Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
Laatst bijgewerkt 2026-08-31
State In force
Source BWB
artikelen 99
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Handelende wat betreft de artikelen 8, 8a, 11, tweede lid, 12, 13 en 31 van de Wet op de loonbelasting 1964, in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Handelende wat betreft artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, in overeenstemming met de Minister van Ontwikkelingssamenwerking;

Gelet op de artikelen 5b, 6, 8, 8a, 11, 11a, 12, 13, 13bis, 18, 19a, 19f, 19g, 25, vierde lid, 26, zesde lid, 28, 28a, 29, 31, eerste lid, onderdeel c, 31a, 32ab, 32ba, 33, 35d, 35e, 35k, 35l en 35m van de Wet op de loonbelasting 1964 en de artikelen 2e en 8 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1.1. Reikwijdte

Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 5b, 6, 8, 8a, 10a, 11, 11b, 12, 13, 13bis, 18, 25, vierde lid, 26, zesde lid, 27, 28, 28a, 29, 31, eerste lid, onderdeel c, 31a, 32, 32ab, 32ba, 33, 35, 35d, 35e, 35g, 35k, 35l, 35m en 38p van de Wet op de loonbelasting 1964 en de artikelen 2e, 10d, 10e en 10eb van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.

Artikel 1.2. Definities

1.

Deze regeling verstaat onder:

  • d. inhoudingsplichtigenverklaring: de verklaring dat degene aan wie die verklaring is afgegeven ten aanzien van artiesten of beroepssporters als inhoudingsplichtige is aangewezen;
  • e. Minister: de Minister van Financiën
  • f. werkplek: iedere plaats die in verband met het verrichten van arbeid wordt gebruikt en waarvoor voor de inhoudingsplichtige de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing is, met dien verstande dat niet als werkplek wordt aangemerkt een werkruimte gelegen in een woning, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of een woonwagen in de zin van artikel 1, onderdeel l, van de Wet op de huurtoeslag, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer;
  • h. jaaropgaaf: de opgave van het in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon, de op dat loon ingehouden belasting en premie voor de volksverzekeringen, de over dat loon door de inhoudingsplichtige verschuldigde premies werknemersverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, de op dat loon ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de volgens artikel 22a van de wet toegekende arbeidskorting ter zake van het loon dat wordt belast volgens de loonbelastingtabellen, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de wet;
2.

In deze regeling wordt onder een uitkering ingevolge een sociale verzekeringswet mede verstaan de toeslag die ingevolge de Toeslagenwet wordt verleend op die uitkering.

Hoofdstuk 2. Belastingplicht (hoofdstuk I van de wet)

Artikel 2.1. Gezelschappen met hoofdzakelijk leden uit verdragslanden, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden

1.

Aan het in artikel 5b, eerste lid, onder 2°, van de wet bedoelde aannemelijk maken wordt voldaan, indien degene met wie het gezelschap het optreden in Nederland of de sportbeoefening in Nederland is overeengekomen of degene van wie het gezelschap de gage ontvangt:

  • a. voor aanvang van het optreden of de sportbeoefening aan de hand van een document – waarvan hij een afschrift voor controle beschikbaar houdt – als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht, van ten minste het merendeel van de leden heeft vastgesteld dat zij inwoner zijn van dan wel gevestigd zijn in een land waarmee de Staat der Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden;
  • b. beschikt over de volgende documenten:
  • 2°. een schriftelijke verklaring van de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap dat het gezelschap hoofdzakelijk bestaat uit leden die inwoner zijn van of gevestigd zijn in een land waarmee de Staat der Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden;
  • 3°. een schriftelijke overeenkomst betreffende het optreden in Nederland of de sportbeoefening in Nederland, of een afschrift van die overeenkomst, waarin het gezelschap als vestigingsland vermeldt een land waarmee de Staat der Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden, en
  • 4°. een afschrift van een bank- of girorekening waaruit blijkt dat de gage van het gezelschap is overgemaakt naar een rekeninghouder die woont of is gevestigd in het in onderdeel c bedoelde vestigingsland.
2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien aan degene met wie het gezelschap het optreden in Nederland of de sportbeoefening in Nederland is overeengekomen of aan degene van wie het gezelschap de gage ontvangt, onjuiste verklaringen, documenten of gegevens zijn verstrekt en deze dit weet of redelijkerwijs had moeten weten.

Artikel 2.2. Uitzondering op fictieve dienstbetrekking sekswerkers

1.

De arbeidsverhouding van degene die als sekswerker persoonlijk arbeid verricht, wordt niet als dienstbetrekking beschouwd, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. met betrekking tot de arbeidsverhouding van de sekswerker wordt voldaan aan de in het tweede lid bedoelde voorwaarden;
  • b. met betrekking tot de inkomsten van de sekswerker wordt voldaan aan de in het derde lid bedoelde voorwaarden;
  • e. de exploitant verstrekt het voorlichtingsmateriaal van de Belastingdienst over de arbeidsverhouding van degene die als sekswerker persoonlijk arbeid verricht, aan de sekswerker;
  • f. de exploitant heeft met de sekswerker een schriftelijke overeenkomst gesloten waarin wordt verklaard dat aan de onderdelen a tot en met e zal worden voldaan;
  • g. de exploitant voldoet met betrekking tot al zijn arbeidsverhoudingen met degenen die als sekswerker persoonlijk arbeid verrichten, aan de onderdelen a tot en met f;
  • h. de exploitant draagt, binnen de geldende betalingstermijnen, de verschuldigde loonbelasting, premie volksverzekeringen, omzetbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet af en leeft hoofdstuk 7 na;
  • j. de exploitant heeft een vergunning voor het bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling indien dat vereist is op grond van de daarvoor geldende regels;
  • k. de exploitant is met de Belastingdienst schriftelijk overeengekomen dat hij zal voldoen aan de voorwaarden in dit lid.
2.

De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde voorwaarden met betrekking tot de arbeidsverhouding van de sekswerker zijn dat:

  • a. de sekswerker werkzaamheden kan weigeren en de eigen werktijden bepaalt;
  • b. de sekswerker vrij is in de kledingkeuze, mits de gekozen kleding gangbaar is in de branche;
  • c. de sekswerker mag weigeren om alcohol te drinken, en
  • d. de sekswerker vrij is in de keuze van een medische begeleider.
3.

De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde voorwaarden met betrekking tot de inkomsten van de sekswerker zijn dat:

  • a. de afspraken met betrekking tot de inkomsten schriftelijk zijn vastgelegd en worden nageleefd, en door de werkgever bij de administratie worden bewaard;
  • b. de exploitant bij iedere uitbetaling van inkomsten een overzicht aan de sekswerker verstrekt en aan het eind van het jaar een jaaroverzicht van de inkomsten verstrekt;
  • c. de inkomsten direct opeisbaar zijn;
  • d. de exploitant de sekswerker geen boeten volgens een boetesysteem of vergelijkbaar systeem in rekening brengt, en
  • e. de vergoeding voor extra werkzaamheden, die niet vooraf zijn overeengekomen met een cliënt, volledig toekomt aan de sekswerker.
4.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

  • a. inkomsten van de sekswerker: al hetgeen door de sekswerker uit de arbeidsverhouding met de exploitant wordt genoten;
  • b. exploitant: degene op wie de verplichting rust het loon van de sekswerker te betalen.

Artikel 2.3. Niet-inhoudingsplichtigen

1.

Niet als inhoudingsplichtige worden beschouwd:

  • a. United Nations:
  • 1°. International Residual Mechanism for Criminal Tribunals (IRMCT);
  • 2°. International Court of Justice (ICJ);
  • 3°. United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR);
  • 4°. Maastricht Economic and social Research and training centre on Innovation and Technology (UNU-MERIT);
  • 5°. Special Tribunal for Lebanon;
  • 6°. Residual Special Court for Sierra Leone, ’s-Gravenhage;
  • 7°. Interregional Crime and Justice Research Institute – Centre for Artificial Intelligence and Robotics (UNICRI);
  • 8°. Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA);
  • 9°. United Nations Development Programme (UNDP);
  • b. International Criminal Court (ICC);
  • c. Permanent Court of Arbitration;
  • d. Hague Conference on Private International Law;
  • e. NATO CI Agency;
  • f. European Union:
  • 1°. Vertegenwoordiging van de Europese Commissie;
  • 2°. Voorlichtingsbureau van het Europese Parlement;
  • 3°. European Police Office (Europol);
  • 4°. European Union’s Judicial Cooperation Unit (Eurojust);
  • 5°. Europees Geneesmiddelenbureau (EMA);
  • 6°. Kosovo Specialist Chambers and Specialist Prosecutors Office;
  • 7°. Galileo Reference Centre (GRC);
  • 8°. Europese Investeringsbank (EIB);
  • g. Office of the High Commissioner on National Minorities of the Organisation for Security and Cooperation in Europe (HCNM/OSCE);
  • h. Eurocontrol;
  • i. European Space Agency / European Space Research and Technology Center (ESA/ESTEC);
  • j. European Patent Organisation;
  • k. Iran-United States Claims Tribunal;
  • l. International Organisation for Migration (IOM);
  • m. Common Fund for Commodities (CFC);
  • n. Organisation for the Prohibition of Chemical Weapons (OPCW);
  • o. International Development Law Organization (IDLO);
  • p. European Commission Joint Research Centre Petten;
  • q. Centre for Integrated Surveys: International Institute for Aerial Survey and Earth Sciences (ITC-UNESCO);
  • r. International Institute for Democracy and Electoral Assistance (International IDEA);
  • s. International Commission on Missing Persons (ICMP);
  • t. het register van schade veroorzaakt door de agressie van de Russische Federatie tegen Oekraïne.
2.

De leden en functionarissen van de in het eerste lid genoemde volkenrechtelijke organisaties die diplomatieke voorrechten genieten en geen Nederlander zijn, worden niet als inhoudingsplichtige beschouwd ten aanzien van degenen die in hun persoonlijke dienst werkzaam zijn.

Artikel 2.4. Aangewezen inhoudingsplichtige bij de hulp van een thuiswerker

In afwijking van de artikelen 6 en 7 van de wet wordt ten aanzien van de hulp van de thuiswerker die doorgaans voor een opdrachtgever arbeid verricht, de opdrachtgever van die thuiswerker als inhoudingsplichtige aangewezen.

Artikel 2.5. Aangewezen inhoudingsplichtige bij een artiest of een beroepssporter

1.

In afwijking van artikel 8a, eerste en tweede lid, van de wet wordt, voor zover de voor het optreden van een artiest of de sportbeoefening van een beroepssporter overeengekomen gage, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de wet, wordt verstrekt aan degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring, als inhoudingsplichtige aangewezen: degene aan wie die verklaring is afgegeven.

2.

Voor zover degene aan wie een inhoudingsplichtigenverklaring is afgegeven gage van artiesten of beroepssporters verstrekt aan een ander aan wie een zodanige verklaring is afgegeven, wordt in zijn plaats die ander als inhoudingsplichtige aangewezen.

3.

Een inhoudingsplichtigenverklaring kan op verzoek door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking worden afgegeven aan:

  • a. de artiest of beroepssporter die als leider van een gezelschap optreedt;
  • c. degene met wie of degene door wiens bemiddeling het optreden van artiesten of de sportbeoefening van beroepssporters wordt overeengekomen;
  • d. degene die als onderneming uitoefent het verrichten van administratieve werkzaamheden voor derden, en de inhoudingsplicht en de daarmee samenhangende verplichtingen overneemt van degene met wie de artiest of de beroepssporter het optreden respectievelijk de sportbeoefening is overeengekomen.
4.

De inspecteur geeft geen inhoudingsplichtigenverklaring af indien de persoon of het lichaam, bedoeld in het derde lid, niet in Nederland woont of is gevestigd.

5.

De inhoudingsplichtigenverklaring is van toepassing gedurende een termijn van ten hoogste vijf jaren, te rekenen vanaf de datum van afgifte.

6.

Degene aan wie de inhoudingsplichtigenverklaring is afgegeven, bewaart het origineel van deze verklaring bij zijn loonadministratie en verstrekt een kopie van deze verklaring aan degene die op grond van artikel 8a, eerste en tweede lid, van de wet inhoudingsplichtige zou zijn, ter bewaring bij diens loonadministratie.

7.

De inspecteur trekt bij voor bezwaar vatbare beschikking de inhoudingsplichtigenverklaring in, indien:

  • a. de verklaring haar belang heeft verloren;
  • b. de op de verklaring vermelde gegevens niet juist zijn of niet meer juist zijn;
  • c. degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring niet meer in Nederland woont of is gevestigd;
  • d. degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring bij herhaling de inhoudingsplicht of de daarmee samenhangende verplichtingen niet nakomt;

Artikel 2.6. Bij overeenkomst aangewezen inhoudingsplichtige bij een beroepssporter

Indien artikel 2.5 niet van toepassing is en met de Minister is overeengekomen dat de belasting zal worden ingehouden door een ander dan degene met wie de sportbeoefening is overeengekomen ten aanzien van de beroepssporter, wordt in afwijking van artikel 8a, eerste en tweede lid, van de wet als inhoudingsplichtige aangewezen: degene die op grond van de overeenkomst de inhouding overneemt.

Hoofdstuk 3. Voorwerp van de belasting (hoofdstuk II van de wet)

Artikel 3.0. Fictie verhandelbaarheid aandelen

1.

Bij opkoop van een deel van de aandelen van een niet-beursgenoteerde onderneming waarin werknemers aandelen hebben verkregen bij uitoefening van een aandelenoptierecht als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van de wet, waarop artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, van de wet nog geen toepassing heeft gevonden en waarbij voor deze aandelen op basis van inschrijving door de inhoudingsplichtige wordt bepaald welke werknemer voor welk deel zijn aandelen kan vervreemden, worden deze aandelen geacht verhandelbaar te worden in de zin van artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet voor:

  • a. een werknemer die zich heeft ingeschreven: voor hetgeen die werknemer feitelijk op basis van de uitkomst van de inschrijving kan vervreemden;
  • b. een werknemer die zich had kunnen inschrijven: voor hetgeen die werknemer indien hij zich had ingeschreven had kunnen vervreemden bepaald naar de verhouding waarin het maximaal op te kopen aantal aandelen staat tot het maximaal aan te bieden aantal aandelen van alle werknemers die zich konden inschrijven met dien verstande dat indien de opkoop feitelijk geen doorgang vindt hetgeen hij had kunnen vervreemden op nihil wordt gesteld.
2.

De inhoudingsplichtige administreert bij de loonadministratie:

  • a. het aanbod van degene die de aandelen wil opkopen en de voorwaarden die hierbij worden gesteld;
  • b. de beschrijving van het proces van inschrijving voor de opkoop;
  • c. welke werknemers zich kunnen inschrijven en voor welk deel van hun aandelen;
  • d. welke werknemers zich hebben ingeschreven en welk deel van hun aandelen zij feitelijk vervreemden.

Artikel 3.1. Loon voor de toepassing van enkele regelingen

Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdelen m en o, van de wet, en van artikel 3.3a, onderdeel b, wordt het loon in aanmerking genomen met inachtneming van het volgende:

  • b. tantièmes en toevallige bijzondere beloningen, alsmede tot het loon behorende aanspraken worden niet in aanmerking genomen.

Artikel 3.1a. Niet tot het loon behorende voorzieningen

Als niet tot het loon behorende voorzieningen voor militaire oorlogs- of dienstslachtoffers die verband houden met invaliditeit als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel l, van de wet worden aangewezen: voorzieningen in de zin van de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers.

Artikel 3.2. Niet tot het loon behorende aanspraken

Vervallen

Artikel 3.3. Geclausuleerd verlof

Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel r, onder 2°, van de wet wordt als geclausuleerd verlof aangewezen: verlof dat voor specifieke doeleinden wordt toegekend, zoals buitengewoon verlof, zwangerschapsverlof, bevallingsverlof, kraamverlof, ouderschapsverlof, adoptieverlof, verlof in verband met pleegzorg, calamiteiten- en ander kort verzuimverlof, kort- en langdurend zorgverlof, educatief verlof, politiek verlof en palliatief verlof.

Artikel 3.3a. Niet tot het loon behorende aanspraken

Tot het loon behoren niet:

  • a. aanspraken op een eenmalige uitkering bij het beëindigen van de dienstbetrekking anders dan vanwege arbeidsongeschiktheid of overlijden van de werknemer, vervroegd uittreden of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;
  • b. aanspraken op een eenmalige uitkering bij het beëindigen van de dienstbetrekking wegens arbeidsongeschiktheid of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, indien deze uitkering driemaal het loon van een maand niet overtreft;
  • c. aanspraken op uitkeringen en verstrekkingen in door de Minister aan te wijzen gevallen.

Artikel 3.4. Minimale periode uitkeringstermijnen bij stamrechtspaarrekening en stamrechtbeleggingsrecht

Vervallen

Artikel 3.5. Niet tot het loon gerekende premie

Tot het loon behoort niet de krachtens de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen verstrekte premie, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, onderdeel b, van het Algemene inkomensbesluit socialezekerheidswetten, mits in het jaar waarin de premie is verstrekt geen vergoeding is genoten als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, onderdeel c, van dat besluit.

Artikel 3.6. Fooien en dergelijke prestaties van derden

1.

Fooien en dergelijke prestaties van derden worden niet tot het loon gerekend, voor zover bij het bepalen van het voor de werknemer rechtens geldende loon met het ontvangen van deze fooien of dergelijke prestaties van derden geen rekening is gehouden.

2.

De werknemer die werkzaam is bij een onderneming waarin horeca-activiteiten worden verricht en die van zijn werkgever niet ten minste het voor hem rechtens geldende loon ontvangt, wordt geacht fooien en dergelijke prestaties van derden te genieten tot een bedrag ter grootte van dat rechtens geldende loon verminderd met het rechtstreeks van de werkgever ontvangen loon. Indien de werkgever in overeenstemming met de werknemer het bedrag aan fooien en dergelijke prestaties van derden op een hoger bedrag schat, wordt van dat geschatte bedrag uitgegaan.

Artikel 3.6a. Bepaling overschrijden de-minimisplafond bij gebruikelijkloonregeling

Vervallen

Artikel 3.7. Bepaling waarde voorzieningen op de werkplek (waarde nihil)

1.

De waarde van de volgende voorzieningen, in redelijkheid, wordt gesteld op nihil, ingeval deze geheel of gedeeltelijk op de werkplek gebruikt of verbruikt worden:

  • a. voorzieningen waarvan het niet gebruikelijk is deze elders te gebruiken of verbruiken;
  • b. ter beschikking gestelde kleding die:
  • 1°. uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om tijdens de vervulling van de dienstbetrekking te worden gedragen;
  • 2°. per kledingstuk is voorzien van een of meer duidelijk zichtbare, aan de inhoudingsplichtige gebonden beeldmerken met een oppervlakte van tezamen ten minste 70cm², of
  • 3°. achterblijft op de werkplek;
  • c. consumpties die geen deel uitmaken van een maaltijd;
  • d. huisvesting en inwoning, met inbegrip van – indien mede verstrekt – het genot van energie, water en bewassing, ter vervulling van de dienstbetrekking, indien de werknemer niet op de werkplek woont en zich redelijkerwijs niet aan deze voorziening kan onttrekken.
2.

In afwijking in zoverre van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel f, worden voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, met betrekking tot personeelsfestiviteiten met een gezamenlijk karakter onder werkplek verstaan alle werkplekken van werknemers van de inhoudingsplichtige of een met de inhoudingsplichtige in concernverband opererende inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 32 van de wet.

Artikel 3.8. Bepaling waarde voorzieningen op de werkplek (lager dan waarde in het economische verkeer of factuurwaarde)

De waarde van de volgende voorzieningen die op de werkplek gebruikt of verbruikt worden, wordt gesteld op de daarbij vermelde bedragen:

  • a. maaltijden: de waarde wordt gesteld op € 4,05;
  • b. huisvesting en inwoning, anders dan de ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking ter beschikking gestelde woning, met inbegrip van – indien mede verstrekt – het genot van energie, water en bewassing: de waarde wordt gesteld € 7,00 per dag;

Artikel 3.9. Bepaling waarde privégebruik van openbaar vervoerkaart en voordeelurenkaart

Vervallen

Artikel 3.10. Bepaling waarde rentevoordeel personeelsleningen

Vervallen

Artikel 3.11. Bepaling waarde genot van de dienstwoning

1.

De waarde van het genot van een ter beschikking gestelde woning waarvan het gebruik voor de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking is vereist, wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer van dat genot met een maximum van 18% van het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon bij een overeengekomen arbeidsduur van 36 uur per kalenderweek.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt de waarde van het genot van de woning waarvan het gebruik voor de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking is vereist, aangemerkt als niet behorend tot het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon.

Artikel 3.12. Bepaling waarde aanspraken, waaronder aanspraken op ziektekostenregelingen

1.

De waarde van een aanspraak om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen, wordt gesteld op de bedragen die bij een derde worden gestort of, voor zover geen stortingen worden verricht, zouden moeten worden gestort teneinde de aanspraak te dekken.

2.

In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt per kalenderjaar de waarde van een aanspraak ingevolge een ziektekostenregeling ten behoeve van ten minste 25 werknemers of gewezen werknemers die gedurende het gehele voorafgaande kalenderjaar heeft bestaan, voor zover geen stortingen bij derden worden verricht, gesteld op het bedrag van de gemiddelde uitkering. De gemiddelde uitkering is het rekenkundige gemiddelde van de jaargemiddelden van de afgelopen vijf kalenderjaren. Het jaargemiddelde is het gezamenlijke bedrag van de ter zake door of namens de inhoudingsplichtige gedane uitkeringen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer, gedeeld door het aantal personen dat in het desbetreffende jaar gedurende ten minste zes maanden gerechtigd is geweest. Indien zulks tot een lagere gemiddelde uitkering leidt, worden het hoogste en het laagste jaargemiddelde buiten beschouwing gelaten en is de gemiddelde uitkering het rekenkundige gemiddelde van de jaargemiddelden van de andere drie kalenderjaren.

3.

Indien de in het tweede lid bedoelde regeling minder dan vijf gehele kalenderjaren heeft bestaan, is dat lid van overeenkomstige toepassing op het mindere aantal gehele kalenderjaren, met dien verstande dat bij een bestaansduur van de regeling van een of twee gehele kalenderjaren de laatste volzin van dat lid niet van toepassing is.

4.

De waarde van een aanspraak ingevolge een wettelijke Belgische ziektekostenverzekering bedraagt maximaal het gezamenlijke bedrag van de voor dat jaar geldende standaardpremie, bedoeld in artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag, welke standaardpremie tweemaal in aanmerking wordt genomen ingeval sprake is van een op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2004, L 166) meeverzekerde echtgenoot als bedoeld in die verordening, en het voor dat jaar geldende maximumbedrag van de inkomensafhankelijke bijdrage volgens hoofdstuk 5 van de Zorgverzekeringswet.

5.

In afwijking van de vorige leden wordt de waarde van een aanspraak op een ziektekostenregeling met een waarde van ten hoogste € 27 per jaar op nihil gesteld.

Artikel 3.13. Privégebruik auto; rittenregistratie, loontijdvakken en verklaring geen privégebruik

1.

De rittenregistratie, bedoeld in artikel 13bis, derde lid, van de wet, bevat ten minste de volgende gegevens:

  • a. merk, type en kenteken van de auto;
  • b. periode van terbeschikkingstelling van de auto;
  • c. per rit:
  • 1°. datum;
  • 2°. beginstand en eindstand van de kilometerteller;
  • 3°. beginadres en eindadres;
  • 4°. de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke;
  • 5°. het karakter van de rit.
2.

Indien in een loontijdvak de vergoeding die de werknemer voor het gebruik voor privédoeleinden verschuldigd is, uitgaat boven het voor dat loontijdvak op grond van artikel 13bis, eerste en tweede lid, van de wet berekende voordeel, wordt in dat loontijdvak een negatief bedrag ter grootte van het verschil tussen het berekende voordeel en de verschuldigde vergoeding als voordeel in aanmerking genomen, voor zover op kalenderjaarbasis het berekende voordeel ten minste gelijk is aan de vergoeding voor het gebruik voor privédoeleinden.

3.

Een verzoek om een verklaring geen privégebruik als bedoeld in artikel 13bis, achtste lid, van de wet bevat ten minste de volgende gegevens:

  • a. de naam, het adres en het burgerservicenummer van de werknemer;
  • b. het kenteken van de auto, indien dit bekend is en het verzoek betrekking heeft op één auto;
  • c. het jaar van ingang van de verklaring.

Hoofdstuk 4. Pensioenregelingen (hoofdstuk IIb van de wet)

Artikel 4.1. Splitsing pensioenregeling

1.

Bij overschrijding van de in of krachtens hoofdstuk IIB van de wet opgenomen begrenzingen, bedoeld in artikel 18, derde lid, van de wet, kan de inhoudingsplichtige de inspecteur uiterlijk op het eerste moment van overschrijding van de begrenzingen verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen welk deel van de aanspraak binnen de begrenzingen blijft en welk deel de begrenzingen te boven gaat.

2.

Met inachtneming van de in het eerste lid bedoelde beschikking administreert de inhoudingsplichtige bij de loonadministratie afzonderlijk jaarlijks welk deel van de aanspraak tot het loon behoort en welk deel niet, alsmede de waarde van het deel dat jaarlijks in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. Tevens administreert de inhoudingsplichtige naar rato van deze verdeling welk deel van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen als loon uit vroegere dienstbetrekking in aanmerking zal worden genomen en welk deel als voordeel uit sparen en beleggen wordt behandeld.

3.

Van de ingevolge het tweede lid geadministreerde verdeling van de aanspraak en waarde van het deel dat in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, alsmede de verdeling van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen, verstrekt de inhoudingsplichtige jaarlijks een opgave aan de inspecteur.

Artikel 4.2. Aanwijzing van een aantal van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte

Voor de toepassing van artikel 10d van het besluit worden van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aangewezen: IJsland, Noorwegen en Liechtenstein.

Artikel 4.3. Samenloop verschillende pensioenstelsels

Vervallen

Hoofdstuk 5. Levensloopregeling (hoofdstuk IIC van de wet)

Artikel 5.1. Schriftelijke vastlegging levensloopregeling

Vervallen

Artikel 5.2. Levensloopregeling

Vervallen

Artikel 5.3. Levenslooprekening

Vervallen

Artikel 5.4. Levensloopverzekering

Vervallen

Artikel 5.5. Levenslooprecht van deelneming

Vervallen

Artikel 5.6. Maximale opbouw in een jaar

Vervallen

Artikel 5.7. Toegestane aangroei boven het plafond bij een levenslooprekening, bij een levensloopverzekering en bij een levenslooprecht van deelneming

Vervallen

Artikel 5.8. Wijze van beschikken over het levenslooptegoed

Vervallen

Artikel 5.9. Kredietfaciliteit

Vervallen

Artikel 5.10. Opgebouwde voorziening bij het ingaan van het ouderdomspensioen

Vervallen

Artikel 5.11. Aangewezen buitenlandse aanbieders

Vervallen

Hoofdstuk 6. Tarief (hoofdstuk III van de wet)

Artikel 6.1. Afwijkend loontijdvak bij een werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen werkzaam is

Ten aanzien van de werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen per week werkzaam is, wordt in afwijking in zoverre van artikel 25, eerste lid, van de wet, als loontijdvak aangemerkt:

  • a. indien het loon per week wordt uitbetaald: de week;
  • b. indien het loon per vier weken wordt uitbetaald: het tijdvak van vier weken;
  • c. indien het loon per maand wordt uitbetaald: de maand.

Artikel 6.2. Afwijkend loontijdvak bij een werknemer met vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of daarmee overeenkomende aanspraken

Vervallen

Artikel 6.3. Afwijkend loontijdvak bij sommige studenten en scholieren

1.

Ten aanzien van de loon uit tegenwoordige dienstbetrekking genietende werknemer die met betrekking tot een kalenderkwartaal als student of scholier wordt aangemerkt en die schriftelijk, gedagtekend en ondertekend te kennen heeft gegeven dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak wordt aangemerkt, kan, in afwijking in zoverre van artikel 25, eerste lid, van de wet, voor loonbetalingen waarvan het inhoudingstijdstip in dat kwartaal is gelegen, dat kwartaal als loontijdvak worden aangemerkt.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt met betrekking tot een kalenderkwartaal als student of scholier aangemerkt:

  • c. de werknemer voor wie bij het begin van het kalenderkwartaal recht bestaat op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet;
  • d. de werknemer die bij het begin van het kalenderkwartaal staat ingeschreven bij een onderwijsinstelling waar hij een voltijdse opleiding volgt en die inwoner is van een lidstaat van de Europese Unie, van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland en die in het bezit is van een door de Minister aangewezen internationale studentenkaart.
3.

Voor de toepassing van het eerste lid bewaart de inhoudingsplichtige bij zijn loonadministratie een schriftelijke door de werknemer gedagtekende en ondertekende verklaring dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak kan worden aangemerkt, alsmede:

  • a. ingeval het tweede lid, onderdeel a of b, van toepassing is: het burgerservicenummer;
  • b. ingeval het tweede lid, onderdeel c, van toepassing is: het burgerservicenummer;
  • c. ingeval het tweede lid, onderdeel d, van toepassing is: een kopie van de internationale studentenkaart.
4.

Indien in het kwartaal meer dan eens loon wordt verstrekt, wordt de op een inhoudingstijdstip verschuldigde belasting bepaald op de belasting die is verschuldigd over het in dat kwartaal in totaal verstrekte loon, verminderd met de reeds ingehouden belasting.

5.

Bij toepassing van dit artikel is in geval van twee opeenvolgende dienstbetrekkingen artikel 23 van de wet niet van toepassing.

Artikel 6.4. Toepassing tabel bijzondere beloningen bij wisseling van werkgever binnen een samenhangende groep inhoudingsplichtigen

Ingeval de inhoudingsplichtige van de werknemer en de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtige van de werknemer behoren tot een samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van de wet, wordt de werknemer voor de toepassing van artikel 26, derde lid, van de wet geacht het van deze inhoudingsplichtigen genoten loon van één inhoudingsplichtige te hebben genoten.

Hoofdstuk 7. Wijze van heffing (hoofdstuk IV van de wet)

Artikel 7.1. In de onderneming van de ouder werkzame kinderen

1.

Ten aanzien van een in artikel 27, zesde lid, van de wet bedoeld kind, kan de inspecteur onder door hem te stellen voorwaarden toestaan dat de belasting wordt ingehouden op de eerste werkdag van het volgende kalenderjaar, met toepassing van de loonbelastingtabellen voor het kalenderjaar waarin het loon is verstrekt. Alsdan wordt het in dat kalenderjaar verstrekte loon geacht in gelijke delen te zijn verstrekt over de kalenderkwartalen waarin het kind werkzaam is geweest, en vinden artikel 26 van de wet en de krachtens dat artikel vastgestelde loonbelastingtabellen voor bijzondere beloningen geen toepassing.

2.

Voor de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de belasting, bedoeld in het eerste lid, geacht te zijn ingehouden in het kalenderjaar waarin het loon is verstrekt.

3.

Indien de belasting wordt ingehouden op de voet van het eerste lid, zijn ten aanzien van het in dat lid bedoelde kind de artikelen 7.2 en 7.9 niet van toepassing.

Artikel 7.2. Loonstaat

1.

De inhoudingsplichtige legt voor iedere werknemer voor de eerste loonverstrekking in het kalenderjaar een loonstaat aan en houdt deze vervolgens bij. De loonstaat wordt opgemaakt overeenkomstig het door de inspecteur verstrekte model. De inhoudingsplichtige mag een van het model afwijkende loonstaat gebruiken, mits deze ten minste de mogelijkheid biedt op duidelijke wijze dezelfde gegevens te administreren als het model.

2.

De inhoudingsplichtige wordt geacht aan het eerste lid te voldoen ingeval hij met behulp van elektronische apparatuur alle van belang zijnde gegevens vastlegt en hij die gegevens op elk gewenst tijdstip op schrift in de vorm van een van de in het eerste lid bedoelde loonstaten ter inzage kan verstrekken.

3.

De inspecteur kan onder door hem te stellen voorwaarden ermee instemmen dat de inhoudingsplichtige de op de loonstaat te vermelden gegevens op een andere dan de in het eerste of het tweede lid bedoelde wijze administreert. De instemming kan te allen tijde worden ingetrokken indien de administratie niet zodanig is ingericht dat een deugdelijke controle gewaarborgd is.

4.

De inhoudingsplichtige ontleent de in het hoofd van de loonstaat te vermelden gegevens aan:

  • a. de laatstelijk door de werknemer op grond van artikel 7.9 verstrekte informatie;
  • b. de door de werknemer of de Belastingdienst verstrekte opgave van het burgerservicenummer.
5.

In afwijking in zoverre van het vierde lid, aanhef en onderdeel a, vermeldt de inhoudingsplichtige in het hoofd van de loonstaat de gegevens die hem bekend zijn:

  • a. indien hij weet dat de laatstelijk door de werknemer op grond van artikel 7.9 verstrekte informatie onjuist is;
  • b. zolang de werknemer geen informatie als bedoeld in artikel 7.9 heeft verstrekt;
  • c. indien de werknemer geen informatie als bedoeld in artikel 7.9 hoeft te verstrekken.
6.

De inhoudingsplichtige houdt, behalve in de gevallen, bedoeld in artikel 26b van de wet, de belasting in aan de hand van de gegevens, vermeld in het hoofd van de loonstaat.

7.

De inhoudingsplichtige houdt de loonadministratie op de plaats waar hij in Nederland kantoor houdt of, indien zodanig kantoor niet wordt gehouden, op de plaats waar hij in Nederland woont of gevestigd is, of op de plaats waar hij in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep of een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft. Bij gebreke daarvan houdt hij de loonadministratie onder zijn berusting. De inspecteur kan een andere plaats aanwijzen.

8.

Ingeval de loonberekening door derden wordt uitgevoerd met behulp van mechanische of elektronische apparatuur, kan de Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, bepalen dat de loonadministratie op een andere plaats wordt bewaard.

9.

Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van de werknemer die uitkeringen geniet ingevolge de Participatiewet.

Artikel 7.3. Administratie uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdelen m en o, van de wet

1.

De inhoudingsplichtige administreert bij de loonadministratie de gegevens met betrekking tot uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdelen m en o, van de wet.

2.

De inhoudingsplichtige kan de in het eerste lid bedoelde gegevens op een andere plaats administreren dan bij de loonadministratie, mits:

  • a. hij dit onder vermelding van de nieuwe bewaarplaats vooraf meldt aan de inspecteur, en
  • b. de gegevens op verzoek van de inspecteur voor controle beschikbaar komen op de plaats waar de loonadministratie wordt gevoerd.

Artikel 7.4. Jaaropgaaf

1.

De inhoudingsplichtige verstrekt aan de werknemer een jaaropgaaf.

2.

De jaaropgaaf, bedoeld in het eerste lid, bevat in elk geval de volgende gegevens:

  • a. de naam van de werknemer;
  • b. het burgerservicenummer van de werknemer;
  • c. de naam van de inhoudingsplichtige;
  • d. het in het voorafgaande kalenderjaar door de werknemer genoten loon;
  • e. de op het loon, bedoeld in onderdeel d, ingehouden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen;
  • f. de door de inhoudingsplichtige over het loon, bedoeld in onderdeel d, verschuldigde premies werknemersverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet;
  • g. de op het loon, bedoeld in onderdeel d, ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet;
3.

De verstrekking van de jaaropgaaf, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien aan de werknemer opgave van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, is verstrekt in de vorm van een opgave als bedoeld in artikel 626 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

4.

Ten aanzien van de werknemer van wie in verband met gemoedsbezwaren geen premie voor de volksverzekeringen is geheven, bevat de jaaropgaaf de mededeling dat in plaats van premie voor de volksverzekeringen tot eenzelfde bedrag premievervangende belasting is ingehouden.

Artikel 7.5. Identificatieplicht

1.

De inhoudingsplichtige stelt voor de datum van aanvang van de werkzaamheden van de werknemer, of voor de aanvang van de werkzaamheden indien de dienstbetrekking is overeengekomen op de datum waarop de werkzaamheden aanvangen, de identiteit van de werknemer vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht en houdt een afschrift van dat document voor controle beschikbaar bij de loonadministratie.

2.

Indien uit het afschrift van het in het eerste lid bedoelde document niet de aard en het nummer van dat document blijkt, administreert de inhoudingsplichtige de aard en het nummer van dat document bij de loonadministratie.

3.

De inspecteur kan, al dan niet onder door hem te stellen voorwaarden, bepalen dat de in dit artikel bedoelde gegevens en afschriften op een andere plaats worden bewaard.

4.

De inhoudingsplichtige bewaart de in dit artikel bedoelde gegevens en afschriften ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd.

Artikel 7.6. Eerstedagsmelding

1.

De eerstedagsmelding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel g, van de wet, bevat:

  • a. het loonheffingennummer van de inhoudingsplichtige;
  • b. het burgerservicenummer van de werknemer of, bij het ontbreken daarvan, een uniek personeelsnummer;
  • c. de naam van de werknemer;
  • d. de geboortedatum van de werknemer;
  • e. de datum van aanvang van de werkzaamheden.
2.

De eerstedagsmelding, bedoeld in het eerste lid, hoeft niet te worden gedaan ingeval de werknemer zijn werkzaamheden aanvangt bij een inhoudingsplichtige die met de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtige van de werknemer behoort tot dezelfde samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van de wet.

Artikel 7.7. Einde inhoudingsplicht

Indien een inhoudingsplichtige in enig tijdvak voorziet dat hij gerekend vanaf het einde van dat tijdvak ten minste 12 maanden geen inhoudingsplichtige zal zijn, doet hij daarvan binnen een maand na afloop van dat tijdvak mededeling aan de inspecteur.

Artikel 7.8. Afwijkende regels met betrekking tot de verplichting tot het indienen van een correctiebericht

1.

Indien de gewezen inhoudingsplichtige binnen de in artikel 28a, tweede lid, onderdelen a of c, van de wet bedoelde termijn constateert dat hij een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan, is hij verplicht binnen acht weken na deze constatering al dan niet door middel van een correctiebericht alsnog de juiste en volledige gegevens te verstrekken.

2.

Indien de inspecteur ten aanzien van de gewezen inhoudingsplichtige binnen de in artikel 28a, tweede lid, onderdelen b of d, van de wet bedoelde termijn constateert dat deze een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan, kan hij deze verplichten binnen een door hem te stellen termijn al dan niet door middel van een correctiebericht alsnog de juiste en volledige gegevens te verstrekken.

3.

Voor de inhoudingsplichtige voor wie het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald een kalenderhalfjaar of kalenderjaar is, geldt in afwijking in zoverre van artikel 28a, tweede lid, onderdelen a en c, van de wet dat het correctiebericht met de juiste en volledige gegevens binnen acht weken na de constatering van de onjuistheid of onvolledigheid moet worden verstrekt.

4.

Ten aanzien van de inhoudingsplichtige voor wie het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald een kalenderhalfjaar of kalenderjaar is, geldt in afwijking in zoverre van artikel 28a, tweede lid, onderdelen b en d, van de wet dat het correctiebericht met de juiste en volledige gegevens binnen een door de inspecteur te stellen termijn moet worden verstrekt.

5.

Indien een correctiebericht betrekking heeft op een aangifte over een tijdvak in een verstreken kalenderjaar kan:

  • a. de inhoudingsplichtige, in afwijking van artikel 28a, tweede lid, onderdeel c, van de wet, dat correctiebericht binnen acht weken na de constatering van de onjuistheid of onvolledigheid los van een aangifte aan de inspecteur toezenden;
  • b. de inspecteur, in afwijking van artikel 28a, tweede lid, onderdeel d, van de wet, de inhoudingsplichtige verplichten dat correctiebericht al dan niet gelijktijdig met een aangifte binnen een door hem te stellen termijn aan hem toe te zenden.

Artikel 7.9. Opgave van gegevens door de werknemer

1.

De werknemer verstrekt voor de datum van aanvang van de werkzaamheden, of voor de aanvang van de werkzaamheden indien de dienstbetrekking is overeengekomen op de datum waarop de werkzaamheden aanvangen, aan de inhoudingsplichtige schriftelijk, gedagtekend en ondertekend:

  • a. zijn naam met voorletters;
  • b. zijn geboortedatum;
  • c. zijn burgerservicenummer;
  • d. zijn adres met postcode;
  • e. zijn woonplaats en, ingeval hij niet in Nederland woont, zijn woonland en regio. Ingeval de werknemer geen werkzaamheden verricht, wordt de in de vorige volzin bedoelde opgave gedaan voordat de werknemer loon van de inhoudingsplichtige geniet.
2.

De inhoudingsplichtige bewaart de in het eerste lid bedoelde gegevens ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd.

3.

De vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van:

  • b. de werknemer die uitkeringen geniet wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid of uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet, indien degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat of laatstelijk heeft gestaan, de voor de heffing van de belasting vereiste gegevens, daaronder begrepen het burgerservicenummer, schriftelijk mededeelt aan de inhoudingsplichtige;
4.

Indien de inhoudingsplichtige niet bekend is met het burgerservicenummer van de in het derde lid bedoelde werknemer, verzoekt de inhoudingsplichtige voor de eerste loonverstrekking de werknemer om opgave van zijn burgerservicenummer. De werknemer doet deze opgave voor de eerste loonverstrekking toekomen aan de inhoudingsplichtige.

Artikel 7.10. Uitzonderingen bij samenhangende groep inhoudingsplichtigen

1.

De artikelen 7.5 en 7.9 zijn niet van toepassing ingeval de werknemer zijn werkzaamheden aanvangt bij een inhoudingsplichtige die met de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtige van de werknemer behoort tot dezelfde samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van de wet.

2.

Zodra de inhoudingsplichtige en de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtigen van de werknemer niet langer tot dezelfde samenhangende groep inhoudingsplichtigen behoren, zijn de artikelen 7.5 en 7.9 alsnog van toepassing alsof de inhoudingsplichtige op dat moment ten aanzien van de werknemer inhoudingsplichtige wordt en de werknemer op dat moment zijn werkzaamheden aanvangt.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing indien de ten aanzien van de werknemer van belang zijnde stukken, bedoeld in de artikelen 7.5 en 7.9, aan de inhoudingsplichtige zijn overgedragen. Artikel 7.5, vierde lid, en artikel 7.9, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 8. Heffing van de inhoudingsplichtige (hoofdstuk V van de wet)

Artikel 8.1. Uitkeringen van publiekrechtelijke aard

Als uitkeringen van publiekrechtelijke aard die buiten aanmerking worden gelaten in het kader van de heffing van andere belastingen of in het kader van andere wettelijke regelingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel c, van de wet worden aangewezen:

  • c. uitkeringen verstrekt door de Conterganstiftung für behinderte Menschen;
  • e. uitkeringen aan bij of krachtens artikel 78f van de Participatiewet verleende bijstand aan zelfstandigen die eerst in de vorm van een renteloze geldlening is verstrekt en daarna is omgezet in een bedrag om niet;
  • f. uitkeringen op grond van de Gesetz zur Zahlbarmachung von Renten aus Beschäftigungen in einem Ghetto;
  • g. uitkeringen op grond van de Bundesgesetz zur Entschädigung für auf dem Gebiet des ehemaligen Deutschen Reiches lebende Opfer der NS-Verfolgung;
  • h. uitkeringen uit het Härtefonds für rassisch Verfolgte nicht jüdischen Glaubens;

Artikel 8.2. Afgifte EVC-verklaringen

De verklaring, bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdeel d, van de wet, wordt afgegeven door de door de Stichting van de Arbeid in dat kader benoemde uitvoeringsorganisatie.

Artikel 8.2a. Uitvoering looncriterium 30%-regeling

Ingeval het loon, bedoeld in artikel 10eb, eerste en tweede lid, van het besluit, van een werknemer als gevolg van het opnemen van ouderschapsverlof, zwangerschapsverlof, aanvullend geboorteverlof, pleegzorgverlof of adoptieverlof in een tijdvak op jaarbasis lager is dan het bedrag, genoemd in artikel 10eb, eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, van het besluit, wordt in dat loontijdvak bij de toepassing van dat artikel ten aanzien van de werknemer uitgegaan van het loon, bedoeld in dat artikel, dat de werknemer zou hebben genoten indien hij geen van de genoemde soorten verlof zou hebben opgenomen.

Artikel 8.3. Aangewezen regio’s uitgezonden werknemers

1.

Als regio als bedoeld in artikel 10e, tweede lid, onderdeel c, onder 4°, van het besluit worden aangewezen:

  • a. de landen in Azië (waaronder Hong Kong en het gedeelte van Turkije dat ten oosten van de Bosporus is gelegen);
  • b. de landen in Afrika;
  • c. de landen in Latijns Amerika (waaronder Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de BES eilanden);
  • d. de volgende landen in Europa: Albanië, Armenië, Azerbeidzjan, Belarus, Bosnië en Herzegovina, Bulgarije, Estland, Georgië, Hongarije, Kosovo, Kroatië, Letland, Litouwen, Macedonië, Moldavië, Montenegro, Oekraïne, Polen, Roemenië, Rusland, Servië, Slovenië, Slowakije en Tsjechië.
2.

Onder de in het eerste lid genoemde landen worden begrepen gebieden gelegen buiten de territoriale wateren van die landen waar deze in overeenstemming met het internationale recht soevereine rechten kunnen uitoefenen.

Artikel 8.4. Verhuizing in het kader van de dienstbetrekking

1.

Voor de toepassing van artikel 31a, tweede lid, onderdeel f, van de wet verhuist de werknemer in ieder geval in het kader van de dienstbetrekking ingeval hij binnen twee jaar na de aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking of na overplaatsing binnen de bestaande dienstbetrekking door de verhuizing de afstand tussen zijn woning en de plaats van zijn dienstbetrekking met ten minste 60% verkleint terwijl tot die verhuizing de afstand tussen zijn woning en de plaats van zijn dienstbetrekking ten minste 25 kilometer bedroeg.

2.

Onder afstand als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de afstand gemeten langs de meest gebruikelijke weg.

Artikel 8.4a. Gericht vrijgestelde vergoedingen en verstrekkingen van voorzieningen op de werkplek

1.

Tot de voorzieningen, bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdeel h, van de wet, behoren, ingeval deze geheel of gedeeltelijk op de werkplek gebruikt of verbruikt worden:

  • b. hulpmiddelen die ook elders gebruikt kunnen worden en die geheel of nagenoeg geheel zakelijk gebruikt worden.
2.

In afwijking in zoverre van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel f, wordt voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder werkplek tevens verstaan:

  • b. de plaats waar uitvoering wordt gegeven aan het arbeidsomstandighedenbeleid dat de inhoudingsplichtige voert op grond van de Arbeidsomstandighedenwet.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)