Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Curaçao en Sint Maarten

Type Circulaire
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 242
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De vraag of een optant mogelijk polygaam gehuwd is, doet zich het meest voor bij personen afkomstig uit islamitische landen die polygamie kennen, alsmede huwelijksontbinding door verstoting. Zie voor een overzicht van landen met een mogelijke indicatie van de mogelijkheid van polygamie en verstoting de bijlage bij dit artikellid.

Artikel 6a

6a-2-a. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a

6a-5. Toelichting ad artikel 6a, vijfde lid

paragraaf 3.2.2. Zelfstandig verzoek van minderjarigen (artikelen 10 en 11, vierde lid, RWN)

7-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 3.2.2. Zelfstandig verzoek van minderjarigen (artikelen 10 en 11, vierde lid, RWN)

Paragraaf 3.5. Over te leggen documenten

Paragraaf 3.5.6. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid

8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid

Model 1.26. : Buitenbehandelingstelling optieverklaring wegens niet-betaling van optiegelden

Model 1.27. : Besluit tot ontheffing betaling optiegelden

Model 1.4. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

Model 1.6. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder d, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

Model 1.30. : Verzoek tot verstrekken van gegevens uit de Justitiële Documentatie

Model 1.2. : Bijlage bij optieverklaring: aanvullende gegevens kinderen (van oud naar jong)

Model 1.8. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, RWN

Model 1.35. : Uitwisselingsformulier

Model 1.14. : Verklaring omtrent verblijfstatus en gedrag

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Model 1.13. : Optieverklaring op grond van artikel V, eerste lid, RRWN (overgangsbepaling)

Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.

Model 1.27. : Besluit tot ontheffing betaling optiegelden

Model 2.11. : Formulier zienswijze naamswijziging/naamsvaststelling (minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)

Model 2.14. : Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verlening Nederlanderschap aan minderjarige(n)

Model 1.28. : Afwijzing ontheffing optiegelden

Adviesblad

1. Verificatie persoonsgegevens

Model 2.3. : Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag

Model 2.4. : Bereidheidsverklaring tot afstand huidige nationaliteit bij het verzoek tot verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie

12. Advies gezaghebber

Dossiervolgorde

Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door het afleggen van een verklaring van afstand.

Model 2.11. : Formulier zienswijze naamswijziging/naamsvaststelling (minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)

Model 2.29A. Terugmeldformulier Naturalisatie – verzoek om medenaturalisatie

Indien de verklaring van afstand met rechtsgevolg is afgelegd, bevordert de Gouverneur (artikel 64, derde lid, BVVN) dat:

Behoudens het gestelde in de volgende alinea, treedt verlies van het Nederlanderschap in door langdurig verblijf in het buitenland. Van belang hierbij is dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan. Betrokkene:

Echter, ook al wordt voldaan aan de hierboven genoemde voorwaarden, dan nog treedt géén verlies van het Nederlanderschap in, indien:

In verband met de wijziging van de Paspoortwet (Stb 2014, 10) heeft de Nederlandse identiteitskaart sinds 20 januari 2014 (Stb 2014, 11) binnen de EU niet langer de status van een reisdocument, maar van een identiteitskaart. De Nederlandse identiteitskaart is geldig voor de landen die behoren tot de Europese Unie. Als landen buiten de Europese Unie zijn aangewezen Andorra, Liechtenstein, Monaco, Noorwegen, San Marino, Turkije, IJsland en Zwitserland waar binnen de grenzen van de Paspoortwet een daar woonachtige Nederlander recht heeft op verstrekking van een Nederlandse identiteitskaart (artikel 5a Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001).

Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het nederlanderschap

Voorbeeld

Betrokkene Y is het bezit van zowel de Nederlandse als de Australische nationaliteit en heeft nog nooit binnen het Koninkrijk of binnen de Europese Unie gewoond. Zij is ook nog nooit in het bezit gesteld van een Nederlands reisdocument. Y werd meerderjarig op 1 mei 2012. Wanneer verliest zij het Nederlanderschap? Antwoord: Op 1 april 2022 is de verliestermijn van tien jaar van artikel 15, eerste lid, onder c, RWN (zoals dat artikel luidde van 1 april 2003 tot 1 april 2022) nog niet voltooid. De verliestermijn wordt door de verlenging van de verliestermijn van tien naar dertien jaar per 1 april 2022, met drie jaar verlengd. Derhalve verliest Y het Nederlanderschap op 1 mei 2025.

Model 3.2

Model 1.34. : Aanvullende gegevens van kind(eren) die het Nederlanderschap heeft/hebben verkregen

Bijlage 4

Model 4.1. Verklaring van verbondenheid

Model 1.35. : Uitwisselingsformulier

paragraaf 3.1. Bewijslast opvoeding en verzorging

6-1-b. Toelichting ad artikel 6 eerste lid, aanhef en onder b

6-1-d. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d

paragraaf 1. Algemeen

Met ingang van 1 maart 2009 verkrijgen minderjarige kinderen die jonger zijn dan zeven jaar en worden erkend door een Nederlander, door deze erkenning vanaf de datum van erkenning het Nederlanderschap (artikel 4, tweede lid RWN). Hetzelfde geldt voor minderjarige kinderen die zonder erkenning door wettiging het kind worden van een Nederlander (artikel 4, derde lid RWN). Indien een minderjarig kind dat zeven jaar of ouder is wordt erkend door een Nederlander verkrijgt het pas het Nederlanderschap indien het biologische vaderschap bij of binnen een jaar na erkenning wordt aangetoond door DNA-bewijs als bedoeld in het besluit DNA-onderzoek vaderschap (zie artikel 4 lid 4 RWN juncto artikel 4 lid 6 RWN). Indien de Nederlander die een kind van zeven jaar of ouder heeft erkend zijn biologische vaderschap niet kan of wil aantonen staat de mogelijkheid open van de optie op grond van artikel 6, eerste lid onder c RWN.

Deze regeling heeft geen betrekking op reeds onherroepelijk afgewezen zaken. Dit betekent dat in het geval van een reeds afgewezen optieverzoek, waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend, er geen recht bestaat op een heroverweging van de afgewezen zaak.

Deze regeling heeft geen betrekking op reeds onherroepelijk afgewezen zaken. Dit betekent dat in het geval van een reeds afgewezen optieverzoek, waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend, er geen recht bestaat op een heroverweging van de afgewezen zaak.

6-2. Toelichting ad artikel 6, tweede lid

paragraaf 4. Overgangsregeling

6-1-j. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j

Bernard komt overigens als oud-Nederlander wel voor verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie in aanmerking (zie artikel 8, tweede lid RWN), omdat hiervoor geen voorafgaande verblijfstermijn wordt gesteld.

paragraaf 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 1.36)

paragraaf 2.1. Informatieverstrekking

De hier bedoelde vreemdeling, die de optieverklaring in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN, als cumulatief:

Hij kan geen optieverklaring afleggen op grond artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN, omdat zijn moeder op de datum van zijn geboorte niet de Nederlandse nationaliteit had. Immers, een Nederlands onderdaan-niet-Nederlander is niet in het bezit van het Nederlanderschap.

paragraaf 1.3. De vader is niet-Nederlander ten tijde van geboorte van kind

paragraaf 1.3. De vader is niet-Nederlander ten tijde van geboorte van kind

paragraaf 1.5. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie

paragraaf 1.4. Voorbeelden: welke situaties vallen onder de optiemogelijkheid

paragraaf 1.4. Voorbeelden: welke situaties vallen onder de optiemogelijkheid

paragraaf 1.6. Vereiste documenten

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2.2. Andere verliesgronden dan verbonden aan het sluiten van een huwelijk met een niet-Nederlander onder de WNI 1892

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 1.2. Verkrijging Nederlanderschap door adoptie onder de WNI

paragraaf 1.2. Verkrijging Nederlanderschap door adoptie onder de WNI

paragraaf 1.4. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie

paragraaf 1.3. Bezit Nederlandse nationaliteit adopiefmoeder ten tijde van onherroepelijk uitspraak

paragraaf 1.5. Vereiste documenten

paragraaf 1.1. Afstamming door geboorte

Paragraaf 1.3. Vereiste documenten

Paragraaf 1.2. Eerste verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

paragraaf 1.1. Afstamming door adoptie binnen het Koninkrijk van een minderjarige

6-1-p. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 3. Bewijslast

paragraaf 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 1.36)

paragraaf 2.2. Afleggen van de optieverklaring

paragraaf 2.2.1.2. Minderjarige optant

Paragraaf 2.2.5.5. In het verleden overgelegde buitenlandse akten

paragraaf 2.2.1.4. Wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder

paragraaf 2.2.2. Uitsluitend schriftelijk optieverklaring afleggen

paragraaf 2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling

paragraaf 2.4.2.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009)

paragraaf 2.2.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 1.36)

paragraaf 2.2.4.2. Waarheidsverklaring

paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing

paragraaf 2.4.2.2. Verblijfsrechtelijke status optant

paragraaf 2.4.2.5. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder

Paragraaf 2.6. Administratieve verwerking van de bevestiging

paragraaf 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan

paragraaf 2.8.2. Bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging

paragraaf 2.9.2.1. Bezwaarschrift gegrond

paragraaf 2.12.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

6-5. Toelichting ad artikel 6, vijfde lid

6-6. Toelichting ad artikel 6, zesde lid

6a-2-c. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c

6a-2-d. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d

paragraaf 3.2.4. Wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder

paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)

paragraaf 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek

paragraaf 3.4.2. Waarheidsverklaring

Paragraaf 3.5. Over te leggen documenten

paragraaf 3.11. Bezwaar

Paragraaf 3.5.3. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)

paragraaf 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek

Paragraaf 3.5.7. Bewijsnood gelegaliseerde buitenlandse documenten

paragraaf 3.6. Inontvangstneming verzoek

paragraaf 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek

paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid gezaghebber

paragraaf 3. (geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd

paragraaf 3.8. Voorbereiding advies

paragraaf 3.13.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

paragraaf 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase

paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie

paragraaf 3.13.5. Procedurele aspecten na uitreiking

paragraaf 3. (geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd

Bijlage

8-1-a. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2.2. Verblijfsdocumenten

2.3.2.3. Rol van en procedures bij de aangewezen adviesinstanties

paragraaf 2. Procedure

paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander

Paragraaf 2.1.2. Aanvraagfase

Paragraaf 2.3.2. Beleid en procedure bij beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen

Paragraaf 2.1.2. Aanvraagfase

Paragraaf 2.2.2. Gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets als gevolg van de invoering van de tweetalige naturalisatietoets per 1 januari 2011

Paragraaf 2.3.1. Beleid en procedure bij beroep op ontheffing van de naturalisatietoets wegens een belemmering

Paragraaf 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets

2.3.2.2. Te volgen procedure bij de Gouverneur

paragraaf 4.5. Taakstraffen

paragraaf 1. Algemeen

8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid

paragraaf 4.7. Jeugdigen

Artikel 9

9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a

Paragraaf 4.10. Sepots en voorwaardelijke sepots

paragraaf 4.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen

paragraaf 4.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen

paragraaf 7.4. Beoordeling bijzondere feiten of omstandigheden

paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen

paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen

paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden

paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit

paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend

paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit

9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d

9-3-c. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder c

Paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim

Paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim

paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen

Artikel 11

paragraaf 3.4. Advies Minister van Justitie van Curaçao respectievelijk Sint Maarten (na overleg met de Minister van Onderwijs, Sport en Cultuur van Curaçao respectievelijk de Minister van Onderwijs, Cultuur, Jeugdzaken en Sport van Sint Maarten)

paragraaf 3.4. Advies Minister van Justitie van Curaçao respectievelijk Sint Maarten (na overleg met de Minister van Onderwijs, Sport en Cultuur van Curaçao respectievelijk de Minister van Onderwijs, Cultuur, Jeugdzaken en Sport van Sint Maarten)

paragraaf 3. Openbare orde

paragraaf 4. Instemmingsvereiste

paragraaf 4. Instemmingsvereiste

11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid

paragraaf 2. Verklaring van verbondenheid

paragraaf 8. Regeling 2009 m.b.t. gaten in de verblijfsrechtelijke historie

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 6. Openbare orde

11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid

Paragraaf 2.3. Belangenafweging

14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid

paragraaf 1.1. Tarieven

13-1. Toelichting ad artikel 13, eerste lid

paragraaf 1. Optiegelden

Paragraaf 2.3. Belangenafweging

paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling optiegelden

paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden

14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid

paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd

paragraaf 2.2. Tarieven D en E

paragraaf 2.3. Tarieven F en G

Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden

paragraaf 2.2. Tarieven D en E

paragraaf 2. Naturalisatiegelden

paragraaf 2.2. Tarieven D en E

paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges

paragraaf 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit

Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a

Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten

paragraaf 2. Algemeen

Paragraaf 2.3. Belangenafweging

paragraaf 2. Algemeen

Paragraaf 2.3. Belangenafweging

paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten

paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003

Paragraaf 2.3. Belangenafweging

2.5. Evenredigheidstoets Unieburgerschap

paragraaf 3.1. Administratieve handelingen

Paragraaf 2.3. Belangenafweging

14-5. Toelichting ad artikel 14, vijfde lid

Paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen

2.5. Evenredigheidstoets Unieburgerschap

paragraaf 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit

2.5.6. Weging belangen

2.5.3. Individueel belang

paragraaf 4.1. Voornemenprocedure

Paragraaf 4.2.2. Vreemdelingrechtelijke gevolgen van intrekking van het Nederlanderschap

Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure

Model 1.2. : Bijlage bij optieverklaring: aanvullende gegevens kinderen (van oud naar jong)

Model 1.4. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

Model 1.5. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

Model 1.3. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)

Model 1.7. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder e, RWN

Model 1.9. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, juncto artikel 26 van de Rijkswet op het Nederlanderschap

Model 1.16. : Verklaring van naamskeuze door ouders (kind jonger dan 16 jaar)

Model 1.16. : Verklaring van naamskeuze door ouders (kind jonger dan 16 jaar)

Model 1.17. : Verklaring van naamskeuze door kind (kind van 16 jaar of ouder)

Model 1.22. : Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verkrijging Nederlanderschap van minderjarige(n)

Model 1.22. : Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verkrijging Nederlanderschap van minderjarige(n)

Model 1.26. : Buitenbehandelingstelling optieverklaring wegens niet-betaling van optiegelden

Model 1.35. : Uitwisselingsformulier

Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure

Model 2.5. : Verklaring in verband met verlies van de Egyptische/Oostenrijkse/Zuid-Afrikaanse nationaliteit

Model 2.7. : Verzoek om naamswijziging bij naturalisatie2Wordt naamswijziging voor een minderjarig kind verlangd maar kan het kind, ingevolge bepalingen van het burgerlijk wetboek (artikel 7, lid 3, boek 1), niet delen in de geslachtsnaamswijziging van de verzoeker, dan dient een apart verzoek van de wettelijk vertegenwoordiger tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind te worden bijgevoegd. Kinderen van 12 tot en met 15 jaar kunnen hun zienswijze kenbaar maken. Voor kinderen van 16 jaar of ouder is instemming verplicht.

Model 2.8. Verklaring ‘Ingelicht over betaling van naturalisatiegelden’tevens inverzuimstelling1Een kopie van dit formulier wordt aan betrokkene meegegeven indien niet gelijktijdig bij het indienen van het verzoek om naturalisatie het verschuldigde bedrag is betaald. ; alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden

Model 2.8. Verklaring ‘Ingelicht over betaling van naturalisatiegelden’tevens inverzuimstelling1Een kopie van dit formulier wordt aan betrokkene meegegeven indien niet gelijktijdig bij het indienen van het verzoek om naturalisatie het verschuldigde bedrag is betaald. ; alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden

Model 2.5. : Verklaring in verband met verlies van de Egyptische/Oostenrijkse/Zuid-Afrikaanse nationaliteit

Model 2.9. : Brief zienswijze (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 12 jaar tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)

Sinds 1 april 2022 bedraagt de verliestermijn van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN dertien jaar. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2022 bedroeg de verliestermijn tien jaar. De verlenging van de verliestermijn van tien naar dertien jaar had onmiddelijke werking (Stb. 2021, nr. 572). Dat betekent dat, indien de verliestermijn van tien jaarop 1 april 2022 nog niet was volgelopen, deze met drie jaar werd verlengd.

Model 2.13. : Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verlening Nederlanderschap aan minderjarige(n)

Als een Nederlander ingevolge paragraaf 3 Abs (2) Staatsangehörigkeitsgesetz (2007) in 2007 met terugwerkende kracht de Duitse nationaliteit heeft verkregen zou dit kunnen betekenen dat hij/zij – achteraf bezien – het Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, eerste lid en aanhef onder c, RWN. Voor deze benadering wordt echter niet gekozen omdat het nationaliteitsbeleid ten aanzien van Nederlanders in het buitenland daardoor zou worden beïnvloed door wetgeving van een vreemde overheid. Immers, een vreemde staat zou door het met terugwerkende kracht van rechtswege verschaffen van zijn nationaliteit aan Nederlanders, hen het Nederlanderschap kunnen ontnemen. Dat is niet gewenst.

Sinds 1 april 2022 bedraagt de verliestermijn van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN dertien jaar. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2022 bedroeg de verliestermijn tien jaar. De verlenging van de verliestermijn van tien naar dertien jaar had onmiddelijke werking (Stb. 2021, nr. 572). Dat betekent dat, indien de verliestermijn van tien jaarop 1 april 2022 nog niet was volgelopen, deze met drie jaar werd verlengd.

Tussen 1 april 2003 en 1 april 2022 bedroeg de verliestermijn van artikel 15, eerste lid, onder c, RWN tien jaar. Voor het overige was de tekst van dit artikel in deze periode gelijk aan de tekst van het huidige artikel.

Tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 kon het Nederlanderschap eveneens verloren gaan door tienjarig verblijf buiten Nederland, Curaçao en Sint Maarten en Aruba. Dit was geregeld in het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Volgens het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN trad verlies van het Nederlanderschap op indien werd voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:

Het verlies als hiervoor bedoeld, trad niet in indien:

N.B. Onder vigeur van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN kon verlies van het Nederlanderschap niet worden voorkomen door de afgifte van een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument. Het verlies kon alleen worden tegengegaan óf door vóór het einde van de periode van tien jaar de woonplaats te vestigen in een ander land dan het geboorteland, óf door afstand te doen van de nationaliteit van het land van geboorte.

Door de verstrekking van één van laatstbedoelde documenten wordt de verliestermijn van dertien jaren gestuit. In het document moet op grond van artikel 3, zesde lid Paspoortwet het Nederlanderschap van de houder zijn vermeld. Behalve door afgifte van een Nederlands paspoort of een Nederlandse identiteitskaart wordt de termijn ook gestuit bij afgifte van een:

Vanaf de dag van de verstrekking van een dergelijk document begint een nieuwe verliestermijn van dertien jaren te lopen (artikel 15, vierde lid, RWN). Dus, als men er – steeds binnen dertien jaren – voor zorgt in het bezit te worden gesteld van bedoelde verklaring van Nederlanderschap, een Nederlands reisdocument of Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in de Paspoortwet, kan het Nederlanderschap nimmer op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN verloren gaan door verblijf in het buitenland.

Als ‘de dag der verstrekking’ van het Nederlandse paspoort geldt in beginsel de afgiftedatum van het reisdocument. Op die in het reisdocument vermelde datum stopt in beginsel een op grond van artikel 15, eerste lid en onder c RWN lopende dertienjaarstermijn en start een nieuwe termijn. Het gaat hier om een voor iedere burger en wetstoepasser duidelijke en goed vindbare datum.

Onder daartoe aanleiding gevende omstandigheden kan in een incidenteel geval worden onderzocht op welke datum (vlak voor de afgiftedatum) door de paspoortautoriteit intern is besloten om het paspoort te laten produceren. Dit is alleen van belang als een op grond van artikel 15, eerste lid en onder c RWN lopende dertienjaarstermijn afloopt/eindigt in de korte periode tussen de beslisdatum om het paspoort ten behoeve van de Nederlander te laten produceren en de in het vervolgens geproduceerde paspoort vermelde afgiftedatum. Het zal hier om zeer incidentele gevallen gaan. In een voorkomend geval is een op grond van artikel 15, eerste lid en onder c RWN lopende dertienjaarstermijn gestuit op de beslisdatum om het paspoort ten behoeve van de Nederlander te laten produceren. In een dergelijk geval wordt evenwel tevens aangenomen dat de volgende op grond van artikel 15, eerste lid en onder c RWN lopende dertienjaarstermijn is gestart op de afgiftedatum van het paspoort.

De verliestermijn kan niet worden omzeild door binnen de termijn van dertien jaren ‘eventjes’ naar bijvoorbeeld Bonaire, Sint Eustatius of Saba te komen. Immers, artikel 15, derde lid, RWN bepaalt dat de verliestermijn van dertien jaren geacht wordt niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf heeft in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, dan wel op gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is. Zie voor wat betreft het tijdstip van aanvang en/of eventuele verlenging van de termijn paragraaf 2.

Uit artikel 61 BvvN volgt dat als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap als bedoeld in artikel 15, vierde lid, RWN en in artikel V, tweede lid, RRWN geldt:

Model 2.15. : Formulier zienswijze (andere) ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamsvaststelling kind(eren)

Is de verklaring afgegeven vóór 1 april 2003 en bedoeld om te dienen als bewijs van het bezit van het Nederlanderschap, dan wordt het document als zodanig aanvaard, mits het is verstrekt door een Nederlandse autoriteit, dan wel de autoriteit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten (zie artikel 73, tweede lid, BvvN).

Uit de toelichting bij artikel 61 BvvN blijkt dat verklaringen omtrent het bezit van het Nederlanderschap geen andere betekenis hebben dan dat daaruit blijkt dat door de nationaliteitsrechter op het tijdstip van zijn beschikking, respectievelijk door de verstrekkende autoriteit op het tijdstip van verstrekking is vastgesteld, dat de in de beschikking of verklaring genoemde persoon op dat tijdstip de Nederlandse nationaliteit bezit.

Blijkens artikel IV, eerste lid, RRWN vangt de verliestermijn bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dat betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN zoals dat toen luidde, verlies van het Nederlanderschap kan intreden.

Alexandre, van Nederlandse en Franse nationaliteit, geboren in 1945 in Nederland, woont sedert 15 maart 1996 in de Verenigde Staten. Als hij – in het bezit van beide nationaliteiten – in de Verenigde Staten is blijven wonen, verloor hij zijn Nederlanderschap eerst verliezen op 1 april 2013 (en dus niet op 15 maart 2006!).

Model 2.11. : Formulier zienswijze naamswijziging/naamsvaststelling (minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar) (indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt)

Andrew, geboren op 1 mei 1995 in Australië, is van Nederlandse en Australische nationaliteit en woont sedert zijn geboorte in Australië. De verliestermijn van dertien jaar van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN vangt voor Andrew aan op 1 mei 2013 (vergelijk artikel IV RRWN). Op 5 september 2025 gaat Andrew in Italië wonen. Op 1 mei 2026 woont hij daar nog steeds. Andrew is nimmer in het bezit gesteld van een Nederlands reisdocument of van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap. Andrew verliest daarom op 1 mei 2026 zijn Nederlanderschap omdat hij op die datum nog niet een jaar of langer zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba, dan wel in gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is.

Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door intrekking door Onze Minister van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend, welke kan plaatsvinden, indien de betrokkene heeft nagelaten na de totstandkoming van zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.

Met betrekking tot het artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN zoals dat luidde tot 1 april 2022 kent de RRWN twee overgangsbepalingen, namelijk artikel IV RRWN voor personen die op 1 april 2003 hun Nederlanderschap nog niet hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN en artikel V RRWN voor personen die op grond van laatstbedoelde verliesbepaling hun Nederlanderschap vóór 1 april 2003 hebben verloren. Zie voor een uitleg van artikel V RRWN de toelichting onder dat artikel.

De tekst van artikel IV RRWN luidt:

Model 2.17. behorend bij artikel 4 Besluit bericht omtrent toelating Verzoek afgifte bericht omtrent toelating

Alexandre, van Nederlandse en Franse nationaliteit, geboren in 1945 in Nederland, woont sedert 15 maart 1996 in de Verenigde Staten. Als hij – in het bezit van beide nationaliteiten – in de Verenigde Staten is blijven wonen, verloor hij zijn Nederlanderschap eerst verliezen op 1 april 2013 (en dus niet op 15 maart 2006!).

Gegevens vreemdeling:

Als een afstandsplichtige drie jaar nadat hij een afstandsverzoek heeft ingediend nog geen bewijs van afstand heeft overgelegd, beoordeelt de IND of betrokkene al het nodige heeft gedaan om afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Hierbij zijn drie conclusies mogelijk:

Model 1.2. : Bijlage bij optieverklaring: aanvullende gegevens kinderen (van oud naar jong)

Als de betrokkene, ondanks zijn eerdere verklaring bereid te zijn tot het doen van afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit, na totstandkoming van de naturalisatie heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan de IND namens Onze Minister overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap.

Van de verzoeker om naturalisatie wordt verlangd dat hij het mogelijke doet om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen dan wel zich bereid verklaart om na de totstandkoming van de naturalisatie het mogelijke te zullen doen om die nationaliteit te verliezen (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN). Dit is alleen anders als iemand valt onder één van de uitzonderingscategorieën (zie de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN).

Een afstandsverklaring van de oorspronkelijke nationaliteit moet in beginsel gelegaliseerd zijn. Zonder legalisatie kan in beginsel geen waarde aan de afstandsverklaring worden gehecht. Alleen als uit algemene bronnen uit het betreffende land blijkt dat dit land nooit overgaat tot legalisatie, kan een afstandsverklaring worden geaccepteerd zonder legalisatie. Ook andere documenten afgegeven door de autoriteiten van het land van de oorspronkelijke nationaliteit moeten in beginsel gelegaliseerd zijn, als met deze documenten wordt beoogd aan te tonen dat voldoende inspanningen zijn verricht op grond waarvan de IND de afstandsprocedure kan afsluiten.

Buitenlandse documenten die niet in het Nederlands of Engels zijn opgesteld moeten in principe worden vertaald. De genaturaliseerde is zelf verantwoordelijk voor het laten vertalen van de door hem of haar ingebrachte documenten. Als uit een overgelegd document, dat niet vertaald is, niet valt af te leiden wat de inhoud van het stuk is, dan kan aan het document geen waarde worden toegekend voor wat betreft de afstandsprocedure.

De IND kan geen contact opnemen met een buitenlandse ambassade om de voortgang van het afstandsverzoek van een betrokkene te bespreken, tenzij betrokkene hiertoe schriftelijk toestemming heeft gegeven. Als een ambassade op eigen initiatief informatie aanlevert bij de IND over een specifiek afstandsverzoek, dan moet de IND dat aan betrokkene overleggen, als deze informatie (mede) leidt tot intrekking van het Nederlanderschap.

Als een afstandsplichtige drie jaar nadat hij een afstandsverzoek heeft ingediend nog geen bewijs van afstand heeft overgelegd, beoordeelt de IND of betrokkene al het nodige heeft gedaan om afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Hierbij zijn drie conclusies mogelijk:

De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.

Bericht omtrent toelating

Het Nederlanderschap gaat verloren op de datum van het intrekkingsbesluit. De hier bedoelde intrekking heeft – in tegenstelling tot de intrekking van artikel 14, eerste lid, RWN – geen terugwerkende kracht. Het intrekkingsbesluit kan ook verlies van het Nederlanderschap tot gevolg hebben van de minderjarige kinderen die aanvankelijk zijn meegenaturaliseerd, en wel op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (zie de toelichting bij artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN).

De genoemde verdragen geven Unieburgers onder meer de volgende rechten:

De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.14HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678).

De IND toetst of tussen het met de intrekking nagestreefde doel en de concrete Unierechten die door intrekking verloren gaan geen sprake is van onevenredigheid. Daarbij maakt de IND een afweging tussen enerzijds het algemeen belang bij intrekking van de Nederlandse nationaliteit en anderzijds het individuele belang dat betrokkene heeft bij het behoud van de rechten van het Unieburgerschap.

De IND voert geen evenredigheidstoets uit als betrokkene over een andere EU-nationaliteit beschikt naast het Nederlanderschap. De Unierechten kunnen dan immers uitgeoefend worden door het bezit van die andere EU-nationaliteit.

De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.

Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is.

Model 1.5. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

De genoemde verdragen geven Unieburgers onder meer de volgende rechten:

Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij naar de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen.

Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek.

Buitenlandse documenten die niet in het Nederlands, Engels, Duits of Frans zijn opgesteld moeten in principe worden vertaald. De genaturaliseerde is zelf verantwoordelijk voor het laten vertalen van de door hem of haar ingebrachte documenten. Als uit een overgelegd document, dat niet vertaald is, niet valt af te leiden wat de inhoud van het stuk is, dan kan aan het document geen waarde voor wat betreft de afstandsprocedure worden toegekend.

Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden

Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is.

Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert.

Model 1.1. : Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder a, RWN

Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij naar de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen.

Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.

De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.

Op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d RWN kan de IND de Nederlandse nationaliteit intrekken als betrokkene na verlening of verkrijging van de Nederlandse nationaliteit heeft nagelaten al het mogelijk te doen om zin oorspronkelijke nationaliteit te verliezen. Het algemeen belang is gelegen in het nastreven van enkelvoudige nationaliteit, van oudsher een belangrijke doelstelling van het Nederlandse nationaliteitsrecht.

Model 2.21. : Verklaring ‘geïnformeerd over negatief advies’

De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.

Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.

Zie voor de gevolgen van de intrekking voor bij de naturalisatie gewijzigde of vastgestelde namen, de toelichting bij artikel 14, eerste lid, RWN, paragraaf 5.3.

De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.

Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij naar de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen.

De IND volgt de voornemenprocedure bij intrekking van het Nederlanderschap op grond van het niet voldoen aan de afstandsplicht. Deze procedure is gelijk aan de procedure als beschreven in de toelichting ad artikel 14, eerste lid, paragraaf 4.1 HRWN.

Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden

De IND deelt namens Onze Minister direct na intrekking van het Nederlanderschap aan betrokkene mee dat hij niet langer afstand hoeft te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit.

Zie voor de gevolgen van de intrekking voor bij de naturalisatie gewijzigde of vastgestelde namen, de toelichting bij artikel 14, eerste lid, RWN, paragraaf 5.3.

Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap is een beschikking als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Awb is in het kader van de intrekking van toepassing ongeacht of de persoon in kwestie door tussenkomst van de burgemeester, de gezaghebber, de Gouverneur of een diplomatieke of consulaire post is genaturaliseerd, nu de beslissing tot intrekking zelf genomen wordt door Onze Minister in zijn hoedanigheid van Minister van het Koninkrijk. De persoon in kwestie kan tegen de beschikking bezwaar maken doch dit bezwaar heeft geen schorsende werking.

Op grond van artikel 70, eerste lid, BvvN wordt een afschrift van het besluit tot intrekking gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de desbetreffende persoon en, zo nodig, aan andere betrokken instanties (artikel 70, eerste lid, BvvN). Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BvvN zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent:

Model 1.3. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)

Model 1.4. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.

De intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg als betrokkene tijdens de bezwaarprocedure of nadat de intrekking in rechte is vast komen te staan, aantoont dat hij afstand had gedaan van zijn oorspronkelijke nationaliteit voor de datum van het intrekkingsbesluit. Betrokkene is dan altijd Nederlander gebleven. Uit artikel 14 lid 8 RWN volgt immers dat intrekking van het Nederlanderschap anders dan op grond van artikel 14 lid 1 RWN, geen staatloosheid tot gevolg mag hebben.

De IND volgt de voornemenprocedure bij intrekking van het Nederlanderschap op grond van het niet voldoen aan de afstandsplicht. Deze procedure is gelijk aan de procedure als beschreven in de toelichting ad artikel 14, eerste lid, paragraaf 4.1 HRWN.

Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap is een beschikking als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Awb is in het kader van de intrekking van toepassing ongeacht of de persoon in kwestie door tussenkomst van de burgemeester, de gezaghebber, de Gouverneur of een diplomatieke of consulaire post is genaturaliseerd, nu de beslissing tot intrekking zelf genomen wordt door Onze Minister in zijn hoedanigheid van Minister van het Koninkrijk. De persoon in kwestie kan tegen de beschikking bezwaar maken doch dit bezwaar heeft geen schorsende werking.

Wordt het bezwaar gegrond verklaard, dan zal het intrekkingsbesluit worden herroepen.

De herroeping werkt terug tot de datum van het intrekkingsbesluit. Hierdoor wordt betrokkene geacht nimmer het Nederlanderschap door intrekking te hebben verloren. Bij een ongegrond bezwaar is beroep mogelijk bij de rechtbank, sector Bestuursrecht.

Mocht betrokkene na ingesteld bezwaar c.q. beroep alsnog moeten worden aangemerkt als Nederlander, wordt de burgemeester wederom door de IND hiervan in kennis gesteld.

Model 1.12. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap

Model 1.1. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN

Het indienen van een verzoek om ontheffing, schort de lopende afstandsprocedure niet op. De voor die procedure gangbare termijnen blijven in beginsel van kracht. Indien positief wordt beslist op het verzoek tot ontheffing, wordt de lopende afstandsprocedure gelijktijdig afgerond.

De systematiek van de RWN staat er niet aan in de weg dat de IND, na verlening van het Nederlanderschap, de genaturaliseerde die in beginsel afstandsplichtig is, alsnog ontheft van de afstandsplicht.Raad van State 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:336. Dat betekent dat een (expliciet of impliciet) verzoek om ontheven te worden van de afstandsplicht nadat het Nederlanderschap is verleend, aangemerkt moet worden als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb en dat daarop een besluit in de zin van die bepaling dient te worden genomen. Deze beoordeling wordt neergelegd in een beschikking, waartegen rechtsmiddelen (bezwaar, beroep en hoger beroep) kunnen worden aangewend. Is het verzoek om ontheffing niet of onvoldoende duidelijk gemotiveerd, dan wordt herstelverzuim geboden.

Uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek om ontheffing is dat na de verlening of verkrijging van het Nederlanderschap in beginsel niet meer met succes een beroep kan worden gedaan op één van de uitzonderingcategorieën, die zijn geformuleerd voor de nadere uitvoering van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN en zijn vastgelegd in artikel 6 RvvN. Op dit uitgangspunt bestaan enkele uitzonderingen.

Ontheffing van de afstandsplicht kan in ieder geval wel aan de orde zijn als:

Een verzoek om ontheffing van de afstandsverplichting wordt in beginsel geweigerd als betrokkene daarvoor ten aanzien van één van de bestaande beleidsmatige uitzonderingcategorieën van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN feiten en/of omstandigheden aanvoert die hij ook al voor de naturalisatiedatum had kunnen weten of zich had kunnen realiseren. Ook gewijzigde persoonlijke omstandigheden of gewijzigde omstandigheden in het land van de andere nationaliteit (niet zijnde gewijzigde regels of praktijken ten aanzien van het doen van afstand) na verkrijging van het Nederlanderschap kunnen in beginsel niet leiden tot ontheffing van de afstandsverplichting.

In gevallen waarin sprake is van uitzonderlijke omstandigheden kan de IND betrokkene op grond van artikel 60 BvvN ontheffen van de afstandsplicht.

Van uitzonderlijke omstandigheden is, bijvoorbeeld, geen sprake als betrokkene zich beroept op gevolgen van het doen van afstand die zich bevinden in de sfeer van het verliezen van een baan, het moeten verhuizen, het niet op vakantie kunnen gaan in het land van de andere nationaliteit, het mislopen van een erfenis waar hij na verkrijging van het Nederlanderschap recht op heeft gekregen, of het feit dat de kinderen van betrokkene de betreffende nationaliteit ook verliezen.

Model 1.4. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

Model 1.5. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

In het geval verzoeker aangeeft de afstandsverplichting niet na te zullen komen, of niet reageert, kan in beginsel meteen worden overgegaan tot het uitbrengen van een voornemen tot intrekking van het Nederlanderschap.

Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap is een beschikking als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Awb is in het kader van de intrekking van toepassing ongeacht of de persoon in kwestie door tussenkomst van de burgemeester, de gezaghebber, de Gouverneur of een diplomatieke of consulaire post is genaturaliseerd, nu de beslissing tot intrekking zelf genomen wordt door Onze Minister in zijn hoedanigheid van Minister van het Koninkrijk. De persoon in kwestie kan tegen de beschikking bezwaar maken doch dit bezwaar heeft geen schorsende werking.

Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door intrekking door onze Minister van het besluit waarbij de verkrijging van het Nederlanderschap is bevestigd, welke kan plaatsvinden, indien de vreemdeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder e, heeft nagelaten na de verkrijging van het Nederlanderschap het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.

Model 1.9. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, juncto artikel 26 van de Rijkswet op het Nederlanderschap

Van de optant die een optieverklaring aflegt op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN wordt verlangd dat hij het mogelijke doet om zijn andere nationaliteit(en) te verliezen dan wel zich bereid verklaart om na de verkrijging van het Nederlanderschap het mogelijk te zullen doen om die nationaliteit te verliezen (artikel 6a, eerste lid, RWN). Dit is alleen anders als de optant valt onder een van de uitzonderingscategorieën (zie de toelichting bij artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN) (artikel 30b BvvN).

Model 1.11. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h, RWN

Het Nederlanderschap gaat verloren vanaf de datum van het intrekkingsbesluit. Er is geen sprake van terugwerkende kracht.

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (artikel 70, eerste lid, BvvN).

Model 1.2. HRWN-CM: Bijlage bij optieverklaring (aanvullende gegevens kinderen, van oud naar jong)

Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op de verkrijger

Zie de toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 1.1.

Met de uitzondering van artikel 15, tweede lid, aanhef en onder c, RWN is beoogd te komen tot het wegnemen van een drempel voor het aannemen van de nationaliteit van de andere echtgenoot in “nationaliteitsrechtelijk gemengde huwelijken”. Om diverse redenen werd het wenselijk geacht dat de Nederlandse echtgenoot in een dergelijk geval de nationaliteit van de andere echtgenoot verkrijgt. Daardoor krijgt betrokkene alle rechten en plichten van een staatsburger van het land waarvan hij de nationaliteit verwerft (het land van de echtgenoot) en kan hij volledig integreren en deelnemen aan het politieke leven in dat land. Om die wenselijk geachte stap te vergemakkelijken is, als uitzondering op de hoofdregel van het verlies van Nederlanderschap bij naturalisatie in een ander land, in de RWN bepaald dat in dat geval het Nederlanderschap behouden blijft.15Zie TK 1997-1998, 25 891 (R1609), nr. 3, p 1-3.

Artikel 15 , tweede lid, aanhef en onder c, RWN is dus niet van toepassing als twee echtelieden met de Nederlandse nationaliteit gelijktijdig, op dezelfde dag, een andere nationaliteit verkrijgen. De echtelieden zijn in die situatie niet gehuwd met een persoon die de andere nationaliteit (al) ‘bezit’.16Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2011 (ECLI:NL:RBSGR:2011:BP7378).

De heer A is gehuwd met mevrouw B. Beiden zijn in het bezit van het Nederlanderschap. Zij wonen sinds 2018 in het Verenigd Koninkrijk. Op 10 januari 2023 verkrijgen zowel de heer A als mevrouw B tegelijkertijd vrijwillig de Britse nationaliteit. Het echtpaar verliest hierdoor van rechtswege het Nederlanderschap op 10 januari 2023 ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN.

De heer C is gehuwd met mevrouw D. De heer C is in het bezit van het Nederlanderschap en mevrouw D is in het bezit van de Zuid-Afrikaanse nationaliteit. Zij wonen sinds 14 februari 2015 in de Verenigde Staten van Amerika. Op 12 december 2022 verkrijgen zowel de heer C als mevrouw D vrijwillig de Amerikaanse nationaliteit. De heer C verliest hierdoor van rechtswege het Nederlanderschap op 12 december 2023 ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. Hij heeft niet de nationaliteit van het land van zijn echtgenote verkregen, want de echtgenote is Zuid-Afrikaanse.

RWN: artikel 1.2

De periode bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt geacht niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten heeft, dan wel in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is.

Zie de toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, paragraaf 1.3 en paragraaf 2.

De regeling van artikel 15, tweede lid, RWN die in bepaalde gevallen verlies van het Nederlanderschap door vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit uitsluit, is zonder nadere beperking in strijd met volkenrechtelijke verplichtingen die Nederland heeft ten aanzien van bepaalde staten.

Model 1.6. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

Zie de toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, paragraaf 1.1 en paragraaf 1.2.

de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS).

RWN: artikel 1.2

Model 1.10. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN

De heer C is gehuwd met mevrouw D. De heer C is in het bezit van het Nederlanderschap en mevrouw D is in het bezit van de Zuid-Afrikaanse nationaliteit. Zij wonen sinds 14 februari 2015 in de Verenigde Staten van Amerika. Op 12 december 2022 verkrijgen zowel de heer C als mevrouw D vrijwillig de Amerikaanse nationaliteit. De heer C verliest hierdoor van rechtswege het Nederlanderschap op 12 december 2023 ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. Hij heeft niet de nationaliteit van het land van zijn echtgenote verkregen, want de echtgenote is Zuid-Afrikaanse.

De regeling van artikel 15, tweede lid, RWN die in bepaalde gevallen verlies van het Nederlanderschap door vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit uitsluit, is zonder nadere beperking in strijd met volkenrechtelijke verplichtingen die Nederland heeft ten aanzien van bepaalde staten.

Die volkenrechtelijke verplichtingen volgen uit:

Model 1.1. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN

de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS).

Model 1.2. HRWN-CM: Bijlage bij optieverklaring (aanvullende gegevens kinderen, van oud naar jong)

Model 1.3. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)

Denemarken: van 17 december 1972 tot 26 augustus 2015;

Hoofdregel van Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg is dat vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van een ander verdragsland automatisch leidt tot verlies van de oorspronkelijke nationaliteit. Dit betekent dat een meerderjarige Nederlander, die vrijwillig de nationaliteit van een ander verdragsland verkrijgt, het Nederlanderschap verliest, ook al zou hij behoren tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN, tenzij de nationaliteit wordt verkregen van een land dat was aangesloten bij het 2e protocol (verdrag gaat immers boven de wet). Het verlies vloeit rechtstreeks voort uit het verdrag.

Model 1.6. HRWN-CM: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)