Wet educatie en beroepsonderwijs BES
Het expertisecentrum onderwijszorg treft een regeling voor de behandeling van klachten over gedragingen en beslissingen van het bestuur van dit centrum of het personeel, waaronder discriminatie, dan wel het nalaten van gedragingen en het niet nemen van beslissingen door het bestuur of het personeel voor zover het betreft zijn onderscheidenlijk hun werkzaamheden in het kader van het onderwijsproces of de deskundige ondersteuning, bedoeld in het eerste lid. De artikelen 3.35 en 3.36 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 zijn op deze regeling van overeenkomstige toepassing.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over de taken van het expertisecentrum onderwijszorg.
Artikel 3.5. Subsidie expertisecentrum onderwijszorg
Onze Minister verstrekt het expertisecentrum onderwijszorg subsidie.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gegeven over het verstrekken van subsidie aan het expertisecentrum onderwijszorg voor de taken, bedoeld in 3.4, eerste lid.
De titels 4.1 en 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 4 tot en met 19 van de Wet overige OCW-subsidies zijn van toepassing op de subsidie.
Artikel 3.6. Toezicht expertisecentrum onderwijszorg
Met het toezicht op de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, en voor zover van toepassing het zevende lid van dat artikel, zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.
De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde ambtenaren.
Artikel 3.7. Taakverwaarlozing door expertisecentrum onderwijszorg
Onze Minister is bevoegd tot het treffen van noodzakelijke voorzieningen indien het expertisecentrum onderwijszorg naar het oordeel van Onze Minister zijn taken ernstig verwaarloost.
De voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, worden niet eerder getroffen dan nadat het expertisecentrum onderwijszorg in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen redelijke termijn alsnog zijn taken naar behoren uit te voeren.
Hoofdstuk 4. Personeel
Titel 1. Personeel van instellingen voor educatie en beroepsonderwijs
Artikel 4.1.1. Directeur, docenten en onderwijsondersteunend personeel
De onderwijsgevenden aan een instelling dragen de titel van docent.
Aan een instelling zijn één of meer directeuren verbonden.
Het bevoegd gezag benoemt één of meer van de docenten om een directeur bij te staan en bij afwezigheid te vervangen. Deze dragen de titel van adjunct-directeur.
Het bevoegd gezag kan overig personeel aanwijzen, dat tot taak
heeft, het onderwijs te ondersteunen.
Artikel 4.1.2. Benoeming, schorsing en ontslag
Het bevoegd gezag benoemt, schorst en ontslaat de directeuren, de adjunct- directeuren, de docenten en het overige personeel.
Artikel 4.1.3. Formatie
Het bevoegd gezag stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van het personeel van de instelling. Zoveel mogelijk tegelijk met die vaststelling bepaalt het bevoegd gezag functies en taken van het personeel van de instelling, met inachtneming van de daaromtrent bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, te geven nadere voorschriften.
Artikel 4.1.4. Rechtspositie personeel van een bijzondere instelling
De Ambtenarenwet BES en de daarop berustende regelingen zijn voor het personeel van een instelling voor bijzonder onderwijs van overeenkomstige toepassing.
Voor de salarissen en toelagen van het personeel wordt een regeling vastgesteld bij eilandsbesluit.
Het bestuurscollege stelt de regeling, bedoeld in het tweede lid, dan wel een wijziging daarvan niet vast dan nadat daarover op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met de bevoegde gezagsorganen en met de onderwijsvakbonden of, bij het ontbreken daarvan, met een representatief te achten vertegenwoordiging van het personeel. Artikel 101 van de Ambtenarenwet BES is niet van toepassing op de vaststelling dan wel wijziging van de regeling, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 4.1.5. Afwijking nationaliteitsvereiste
Artikel 3, eerste lid, onderdeel b,van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES is niet van toepassing op het personeel.
Artikel 4.1.6
[Vervallen]
Artikel 4.1.7. Akte van benoeming
In afwijking van artikel 8 van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES is ieder personeelslid van een bijzondere instelling in het bezit van een door het bevoegd gezag en hemzelf getekende akte van benoeming.
De akte van benoeming bevat ten minste bepalingen van gelijke inhoud als de bepalingen die zijn vastgesteld in artikel 8 van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES.
Artikel 4.1.8. Disciplinaire maatregel, schorsing en ontslag door Rijksvertegenwoordiger
De Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is, in afwijking van artikel 4.1.2, eerste lid, bevoegd de disciplinaire straf of de schorsing op te leggen dan wel het ontslag te verlenen, indien het een directeur, een adjunct-directeur, of een ander lid van het onderwijzend personeel van een openbare instelling betreft en deze tevens lid is van de eilandsraad van het openbaar lichaam die de school in stand houdt.
Artikel 4.2.1. Vereisten benoeming of tewerkstelling docenten
Docenten worden door het bevoegd gezag benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming.
Tot docent aan een instelling kan slechts worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming degene die:
- a. in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES, die op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6 maanden, en
- b. voldoet aan de bekwaamheidseisen, bedoeld in artikel 4.2.3, eerste lid, blijkend uit het bezit van:
- 1°. een getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een aan een hogeschool verbonden opleiding gericht op het beroep van leraar in het voortgezet onderwijs,
- 2°. een getuigschrift als bedoeld in artikel 175 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs van een met goed gevolg afgelegd staatsexamen, voor zover overeenkomend met een getuigschrift als bedoeld onder 1°,
- 3°. een getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een universitaire lerarenopleiding,
- 4°. een getuigschrift of diploma van een opleiding die vóór 1 augustus 1991 was gericht op het beroep van leraar in het voortgezet onderwijs,
- 5°. een ten aanzien van het door hem te geven onderwijs verleende erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties,
- 6°. een gelijkwaardig buitenlands getuigschrift of diploma, behaald in een land dat niet behoort tot de Lid-Staten van de EU, dan wel een gelijkwaardig diploma of getuigschrift behaald in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius of Saba, of
- c. in het bezit is van een door het bevoegd gezag afgegeven geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 4.2.5, en
- d. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het geven van onderwijs.
In geval van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 4.2.5 vindt de benoeming of tewerkstelling zonder benoeming voor zover betrokkene niet in het bezit is van een getuigschrift als bedoeld in artikel 7a.4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek plaats voor een periode van ten hoogste twee aaneengesloten studiejaren. Het bevoegd gezag kan deze benoemingsperiode, al dan niet onder door dat gezag te stellen voorwaarden, verlengen met ten hoogste twee jaren indien het bevoegd gezag daarvoor redenen aanwezig acht. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin.
Het bevoegd gezag kan ten aanzien van een docent voor een periode van ten hoogste twee jaar afwijken van de eisen, bedoeld in het tweede lid, onder b en c. Het bevoegd gezag kan de in de eerste volzin bedoelde termijn verlengen met ten hoogste twee jaren indien het bevoegd gezag dat noodzakelijk oordeelt vanwege de kwaliteit en de voortgang van het onderwijs aan de school. In dat geval verklaren het bevoegd gezag en de betrokkene in ieder geval schriftelijk dat betrokkene verplicht is zich in te spannen om binnen de verlengingsperiode alsnog te voldoen aan de eisen, bedoeld in het tweede lid, onder b. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin.
Het bevoegd gezag kan afwijken van het tweede lid, onder b en c, ten aanzien van degene die gelet op specifieke kennis en bekwaamheden, samenhangend met ervaringen en werkzaamheden in andere sectoren van de samenleving en het bedrijfsleven, naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende bekwaam is om onder verantwoordelijkheid van een daartoe door het bevoegd gezag aan te wijzen docent voor een beperkte betrekkingsomvang te worden belast met het uitsluitend verzorgen van onderwijsonderdelen waar die specifieke kennis en bekwaamheden in het bijzonder betrekking op hebben. De betrekkingsomvang is voor het totaal van de in de eerste volzin bedoelde te verzorgen onderwijsonderdelen ten hoogste een aantal van gemiddeld 6 klokuren per week op jaarbasis.
Artikel 4.2.2. Belasten met onderwijsondersteunende werkzaamheden
Onderwijsondersteunende werkzaamheden waarvoor op grond van artikel 4.2.3, tweede lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, mogen slechts worden verricht door degene die:
- a. in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven ingevolge de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES, die op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6 maanden, en
- b. in het bezit is van een bij ministeriële regeling aangewezen getuigschrift waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de in artikel 4.2.3, tweede lid, bedoelde bekwaamheidseisen, voor zover vastgesteld, of
- c. in het bezit is van een ten aanzien van de door hem te verrichten werkzaamheden, al dan niet bedoeld in artikel 4.2.3, tweede lid artikel, verleende erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, of
- d. volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven regels zijn bekwaamheid heeft aangetoond, en
- e. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het verrichten van die werkzaamheden.
Het eerste lid is niet van toepassing op een onderwijsondersteunende functionaris voor zover deze is belast met werkzaamheden in verband met contractactiviteiten.
Ten aanzien van ho-studenten aan een opleiding als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en studenten aan de beroepsbegeleidende leerweg van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 die in het kader van die opleiding onderwijsondersteunende werkzaamheden verrichten waarvoor op grond van artikel 4.2.3, tweede lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, kan voor de duur van die werkzaamheden worden afgeweken van het eerste lid, onder b tot en met d.
Het bevoegd gezag kan voor een periode van ten hoogste twee jaar afwijken van de eisen, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met d. Het bevoegd gezag kan deze periode met ten hoogste de helft verlengen indien bijzondere omstandigheden daartoe naar zijn oordeel aanleiding geven. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin.
Artikel 4.2.3. Bekwaamheidseisen
Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen vastgesteld voor de uitoefening van het docentschap.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bekwaamheidseisen worden vastgesteld voor bij die maatregel aan te wijzen onderwijsondersteunende werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het onderwijsleerproces.
De in het eerste lid bedoelde bekwaamheidseisen zijn gericht op het handelen in het onderwijsleerproces, het algemeen professioneel handelen en het werken binnen een onderwijsorganisatie. Zij omvatten in elk geval eisen ten aanzien van:
- a. pedagogisch-didactische kennis, inzicht en vaardigheden, en
- b. vakbekwaamheid.
Artikel 4.2.4. Bekwaamheidsdossier
Het bevoegd gezag beschikt ten aanzien van elk personeelslid dat een functie of werkzaamheden verricht waarvoor bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, over geordende gegevens met betrekking tot de bekwaamheid en het onderhouden van de bekwaamheid. Ten behoeve van de onderlinge vergelijkbaarheid en herkenbaarheid van de gegevens kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld over de inrichting en wijze van ordening van deze gegevens.
Artikel 4.2.5. Geschiktheidsverklaring zij-instroom in het beroep van docent
Aan degene die niet in het bezit is van een in artikel 4.2.1, tweede lid, onder b, genoemd getuigschrift of diploma respectievelijk genoemde erkenning van beroepskwalificaties wordt door het bevoegd gezag dat voornemens is betrokkene te benoemen een geschiktheidsverklaring afgegeven, indien de betrokkene naar het oordeel van het bevoegd gezag:
- a. vakinhoudelijk bekwaam is en geschikt is voor het beroep van docent, en
- b. voldoet aan de in artikel 4.2.3, derde lid, onder a genoemde eisen, blijkend uit het bezit van een getuigschrift als bedoeld in artikel 7a.4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of
- c. in staat is verantwoord les te geven en binnen twee jaar na benoeming of tewerkstelling zonder benoeming tot docent te voldoen aan de in artikel 4.2.3, derde lid, onder a, genoemde eisen.
Het bevoegd gezag geeft de in het eerste lid bedoelde verklaring slechts af, indien:
- a. betrokkene in het bezit is van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs of in het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, niet zijnde een getuigschrift als bedoeld in artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel b 1° tot en met 4°,
- b. betrokkene in het bezit is van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties,
- c. betrokkene in het bezit is van een buitenlands getuigschrift of diploma dat gelijkwaardig is aan een onder a bedoeld getuigschrift of een onder b bedoelde erkenning van beroepskwalificaties, of
- d. betrokkene ten minste drie jaren ervaring heeft in de praktijk van het beroep waarop het desbetreffende onderwijs is gericht en naar het oordeel van het bevoegd gezag door een combinatie van opleiding en ervaring geacht wordt te beschikken over een kwalificatieniveau dat vergelijkbaar is met het onder a tot en met c bedoelde kwalificatieniveau, en
- e. de gevolgde opleiding en de maatschappelijke of beroepservaring van betrokkene, in onderlinge samenhang bezien, naar het oordeel van het bevoegd gezag van voldoende belang zijn in verhouding tot de beoogde werkzaamheden aan de instelling.
Indien betrokkene niet in het bezit is van een getuigschrift als bedoeld in artikel 7a.4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, stelt het bevoegd gezag vast, welke scholing en begeleiding voor betrokkene noodzakelijk zijn om binnen twee jaar na benoeming of tewerkstelling zonder benoeming te kunnen voldoen aan de in artikel 4.2.3, derde lid onder a, genoemde bekwaamheidseisen ten aanzien van pedagogisch-didactische kennis, inzicht en vaardigheden.
Hoofdstuk 5. Medezeggenschap
Artikel 5.1. Medezeggenschap
Het bevoegd gezag stelt een representatief te achten vertegenwoordiging van ouders, studenten, vavo-studenten en personeel ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de instelling met hem te bespreken.
Het bevoegd gezag en de vertegenwoordigers van ouders, studenten, vavo-studenten en personeel komen bijeen indien daarom onder opgave van redenen door het bevoegd gezag, de vertegenwoordigers van ouders of de vertegenwoordigers van personeel wordt verzocht. De besprekingen kunnen namens het bevoegd gezag worden gevoerd.
Indien een beroepsopleiding wordt verzorgd aan een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, zijn de artikelen 11.33 tot en met 11.35 van die wet van toepassing.
Hoofdstuk 5. Medezeggenschap
Titel 1. Het Centraal register
Artikel 6.1.1. De Registratie instellingen en opleidingen
De Registratie instellingen en opleidingen omvat een systematisch geordende verzameling gegevens met betrekking tot de erkende beroepsopleidingen en de instellingen die deze verzorgen. Onze Minister is belast met de aanleg, het beheer en de bekendmaking van het register en met het verstrekken van informatie uit het register. De bekendmaking en het verstrekken van informatie kunnen digitaal plaatsvinden.
De Registratie instellingen en opleidingen bevat de volgende gegevens:
- a. de naam van de beroepsopleiding en de opleidingscode, alsmede het NLQF-niveau dat bij of krachtens de Wet NLQF voor de beroepsopleiding is vastgesteld en het daarmee corresponderende EQF-niveau,
- b. de naam van de instelling die de beroepsopleiding verzorgt, alsmede in welke leerweg of leerwegen de opleiding wordt verzorgd,
- c. of het een bekostigde beroepsopleiding betreft,
- d. de studieduur,
- e. de naam van de beroepsopleiding ten aanzien waarvan bij een instelling het recht op examinering is ontnomen en de ingangsdatum daarvan,
- f. de namen van de exameninstellingen, die het recht hebben op examinering van de betreffende beroepsopleiding, voorzover het recht op examinering niet is ontnomen.
Titel 1. Het Centraal register
Artikel 6.2.1. Beëindiging van rechten erkenning beroepsopleidingen
De erkenning van een beroepsopleiding vervalt indien een instelling blijk geeft de erkende beroepsopleiding niet meer te verzorgen of indien een instelling gedurende vier jaar een erkende opleiding niet heeft verzorgd.
Onze Minister kan, ten aanzien van een beroepsopleiding in de beroepsopleidende of beroepsbegeleidende leerweg die de instelling verzorgt, de in artikel 1.4.1 bedoelde erkenning intrekken, indien:
- a. gebleken is dat de kwaliteit van die opleiding ten minste drie maanden onvoldoende is geweest,
- b. niet of niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 1.4.1, derde lid, of aan artikel 1.4.3.
Een beschikking op grond van het tweede lid houdt in dat ten aanzien van het desbetreffende onderwijs:
- a. de aanspraak op bekostiging, bedoeld in artikel 2.1.1, voor zover van toepassing, vervalt,
- b. aan de examens of onderdelen daarvan geen diploma als bedoeld in artikel 7.4.8 of certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 meer is verbonden, en
- c. de registratie in de Registratie instellingen en opleidingen wordt beëindigd.
Onze Minister maakt de ontneming van rechten, bedoeld in dit artikel, openbaar.
Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een beroepsopleiding in een andere leerweg als bedoeld in artikel 1.4.1, negende lid.
Artikel 6.2.2. Beëindiging van rechten erkenning opleiding educatie; waarschuwing
De erkenning van een opleiding educatie vervalt indien een instelling blijk geeft de erkende opleiding educatie niet meer te verzorgen of indien een instelling gedurende vier jaar een erkende opleiding niet heeft verzorgd.
Onze Minister kan, ten aanzien van een opleiding educatie die de instelling verzorgt, de in artikel 1.4.2 bedoelde erkenning intrekken, indien:
- a. gebleken is dat de kwaliteit van die opleiding onvoldoende is, of
- b. niet of niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 1.4.2, derde lid.
Een beschikking op grond van het tweede lid houdt in dat ten aanzien van het desbetreffende onderwijs aan de examens of onderdelen daarvan geen diploma als bedoeld in artikel 7.4.8 of certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 meer is verbonden.
Voordat Onze Minister een besluit neemt op grond van het tweede lid, onderdeel a, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de kwaliteit van de opleiding. Onze Minister geeft pas toepassing aan het tweede lid, onderdeel a, nadat:
- a. de waarschuwing ten minste een jaar verstreken is, en
- b. Onze Minister aan de hand van een nader onderzoek tot het oordeel is gekomen dat niet of niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de waarschuwing.
Voordat Onze Minister een besluit neemt op grond van het tweede lid, onderdeel b, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden.
Onze Minister maakt de ontneming van rechten en de waarschuwing openbaar.
Artikel 6.2.3. Waarschuwing
Voordat Onze Minister een besluit neemt op grond van artikel 6.2.1, tweede lid, onderdeel a, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de kwaliteit van de opleiding, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden. Onze Minister geeft pas toepassing aan artikel 6.2.1, tweede lid, onderdeel a, nadat:
- a. de termijn, bedoeld in de aanhef, is verstreken, en
- b. Onze Minister aan de hand van een nader onderzoek tot het oordeel is gekomen dat niet of niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de waarschuwing.
Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.2.1, tweede lid, onderdeel b, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden.
Onze Minister maakt de waarschuwingen, bedoeld in dit artikel, openbaar.
Artikel 6.2.4. Ontneming recht op examinering instellingen; waarschuwing
Onze Minister kan aan een instelling het recht op examinering van een beroepsopleiding ontnemen, indien de kwaliteit van de examens van die opleiding niet voldoet aan de standaarden, bedoeld in artikel 7.4.5. Bij de ontneming van het recht wordt bepaald met ingang van welk tijdstip dit geschiedt. De ontneming wordt in de Registratie instellingen en opleidingen bekendgemaakt.
Voordat Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid neemt, geeft hij het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen over de kwaliteit van de examinering onder bepaling van de termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven. Onze Minister maakt de waarschuwing openbaar.
Het bevoegd gezag kan niet eerder dan na verloop van drie studiejaren na de ontneming, bedoeld in het eerste lid, het recht opnieuw verkrijgen. Artikel 1.6.1 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.2.5. Maatregelen
In de gevallen, bedoeld in artikel 6.2.1, tweede lid, onder a en b, artikel 6.2.2, tweede lid, onderdeel a en b, en artikel 6.2.4, eerste lid kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag maatregelen treffen.
Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort de mogelijkheid het bestuur van de instelling te laten bijstaan door een extern deskundige, niet zijnde de deskundige als bedoeld in artikel 1.1.1. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële middelen aan de instelling ter beschikking worden gesteld.
Onze Minister stelt nadere regels omtrent de toekenning van en verantwoording voor maatregelen, voor zover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen.
Artikel 6.3.1. Ontneming recht op examinering exameninstellingen; waarschuwing
De artikelen 6.2.4, 6.2.5 en 6.2.6 zijn van overeenkomstige toepassing op exameninstellingen.
Hoofdstuk 7. Het onderwijs
Titel 3. Ontneming van rechten exameninstellingen
Artikel 7.1.1. Taal
Het onderwijs wordt gegeven en de examens worden afgenomen in het Nederlands.
In afwijking van het eerste lid wordt het onderwijs gegeven en worden de examens afgenomen voor zover het betreft een beroepsopleiding op Bonaire, ter keuze van het bevoegd gezag in het Nederlands of in het Papiaments en voor zover het betreft een entreeopleiding of basisberoepsopleiding op Sint Eustatius en Saba, ter keuze van het bevoegd gezag, in het Nederlands of in het Engels. Bij het bepalen van zijn keuze betrekt het bevoegd gezag ten minste in zijn overwegingen:
- a. de dominante taal op een eilandgebied,
- b. de gehanteerde instructietaal in de vooropleiding,
- c. de aard van de doelgroep en de mate aan kennis van de dominante taal of van de geëigende instructietaal op een eilandgebied bij deze doelgroep,
- d. de instructietaal van vervolgopleidingen, en
- e. de beschikbaarheid van lesmateriaal in de desbetreffende instructietaal.
Artikel 7.1.2. Opleidingen
De instelling biedt het onderwijs aan in de vorm van beroepsopleidingen of opleidingen educatie. Een beroepsopleiding wordt door de instelling in het maatschappelijk verkeer aangeduid met de naam van de kwalificatie waarop zij is gericht of voorzover het gaat om studenten die ingeschreven zijn of zullen worden voor een opleidingsdomein BES of een kwalificatiedossier, de naam van dat opleidingsdomein BES of dat kwalificatiedossier.
Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een student is ingericht overeenkomstig de eisen van hoofdstuk 7, titel 2, onverminderd artikel 1.4.1, negende lid, en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie in het beroepsonderwijs, ten bewijze waarvan een diploma wordt uitgereikt.
Een opleiding educatie is een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van eindtermen of het behalen van een diploma, gelijkwaardig aan een diploma van scholen, bedoeld in de artikelen 13 tot en met 15 van de Wet op het voortgezet onderwijs BES, of onderdelen van een dergelijk diploma.
Beroepsopleidingen worden afgesloten met een examen. Opleidingen educatie kunnen worden afgesloten met een examen.
Artikel 7.1.3. Kwalificatie
Een kwalificatie is het geheel van bekwaamheden die een afgestudeerde van een beroepsopleiding kwalificeren voor het functioneren in een beroep of een groep van samenhangende beroepen, in het vervolgonderwijs en als burger en dat is beschreven binnen een kwalificatiedossier.
Titel 1. Het onderwijs
§ 1. Reikwijdte
§ 2. Beroepsopleidingen en eindtermen beroepsopleidingen
Titel 2. Het beroepsonderwijs
Artikel 7.3.1. Onderscheid opleidingen educatie
De volgende opleidingen educatie worden onderscheiden:
- a. opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, gericht op het behalen van een diploma, bedoeld in de artikelen 2.4 tot en met 2.6 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, of onderdelen van dat diploma,
- b. opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren,
- c. opleidingen Nederlands als vreemde taal, en
- d. opleidingen gericht op sociale redzaamheid.
De opleidingen, bedoeld in het eerste lid, onder b, sluiten aan bij de basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, onder c.
Artikel 7.3.2. Eindtermen opleidingen educatie
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke opleidingen in elk geval behoren tot de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder b, c en d, en kunnen daarvoor eindtermen worden vastgesteld.
Het bevoegd gezag stelt eindtermen vast voor de overige opleidingen educatie, met uitzondering van de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid onder a.
Artikel 7.3.3. Inrichting voortgezet algemeen volwassenenonderwijs
Opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs omvatten het onderwijs dat noodzakelijk is voor het behalen van het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, dan wel voor het behalen van onderdelen van het diploma.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de voor het behalen van elk der in het eerste lid genoemde diploma's of onderdelen daarvan noodzakelijke vakken en andere programma-onderdelen, en omtrent de cursusduur.
Wanneer de herkomst van de vavo-studenten daartoe noodzaakt, kan onderwijs worden gegeven in de taal van het land van oorsprong van die vavo-studenten.
Ten behoeve van de bijzondere inrichting van het onderwijs kan Onze Minister toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde bij of krachtens dit artikel. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Titel 2. Het beroepsonderwijs
§ 1. Reikwijdte
§ 2. Beroepsopleidingen en kwalificatiestructuur
Artikel 7.5.1. Toegankelijke faciliteit
In deze titel wordt onder «betrokkene» verstaan:
- a. student, vavo-student en extraneus;
- b. aanstaande student, aanstaande vavo-student en aanstaande extraneus;
- c. voormalige student, voormalige vavo-student en voormalige extraneus.
Het bevoegd gezag richt een toegankelijke en eenduidige faciliteit in. Het bevoegd gezag stelt een nadere regeling vast met betrekking tot deze paragraaf en paragraaf 2, die een onderdeel vormt van het bestuursreglement. Deze regeling vermeldt in ieder geval:
- a. de instelling van een klachtencommissie, die klachten behandelt,
- b. de wijze waarop de klachtencommissie haar werkzaamheden verricht,
- c. de termijn waarbinnen de klager een klacht kan indienen, en
- d. de termijn waarbinnen mededeling plaatsvindt van het oordeel, bedoeld in het zesde lid, en hoe bij noodzakelijke afwijking van deze termijn wordt gehandeld.
Een betrokkene dient een klacht als bedoeld in artikel 7.5.2 dan wel beroep of bezwaar als bedoeld in paragraaf 2 van deze titel en artikel 8.1.7a, vijfde lid, vanwege een schriftelijke beslissing van een orgaan van een instelling inhoudende een rechtshandeling op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen, vanwege het ontbreken van een dergelijke beslissing dan wel vanwege een geschil met betrekking tot het maken, wijzigen of uitvoeren van afspraken als bedoeld in artikel 8.1.5a, tweede lid, in bij de faciliteit. Indien het een beroep of bezwaar van een betrokkene aan een openbare instelling betreft, is artikel 55 van de Wet administratieve rechtspraak BES niet van toepassing.
De termijn voor het schriftelijk indienen van een bezwaar als bedoeld in paragraaf 2 bedraagt zes weken. De termijn voor het schriftelijk indienen van een beroep als bedoeld in paragraaf 2 en artikel 8.1.7a, vijfde lid, bedraagt twee weken.
De faciliteit bevestigt de ontvangst van een binnengekomen klacht, beroep of bezwaar schriftelijk aan de betrokkene en zendt deze, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk door aan het bevoegde orgaan. Indien het een openbare instelling betreft, is artikel 59, tweede lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES niet van toepassing.
De datum van ontvangst, bedoeld in het vijfde lid, is bepalend voor de vraag of een klacht, beroep of bezwaar tijdig is ingediend. Indien het een openbare instelling betreft, is artikel 59, tweede lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES niet van toepassing.
Indien de faciliteit een klacht, beroep of bezwaar aan een onbevoegd orgaan heeft gezonden, zendt dit orgaan het desbetreffende stuk zo spoedig mogelijk terug naar de faciliteit. Het bevoegde orgaan behandelt een klacht, beroep of bezwaar dat door een betrokkene rechtstreeks is ingediend bij dit orgaan slechts na tussenkomst van de faciliteit.
Artikel 7.5.2. Klachten
Ouders dan wel studenten of deelnemers, en personeelsleden kunnen bij de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, een klacht indienen over gedragingen en beslissingen van het bevoegd gezag of het personeel, waaronder discriminatie, dan wel het nalaten van gedragingen en het niet nemen van beslissingen door het bevoegd gezag of het personeel.
Deze regeling strekt ter vervanging van klachtenregelingen op grond van andere voorschriften dan dit artikel en strekt niet ter vervanging van een andere voorziening die op grond van een wettelijke regeling, niet zijnde een klachtenregeling, voor de klager openstaat of heeft opengestaan.
Deze regeling
- a. voorziet erin dat de klachten worden behandeld door een klachtencommissie die bestaat uit ten minste drie leden, waaronder een voorzitter die geen deel uitmaakt van het bevoegd gezag en niet werkzaam is voor of bij het bevoegd gezag, en
- b. waarborgt dat aan de behandeling van een klacht niet wordt deelgenomen door een persoon op wiens gedraging de klacht rechtstreeks betrekking heeft.
De klager en degene over wie is geklaagd krijgen de gelegenheid:
- a. hun zienswijze mondeling of schriftelijk toe te lichten en
- b. zich bij de behandeling van de klacht te laten bijstaan.
De klachtencommissie vormt zich een oordeel over de gegrondheid van de klacht en deelt dit oordeel, al dan niet vergezeld van aanbevelingen, schriftelijk mede aan de klager, degene over wie is geklaagd en het bevoegd gezag.
Het bevoegd gezag deelt de klager en de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, binnen 4 weken na ontvangst van het in het zesde lid bedoelde oordeel van de klachtencommissie schriftelijk mede of hij het oordeel over de gegrondheid van de klacht deelt en of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke. Bij afwijking van de in de eerste volzin bedoelde termijn, doet het bevoegd gezag daarvan met redenen omkleed mededeling aan de klager en de klachtencommissie onder vermelding van de termijn waarbinnen het bevoegd gezag zijn standpunt bekend zal maken.
Degene die betrokken is bij de uitvoering van dit artikel en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijze moet vermoeden, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.
Gegevens die betrekking hebben op een klacht worden bewaard op een plaats die uitsluitend toegankelijk is voor de leden van de klachtencommissie en het bevoegd gezag.
Artikel 7.6.1. Practicumplaatsen voor ho-studenten in opleiding
Het bevoegd gezag is verplicht, ho-studenten die zijn ingeschreven voor een opleiding voor het beroep van leraar waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, of die anderszins studeren voor een bewijs van voldoende pedagogische bekwaamheid, en die in opleiding zijn voor een functie in het onderwijs, gelegenheid te bieden de als onderdeel van hun opleiding vereiste ervaring in de instelling te verkrijgen.
De in het eerste lid bedoelde verplichting omvat 5% van het in het desbetreffende studiejaar door de instelling in totaal te verzorgen beroepsonderwijs en educatie. Het bevoegd gezag kan een hoger percentage vaststellen mits dat in overeenstemming is met de goede gang van zaken binnen de instelling.
Onze Minister kan het bevoegd gezag op grond van bijzondere omstandigheden gehele of gedeeltelijke ontheffing van de in het eerste lid bedoelde verplichting verlenen. De ontheffing geldt voor een studiejaar.
Hoofdstuk 8. Inschrijving, vooropleidingseisen en voortijdig schoolverlaten
Titel 1. Inschrijving
Artikel 8.1.1. Inschrijving
Een ieder die gebruik wenst te maken van onderwijsvoorzieningen en examenvoorzieningen, dient zich door het bevoegd gezag als student of vavo-student te laten inschrijven. Een ieder die uitsluitend wenst te worden toegelaten tot examenvoorzieningen, dient zich door het bevoegd gezag als extraneus te laten inschrijven. Voor de inschrijving als extraneus is aan het bevoegd gezag een door dat gezag te bepalen vergoeding verschuldigd. Indien het een meerderjarige extraneus betreft die het examengeld niet zelf voldoet, wordt niet overgegaan tot inschrijving dan nadat de extraneus schriftelijk heeft verklaard dat hij ermee instemt dat een in die verklaring vermelde derde namens hem het examengeld voldoet.
De inschrijving voor een opleiding of een onderdeel van een opleiding staat uitsluitend open voor degene waarvan de ouders, voogden of verzorgers aantonen, dan wel, indien hij meerderjarig en handelingsbekwaam is, degene die aantoont dat hij:
- a. de Nederlandse nationaliteit bezit of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld,
- b. vreemdeling is en jonger is dan 18 jaar op de eerste dag waarop de opleiding of het onderdeel van de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst,
- c. vreemdeling is, 18 jaar of ouder is op de eerste dag waarop de opleiding of het onderdeel van de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst en op die dag rechtmatig verblijft houdt in de zin van de artikelen 3, 5a of 6 van de Wet toelating en uitzetting BES, of
- d. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden genoemd onder b of c, en eerder in overeenstemming met een van die onderdelen is ingeschreven voor een opleiding of het onderdeel van de opleiding van een instelling, welke opleiding of welk onderdeel van de opleiding nog steeds wordt gevolgd en nog niet is voltooid.
Indien na de inschrijving voor de opleiding of een onderdeel van de opleiding blijkt dat deze op welke grond dan ook niet in overeenstemming met het tweede lid heeft plaatsgevonden, wordt de inschrijving met onmiddellijke ingang beëindigd.
3a. Het bevoegd gezag van een bijzondere instelling maakt de beslissing over inschrijving schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering bekend aan de student of vavo-student. Indien de student of vavo-student jonger dan 18 jaar is, maakt het bevoegd gezag de beslissing ook aan de ouders, voogden of verzorgers schriftelijk bekend.
De inschrijving geschiedt voor een opleiding educatie of een onderdeel daarvan of voor een beroepsopleiding. Indien het verzoek om inschrijving betrekking heeft op een beroepsopleiding, wordt daarbij aangegeven op welke leerweg het verzoek van toepassing is.
De toelating tot beroepsopleidingen staat voor zover het de beroepsbegeleidende leerweg betreft, uitsluitend open voor degenen voor wie de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van de Leerplichtwet BES, is geëindigd.
Het bevoegd gezag van een bijzondere instelling kan aangeven dat degenen die wensen te worden ingeschreven, geacht worden de grondslag en de doelstellingen van de instelling te respecteren. De inschrijving kan worden geweigerd dan wel beëindigd indien de betrokkene de grondslag en de doelstellingen van de instelling niet respecteert. De inschrijving aan een bijzondere instelling kan eveneens worden geweigerd dan wel beëindigd indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkene van die inschrijving en de daaraan verbonden rechten misbruik zal maken door in ernstige mate afbreuk te doen aan de eigen aard van die instelling, dan wel indien is gebleken dat de betrokkene van die inschrijving en de daaraan verbonden rechten een dergelijk misbruik heeft gemaakt. De weigering dan wel beëindiging van de inschrijving geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed. De inschrijving kan niet worden beëindigd op grond van de tweede volzin indien voor betrokkene geen gelegenheid bestaat de opleiding aan een andere instelling te volgen.
De inschrijving voor een opleidingsdomein BES kan uitsluitend geschieden voor een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg op het tweede, derde of vierde niveau, bedoeld in artikel 7.2.2, derde lid.
Bij ministeriële regeling kan een maximum worden vastgesteld voor het percentage van de studenten in het beroepsonderwijs dat in een jaar kan worden ingeschreven voor een opleidingsdomein BES.
Artikel 8.1.2. Samenwerking met VO-scholen ter bevordering van doelmatig en doeltreffend onderwijs
Het bevoegd gezag kan in afwijking van artikel 8.1.1, in gevallen als geregeld in artikel 2.99 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en met inachtneming van de artikelen 2.100, 2.101 en 2.108 van die wet ook tot onderwijs- en examenvoorzieningen van de instelling toelaten zij die niet als student, vavo-student of extraneus aan de instelling worden ingeschreven maar zijn ingeschreven als leerling aan een school voor voortgezet onderwijs.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld over de verantwoording van de bedragen die het bevoegd gezag met toepassing van artikel 5.39, zevende lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 heeft ontvangen.
Indien het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs ter uitvoering van artikel 2.99 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 leerlingen in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan die school zijn ingeschreven, ook onderwijs wil kunnen laten volgen dat een instelling van datzelfde bevoegd gezag verzorgt, regelt het bevoegd gezag voor zover van toepassing op overeenkomstige wijze de onderwerpen, bedoeld in artikel 2.100, tweede lid, van die wet.
Artikel 8.1.3. Te verstrekken gegevens bij inschrijving
De inschrijving bij een instelling, bedoeld in artikel 8.1.1, vindt slechts plaats nadat door de student of vavo-student of, indien deze minderjarig is, door de ouders, voogden of verzorgers de gegevens betreffende de geslachtsnaam, de voorletters, de geboortedatum, het geslacht en het persoonsgebonden nummer BES van de student of vavo-student zijn overgelegd. Indien door de student of vavo-student of, indien deze minderjarig is, door de ouders, voogden of verzorgers aannemelijk wordt gemaakt dat geen persoonsgebonden nummer BES van de student of vavo-student kan worden overgelegd, vindt de inschrijving plaats met inachtneming van het derde lid.
De in het eerste lid bedoelde gegevens worden overgelegd door middel van een van overheidswege verstrekt document dan wel een door een andere school of een school of instelling voor ander onderwijs verstrekt bewijs van uitschrijving, waarin de desbetreffende gegevens zijn opgenomen.
Indien door de student of vavo-student of, indien deze minderjarig is, door de ouders, voogden of verzorgers aannemelijk wordt gemaakt dat geen persoonsgebonden nummer BES van de student of vavo-student kan worden overgelegd, meldt het bevoegd gezag binnen twee weken na het besluit tot inschrijving aan Onze Minister de beschikbare gegevens van de student of vavo-student, bedoeld in het eerste lid, alsmede zijn adres en woonplaats.
Onze Minister verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de melding, bedoeld in het derde lid, aan het bevoegd gezag het persoonsgebonden nummer BES, dan wel, indien is gebleken dat hem een dergelijk nummer niet is verstrekt, het onderwijsnummer van de student of vavo-student. Het onderwijsnummer is een door Onze Minister uitgegeven en aan de student of vavo-student toegekend persoonsgebonden nummer BES.
Het bevoegd gezag neemt de in het eerste en vierde lid bedoelde gegevens op in de administratie van de instelling.
Indien aan een student of vavo-student een onderwijsnummer is toegekend en het bevoegd gezag daarna de beschikking krijgt over het administratienummer van de student of vavo-student, neemt het bevoegd gezag dit administratienummer terstond als persoonsgebonden nummer BES op in de administratie van de instelling in de plaats van het onderwijsnummer. Het bevoegd gezag meldt deze wijziging binnen twee weken aan Onze Minister onder opgave van het persoonsgebonden nummer BES en het onderwijsnummer van de student of vavo-student.
Artikel 8.1.4. Nadere voorschriften toelating
Indien binnen redelijke afstand van de woning van de student of vavo-student niet de gelegenheid bestaat tot het volgen van het onderwijs aan een openbare instelling, mag aan deze student of vavo-student de toelating tot een bijzondere instelling niet worden geweigerd op grond van godsdienst of levensbeschouwing.
Openbare instellingen zijn toegankelijk voor studenten en vavo-studenten zonder onderscheid naar godsdienst of levensbeschouwing.
Indien tot een bijzondere instelling andere studenten en vavo-studenten worden toegelaten dan voor wie de instelling in verband met de richting in stand wordt gehouden, kunnen deze studenten en vavo-studenten niet worden verplicht tot het volgen van onderwijs dat in verband met die richting door de instelling wordt verzorgd.
Artikel 8.1.5. Onderwijsovereenkomst
Vervallen
Artikel 8.1.6. Onderwijsbijdragen
De inschrijving wordt niet afhankelijk gesteld van geldelijke bijdrage.
Artikel 8.1.7. Controle op langdurige afwezigheid
Het bevoegd gezag stelt van iedere aan de instelling ingeschreven student die valt onder de werking van de Wet studiefinanciering BES vast, of deze student gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. In afwijking van de vorige volzin kan Onze Minister bepalen dat voor soorten van onderwijs als bedoeld in deze wet, de in die volzin bedoelde vaststelling wordt gedaan indien een ingeschreven student in een of meer vakken niet aan het onderwijs heeft deelgenomen.
Het bevoegd gezag meldt uiterlijk op de derde werkdag na afloop van een periode van afwezigheid van 5 weken aan de student dat daarvan in de administratie van de instelling aantekening is gemaakt en verzoekt de student om opgaaf van de reden van de afwezigheid.
Uiterlijk op de vijfde werkdag na de periode van 8 weken stelt het bevoegd gezag vast:
- a. of de reden die de student binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken gaf voor zijn afwezigheid, een geldige is, of
- b. dat de student binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken geen reden heeft opgegeven voor zijn afwezigheid.
Het bevoegd gezag stelt tevens uiterlijk op de vijfde werkdag na afloop van de periode van 8 weken vast of de student voor het einde van die periode weer aan het onderwijs is gaan deelnemen.
Het bevoegd gezag meldt uiterlijk de vijfde werkdag na afloop van een periode van 8 weken aan Onze Minister de student die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken zonder opgave van geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. Tevens meldt het indien die student voor het einde van de periode van 8 weken weer aan het onderwijs is gaan deelnemen de datum ervan.
De periode van 5 weken en de periode van 8 weken worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd. Zij wordt geacht niet te zijn onderbroken door deze vakantieweken.
Het bevoegd gezag stuurt gelijktijdig met de mededelingen, bedoeld in het vijfde lid, een afschrift van de gegevens die over de betrokken student aan Onze Minister zijn verstrekt aan deze betrokkene. Het bevoegd gezag geeft daarbij tevens aan dat afwezigheid als bedoeld in het eerste lid, gevolgen heeft voor de studiefinanciering van betrokkene op grond van de Wet studiefinanciering BES, alsmede welke beroepsgang voor betrokkene tegen de mededeling, bedoeld in het vijfde lid, open staat.
Indien het bevoegd gezag aan Onze Minister de in het vijfde lid bedoelde mededeling heeft gedaan, kan de student binnen 6 weken na ontvangst van de gegevens, bedoeld in het zevende lid, bij het bevoegd gezag schriftelijk bedenkingen uiten tegen die mededeling.
Onder afwezigheid met een geldige reden als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan afwezigheid wegens:
- a. ziekte van de student, welke ziekte uitsluitend kan worden aangetoond door middel van een gedagtekende verklaring van een arts,
- b. zwangerschap of bevalling van de student, welke uitsluitend kan worden aangetoond door middel van een schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige, gedurende een periode van 16 weken die, indien de student dat wenst, 6 weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling ingaat of gedurende een periode van 20 weken die, indien de student dat wenst, 10 weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling ingaat indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft, of
- c. bijzondere familieomstandigheden.
Het bevoegd gezag kan bepalen dat de periode, bedoeld in het negende lid, onderdeel b, wordt verlengd als dit naar zijn oordeel passend is.
Onder «student» als bedoeld in het vijfde en zevende lid wordt verstaan de student die een assistentopleiding of een basisberoepsopleiding volgt als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a of b.
Artikel 8.1.8. Melding in verband met voortijdig schoolverlaten niet-leerplichtigen
Het bevoegd gezag doet onverwijld opgave aan het bestuurscollege van het openbaar lichaam waar de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft van de gegevens van degene:
- a. op wie de Leerplichtwet BES niet meer van toepassing is en die de leeftijd van 25 jaren nog niet heeft bereikt,
- b. die niet in het bezit is van een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, dan wel een diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.4 onderscheidenlijk artikel 2.5 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, en
- c. die:
- 1°. het onderwijs aan de instelling gedurende een aaneengesloten periode van ten minste een maand of een door het bevoegd gezag te bepalen kortere periode zonder geldige reden, waaronder in ieder geval de redenen, bedoeld in artikel 8.1.7, negende lid, worden verstaan, niet meer volgt, of
- 2°. bij de instelling wordt in- of uitgeschreven of van de instelling wordt verwijderd.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van het eerste lid.
Bij de verwerking van gegevens, bedoeld in dit artikel, wordt het persoonsgebonden nummer BES van de betrokkene gebruikt.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van de verstrekking van gegevens op grond van het eerste lid en wordt een nadere specificatie gegeven van de gegevens die op grond van het eerste lid worden verstrekt.
De gegevens die worden verstrekt op grond van het eerste lid kunnen persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens BES omvatten, met uitzondering van gegevens over ras, politieke gezindheid, seksueel leven of het lidmaatschap van een vakvereniging, voor zover deze persoonsgegevens noodzakelijk zijn met het oog op de informatieverstrekking over de achtergronden van het verzuim.
Titel 4. Examens
Titel 3. Bestrijding voortijdig schoolverlaten niet-leerplichtigen
Artikel 8.3.1. Loopbaanbegeleiding gedurende de inschrijving en na diplomering
Loopbaanbegeleiding als bedoeld in dit artikel en de daarop berustende bepalingen omvat advisering en ondersteuning bij de overstap naar vervolgonderwijs of de arbeidsmarkt.
Het bevoegd gezag biedt loopbaanbegeleiding aan tijdens de opleiding en tot een jaar na diplomering.
Het bevoegd gezag doet een aanbod van loopbaanbegeleiding aan de student of gediplomeerde van de entreeopleiding of de beroepsopleidende leerweg van de basisberoepsopleiding, met uitzondering van de gediplomeerde met een aansluitende inschrijving voor vervolgonderwijs.
Het bevoegd gezag kan loopbaanbegeleiding bieden aan de student of gediplomeerde van de beroepsbegeleidende leerweg van de basisberoepsopleiding of aan de student of gediplomeerde van de vakopleiding, de middenkaderopleiding of de specialistenopleiding.
Het bevoegd gezag stelt beleid vast met betrekking tot de loopbaanbegeleiding dat in elk geval de voorwaarden bevat voor de student of gediplomeerde, bedoeld in het vierde lid, om in aanmerking te komen voor loopbaanbegeleiding.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van het beleid, bedoeld in het vijfde lid, en de invulling van de loopbaanbegeleiding.
Artikel 8.3.2. Bestrijding voortijdig schoolverlaten door openbaar lichaam
Vervallen
Artikel 8.3.3. Informatie over voortijdig schoolverlaten
Vervallen
Titel 4. Samenwerking in verband met leer-werktrajecten vmbo en assistentopleiding in het vmbo
Artikel 8.4.1. Samenwerkingsovereenkomst leer-werktrajecten vmbo
Leer-werktrajecten als bedoeld in artikel 2.103 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 worden verzorgd op grondslag van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan artikel 2.104 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Artikel 8.4.2. Samenwerkingsovereenkomst entreeopleiding in het vmbo
De entreeopleiding, bedoeld in artikel 2.102, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, wordt verzorgd op grondslag van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan het gestelde bij of krachtens artikel 2.102, vijfde lid en zevende lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Hoofdstuk 9. Beroep bij de administratieve rechter
Hoofdstuk 10. Sancties
Artikel 10.1. Aanwijzing
Onze Minister kan het bevoegd gezag een aanwijzing tot het nemen van een of meer maatregelen geven, indien sprake is van wanbeheer.
Onze Minister is bevoegd de aanwijzing te geven tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Onder wanbeheer wordt verstaan:
- a. financieel wanbeleid;
- b. het in ernstige mate of langdurig nalaten om, in ieder geval in strijd met artikel 1.3.2, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs, waaronder de deugdelijke afsluiting daarvan;
- c. het door een bestuurder of toezichthouder ongerechtvaardigd verrijken van het bevoegd gezag, zichzelf of een derde;
- d. het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waarmee financieel voordeel wordt behaald ten gunste van het bevoegd gezag, zichzelf of een derde.
Onze Minister motiveert in de aanwijzing waarom het doel van de aanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.
De aanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.
Artikel 10.2. Inhouding bekostiging
Indien het bevoegd gezag in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens deze wet of een aanwijzing als bedoeld in artikel 10.1 of een spoedaanwijzing als bedoeld in artikel 10.1a niet opvolgt, kan Onze Minister de rijksbijdrage, voorschotten daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk inhouden dan wel opschorten.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag of het personeel van een school de inspectie bij de uitoefening van zijn bevoegdheden niet alle medewerking heeft verleend die de inspectie redelijkerwijs kan vorderen binnen een door hem gestelde redelijke termijn. Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voorvloeit.
Onze Minister kan de rijksbijdrage wederom toekennen, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is vervallen.
Artikel 10.3. Bestuurlijke boete niet-gerechtigd aanduiden beroepsopleiding
Het is anderen dan de instellingen die daartoe ingevolge deze wet zijn gerechtigd, verboden om:
- a. een beroepsopleiding in de zin van deze wet te verzorgen of aan te bieden;
- b. een examen in de zin van deze wet af te nemen of aan te bieden;
- c. een diploma als bedoeld in artikel 7.4.8, een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 of een mbo-verklaring als bedoeld in artikel 7.4.8a, af te geven of in het vooruitzicht te stellen.
- d. ten onrechte de indruk te wekken dat een activiteit onderwijs of examinering in de zin van deze wet betreft, dan wel kan leiden tot een diploma als bedoeld in artikel 7.4.8, een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 of een mbo-verklaring als bedoeld in artikel 7.4.8a.
Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen aan degene die handelt in strijd met het eerste lid.
De bestuurlijke boete, bedoeld in het tweede lid, bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES of, indien dat passender is, ten hoogste 10% van de omzet van de onderneming, onderscheidenlijk, indien de overtreding door een ondernemersvereniging is begaan, van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar voorafgaande aan het besluit waarin de bestuurlijke boete wordt opgelegd.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)