overleggen van degene door wie hij is gemachtigd.
Model 2.7. : Verzoek om naamswijziging bij naturalisatie2Wordt naamswijziging voor een minderjarig kind verlangd maar kan het kind, ingevolge bepalingen van het burgerlijk wetboek (artikel 7, lid 3, boek 1), niet delen in de geslachtsnaamswijziging van de verzoeker, dan dient een apart verzoek van de wettelijk vertegenwoordiger tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind te worden bijgevoegd. Kinderen van 12 tot en met 15 jaar kunnen hun zienswijze kenbaar maken. Voor kinderen van 16 jaar of ouder is instemming verplicht.
Bijlage 4
Model 2.8. Verklaring ‘Ingelicht over betaling van naturalisatiegelden’tevens inverzuimstelling1Een kopie van dit formulier wordt aan betrokkene meegegeven indien niet gelijktijdig bij het indienen van het verzoek om naturalisatie het verschuldigde bedrag is betaald. ; alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Model 2.12. : Brief verzoek om instemming (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 16 jaar of ouder)
6-1-o. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o
paragraaf 2.2. Afleggen van de optieverklaring
6-1-h. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h
Het echtpaar Ramesh en Shanti, beiden van Indiase nationaliteit zijn in 1980 naar Sint Maarten gekomen. Om het jaar gaat Shanti voor drie maanden terug naar India voor familiebezoek. In 2002 verkrijgt Ramesh de Nederlandse nationaliteit door naturalisatie. Het verzoek van Shanti wordt niet ingewilligd omdat zij de Engelse taal (landstaal) onvoldoende beheerst.
6-1-h. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h
paragraaf 2.2. Afleggen van de optieverklaring
Het onderzoeksverslag zal één van de volgende drie conclusies bevatten:
Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: de vreemdeling die vóór 1 januari 1985 is geboren uit een moeder die ten tijde van zijn geboorte Nederlander was, terwijl de vader ten tijde van die geboorte niet-Nederlander was.
paragraaf 1. Algemeen
Een vreemdeling die de optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN als cumulatief:
paragraaf 1.2. Bezit Nederlandse nationaliteit moeder ten tijde van geboorte van kind
Voorwaarde voor deze optie is dat de moeder van de optant de Nederlandse nationaliteit moet bezitten op het tijdstip dat haar kind (optant) geboren werd.
paragraaf 1.2.1. Gevolgen van het huwelijk voor de nationaliteit van de vrouw
paragraaf 1.2.1.1. Gehuwde vrouw: huwelijk in periode tot 1 maart 1964
paragraaf 1.2.1.1. Gehuwde vrouw: huwelijk in periode tot 1 maart 1964
paragraaf 2.9.2. Afhandeling van de beslissing
paragraaf 1.2.1.2. Gehuwde vrouw: huwelijk in periode na 1 maart 1964
paragraaf 2.2.5.4. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
paragraaf 1.2.1.2. Gehuwde vrouw: huwelijk in periode na 1 maart 1964
paragraaf 1.2.2. Geboorte uit een ongehuwde vrouw met de Nederlandse nationaliteit
paragraaf 1.2.2. Geboorte uit een ongehuwde vrouw met de Nederlandse nationaliteit
paragraaf 1.2.2. Geboorte uit een ongehuwde vrouw met de Nederlandse nationaliteit
paragraaf 1.4. Voorbeelden: welke situaties vallen onder de optiemogelijkheid
Een kind is in 1970 geboren, staande het huwelijk van een Britse, van oorsprong Nederlandse vrouw en een Britse vader. Het huwelijk is gesloten in 1965. Na 1 januari 1949 verkreeg de vrouw, naar het destijds geldende Brits nationaliteitsrecht, door het huwelijk met een Brit niet meer automatisch de Britse nationaliteit. Deze vrouw kon echter wel vrijwillig de Britse nationaliteit verkrijgen. Zijn moeder heeft vrijwillig de Britse nationaliteit verkregen door registratie voordat het kind geboren werd en heeft daardoor de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van artikel 7 sub 3 WNI 1892. Zij bezat dus niet de Nederlandse nationaliteit ten tijde van de geboorte van de haar kind. Hij kan niet het Nederlanderschap verkrijgen door optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN.
paragraaf 2.1. Verkrijging van de Nederlandse nationaliteit onder de WNI 1892
paragraaf 1.1. Verkrijging Nederlanderschap door adoptie onder de WNI
paragraaf 1.1. Afstamming door geboorte
Paragraaf 1.3. Vereiste documenten
paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 1.2. Eerste verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
In het kader van de unierechtelijke evenredigheidstoets wordt door de IND in het advies, zoals bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN, beoordeeld of het verlies van het Unieburgerschap in het individuele geval gevolgen heeft gehad die vanuit het oogpunt van het Unierecht onevenredig zijn, afgewogen tegen de wettelijke doelstelling van de desbetreffende verliesbepaling.
2.5. Wettelijke doelstelling: enkelvoudige nationaliteit
3.1. Exclusieve procedure
6-1-q
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 2.2.3. Te verstrekken gegevens
Paragraaf 2. Peilmoment stabiel hoofdverblijf
6-2. Toelichting ad artikel 6, tweede lid
paragraaf 1. Algemeen
paragraaf 2.1. Informatieverstrekking
paragraaf 2.2.5.5. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten
paragraaf 2.2.2. Uitsluitend schriftelijk optieverklaring afleggen
Paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid Gouverneur
paragraaf 2.7. Archivering
Paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid Gouverneur
paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden
8-1-c. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c
paragraaf 2.9.2.1. Bezwaarschrift gegrond
paragraaf 2.9. Bezwaar
paragraaf 2.9.2. Afhandeling van de beslissing
paragraaf 2.12. Naturalisatieceremonie
6-8. Toelichting ad artikel 6, achtste lid
Paragraaf 1. Algemeen
6a-1. Toelichting ad artikel 6a, eerste lid
Bijlage
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)