Wet educatie en beroepsonderwijs BES

Type Wet Bes
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 307
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hoofdstuk 8. Inschrijving, vooropleidingseisen en voortijdig schoolverlaten

Artikel 11.1. Erkenning en bekostiging
1.

De opleidingen die in het schooljaar 2008–2009 werden erkend en bekostigd als secundair beroepsonderwijs in de zin van de Landsverordening secundair beroepsonderwijs en educatie, worden met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, aangemerkt als erkende en bekostigde opleidingen voor beroepsonderwijs.

2.

De niet bekostigde opleidingen die op de dag voorafgaand aan het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel, op grond van artikel 3 van de Landsverordening secundair beroepsonderwijs en educatie, of de Wet educatie en beroepsonderwijs BES zoals die wet op 10 oktober 2010 is komen te luiden, zijn aangewezen als beroepsonderwijs, worden aangemerkt als erkende niet bekostigde opleidingen voor beroepsonderwijs.

Artikel 11.1a. Overgangsregeling bekostiging

Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van artikel 2.2.2.

Artikel 11.1b. Voorziening in de huisvesting voor het jaar 2011 tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip
1.

In afwijking van artikel 2.2.6 en met van overeenkomstige toepassingverklaring van de artikelen 11.69 tot en met 11.80 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 gelden voor het jaar 2011 tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de voorschriften van het tweede tot en met zevende lid voor de voorziening in de huisvesting van uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen.

2.

Onze Minister en het bestuurscollege van het openbaar lichaam zijn voor het jaar 2011 tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip gezamenlijk verantwoordelijk voor de huisvesting van uit 's Rijks kas bekostigde instellingen alsmede voor de financiering daarvan.

3.

Onze Minister en het bestuurscollege van het openbaar lichaam sluiten ter invulling van de gezamenlijke verantwoordelijkheid, bedoeld in het tweede lid, namens de Staat der Nederlanden onderscheidenlijk namens het betreffende openbaar lichaam, een of meer convenanten.

4.

Overeenkomstig het convenant of de convenanten, bedoeld in het derde lid, stelt Onze Minister voor elk van de openbare lichamen een plan vast, waarin de voornemens op het terrein van de huisvesting, bedoeld in het tweede lid, alsmede de financiering daarvan, op hoofdlijnen worden beschreven.

5.

Onze Minister stelt de plannen, bedoeld in het vierde lid, vast in overeenstemming met het bestuurscollege van het openbaar lichaam en na overleg met de betreffende bevoegde gezagsorganen van de instellingen.

6.

Onze Minister kan een of meer plannen, bedoeld in het vierde lid, in overeenstemming met het bestuurscollege van het betreffende openbaar lichaam, wijzigen.

7.

De plannen dan wel een wijziging daarvan, worden aan de betrokken bevoegde gezagsorganen van de instellingen en in de Staatscourant bekend gemaakt.

Artikel 11.2. Benoembaarheid bevoegde docenten

Onverminderd artikel 4.2.1, eerste lid, onderdelen a en d, kunnen in afwijking van artikel 4.2.1, eerste lid onderdeel b, docenten worden benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming die op de dag voorafgaand aan het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel, bevoegd waren tot het geven van onderwijs op grond van de Landsverordening secundair beroepsonderwijs en educatie of van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES zoals die wet op 10 oktober 2010 is komen te luiden.

Artikel 11.3. Benoembaarheid onbevoegde docenten

Onverminderd artikel 4.2.1, eerste lid, onderdelen, a en d, mag in afwijking van artikel 4.2.1, eerste lid, onderdeel b, gedurende een periode van vijf jaar na het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel beroepsonderwijs en educatie gegeven worden door degenen die op die dag secundair beroepsonderwijs en educatie gaven op een van de instellingen in de openbare lichamen zonder daartoe bevoegd te zijn.

Artikel 11.4. Benoembaarheid docenten in opleiding

Onverminderd artikel 4.2.1, eerste lid, onderdelen a en d, kunnen in afwijking van artikel 4.2.1, eerste lid onderdeel b, degenen die geen getuigschrift bezitten als bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid onderdeel b, ten eerste, maar voorafgaand aan het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel, een opleiding begonnen zijn die leidt tot een bewijs van bekwaamheid tot het geven van onderwijs als bedoeld in de Landsverordening secundair beroepsonderwijs en educatie, gedurende een periode van vijf jaar na dat tijdstip na het behalen van dit bewijs van bekwaamheid worden benoemd dan wel tewerkgesteld worden zonder benoeming tot docent in het beroepsonderwijs en educatie.

Artikel 11.5. Toepasselijkheid Wet administratieve rechtspraak BES

Een beslissing als bedoeld in artikel 7.6.1, derde lid, van een bevoegd gezag van een openbare school geldt als een beschikking als bedoeld in artikel 3 van de Wet administratieve rechtspraak BES.

Artikel 11.6. Bestrijding voortijdig schoolverlaten

Vervallen

Artikel 11.6a. Continueren oude bepalingen voor zover de nieuwe nog niet in werking treden

Vervallen

Artikel 11.7. Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Wet educatie en beroepsonderwijs BES.

Artikel 1.3.2. Kwaliteitszorg
1.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het onderwijs van voldoende kwaliteit is. Een instelling verricht geen nevenwerkzaamheden die de beroepsopleiding of de opleiding educatie schaden.

2.

Het bevoegd gezag richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de instelling in en draagt er in dat verband zorg voor dat, zo veel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs, waaronder maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de in de eerste volzin van dit lid bedoelde beoordeling geschiedt met betrokkenheid van onafhankelijke belanghebbenden en deskundigen, niet zijnde de deskundigen, bedoeld in artikel 1.1.1. De uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar.

3.

Het bevoegd gezag maakt regelmatig, en voor zover het de examens betreft jaarlijks, een verslag openbaar omtrent:

  • a. de beoordeling, bedoeld in het tweede lid,
  • b. de uitkomsten van die beoordeling, en
  • c. het voorgenomen beleid in het licht van die uitkomsten.

§ 3. Overige voorschriften

Titel 4. Erkenning beroepsopleidingen en opleidingen educatie

Titel 6. De exameninstellingen

Hoofdstuk 2. Planning en bekostiging beroepsonderwijs

Titel 1. Planning

Titel 3. Begroting, verslaglegging en gegevensverstrekking

Titel 4. Stimuleringsmiddelen voor educatie en beroepsonderwijs en voor afstemming onderwijs-arbeidsmarkt

Hoofdstuk 3. Zorgstructuur

Hoofdstuk 4. Personeel

Artikel 4.3.1. Vereiste benoembaarheid overig personeel

Tot lid van het personeel, anders dan bedoeld in de artikelen 4.2.1 en 4.2.2, kan slechts worden benoemd degene die in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES, die op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6 maanden.

Hoofdstuk 5. Medezeggenschap

Titel 1. De Registratie instellingen en opleidingen

Titel 3. Ontneming van rechten exameninstellingen

§ 1. Reikwijdte

Artikel 7.2.1. Reikwijdte

Deze titel is van toepassing op beroepsopleidingen.

§ 1. Reikwijdte

Artikel 7.2.2. Onderscheid beroepsopleidingen; niveau; leerwegen
1.

De volgende soorten beroepsopleidingen worden onderscheiden:

  • a. de entreeopleiding,
  • b. de basisberoepsopleiding,
  • c. de vakopleiding,
  • d. de middenkaderopleiding, en
  • e. de specialistenopleiding.
2.

De in het eerste lid bedoelde opleidingen kunnen worden verzorgd in de beroepsopleidende leerweg en de beroepsbegeleidende leerweg.

3.

De entreeopleidingen richten zich op de kwalificatie voor het eerste niveau van beroepsuitoefening of voor de entree op de arbeidsmarkt. De basisberoepsopleidingen richten zich op de kwalificatie voor het tweede, de vakopleidingen op de kwalificatie voor het derde en de middenkader en specialistenopleidingen op de kwalificatie voor het vierde en hoogste niveau van beroepsuitoefening.

Artikel 7.2.3. Certificaten
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat aan onderdelen van een kwalificatie of kwalificaties een certificaat is verbonden.

2.

Artikel 7.4.8 is van overeenkomstige toepassing op certificaten.

Artikel 7.2.4. Kwalificatiestructuur
1.

Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld voor welke kwalificaties uit de kwalificatiedossiers, bedoeld in artikel 7.2.4, tweede lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, beroepsopleidingen verzorgd kunnen worden.

2.

Bij ministeriële regeling worden op voorstel van de instellingen opleidingsdomeinen BES vastgesteld.

Artikel 7.2.5. Beroepsvereisten

Indien voor een beroep bij of krachtens een wet, verdrag of bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, vereisten zijn vastgesteld over de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden of beroepshoudingen waarover degenen die een opleiding gericht op dat beroep voltooien, moeten beschikken, of over de examinering bij de desbetreffende beroepsopleiding:

  • a. neemt Onze Minister deze vereisten in acht bij de vaststelling van de standaarden, bedoeld in artikel 7.4.5, en
  • b. draagt de instelling er bij het aanbieden van een beroepsopleiding zorg voor dat degenen die deze opleiding volgen, ten minste in de gelegenheid zijn aan die vereisten te voldoen, en dat bij de examinering, zo nodig in afwijking van titel 4 van dit hoofdstuk, aan die vereisten wordt voldaan.
Artikel 7.2.6. Inrichting beroepsopleidingen
1.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat beroepsopleidingen zodanig zijn ingericht dat studenten, ongeacht of zij eerst worden ingeschreven voor een opleidingsdomein BES of voor een kwalificatiedossier, de kwalificatie binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken en dat het onderwijsprogramma evenwichtig is ingedeeld, alsmede voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming omvat.

2.

Beroepsopleidingen in de beroepsopleidende leerweg en in de beroepsbegeleidende leerweg zijn voltijds ingericht en hebben per volledig studiejaar een studielast van ten minste 1600 klokuren.

3.

Het onderwijsprogramma voor een opleiding in de beroepsopleidende leerweg voldoet aan de eisen met betrekking tot voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming, bedoeld in het eerste lid, indien het bevoegd gezag voor de student een onderwijsprogramma verzorgt dat:

  • a. voor de entreeopleiding ten minste 1000 klokuren omvat waarvan ten minste 600 begeleide onderwijsuren;
  • b. voor een eenjarige basisberoepsopleiding en voor de specialistenopleiding ten minste 1000 klokuren omvat, waarvan ten minste 700 begeleide onderwijsuren en ten minste 250 klokuren beroepspraktijkvorming;
  • c. voor een tweejarige basisberoepsopleiding en voor een tweejarige vakopleiding ten minste 2000 klokuren omvat, waarvan ten minste 1250 begeleide onderwijsuren en ten minste 450 klokuren beroepspraktijkvorming, met dien verstande dat in het eerste studiejaar ten minste 700 begeleide onderwijsuren worden verzorgd;
  • d. voor een driejarige vakopleiding en de middenkaderopleiding ten minste 3000 klokuren omvat, waarvan ten minste 1800 begeleide onderwijsuren en ten minste 900 klokuren beroepspraktijkvorming, met dien verstande dat in het eerste studiejaar ten minste 700 begeleide onderwijsuren worden verzorgd.

Het bevoegd gezag kan een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de onder a tot en met d genoemde aantallen mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het jaarverslag, bedoeld in artikel 2.3.2 dan wel, bij toepassing van artikel 1.4.1, eerste lid, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, zevende lid.

4.

Het onderwijsprogramma voor een opleiding in de beroepsbegeleidende leerweg voldoet aan de eisen met betrekking tot voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming, bedoeld in het eerste lid, indien het bevoegd gezag voor de student een onderwijsprogramma verzorgt dat elk studiejaar ten minste 850 klokuren omvat, waarvan ten minste 200 begeleide onderwijsuren en ten minste 610 klokuren beroepspraktijkvorming. Het bevoegd gezag kan een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de genoemde aantallen mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het jaarverslag, bedoeld in artikel 2.3.2 dan wel, bij toepassing van artikel 1.4.1, eerste lid, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, zevende lid.

5.

Het onderwijsprogramma, bedoeld in het derde en vierde lid, omvat alle onderwijsactiviteiten, gericht op het bereiken van de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding, waaraan door de student wordt deelgenomen onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bevoegd gezag en bestaat uitsluitend uit begeleide onderwijsuren en beroepspraktijkvorming.

6.

De begeleide onderwijsuren, bedoeld in het eerste, derde, vierde en vijfde lid, zijn klokuren waarin onderwijs wordt gegeven onder verantwoordelijkheid en met actieve betrokkenheid van onderwijspersoneel als bedoeld in de artikelen 4.2.1 en 4.2.2, niet zijnde uren die deel uit maken van de beroepspraktijkvorming.

7.

Indien in het laatste studiejaar van de basisberoepsopleiding of de vakopleiding de studieduur van de opleiding gerekend vanaf 1 september en naar boven afgerond op hele maanden minder is dan 10 maanden, worden het aantal begeleide onderwijsuren en het aantal klokuren beroepspraktijkvorming, genoemd in het derde lid, onder b, c en d en het vierde lid, in dat studiejaar evenredig verlaagd. De laatste twee volzinnen van het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

8.

Voor opleidingen waarvan op grond van artikel 7.2.4a, vierde lid, een studieduur is vastgesteld van meer dan drie volledige studiejaren wordt het onderwijsprogramma, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, naar evenredigheid verhoogd met begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming. De laatste twee volzinnen van het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.2.7. De beroepspraktijkvorming
1.

Van elke opleiding maakt onderricht in de praktijk van het beroep deel uit. De beroepspraktijkvorming kan voor een deel plaatsvinden in de periode waarin de student is ingeschreven voor een opleidingsdomein BES of een kwalificatiedossier.

2.

De beroepspraktijkvorming wordt verzorgd op grondslag van een overeenkomst inzake de beroepspraktijkvorming, gesloten door de in artikel 7.2.8 genoemde partijen. De overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen van partijen en omvat met inachtneming van het dienaangaande bij of krachtens deze wet bepaalde, ten minste bepalingen over:

  • a. de aanvangsdatum en einddatum van de beroepspraktijkvorming, alsmede het totale aantal te volgen praktijkuren en de verdeling daarvan over de studiejaren,
  • b. de begeleiding van de student,
  • c. dat deel van de kwalificatie dat de student tijdens de beroepspraktijkvorming dient te behalen en de beoordeling daarvan, en
  • d. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden ontbonden.
3.

Het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt, draagt zorg voor de begeleiding van de studenten binnen het bedrijf. Het bevoegd gezag beoordeelt of de student het in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde deel van de kwalificatie heeft behaald. Het bevoegd gezag betrekt bij die beoordeling het oordeel van het bedrijf onderscheidenlijk de organisatie, met inachtneming van de desbetreffende in de onderwijs- en examenregeling op te nemen regels.

Artikel 7.2.8. Totstandkoming praktijkovereenkomst; vervangende praktijkplaats
1.

Het bevoegd gezag draagt zorg voor de totstandkoming van de in artikel 7.2.7 bedoelde overeenkomst. De overeenkomst wordt gesloten door de instelling, de student en het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt. De overeenkomst wordt voor zover het de beroepsbegeleidende leerweg betreft, mede ondertekend door de raad, die daarmee verklaart:

  • a. dat het een bedrijf of organisatie betreft met een gunstige beoordeling als bedoeld in artikel 7.2.9, en
  • b. dat de gronden voor deze gunstige beoordeling nog steeds aanwezig zijn.
2.

Indien het bevoegd gezag en de raad na het sluiten van de in artikel 7.2.7 bedoelde overeenkomst vaststellen dat de praktijkplaats niet of niet volledig beschikbaar is, de begeleiding tekortschiet of ontbreekt, het bedrijf of de organisatie niet langer beschikt over een gunstige beoordeling als bedoeld in het eerste lid, of sprake is van andere omstandigheden die maken dat de beroepspraktijkvorming niet naar behoren zal kunnen plaatsvinden, bevordert het bevoegd gezag, na overleg met de raad, dat een toereikende vervangende voorziening beschikbaar wordt gesteld.

Artikel 7.2.9. Kwaliteitszorgsysteem; beoordeling van praktijkplaatsen
1.

De raad richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de beroepspraktijkvorming in en zorgt ervoor dat bedrijven en organisaties die de beroepspraktijkvorming verzorgen eenmaal per vier jaar worden beoordeeld aan de hand van de in dit stelsel ontwikkelde criteria. Indien daartoe door bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat kan controle frequenter plaatsvinden.

2.

De raad maakt de in het eerste lid bedoelde criteria bekend. Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

3.

De raad draagt zorg voor openbaarmaking van een overzicht van bedrijven en organisaties met een gunstige beoordeling op grond van het eerste lid.

4.

Tot het verzorgen van de beroepspraktijkvorming voor een opleiding of groep van opleidingen zijn uitsluitend bevoegd de bedrijven en organisaties met een gunstige beoordeling op grond van het eerste lid.

Titel 3. De educatie

§ 1. Examens beroepsopleidingen en opleidingen educatie met uitzondering van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en opleidingen Nederlands als vreemde taal

Artikel 7.4.1. Reikwijdte

Deze paragraaf is van toepassing op beroepsopleidingen en opleidingen educatie, met uitzondering van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en opleidingen Nederlands als vreemde taal.

Artikel 7.4.2. Algemene bepalingen inzake examens
1.

Het bevoegd gezag geeft de studenten en deelnemers de gelegenheid een examen af te leggen.

2.

Het examen omvat een onderzoek naar de kennis, het inzicht, de vaardigheden en, in voorkomende gevallen, de beroepshoudingen die de examinandus zich bij voltooiing van de opleiding moet hebben eigen gemaakt, alsmede de beoordeling van de uitkomsten van dat onderzoek aan de hand van de eindtermen of de kwalificatie-eisen in het kwalificatiedossier.

3.

Het examen bestaat uit afzonderlijke onderdelen. Het examen van een beroepsopleiding is met gunstig gevolg afgelegd indien alle toetsen van die opleiding met gunstig gevolg zijn afgelegd, onverminderd artikel 7.4.3.

Artikel 7.4.3. Examens beroepsopleidingen

Het examen van een beroepsopleiding is eerst dan met goed gevolg afgesloten wanneer zowel de beroepspraktijkvorming als het overige deel van de beroepsopleiding met goed gevolg is afgesloten.

Artikel 7.4.4. Centrale examinering onderdelen beroepsopleidingen

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen onderdelen van een beroepsopleiding worden aangewezen waarvan de examinering geschiedt volgens bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur te geven voorschriften.

Artikel 7.4.5. Kwaliteitsstandaarden

Bij ministeriële regeling worden standaarden voor de kwaliteit van de examens van de beroepsopleidingen vastgesteld die betrekking hebben op:

  • a. de inhoud en het niveau van de examens, in relatie tot de kwalificatie-eisen in het kwalificatie-dossier, bedoeld in artikel 7.2.4, en
  • b. de procedures rond de examens en de voorwaarden waaronder examens worden afgenomen.
Artikel 7.4.6. Examinering door andere instellingen of exameninstellingen
1.

Het bevoegd gezag kan de gehele examinering van een beroepsopleiding overdragen aan een andere instelling of aan een exameninstelling als bedoeld in artikel 1.6.1, voor zover deze het recht op examinering van die beroepsopleiding hebben.

2.

Indien ten aanzien van een beroepsopleiding toepassing is gegeven aan artikel 6.2.4, eerste lid, 6.2.5, eerste lid, dan wel 6.2.6, eerste lid, is het bevoegd gezag voor die beroepsopleiding gehouden toepassing te geven aan het eerste lid. Voor zover er bij toepassing van artikel 6.2.6, eerste lid, sprake is van een schorsing van een deel van het recht op examinering, bedoeld in artikel 6.2.6, tweede lid, onder a, of een schorsing als bedoeld in artikel 6.2.6, tweede lid, onder b, c of d, is het bevoegd gezag in afwijking van het eerste lid slechts gehouden dit deel over te dragen.

3.

Het bevoegd gezag kan de examinering van extraneï die op grond van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 8.4.2 een entreeopleiding volgen, onder zijn verantwoordelijkheid laten uitvoeren door het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs.

Artikel 7.4.7. Examencommissie
1.

Het bevoegd gezag van een instelling of exameninstelling stelt, al dan niet in samenwerking met een of meer bevoegde gezagsorganen van andere instellingen, een examencommissie in ten behoeve van de organisatie en het afnemen van de examens voor elke door de instelling verzorgde opleiding of voor groepen van opleidingen.

2.

Het bevoegd gezag benoemt de leden van de examencommissie.

Artikel 7.4.8. Diploma’s
1.

Ten bewijze dat een examen met goed gevolg is afgelegd, reikt de examencommissie een diploma uit.

2.

Bij ministeriële regeling worden modellen en technische veiligheidseisen voor het diploma en de resultatenlijst van een beroepsopleiding vastgesteld.

Artikel 7.4.9. Onderwijs- en examenregeling
1.

Het bevoegd gezag stelt voor elke door de instelling verzorgde opleiding of opleiding educatie een onderwijs- en examenregeling vast. De onderwijs- en examenregeling wordt vastgesteld vóór 1 mei voorafgaand aan het studiejaar en omvat, voor zover van toepassing, ten minste:

  • a. de onderwijs- en vormingsdoelen, daaronder begrepen de eindtermen,
  • b. de onderwijseenheden die deel uitmaken van de opleiding,
  • c. de inhoud en inrichting van een opleiding, waaronder voor een beroepsopleiding begrepen:
  • 1°. de leerweg,
  • 2°. de kwalificatie, of, bij inschrijving voor een opleidingsdomein of een kwalificatiedossier, dat opleidingsdomein of dat kwalificatiedossier,
  • 3°. het beoogde niveau van de te behalen kwalificatie, en
  • 4°. de studieduur van de opleiding en van de daarvan deel uitmakende onderwijseenheden en deelkwalificaties,
  • d. de inhoud en, in voorkomende gevallen, de indeling in onderdelen van het examen,
  • e. de studieduur van de opleiding en van de daarvan deel uitmakende onderwijseenheden en deelkwalificaties,
  • f. in voorkomende gevallen de volgorde waarin, de tijdvakken waarbinnen en het aantal malen per studiejaar dat gelegenheid wordt geboden tot het afleggen van de toetsen, het examen of onderdelen daarvan,
  • g. de wijze waarop de toetsen en het examen of onderdelen daarvan worden afgenomen,
  • h. de wijze waarop het bevoegd gezag zijn aandeel in het eilandelijk zorgplan, bedoeld in artikel 3.3, vorm geeft,
  • i. waar nodig, dat het met goed gevolg afleggen van een of meer toetsen of examenonderdelen voorwaarde is voor het afleggen van andere toetsen of onderdelen,
  • j. de wijze waarop en de termijn waarbinnen de student inzage verkrijgt in zijn beoordeelde schriftelijk werk,
  • k. de termijn waarbinnen de uitslag van een toets, examenonderdeel en examen bekend wordt gemaakt,
  • l. de van toepassing zijnde instructietaal, en
  • m. de gronden waarop de examencommissie vrijstelling kan verlenen van een instellingsexamen of een centraal examen.
2.

De examencommissie stelt, met inachtneming van de onderwijs- en examenregeling, regels vast met betrekking tot de goede gang van zaken tijdens het afnemen van de toetsen, het examen of de examenonderdelen. Zij kan aan examinatoren richtlijnen en aanwijzingen geven met betrekking tot de beoordeling en met betrekking tot de vaststelling van de uitslag.

Artikel 7.4.10. Studentenstatuut

Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de instelling beschikt over een toegankelijk en begrijpelijk studentenstatuut waarin de rechten en plichten van de studenten zijn opgenomen, en stelt de actuele versie van het studentenstatuut voor de studenten beschikbaar. Het bevoegd gezag bevordert voorts de kennis van het studentenstatuut. Het studentenstatuut bevat in elk geval:

  • a. een beschrijving van de procedures voor de behandeling van klachten en geschillen, bedoeld in titel 5, daaronder begrepen de inrichting van de toegankelijke faciliteit, bedoeld in artikel 7.5.1;
  • b. een beschrijving van de procedures voor de behandeling van geschillen inzake medezeggenschap;
  • c. een beschrijving van de beroepsrechten die kunnen worden ontleend aan deze wet en andere wettelijke regelingen;
  • d. een beschrijving van aanvullende procedures ter bescherming van de rechten van studenten die door het bevoegd gezag worden getroffen;
  • f. het beleid met betrekking tot het beperkt en beheersbaar houden van de middelen die van de studenten worden gevraagd voor schoolkosten die door het bevoegd gezag noodzakelijk worden bevonden;
  • g. in voorkomend geval, bepalingen over de terugbetaling van voorschotten, verstrekt door het bevoegd gezag, ter voldoening van een bij of krachtens de wet geregelde geldelijke bijdrage als bedoeld in artikel 8.1.6;
  • i. het beleid van het bevoegd gezag met betrekking tot toelating, verzuim, schorsing en verwijdering van studenten;
  • j. de rechten en plichten ten aanzien van zwangerschap en bevalling; en
  • k. de instellingsregels over het mbo-studentenfonds, bedoeld in artikel 8.1.6f.
Artikel 7.4.11. Studiegids

Het bevoegd gezag maakt voor de aanvang van het studiejaar een studiegids openbaar. De studiegids maakt het de aanstaande student mogelijk, zich een goed beeld te vormen van de inhoud en inrichting van het onderwijs en de examens aan de instelling en omvat in elk geval de onderwijs- en examenregeling van de onderscheiden beroepsopleidingen en opleidingen educatie.

§ 2. Examens opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en Nederlands als vreemde taal

Artikel 7.4.12. Reikwijdte

Deze paragraaf is van toepassing op opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en de opleidingen Nederlands als vreemde taal.

Artikel 7.4.13. Examenregeling opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en opleidingen Nederlands als vreemde taal
1.

Aan de vavo-studenten en deelnemers wordt gelegenheid gegeven een examen af te leggen.

2.

Artikel 7.4.7 is van overeenkomstige toepassing.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de examens van de opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en Nederlands als vreemde taal, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder c. Bij deze algemene maatregel van bestuur kunnen tevens voorschriften worden gegeven omtrent de examenprogramma's en de verdeling daarvan in onderdelen.

4.

Ten behoeve van de bijzondere inrichting van het onderwijs aan een instelling kan Onze Minister toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde bij of krachtens het tweede en derde lid. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

5.

Artikel 7.4.8 is van toepassing, met dien verstande dat degene die een onderdeel van het examen Nederlands als vreemde taal met goed gevolg heeft afgelegd een certificaat ontvangt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald onder welke voorwaarden het bezit van certificaten aanspraak geeft op een diploma.

6.

Artikelen 7.4.9 en 7.5.2 is van overeenkomstige toepassing.

7.

Hoofdstuk 2, paragraaf 5, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, met uitzondering van de artikelen 2.59, 2.62 en 2.63, is van overeenkomstige toepassing op de examens van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, met dien verstande dat daarbij onder «bevoegd gezag» wordt verstaan hetgeen daaronder in deze wet wordt verstaan en dat het eindexamen of deeleindexamen wordt afgenomen door de examencommissie, bedoeld in artikel 7.4.7.

7.

Hoofdstuk 2, paragraaf 5, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 is van toepassing op de examens van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs:

  • b. met dien verstande dat:
  • 2°. de examencommissie de uitslag van het eindexamen vaststelt;
  • 3°. de examencommissie de cijferlijsten, diploma’s, getuigschriften en certificaten tekent;
  • 4°. de examencommissie een examenreglement vaststelt alsmede jaarlijks een programma van toetsing en afsluiting vaststelt;
  • 5°. de examencommissie de vaststelling van een wijziging van het programma van toetsing en afsluiting na 1 oktober aan de kandidaten en inspectie zendt.

Titel 5. Commissie van beroep voor de examens

Titel 5. Commissie van beroep voor de examens

Hoofdstuk 8. Inschrijving, vooropleidingseisen en voortijdig schoolverlaten

Titel 5. Commissie van beroep voor de examens

Titel 1. Inschrijving, toelating, mbo-studentenfonds en bindend studieadvies

Artikel 8.2.1. Vooropleidingseisen
1.

Vereiste voor inschrijving voor een middenkaderopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, is met inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 8.2.2 het bezit van:

  • a. een diploma lager beroepsonderwijs, een diploma voorbereidend beroepsonderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de kaderberoepsgerichte leerweg,
  • b. een diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de theoretische leerweg,
  • c. een diploma mavo-vbo, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de gemengde leerweg,
  • d. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen,
  • e. een ander bij ministeriële regeling aangewezen diploma of bewijsstuk,
2.

Vereiste voor inschrijving voor een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, is het bezit van een diploma vakopleiding voor eenzelfde beroep of beroepencategorie.

3.

Vereiste voor inschrijving voor een vakopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, is met inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 8.2.2 het bezit van:

  • a. een diploma lager beroepsonderwijs, een diploma voorbereidend beroepsonderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de kaderberoepsgerichte leerweg,
  • b. een diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de theoretische leerweg,
  • c. een diploma mavo-vbo, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de gemengde leerweg,
  • d. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen,
  • e. een ander bij ministeriële regeling aangewezen diploma of bewijsstuk, of
4.

Vereiste voor inschrijving voor een basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, is met inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 8.2.2 het bezit van:

  • a. een diploma lager beroepsonderwijs, een diploma voorbereidend beroepsonderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de basisberoepsgerichte leerweg of de kaderberoepsgerichte leerweg,
  • b. een diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de theoretische leerweg,
  • c. een diploma mavo-vbo, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de gemengde leerweg,
  • d. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen,
  • e. een ander bij ministeriële regeling aangewezen diploma of bewijsstuk, of
5.

Voor de inschrijving voor een opleiding educatie gelden geen vooropleidingseisen.

6.

Het bevoegd gezag kan in bijzondere gevallen personen die niet voldoen aan de vooropleidingseis voor een basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding, vrijstellen van die vooropleidingseis, indien zij bij een onderzoek hebben blijk gegeven van geschiktheid voor het desbetreffende onderwijs.

Artikel 8.2.2. Nadere vooropleidingseisen
1.

In dit artikel en de daarop gebaseerde regelgeving wordt onder «diploma» verstaan:

  • a. het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs,
  • b. het diploma voorbereidend beroepsonderwijs,
  • c. het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs – voorbereidend beroepsonderwijs, of
  • d. de diploma's voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs.
2.

Onverminderd artikel 8.2.1 kan een instelling voor de toelating tot een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, nadere vooropleidingseisen stellen, inhoudende dat het diploma van de student voldoet aan de profielen, bedoeld in de artikelen 2.25, 2.26 en 2.27 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, alsmede dat vakken en andere programmaonderdelen die deel hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van een diploma.

3.

Indien een instelling gebruikt maakt van de bevoegdheid bedoeld in het tweede lid kunnen uitsluitend nadere vooropleidingseisen worden gesteld die bij ministeriële regeling kunnen worden aangewezen, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar categorieën van studenten, dan wel kan worden bepaald dat de nadere vooropleidingseisen niet van toepassing zijn op categorieën van studenten.

4.

Het aanwijzen van de in het derde lid bedoelde nadere vooropleidingseisen vindt plaats op voorstel van organisaties in het voortgezet onderwijs, vertegenwoordigers van de instellingen en de raad.

Titel 3. Bestrijding voortijdig schoolverlaten niet-leerplichtigen

Titel 4. Samenwerking in verband met leer-werktrajecten vmbo en assistentopleiding in het vmbo

Hoofdstuk 9. Beroep bij de administratieve rechter

Hoofdstuk 10. Sancties

Hoofdstuk 10a. Experimenten

Hoofdstuk 9. Beroep bij de administratieve rechter

Artikel 11.6b. Overgangsbepaling eindtermgerichte opleidingen

Het bevoegd gezag kan tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip op eindtermen gerichte beroepsopleidingen verzorgen. Op deze opleidingen zijn de artikelen 1.1.1, 1.4.1, 2.2.2, 7.1.2, 7.1.3, 7.2.2, 7.2.3, 7.2.4, 7.2.5, 7.2.6, 7.2.7, 7.4.2, 7.4.3, 7.4.5, 7.4.8, 8.1.1 en 8.1.5 zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van de wijzigingen van die artikelen op grond van deze wet en de eindtermen die gelden op die dag van toepassing.

Artikel 11.6b*. Inwerkingtreding

De artikelen die niet bij Besluit van 3 februari 2011, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van een aantal onderdelen van de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Stb. 2011, 34) in werking zijn getreden, treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan, verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 6.2.2a. Ontneming recht op examinering educatie; waarschuwing
1.

Onze Minister kan aan een instelling het recht op examinering van een opleiding educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, ontnemen, indien

  • a. de kwaliteit van de examens van die opleiding langer dan één jaar onvoldoende is geweest, of
  • b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de examens.
2.

Bij de ontneming van het recht, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald met ingang van welk tijdstip dit geschiedt. Onze Minister maakt de ontneming van het recht, bedoeld in het eerste lid, openbaar.

3.

Voordat Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid neemt, geeft hij het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen over de kwaliteit van de examinering, onder bepaling van de termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven. Onze Minister maakt de waarschuwing openbaar.

4.

Het bevoegd gezag kan niet eerder dan na verloop van drie studiejaren na het besluit tot ontneming, bedoeld in het eerste lid, het recht op examinering opnieuw verkrijgen. Artikel 1.4.2 is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 7. Het onderwijs

Titel 3. Ontneming van rechten exameninstellingen

§ 1. Reikwijdte

§ 1. Reikwijdte

Titel 3. De educatie

Titel 3. De educatie

§ 1. Examens beroepsopleidingen en opleidingen educatie met uitzondering van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en opleidingen Nederlands als vreemde taal

§ 2. Examens opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en Nederlands als vreemde taal

Titel 5. Commissie van beroep voor de examens

Titel 5. Commissie van beroep voor de examens

Titel 5. Commissie van beroep voor de examens

Titel 2. Vooropleidingseisen

Titel 3. Bestrijding voortijdig schoolverlaten niet-leerplichtigen

Titel 2. Vooropleidingseisen

Hoofdstuk 9. Beroep bij de administratieve rechter

Hoofdstuk 10. Sancties

Artikel 10a.1. Ruimte voor innovatie
1.

Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het beroepsonderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van:

2.

In geval van toepassing van het eerste lid worden bij algemene maatregel van bestuur in ieder geval bepaald:

  • a. het doel van het experiment,
  • b. op welke wijze van welke artikelen van de in het eerste lid genoemde hoofdstukken, titels of paragrafen wordt afgeweken,
  • c. de duur van het experiment, en
  • d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten worden geëvalueerd.

De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment.

4.

Een experiment duurt ten hoogste zes jaar. Indien, voordat een experiment is afgelopen, een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan Onze Minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.

5.

Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een voortzetting als experiment.

6.

Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, kan bij wijze van experiment tevens worden afgeweken van:

7.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband tussen een instelling en een school als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 of een instelling als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Bij samenwerking met een school als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 kan voor die school worden afgeweken van de Wet voortgezet onderwijs 2020, met uitzondering van hoofdstuk 3, paragrafen 7 en 10, de hoofdstukken 4, 6 en 9 en hoofdstuk 11, paragrafen 4 en 6, van die wet. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt geregeld welke bij of krachtens de Wet voortgezet onderwijs 2020 onderscheidenlijk de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek vastgestelde voorschriften van toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking.

Hoofdstuk 9. Beroep bij de administratieve rechter

Artikel 11.6b*. Inwerkingtreding

De artikelen die niet bij Besluit van 3 februari 2011, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van een aantal onderdelen van de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Stb. 2011, 34) in werking zijn getreden, treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan, verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 8.1.2a. Samenwerking met onbekostigde VO-scholen
1.

Het bevoegd gezag van een instelling die een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, verzorgt die is erkend op grond van artikel 1.4.2, kan, ten aanzien van genoemde opleiding, in afwijking van artikel 8.1.1c, in gevallen als geregeld in en met inachtneming van de voorschriften gegeven bij of krachtens artikel 2.109 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 tot onderwijs- en examenvoorzieningen van de instelling toelaten zij die niet als vavo-student of extraneus aan de instelling worden ingeschreven maar zijn ingeschreven als leerling aan een ingevolge artikel 2.66 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 aangewezen school.

2.

Indien het bevoegd gezag van een ingevolge artikel 2.66 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 aangewezen school ter uitvoering van artikel 2.109, eerste en tweede lid, van die wet leerlingen in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan die school zijn ingeschreven, onderwijs wil kunnen laten volgen dat een instelling van datzelfde bevoegd gezag verzorgt, regelt het bevoegd gezag op overeenkomstige wijze de onderwerpen, bedoeld in artikel 2.109, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

Titel 6. Practicumplaatsen voor ho-studenten in opleiding

Titel 0. Aanmelding

Titel 1. Inschrijving, toelating, mbo-studentenfonds en bindend studieadvies

Hoofdstuk 9. Beroep bij de administratieve rechter

Hoofdstuk 10. Sancties

Hoofdstuk 9. Beroep bij de administratieve rechter

Hoofdstuk 10. Sancties

Artikel 11.6b*. Inwerkingtreding

De artikelen die niet bij Besluit van 3 februari 2011, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van een aantal onderdelen van de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Stb. 2011, 34) in werking zijn getreden, treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan, verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 2.2.5a. Rijksbijdrage en private activiteiten

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de besteding van de rijksbijdrage aan private activiteiten ten behoeve van het onderwijs.

Titel 3. Begroting, verslaglegging en gegevensverstrekking

Hoofdstuk 3. Zorgstructuur

Hoofdstuk 4. Personeel

Titel 1. Personeel van instellingen voor educatie en beroepsonderwijs

Titel 3. Benoembaarheidsvereiste voor overig personeel van instellingen

Hoofdstuk 5. Medezeggenschap

Hoofdstuk 6. Het Centraal register beroepsonderwijs BES en de beëindiging van rechten

Titel 3. Ontneming van rechten exameninstellingen

Hoofdstuk 7. Het onderwijs

§ 1. Reikwijdte

Artikel 7.2.4a. Studieduur opleidingen
1.

Het bevoegd gezag stelt de studieduur van de opleiding vast met inachtneming van de bij of krachtens het tweede en derde lid gestelde regels.

2.

De studieduur van de opleiding wordt uitgedrukt in volledige studiejaren of gedeelten daarvan. Eén volledig studiejaar heeft een studielast van ten minste 1600 klokuren.

3.

De studieduur bedraagt:

  • a. één volledig studiejaar voor de entreeopleiding;
  • b. ten minste één en ten hoogste twee volledige studiejaren voor de basisberoepsopleiding;
  • c. ten minste twee en ten hoogste drie volledige studiejaren voor de vakopleiding;
  • d. drie volledige studiejaren voor de middenkaderopleiding;
  • e. één volledig studiejaar voor de specialistenopleiding.
4.

Indien dit in verband met de aard van de opleiding noodzakelijk is, kan Onze Minister bij ministeriële regeling bepalen dat voor de middenkaderopleiding een langere studieduur kan worden vastgesteld. Onze Minister geeft daarbij de betreffende opleiding aan en het aantal volledige studiejaren of gedeelten daarvan die de studieduur van die opleiding ten hoogste mag bedragen.

Titel 3. De educatie

Titel 3. De educatie

§ 1. Examens beroepsopleidingen en opleidingen educatie met uitzondering van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en opleidingen Nederlands als vreemde taal

§ 2. Examens opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en Nederlands als vreemde taal

Hoofdstuk 8. Inschrijving, vooropleidingseisen en voortijdig schoolverlaten

Titel 6. Practicumplaatsen voor ho-studenten in opleiding

Artikel 8.1.1a. Toelating entreeopleiding
1.

Onverminderd de artikelen 8.1.1, 8.1.2 en 8.1.7b, staat de toelating tot de entreeopleiding uitsluitend open voor degenen die niet ten minste voldoen aan de vooropleidingseisen van de basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 8.2.1, vierde lid, en waarop paragraaf 2 van de Leerplichtwet BES niet meer van toepassing is, met uitzondering van degenen ten aanzien van wie toepassing is gegeven aan artikel 9 van de Leerplichtwet BES.

2.

Het bevoegd gezag kan de toelating tot de entreeopleiding slechts weigeren indien diegene die om toelating verzoekt in de afgelopen twee studiejaren bij een instelling was toegelaten tot een entreeopleiding.

Artikel 8.1.1b. Recht op toelating basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding
1.

Onverminderd de artikelen 8.1.1, 8.1.2 en 8.1.7b, staat de toelating tot een basisberoepsopleiding, een vakopleiding, een middenkaderopleiding en een specialistenopleiding open voor degene die voldoet aan de in de bij of krachtens de artikelen 8.2.1, 8.2.2 en 8.2.2a ten aanzien van die opleidingen gestelde eisen.

2.

Het bevoegd gezag kan voor een opleiding als bedoeld in het eerste lid het aantal studenten beperken wegens de opleidingscapaciteit of uit oogpunt van arbeidsmarktperspectief.

3.

Het bevoegd gezag kan de toelating van degene die om toelating verzoekt weigeren indien:

  • b. hij reeds zes jaar of langer in een beroepsopleiding ingeschreven is geweest zonder een diploma te hebben behaald en sinds de laatste dag van inschrijving minder dan drie studiejaren zijn verstreken; of
  • 1°. hij zich niet uiterlijk op de datum, genoemd in artikel 8.0.1, eerste lid, heeft aangemeld, voor zover het een opleiding betreft die start bij de aanvang van het op die datum volgende studiejaar, en voor zover het derde lid van dat artikel niet van toepassing is, of
  • 2°. ten behoeve van hem geen studiekeuzeadvies is uitgebracht als bedoeld in artikel 8.0.3, voor zover het bevoegd gezag daartoe voor diegene verplichte intakeactiviteiten organiseert.
4.

Indien een betrokkene niet kan worden ingeschreven op grond van het tweede lid, of omdat hij niet voldoet aan de voor die opleiding krachtens artikel 8.2.2a gestelde eisen, of, indien paragraaf 3 van de Leerplichtwet BES op hem van toepassing is, omdat hij niet voldoet aan de in het derde lid onderdeel c onder 1° of 2° genoemde voorwaarden, biedt het bevoegd gezag deze de mogelijkheid zich te laten inschrijven aan een opleiding aan de instelling waarvoor de inschrijving wel mogelijk is, rekening houdend met diens voorkeuren.

5.

Bij een inschrijvingsbeperking als bedoeld in het tweede lid hanteert het bevoegd gezag geen toelatingscriteria waarbij aan betrokkenen die aan de vooropleidingseisen voor de desbetreffende opleiding voldoen, extra eisen worden gesteld aan hun geschiktheid. Onverminderd de vorige volzin, verleent het bevoegd gezag aan de inschrijving van betrokkenen die in overeenstemming met artikel 8.0.1, eerste lid, uiterlijk op 1 april voor de desbetreffende opleiding zijn aangemeld, voorrang.

6.

Het bevoegd gezag stelt met in achtneming van de voorgaande leden de toelatingsprocedure vast en stelt deze informatie uiterlijk 1 februari voorafgaand aan het studiejaar waarvoor deze geldt, voor een ieder beschikbaar.

Artikel 8.1.1c. Toelating opleiding educatie

De toelating tot opleidingen educatie staat uitsluitend open voor volwassenen.

Artikel 8.1.7a. Bindend studieadvies
1.

Het bevoegd gezag brengt aan iedere student die zich inschrijft, advies uit over de voortzetting van zijn opleiding. Aan degenen die zijn ingeschreven voor een opleiding waarvan studieduur als bedoeld in artikel 7.2.4a, derde lid, één volledig studiejaar bedraagt wordt dit advies uiterlijk binnen vier kalendermaanden na aanvang van de opleiding gegeven, doch niet eerder dan drie maanden na aanvang. Aan degenen die zijn ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.4a, derde lid, die meer dan één volledig studiejaar bedraagt wordt dit advies na ten minste negen kalendermaanden en uiterlijk aan het eind van het eerste studiejaar van de opleiding gegeven.

2.

Aan een advies als bedoeld in het eerste lid kan het bevoegd gezag de beëindiging van de inschrijving voor de desbetreffende opleiding verbinden. Tot beëindiging van de inschrijving wordt slechts overgegaan indien:

  • a. de student naar het oordeel van het bevoegd gezag, met inachtneming van de bij ministeriële regeling vastgestelde persoonlijke omstandigheden, onvoldoende vordering heeft gemaakt in de opleiding;
  • b. het bevoegd gezag heeft gezorgd voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede voortgang van de opleiding zijn gewaarborgd, en
  • c. het bevoegd gezag de desbetreffende student een schriftelijke waarschuwing heeft gegeven onder bepaling van een redelijke termijn waarbinnen de studieresultaten ten genoegen van het bevoegd gezag dienen te zijn verbeterd.
3.

De student van wie de inschrijving voor een opleiding op grond van het tweede lid is beëindigd, kan niet opnieuw aan die instelling voor die opleiding worden ingeschreven. Het bevoegd gezag spant zich in de student te ondersteunen en begeleiden naar een andere opleiding al dan niet aan die instelling, rekening houdend met diens voorkeuren. Artikel 8.1.7d, tweede lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing op een student op wie de Leerplichtwet BES niet meer van toepassing is. Het bevoegd gezag biedt de student in elk geval de mogelijkheid zich te laten inschrijven aan een andere opleiding aan die instelling waarvoor de inschrijving wel mogelijk is. De vorige volzin geldt niet als het een student betreft op wie artikel 8.1.1b, derde lid, onderdeel a of b, van toepassing is.

4.

Het bevoegd gezag stelt ter uitvoering van de voorgaande leden nadere regels vast. Deze regels hebben in elk geval betrekking op de te behalen studieresultaten en de voorzieningen, bedoeld in het tweede lid.

5.

Tegen het advies, bedoeld in het eerste lid, staat, beroep open bij de Commissie van beroep voor de examens, bedoeld in artikel 7.5.3. Artikel 7.5.4 is van overeenkomstige toepassing.

Titel 3. Bestrijding voortijdig schoolverlaten niet-leerplichtigen

Titel 4. Samenwerking in verband met leer-werktrajecten vmbo en assistentopleiding in het vmbo

Hoofdstuk 10a. Experimenten

Hoofdstuk 10. Sancties

Artikel 11.6c. Beëindiging inschrijvingen beroepsopleidingen oude stijl

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)