Faillissementswet BES
De termijn, bedoeld in het vorige lid, kan door den rechter in eersten aanleg worden verlengd.
Artikel 218
Gedurende de surséance is de schuldenaar onbevoegd eenige daad van beheer of beschikking betreffende den boedel te verrichten zonder medewerking machtiging of bijstand van de bewindvoerders. Indien de schuldenaar in strijd daarmede gehandeld heeft, zijn de bewindvoerders bevoegd alles te doen, wat vereischt wordt, om den boedel te dier zake schadeloos te houden.
Voor verbintenissen van den schuldenaar, zonder medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerders na den aanvang der surséance ontstaan, is de boedel niet aansprakelijk, dan voorzooverre deze tengevolge daarvan is gebaat.
Artikel 219
Indien de schuldenaar in eenige gemeenschap gehuwd is, worden onder den boedel de baten en lasten van die gemeenschap begrepen.
De artikelen 57 en 58 vinden overeenkomstige toepassing.
Artikel 220
Gedurende de surséance kan de schuldenaar niet tot betaling van zijn in artikel 223 bedoelde schulden worden genoodzaakt en blijven alle tot verhaal van die schulden aangevangen executies geschorst.
De gelegde beslagen vervallen en de schuldenaar die zich in gijzeling bevindt, wordt daaruit ontslagen, zodra de uitspraak, houdende definitieve verlening der surséance of homologatie van het akkoord, in kracht van gewijsde is gegaan, beide tenzij de rechter in eerste aanleg op verzoek van de bewindvoerders reeds een vroeger tijdstip daarvoor heeft bepaald. De inschrijving van een desbetreffende, op verzoek van de bewindvoerders af te geven, verklaring van de rechter in eerste aanleg machtigt de bewaarder van de openbare registers tot doorhaling.
Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing ten aanzien van executies en beslagen ten behoeve van vorderingen waaraan voorrang is verbonden, voor zover het de goederen betreft, waarop de voorrang rust.
Ter zake van schulden waarvoor het eerste lid geldt, is artikel 32 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 221
De surséance stuit den loop niet van reeds aanhangige rechtsvorderingen, noch belet het aanleggen van nieuwe.
Indien niettemin de rechtsgedingen blootelijk betreffen de vordering van betaling eener schuld, door den schuldenaar erkend, en de aanlegger geen belang heeft om vonnis te verkrijgen, teneinde rechten tegen derden te doen gelden, is de rechter bevoegd, na van de erkenning der schuld akte te hebben verleend, het uitspreken van het vonnis op te schorten tot na het einde der surséance.
De schuldenaar kan, voor zooveel betreft rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot den boedel behoorende ten onderwerp hebben, noch eischende, noch verwerende in rechte optreden, zonder medewerking der bewindvoerders.
Artikel 222
De surséance werkt niet ten aanzien van:
- 1°. vorderingen waaraan voorrang is verbonden, behoudens voor zover zij niet verhaald kunnen worden op de goederen waarop de voorrang rust;
- 2°. vorderingen wegens kosten van levensonderhoud of van verzorging en opvoeding, verschuldigd krachtens de wet en vastgesteld bij overeenkomst of rechterlijke uitspraak, behoudens voor zover het gaat om vóór de aanvang der surséance vervallen termijnen, waarvan het gerecht in eerste aanleg het bedrag heeft vastgesteld, waarvoor de surséance werkt;
- 3°. termijnen van huurkoop.
Artikel 223
De betaling van alle andere schulden, bestaande vóór den aanvang der surséance, kan, zoolang de surséance duurt, niet anders plaats hebben dan aan alle schuldeischers gezamenlijk, in evenredigheid hunner vorderingen.
Artikel 224
Degene die zowel schuldenaar als schuldeiser van de boedel is, kan zijn schuld met zijn vordering op de boedel verrekenen, indien beide zijn ontstaan vóór de aanvang van de surséance of voortvloeien uit een handeling, vóór de aanvang van de surséance met de schuldenaar verricht.
De vordering op de schuldenaar wordt, zo nodig, berekend naar de regels, in de artikelen 125 en 126 gesteld.
Van de zijde van de boedel kan geen beroep gedaan worden op artikel 136 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES.
Artikel 225
Niettemin is degene die een schuld aan de boedel of een vordering op de boedel vóór de aanvang van de surséance van een derde heeft overgenomen, niet bevoegd tot verrekening, indien hij bij de overneming niet te goeder trouw heeft gehandeld.
Na de aanvang van de surséance overgenomen vorderingen of schulden kunnen niet worden verrekend.
De artikelen 51 en 52 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 226
Indien een wederkerige overeenkomst bij de aanvang van de surséance zowel door de schuldenaar als door zijn wederpartij in het geheel niet of slechts gedeeltelijk is nagekomen en de schuldenaar en de bewindvoerder zich niet binnen een hun daartoe schriftelijk door de wederpartij gestelde redelijke termijn bereid verklaren de overeenkomst gestand te doen, verliezen zij het recht hunnerzijds nakoming van de overeenkomst te vorderen.
Indien de schuldenaar en de bewindvoerder zich wel tot nakoming van de overeenkomst bereid verklaren, stellen zij, desverlangd, voor deze nakoming zekerheid.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op overeenkomsten waarbij de schuldenaar slechts verbintenissen op zich heeft genomen tot door hem persoonlijk te verrichten handelingen.
Artikel 226a
Voor vorderingen die de wederpartij uit hoofde van ontbinding of vernietiging van een vóór de aanvang van de surséance met de schuldenaar gesloten overeenkomst op deze heeft verkregen, of die strekken tot schadevergoeding ter zake van tekortschieten in de nakoming van een vóór de aanvang van de surséance op deze verkregen vordering, kan zij opkomen op de voet, in artikel 223 bepaald.
Artikel 227
Indien in het geval van artikel 226, de levering van waren, die ter beurze op termijn worden verhandeld, bedongen is tegen een vastgesteld tijdstip of binnen een bepaalden termijn, en dit tijdstip invalt of die termijn verstrijkt na den aanvang der surséance, wordt de overeenkomst door de voorloopige verleening van surséance, ontbonden en kan de wederpartij van den schuldenaar zonder meer voor schadevergoeding opkomen op den voet, in artikel 223 bepaald. Lijdt de boedel door de ontbinding schade dan is de wederpartij verplicht deze te vergoeden.
Artikel 227a
Zodra de surséance een aanvang heeft genomen, kan zoowel de schuldenaar, die huurkooper is, als de verkooper den huurkoop ontbonden verklaren.
Deze ontbinding heeft dezelfde gevolgen als ontbinding der overeenkomst wegens het niet nakomen door den kooper van zijne verplichtingen.
De verkooper kan voor het hem verschuldigde bedrag opkomen op den voet als in artikel 223 bepaald.
Artikel 228
Zoodra de surséance een aanvang heeft genomen, kan de schuldenaar, die huurder is, met inachtneming van het bij artikel 218bepaalde, de huur tusschentijds doen eindigen, mits de opzegging geschiede tegen een tijdstip, waarop dergelijke overeenkomsten naar plaatselijk gebruik eindigen. Bovendien moet bij de opzegging de daarvoor overeengekomen of gebruikelijke termijn in acht genomen worden, met dien verstande echter, dat een termijn van drie maanden in elk geval voldoende zal zijn. Zijn de huurpenningen vooruit betaald, dan kan de huur niet eerder worden opgezegd dan tegen den dag, waarop de termijn, waarvoor vooruitbetaling heeft plaats gehad, eindigt.
Van den aanvang der surséance af is, de huurprijs boedelschuld.
Artikel 229
Zodra de surséance een aanvang heeft genomen, kan de schuldenaar, met inachtneming van het bij artikel 218 bepaalde, aan arbeiders in zijn dienst, de dienstbetrekking opzeggen, met inachtneming van de overeengekomen of wettelijke termijnen, met dien verstande echter, dat in elk geval de dienstbetrekking kan worden geëindigd door opzegging met een termijn van zes weken of, indien de termijn, omschreven in artikel 1615 j, eerste lid van Boek 7A, van het Burgerlijk wetboek BES langer is dan zes weken, met inachtneming van die termijn.
Zodra de surséance een aanvang heeft genomen, behoeft bij opzegging der dienstbetrekking door arbeiders in dienst van de schuldenaar het bepaalde in artikel 1615 j, eerste lid van Boek 7A, van het Burgerlijk wetboek BES niet in acht te worden genomen. Van de aanvang der surséance af zijn het loon en de met de arbeidsovereenkomst samenhangende premieschulden boedelschuld.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op agentuurovereenkomsten.
Artikel 230
Voldoening nadat de surséance voorloopig is verleend doch vóór de bekendmaking daarvan aan de schuldenaar gedaan, ter vervulling van verbintenissen jegens dezen vóórdien ontstaan, bevrijdt hem, die haar deed, tegenover den boedel, zoolang zijne bekendheid met de voorloopige verleening van de surséance niet bewezen wordt.
Voldoening, als in het vorig lid bedoeld, na de bekendmaking aan de schuldenaar gedaan, bevrijdt tegenover den boedel alleen dan, wanneer hij, die haar deed, bewijst, dat de voorloopige verleening van de surséance te zijner woonplaats langs den weg der wettelijke aankondiging nog niet bekend kon zijn, behoudens het recht van bewindvoerders om aan te toonen, dat zij hem toch bekend was.
In elk geval bevrijdt voldoening aan den schuldenaar hem, die haar deed, tegenover den boedel, voor zooverre hetgeen door hem voldaan werd ten bate van den boedel is gekomen.
Artikel 231
De surséance werkt niet ten voordeele van borgen en andere medeschuldenaren.
Artikel 231a
De rechter in eerste aanleg kan op verzoek van de schuldenaar of de bewindvoerder bepalen dat elke bevoegdheid van derden tot verhaal op tot de boedel behorende goederen of tot opeising van goederen die zich in de macht van de schuldenaar bevinden, voor een periode van ten hoogste één maand niet kan worden uitgeoefend dan met zijn machtiging. De rechter in eerste aanleg kan die periode éénmaal voor ten hoogste één maand verlengen.
De rechter in eerste aanleg kan zijn beschikking beperken tot bepaalde derden en daaraan voorwaarden verbinden. De rechter in eerste aanleg kan voorwaarden verbinden aan een door hem gegeven machtiging van een derde tot uitoefening van een aan deze toekomende bevoegdheid.
Gedurende de in het eerste lid bedoelde perioden lopen aan of door de derden ter zake van hun bevoegdheid gestelde termijnen voort, voor zover dit redelijkerwijze noodzakelijk is om de derde dan wel de schuldenaar en de bewindvoerder in staat te stellen na afloop van de periode hun standpunt te bepalen. De wederpartij kan hun daartoe opnieuw een redelijke termijn stellen.
Artikel 232
Nadat de surséance is verleend, kan zij, op verzoek van de bewindvoerders, van één of meer der schuldeischers of ook ambtshalve door den rechter in eersten aanleg worden ingetrokken:
- 1°. indien de schuldenaar zich, gedurende den loop der surséance, aan kwade trouw in het beheer van den boedel schuldig maakt;
- 2°. indien hij zijne schuldeischers tracht te benadeelen;
- 3°. indien hij handelt in strijd met artikel 218, eerste lid;
- 4°. indien hij nalaat te doen, wat in de bepalingen, bij het verleenen der surséance of later gesteld, aan hem is opgelegd of wat naar het oordeel der bewindvoerders door hem in het belang des boedels moet worden gedaan;
- 5°. indien, hangende de surséance, de staat des boedels zoodanig blijkt te zijn, dat handhaving der surséance niet langer wenschelijk is of het vooruitzicht, dat de schuldenaar na verloop van tijd zijne schuldeischers zal kunnen bevredigen blijkt niet te bestaan.
In de gevallen, vermeld onder 1e. en 5e., zijn de bewindvoerders verplicht de intrekking te vragen.
De verzoeker, de schuldenaar en de bewindvoerders worden gehoord of behoorlijk opgeroepen. De oproeping geschiedt door den griffier tegen een door den rechter in eersten aanleg te bepalen dag. De beschikking is met redenen omkleed.
Indien op grond van dit artikel de surséance wordt ingetrokken, kan bij dezelfde beschikking de faillietverklaring van de schuldenaar worden uitgesproken. Wordt het faillissement niet uitgesproken, dan blijft de surséance gehandhaafd tot de beschikking van den rechter in eersten aanleg in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 233
Gedurende acht dagen na den dag der beschikking heeft, in geval van intrekking der surséance geweigerd is, hij, die het verzoek tot intrekking heeft gedaan, recht van hooger beroep tegen de beschikking van den rechter in eersten aanleg.
Het hooger beroep wordt ingesteld door indiening van eene memorie ter griffie van het gerecht in eerste aanleg, in het openbaar lichaam, waar de surséance is ingetrokken of de intrekking daarvan geweigerd is.
De griffier geeft hiervan ten spoedigste aan hen, die het verzoek tot intrekking hebben gedaan, den schuldenaar en de bewindvoerders schriftelijk kennis en zendt de terzake betrekkelijke stukken, waaronder een afschrift van de beschikking waarvan beroep, zoo spoedig mogelijk aan het Hof van Justitie.
Artikel 211 vindt overeenkomstige toepassing.
De beschikking van het Hof wordt door den griffier terstond medegedeeld aan de griffie van het gerecht in eerste aanleg, in het openbaar lichaam bedoeld in het tweede lid.
Artikel 234
Zoodra eene beschikking, waarbij de surséance is ingetrokken, in kracht van gewijsde is gegaan, wordt zij aangekondigd, gelijk is voorgeschreven in artikel 207.
Artikel 235
Indien de rechter in eersten aanleg van oordeel is, dat de behandeling van het verzoek tot intrekking van de surséance niet zal zijn beeindigd vóór den dag, waarop de schuldeischers krachtens artikel 206, tweede lid, worden gehoord, gelast hij, dat de griffier den schuldeischers bij brieven zal mededeelen, dat dit verhoor op dien dag niet zal worden gehouden.
Zoo noodig bepaalt hij later den dag waarop dit verhoor alsnog zal plaats vinden; de schuldeischers worden door den griffier bij brieven opgeroepen.
Artikel 236
De schuldenaar is steeds bevoegd aan den rechter in eersten aanleg de intrekking van de surséance te verzoeken, op grond dat de toestand des boedels hem weder in staat stelt zijne betalingen te hervatten. De bewindvoerders en, indien het ene definitief verleende surséance betreft, de schuldeischers worden gehoord of behoorlijk opgeroepen.
Deze oproeping geschiedt bij brieven door den griffier tegen een door den rechter in eersten aanleg te bepalen dag.
Artikel 237
Gedurende eene surséance kan faillietverklaring niet rauwelijks worden gevorderd.
Indien ingevolge eene der bepalingen van dezen titel eene faillietverklaring uitgesproken wordt, vindt artikel 11 overeenkomstige toepassing; wordt ingevolge die bepalingen een faillissement vernietigd, dan vinden de artikelen 10 en 12 overeenkomstige toepassing.
Artikel 238
Indien de faillietverklaring wordt uitgesproken ingevolge eene der bepalingen van dezen titel of wel binnen ééne maand na het einde der surséance, gelden de volgende regelen:
- 1°. het tijdstip, waarop de termijnen, in de artikelen 39 en 41 vermeld, aanvangen, wordt berekend van den aanvang der surséance af;
- 2°. de curator oefent de bevoegdheid uit, in het eerste lid van artikel 218 aan de bewindvoerders toegekend;
- 3°. handelingen, door den schuldenaar met medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerders verricht, worden beschouwd als handelingen van den curator en boedelschulden, gedurende de surséance ontstaan, zullen ook in het faillissement als boedelschulden gelden;
- 4°. de boedel is niet aansprakelijk voor verbintenissen van den schuldenaar, zonder medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerders gedurende de surséance ontstaan, dan voor zooverre deze ten gevolge daarvan gebaat is.
Is opnieuw surséance verzocht, binnen eene maand na afloop van eene vroeger verleende, dan geldt hetgeen in het eerste lid is bepaald mede voor het tijdvak der eerstvolgende surséance.
Artikel 239
Het loon van de deskundigen, benoemd ingevolge de bepaling van artikel 216, en van de bewindvoerders wordt bepaald door den rechter in eersten aanleg en bij voorrang voldaan.
Dit laatste is ook van toepassing op hunne verschotten en op die, door den griffier ten gevolge van de bepalingen van dezen titel gedaan.
Artikel 240
De bepalingen van internationaal recht van de artikelen 195–197 vinden bij surséance overeenkomstige toepassing.
afdeeling Tweede. Van het akkoord
Artikel 241
De schuldenaar is bevoegd bij of na het verzoek tot surséance aan hen, die vorderingen hebben, ten aanzien waarvan de surséance werkt, een akkoord aan te bieden.
Artikel 242
Het ontwerp van akkoord wordt, indien het niet ingevolge artikel 206 ter griffie van het gerecht in eersten aanleg berust, aldaar nedergelegd ter kostelooze inzage van een ieder.
Een afschrift moet zoodra mogelijk aan de bewindvoerders en de deskundigen worden toegezonden.
Artikel 243
Het ontwerp van akkoord vervalt, indien, voordat het vonnis van homologatie van het akkoord in kracht van gewijsde is gegaan, eene rechtelijke beslissing houdende beëindiging der surséance in kracht van gewijsde gaat.
Artikel 244
Indien het ontwerp van akkoord tegelijk met het verzoekschrift tot verleening van surséance ter griffie is nedergelegd, kan de rechter in eersten aanleg, bewindvoerders gehoord, gelasten, dat de in artikel 209 bedoelde behandeling van het verzoek niet zal plaats hebben, in welk geval hij tevens zal vaststellen:
- 1°. den dag, waarop uiterlijk de schuldvorderingen, ten aanzien waarvan de surséance werkt, bij de bewindvoerders moeten worden ingediend;
- 2°. dag en uur, waarop over het aangeboden akkoord zal worden geraadpleegd en beslist.
Tusschen de dagen, onder 1e en 2e vermeld, moeten tenminste veertien dagen verloopen.
Indien de rechter in eersten aanleg van deze bevoegdheid geen gebruik maakt of het ontwerp van akkoord niet tegelijk met het verzoekschrift tot het verleenen van surséance ter griffie is nedergelegd, zal hij, bewindvoerders gehoord, de dagen en uren, in het eerste lid bedoeld, vaststellen zoodra de beschikking, waarbij de surséance definitief is verleend, kracht van gewijsde heeft gekregen of, indien het ontwerp van akkoord eerst daarna ter griffie is nedergelegd, dadelijk na die nederlegging.
Artikel 245
De bewindvoerders doen dadelijk zoowel van de in het vorige artikel bedoelde beschikking als van de nederlegging ter griffie van het ontwerp van akkoord – tenzij deze reeds ingevolge artikel 207 is bekend gemaakt – aankondiging in de Staatscourant.
Zij geven tevens van een en ander bij brieven kennis aan alle bekende schuldeischers. Daarbij wordt op het bepaalde bij artikel 246, tweede lid, gewezen.
De schuldeischers kunnen verschijnen in persoon of bij schriftelijk gemachtigde. De volmacht is vrij van zegel en van de formaliteit van registratie.
De bewindvoerders kunnen vorderen, dat de schuldenaar hun een door hen te bepalen bedrag ter bestrijding van de kosten dezer aankondigingen en kennisgevingen vooraf ter hand stelt.
Artikel 246
De indiening der schuldvorderingen geschiedt bij de bewindvoerders door de overlegging eener rekening of andere schriftelijke verklaring, aangevende den aard en het bedrag der vordering, vergezeld van de bewijsstukken of een afschrift daarvan.
Vorderingen ten aanzien waarvan de surséance niet werkt, komen voor indiening niet in aanmerking. Heeft nochtans indiening plaats gehad, dan werkt de surséance ook ten aanzien van die vorderingen en gaat een aan de vordering verbonden voorrecht, retentierecht, pandrecht of hypotheek verloren. Een en ander geldt niet, voor zover de vordering vóór de aanvang der stemming wordt teruggenomen.
De schuldeischers zijn bevoegd van de bewindvoerders een ontvangstbewijs te vorderen.
Artikel 247
De bewindvoerders toetsen de ingezonden rekeningen aan de administratie en opgaven van den schuldenaar, treden, als zij tegen de toelating eener vordering bezwaar hebben, met den schuldeischer in overleg, en zijn bevoegd van dezen overlegging van ontbrekende stukken alsook raadpleging van zijn administratie en van de oorspronkelijke bewijsstukken te vorderen.
Artikel 248
De bewindvoerders brengen de bij hen ingediende vorderingen op eene lijst, vermeldende de namen en woonplaatsen der schuldeischers, het bedrag en de omschrijving der vorderingen, alsmede of en in hoever de bewindvoerders die vorderingen erkennen of betwisten.
Artikel 249
Eene rentedragende vordering wordt op de lijst gebracht met bijrekening der rente tot den aanvang der surséance.
De artikelen 125, 128–130 en 131, eerste en tweede lid, vinden overeenkomstige toepassing.
Artikel 250
Eene vordering onder eene opschortende voorwaarde kan op de lijst gebracht worden voor hare waarde bij den aanvang der surséance.
Indien de bewindvoerders en de schuldeischers het niet eens kunnen worden over deze waardebepaling, wordt zoodanige vordering voor het volle bedrag voorwaardelijk toegelaten.
Artikel 251
Eene vordering, waarvan het tijdstip der opeischbaarheid onzeker is, of welke recht geeft op periodieke uitkeeringen, wordt op de lijst gebracht voor hare waarde bij den aanvang der surséance.
Alle schuldvorderingen, vervallende binnen één jaar na den aanvang der surséance, worden behandeld, alsof zij op dat tijdstip opeischbaar waren. Alle later dan één jaar daarna vervallende schuldvorderingen worden op de lijst gebracht voor de waarde, die zij hebben na verloop van een jaar na dat tijdstip.
Bij de berekening wordt uitsluitend gelet op het tijdstip en de wijze van aflossing, het kansgenot, waar dit bestaat, en, indien de vordering rentedragend is, op den bedongen rentevoet.
Artikel 252
Van de in artikel 248 bedoelde lijst wordt een afschrift door de bewindvoerders ter griffie van het gerecht in eersten aanleg nedergelegd, om aldaar gedurende de zeven dagen voorafgaande aan de vergadering, in artikel 244 bedoeld, kosteloos ter inzage te liggen voor een ieder.
De nederlegging geschiedt kosteloos.
Artikel 253
De rechter in eersten aanleg kan, op verzoek van de bewindvoerders of ambtshalve, de raadpleging en stemming over het akkoord tot een lateren dag uitstellen.
Artikel 245 vindt alsdan overeenkomstige toepassing.
Artikel 254
Ter vergadering brengen zoowel de bewindvoerders als de deskundigen, zoo die er zijn, schriftelijk verslag uit over het aangeboden akkoord. Artikel 139 vindt overeenkomstige toepassing.
Vorderingen, na afloop van den in artikel 244, 1e., genoemden termijn, doch uiterlijk twee dagen vóór den dag, waarop de vergadering zal worden gehouden, bij de bewindvoerders ingediend, worden op daartoe ter vergadering gedaan verzoek op de lijst geplaatst, indien noch de bewindvoerders, noch een der aanwezige schuldeischers daartegen bezwaar maken.
Vorderingen, daarna ingediend, worden niet op de lijst geplaatst.
De bepalingen van de twee voorgaande leden zijn niet toepasselijk, indien de schuldeischer buiten Bonaire, Sint Eustatius of Saba woont en daardoor verhinderd was zich eerder aan te melden.
In geval van bezwaar, als in het tweede lid bedoeld, of van geschil over het al of niet aanwezig zijn der verhindering, in het vierde lid bedoeld, beslist de rechter in eersten aanleg, na de vergadering te hebben geraadpleegd.
Artikel 255
De bewindvoerders zijn bevoegd ter vergadering op elke door hen gedane erkenning of betwisting terug te komen.
Zoowel de schuldenaar als ieder verschenen schuldeischer kan eene door de bewindvoerders geheel of gedeeltelijk erkende vordering betwisten.
Betwistingen of erkenningen, op de vergadering gedaan, worden op de lijst aangeteekend.
Artikel 256
De rechter in eersten aanleg bepaalt of en tot welk bedrag de schuldeischers, wier vorderingen betwist zijn, tot de stemming zullen worden toegelaten.
Artikel 257
Tot het aannemen van het akkoord wordt vereischt de toestemming van twee derde der erkende en der toegelaten schuldeischers, welke drie vierde van het bedrag der erkende en der toegelaten schuldvorderingen vertegenwoordigen. Geen toestemming is vereist van een erkende of toegelaten schuldeiser, voor zover zijn schuldvordering is gegrond op een verbeurde dwangsom.
De artikelen 141 en 142 vinden overeenkomstige toepassing.
Artikel 258
Het proces-verbaal van het verhandelde vermeldt den inhoud van het akkoord, de namen der verschenen stemgerechtigde schuldeischers, de door ieder hunner uitgebrachte stem, den uitslag der stemming en al wat verder is voorgevallen. De door bewindvoerders opgemaakte lijst van schuldeischers, zooals zij tijdens de raadpleging is aangevuld of gewijzigd, wordt, door den rechter in eersten aanleg en den griffier gewaarmerkt, aan het proces-verbaal gehecht.
Gedurende acht dagen kan een ieder ter griffie kosteloos inzage van het proces-verbaal verkrijgen.
Artikel 259
Zoowel de schuldeischers, die vóór gestemd hebben, als de schuldenaar kunnen gedurende acht dagen na afloop der stemming aan het Hof van Justitie verbetering van het proces-verbaal verzoeken, indien uit de stukken zelve blijkt, dat het akkoord door den rechter in eersten aanleg ten onrechte als verworpen is beschouwd.
Indien het Hof het proces-verbaal verbetert, bepaalt het bij zijne beschikking den dag, waarop de rechter in eersten aanleg de homologatie zal behandelen, welke dag gesteld wordt op niet vroeger dan acht en niet later dan veertien dagen na de beschikking. Van deze beschikking geven de bewindvoerders schriftelijk kennis aan de schuldeischers. Deze beschikking brengt van rechtswege vernietiging mede van een ingevolge artikel 266 uitgesproken faillissement.
Artikel 260
Indien het akkoord is aangenomen, kunnen zoowel de bewindvoerders als elke schuldeischer de gronden uiteenzetten, waarop zij de homologatie wenschen of haar bestrijden.
Artikel 147, tweede lid, vindt overeenkomstige toepassing.
De rechter in eersten aanleg kan bepalen, dat de behandeling der homologatie op een lateren, terstond door hem vast te stellen, dag zal plaats vinden.
Artikel 261
De rechter in eerste aanleg geeft zoo spoedig mogelijk zijne met redenen omkleede beschikking.
Hij weigert de homologatie:
- 1°. indien de baten van de boedel de bij het akkoord bedongen som te boven gaan;
- 2°. indien de nakoming van het akkoord niet voldoende is gewaarborgd;
- 3°. indien het akkoord door bedrog, door begunstiging van één of meer schuldeischers of met behulp van andere oneerlijke middelen is tot stand gekomen, onverschillig of de schuldenaar dan wel een ander daartoe heeft medegewerkt;
- 4°. indien het loon en de verschotten van de deskundigen en de bewindvoerders niet in handen van de bewindvoerders zijn gestort of daarvoor zekerheid is gesteld.
Hij mag ook op andere gronden en ook ambtshalve de homologatie weigeren.
De rechter in eersten aanleg, de homologatie weigerende, kan bij dezelfde beschikking den schuldenaar in staat van faillissement verklaren. Wordt het faillissement niet uitgesproken, dan eindigt de surséance zoodra de beschikking, waarbij de homologatie geweigerd is, in kracht van gewijsde is gegaan.
De artikelen 148a, 148b en 152 vinden overeenkomstige toepassing.
Artikel 262
Het gehomologeerde akkoord is verbindend voor alle schuldeischers te wier aanzien de surséance werkt.
Artikel 263
Het in kracht van gewijsde gegane vonnis van homologatie levert, in verband met het in artikel 258 bedoelde proces-verbaal ten behoeve der door den schuldenaar niet betwiste vorderingen een voor tenuitvoerlegging vatbaren titel op tegen den schuldenaar en de tot het akkoord als borgen toegetreden personen.
Artikel 264
Zoolang niet over het aangeboden akkoord uiteindelijk is beslist, eindigt de surséance niet door verloop van den termijn, waarvoor zij is verleend.
Artikel 265
De surséance neemt een einde zoodra het vonnis van homologatie in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 266
De rechter in eersten aanleg kan, wanneer het akkoord niet wordt aangenomen, den schuldenaar bij vonnis in staat van faillissement verklaren. Wordt het faillissement niet uitgesproken, dan eindigt de surséance zoodra de termijn, in artikel 259 bedoeld, ongebruikt verstreken is of het Hof van Justitie verbetering van het proces-verbaal heeft geweigerd.
Artikel 267
Indien de rechter in eersten aanleg den schuldenaar in staat van faillissement heeft verklaard, heeft deze recht van hooger beroep tegen de faillietverklaring gedurende de acht dagen na den dag, waarop de termijn van artikel 259 ongebruikt verstreken is of het Hof van Justitie de verbetering van het proces-verbaal geweigerd heeft.
Het hooger beroep wordt ingesteld door indiening van eene memorie ter griffie van het betrokken gerecht in eersten aanleg. De griffier handelt vervolgens overeenkomstig het bepaalde in artikel 210.
Artikel 268
Ten aanzien van de ontbinding van het akkoord vinden de artikelen 157 en 158 overeenkomstige toepassing.
Bij het vonnis, waarbij de ontbinding van het akkoord wordt uitgesproken, wordt de schuldenaar tevens in staat van faillissement verklaard.
Artikel 269
In een faillissement, uitgesproken krachtens de artikelen 261, 266 en 268 kan een akkoord niet worden aangeboden.
afdeeling Derde. Slotbepaling
Artikel 270
Tegen de beslissingen van den rechter, ingevolge de bepalingen van dezen titel gegeven, staat geen hoogere voorziening open, behalve in de gevallen, waarin het tegendeel is bepaald.
Algemene slotbepaling
Artikel 271
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen, gesteld in de artikelen 35, 36, 228 en 229.
Boek 1, Titel 10 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES is niet van toepassing op verzoeken ingevolge deze wet.
Artikel 271a
Deze wet wordt aangehaald als: Faillissementswet BES.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)