Faillissementswet BES

Type Wet Bes
Publication 2010-10-10
State In force
Source BWB
artikelen 286
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Titel I. Van faillissement

afdeeling Eerste. Van de faillietverklaring

Artikel 1
1.

De schuldenaar, die in den toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, wordt, hetzij op eigen aangifte, hetzij op verzoek van een of meer zijner schuldeischers, bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement verklaard.

2.

De faillietverklaring kan ook worden uitgesproken om redenen van openbaar belang, op de vordering van het Openbaar Ministerie.

Artikel 2
1.

De faillietverklaring geschiedt door de rechter in eerste aanleg. Deze is daartoe bevoegd, indien:

  • a. de schuldenaar in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba zijn woonplaats heeft, of, aldaar woonplaats gehad hebbend, met achterlating van schulden zich buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba heeft begeven;
  • b. de schuldenaar, in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba geen woonplaats hebbend, aldaar een beroep of bedrijf uitoefent.
2.

De aangifte, het verzoek of de vordering daartoe moet worden ingediend ter griffie van het gerecht in eerste aanleg in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, waar de schuldenaar zijn woonplaats heeft of laatstelijk gehad heeft, dan wel in het geval omschreven in lid 1 sub b, waar hij een kantoor heeft.

3.

Ten aanzien van vennoten onder een firma kan de indiening ook geschieden in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, waar het kantoor der vennootschap is gevestigd.

4.

Wordt in de gevallen bedoeld bij het tweede of derde lid of in het geval bedoeld bij artikel 3 bij meer dan één uitspraak op verschillende dagen de faillietverklaring uitgesproken, dan heeft alleen de eerst gedane uitspraak rechtsgevolgen. Hebben de uitspraken op dezelfde dag plaats, dan heeft alleen de uitspraak op het verzoek, ingediend in het openbaar lichaam Bonaire, en bij gebreke daarvan het verzoek, ingediend in het openbaar lichaam Sint Eustatius, rechtsgevolgen.

5.

Ten aanzien van naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen, wederkerige verzekerings- of waarborgmaatschappijen, of enige andere, rechtspersoonlijkheid bezittende, verenigingen en van stichtingen geldt, ter toepassing van dit artikel, het openbaar lichaam, waar zij haar zetel hebben, als woonplaats.

Artikel 3

[vervallen]

Artikel 4
1.

De aangifte tot faillietverklaring wordt gedaan en het verzoek daartoe ingediend ter griffie en met den meesten spoed behandeld.

2.

Een gehuwde schuldenaar doet aangifte met medewerking van zijn echtgenoot, tenzij iedere gemeenschap tussen de echtgenoten is uitgesloten.

3.

Ten aanzien van eene vennootschap onder eene firma, moet de aangifte inhouden den naam en de woonplaats van elk der hoofdelijk voor het geheel verbondene vennooten.

4.

Het vonnis van faillietverklaring wordt ter openbare terechtzitting uitgesproken en is bij voorraad op de minute uitvoerbaar, niettegenstaande eenige daartegen gerichte voorziening.

Artikel 5
1.

De rechter in eersten aanleg kan bevelen, dat de schuldenaar worde opgeroepen, om in persoon of bij gemachtigde gehoord te worden. De Griffier doet de oproeping op de wijze, bij algemene maatregel van bestuur, te bepalen.

2.

Indien de schuldenaar, die is opgeroepen om gehoord te worden, gehuwd is, is zijn echtgenoot mede bevoegd om in persoon of bij gemachtigde te verschijnen.

3.

De faillietverklaring wordt uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten of omstandigheden, welke aantoonen, dat de schuldenaar in den toestand verkeert, dat hij heeft opgehouden te betalen en, zoo een schuldeischer het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van dezen.

Artikel 6
1.

Hangende het onderzoek, kan de rechter in eerste aanleg de verzoeker, desgevraagd, verlof verlenen de boedel te doen verzegelen. Hij kan daaraan de voorwaarde verbinden van zekerheidstelling tot een door hem te bepalen bedrag.

2.

De verzegeling geschiedt door een bij dit verlof aan te wijzen notaris. Buiten de verzegeling blijven zaken die onder artikel 18 vallen; in het proces-verbaal wordt een korte beschrijving daarvan opgenomen.

Artikel 7
1.

De schuldenaar, die in staat van faillissement is verklaard, heeft, zoo hij op de aanvraag tot faillietverklaring niet is gehoord, gedurende acht dagen na den dag van uitspraak recht van verzet.

2.

Indien hij tijdens de uitspraak zich niet in Bonaire, Sint Eustatius of Saba bevindt, heeft hij gedurende een maand dat recht.

3.

Het verzet wordt ingesteld door indiening van een verzoekschrift ter griffie van het gerecht in eerste aanleg, in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, waar de faillietverklaring werd uitgesproken.

4.

De rechter in eersten aanleg bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling. De griffier geeft dengene die het verzet gedaan heeft, daarvan bij brief kennis. Uiterlijk op den vierden dag, volgende op dien, waarop het verzoek is ingediend, wordt op last van den rechter in eersten aanleg van het gedane verzet, alsmede van den tijd voor de behandeling bepaald, bij deurwaardersexploot aan den schuldeischer, die het verzoek tot faillietverklaring heeft ingediend, en bij brief van den griffier aan het Openbaar Ministerie, op wiens vordering de faillietverklaring is uitgesproken, kennis gegeven.

5.

Deze kennisgeving geldt voor oproeping van hem, die de faillietverklaring heeft uitgelokt.

6.

De behandeling geschiedt op de wijze bij artikel 4 voorgeschreven.

Artikel 8
1.

Elke schuldeiser, met uitzondering van hem, die de faillietverklaring heeft verzocht en elke belanghebbende heeft tegen de faillietverklaring recht van verzet gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak. Indien hij tijdens de uitspraak zich niet in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba bevindt, heeft hij gedurende veertien dagen dat recht.

2.

Het verzet geschiedt door indiening van een verzoekschrift ter griffie van het gerecht in eerste aanleg in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, waar de faillietverklaring werd uitgesproken.

3.

De rechter in eersten aanleg bepaald terstond dag en uur voor de behandeling. De griffier geeft dengene die het verzet gedaan heeft, daarvan bij brief kennis. Uiterlijk op den vierden dag, volgende op dien waarop het verzoek is ingediend, wordt op last van den rechter in eersten aanleg van het gedane verzet, alsmede van den tijd voor de behandeling bepaald, bij deurwaardersexploot kennis gegeven aan den schuldenaar en, indien de faillietverklaring door een schuldeischer is verzocht, ook aan dezen.

4.

Deze kennisgeving geldt voor oproeping van den schuldenaar en van dien schuldeischer.

5.

De behandeling geschiedt op de wijze bij artikel 4 voorgeschreven.

Artikel 9
1.

Gedurende acht dagen na den dag van de betrekkelijke uitspraak bestaat recht van hooger beroep:

  • 1°. voor den schuldenaar, wiens aangifte tot faillietverklaring is afgewezen, of die, nadat hij op de aanvraag tot faillietverklaring is gehoord, in staat van faillissement is verklaard, of wiens in artikel 7 bedoeld verzet is afgewezen;
  • 2°. voor hem, die een aanvraag tot faillietverklaring gedaan heeft, indien de aanvraag is afgewezen of de daarop gevolgde faillietverklaring tengevolge van verzet is vernietigd;
  • 3°. voor den schuldeischer of belanghebbende, wiens in artikel 8 bedoeld verzet is vernietigd;
  • 4°. voor den schuldenaar, den schuldeischer, die de faillietverklaring verzocht heeft en het Openbaar Ministerie, bij vernietiging van de faillietverklaring tengevolge van het in artikel 8 bedoelde verzet.
2.

Op het instellen en de behandeling van het beroep is het bepaalde bij artikel 7 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10
1.

Indien tengevolge van verzet of hooger beroep de faillietverklaring wordt vernietigd, blijven niettemin geldig en verbindend voor den schuldenaar de handelingen, door den curator verricht vóór of op den dag, waarop aan het voorschrift tot aankondiging overeenkomstig artikel 12 is voldaan.

2.

Hangende het verzet of het hooger beroep kan raadpleging over een akkoord niet plaats hebben; ook kan niet tot de vereffening van den boedel buiten toestemming van den schuldenaar worden overgegaan.

Artikel 11
1.

De rechter in eersten aanleg, die het vonnis tot faillietverklaring uitsprak of wiens vonnis tot faillietverklaring rechtsgevolgen heeft, of aan wien, in de bij artikel 13 bedoelde gevallen, de aangifte of aanvraag is ingediend, vervult tevens de functie van rechter-commissaris in het faillissement.

2.

Het vonnis van faillietverklaring houdt in de aanstelling van één of meer curators in het faillissement.

3.

Van de faillietverklaring geeft de griffier onverwijld kennis aan de administratiën der posterijen, telefonen en der telegrafen.

4.

De curator plaatst onverwijld een uittreksel uit het vonnis van faillietverklaring, houdende vermelding van den naam, de woonplaats of het kantoor en het beroep van den gefailleerde, van den naam van den rechter-commissaris, van den naam en de woonplaats of het kantoor des curators, van den dag van de uitspraak, alsmede van den naam, het beroep en de woonplaats of het kantoor van ieder lid der voorloopige commissie uit de schuldeischers, zoo er eene benoemd is, in de Staatscourant en in een of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen nieuwsbladen.

Artikel 12
1.

Zoodra een vonnis van faillietverklaring tengevolge van verzet of hooger beroep is vernietigd, en in het eerste geval de termijn om in hooger beroep te komen, verstreken is, zonder dat daarvan gebruik is gemaakt, geeft de griffier van het gerecht, welks rechter de vernietiging heeft uitgesproken, van die uitspraak kennis aan den curator en aan de administratiën der posterijen, der telefonen en der telegrafen. De curator doet van die uitspraak aankondiging in het in artikel 11 bedoelde blad.

2.

Gelijke kennisgeving geschiedt, in geval van vernietiging van een vonnis van faillietverklaring in hoger beroep, aan de griffier van het gerecht in eerste aanleg, in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, waar het vonnis is gewezen.

3.

De rechter, die de vernietiging van een vonnis van faillietverklaring uitspreekt, stelt tevens het bedrag vast van de faillissementskosten en van het salaris des curators. Hij brengt dit bedrag ten laste van dengene, die de faillietverklaring heeft aangevraagd, van den schuldenaar, of van beide in de door den rechter bepaalde verhouding. Tegen deze beslissing staat een rechtsmiddel niet open. Een bevelschrift van tenuitvoerlegging wordt daarvan uitgegeven ten behoeve van den curator.

Artikel 13

Wordt de faillietverklaring in hoger beroep uitgesproken met vernietiging van een vonnis, waarbij de aangifte of aanvrage tot faillietverklaring werd afgewezen, dan geeft de griffier van het Hof van Justitie van die uitspraak kennis aan de griffier van het gerecht in eerste aanleg, in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, waar de aangifte of aanvrage is ingediend.

Artikel 14
1.

Indien de toestand van den boedel daartoe aanleiding geeft, is de rechter-commissaris bevoegd om, na de commissie uit de schuldeischers, zoo die er is, te hebben gehoord, de kostelooze behandeling te bevelen.

2.

Indien de toestand van den boedel daartoe aanleiding geeft, is de rechter in eersten aanleg bevoegd om, na de commissie uit de schuldeischers, zoo die er is, te hebben gehoord, en na verhoor of behoorlijke oproeping van den gefailleerde, bij in het openbaar uitgesproken beschikking de opheffing van het faillissement te bevelen.

3.

De beschikking, bevelende de opheffing van het faillissement, wordt op dezelfde wijze openbaar gemaakt als het vonnis van faillietverklaring en daartegen kunnen de schuldenaar en de schuldeischers zoo mede het Openbaar Ministerie op dezelfde wijze en binnen dezelfde termijnen opkomen als ten aanzien van het vonnis, waarbij eene faillietverklaring is geweigerd.

4.

De rechter, die de opheffing van het faillissement beveelt, stelt tevens het bedrag vast van de faillissementskosten en brengt dit bedrag ten laste van den schuldenaar. Zij worden bij voorrang boven alle andere schulden voldaan. Tegen deze vaststelling staat een rechtsmiddel niet open. Een bevelschrift van tenuitvoerlegging wordt daarvan uitgegeven ten behoeve van den curator.

5.

Indien na een dergelijke opheffing opnieuw aangifte of aanvraag tot faillietverklaring wordt gedaan, is de schuldenaar of de aanvrager verplicht om aan te toonen, dat er voldoende baten aanwezig zijn om de kosten van het faillissement te bestrijden.

Artikel 15
1.

Elke in dit besluit bevolen plaatsing in de Staatscourant, geschiedt op kosten van de belanghebbenden.

2.

Alle stukken, opgemaakt ter voldoening aan de bepalingen van dit besluit, zijn vrij van zegel.

3.

Daaronder zijn evenwel niet begrepen de processen-verbaal en akten, houdende verkoop of andere overeenkomsten, noch de stukken betrekkelijk andere rechtsgedingen over rechten en verplichtingen van den boedel dan die, welke het gevolg zijn van de verwijzing door den rechter-commissaris bedoeld in artikel 117.

Artikel 15a
1.

Indien de rechter-commissaris – en in de gevallen bedoeld in de Elfde Afdeeling van Titel I en in Titel II van dit besluit, de rechter in eersten aanleg – zulks in het belang van den boedel of van de schuldeischers, of wegens afwezigheid van den schuldenaar, of om andere gewichtige, daarbij te vermelden, redenen noodig oordeelt, beveelt hij van elke in dit besluit bevolen aankondiging, bekendmaking of openbaarmaking in het in artikel 11 bedoeld blad, mede plaatsing in de Staatscourant, alsook ingeval hij hiertoe gronden vindt, in een of meer door hem aan te wijzen nieuwsbladen.

2.

Indien het vonnis van faillietverklaring in de Staatscourant is bekendgemaakt, doet de curator van een uitspraak houdende vernietiging van de of opheffing van het faillissement, als bedoeld in de artikelen 12 en 14, daarvan mede aankondiging in de Staatscourant.

3.

Indien aan de aankondiging, bekendmaking of openbaarmaking eenig rechtsgevolg verbonden of daarvan een termijn afhankelijk gesteld is, komt slechts de plaatsing in het in artikel 1 bedoeld blad in aanmerking.

Artikel 16
1.

De griffier van het gerecht in eerste aanleg houdt in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba een openbaar register bij, waarin hij, voor ieder faillissement afzonderlijk, achtereenvolgens, met vermelding van de dagteekeningen inschrijft:

  • 1°. een uittreksel van de rechterlijke beslissingen, waarbij de faillietverklaring uitgesproken of weder opgeheven is;
  • 2°. den summieren inhoud en de homologatie van het akkoord;
  • 3°. de ontbinding van het akkoord;
  • 4°. het bedrag van de uitdeelingen bij vereffening;
  • 5°. de opheffing van het faillissement ingevolge artikel 14;
  • 6°. de rehabilitatie.
2.

Omtrent de vorm en inhoud van het register worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld.

3.

De griffier is verplicht aan ieder kosteloos inzage van het register en tegen betaling een uittreksel daaruit te verstrekken.

4.

Op het register bestaat een alphabetische klapper.

afdeeling Tweede. Van de gevolgen der faillietverklaring

Artikel 17
1.

Het faillissement omvat het geheele vermogen van den schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft.

2.

Is de schuldenaar eene vennootschap onder eene firma, dan omvat het faillissement het geheele vermogen der hoofdelijk voor het geheel aansprakelijke vennooten ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen zij gedurende het faillissement verwerven.

Artikel 18
1.

Niettemin blijven buiten het faillissement:

  • 2°. hetgeen de gefailleerde door persoonlijke werkzaamheid, als bezoldiging wegens een ambt of bediening dan wel als soldij, riddersoldij, gagement, pensioen, uitkering bij wijze van pensioen of onderstand gedurende het faillissement verkrijgt indien en voor zoover de rechter-commissaris zulks bepaalt;
  • 3°. de gelden, welke aan den gefailleerde verstrekt worden ter voldoening aan een wettelijken onderhoudsplicht;
2.

In dit artikel wordt onder «gefailleerde» mede begrepen de echtgenoot van en in eenige gemeenschap gehuwden gefailleerde.

Artikel 19

Door de faillietverklaring verliest de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behoorend vermogen, te rekenen van den dag waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, die dag daaronder begrepen.

Artikel 20

Voor verbintenissen van den schuldenaar, na de faillietverklaring ontstaan, is de boedel niet aansprakelijk dan voorzooverre deze tengevolge daarvan is gebaat.

Artikel 21
1.

Rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot den faillieten boedel behoorende ten onderwerp hebben, worden zoowel tegen als door den curator ingesteld.

2.

Indien zij, door of tegen den gefailleerde ingesteld of voortgezet, eene veroordeeling van den gefailleerde tengevolge hebben, mits die veroordeeling tegenover den faillieten boedel rechtskracht.

Artikel 22

Rechtsvorderingen, welke voldoening van eene verbintenis uit den boedel ten doel hebben, kunnen gedurende het faillissement ook tegen den gefailleerde niet op andere wijze ingesteld worden, dan door aanmelding ter verificatie.

Artikel 23
1.

Indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door den schuldenaar ingesteld is, wordt het geding ten verzoeke van den gedaagde, geschorst, teneinde dezen gelegenheid te geven, binnen een door den rechter bepaalden termijn, den curator tot overneming van het geding op te roepen.

2.

Zoo deze niet aan die oproeping gevolg geeft, heeft de gedaagde het recht ontslag van de instantie te vragen; bij gebreke daarvan, kan het geding tusschen den gefailleerde en den gedaagde worden voortgezet, buiten bezwaar van den boedel.

3.

Ook zonder opgeroepen te zijn, is de curator bevoegd het proces te allen tijde over te nemen en den gefailleerde buiten het geding te doen stellen.

Artikel 24
1.

Indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en tegen den schuldenaar ingesteld is, is de eischer bevoegd schorsing te verzoeken, ten einde, binnen een door den rechter bepaalden termijn, den curator in het geding te roepen.

2.

Door zijne verschijning neemt deze het proces over en is de gefailleerde van rechtswege buiten het geding.

3.

Indien de curator verschijnende dadelijk in den eisch toestemt, worden de proceskosten van de tegenpartij niet beschouwd als boedelschuld.

4.

Zoo de curator niet verschijnt, is op het tegen den gefailleerde verkregen vonnis de bepaling van het tweede lid van artikel 21 niet toepasselijk.

Artikel 25

Voor zooverre tijdens de faillietverklaring aanhangige rechtsvorderingen voldoening van eene verbintenis uit den boedel ten doel hebben, wordt het geding na de faillietverklaring geschorst, om alleen dan voortgezet te worden, indien de verificatie van de vordering betwist wordt. In dit geval wordt hij, die de betwisting doet, in de plaats van den gefailleerde, partij in het geding.

Artikel 26
1.

Indien vóór de faillietverklaring de stukken van het geding tot het geven van eene beslissing aan den rechter zijn overgelegd, zijn het tweede lid van artikel 21 en de artikelen 23–25 niet toepasselijk.

2.

De artikelen 23–25 worden weder toepasselijk, indien het geding voor den rechter, bij wien het aanhangig is, tengevolge van zijne beslissing wordt voortgezet.

Artikel 27

Indien een geding door of tegen den curator, of ook in het geval van artikel 25 tegen een schuldeischer wordt voortgezet, mag de curator of die schuldeischer de nietigheid inroepen van handelingen, door den schuldenaar vóór zijne faillietverklaring in het geding verricht, zoo bewezen wordt, dat deze door die handelingen de schuldeischers desbewust heeft benadeeld en dat dit aan zijne tegenpartij bekend was.

Artikel 28

[vervallen]

Artikel 29
1.

Het vonnis van faillietverklaring heeft tengevolge, dat alle gerechtelijke tenuitvoerlegging op eenig deel van het vermogen van den schuldenaar, vóór het faillissement aangevangen, dadelijk een einde neemt, en dat, ook van hetzelfde oogenblik af, een vonnis niet bij lijfsdwang kan worden ten uitvoer gelegd.

2.

Gelegde beslagen vervallen; de inschrijving van een desbetreffende verklaring van de rechter-commissaris machtigt de bewaarder van de openbare registers tot doorhaling. Het beslag herleeft, zodra het faillissement een einde neemt ten gevolge van vernietiging of opheffing van het faillissement, mits het goed dan nog tot de boedel behoort. Indien de inschrijving van het beslag in de openbare registers is doorgehaald, vervalt de herleving, indien niet binnen veertien dagen na de herleving een exploit is ingeschreven, waarbij van de herleving mededeling aan de schuldenaar is gedaan.

3.

Indien de schuldenaar zich in gijzeling bevindt, wordt hij ontslagen, zoodra het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan, behoudens toepassing van artikel 28.

4.

Het bepaalde bij dit artikel geldt niet voor lijfsdwang bij vonnissen, beschikkingen en authentieke akten, waarbij een uitkering tot levensonderhoud, krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES verschuldigd, daaronder begrepen het verschuldigde voor verzorging en opvoeding van een minderjarige en voor levensonderhoud en studie van een meerderjarige die de leeftijd van een en twintig jaren niet heeft bereikt, is bevolen of toegezegd, alsmede beschikkingen, waarbij een uitkering, krachtens artikel 85, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES door de ene echtgenoot aan de andere echtgenoot verschuldigd, is bevolen.

Artikel 29a

[vervallen]

Artikel 30

Indien vóór het faillissement van den schuldenaar de uitwinning van zijne goederen zoover was gevorderd, dat de dag van den verkoop reeds was bepaald, is de curator bevoegd om op machtiging van den rechter-commissaris, den verkoop voor rekening van den boedel te laten voortgaan.

Artikel 31
1.

Indien op de dag van de faillietverklaring nog niet alle handelingen die voor een levering door de schuldenaar nodig zijn, hebben plaatsgevonden, kan de levering niet geldig meer geschieden.

2.

Heeft de schuldenaar voor de dag van de faillietverklaring een toekomstig goed bij voorbaat geleverd, dan valt dit goed, indien het eerst na de aanvang van die dag door hem is verkregen, in de boedel, tenzij het gaat om nog te velde staande vruchten of beplantingen, die reeds voor de faillietverklaring uit hoofde van een zakelijk recht of een huurovereenkomst aan de schuldenaar toekwamen.

3.

Voor de toepassing van de artikelen 86 en 238 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES wordt degene die van de schuldenaar heeft verkregen, geacht na de bekendmaking van de faillietverklaring, bedoeld in artikel 11, vierde lid, diens onbevoegdheid te hebben gekend.

Artikel 31a

Indien een beding als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES, op de dag van de faillietverklaring nog niet in de openbare registers was ingeschreven, kan de curator het registergoed ten aanzien waarvan het is gemaakt, vrij van het beding overeenkomstig de artikelen 96 of 169, vierde en vijfde lid, vervreemden.

Artikel 31b

Aan een gift, door de schuldenaar gedaan onder een opschortende voorwaarde of een opschortende tijdsbepaling, die op de dag van de faillietverklaring nog niet was vervuld of verschenen, ontleent de begiftigde generlei recht tegen de boedel.

Artikel 32
1.

Ingeval een verjaringstermijn, betreffende een rechtsvordering als bedoeld in artikel 22, zou aflopen gedurende het faillissement of binnen zes maanden na het einde daarvan, loopt de termijn voort, totdat zes maanden na het einde van het faillissement zijn verstreken.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op van rechtswege aanvangende vervaltermijnen.

Artikel 32a

Ingeval een termijn die vóór de faillietverklaring uit hoofde van artikel 55, tweede lid, van Boek 3 of van artikel 88 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES aan de schuldenaar was gesteld, ten tijde van de faillietverklaring nog niet was verstreken, loopt de termijn voort, voor zover dit redelijkerwijze noodzakelijk is om de curator in staat te stellen zijn standpunt te bepalen. De wederpartij kan de curator daartoe een nieuwe redelijke termijn stellen.

Artikel 33
1.

Indien een wederkerige overeenkomst ten tijde van de faillietverklaring zowel door de schuldenaar als door zijn wederpartij in het geheel niet of slechts gedeeltelijk is nagekomen en de curator zich niet binnen een hem daartoe schriftelijk door de wederpartij gestelde redelijke termijn bereid verklaart de overeenkomst gestand te doen, verliest de curator het recht zijnerzijds nakoming van de overeenkomst te vorderen.

2.

Indien de curator zich wel tot nakoming van de overeenkomst bereid verklaart, stelt hij bij die verklaring voor deze nakoming zekerheid.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op overeenkomsten waarbij de gefailleerde slechts verbintenissen op zich heeft genomen tot door hem persoonlijk te verrichten handelingen.

Artikel 33a

Voor vorderingen die de wederpartij uit hoofde van ontbinding of vernietiging van een vóór de faillietverklaring met de schuldenaar gesloten overeenkomst op deze heeft verkregen, of die strekken tot schadevergoeding ter zake van tekortschieten in de nakoming van een vóór de faillietverklaring op deze verkregen vordering, kan zij als concurrent schuldeiser in het faillissement opkomen.

Artikel 34

Indien in het geval van artikel 33, de levering van waren, welke ter beurze op termijn worden verhandeld, bedongen is tegen een vastgesteld tijdstip of binnen een bepaalden termijn, en dit tijdstip invalt of die termijn verstrijkt na de faillietverklaring, wordt de overeenkomst door de faillietverklaring ontbonden en mag de wederpartij van den gefailleerde zonder meer voor schadevergoeding als concurrent schuldeischer opkomen. Lijdt de boedel door de ontbinding schade, dan is de wederpartij verplicht deze te vergoeden.

Artikel 34a
1.

Indien de gefailleerde huurkooper is, kan zoowel de curator als de verkooper den huurkoop ontbonden verklaren.

2.

Deze ontbinding heeft dezelfde gevolgen als ontbinding der overeenkomst wegens het niet nakomen door den kooper van zijne verplichtingen.

3.

De verkoper kan voor het hem verschuldigde bedrag als concurrent schuldeischer opkomen.

Artikel 35

Indien de gefailleerde huurder is, kan zoowel de curator als de verhuurder de huur tusschentijds doen eindigen, mits de opzegging geschiede tegen een tijdstip, waarop dergelijke overeenkomsten naar plaatselijk gebruik eindigen. Bovendien moet bij de opzegging de daarvoor overeengekomen of gebruikelijke termijn in acht genomen worden, met dien verstande echter, dat een termijn van drie maanden in elk geval voldoende zal zijn. Zijn er huurpenningen vooruitbetaald, dan kan de huur niet eerder opgezegd worden, dan tegen den dag, waarop de termijn, waarvoor vooruitbetaling heeft plaats gehad, eindigt. Van den dag van de faillietverklaring af is de huurprijs boedelschuld.

Artikel 36
1.

Arbeiders in dienst van den gefailleerde kunnen de dienstbetrekking opzeggen, en hun kan wederkeerig door den curator de dienstbetrekking opgezegd worden, met inachtneming van de overeengekomen of wettelijke termijnen, met dien verstande echter dat in elk geval de dienstbetrekking kan worden geëindigd door opzegging met een termijn van zes weken en dat bij opzegging door arbeiders het bepaalde in artikel 1615j, eerste lid van Boek 7A, van het Burgerlijk wetboek BES niet in acht behoeft te worden genomen. Van den dag der faillietverklaring af zijn het loon en de met de arbeidsovereenkomst samenhangende premieschulden boedelschuld.

2.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op agentuurovereenkomsten.

Artikel 37
1.

De curator aanvaardt erfenissen, gedurende het faillissement aan den gefailleerde opkomende, niet anders dan onder voorrecht van boedelbeschrijving.

2.

Tot het verwerpen van eene nalatenschap behoeft de curator machtiging van den rechter-commissaris.

Artikel 38
1.

De curator kan ten behoeve van de boedel elke rechtshandeling die de schuldenaar vóór de faillietverklaring onverplicht heeft verricht, en waarvan deze bij dit verrichten wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn, door een buitengerechtelijke verklaring vernietigen. Artikel 50, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES is niet van toepassing.

2.

Een rechtshandeling, anders dan om niet, die hetzij meerzijdig is, hetzij eenzijdig en tot een of meer bepaalde personen gericht, wordt wegens benadeling slechts vernietigd, indien ook degenen met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte, wisten of behoorden te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn.

3.

Wordt een rechtshandeling om niet wegens benadeling vernietigd, dan heeft de vernietiging ten aanzien van de bevoordeelde die wist noch behoorde te weten dat van de rechtshandeling benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn, geen werking, voor zover hij aantoont dat hij ten tijde van de faillietverklaring niet ten gevolge van de rechtshandeling gebaat was.

Artikel 39
1.

Indien de rechtshandeling waardoor de schuldeisers zijn benadeeld, is verricht binnen een jaar voor de faillietverklaring en de schuldenaar zich niet reeds voor de aanvang van die termijn daartoe had verplicht, wordt de aan het slot van artikel 38, eerste lid, eerste volzin, bedoelde wetenschap, behoudens tegenbewijs, vermoed aan beide zijden te bestaan:

  • 1°. bij overeenkomsten waarbij de waarde der verbintenis aan de zijde van de schuldenaar aanmerkelijk die der verbintenis aan de andere zijde overtreft;
  • 2°. bij rechtshandelingen ter voldoening van of zekerheidstelling voor een niet opeisbare schuld;
  • 3°. bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die een natuurlijk persoon is, verricht met of jegens:
  • a. zijn echtgenoot, zijn pleegkind of een bloed- of aanverwant tot in de derde graad;
  • b. een rechtspersoon waarin hij, zijn echtgenoot, zijn pleegkind of een bloed- of aanverwant tot in de derde graad bestuurder of commissaris is, dan wel waarin deze personen, afzonderlijk of tezamen, als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van het geplaatste kapitaal deelnemen;
  • 4°. bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of jegens een natuurlijk persoon:
  • a. die bestuurder of commissaris van de rechtspersoon is, dan wel met of jegens diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in de derde graad;
  • b. die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, zijn pleegkinderen en zijn bloed- of aanverwanten tot in de derde graad, als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van het geplaatste kapitaal deelneemt;
  • c. wiens echtgenoot, pleegkinderen of bloed- of aanverwanten tot in de derde graad, afzonderlijk of tezamen, als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor tenminste de helft van het geplaatste kapitaal deelnemen;
  • 5°. bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of jegens een andere rechtspersoon, indien:
  • a. een van deze rechtspersonen bestuurder is van de andere;
  • b. een bestuurder, natuurlijk persoon, van een van deze rechtspersonen, of diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in de derde graad, bestuurder is van de andere;
  • c. een bestuurder, natuurlijk persoon, of een commissaris van een van deze rechtspersonen, of diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in de derde graad, afzonderlijk of tezamen, als aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft van het geplaatste kapitaal deelneemt in de andere;
  • d. in beide rechtspersonen voor ten minste de helft van het geplaatste kapitaal rechtstreeks of middellijk wordt deelgenomen door dezelfde rechtspersoon, danwel dezelfde natuurlijke persoon, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, zijn pleegkinderen en zijn bloed- of aanverwanten tot in de derde graad;
  • 6°. bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of jegens een groepsmaatschappij.
2.

Met een echtgenoot wordt een andere levensgezel gelijkgesteld.

3.

Onder pleegkind wordt verstaan degene die duurzaam als eigen kind is verzorgd en opgevoed.

4.

Onder bestuurder, commissaris of aandeelhouder wordt mede verstaan degene die minder dan een jaar vóór de rechtshandeling bestuurder, commissaris of aandeelhouder is geweest.

5.

Indien de bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder zelf een rechtspersoon is, wordt deze rechtspersoon met de rechtspersoonbestuurder gelijkgesteld.

6.

Een groepsmaatschappij is een vennootschap of rechtspersoon, die met een of meer andere vennootschappen of rechtspersonen organisatorisch in een economische eenheid is verbonden.

Artikel 40

[vervallen]

Artikel 41

[vervallen]

Artikel 42

In geval van benadeling door een rechtshandeling om niet, die de schuldenaar heeft verricht binnen één jaar vóór de faillietverklaring, wordt vermoed, dat hij wist of behoorde te weten dat benadeling van de schuldeisers het gevolg van de rechtshandeling zou zijn.

Artikel 43

De voldoening door de schuldenaar aan een opeisbare schuld wordt alleen dan vernietigd, indien is aangetoond, hetzij dat hij die de betaling ontving, wist dat het faillissement van de schuldenaar reeds aangevraagd was, hetzij dat de betaling het gevolg was van overleg tussen de schuldenaar en de schuldeiser, dat ten doel had laatstgenoemde door die betaling boven andere schuldeisers te begunstigen.

Artikel 44
1.

Krachtens het vorige artikel kan terugvordering niet geschieden van hem, die als houder van een papier aan order of toonder, uit hoofde van zijne rechtsverhouding tot vroegere houders, tot aanneming van de betaling verplicht was.

2.

In dit geval is hij, te wiens bate het papier is uitgegeven, verplicht de door den schuldenaar betaalde som aan den boedel terug te geven, wanneer wordt aangetoond, hetzij dat hij bij de uitgifte van het papier de in het vorige artikel genoemde wetenschap bezat, hetzij dat de uitgifte het gevolg was van een overleg als in dat artikel bedoeld.

Artikel 45
1.

Rechtsvorderingen, gegrond op de bepalingen der artikelen 38–44, worden ingesteld door den curator.

2.

Niettemin kunnen de schuldeischers op gronden, aan de bepalingen ontleend, de toelating van eene vordering bestrijden.

Artikel 46

Beëindiging van het faillissement door de homologatie van een akkoord doet de rechtsvorderingen in het vorige artikel bedoeld, vervallen, tenzij het akkoord boedelafstand inhoudt, in welk geval zij ten behoeve van de schuldeischers vervolgd of ingesteld kunnen worden door de vereffenaars.

Artikel 47
1.

Hetgeen door de vernietigde rechtshandeling uit het vermogen van de schuldenaar gegaan is, wordt door hen jegens wie de vernietiging werkt, aan de curator teruggegeven met inachtneming van titel 4, afdeling 2, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES.

2.

Rechten, door derden te goeder trouw anders dan om niet op de terug te geven goederen verkregen, worden geëerbiedigd. Tegen een derde te goeder trouw die om niet heeft verkregen, heeft geen terugvordering plaats, voor zover hij aantoont dat hij ten tijde van de faillietverklaring niet ten gevolge van de rechtshandeling gebaat was.

3.

Het door de schuldenaar uit hoofde van de vernietigde rechtshandeling ontvangene of de waarde daarvan wordt door de curator teruggegeven, voor zover de boedel erdoor is gebaat. Voor het tekortkomende kunnen zij jegens wie de vernietiging werkt, als concurrent schuldeiser opkomen.

Artikel 48
1.

Voldoening ná de faillietverklaring, doch vóór de bekendmaking daarvan aan de gefailleerde gedaan, tot nakoming van verbintenissen jegens deze vóór de faillietverklaring ontstaan, bevrijdt degene die haar deed, tegenover de boedel, zolang zijn bekendheid met de faillietverklaring niet bewezen wordt.

2.

Voldoening als in het eerste lid bedoeld, na de bekendmaking der faillietverklaring aan de gefailleerde gedaan, bevrijdt tegenover de boedel alleen dan, indien degene die haar deed, bewijst dat de faillietverklaring te zijner woonplaatse langs de weg der wettelijke aankondiging nog niet bekend kon zijn, behoudens het recht van de curator om aan te tonen dat zij hem toch bekend was.

3.

In elk geval bevrijdt voldoening aan de gefailleerde de schuldenaar tegenover de boedel, voor zover hetgeen door hem voldaan werd, ten bate van de boedel is gekomen.

Artikel 49
1.

Degene die zowel schuldenaar als schuldeiser van de gefailleerde is, kan zijn schuld met zijn vordering op de gefailleerde verrekenen, indien beide zijn ontstaan vóór de faillietverklaring of voortvloeien uit handelingen, vóór de faillietverklaring met de gefailleerde verricht.

2.

De vordering op de gefailleerde wordt, zo nodig, berekend naar de regels, in de artikelen 125 en 126 gesteld.

3.

De curator kan geen beroep doen op artikel 136 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES.

Artikel 50
1.

Niettemin is degene die een schuld aan de gefailleerde of een vordering op de gefailleerde vóór de faillietverklaring van een derde heeft overgenomen, niet bevoegd tot verrekening, indien hij bij de overneming niet te goeder trouw heeft gehandeld.

2.

Na de faillietverklaring overgenomen vorderingen of schulden kunnen niet worden verrekend.

Artikel 51

De schuldenaar van de gefailleerde, die zijn schuld wil verrekenen met een vordering aan order of toonder, dient te bewijzen dat hij het papier reeds op het ogenblik der faillietverklaring te goeder trouw had verkregen.

Artikel 52

Degene die met de gefailleerde deelgenoot is in een gemeenschap waarvan tijdens het faillissement een verdeling plaatsvindt, kan toepassing van artikel 184, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES verlangen, ook als de schuld van de gefailleerde aan de gemeenschap er een is onder een nog niet vervulde opschortende voorwaarde. De artikelen 125 en 126 zijn van toepassing.

Artikel 53
1.

Pand- en hypotheekhouders kunnen hun recht uitoefenen, alsof er geen faillissement was.

2.

Bij de verdeling kunnen uit eigen hoofde mede de beperkt gerechtigden opkomen, wier recht vóór de faillietverklaring was gevestigd, maar door de executie door een pand- of hypotheekhouder is vervallen voor hun recht op schadevergoeding, bedoeld in artikel 282 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES.

3.

Bij de verdeling van de opbrengst oefent de curator ten behoeve van de boedel mede de rechten uit, die de wet aan beslagleggers op het goed toekent. Hij behartigt daarbij mede de belangen van de bevoorrechte schuldeisers die in rang boven de voormelde pand- en hypotheekhouders en beperkt gerechtigden gaan.

4.

Zo een rangregeling nodig is, wordt deze verzocht aan de rechter-commissaris. De verdeling geschiedt ten overstaan van deze rechter-commissaris op de wijze voorgeschreven in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES.

Artikel 54
1.

De curator kan de pand- en hypotheekhouders een redelijke termijn stellen om tot uitoefening van hun rechten overeenkomstig artikel 53 over te gaan. Heeft de pand- of hypotheekhouder het onderpand niet binnen deze termijn verkocht, dan kan de curator de goederen opeisen en met toepassing van de artikelen 96 of 169, vierde en vijfde lid, verkopen, onverminderd het recht van de pand- en hypotheekhouders op de opbrengst. De rechter-commissaris kan de termijn op verzoek van de pand- of hypotheekhouder een of meer malen verlengen.

2.

De curator kan een met pand of hypotheek bezwaard goed tot op het tijdstip van de verkoop lossen tegen voldoening van hetgeen waarvoor het pand- of hypotheekrecht tot zekerheid strekt, alsmede van de reeds gemaakte kosten van executie.

Artikel 55

Indien de opbrengst niet toereikend is om een pand- of hypotheekhouder of een dergenen wier beperkt recht door de executie is vervallen, te voldoen, kan deze voor het ontbrekende als concurrent schuldeiser in de boedel opkomen.

Artikel 55a
1.

De artikelen 53 tot en met 55 zijn niet van toepassing, ingeval de hypotheek rust op een luchtvaartuig dat teboekstaat in het register, bedoeld in artikel 1302 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek BES, of in een verdragsregister als bedoeld in artikel 1300, onderdeel d, van dat boek.

2.

Hypotheekhouders wier rechten rusten op luchtvaartuigen als bedoeld in het eerste lid, en andere schuldeisers die op grond van artikel 1317 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek BES een voorrecht op het luchtvaartuig hebben, kunnen hun recht uitoefenen, alsof er geen faillissement was. Artikel 53, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

De curator kan deze schuldeisers een redelijke termijn stellen om tot uitoefening van hun rechten overeenkomstig het tweede lid over te gaan. Heeft de schuldeiser het luchtvaartuig niet binnen deze termijn verkocht, dan kan de curator het luchtvaartuig verkopen. De rechter-commissaris kan de termijn op verzoek van de schuldeiser een of meer malen verlengen.

4.

Op verkoop door de curator zijn de artikelen 584d en 584f tot en met 584q van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de curator wordt aangemerkt als beslaglegger uit hoofde van een vordering die niet van enige voorrang is voorzien, en dat met het vonnis van faillietverklaring wordt gehandeld, als voorgeschreven voor het proces-verbaal van beslag.

5.

De rechter-commissaris in het faillissement kan in dat geval bepalen dat een door hem vast te stellen gedeelte van de algemene faillissementskosten als kosten van de executie in de zin van artikel 584n van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES zal gelden.

6.

De curator kan het luchtvaartuig tot op het tijdstip van de verkoop lossen tegen voldoening van het daarop verschuldigde, alsmede van de reeds gemaakte kosten van executie.

7.

Artikel 55 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 56
1.

De schuldeiser die retentierecht heeft op een aan de schuldenaar toebehorende zaak, verliest dit recht niet door de faillietverklaring.

2.

De zaak kan door de curator worden opgeëist en met toepassing van de artikelen 96 of 169, vierde en vijfde lid, worden verkocht, onverminderd de voorrang, aan de schuldeiser in artikel 292 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES toegekend. De curator kan ook, indien dit in het belang is van de boedel, de zaak in de boedel terugbrengen door voldoening van de vordering waarvoor het retentierecht kan worden uitgeoefend.

3.

De schuldeiser kan de curator een redelijke termijn stellen om tot toepassing van het tweede lid over te gaan. Heeft de curator de zaak niet binnen deze termijn verkocht, dan kan de schuldeiser haar verkopen met overeenkomstige toepassing van de bepalingen, betreffende parate executie door een pandhouder, of, als het een registergoed betreft, die betreffende parate executie door een hypotheekhouder. De rechter-commissaris kan de termijn op verzoek van de curator een of meer malen te verlengen.

4.

Betreft het een registergoed, dan zegt de schuldeiser, op straffe van verval van het recht van parate executie, binnen veertien dagen na het verstrijken van de in het derde lid bedoelde termijn, aan de curator bij exploit aan dat hij tot executie overgaat, en doet dit exploit in de openbare registers inschrijven.

Artikel 56a
1.

Indien tot het vermogen van de gefailleerde onder bewind staande goederen behoren en zich schuldeisers ter verificatie hebben aangemeld die deze goederen onbelast met het bewind kunnen uitwinnen, eist de curator deze goederen van de bewindvoerder op, neemt deze onder zijn beheer en maakt deze te gelde, voor zover dit voor de voldoening van deze schuldeisers uit de opbrengst nodig is. Door de opeising eindigt het bewind over het goed. De opbrengst wordt overeenkomstig deze wet onder deze schuldeisers verdeeld, voor zover zij zijn geverifieerd. De curator draagt hetgeen na deze verdeling van de opbrengst over is, aan de bewindvoerder af, tenzij de andere schuldeisers de onder bewind staande goederen onder de last van het bewind kunnen uitwinnen, in welk geval het restant overeenkomstig deze wet onder deze laatste schuldeisers verdeeld wordt.

2.

Indien zich slechts schuldeisers ter verificatie hebben aangemeld, die de goederen onder de last van het bewind kunnen uitwinnen, worden deze goederen door de curator overeenkomstig de artikelen 96 of 169, vierde en vijfde lid, onder die last verkocht.

3.

Buiten de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, blijven de onder bewind staande goederen buiten het faillissement en wordt slechts aan de curator uitgekeerd, hetgeen de goederen netto aan vruchten hebben opgebracht.

4.

De bewindvoerder legt allen tijde, zodra de curator dit verlangt, aan deze rekening en verantwoording af.

Artikel 56b
1.

Zijn krachtens artikel 56a goederen buiten het faillissement gebleven en heeft de bewindvoerder opgehouden de schuldeisers te betalen die deze goederen onbelast met bewind kunnen uitwinnen, dan kan de rechter in eerste aanleg die de faillietverklaring heeft uitgesproken op verzoek van ieder van deze schuldeisers die niet in het faillissement kunnen opkomen, de curator opdragen ook het beheer van deze goederen op zich te nemen en voor de vereffening te hunnen behoeve zorg te dragen.

2.

De bepalingen, betreffende faillietverklaring en faillissement, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 57
1.

De echtgenoot van de gefailleerde neemt alle goederen, die hem toebehoren en niet in de gemeenschap vallen, terug.

2.

De aanbrengst van de bij huwelijkse voorwaarden buiten de gemeenschap gehouden rechten aan toonder en roerende zaken wordt bewezen zoals bij artikel 130 van Boek 1 van het Burgerlijk wetboek BES ten opzichte van derden is voorgeschreven.

3.

Van de aan de echtgenoot van de gefailleerde opgekomen rechten aan toonder en roerende zaken, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen, moet, in geval van geschil, door beschrijving of bescheiden blijken. Hetzelfde geldt voor zodanige rechten en zaken, hem staande huwelijk bij erfenis, legaat of schenking opgekomen, die ingevolge de huwelijkse voorwaarden buiten de gemeenschap vallen.

4.

De goederen, voortgesproten uit de belegging of wederbelegging van gelden aan de echtgenoot van de gefailleerde buiten de gemeenschap toebehorende, worden insgelijks door die echtgenoot teruggenomen, mits de belegging of wederbelegging, ingeval van geschil, door voldoende bescheiden, ten genoege van de rechter, zij bewezen.

5.

Indien de goederen aan de echtgenoot van de gefailleerde toebehorende, door de gefailleerde zijn vervreemd, doch de koopprijs nog niet is betaald, of wel de kooppenningen nog onvermengd met de failliete boedel aanwezig zijn, kan de echtgenoot zijn recht van terugneming op die koopprijs of op de voorhanden kooppenningen uitoefenen.

6.

Voor zijn persoonlijke schuldvorderingen treedt de echtgenoot van de gefailleerde als schuldeiser op.

Artikel 58

De echtgenoot van de gefailleerde heeft geen aanspraak op de boedel terzake van voordelen bij huwelijkse voorwaarden besproken. Wederkerig kunnen de schuldeisers geen genot hebben van de voordelen, die aan de gefailleerde bij huwelijkse voorwaarden door zijne echtgenoot zijn toegezegd.

Artikel 59
1.

Het faillissement van den in eenige gemeenschap van goederen gehuwden echtgenoot wordt als faillissement van die gemeenschap behandel. Het omvat, behoudens de uitzonderingen van het eerste lid van artikel 18, alle goederen, welke in de gemeenschap vallen, en strekt ten behoeve van alle schuldeischers, die op de goederen der gemeenschap verhaal hebben. Goederen die de gefailleerde buiten de gemeenschap heeft, strekken slechts tot verhaal van schulden die daarop verhaald zouden kunnen worden, indien er generlei gemeenschap was.

2.

De bepalingen in dit besluit vervat omtrent handelingen door den schuldenaar verricht, zijn bij faillissement van een in gemeenschap gehuwden echtgenoot, toepasselijk op de handelingen waardoor de gemeenschap wettig verbonden is, onverschillig wie van de echtgenooten deze verrichte.

Artikel 59a
1.

De rechter-commissaris kan op verzoek van elke belanghebbende of ambtshalve bij schriftelijke beschikking bepalen dat elke bevoegdheid van derden tot verhaal op tot de boedel behorende goederen of tot opeising van goederen die zich in de macht van de gefailleerde of van de curator bevinden, voor een periode van ten hoogste één maand niet dan met zijn machtiging kan worden uitgeoefend. De rechter-commissaris kan deze periode éénmaal voor ten hoogste één maand verlengen.

2.

De rechter-commissaris kan zijn beschikking beperken tot bepaalde derden en voorwaarden verbinden zowel aan zijn beschikking als aan de machtiging van een derde tot uitoefening van een aan deze toekomende bevoegdheid.

3.

Gedurende de in het eerste lid bedoelde perioden lopen aan of door de derden ter zake van hun bevoegdheid gestelde termijnen voort, voor zover dit redelijkerwijze noodzakelijk is om de derde dan wel de curator in staat te stellen na afloop van de periode zijn standpunt te bepalen. Degene die de termijn heeft gesteld, kan opnieuw een redelijke termijn stellen.

4.

De in de eerste volzin van het eerste lid bedoelde beslissing kan ook op verlangen van de aanvrager van het faillissement of van de schuldenaar worden gegeven in het vonnis van faillietverklaring.

afdeeling Derde. Van het bestuur over den faillieten boedel

1. Van den rechter-commissaris

Artikel 60

De rechter-commissaris houdt toezicht op het beheer en de vereffening van den faillieten boedel.

Artikel 61

Alvorens in eenige zaak, het beheer of de vereffening van den faillieten boedel betreffende, eene beslissing te geven, is het Hof van Justitie verplicht, den rechter-commissaris schriftelijk te hooren.

Artikel 62
1.

De rechter-commissaris is bevoegd ter opheldering van alle omstandigheden, het faillissement betreffende, getuigen te hooren of een onderzoek van deskundigen te bevelen.

2.

De getuigen worden gedagvaard namens den rechter-commissaris.

3.

Bij niet-verschijning of weigering om getuigenis af te leggen, zijn de artikelen 150 tot en met 154 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES toepasselijk.

4.

De echtgenoot of gewezen echtgenoot, de kinderen en verdere afkomelingen en de ouders en grootouders van den gefailleerde mogen zich van het geven van getuigenis verschoonen.

Artikel 63
1.

Van de beschikkingen van den rechter-commissaris vermeld in de artikelen 55a, derde lid, 59a, 64 tweede lid, 69 eerste lid, 82 en 93 is gedurende vijf dagen hoger beroep op het Hof van Justitie.

2.

Het beroep wordt ingesteld door het indienen van een memorie ter griffie van het gerecht in eerste aanleg, in het openbaar lichaam waar het faillissement werd uitgesproken. De rechter-commissaris verzendt die memorie, vergezeld van zijn schriftelijk bericht, zoo spoedig mogelijk aan het Hof van Justitie.

3.

Tegen de overige beschikkingen van den rechter-commissaris is hoger beroep niet toegelaten.

2. Van den curator

Artikel 64
1.

De curator is belast met het beheer en de vereffening van den faillieten boedel.

2.

Alvorens in rechte op te treden, behalve waar het verificatiegeschillen betreft, alsmede in de gevallen van de artikelen 33, 35, 36, 54 tweede lid, 56 tweede en derde lid en 56a eerste lid, behoeft de curator machtiging van den rechter-commissaris.

Artikel 65
1.

Ieder der schuldeischers, de commissie uit hun midden benoemd en ook de gefailleerde mogen bij verzoekschrift tegen elke handeling van den curator bij den rechter-commissaris opkomen, of van dezen een bevel uitlokken, dat de curator eene bepaalde handeling verrichte of eene voorgenomen handeling nalate.

2.

De rechter-commissaris beslist, na den curator gehoord te hebben, binnen drie dagen.

Artikel 66
1.

Indien meer dan één curator benoemd is, wordt voor de geldigheid van hunne handelingen toestemming van de meerderheid of bij staking van stemmen eene beslissing van den rechter-commissaris vereischt.

2.

De curator, aan wien bij het vonnis van faillietverklaring een bepaalde werkkring is aangewezen, is binnen de grenzen daarvan zelfstandig tot handelen bevoegd.

Artikel 67
1.

Onverminderd het bepaalde in het derde lid van artikel 12, stelt de rechter-commissaris het salaris van den curator in elk faillissement vast.

2.

Ingeval van akkoord wordt het salaris bij het vonnis van homologatie bepaald.

Artikel 68

Het ontbreken van de machtiging van den rechter-commissaris, waar die vereischt is, of de niet-inachtneming van de bepalingen vervat in de artikelen 74 en 75, is, voor zooveel derden betreft, niet van invloed op de geldigheid van de door den curator verrichte handeling. De curator is deswege alleen jegens den gefailleerde en de schuldeischers aansprakelijk.

Artikel 69
1.

De rechter-commissaris heeft de bevoegdheid den curator te allen tijde, na hem gehoord of behoorlijk opgeroepen te hebben, te ontslaan en door een ander te vervangen, of hem één of meer mede curators toe te voegen, een en ander ambtshalve of op een met redenen omkleed verzoek van één of meer schuldeischers, van de commissie uit hun midden, of van den gefailleerde.

2.

De ontslagen curator legt rekening en verantwoording van zijn beheer af aan den in zijne plaats benoemden curator.

3. Van de commissie uit de schuldeischers

Artikel 70
1.

Bij het vonnis van faillietverklaring kan de rechter in eersten aanleg of, zoolang over de benoeming van de in het volgende artikel genoemde commissie eene beslissing nog niet is genomen, kan de rechter-commissaris, zoo de belangrijkheid of de aard des boedels daartoe aanleiding geeft, uit de aan het gerecht bekende schuldeischers eene voorloopige commissie van een tot drie leden benoemen, ten einde den curator van advies te dienen.

2.

Indien een lid van de voorloopige commissie zijne benoeming niet aanneemt, bedankt of overlijdt, voorziet de rechter-commissaris op de verificatie-vergadering de schuldeischers, na afloop van de verificatie, over de benoeming van eene definitieve commissie uit hun midden. Zoo de vergadering deze wenschelijk acht, gaat hij dadelijk tot de benoeming over. Ook deze commissie bestaat uit een tot drie leden.

3.

Een verslag van het hieromtrent verhandelde wordt in het proces-verbaal der vergadering opgenomen.

4.

Indien een lid van de definitieve commissie zijne benoeming niet aanneemt, bedankt of overlijdt, voorziet de rechter-commissaris in de daardoor ontstane vacature.

Artikel 72

De commissie is bevoegd om te allen tijde raadpleging te vorderen van het op het faillissement betrekking hebbende boeken, bescheiden en andere gegevevensdragers. De curator is verplicht aan de commissie alle van hem verlangde inlichtingen te verstrekken.

Artikel 73

Tot het inwinnen van het advies der commissie vergadert de curator met haar, zoo dikwijls hij het noodig acht. In deze vergaderingen zit hij voor en voert hij de pen.

Artikel 74
1.

De curator is verplicht het advies der commissie in te winnen, alvorens een rechtsvordering in te stellen of eene aanhangige voort te zetten of zich tegen eene ingestelde of aanhangige rechtsvordering te verdedigen, behalve waar het geldt verificatiegeschillen; omtrent het al of niet voortzetten van het bedrijf des gefailleerden; alsmede in de gevallen van de artikelen 33, 35, 36 en 54 tweede lid, 69 tweede lid, 95, 96, 169 derde en laatste lid, en in het algemeen omtrent de wijze van vereffening en tegeldemaking van den boedel en het tijdstip en het bedrag van de te houden uitdeelingen.

2.

Dit advies wordt niet vereischt, wanneer de curator de commissie tot het uitbrengen daarvan, met inachtneming van een bekwamen termijn, ter vergadering heeft opgeroepen en een advies niet wordt uitgebracht.

Artikel 75

De curator is niet gebonden aan het advies der commissie. Zoo hij zich daarmede niet vereenigt, geeft hij hiervan onmiddellijk kennis aan de commissie, welke de beslissing van den rechter-commissaris kan inroepen. Zoo zij verklaart, dit te doen, is de curator verplicht de uitvoering van de voorgenomen, met het advies der commissie strijdige handeling, gedurende drie dagen op te schorten.

4. Van de vergaderingen van schuldeischers

Artikel 76
1.

In de vergaderingen van schuldeischers is de rechter-commissaris voorzitter.

2.

De tegenwoordigheid van den curator of van iemand, die hem met goedvinden van den rechter-commissaris vervangt, is verplicht.

Artikel 77
1.

In de vergaderingen van schuldeischers worden de besluiten genomen met volstrekte meerderheid van stemmen van de aanwezige schuldeischers.

2.

Voor elke honderd US dollar brengt ieder schuldeischers ééne stem uit. Voor vorderingen of overschietende gedeelten van vorderingen, beneden honderd gulden, wordt mede ééne stem uitgebracht.

3.

Splitsing van vorderingen na de faillietverklaring gedaan, doet stemrecht niet verwerven.

Artikel 79

Ten behoeve van de schuldeischers, die zich op eene vergadering hebben doen vertegenwoordigen, worden alle oproepingen voor latere vergaderingen en alle kennisgevingen aan den gemachtigde gedaan, ten ware zij den curator schriftelijk verzoeken, dat die oproepingen en kennisgevingen aan hen zelve of aan een anderen gemachtigde geschieden.

Artikel 80
1.

Behalve de door dit besluit voorgeschreven vergaderingen, wordt er eene vergadering van schuldeischers gehouden zoo dikwijls de rechter-commissaris dit noodig oordeelt of hem daartoe door de commissie uit de schuldeischers of door ten minste vijf schuldeischers, vertegenwoordigende één vijfde deel van de erkende en de voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen, een met redenen omkleed verzoek wordt gedaan.

2.

In elk geval bepaalt de rechter-commissaris dag, uur en plaats voor de vergadering; waartoe de curator de stemgerechtigde schuldeischers ten minste ééne maand van te voren oproept bij advertentie in het nieuwsblad, bedoeld in artikel 11, en bij brieven, beide vermeldende het in de vergadering te behandelen onderwerp.

5. Van de rechterlijke beschikkingen

Artikel 81

Alle beschikkingen in zaken, het beheer of de vereffening van den faillieten boedel betreffende, zijn uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, tenzij het tegendeel bepaald is.

afdeeling Vierde. Van de voorzieningen na de faillietverklaring en van het beheer van den curator

Artikel 82
1.

Bij het vonnis van faillietverklaring kan de rechter in eersten aanleg, of te allen tijde daarna, doch in het laatste geval niet dan op verzoek van den curator of van één of meer der schuldeischers, kan de rechter-commissaris bevelen, dat de gefailleerde wegens het niet nakomen van verplichtingen welke de wet hem in verband met zijn faillissement oplegt, dan wel wegens gegronde vrees voor het niet nakomen van zodanige verplichtingen, in verzekerde bewaring worde gesteld, hetzij in een huis van bewaring, hetzij in zijn eigene woning onder het opzicht van een dienaar van de openbare macht.

2.

Het Openbaar Ministerie legt het bevel hiertoe ten uitvoer.

3.

Dit bevel is voor niet langer dan voor dertig dagen geldig, gerekend van den dag, waarop het ten uitvoer is gelegd. Aan het einde van dien termijn kan de rechter-commissaris op een verzoek als in het eerste lid bedoeld, het bevel voor ten hoogste dertig dagen verlengen. Daarna kan hetzelfde telkens op dezelfde wijze voor ten hoogste dertig dagen geschieden.

Artikel 83
1.

De rechter-commissaris heeft de bevoegdheid, op verzoek van den gefailleerde, dezen uit de verzekerde bewaring te ontslaan, met of zonder zekerheidsstelling, dat hij te allen tijde op de eerste oproeping zal verschijnen.

2.

Het bedrag van de zekerheidstelling wordt door den rechter-commissaris bepaald en komt bij niet-verschijning van den gefailleerde ten voordeele van den boedel.

Artikel 84

[vervallen]

Artikel 85
1.

In alle gevallen, waarin de tegenwoordigheid van den gefailleerde bij deze of gene bepaalde werkzaamheid, den boedel betreffende, vereischt wordt, kan hij, zoo hij zich in verzekerde bewaring bevindt, op last van den rechter-commissaris uit de bewaarplaats worden overgebracht.

2.

Het Openbaar Ministerie legt de last hiertoe ten uitvoer.

Artikel 86

Gedurende het faillissement mag de gefailleerde zonder toestemming van den rechter-commissaris zijne woonplaats niet verlaten.

Artikel 87

De curator zorgt, dadelijk na de aanvaarding van zijne betrekking, door alle noodige en gepaste middelen voor de bewaring van den boedel. Hij neemt onmiddellijk de bescheiden en andere gegevensdragers, gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde tegen ontvangbewijs onder zich. Hij is bevoegd de gelden aan den ontvanger voor de gerechtelijke consignatiën in bewaring te geven.

Artikel 88
1.

De curator doet, zoo hij of de rechter-commissaris dit noodig acht, dadelijk den boedel verzegelen door een notaris.

2.

Buiten de verzegeling blijven, doch worden in het proces-verbaal kortelijk beschreven, de goederen vermeld in de artikelen 18 eerste lid, onder 1e., en 87, alsmede de voorwerpen tot het bedrijf van den gefailleerde vereischt, indien dit wordt voortgezet.

Artikel 89

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)