Wetboek van Koophandel BES

Type Wet Bes
Publication 2025-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 443
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Algemene bepaling

Artikel 1

Het Burgerlijk Wetboek BES is, voor zover daarvan bij dit Wetboek niet is afgeweken, ook op de in dit Wetboek behandelde onderwerpen toepasselijk.

boek Eerste. van de koophandel in het algemeen

titel Tweede. Van enige soorten van vennootschap

afdeling Eerste. Algemene bepaling

Artikel 10

De in deze titel genoemde vennootschappen worden geregeerd door de overeenkomsten van partijen, door dit Wetboek en door het burgerlijk recht.

afdeling Tweede. Van de vennootschap onder een firma en van die bij wijze van geldschieting of en commandite genaamd

Artikel 11

De vennootschap onder een firma is de maatschap, tot de uitoefening van een bedrijf onder een gemeenschappelijke naam aangegaan.

Artikel 12

Iedere vennoot, die daarvan niet is uitgesloten, is bevoegd ten name van de vennootschap te handelen, gelden uit te geven en te ontvangen, en de vennootschap aan derden en derden aan de vennootschap te verbinden.

Artikel 13

Handelingen, welke niet tot de vennootschap betrekkelijk zijn of tot welke de vennoten volgens de overeenkomst niet bevoegd zijn, worden onder de bepaling van artikel 12 niet begrepen.

Artikel 14

In een vennootschap onder een firma is iedere vennoot wegens de verbintenissen der vennootschap hoofdelijk verbonden.

Artikel 15

De vennootschap bij wijze van geldschieting, anders en commandite genaamd, wordt aangegaan tussen een persoon, of tussen meer dan een hoofdelijk verbonden vennoten, en een of meer andere personen als geldschieters.

Artikel 16

Een vennootschap kan alzo tegelijkertijd zijn een vennootschap onder een firma, ten aanzien van de vennoten onder de firma, en een vennootschap bij wijze van geldschieting, ten aanzien van de geldschieter.

Artikel 17
1.

Behoudens de uitzondering, in het tweede lid van artikel 27 voorkomende, mag de naam van de vennoot bij wijze van geldschieting in de firma niet worden gebezigd.

2.

De vennoot mag noch daden van beheer verrichten, noch in de zaken van de vennootschap werkzaam zijn.

3.

Hij draagt niet verder in de schade dan ten belope van de gelden, welke hij in de vennootschap heeft ingebracht of heeft moeten inbrengen, zonder dat hij immer tot teruggave van genoten winsten verplicht zij.

4.

Tenzij tussen partijen anders is overeengekomen, kan een vennoot zijn belang in de vennootschap niet overdragen zonder toestemming van de overige vennoten.

Artikel 18

De vennoot bij wijze van geldschieting, die de bepalingen van het eerste of van het tweede lid van het vorige artikel overtreedt, is wegens alle schulden en verbintenissen van de vennootschap hoofdelijk verbonden.

Artikel 19
1.

De vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap worden aangegaan bij authentieke of bij onderhandse akte; het gemis van een akte mag echter aan derden niet worden tegengeworpen.

2.

In de akte van vennootschap worden inrichting en structuur van de vennootschap bepaald.

3.

De akte van vennootschap houdt in de woonplaats van de vennootschap. Indien overeenkomstig de akte de woonplaats is gelegen in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, en de vennootschap in het handelsregister is ingeschreven met vermelding van deze woonplaats wordt de vennootschap beheerst door het recht van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

4.

Partijen kunnen anders overeenkomen indien dit in overeenstemming is met het in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldende internationaal privaatrecht.

Artikel 20

De vennoten onder een firma zijn verplicht de vennootschap te doen inschrijven in het handelsregister overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke bepalingen.

Artikel 26

Zolang de inschrijving in het handelsregister niet is geschied, wordt de vennootschap onder een firma ten aanzien van derden aangemerkt als algemeen voor alle zaken, als aangegaan voor een onbepaalde tijd en als geen der vennoten uitsluitende van het recht om voor de firma te handelen en te tekenen.

Artikel 27
1.

De firma van een ontbonden vennootschap mag, hetzij uit kracht van de overeenkomst, hetzij indien de gewezen vennoot wiens naam in de firma voorkwam daarin uitdrukkelijk toestemt, of bij overlijden diens erfgenamen zich daartegen niet verzetten, door een of meer personen worden aangehouden, die ten blijke daarvan een akte moeten uitbrengen en dezelve doen inschrijven in het handelsregister overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke bepalingen.

2.

De bepaling van het eerste lid van artikel 17 is niet toepasselijk, indien de afgetredene van vennoot onder een firma vennoot bij wijze van geldschieting is geworden.

Artikel 28

De ontbinding van een vennootschap onder een firma vóór de tijd bij de overeenkomst bepaald, of door afstand of opzegging tot stand gebracht, haar verlenging na verloop van het bepaalde tijdstip, en alle veranderingen in de oorspronkelijke overeenkomst gemaakt, welke derden aangaan, zijn onderworpen aan de voormelde inschrijving.

Artikel 29
1.

Bij de ontbinding van de vennootschap moeten de vennoten, die het recht van beheer hebben gehad, de zaken der gewezen vennootschap in haar naam vereffenen, tenzij bij de overeenkomst anders ware bepaald of de gezamenlijke vennoten (die bij wijze van geldschieting daaronder niet begrepen) hoofdelijk en bij meerderheid van stemmen een andere vereffenaar hebben

Artikel 30

Indien de staat van de kas der ontbonden vennootschap niet toereikt om de opeisbare schulden te betalen, zijn de vereffenaars bevoegd om de benodigde penningen te vorderen; iedere vennoot moet deze voor zijn aandeel in de vennootschap inbrengen.

Artikel 31

De gelden, welke gedurende de vereffening uit de kas der vennootschap kunnen gemist worden, mogen voorlopig worden verdeeld.

titel Vierde. Van voerlieden, en van de kusten bevarende kapiteins

afdeling Derde. Van voerlieden en van de kusten bevarende kapiteins

Artikel 173

De voerlieden en kapiteins zijn aansprakelijk voor alle schaden aan de ten vervoer overgenomen goederen overkomen, uitgezonderd die, welke uit een gebrek van het goed zelf, door overmacht, of door schuld of nalatigheid van de afzender of expediteur, veroorzaakt zijn.

Artikel 174

De voerman of de kapitein is niet ter zake van vertraging aansprakelijk, indien deze door overmacht is veroorzaakt.

Artikel 175
1.

Door het bestellen en aannemen van de vervoerde goederen en door de betaling van het vrachtloon, is elke rechtsvordering ter zake van uiterlijk zichtbare beschadiging of vermindering tegen de voerman of de kapitein vernietigd.

2.

Indien de beschadiging of vermindering niet uiterlijk zichtbaar was, mag een gerechtelijke bezichtiging gedaan worden nadat de goederen zijn aangenomen, om het even of de vracht al dan niet voldaan zij, mits die bezichtiging gevraagd worde binnen tweemaal vierentwintig uren na de ontvangst en van de eenzelvigheid van de goederen blijke.

Artikel 176
1.

Indien de aanneming van de goederen wordt geweigerd of daarover geschil valt, doet de rechter in eerste aanleg, op een eenvoudig verzoekschrift, waarop de wederpartij, zo zij zich daar ter plaatse bevindt, moet worden gehoord, de nodige voorziening tot het opnemen van het goed door deskundigen, en mag hij insgelijks bevelen, dat de goederen in een behoorlijke bewaarplaats worden opgeslagen, om daaruit aan de voerman of de kapitein het beloop van zijn vrachtloon om onkosten te voldoen.

2.

De rechter in eerste aanleg is bevoegd om, op gelijke wijze als hierboven is bepaald, machtiging te verlenen tot de openbare verkoop van bederfelijke waren of van zodanig gedeelte van de goederen, als tot voldoening van vrachtloon en kosten vereist wordt.

Artikel 177
1.

Alle rechtsvordering tegen de expediteur, voerman of kapitein, uit hoofde van geheel verlies, vertraging in de bezorging of geleden schade aan goederen, verjaart met de tijd van zes maanden, ten aanzien van binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gedane verzendingen, en met verloop van een jaar ten aanzien van verzendingen uit de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba naar elders gedaan, gerekend, in geval van verlies, van de dag dat het vervoer van de goederen had moeten volbracht zijn, en, in geval van beschadiging of te late bezorging, van de dag dat het goed ter plaatse van zijn bestemming is aangekomen.

2.

Deze verjaring is niet toepasselijk in geval van bedrog of ontrouw.

Artikel 178

De rechten en verplichtingen omtrent de scheepvaart, bij het tweede boek van dit wetboek voorgeschreven, zijn ook toepasselijk op de vaart langs de kusten, voor zover dit uitdrukkelijk bij dat boek is bepaald.

Artikel 179

De bepalingen van deze titel zijn niet toepasselijk op de rechten en verplichtingen tussen de koper en de verkoper.

titel Vijfde. Van wisselbrieven en orderbriefjes

afdeling Eerste. Van de uitgifte en de vorm van de wisselbrief

Artikel 180
1.

De wisselbrief behelst:

  • 1°. de benaming «wisselbrief», opgenomen in de tekst zelf en uitgedrukt in de taal, waarin de titel is gesteld;
  • 2°. de onvoorwaardelijke opdracht tot betaling van een bepaalde som;
  • 3°. de naam van degene, die betalen moet (betrokkene);
  • 4°. de aanwijzing van de vervaldag;
  • 5°. die van de plaats, waar de betaling moet geschieden;
  • 6°. de naam van degene, aan wie of aan wiens order de betaling moet worden gedaan;
  • 7°. de vermelding van de dagtekening, alsmede van de plaats, waar de wisselbrief is getrokken;
  • 8°. de handtekening van degene, die de wisselbrief uitgeeft (trekker).
2.

De titel, waarin één van de in het voorgaande lid aangegeven vermeldingen ontbreekt, geldt niet als wisselbrief, behoudens in de hieronder genoemde gevallen.

3.

De wisselbrief, waarvan de vervaldag niet is aangewezen, wordt beschouwd als betaalbaar op zicht.

4.

Bij gebreke van een bijzondere aanwijzing wordt de plaats, aangegeven naast de naam van de betrokkene, geacht te zijn de plaats van betaling en tevens de plaats van het domicilie van de betrokkene.

5.

De wisselbrief, welke niet de plaats aanwijst, waar hij is getrokken, wordt geacht te zijn ondertekend in de plaats, aangegeven naast de naam van de trekker.

Artikel 181
1.

De wisselbrief mag aan de order van de trekker luiden.

2.

Hij mag worden getrokken op de trekker zelf.

3.

Hij mag worden getrokken voor rekening van een derde. De trekker wordt geacht voor zijn eigen rekening te hebben getrokken, indien uit de wisselbrief of uit de adviesbrief niet blijkt, voor wiens rekening zulks is geschied.

4.

Indien de trekker op de wisselbrief de vermelding «waarde ter incassering», «ter incasso», «in lastgeving», of enige andere vermelding, met zich brengend een blote opdracht tot inning, heeft geplaatst, is de nemer bevoegd om alle uit de wisselbrief voortvloeiende rechten uit te oefenen, maar hij kan deze niet anders endosseren dan bij wege van lastgeving.

5.

Bij een zodanige incasso-wisselbrief mogen de wisselschuldenaren aan de houder slechts de verweermiddelen tegenwerpen, welke aan de trekker zouden mogen worden tegengeworpen.

6.

De opdracht, vervat in een incasso-wisselbrief, eindigt niet door de dood of de latere onbekwaamheid van de lastgever.

Artikel 182

Een wisselbrief mag betaalbaar zijn aan de woonplaats van een derde, hetzij in de plaats, waar de betrokkene zijn domicilie heeft, hetzij in een andere plaats.

Artikel 183
1.

In een wisselbrief, betaalbaar op zicht of een zekere tijd na zicht, mag de trekker bepalen, dat de som rente draagt. In elke andere wisselbrief wordt deze clausule voor niet geschreven gehouden.

2.

De rentevoet moet in de wisselbrief worden aangegeven. Bij gebreke hiervan wordt de renteclausule voor niet geschreven gehouden.

3.

De rente loopt gerekend van de dagtekening van de wisselbrief, tenzij een andere dag is aangegeven.

Artikel 184
1.

De wisselbrief, waarvan het bedrag voluit in letters en tevens in cijfers is geschreven, geldt, in geval van verschil, ten belope van de som, voluit in letters geschreven.

2.

De wisselbrief, waarvan het bedrag meermalen is geschreven, hetzij voluit in letters, hetzij in cijfers, geldt, in geval van verschil, slechts ten belope van de kleinste som.

Artikel 185
1.

Indien de wisselbrief handtekeningen bevat van personen, die onbekwaam zijn zich door middel van een wisselbrief te verbinden, valse handtekeningen, of handtekeningen van verdachte personen, of handtekeningen, welke, onverschillig om welke andere reden, de personen, die die handtekeningen hebben geplaatst of in wier naam zulks is geschied, niet mogen verbinden, zijn de verbintenissen van de andere personen, wier handtekeningen op de wisselbrief voorkomen, desniettemin geldig.

2.

Ieder, die zijn handtekening op een wisselbrief plaatst als vertegenwoordiger van een persoon, voor wie hij niet de bevoegdheid had te handelen, is zelf krachtens de wisselbrief verbonden, en heeft, betaald hebbende, dezelfde rechten, als de beweerde vertegenwoordigde zou hebben gehad. Hetzelfde geldt ten aanzien van de vertegenwoordiger, die zijn bevoegdheid heeft overschreden.

Artikel 186
1.

De trekker staat in voor de acceptatie en voor de betaling.

2.

Hij mag zijn verplichting, voor de acceptatie in te staan, uitsluiten; elke clausule, waarbij hij de verplichting, voor de betaling in te staan, uitsluit, wordt voor niet-geschreven gehouden.

Artikel 187

Indien een wisselbrief, onvolledig ten tijde van de uitgifte, is volledig gemaakt in strijd met de aangegane overeenkomsten, mag de niet-naleving van die overeenkomsten niet worden tegengeworpen aan de houder, die de wissel te goeder trouw heeft verkregen.

Artikel 188
1.

De trekker is verplicht, ter keuze van de nemer, de wisselbrief te stellen betaalbaar aan de nemer zelf, of aan enige andere persoon, in beide gevallen aan order of zonder bijvoeging van order dan wel met bijvoeging van een uitdrukking, als bedoeld in artikel 189, tweede lid.

2.

De trekker, of degene voor wiens rekening de wisselbrief is getrokken, is verplicht zorg te dragen dat de betrokkene, ten vervaldage, in handen hebbe het nodige fonds tot betaling, zelfs indien de wisselbrief bij een derde is betaalbaar gesteld, met dien verstande echter, dat de trekker zelf in alle gevallen aan de houder en de vroegere endossanten persoonlijk verantwoordelijk blijft.

3.

De betrokkene wordt geacht het nodige fonds in handen te hebben, indien hij bij het vervallen van de wisselbrief of op het tijdstip, waarop ingevolge het derde lid van artikel 217 de houder regres kan nemen, aan de trekker of aan degene voor wiens rekening is getrokken, een opeisbare som schuldig is, tenminste gelijkstaande met het beloop van de wisselbrief.

afdeling Tweede. Van het endossement

Artikel 189
1.

Elke wisselbrief, ook die welke niet uitdrukkelijk aan order luidt, mag door middel van endossementen worden overgedragen.

2.

Indien de trekker in de wisselbrief de woorden: «niet aan order» of een soortgelijke uitdrukking heeft opgenomen, mag het stuk slechts worden overgedragen in de vorm en met de gevolgen van een gewone cessie. Een op zulk een wisselbrief geplaatst endossement geldt als een gewone cessie.

3.

Het endossement mag worden gesteld zelfs ten voordele van de betrokkene, al of niet acceptant, van de trekker, of van elke andere wisselschuldenaar. Deze personen mogen de wisselbrief opnieuw endosseren.

4.

Het endossement moet onvoorwaardelijk zijn. Elke daarin opgenomen voorwaarde wordt voor niet-geschreven gehouden.

5.

Het gedeeltelijke endossement is nietig.

6.

Het endossement aan toonder geldt als endossement in blanco.

Artikel 190
1.

Het endossement moet worden gesteld op de wisselbrief of op een daaraan vastgehecht blad (verlengstuk). Het moet worden ondertekend door de endossant.

2.

Het endossement mag de geëndosseerde onvermeld laten of bestaan uit de enkele handtekening van de endossant (endossement in blanco). In het laatste geval moet het endossement, om geldig te zijn, op de rugzijde van de wisselbrief of op het verlengstuk worden gesteld.

Artikel 191
1.

Door het endossement worden alle uit de wisselbrief voortvloeiende rechten overgedragen.

2.

Indien het endossement in blanco is, mag de houder:

  • 1°. het blanco invullen hetzij met zijn eigen naam, hetzij met de naam van een andere persoon;
  • 2°. de wisselbrief wederom in blanco of aan een andere persoon endosseren;
  • 3°. de wisselbrief aan een derde overgeven, zonder het blanco in te vullen en zonder hem te endosseren.
Artikel 192
1.

Tenzij het tegendeel bedongen is, staat de endossant in voor de acceptatie en voor de betaling.

2.

Hij is bevoegd om een nieuw endossement te verbieden; in dat geval staat hij tegenover de personen, aan wie de wisselbrief later is geëndosseerd, niet in voor de acceptatie en voor de betaling.

Artikel 193
1.

Hij, die een wisselbrief onder zich heeft, wordt beschouwd als de rechtmatige houder, indien hij van zijn recht doet blijken door een ononderbroken reeks van endossementen, zelfs indien het laatste endossement in blanco is gesteld. De doorgehaalde endossementen worden te dien aanzien voor niet-geschreven gehouden. Indien een endossement in blanco door een ander endossement is gevolgd, wordt de ondertekenaar van dit laatste geacht de wisselbrief door een endossement in blanco verkregen te hebben.

2.

Indien iemand, op welke wijze dan ook, het bezit van de wisselbrief heeft verloren, is de houder, die van zijn recht doet blijken op de wijze, bij het voorgaande lid aangegeven, niet verplicht de wisselbrief af te geven, die de wissel te goeder trouw heeft verkregen.

3.

Zij, die uit hoofde van de wisselbrief worden aangesproken, mogen de verweermiddelen, gegrond op hun persoonlijke verhouding tot de trekker of tot vroegere houders, niet aan de houder tegenwerpen, tenzij deze bij de verkrijging van de wisselbrief desbewust ten nadele van de schuldenaar heeft gehandeld.

Artikel 194
1.

Indien het endossement de vermelding bevat: «waarde ter incassering», «ter incasso», «in lastgeving», of enige andere vermelding, met zich brengend een blote opdracht tot inning, mag de houder alle uit de wisselbrief voortvloeiende rechten uitoefenen, maar hij mag deze niet anders endosseren dan bij wege van lastgeving.

2.

De wisselschuldenaren mogen in dat geval aan de houder slechts de verweermiddelen tegenwerpen, welke aan de endossant zouden mogen worden tegengeworpen.

3.

De opdracht, vervat in een incasso-endossement, eindigt niet door de dood of door de latere onbekwaamheid van de lastgever.

Artikel 195
1.

Indien een endossement de vermelding bevat: «waarde tot zekerheid», «waarde tot pand», of enige andere vermelding, welke inpandgeving met zich brengt, mag de houder alle uit de wisselbrief voortvloeiende rechten uitoefenen, maar een door hem gesteld endossement geldt slechts als endossement bij wege van lastgeving.

2.

De wisselschuldenaren mogen de houder de verweermiddelen, gegrond op hun persoonlijke verhouding tot de endossant, niet tegenwerpen, tenzij de houder bij de ontvangst van de wisselbrief desbewust ten nadele van de schuldenaar heeft gehandeld.

Artikel 196
1.

Een endossement, gesteld na de vervaldag, heeft dezelfde gevolgen als een endossement, gesteld vóór de vervaldag. Echter heeft het endossement, gesteld na het protest van nonbetaling of na het verstrijken van de termijn, voor het opmaken van het protest, bepaald, slechts de gevolgen van een gewone cessie.

2.

Behoudens tegenbewijs wordt het endossement zonder dagtekening geacht te zijn gesteld vóór het verstrijken van de termijn, voor het opmaken van het protest bepaald.

afdeling Derde. Van de acceptatie

Artikel 197

De wisselbrief mag tot de vervaldag door de houder of door iemand, die hem enkel onder zich heeft, aan de betrokkene te zijner woonplaats ter acceptatie worden aangeboden.

Artikel 198
1.

In elke wisselbrief mag de trekker, al dan niet met vaststelling van een termijn, bepalen, dat deze ter acceptatie moet worden aangeboden.

2.

De trekker mag in de wisselbrief de aanbieding ter acceptatie verbieden, behoudens in wisselbrieven, betaalbaar bij een derde, of betaalbaar in een andere plaats dan die van het domicilie van de betrokkene of betaalbaar een zekere tijd na zicht.

3.

De trekker is ook bevoegd om te bepalen, dat de aanbieding ter acceptatie niet mag plaats hebben vóór een bepaalde dag.

4.

Tenzij de trekker heeft verklaard, dat de wisselbrief niet vatbaar is voor acceptatie, mag elke endossant, al dan niet met vaststelling van een termijn, bepalen, dat hij ter acceptatie moet worden aangeboden.

Artikel 199
1.

Wisselbrieven, betaalbaar een zekere tijd na zicht, moeten ter acceptatie worden aangeboden binnen een jaar na hun dagtekening.

2.

De trekker mag deze termijn verkorten of verlengen.

3.

De endossanten mogen deze termijnen verkorten.

4.

De betrokkene mag verzoeken, dat hem een tweede aanbieding wordt gedaan de dag, volgende op de eerste. Belanghebbenden mogen zich er niet op beroepen, dat aan dit verzoek geen gevolg is gegeven, tenzij het verzoek in het protest is vermeld.

5.

De houder is niet verplicht, de ter acceptatie aangeboden wisselbrief aan de betrokkene af te geven.

Artikel 200
1.

De acceptatie wordt op de wisselbrief gesteld. Zij wordt uitgedrukt door het woord «geaccepteerd», of door een soortgelijk woord; zij wordt door de betrokkene ondertekend. De enkele handtekening van de betrokkene, op de voorzijde van de wisselbrief gesteld, geldt als acceptatie.

2.

Indien de wisselbrief betaalbaar is een zekere tijd na zicht, of indien hij krachtens een uitdrukkelijk beding ter acceptatie moet worden aangeboden binnen een bepaalde termijn, moet de acceptatie als dagtekening inhouden de dag, waarop zij is geschied, tenzij de houder die van de aanbieding eist. Bij gebreke van dagtekening moet de houder dit verzuim door een tijdig protest doen vaststellen, op straffe van verlies van zijn recht van regres op de endossanten en op de trekker, die fonds heeft bezorgd.

3.

De acceptatie is onvoorwaardelijk, maar de betrokkene mag haar beperken tot een gedeelte van de som.

4.

Elke andere wijziging, door de acceptant met betrekking tot het in de wisselbrief vermelde aangebracht, geldt als weigering van acceptie. De acceptant is echter gehouden overeenkomstig de inhoud van zijn acceptatie.

Artikel 201
1.

Indien de trekker de wisselbrief op een andere plaats dan die van het domicilie van de betrokkene heeft betaalbaar gesteld, zonder een derde aan te wijzen, bij wie de betaling moet worden gedaan, mag de betrokkene deze bij de acceptatie aanwijzen. Bij gebreke van zodanige aanwijzing wordt de acceptant geacht zich verbonden te hebben zelf te betalen op de plaats van betaling.

2.

Indien de wisselbrief betaalbaar is aan het domicilie van de betrokkene, mag deze, in de acceptatie, een adres aanwijzen, in dezelfde plaats, waar de betaling moet worden gedaan.

Artikel 202
1.

Door de acceptatie verbindt de betrokkene zich, de wisselbrief op de vervaldag te betalen.

2.

Bij gebreke van betaling heeft de houder, al ware hij de trekker, tegen de acceptant een rechtstreekse vordering, uit de wisselbrief voortspruitend, voor al hetgeen mag worden gevorderd krachtens artikel 224, vierde en vijfde lid, en artikel 225.

3.

Hij, die het nodig fonds in handen heeft, bijzonderlijk bestemd tot de betaling van een getrokken wisselbrief, is, op straffe van vergoeding van schadevergoeding jegens de trekker, tot de acceptatie verplicht.

4.

Belofte om een briefwissel te zullen accepteren geldt niet als acceptatie, maar geeft aan de trekker een rechtsvordering tot schadevergoeding tegen de belover, die weigert zijn belofte gestand te doen.

5.

Deze schade bestaat in de kosten van protest en herwissel, indien de wisselbrief voor des trekkers eigen rekening was getrokken.

6.

Indien de trekking voor rekening van een derde was gedaan, bestaat de schade in de kosten van protest en herwissel en in het beloop van hetgeen de trekker, uit hoofde van de bekomen toezegging van de belover, aan die derde, op het krediet van de wisselbrief heeft voorgeschoten.

Artikel 203
1.

De trekker is verplicht aan de betrokkene tijdig kennis of advies te geven van de door hem getrokken wisselbrief, en, bij nalatigheid daarvan, gehouden tot vergoeding van de kosten, door weigering van acceptatie of betaling uit dien hoofde gevallen.

2.

Indien de wisselbrief voor rekening van een derde is getrokken, is deze alleen daarvoor aan de acceptant verbonden.

Artikel 204
1.

Indien de betrokkene zijn op de wisselbrief gestelde acceptatie heeft doorgehaald vóór de teruggave van de wisselbrief, wordt de acceptatie geacht te zijn geweigerd. Behoudens tegenbewijs wordt de doorhaling geacht te zijn geschied vóór de teruggave van de wisselbrief.

2.

Indien echter de betrokkene van zijn acceptatie schriftelijk heeft doen blijken aan de houder of aan iemand, wiens handtekening op de wisselbrief voorkomt, is hij tegenover deze gehouden overeenkomstig de inhoud van zijn acceptatie.

afdeling Vierde. Van het aval

Artikel 205
1.

De betaling van een wisselbrief kan voor het geheel of een gedeelte van de wisselsom door een borgtocht (aval) worden verzekerd.

2.

Deze borgtocht mag door een derde, of zelfs door iemand, wiens handtekening op de wisselbrief voorkomt, worden gegeven.

Artikel 206
1.

Het aval wordt op de wisselbrief of op een verlengstuk gesteld.

2.

Het wordt uitgedrukt door de woorden: «goed voor aval» of door een soortgelijke uitdrukking; het wordt door de avalgever ondertekend.

3.

De enkele handtekening van de avalgever, gesteld op de voorzijde van de wisselbrief, geldt als aval, behalve indien de handtekening die is van de betrokkene of van de trekker.

4.

Het kan ook geschieden bij een afzonderlijk geschrift of bij een brief, vermeldende de plaats, waar het is gegeven.

5.

In het aval moet worden vermeld, voor wie het is gegeven; bij gebreke hiervan wordt het geacht voor de trekker te zijn gegeven.

Artikel 207
1.

De avalgever is op dezelfde wijze verbonden als degene, voor wie het aval is gegeven.

2.

Zijn verbintenis is geldig, zelfs indien, wegens een andere oorzaak dan een vormgebrek, de door hem gewaarborgde verbintenis nietig is.

3.

Door te betalen verkrijgt de avalgever de rechten, welke krachtens de wisselbrief kunnen worden uitgeoefend tegen degene, voor wie het aval is gegeven en tegen degenen, die tegenover deze krachtens de wisselbrief verbonden zijn.

afdeling Vijfde. Van de vervaldag

Artikel 208
1.

Een wisselbrief mag worden getrokken:

op zicht;

op een zekere tijd na zicht;

op een zekere tijd na dagtekening;

op een bepaalde dag.

2.

Wisselbrieven met anders bepaalde vervaldagen of in termijnen betaalbaar zijn nietig.

Artikel 209
1.

De wisselbrief, getrokken op zicht, is betaalbaar bij de aanbieding. Hij moet ter betaling worden aangeboden binnen een jaar na zijn dagtekening. De trekker mag deze termijn verkorten of verlengen. De endossanten mogen deze termijnen verkorten.

2.

De trekker mag voorschrijven, dat een wisselbrief niet ter betaling mag worden aangeboden vóór een bepaalde dag. In dat geval loopt de termijn van de aanbieding van die dag af.

Artikel 210
1.

De vervaldag van een wisselbrief, getrokken op een zekere tijd na zicht, wordt bepaald, hetzij door de dagtekening van de acceptatie, hetzij door die van het protest.

2.

Bij gebreke van protest wordt de niet-gedagtekende acceptatie ten aanzien van de acceptant geacht te zijn gedaan op de laatste dag van de termijn, voor de aanbieding ter acceptatie voorgeschreven.

Artikel 211
1.

De wisselbrief, getrokken op een of meer maanden na dagtekening of na zicht, vervalt op de overeenkomstige dag van de maand, waarin de betaling moet worden gedaan. Bij gebreke van een overeenkomstige dag vervalt een zodanige wisselbrief op de laatste dag van die maand.

2.

Bij een wisselbrief, getrokken op een of meer maanden en een halve maand na dagtekening of na zicht, worden eerst de gehele maanden gerekend.

3.

Is de vervaldag bepaald op het begin, het midden (half januari, half februari enz.) of op het einde van een maand, dan wordt onder die uitdrukkingen verstaan: de eerste, de vijftiende, de laatste van die maand.

4.

Onder de uitdrukkingen: «acht dagen», «vijftien dagen», moet worden verstaan niet één of twee weken, maar een termijn van acht of van vijftien dagen.

5.

De uitdrukking «halve maand» duidt een termijn van vijftien dagen aan.

Artikel 212
1.

De vervaldag van een wisselbrief, betaalbaar op een bepaalde dag, in een plaats, waar de tijdrekening een andere is dan die van de plaats van uitgifte, wordt geacht te zijn vastgesteld volgens de tijdrekening van de plaats van betaling.

2.

De dag van uitgifte van een wisselbrief, getrokken tussen twee plaatsen met verschillende tijdrekening en betaalbaar een zekere tijd na dagtekening, wordt herleid tot de overeenkomstige dag van de tijdrekening van de plaats van betaling en de vervaldag wordt dienovereenkomstig vastgesteld.

3.

De termijnen van aanbieding van de wisselbrieven worden berekend overeenkomstig de bepalingen van het voorgaande lid.

4.

Dit artikel is niet van toepassing, indien uit een in de wisselbrief opgenomen clausule of uit zijn bewoordingen een afwijkende bedoeling mag worden afgeleid.

afdeling Zesde. Van de betaling

Artikel 213
1.

De houder van een wisselbrief, betaalbaar op een bepaalde dag of een zekere tijd na dagtekening of na zicht, moet deze ter betaling aanbieden, hetzij de dag, waarop hij betaalbaar is, hetzij een der twee daaropvolgende werkdagen.

2.

De aanbieding van een wisselbrief aan een verrekeningskamer geldt als aanbieding ter betaling. Bij algemene maatregel van bestuur worden de instellingen aangewezen, welke in de zin van deze Titel als verrekeningskamers worden beschouwd.

3.

Buiten het geval, in het tweede lid van artikel 241 vermeld, is de betrokkene, de wisselbrief betalende, bevoegd te vorderen, dat hem deze, van behoorlijke kwijting van de houder voorzien, wordt uitgeleverd.

4.

De houder mag niet weigeren een gedeeltelijke betaling aan te nemen.

5.

In geval van gedeeltelijke betaling mag de betrokkene vorderen, dat van die betaling op de wisselbrief melding wordt gemaakt en dat hem daarvoor kwijting wordt gegeven.

Artikel 214
1.

De houder van een wisselbrief mag niet genoodzaakt worden, vóór de vervaldag betaling te ontvangen.

2.

De betrokkene, die vóór de vervaldag betaalt, doet zulks op eigen verantwoordelijkheid.

3.

Hij, die op de vervaldag betaalt, is deugdelijk gekweten, mits er zijnerzijds geen bedrog plaats heeft of grove schuld aanwezig is. Hij is gehouden, de regelmatigheid van de reeks van endossementen, maar niet de handtekening van de endossanten te onderzoeken.

4.

Indien hij, niet bevrijdend betaald hebbende, verplicht wordt, ten tweede male te betalen, heeft hij verhaal op allen die de wissel niet te goeder trouw hebben verkregen.

Artikel 215
1.

Een wisselbrief, waarvan de betaling is bedongen in ander geld dan dat van de plaats van betaling, mag worden betaald in het geld van het land volgens zijn waarde op de vervaldag. Indien de schuldenaar in gebreke is, mag de houder te zijner keuze vorderen, dat de wisselsom betaald wordt in het geld van het land volgens de koers, hetzij van de vervaldag, hetzij van de dag van betaling.

2.

De waarde van het vreemde geld wordt bepaald volgens de gebruiken van de plaats van betaling. De trekker mag echter voorschrijven, dat het te betalen bedrag moet worden berekend volgens een in de wisselbrief voorgeschreven koers.

3.

Het bovenstaande is niet van toepassing, indien de trekker heeft voorgeschreven, dat de betaling moet geschieden in een bepaald aangeduid geld (clausule van werkelijke betaling in vreemd geld).

4.

Indien het bedrag van de wisselbrief is aangegeven in geld, hetwelk dezelfde benaming, maar een verschillende waarde heeft in het land van uitgifte en in dat van betaling, wordt men vermoed het geld van de plaats van betaling te hebben bedoeld.

Artikel 216

Bij gebreke van aanbieding ter betaling van de wisselbrief binnen de termijn, bij artikel 213, eerste lid, vastgesteld, heeft elke schuldenaar de bevoegdheid, het bedrag te bevoegder plaatse in consignatie te geven, op kosten en onder verantwoordelijkheid van de houder.

afdeling Zevende. Van het recht van regres in geval van non-acceptatie of non-betaling

Artikel 217

De houder mag zijn recht van regres op de endossanten, de trekker en de andere wisselschuldenaren uitoefenen:

Op de vervaldag;

indien de betaling niet heeft plaats gehad;

Zelfs vóór de vervaldag;

  • 1°. indien de acceptatie geheel of gedeeltelijk is geweigerd;
  • 2°. in geval van faillissement van de betrokkene, al of niet acceptant, en van het ogenblik af, waarop een hem verleende surséance van betaling is ingegaan;
  • 3°. in geval van faillissement van de trekker van een niet voor acceptatie vatbare wisselbrief.
Artikel 218
1.

De weigering van acceptatie of van betaling moet worden vastgesteld bij authentieke akte (protest van non-acceptatie of van non-betaling).

2.

Het protest van non-acceptatie moet worden opgemaakt binnen de voor de aanbieding ter acceptatie vastgestelde termijnen. Indien, in het geval bij artikel 199, vierde lid, voorzien, de eerste aanbieding heeft plaats gehad op de laatste dag van de termijn, mag het protest nog op de volgende dag worden gedaan.

3.

Het protest van non-betaling van een wisselbrief, betaalbaar op een bepaalde dag of zekere tijd na dagtekening of na zicht, moet worden gedaan op één van de twee werkdagen, volgende op de dag, waarop de wisselbrief betaalbaar is. Indien het een wisselbrief betaalbaar op zicht betreft, moet het protest worden gedaan, overeenkomstig de bepalingen bij het voorgaande lid vastgesteld voor het opmaken van het protest van non-acceptatie.

4.

Het protest van non-acceptatie maakt de aanbieding ter betaling en het protest van non-betaling overbodig.

5.

In geval van benoeming van bewindvoerders op verzoek van de betrokkene, al of niet acceptant, tot surséance van betaling mag de houder zijn recht van regres niet uitoefenen, dan nadat de wisselbrief ter betaling aan de betrokkene is aangeboden en protest is opgemaakt.

6.

Indien de betrokkene, al of niet acceptant, is failliet verklaard, of indien de trekker van een wisselbrief, welke niet vatbaar is voor acceptatie, is failliet verklaard, mag de houder, voor de uitoefening van zijn recht van regres, volstaan met overlegging van het vonnis, waarbij het faillissement is uitgesproken.

Artikel 219
1.

De betaling van een wisselbrief moet gevraagd en het daarop volgend protest gedaan worden ter woonplaatse van de betrokkene.

2.

Indien de wisselbrief getrokken is om in een andere aangewezen woonplaats of door een andere aangewezen persoon te worden betaald, moet de betaling gevraagd en het protest opgemaakt worden ter aangewezene woonplaats of aan de aangewezen persoon.

3.

Wanneer degene, die de wisselbrief moet betalen geheel onbekend of niet te vinden is, moet het protest gedaan worden aan een postkantoor op het eiland waar de ter betaling aangewezen woonplaats is gelegen. Hetzelfde moet plaats hebben indien een wisselbrief is getrokken om op een ander eiland te worden betaald dan dat waar de betrokkene woont, en de woonplaats waar de betaling moet geschieden niet is aangewezen.

Artikel 220
1.

De protesten, zo van non-acceptatie als van non-betaling, worden gedaan door een notaris, door de griffier van het gerecht in eerste aanleg of door een deurwaarder. Zij moeten vergezeld zijn van twee getuigen.

2.

De protesten behelzen:

  • 1°. een letterlijk afschrift van de wisselbrief, van de acceptatie, van de endossementen, van het aval en van de adressen daarop gesteld;
  • 2°. de vermelding dat zij de acceptatie of de betaling aan de personen, of ter plaatse in het voorgaande artikel gemeld, afgevraagd en niet bekomen hebben;
  • 3°. de vermelding van de opgegeven reden van non-acceptatie of non-betaling;
  • 4°. de aanmaning om het protest te tekenen, en de redenen van weigering;
  • 5°. de vermelding, dat hij, notaris, griffier of deurwaarder, wegens die non-acceptatie of die non-betaling heeft geprotesteerd.
3.

Indien het protest een vermiste wisselbrief betreft, volstaat, in plaats van het bepaalde onder 1°. van het voorgaande lid, een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de inhoud van de wisselbrief.

4.

De notarissen, griffiers of deurwaarders zijn verplicht, op straffe van schadevergoeding, afschrift van het protest te laten, en hiervan melding in het afschrift te maken, en hetzelve, naar orde des tijds, in te schrijven in een bijzonder register, genummerd en gewaarmerkt door de rechter in eerste aanleg van hun woonplaats, en om wijders, zulks begeerd wordende, een of meer afschriften van het protest aan de belanghebbenden te leveren.

5.

Als protest van non-acceptatie, onderscheidenlijk van non-betaling geldt de door degene, aan wie de acceptatie of de betaling wordt afgevraagd, met toestemming van de houder op de wisselbrief gestelde, gedagtekende en ondertekende verklaring, dat hij haar weigert, tenzij de trekker heeft aangetekend, dat hij een authentiek protest verlangt.

Artikel 221
1.

De houder moet van de non-acceptatie of van de non-betaling kennis geven aan zijn endossant en aan de trekker binnen de vier werkdagen, volgende op de dag van het protest of, indien de wisselbrief getrokken is met de clausule zonder kosten, volgende op die van de aanbieding. Iedere endossant moet binnen de twee werkdagen, volgende op de dag van ontvangst van de kennisgeving, de door hem ontvangen kennisgeving aan zijn endossant mededelen, met aanwijzing van de namen en adressen van degenen, die de voorafgaande kennisgevingen hebben gedaan, en zo vervolgens, teruggaande tot de trekker. Deze termijnen lopen van de ontvangst van de voorafgaande kennisgeving af.

2.

Indien overeenkomstig het voorgaande lid een kennisgeving is gedaan aan iemand, wiens handtekening op de wisselbrief voorkomt, moet gelijke kennisgeving binnen dezelfde termijn aan diens avalgever worden gedaan.

3.

Indien een endossant zijn adres niet of op onleesbare wijze heeft aangeduid, mag worden volstaan met kennisgeving aan de voorafgaande endossant.

4.

Hij, die een kennisgeving heeft te doen, kan zulks doen in iedere vorm, zelfs door enkele terugzending van de wisselbrief.

5.

Hij moet bewijzen, dat hij de kennisgeving binnen de vastgestelde termijn heeft gedaan. Deze termijn wordt gehouden te zijn in acht genomen, wanneer een brief, welke de kennisgeving behelst, binnen de genoemde termijn ter post is bezorgd.

6.

Hij, die de kennisgeving niet binnen de bovenvermelde termijn doet, stelt zich niet bloot aan verval van zijn recht; hij is, indien daartoe aanleiding bestaat, verantwoordelijk voor de schade, door zijn nalatigheid veroorzaakt, zonder dat echter de schadevergoeding de wisselsom mag te boven gaan.

Artikel 222
1.

De trekker, een endossant of een avalgever is bevoegd om, door de clausule «zonder kosten», «zonder protest», of een andere soortgelijke op de wisselbrief gestelde en ondertekende clausule, de houder van het opmaken van een protest van non-acceptatie of van non-betaling, ter uitoefening van zijn recht van regres, te ontslaan.

2.

Deze clausule ontslaat de houder niet van de aanbieding van de wisselbrief binnen de voorgeschreven termijnen, noch van het doen van de kennisgevingen. Het bewijs van de niet-inachtneming van de termijnen moet worden geleverd door degene, die zich daarop tegenover de houder beroept.

3.

Is de clausule door de trekker gesteld, dan heeft zij gevolgen ten aanzien van allen, wier handtekeningen op de wisselbrief voorkomen; is zij door een endossant of door een avalgever gesteld, dan heeft zij gevolgen alleen voor deze endossant of voor deze avalgever. Indien de houder, ondanks de door de trekker gestelde clausule, toch protest doet opmaken, zijn de kosten daarvan voor zijn rekening. Indien de clausule van een endossant of van een avalgever afkomstig is, mogen de kosten van het protest, indien dit is opgemaakt, op allen, wier handtekeningen op de wisselbrief voorkomen, worden verhaald.

Artikel 223
1.

Allen, die een wisselbrief hebben getrokken, geaccepteerd, geëndosseerd, of voor aval getekend, zijn hoofdelijk tegenover de houder verbonden. Bovendien is ook de derde, voor wiens rekening de wisselbrief is getrokken en die de waarde daarvoor heeft genoten, jegens de houder aansprakelijk.

2.

De houder kan deze personen, zowel ieder afzonderlijk, als gezamenlijk, aanspreken, zonder verplicht te zijn de volgorde, waarin zij zich hebben verbonden, in acht te nemen.

3.

Hetzelfde recht komt toe aan ieder, wiens handtekening op de wisselbrief voorkomt en die deze, ter voldoening aan zijn regresplicht, heeft betaald.

4.

De vordering, ingesteld tegen één der wisselschuldenaren, belet niet de anderen aan te spreken, al hadden dezen zich later verbonden aan de eerst aangesprokene.

Artikel 224
1.

De houder van een geprotesteerde wisselbrief heeft in geen geval enig recht op het fonds, dat de betrokkene van de trekker in handen heeft.

2.

Indien de wisselbrief niet is geaccepteerd, behoren die penningen, bij faillissement van de trekker, aan diens boedel.

3.

In geval van acceptatie, blijft het fonds, tot het beloop van de wisselbrief, aan de betrokkene, behoudens de verplichting van deze om jegens de houder aan zijn acceptatie te voldoen.

4.

De houder is bevoegd om van degene, tegen wie hij zijn recht van regres uitoefent, te vorderen:

  • 1°. de som van de niet-geaccepteerde of niet-betaalde wisselbrief met de rente, zo deze bedongen is;
  • 2°. de wettelijke interesten, te rekenen van de vervaldag, voor wissels die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba uitgegeven en betaalbaar zijn, en een rente van zes ten honderd, te rekenen van de vervaldag, voor alle overige wissels;
  • 3°. de kosten van protest, die van de gedane kennisgevingen alsmede de andere kosten.
5.

Zo de uitoefening van het recht van regres vóór de vervaldag plaats heeft, wordt op de wisselsom een korting toegepast. Deze korting wordt berekend volgens het officiële disconto (bankdisconto), geldende ter woonplaats van de houder, op de dag van de uitoefening van het recht van regres.

Artikel 225

Hij, die ter voldoening aan zijn regresplicht de wisselbrief heeft betaald, mag van degenen, die tegenover hem regresplichtig zijn, vorderen:

  • 1°. het gehele bedrag, dat hij betaald heeft;
  • 2°. de wettelijke interesten, te rekenen van de dag der betaling, voor wissels die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba uitgegeven en betaalbaar zijn, en een rente van zes ten honderd, te rekenen van de dag der betaling, voor alle overige wissels;
  • 3°. de door hem gemaakte kosten.
Artikel 226
1.

Elke wisselschuldenaar, tegen wie het recht van regres wordt of mag worden uitgeoefend, is bevoegd om, tegen betaling ter voldoening aan zijn regresplicht, de afgifte te vorderen van de wisselbrief met het protest, alsmede een voor voldaan getekende rekening.

2.

Elke endossant, die ter voldoening aan zijn regresplicht de wisselbrief heeft betaald, mag zijn endossement en dat van de volgende endossanten doorhalen.

Artikel 227

Bij gedeeltelijke acceptatie is degene, die ter voldoening aan zijn regresplicht het niet-geaccepteerde gedeelte van de wisselsom heeft betaald, bevoegd te vorderen, dat die betaling op de wisselbrief wordt vermeld en dat hem daarvan kwijting wordt gegeven. De houder moet hem daarenboven uitleveren een voor eensluidend getekend afschrift van de wisselbrief, alsmede het protest, om hem de uitoefening van zijn verdere regresrechten mogelijk te maken.

Artikel 228
1.

Ieder, die een recht van regres mag uitoefenen, is, tenzij het tegendeel bedongen is, bevoegd om zich de vergoeding te bezorgen door middel van een nieuwe wisselbrief (herwissel), getrokken op zicht op één van degenen, die tegenover hem regresplichtig zijn en betaalbaar te diens woonplaats.

2.

De herwissel omvat, behalve de bedragen in het vierde en vijfde lid van artikel 224 en in artikel 225 aangegeven, de bedragen van provisie en het zegel van de herwissel.

3.

Indien de herwissel door de houder is getrokken, wordt het bedrag bepaald volgens de koers van een zichtwissel, getrokken van de plaats, waar de oorspronkelijke wisselbrief betaalbaar was, op de woonplaats van de regresplichtige. Indien de herwissel is getrokken door een endossant, wordt het bedrag bepaald volgens de koers van een zichtwissel, getrokken van de woonplaats van de trekker van de herwissel op de woonplaats van de regresplichtige.

Artikel 229
1.

Na afloop van de termijnen vastgesteld:

voor de aanbieding van een wisselbrief getrokken op zicht of zekere tijd na zicht;

voor het opmaken van het protest van non-acceptatie of van non-betaling;

voor de aanbieding ter betaling in geval van beding zonder kosten,

vervalt het recht van de houder tegen de endossanten, tegen de trekker, en tegen de andere wisselschuldenaren, met uitzondering van de acceptant.

2.

Bij gebreke van aanbieding ter acceptatie binnen de door de trekker voorgeschreven termijn, vervalt het recht van regres van de houder, zowel wegens non-betaling als wegens non-acceptatie, tenzij uit de bewoordingen van de wisselbrief blijkt, dat de trekker zich slechts heeft willen bevrijden van zijn verplichting, voor de acceptatie in te staan.

3.

Indien de bepaling van een termijn voor de aanbieding in een endossement is vervat, mag alleen de endossant daarop een beroep doen.

Artikel 230
1.

De wisselbrief van non-acceptatie of van non-betaling zijnde geprotesteerd, is niettemin de trekker, al ware het protest niet intijds gedaan, tot vrijwaring gehouden, tenzij hij bewees, dat de betrokkene op de vervaldag het nodige fonds tot betaling van de wisselbrief in handen had. Indien het vereiste fonds slechts gedeeltelijk aanwezig was, is de trekker voor het ontbrekende gehouden.

2.

Was de wisselbrief niet geaccepteerd, dan is, in geval van niet tijdig protest, de trekker, op straffe van tot vrijwaring te zijn gehouden, verplicht, de houder af te staan en over te dragen de vordering op het fonds, dat de betrokkene van hem ten vervaldage heeft in handen gehad, en zulks tot het beloop van de wisselbrief; en hij moet aan de houder, op diens kosten, de nodige bewijzen verschaffen om die vordering te doen gelden. Indien de trekker in staat van faillissement is verklaard, zijn de curatoren in zijn boedel tot dezelfde verplichtingen gehouden, ten ware deze mochten verkiezen, de houder als schuldeiser voor het beloop van de wisselbrief, toe te laten.

Artikel 231
1.

Indien de aanbieding van de wisselbrief of het opmaken van het protest binnen de voorgeschreven termijnen wordt verhinderd door een onoverkomelijk beletsel (wettelijk voorschrift of ander geval van overmacht), worden deze termijnen verlengd.

2.

De houder is verplicht, van de overmacht onverwijld aan zijn endossant kennis te geven, en deze kennisgeving gedagtekend en ondertekend op de wisselbrief of op een verlengstuk te vermelden; voor het overige zijn de bepalingen van artikel 221 toepasselijk.

3.

Na het ophouden van de overmacht moet de houder onverwijld de wisselbrief ter acceptatie of ter betaling aanbieden en, indien daartoe aanleiding bestaat, protest doen opmaken.

4.

Indien de overmacht meer dan dertig dagen, gerekend van de vervaldag, aanhoudt, mag het recht van regres worden uitgeoefend, zonder dat de aanbieding of het opmaken van protest nodig is.

5.

Voor wisselbrieven, getrokken op zicht of op zekere tijd na zicht, loopt de termijn van dertig dagen van de dag, waarop de houder, al ware het vóór het einde van de aanbiedingstermijn, van de overmacht aan zijn endossant heeft kennis gegeven; voor wisselbrieven, getrokken op zekere tijd na zicht, wordt de termijn van dertig dagen verlengd met de zichttermijn, in de wisselbrief aangegeven.

6.

Feiten, welke voor de houder, of voor degene, die hij met de aanbieding van de wisselbrief of met het opmaken van het protest belastte, van zuiver persoonlijke aard zijn, worden niet beschouwd als gevallen van overmacht.

afdeling Achtste. Van de tussenkomst

§ 1. Algemene bepaling

Artikel 232
1.

De trekker, een endossant, of een avalgever mag iemand aanwijzen om, in geval van nood, te accepteren of te betalen.

2.

Onder de hierna vastgestelde voorwaarden mag de wisselbrief worden geaccepteerd of betaald door iemand, die tussenkomt voor een schuldenaar, op wie recht van regres mag worden uitgeoefend.

3.

De interveniënt mag een derde zijn, zelfs de betrokkene, of een reeds krachtens de wisselbrief verbonden persoon, behalve de acceptant.

4.

De interveniënt geeft binnen de termijn van twee werkdagen van zijn tussenkomst kennis aan degene, voor wie hij tussenkwam. In geval van niet-inachtneming van die termijn is hij, indien daartoe aanleiding bestaat, verantwoordelijk voor de schade, door zijn nalatigheid veroorzaakt, zonder dat echter de schadevergoeding de wisselsom mag te boven gaan.

§ 2. Acceptatie bij tussenkomst

Artikel 233
1.

De acceptatie bij tussenkomst mag plaats hebben in alle gevallen, waarin de houder van een voor acceptatie vatbare wisselbrief vóór de vervaldag recht van regres mag uitoefenen.

2.

Wanneer op de wisselbrief iemand is aangewezen om deze, in geval van nood, ter plaatse van betaling te accepteren of te betalen, mag de houder zijn recht tegen degene, die de aanwijzing heeft gedaan en tegen hen, die daarna hun handtekeningen op de wisselbrief hebben geplaatst, niet vóór de vervaldag uitoefenen, tenzij hij de wisselbrief aan de aangewezen persoon heeft aangeboden, en van diens weigering tot acceptatie protest is opgemaakt.

3.

In de andere gevallen van tussenkomst mag de houder de acceptatie bij tussenkomst weigeren. Indien hij haar echter aanneemt, verliest hij zijn recht van regres, hetwelk hem vóór de vervaldag toekomt tegen degene, voor wie de acceptatie is gedaan, en tegen hen, die daarna hun handtekeningen op de wisselbrief hebben geplaatst.

4.

De acceptatie bij tussenkomst wordt op de wisselbrief vermeld; zij wordt door de interveniënt ondertekend. Zij wijst aan, voor wie zij is geschied; bij gebreke van die aanwijzing wordt zij geacht voor de trekker te zijn geschied.

Artikel 234
1.

De acceptant bij tussenkomst is tegenover de houder en tegenover de endossant en, die de wisselbrief hebben geëndosseerd na degene, voor wie de tussenkomst is geschied, op dezelfde wijze als deze laatste verbonden.

2.

Niettegenstaande de acceptatie bij tussenkomst zijn degene, voor wie zij werd gedaan en degenen, die tegenover deze regresplichtig zijn, bevoegd om van de houder, indien daartoe aanleiding bestaat, tegen terugbetaling van de bij het vierde en vijfde lid van artikel 224 aangewezen som, de afgifte van de wisselbrief, van het protest en van een voor voldaan getekende rekening te vorderen.

§ 3. Betaling bij tussenkomst

Artikel 235
1.

De betaling bij tussenkomst mag plaats hebben in alle gevallen, waarin, hetzij op de vervaldag, hetzij vóór de vervaldag, de houder recht van regres heeft.

2.

De betaling moet de gehele som belopen, welke degene, voor wie zij heeft plaats gehad, moest voldoen.

3.

Zij moet plaats hebben uiterlijk op de dag volgende op de laatste dag, waarop het protest van non-betaling mag worden opgemaakt.

Artikel 236
1.

Indien de wisselbrief is geaccepteerd door interveniënten, wier domicilie ter plaatse van betaling is gevestigd, of indien personen, wier domicilie in dezelfde plaats is gevestigd, zijn aangeduid om in geval van nood te betalen, moet de houder de wisselbrief aan al die personen aanbieden, en, indien daartoe aanleiding bestaat, protest van non-betaling doen opmaken uiterlijk op de dag volgende op de laatste dag, waarop dit mag geschieden.

2.

Bij gebreke van protest binnen die termijn zijn degene, die het noodadres heeft gesteld of voor wie de wisselbrief is geaccepteerd, en de latere endossanten van hun verbintenis bevrijd.

3.

De houder, die weigert de betaling bij tussenkomst aan te nemen, verliest zijn recht van regres op hen, die daardoor zouden zijn bevrijd.

4.

De betaling bij tussenkomst moet worden vastgesteld door een kwijting, geplaatst op de wisselbrief met aanwijzing van degene, voor wie zij is gedaan. Bij gebreke van die aanwijzing wordt de betaling geacht voor de trekker te zijn gedaan.

5.

De wisselbrief en het protest, indien dit is opgemaakt, moeten worden uitgeleverd aan hem, die bij tussenkomst betaalt.

Artikel 237
1.

Hij, die bij tussenkomst betaalt, verkrijgt de rechten, uit de wisselbrief voortvloeiende, tegen degene, voor wie hij heeft betaald, en tegen degenen, die tegenover deze laatste krachtens de wisselbrief verbonden zijn. Hij mag echter de wisselbrief niet opnieuw endosseren.

2.

De endossanten, volgende op degene, voor wie de betaling heeft plaats gehad, zijn bevrijd.

3.

Indien zich meer personen tot de betaling bij tussenkomst aanbieden, heeft de voorkeur de betaling, welke het grootste aantal bevrijdingen teweegbrengt. De interveniënt, die desbewust in strijd hiermede handelt, verliest zijn recht van regres tegen hen, die anders zouden zijn bevrijd.

afdeling Negende. Van wisselexemplaren, wisselafschriften en vermiste wisselbrieven

§ 1. Wisselexemplaren

Artikel 238
1.

De wisselbrief mag in meer gelijkluidende exemplaren worden getrokken.

2.

Die exemplaren moeten in de tekst zelf van de titel worden genummerd, bij gebreke waarvan elk exemplaar wordt beschouwd als een afzonderlijke wisselbrief.

3.

Iedere houder van een wisselbrief, waarin niet is vermeld, dat deze in een enkel exemplaar getrokken is, mag op zijn kosten de levering van meer exemplaren vorderen. Te dien einde moet hij zich tot zijn onmiddellijke endossant wenden, die verplicht is zijn medewerking te verlenen om zijn eigen endossant aan te spreken, en zo vervolgens, teruggaande tot de trekker. De endossanten zijn verplicht, de endossementen ook op de nieuwe exemplaren aan te brengen.

4.

De betaling, op één der exemplaren gedaan, bevrijdt, ook al ware niet bedongen, dat die betaling de kracht van de andere exemplaren te niet doet. Echter blijft de betrokkene verbonden wegens elk geaccepteerd exemplaar, dat hem niet is uitgeleverd.

5.

De endossant, die de exemplaren aan verschillende personen heeft overgedragen, alsook de latere endossanten, zijn verbonden wegens alle exemplaren, welke hun handtekening dragen en welke niet zijn uitgeleverd.

Artikel 239
1.

Hij, die één der exemplaren ter acceptatie heeft gezonden, moet op de andere exemplaren de naam van de persoon aanwijzen, in wiens handen dat exemplaar zich bevindt. Deze is verplicht dit aan de rechtmatige houder van een ander exemplaar uit te leveren.

2.

Weigert hij dit, dan mag de houder slechts zijn recht van regres uitoefenen, nadat hij door een protest heeft doen vaststellen;

  • 1°. dat het ter acceptatie gezonden exemplaar hem desgevraagd niet is uitgeleverd;
  • 2°. dat hij de acceptatie of de betaling op een ander exemplaar niet heeft kunnen verkrijgen.

§ 2. Wisselafschriften

Artikel 240
1.

Elke houder van een wisselbrief heeft het recht, daarvan afschriften te vervaardigen.

2.

Het afschrift moet het oorspronkelijke nauwkeurig weergeven met de endossementen en alle andere vermeldingen, welke er op voorkomen. Het moet aangeven, waar het afschrift ophoudt.

3.

Het kan worden geëndosseerd en voor aval getekend op dezelfde wijze en met dezelfde gevolgen, als het oorspronkelijke.

4.

Het afschrift moet degene, in wiens handen het oorspronkelijke stuk zich bevindt, vermelden. Deze is verplicht het oorspronkelijke stuk aan de rechtmatige houder van het afschrift uit te leveren.

5.

Weigert hij dit, dan mag de houder zijn recht van regres tegen hen, die het afschrift hebben geëndosseerd of voor aval getekend, slechts uitoefenen, nadat hij door een protest heeft doen vaststellen, dat het oorspronkelijke stuk hem desgevraagd niet is uitgeleverd.

6.

Indien na het laatste daarop geplaatste endossement, alvorens het afschrift is vervaardigd, het oorspronkelijke stuk de clausule draagt: «van hier af geldt het endossement slechts op de copie», of enige andere soortgelijke clausule, is een nadien op het oorspronkelijke stuk geplaatst endossement nietig

§ 3. Vermiste wisselbrieven

Artikel 241
1.

Degene die een wisselbrief waarvan hij houder was, vermist, kan met inachtneming van artikel 49, derde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES van de betrokkene betaling vragen.

2.

Degene, die een wisselbrief, waarvan hij houder was, en welke is vervallen en, zoveel nodig, geprotesteerd, vermist, kan met inachtneming van artikel 49, derde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES zijn rechten alleen tegen de acceptant en tegen de trekker uitoefenen.

afdeling Tiende. Van veranderingen

Artikel 242

In geval van verandering van de tekst van een wisselbrief, zijn zij, die daarna hun handtekeningen op de wisselbrief geplaatst hebben, volgens de veranderde tekst verbonden; zij, die daarvoor hun handtekeningen op de wisselbrief geplaatst hebben, zijn verbonden volgens de oorspronkelijke tekst.

afdeling Elfde. Van verjaring

Artikel 243
1.

Behoudens de bepalingen van de volgende leden gaat wisselschuld te niet door alle middelen van schuldbevrijding, bij het Burgerlijk Wetboek BES aangewezen.

2.

Alle rechtsvorderingen, welke uit de wisselbrief tegen de acceptant voortspruiten, verjaren door een tijdsverloop van drie jaren, gerekend van de vervaldag.

3.

De rechtsvorderingen van de houder tegen de endossanten en tegen de trekker verjaren door een tijdsverloop van een jaar, gerekend van de dagtekening van het tijdig opgemaakte protest of, in geval van de clausule zonder kosten, van de vervaldag.

4.

De rechtsvorderingen van de endossanten tegen elkander en tegen de trekker verjaren door tijdsverloop van zes maanden, gerekend van de dag, waarop de endossant ter voldoening aan zijn regresplicht de wisselbrief heeft betaald, of van de dag, waarop hij zelf in rechte is aangesproken.

5.

De in het tweede lid bedoelde verjaring mag niet worden ingeroepen door de acceptant, indien of voor zover hij fonds heeft ontvangen of zich ongerechtvaardigd zou hebben verrijkt; evenmin mag de in het derde en vierde lid bedoelde verjaring worden ingeroepen door de trekker, indien of voor zover hij geen fonds heeft bezorgd, noch door de trekker of de endossanten, die zich ongerechtigd zouden hebben verrijkt; alles onverminderd het bepaalde bij artikel 306 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES.

Artikel 244
1.

De stuiting van de verjaring is slechts van kracht tegen degene, ten aanzien van wie de stuitingshandeling heeft plaats gehad.

2.

Op de in het vorig artikel bedoelde verjaringen is artikel 321, eerste lid, onder a tot en met d, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES niet van toepassing; in de gevallen bedoeld in artikel 321, eerste lid, onder b en c, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES heeft de onbekwame of rechthebbende wiens rechtsvordering is verjaard, verhaal op de wettelijk vertegenwoordiger of bewindvoerder.

afdeling Twaalfde. Algemene bepaling

Artikel 245
1.

De betaling van een wisselbrief, waarvan de vervaldag een wettelijke feestdag is, mag eerst worden gevorderd op de eerstvolgende werkdag. Evenzo mogen alle andere handelingen met betrekking tot wisselbrieven, met name de aanbieding ter acceptatie en het protest, niet plaats hebben dan op een werkdag.

2.

Wanneer één van die handelingen moet worden verricht binnen een zekere termijn, waarvan de laatste dag een wettelijke feestdag is, wordt deze termijn verlengd tot de eerste werkdag, volgende op het einde van die termijn. De tussenliggende feestdagen zijn begrepen in de berekening van de termijn.

3.

Als wettelijke feestdag in de zin van deze afdeling worden beschouwd:

de zondag;

de nieuwjaarsdag;

de datum vallende na de, in ieder van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba afzonderlijk, gehouden Carnavalsoptocht;

de Goede Vrijdag;

de Christelijke tweede Paasdag;

de Hemelvaartsdag;

de dag waarop de verjaardag van de Koning officieel wordt gevierd;

de dag waarop de dag van de arbeid (1 mei) officieel wordt gevierd;

de eerste en tweede Kerstdag;

de datum 6 september voor wat betreft het openbaar lichaam Bonaire;

de datum 16 november voor wat betreft het openbaar lichaam Sint Eustatius en

de eerste vrijdag in de maand december voor wat betreft het openbaar lichaam Saba.

4.

In de wettelijke of bij overeenkomst vastgestelde termijnen is niet begrepen de dag, waarop deze termijnen beginnen te lopen.

5.

Geen enkele respijtdag, noch wettelijke, noch rechterlijke, is toegestaan.

afdeling Dertiende. Van orderbriefjes

Artikel 246
1.

Het orderbriefje behelst:

  • 1°. hetzij de orderclausule, hetzij de benaming «orderbriefje» of «promesse aan order», opgenomen in de tekst zelf, en uitgedrukt in de taal, waarin de titel is gesteld;
  • 2°. de onvoorwaardelijke belofte een bepaalde som te betalen;
  • 3°. de aanwijzing van de vervaldag;
  • 4°. die van de plaats, waar de betaling moet geschieden;
  • 5°. de naam van degene, aan wie of aan wiens order de betaling moet worden gedaan;
  • 6°. de vermelding van de dagtekening, alsmede van de plaats, waar het orderbiljet is ondertekend;
  • 7°. de handtekening van hem, die de titel uitgeeft (ondertekenaar).
2.

De titel, waarin één van de vermeldingen, in het voorgaande lid aangegeven, ontbreekt, geldt niet als orderbriefje, behoudens in de hieronder genoemde gevallen.

3.

Het orderbriefje, waarvan de vervaldag niet is aangewezen, wordt beschouwd als betaalbaar op zicht.

4.

Bij gebreke van een bijzondere aanwijzing wordt de plaats van de ondertekening van de titel geacht te zijn de plaats van betaling en tevens de plaats van het domicilie van de ondertekenaar.

5.

Het orderbriefje, dat de plaats van zijn ondertekening niet vermeldt, wordt geacht te zijn ondertekend in de plaats, aangegeven naast de naam van de ondertekenaar.

Artikel 247
1.

Voor zover zij niet onverenigbaar zijn met de aard van het orderbriefje, zijn daarop toepasselijk de bepalingen over wisselbrieven betreffende:

het endossement (artikelen 189–196);

de vervaldag (artikelen 208–212);

de betaling (artikelen 213–216);

het recht van regres in geval van non-betaling (artikelen 217–226, 228–231);

de betaling bij tussenkomst (artikelen 232, 235–237);

de wisselafschriften (artikel 240);

de vermiste wisselbrieven (artikel 241, eerste lid);

de veranderingen (artikel 242);

de verjaring (artikelen 243 en 244);

de feestdagen, de berekening der termijnen en het verbod van respijtdagen (artikel 245).

2.

Eveneens zijn op het orderbriefje toepasselijk de bepalingen betreffende de wisselbrief, betaalbaar bij een derde of in een andere plaats dan die van het domicilie van de betrokkene (artikelen 182 en 201), de renteclausule (artikel 183), de verschillen in de vermelding met betrekking tot de som, welke moet worden betaald (artikel 184), de gevolgen van het plaatsen van een handtekening onder de omstandigheden bedoeld in artikel 185, eerste lid, die van de handtekening van een persoon, die handelt zonder bevoegdheid of die zijn bevoegdheid overschrijdt (artikel 185, tweede lid), en de wisselbrief in blanco (artikel 187).

3.

Eveneens zijn op het orderbriefje toepasselijk de bepalingen betreffende het aval (artikelen 205–207); indien overeenkomstig hetgeen is bepaald bij artikel 206, laatste lid, het aval niet vermeldt, voor wie het is gegeven, wordt het geacht voor rekening van de ondertekenaar van het orderbriefje te zijn gegeven.

Artikel 248
1.

De ondertekenaar van een orderbriefje is op dezelfde wijze verbonden als de acceptant van een wisselbrief.

2.

De orderbriefjes, betaalbaar zekere tijd na zicht, moeten ter tekening voor «gezien» aan de ondertekenaar worden aangeboden binnen de bij artikel 199, eerste, tweede of derde lid, vastgestelde termijn. De zichttermijn loopt van de dagtekening van het visum, hetwelk door de ondertekenaar op het orderbriefje moet worden geplaatst. De weigering van deze zijn visum te plaatsen, moet worden vastgesteld door een protest (artikel 200, tweede lid), van welks dagtekening de zichttermijn begint te lopen.

titel Zesde. Van cheques en van promessen en kwitanties aan toonder

afdeling Eerste. Van de uitgifte en de vorm van de cheque

Artikel 249

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)