Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 29 juni 2011, nr. BJZ2011048144, houdende regels met betrekking tot bij de drink- en warm tapwatervoorziening te gebruiken materialen en chemicaliën (Regeling materialen en chemicaliën drink- en warm tapwatervoorziening)
Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties;
Gelet op richtlijn nr. 98/83/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PbEG L 330), beschikking 2002/359/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 13 mei 2002 betreffende de procedure voor de conformiteitsverklaring van de voor de bouw bestemde producten die met voor menselijke consumptie bestemd water in contact komen, overeenkomstig artikel 20, tweede lid, van richtlijn nr. 89/106/EEG van de Raad van de Europese Unie, artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van het Drinkwaterbesluit en artikel 3.107 van het Bouwbesluit 2003;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- besluit: Drinkwaterbesluit;
- commissie: commissie van deskundigen als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van het besluit;
- common approach: gezamenlijke onderzoeksmethoden en beoordelingsmethoden van lidstaten van de Europese Unie voor producten in contact met drinkwater en warm tapwater, zoals bekendgemaakt overeenkomstig artikel 20a;
- compositielijst: overeenkomstig artikel 11, in bijlage B bij deze regeling opgenomen lijst met samenstellende componenten en maximaal toegestane verontreinigingen voor metalen producten;
- conversiefactor: omrekenfactor voor de toetsing van de resultaten van de migratietest;
- drempeldosis: toegediende of ingenomen hoeveelheid van een stof per eenheid lichaamsmassa, uitgedrukt in mg/kg lichaamsgewicht, waarbij nog juist geen nadelige gevolgen voor de gezondheid optreden;
- drink- en warm tapwatervoorziening: de winning, de bereiding, de behandeling, de opslag, het transport en de distributie van drinkwater en warm tapwater;
- erkende certificeringsinstelling: door de Raad voor Accreditatie erkende instelling die bevoegd is tot afgifte van een kwaliteitsverklaring;
- erkende kwaliteitsverklaring: door de Minister overeenkomstig artikel 12 erkende kwaliteitsverklaring als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van het besluit, of artikel 2.14 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, bestaande uit een schriftelijk bewijs, afgegeven door een erkende certificeringsinstelling, waaruit blijkt dat materialen of chemicaliën voldoen aan de op grond van deze regeling gestelde eisen;
- migratietest: onderzoeksmethode voor het afleiden van de migratiesnelheid, opgenomen in bijlage C bij deze regeling;
- migratie: verplaatsing van stoffen vanuit materialen naar te behandelen water of drinkwater of warm tapwater;
- Minister: Minister van Infrastructuur en Milieu;
- MTC (maximaal toelaatbare concentratie): ten hoogste toegestane concentratie van een stof in drinkwater of warm tapwater;
- positieve lijsten: overeenkomstig artikel 11 in bijlage B bij deze regeling opgenomen lijsten van stoffen waarvan de aanwezigheid in producten dan wel het gebruik bij de fabricage hiervan toelaatbaar is onder de daar gestelde voorwaarden;
- product: door de mens vervaardigd object in afgewerkte staat of een bestanddeel daarvan, samengesteld uit materialen of chemicaliën, dat in contact kan komen met te behandelen water of drinkwater of warm tapwater;
- stoffen: chemische elementen en hun verbindingen zoals deze voorkomen in de natuur of door toedoen van de mens tot stand komen;
- subcommissie: groep van deskundigen als bedoeld in artikel 4, derde lid, ter ondersteuning van de commissie;
- QM: maximaal toegestane restgehalte van de stof in het materiaal of product;
- TDI (Tolerable Daily Intake): toelaatbare dagelijkse dosis van een stof;
- TOC (Total Organic Carbon): de totale hoeveelheid organische koolstof in drinkwater of warm tapwater afkomstig uit een product dat met het drinkwater of warm tapwater in contact komt, bepaald met en afgeleid van de in bijlage C bij deze regeling opgenomen bepalingsmethode en migratietesten en waarvoor een maximaal toelaatbare concentratie geldt van 2 mg koolstof per liter drinkwater of warm tapwater als bedoeld in bijlage B bij deze regeling;
- Tijdelijke kwaliteitsverklaring: door de Minister afgegeven verklaring, inhoudende dat een product bestemd voor de bestrijding van legionellabacteriën in drink- en warm tapwaterinstallaties, niet zijnde een biocide in de zin van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, onder de daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen kan worden gebruikt ten behoeve van het bepalen van de werkzaamheid van het product onder praktijkomstandigheden.
Hoofdstuk 2. De commissie
Artikel 2
De commissie bestaat uit ten minste zeven leden en ten hoogste elf leden, de voorzitter daaronder begrepen.
De leden van de commissie worden voor een periode van vier jaar door de Minister benoemd. Deze periode kan ten hoogste twee maal met eenzelfde periode worden verlengd. De benoeming van de leden van de commissie wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
Indien het voor het goed functioneren van de commissie vereist is, kunnen de leden van de commissie door de Minister in hun functie worden geschorst of uit hun functie worden ontslagen.
Artikel 3
De commissie heeft een secretaris. De secretaris is belast met de ondersteuning van de commissie en met het beheer van door de commissie ten behoeve van de uitvoering van haar taken gevormde gegevensbestanden.
De secretaris wordt voor een periode van vier jaar door de Minister benoemd. Die periode kan telkens met een periode van vier jaar worden verlengd. Benoeming en verlenging van de periode worden bekendgemaakt in de Staatscourant.
In bijzondere gevallen kan de secretaris door de Minister in zijn functie worden geschorst en uit zijn functie worden ontslagen.
Artikel 4
De commissie is belast met het adviseren van de Minister omtrent:
- a. met het oog op de bescherming van de gezondheid te stellen eisen aan bij de drink- of warm tapwatervoorziening te gebruiken materialen en chemicaliën;
- b. het onderzoek en de beoordeling van materialen en chemicaliën overeenkomstig de artikelen 6 tot en met 11;
- c. het verlenen van toestemming voor de afgifte van erkende kwaliteitsverklaringen;
- d. de erkenning van een kwaliteitsverklaring;
- e. de gevallen, bedoeld in de artikelen 10 en 20, derde lid, en
- f. het overeenkomstig de richtlijnen, bedoeld in artikel 5, tweede lid, beoordelen van de mate waarin een kwaliteitsverklaring op grond van artikel 16 als gelijkwaardig aan een erkende kwaliteitsverklaring kan worden beschouwd.
Voorts is de commissie belast met:
- a. het overeenkomstig de richtlijnen, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderzoeken en beoordelen van mogelijke nadelige gevolgen voor de volksgezondheid van materialen of chemicaliën voorzover daarvoor geen onderzoeksmethoden en beoordelingsmethoden zijn opgenomen in de bijlagen bij deze regeling, en
- b. het beheer van de bijlagen bij deze regeling.
Bij de uitvoering van de in het eerste en tweede lid genoemde taken kan de commissie zich laten bijstaan door een of meer subcommissies. De benoeming en het ontslag van de leden van een subcommissie worden geregeld in het reglement, bedoeld in artikel 5, eerste lid.
Artikel 5
De commissie stelt bij reglement haar werkwijze vast en de werkwijze van een subcommissie als bedoeld in artikel 4, derde lid. De commissie stelt daarbij regels vast met betrekking tot de vergoeding van gemaakte kosten. Het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies is van toepassing.
De commissie stelt bij het in het eerste lid bedoelde reglement tevens de werkwijze en richtlijnen vast die zij hanteert bij het onderzoek en de beoordeling, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder f, en tweede lid, onder a en b.
De vaststelling van het reglement of een wijziging daarvan behoeft de instemming van de Minister. Na vaststelling of wijziging wordt het reglement bekendgemaakt in de Staatscourant.
Hoofdstuk 3. Onderzoek en eisen aan materialen en chemicaliën
Artikel 6
Materialen, niet zijnde metalen, en chemicaliën voldoen aan de in de artikelen 7 tot en met 9 bedoelde eisen. Met het oog daarop worden materialen, niet zijnde metalen, en chemicaliën, alsmede de stoffen waaruit deze zijn samengesteld dan wel die worden gebruikt in het productieproces ervan, op de in die artikelen aangegeven wijze beoordeeld op mogelijke nadelige gevolgen voor de volksgezondheid.
Indien overeenkomstig de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, voor een stof in het product een MTC dan wel een QM is vastgesteld en de stof bij de drink- of warm tapwatervoorziening in contact kan komen met te behandelen water of drinkwater onderscheidelijk warm tapwater, wordt de migratie van de stof of het restgehalte hiervan in het product bepaald overeenkomstig de in bijlage C bij deze regeling bedoelde methoden, overeenkomstig artikel 8, tweede, derde en vierde lid, voor het vaststellen van de concentratie van de stof in het drinkwater of warm tapwater.
Metalen producten voldoen aan de eisen voor de samenstelling en zuiverheid, bedoeld in onderdeel 3 van bijlage B bij deze regeling, met inachtneming van de categorie waarin het desbetreffende product kan worden ingedeeld. Voldoet een metalen product aan de criteria van de compositielijst bedoeld in onderdeel 3 van bijlage B bij deze regeling, dan is een onderzoek naar de afgifte van stoffen, in overeenstemming met onderdeel 2.8 van bijlage A bij deze regeling, niet vereist.
Indien een metalen product, vallend in productgroep A of B, volgens onderdeel 2.8 van bijlage A bij deze regeling, niet voldoet aan de criteria van de compositielijst van onderdeel 3 van bijlage B bij deze regeling, wordt dit product onderzocht en beoordeeld in overeenstemming met onderdeel 2.8 van bijlage A bij deze regeling.
In aanvulling op het eerste lid dienen cementgebonden producten mede te voldoen aan de in onderdeel 2.9 van bijlage A bij deze regeling bedoelde eisen.
Indien overeenkomstig de beoordeling van cementgebonden producten voor een stof in het cementgebonden product een MTC dan wel QM is vastgesteld en de stof bij de drink- of warm tapwatervoorziening in het te behandelen water of drinkwater onderscheidelijk warm tapwater terecht kan komen, wordt de migratie van de stof of het restgehalte hiervan in het product bepaald overeenkomstig de in bijlage C bedoelde methoden, overeenkomstig artikel 8, tweede, derde en vierde lid, voor het vaststellen van de concentratie van de stof in het drinkwater of warm tapwater.
De beoordeling van een stof, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, is niet vereist voorzover een stof is opgenomen in de positieve lijst, opgenomen in bijlage B, onderdeel 1, bij deze regeling.
Voor de beoordeling van de stoffen, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, en de producten, genoemd in het vijfde lid, die niet genoemd zijn in het relevante onderdeel van de common approach, genoemd in bijlage B, hoofdstuk 1, worden de gegevens overgelegd, vermeld in deel A, onderdeel 2.4, van de common approach voor organische materialen.
Artikel 7
De stoffen waaruit materialen, niet zijnde metalen, en chemicaliën zijn samengesteld dan wel die zijn gebruikt in het productieproces ervan, dragen, met uitzondering van acrylamide, vinylchloride en epichloorhydrine, tot maximaal 10% van de parameterwaarden, genoemd in tabel II van bijlage A, behorend bij het besluit, bij aan de concentratie van die stoffen in drinkwater of warm tapwater of het te behandelen water. Acrylamide, vinylchloride en epichloorhydrine dragen tot maximaal 100% van de parameterwaarden, genoemd in tabel II van bijlage A, behorend bij het besluit, bij aan de concentratie van die stoffen in drinkwater of warm tapwater of het te behandelen water.
Voor stoffen als bedoeld in het eerste lid met een drempeldosis, die niet zijn opgenomen in tabel II van bijlage A, behorend bij het besluit, wordt een MTC in drinkwater of warm tapwater vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in deel A, onderdeel 3, van de common approach voor organische materialen.
Voor stoffen zonder drempeldosis is de migratie uit het product onder redelijkerwijs te verwachten gebruiksomstandigheden kleiner is dan 0,1 µg/l.
Voor stoffen die gebruikt worden voor de fabricage van producten bestemd voor de drink- en warm tapwatervoorziening, maar ook worden toegepast als pesticide, is de maximum waarde van 0,1 µg/l per pesticide niet van toepassing. Voor deze stoffen dient een MTC te worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in deel A, onderdeel 3, van de common approach voor organische materialen.
Voor de samenstellende componenten van metalen producten en de verontreinigingen hierin gelden de eisen, opgenomen in de tabel onder paragraaf 2.8.3.7 van bijlage A bij deze regeling.
Op de samenstellende componenten van metalen producten en de verontreinigingen hierin, niet opgenomen in de tabel van paragraaf 2.8.3.7 van bijlage A bij deze regeling, zijn het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8
Alle materialen kunnen worden onderworpen aan laboratoriumonderzoek, uitgevoerd overeenkomstig bijlage C bij deze regeling, met als doel om na te gaan of aan de eisen van deze regeling wordt voldaan.
Voor materialen, niet zijnde metallische materialen, gelden de volgende eisen:
- a. de verwachte concentratie van de op grond van artikel 7 onderzochte stoffen in drinkwater of warm tapwater, bepaald met de migratietest, na omrekening als bedoeld in deel A, onderdeel 5, van de common approach voor organische materialen, is kleiner dan de migratielimiet;
- b. de TOC, bepaald met de migratietest, na omrekening als bedoeld in deel A, onderdeel 5, van de common approach voor organische materialen, bedraagt ten hoogste 2 mg/l;
- c. QM van een stof in het materiaal, voor zover van toepassing, is kleiner dan de aangegeven limiet; en
- d. de migratiesnelheid neemt gedurende de migratietest niet toe.
Indien voor een stof nog geen geschikte bepalingsmethode beschikbaar is, kan de toelaatbaarheid van de stof beoordeeld worden op grond van de modelberekeningen, genoemd in de hoofdstukken 3 of 4 van bijlage C bij deze regeling.
In plaats van het laboratoriumonderzoek, bedoeld in het eerste lid, kunnen de in het derde lid bedoelde modelberekeningen ook worden toegepast voor het vaststellen van de noodzaak van de in het tweede lid bedoelde migratietest naar stoffen waarvoor wel een bepalingsmethode beschikbaar is, zulks ter beoordeling van de commissie.
De commissie kan bepalen dat in geval van een, volgens de in het derde en vierde lid bedoelde berekeningen te verwachten, overschrijding van de MTC alsnog een migratietest wordt uitgevoerd. De verwachte concentratie, bepaald met de migratietest en de omrekening, bedoeld in deel A, onderdeel 5, van de common approach voor organische materialen, is bindend voor de toelaatbaarheid van het betreffende product.
Artikel 9
Alle chemicaliën kunnen worden onderworpen aan laboratoriumonderzoek, uitgevoerd overeenkomstig bijlage A, onderdeel 3, bij deze regeling, met als doel om na te gaan of aan de eisen van deze regeling wordt voldaan.
Voor chemicaliën zijn de maximaal toelaatbare gehaltes aan verontreinigingen bij een maximale dosering kleiner zijn dan de limieten, bedoeld in artikel 7.
Artikel 10
Het onderzoek en de beoordeling, bedoeld in de artikelen 6 tot en met 9, worden uitgevoerd volgens de laatste stand van de wetenschap en techniek.
De Minister kan nadere aanwijzingen geven over de wijze waarop het onderzoek en de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, worden uitgevoerd.
Artikel 11
Stoffen waarvoor na de beoordeling, bedoeld in de artikelen 6 en 7, een MTC is vastgesteld, worden opgenomen in de positieve lijsten van onderdelen 1 en 2 van bijlage B bij deze regeling. Voorzover de bedoelde beoordeling heeft plaatsgevonden op grond van een aanvraag tot afgifte van een erkende kwaliteitsverklaring wordt een stof niet, dan met toestemming van de aanvrager, opgenomen in de positieve lijsten.
Een metallisch materiaal waarvan na onderzoek en beoordeling als bedoeld in artikel 6, vierde lid, wordt vastgesteld dat dit voldoet aan de artikelen 6 tot en met 9, wordt opgenomen in de compositielijst voor metalen, genoemd in onderdeel 3 van bijlage B bij deze regeling. Voorzover bedoeld onderzoek en beoordeling hebben plaatsgevonden op grond van een aanvraag tot afgifte van een kwaliteitsverklaring, als bedoeld in art. 12, eerste lid, wordt de samenstelling van het desbetreffende metallische materiaal niet dan met toestemming van de aanvrager opgenomen in de compositielijst voor metalen.
Hoofdstuk 4. Erkende kwaliteitsverklaring
Artikel 12
De Minister kan een door een erkende certificeringsinstelling af te geven kwaliteitsverklaring op verzoek van die instelling erkennen, indien die kwaliteitsverklaring en de daarop betrekking hebbende aanvraag voldoen aan de eisen, bedoeld in de artikelen 13 en 14.
Artikel 13
Bij de aanvraag van een kwaliteitsverklaring als bedoeld in artikel 12 worden door de aanvrager ten minste de gegevens overgelegd, vermeld in deel A, paragraaf 2.4, van de common approach voor organische materialen, in een door de erkende certificeringsinstelling gewenste vorm.
De certificeringsinstelling, bedoeld in het eerste lid, zendt terstond na ontvangst van de aanvraag een afschrift daarvan en van de in dat lid bedoelde gegevens aan de commissie.
De bij een aanvraag van een erkende kwaliteitsverklaring overgelegde productgegevens worden vertrouwelijk behandeld.
De Minister beslist op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, ten hoogste na zes maanden na het moment waarop de gegevens, bedoeld in het eerste lid, zijn overgelegd.
Artikel 14
Onverminderd de eisen, bedoeld in de artikelen 6 tot en met 9, beschikt de aanvrager, bedoeld in artikel 13, eerste lid, over een kwaliteitssysteem. Dit systeem omvat ten minste:
- a. een intern kwaliteitsbewakingsschema met een beschrijving van de tot het kwaliteitssysteem behorende keuringen, en
- b. de procedures die voor de afgifte van een erkende kwaliteitsverklaring van belang kunnen zijn, waaronder in elk geval de maatregelen die worden genomen bij gesignaleerde tekortkomingen en de behandeling van klachten over geleverde producten worden begrepen.
In het kwaliteitsbewakingsschema, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden in elk geval de volgende onderdelen opgenomen:
- a. de toegeleverde grondstoffen of de samenstellende materialen;
- b. het productieproces;
- c. de eindproducten;
- d. de status van meet- en beproevingsmiddelen;
- e. de controle op de verwerking van afgekeurde producten;
- f. de controle op producten met afwijkingen;
- g. het intern transport, de opslag en de identificatie- of merktekens van de half- en eindproducten.
Met betrekking tot de in het tweede lid genoemde onderdelen legt de aanvrager van een kwaliteitsverklaring het volgende schriftelijk vast:
- a. de te controleren aspecten van het productieproces, waartoe ten minste behoren de zuiverheid van de te gebruiken grond- en hulpstoffen, de temperatuur, menging en applicaties tijdens de productie, de wanddikte en diameter van buizen, het kalibreren van meetapparaten en de wijze van afdichting van buizen tijdens transport,
- b. de gebruikte controlemethoden, en
- c. de controlefrequenties en de wijze waarop de controleresultaten worden geregistreerd en bewaard.
Het kwaliteitsbewakingsschema en de van belang zijnde procedures worden vastgelegd in een bijlage behorend bij de kwaliteitsverklaring.
Voorzover het ter waarborging van de vervaardiging van materialen of chemicaliën van constante kwaliteit noodzakelijk is om eisen te stellen aan het productieproces, worden die eisen opgenomen in een bijlage bij de erkende kwaliteitsverklaring.
Voorzover het voor een juiste verwerking van materialen of chemicaliën van belang is eisen te stellen aan de wijze van verwerking of aan daarvoor door de aanvrager van een kwaliteitsverklaring gestelde richtlijnen, waarbij in het bijzonder wordt gelet op de uitvoerbaarheid daarvan, worden daartoe strekkende eisen opgenomen in een bijlage bij die kwaliteitsverklaring.
In een bijlage bij de erkende kwaliteitsverklaring wordt tevens vastgelegd op welke wijze een certificeringsinstelling overeenkomstig het door deze toegepaste certificeringsreglement een periodieke controle van het productieproces en het kwaliteitssysteem van de producent uitvoert. De aanvrager is gehouden tot medewerking aan deze controle.
Indien het in het tweede lid, onder b, bedoelde productieproces niet continu van aard of slechts eenmalig is, worden daarover in aanvulling op artikel 13 en het eerste tot en met het zevende lid, aanvullende voorschriften opgenomen in de bijlage behorende bij de erkende kwaliteitsverklaring.
Artikel 15
Een certificeringsinstelling stelt de commissie in kennis van de afgifte van een erkende kwaliteitsverklaring.
Certificeringsinstellingen houden de commissie van hun activiteiten terzake op de hoogte door de commissie jaarlijks voor 1 april schriftelijk de volgende gegevens te doen toekomen:
- a. de resultaten van de controle- en toelatingsonderzoeken, uitgevoerd door een erkende certificeringsinstelling, als bedoeld in artikel 12, die zijn verricht in het voorafgaande kalenderjaar, en
- b. eventueel informatief en aanvullend commentaar van de certificeringsinstelling behorende bij een of meer onderzoeken terzake.
Indien de gegevens, bedoeld in het tweede lid, niet volledig zijn, kan de commissie aanvullende gegevens opvragen.
Artikel 16
Een kwaliteitsverklaring afgegeven door een onafhankelijke certificeringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, is gelijkwaardig aan een erkende kwaliteitsverklaring, voorzover naar het oordeel van de Minister uit de eerstgenoemde kwaliteitsverklaring blijkt dat voldaan wordt aan ten minste gelijkwaardige eisen als bedoeld in deze regeling.
Artikel 17
De Minister geeft in de Staatscourant kennis van de afgifte van een erkende kwaliteitsverklaring dan wel een daaraan gelijkwaardige kwaliteitsverklaring als bedoeld in artikel 16 voor de daarbij genoemde materialen of chemicaliën.
Hoofdstuk 5. Biociden
Artikel 18
Voor producten, zijnde biociden als bedoeld in Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden, die ten behoeve van de voorziening van drink- of warm tapwater hiermee in contact worden gebracht, dan wel daaraan worden toegevoegd met het doel een kwaliteitsverandering van dat water te bewerkstelligen, is naast toelating in overeenstemming met de Verordening, een erkende kwaliteitsverklaring vereist.
Voor de afgifte van een kwaliteitsverklaring voor de in het eerste lid bedoelde biociden zijn de artikelen 12 tot en met 17 van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 6. Tijdelijke kwaliteitsverklaring
Artikel 19
Producten, niet zijnde biociden als bedoeld in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden die bestemd zijn om de microbiologische kwaliteit van het drinkwater of warm tapwater te beïnvloeden, worden niet toegepast zonder dat daar door de Minister een tijdelijke kwaliteitsverklaringvoor is afgegeven.
De tijdelijke kwaliteitsverklaring geldt voor een door de Minister per product vastgestelde periode. In die periode worden de werkzaamheid en de neveneffecten van het product onderzocht aan de hand van de door de commissie vastgestelde criteria, opgenomen in de bijlage bij de tijdelijke kwaliteitsverklaring.
Indien de werkzaamheid van het in het eerste lid bedoelde product is aangetoond en vastgesteld is dat de neveneffecten van dit product niet nadelig zijn voor de volksgezondheid, kan de Minister, na de in het tweede lid bedoelde periode, een door een erkende certificeringsinstelling af te geven kwaliteitsverklaring op verzoek van die instelling erkennen indien die kwaliteitsverklaring en de daarop betrekking hebbende procedures zijn gebaseerd op de voor het product bedoelde eisen, bedoeld in de artikelen 13 en 14.
Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 20
Deze regeling blijft buiten toepassing voor producten die voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze regeling zijn toegepast in bestaande woninginstallaties, bestaande collectieve leidingnetten, bestaande collectieve watervoorzieningen, bestaande distributienetten en bestaande watervoorzieningswerken.
Indien voor producten in overeenstemming met deze regeling een erkende kwaliteitsverklaring is afgegeven en nadien een wijziging van de toelatingscriteria wordt vastgesteld door de Minister, blijven de ten tijde van de afgifte van de erkende kwaliteitsverklaring geldende toelatingscriteria van toepassing voor de nieuwe situatie gedurende twee jaar na het tijdstip waarop de wijzigingen aan belanghebbende schriftelijk kenbaar zijn gemaakt.
In het geval en gedurende de periode, bedoeld in het tweede lid, kan de Minister beperkingen stellen aan de toepassing van de in dat lid bedoelde producten bij de drink- en warm tapwatervoorziening, indien die toepassing naar zijn oordeel nadelige gevolgen voor de volksgezondheid kan hebben.
Indien voor materialen en chemicaliën voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze regeling een erkende kwaliteitsverklaring op grond van de Drinkwaterwet is afgegeven, wordt die verklaring voor de toepassing van deze regeling aangemerkt als een erkende kwaliteitsverklaring.
Artikel 21
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Drinkwaterwet in werking treedt. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven op of na het tijdstip, bedoeld in de eerste volzin, treedt deze regeling in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 22
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling materialen en chemicaliën drink- en warm tapwatervoorziening.
Bijlage A. – Productomschrijving en beoordeling
1. Onderscheid materialen en chemicaliën
In de regeling wordt een traditioneel onderscheid gemaakt tussen materialen en chemicaliën.
Grofweg kan er gesteld worden dat materialen met name worden toegepast voor constructiedoeleinden, zoals opslag- en leidingsystemen en binneninstallaties, terwijl onder chemicaliën de producten vallen die in contact worden gebracht met het te behandelen drink- of warmtapwater of daaraan worden toegevoegd om een kwaliteitsverandering van het water te bewerkstelligen.
In de Regeling materialen en chemicaliën drink- en warm tapwatervoorziening (hierna: regeling) wordt ten aanzien van producten onderscheid gemaakt tussen materialen en chemicaliën. Grofweg kan gesteld worden dat onder materialen met name producten vallen die worden toegepast voor constructiedoeleinden, zoals opslag- en leidingsystemen en binneninstallaties, terwijl onder chemicaliën de producten vallen die in contact worden gebracht met het te behandelen drink- of warm tapwater of daaraan worden toegevoegd om een kwaliteitsverandering van het water te bewerkstelligen. Hoofdstuk 2 van deze bijlage behandelt de materialen, in hoofdstuk 3 worden de chemicaliën omschreven.
2. Materialen
2.1. Inleiding
De regeling geldt voor alle eindproducten gemaakt uit materialen, organisch en anorganisch of een combinatie hiervan, die in contact kunnen komen met drink- of warm tapwater. De eindproducten moeten voldoen aan de toxicologische, organoleptische en microbiologische eisen zoals deze geformuleerd zijn in de regeling.
Voor de toetsing van een product aan de toxicologische eisen dient van elk product, in overeenstemming met deel A, paragraaf 2.4, van de common approach voor organische materialen, een volledige specificatie van de grond- en hulpstoffen en mogelijke verontreinigingen te worden overgelegd. Bij de omschrijving van de betreffende materialen of producten in deze bijlage is aangegeven welk specificatieniveau gehanteerd wordt. Met specificatieniveau wordt bedoeld dat voor de stoffen die in hoeveelheden kleiner dan het genoemde niveau in de receptuur voorkomen, de in deel A, paragraaf 2.4, van de common approach voor organische materialen bedoelde toxiciteitsgegevens niet overgelegd hoeven te worden, omdat de te verwachten concentratie van deze stoffen in het drink- en warm tapwater niet hoger zal zijn dan 0,1 µg/l, zijnde de Threshold of Toxicological Concern (TTC) waarde voor stoffen met een zogenaamde structural alert voor genotoxiciteit.
De bij de producten genoemde specificatieniveaus zijn van toepassing op zowel individuele stoffen als de som van de stoffen in de betreffende receptuur.
De specificatie van de grond- en hulpstoffen wordt getoetst aan de betreffende positieve lijsten, waarnaar in bijlage B verwezen wordt. Indien een stof niet op de betreffende positieve lijst voorkomt, dan dienen hiervoor de benodigde toxiciteitsgegevens volgens deel A, paragraaf 2.4, van de common approach voor organische materialen, te worden overgelegd. De commissie stelt vast welke MTC voor deze stof dient te gelden. Dit wordt vastgelegd in een standpunt oftewel ‘opinion’ van Nederland die ter toetsing wordt voorgelegd aan de overige samenwerkende common approach lidstaten. Als alle samenwerkende lidstaten akkoord zijn wordt de stof geplaatst op één van de ‘Core Lists’, zoals vermeld is in deel A, paragraaf 1.1 van de common approach voor organische materialen. De commissie bepaalt vervolgens welke onderzoeken er uitgevoerd dienen te worden voor de beoordeling van een product.
Voor de toetsing van een product aan de organoleptische eisen dienen de onderzoeks- en beoordelingsmethoden, opgenomen in bijlage C, in acht te worden genomen.
Voor een toetsing van een product op potentie tot biofilmvorming dienen de onderzoeksmethoden en bijbehorende beoordelingscriteria, genoemd in bijlage C, in acht genomen te worden.
Bij de uitvoering van het onderzoek is het niet noodzakelijk of mogelijk om in alle gevallen alle testen uit te voeren. De keuze voor en uitvoering van de testen die worden uitgevoerd is afhankelijk van de samenstelling van het eindproduct en wordt gemaakt door de commissie.
De beslissing om een migratietest uit te voeren is ook afhankelijk van de concentratie van de relevante stof(fen) in het eindproduct, de verwachte migratiesnelheid van deze stof(fen) en het werkelijke contactoppervlak van het eindproduct met drink- of warm tapwater.
De regeling biedt de mogelijkheid om door middel van berekeningen een schatting te maken van de migratiesnelheid van een stof, waarmee een verwachte concentratie van deze stof in het drink- of warm tapwater kan worden aangegeven.
Indien met de berekening duidelijk aangetoond kan worden dat de MTC niet zal worden overschreden, behoeven laboratoriumtesten niet te worden uitgevoerd. Indien geen analysemethode beschikbaar is, biedt de berekening een mogelijkheid om desondanks tot een conclusie over de toelaatbaarheid van een product te komen.
2.2. Kunststoffen en rubberproducten
2.2. Kunststoffen en elastomeren (rubberproducten)
Kunststoffen zijn organische macromoleculaire verbindingen die door polymerisatie, polycondensatie, polyadditie of een ander soortgelijk procédé worden verkregen uit moleculen met een lager molecuulgewicht of door chemische modificatie van natuurlijke macromoleculen zijn ontstaan (monomeren en andere uitgangsstoffen).
Voor de beoordeling van kunststoffen en elastomeren geldt de common approach voor organische materialen.
Kunststoffen zijn organische macromoleculaire verbindingen die door polymerisatie worden verkregen uit moleculen met een lager molecuulgewicht of door chemische modificatie van natuurlijke macromoleculen zijn ontstaan (monomeren en andere uitgangsstoffen).
Kunststoffen kunnen worden onderscheiden in thermoplasten (smelten bij opwarming), thermoharders (ontbinden bij opwarming) en elastomeren.
2.2.2. Thermoplasten
Elastomeren zijn macromoleculaire (natuurlijke en synthetische) verbindingen die zich onderscheiden van de thermoplasten en thermoharders, omdat zij bij temperaturen tussen 18 °C en 29 °C snel en krachtig hun vorm hernemen, indien na sterke vervorming onder invloed van een vervormende kracht de werking daarvan wordt opgeheven.
2.2.2. Thermoplasten
Thermoplasten worden in de drink- of warm tapwatervoorziening veelvuldig toegepast voor leidingsystemen (buizen en fittingen). Veel gebruikte thermoplasten zijn: polyvinylchloride (PVC, PVC-C, PVC-U, PVC-P), polypropeen (PP, PP-R), polyetheen (PE80, PE100, PE-Xa, PE-Xb, PE-Xc, PE-RT), polybuteen (PB), acrylonitril butadieen stryreen (ABS) en polyacetaal (POM). Polysulfon (PPSU – polyfenylsulfon) wordt gebruikt in membraanfiltratiemodules. Ook polytetrafluoretheen (PTFE) wordt in sommige producten toegepast.
2.2.3. Thermoharders
Thermoharders worden in de drink- of warm tapwatervoorziening minder toegepast dan thermoplasten. Voorbeelden van thermoharders zijn epoxy, melamine- en ureumformaldehyde (MF en UF), alkydharsen en polyesterharsen. Van deze kunststoffen worden met name glasvezelversterkte polyesterharsen gebruikt voor de vervaardiging van (onderdelen van) leiding- en opslagsystemen. Coatings (beschermingssystemen) voor metalen en cementgebonden producten kunnen op basis van epoxy’s zijn.
De moleculen van elastomeren zijn opgebouwd uit ten minste 500 structurele eenheden. Zij kunnen gechloreerd en/of gebromeerd zijn.
In de drink- of warm tapwatervoorziening worden elastomeren (rubberproducten) met name toegepast voor afdichtingsdoeleinden (rubberringen), flexibele aansluitleidingen en in compensatoren (verbindingsstukken in leidingsystemen voor het opvangen van bewegingen). Veelgebruikte elastomeren zijn: styreen-butadieenrubber (SBR), nitrilrubber (NBR) en EPDM (ethyleen-propyleen-dieen monomeer). Andere voorbeelden van elastomeren zijn natuurrubber, isopreenrubber, neopreen, polyurethaan (PUR) en siliconenrubber.
De moleculen van elastomeren zijn opgebouwd uit ten minste 500 structurele eenheden. Zij kunnen gechloreerd en/of gebromeerd zijn.
2.2.5. Positieve lijst voor kunststoffen, inclusief elastomeren en rubberproducten
Elastomeren, geen andere stoffen bevattend dan voor de vulkanisatie noodzakelijk is, breken niet, indien zij bij een temperatuur tussen 18 °C en 29 °C worden uitgerekt tot driemaal de aanvankelijke dimensie en krimpen binnen een minuut tot minder dan anderhalf maal de aanvankelijke lengte, wanneer zij tot tweemaal de aanvankelijke lengte worden uitgerekt en gedurende één minuut in deze toestand worden gehouden.
De positieve lijst is niet limitatief en sluit het gebruik van andere stoffen niet uit. Stoffen die niet op de lijst voorkomen, mogen worden gebruikt indien zij zijn beoordeeld en goedgekeurd volgens hoofdstuk 3 van de regeling.
Voor de vervaardiging en verwerking van kunststoffen en elastomeren en natuurlijke en synthetische rubberproducten die in contact (kunnen) komen met drink- of warm tapwater wordt in bijlage B, hoofdstuk 1 verwezen naar de common approach voor organische materialen. De common approach maakt gebruik van positieve lijsten van stoffen. Deze lijsten zijn niet limitatief en sluiten het gebruik van andere stoffen niet uit. Stoffen die niet op de lijsten voorkomen, mogen worden gebruikt indien zij zijn beoordeeld en goedgekeurd volgens hoofdstuk 3 van de regeling.
Additieven zijn stoffen die aan kunststoffen en rubberproducten worden toegevoegd om een technisch effect in het eindproduct te verkrijgen.
Polymerisatiehulpstoffen zijn stoffen die worden gebruikt om een geschikt medium voor polymerisatie te verkrijgen, zoals emulgatoren, oppervlakte-actieve stoffen, stoffen met een bufferwerking, enzovoort.
2.2.6. Nevenproducten
In eindproducten kunnen aanwezig zijn:
In eindproducten kunnen aanwezig zijn:
verontreinigingen in de gebruikte monomeren en andere uitgangsstoffen, polymerisatiehulpstoffen, additieven, kleurstoffen en pigmenten;
2.2.7. Onderzoek en beoordeling3Zoals in de paragrafen 2.2.2 tot en met 2.2.4 genoemd is, worden kunststoffen en rubberproducten hoofdzakelijk toegepast voor leidingsystemen en onderdelen daarvan (buizen en verbindingsstukken), afdichtingssystemen (O-ringen) en flexibele aansluitingen (compensatoren). Zij worden echter ook gebruikt voor de vervaardiging van folies voor bijvoorbeeld een waterdichte afscheiding in waterwingebieden en als binnenbekleding voor opslagsystemen. Hiernaast kunnen zij een onderdeel van een groter geheel zijn, zoals membranen in filtratiemodules. Op grond van hun specifieke toepassingen worden folies en membranen afzonderlijk beschreven (zie respectievelijk onderdeel 2.3 en 2.4).
ontledingsproducten van de gebruikte stoffen.
De toelating van de verontreinigingen, tussenproducten, oligomeren en ontledingsproducten wordt bepaald door de commissie.
2.3. Folies
2.2.7. Onderzoek en beoordeling
Voor de uitvoering van het toelatingsonderzoek van kunststoffen en rubberproducten dienen, in overeenstemming met hoofdstuk 3 van de regeling en bijlage C, in het algemeen de volgende onderzoeken te worden uitgevoerd:
Voor producten met een relatief klein contactoppervlak waarvoor, in overeenstemming met deel A, onderdeel 5, van de common approach voor organische materialen een conversiefactor < 0,01 d/dm kan worden vastgesteld, kan in het algemeen volstaan worden met een beperkte set aan laboratoriumtesten. De toelatingsonderzoeken die voor deze producten noodzakelijk zijn, zijn vermeld onder de desbetreffende productomschrijvingen. Wordt een product niet genoemd, dan kunnen, dit ter oordeel van de commissie, de volgende aspecten van toepassing zijn:
De prefabricage van foliebanen tot grotere baanbreedten geschiedt met (semi-)automatische lasapparatuur. Vervolgens wordt de folie conform het legplan en uitvoeringsplan ter plekke verwerkt en volgens gekwalificeerde methoden gelast (BRL 1149, 2002).
2.3.1. Omschrijving
Een folie, een product in de zin van de regeling, is een relatief dunne laag kunststof die direct in contact kan komen met drinkwater, zoals bij nooddrinkwatervoorzieningen, of kan worden toegepast voor de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bescherming van bodem en grondwater tegen bedreigende stoffen. Folies die worden toegepast voor de bescherming van het milieu worden ook wel geomembranen genoemd.
2.4. Membranen
2.3.2. Onderzoek en beoordeling
Voor de uitvoering van het toelatingsonderzoek van kunststof folies dienen, in overeenstemming met hoofdstuk 3 van de regeling en bijlage C, in het algemeen de volgende onderzoeken te worden uitgevoerd:
2.4.2. Onderzoek en beoordeling
Uitsluitend die onderdelen van een membraanfiltratiemodule die in direct contact komen met water dat bestemd is voor menselijke consumptie, komen in aanmerking voor onderzoek en beoordeling.
Membranen worden niet onderzocht op organoleptische aspecten, omdat het water dat de membraan gepasseerd heeft nog geen drink- of warmtapwater is en een verdere behandeling kan ondergaan.
Afhankelijk van het type filtratie, zoals microfiltratie, ultrafiltratie, nanofiltratie, omgekeerde osmose en elektrodialyse, kunnen membraanfiltratiemodules en de membranen verschillende fysieke uitvoeringen hebben. De modules zijn samengesteld uit verschillende typen materialen. Een kwaliteitsverklaring wordt afgegeven voor de gehele module.
Een membraanfiltratiemodule is een samengesteld product en dient bij voorkeur in zijn geheel, zoals het in de praktijk gebruikt wordt, te worden getest volgens NEN-EN 12873-4:2006 (en) (zie onderdeel 2.10.3 van deze bijlage en onderdeel 1.3 van bijlage C). In aanvulling op NEN-EN 12873-4:2006 (en) is onderdeel 3 van bijlage D van toepassing voor het berekenen van de geschatte concentratie van relevante stoffen in het drinkwater en een toetsing van de geschatte concentratie aan de voor de betreffende stof van toepassing zijnde MTC.
Uitsluitend die onderdelen van een membraanfiltratiemodule die in direct contact komen met water dat bestemd is voor menselijke consumptie, komen in aanmerking voor onderzoek en beoordeling.
Membranen worden niet onderzocht op organoleptische aspecten, omdat het water dat de membraan gepasseerd heeft nog geen drink- of warm tapwater is en een verdere behandeling kan ondergaan.
Een membraanfiltratiemodule is een samengesteld product en dient bij voorkeur in zijn geheel, zoals het in de praktijk gebruikt wordt, te worden getest volgens NEN-EN 12873-4:2006 (zie hoofdstuk 2.10.3 van deze bijlage en hoofdstuk 1.1.3 van bijlage C). In aanvulling op NEN-EN 12873-4:2006 is deel A, onderdeel 3 van de common approach voor organische materialen van toepassing voor het berekenen van de geschatte concentratie van relevante stoffen in het drinkwater en een toetsing van de geschatte concentratie aan de voor de betreffende stof van toepassing zijnde MTC.
In een uitzonderingsgeval, dit ter beoordeling door de commissie, kunnen de verschillende onderdelen van een membraanfiltratiemodule afzonderlijk getest worden volgens NEN-EN 12873-1:2003 met inachtneming van de instructies van de fabrikant of leverancier ten aanzien van de voorbehandeling van de membraanfiltratiemodule. Voor het schatten van de concentratie van een stof in het drinkwater dienen hierbij de resultaten van de derde migratieperiode te worden gebruikt. De geschatte concentratie in het drinkwater dient volgens deel A, onderdeel 5, van de common approach voor organische materialen, berekend te worden, waarna een toetsing aan de voor de betreffende stof van toepassing zijnde MTC dient te worden uitgevoerd.
Indien de betreffende MTC nog steeds wordt overschreden na de drie migratieperioden van NEN-EN 12873-1:2003 en indien kan worden aangetoond of verwacht dat de migratiesnelheid in de tijd afneemt, dan kan de migratietest worden uitgebreid tot een maximale migratietijd van 30 dagen, overeenkomstig deel A, onderdeel 5, van de common approach voor organische materialen. De beoordeling van een membraanfiltratiemodule vindt plaats op het totale effect (de som) van de verschillende onderdelen.
2.5. Smeermiddelen
2.5.1. Omschrijving
Het betreft hier producten die gebruikt worden voor de smering van onderdelen van drink- of warmtapwaterinstallaties, bijvoorbeeld pompen en sanitaire kranen. De smeermiddelen dienen persistent te zijn gedurende de (economische) levensduur van product waarin of waarbij zij gebruikt worden.
2.5.1. Omschrijving
Het betreft hier producten die gebruikt worden voor de smering van onderdelen van drink- of warm tapwaterinstallaties, bijvoorbeeld pompen en sanitaire kranen. De smeermiddelen dienen persistent te zijn gedurende de (economische) levensduur van product waarin of waarbij zij gebruikt worden.
2.5.2. Onderzoek en beoordeling
2.6.1. Omschrijving
Het betreft hier producten die worden gebruikt voor het maken van lijmverbindingen in thermoplastische en thermohardende leidingsystemen, waarbij het materiaal zorgt voor opvulling van de spleet tussen de buitenkant van de buis en de binnenkant van een hulpstuk en voor de hechting tussen deze twee onderdelen.
2.6.1. Omschrijving
Het betreft hier producten die worden gebruikt voor het maken van lijmverbindingen in thermoplastische en thermohardende leidingsystemen, waarbij het materiaal zorgt voor opvulling van de spleet tussen de buitenkant van de buis en de binnenkant van een hulpstuk en voor de hechting tussen deze twee onderdelen.
2.6.2. Onderzoek en beoordeling
2.7.1. Omschrijving
Het betreft hier middelen die gebruikt worden bij de montage van rubber afdichtingen in leiding- of distributiesystemen van verschillende aard, zoals beton, gietijzer, staal of de uiteenlopende thermoplastische en thermohardende kunststoffen. De rubber afdichtingen kunnen verschillende fysieke vormen hebben (afdichtingsringen, manchetten en dergelijke).
2.7.1. Omschrijving
Het betreft hier middelen die gebruikt worden bij de montage van rubber afdichtingen in leiding- of distributiesystemen van verschillende aard, zoals beton, gietijzer, staal of de uiteenlopende thermoplastische en thermohardende kunststoffen. De rubber afdichtingen kunnen verschillende fysieke vormen hebben (afdichtingsringen, manchetten en dergelijke).
2.7.2. Onderzoek en beoordeling
2.8.1. Omschrijving
2.8. Metallische materialen
Onder de aanduiding ‘metalen’ vallen de volgende producten en materialen die in contact kunnen komen met drink- of warmtapwater:
2.8.1.2. Uitsluitingen
Het gebruik van lood als leidingmateriaal is niet toegestaan.
2.8.2.1 In aanvulling op de onder 2.8.1 genoemde compositielijst geldt dat tussentijdse beoordeling kan plaatsvinden die kan leiden tot aanpassing van de lijst.
2.8.2.2 In afwijking van de tabel vermeld in paragraaf 2.6 van deel A – Acceptatieprocedure van de common approach geldt voor de parameter bismut een MTC van 50 µg/l en een bijbehorende referentieconcentratie van 45 µg/l.
2.8.1.3. Gietijzer, staal en koolstofstaal
2.8.2.4 Voor koperen buizen en fittingen geldt een eis voor het koolstofgehalte op het binnen oppervlak volgens respectievelijk NEN-EN 1057:2006+A1:2010 en NEN-EN 1254:1998. Voor buizen met een buitendiameter groter dan 54 mm gemaakt van hard materiaal (R290, volgens EN 1173:2008) en voor fittingen geldt een maximum van 1,0 mg/dm2. Voor overige buizen geldt een maximum van 0,2 mg/dm2. Het koolstofgehalte wordt bepaald volgens de ‘Total carbon’ methode beschreven in NEN-EN 723:2009. Productieprocessen van deze buizen en fittingen bevatten in de regel een stap waarin koolstof tot onder de genoemde eis wordt verwijderd.
2.8.2.5 In bijlage C is gesteld dat metalen niet onderzocht behoeven te worden op mogelijke organoleptische aspecten. De reden hiervoor is dat de MTC’s die zijn vastgesteld voor metalen of metaalionen (veel) lager zijn dan de concentraties waarbij organoleptische aspecten een rol gaan spelen.
2.8.1.4. Gegalvaniseerd staal
In het derde deel van bijlage B zijn onder de kop ‘Gegalvaniseerd staal’ eisen opgenomen voor de zinklaag (NB een zinklaag kan ook thermisch verzinkt worden). Hierbij is een rekenmethode opgenomen voor de identificatie van watersamenstellingen waarbij de corrosiesnelheid voor gegalvaniseerd staal onacceptabel kan zijn.
Voor de beoordeling van cementgebonden producten is de common approach voor cementgebonden producten van toepassing.
2.9.1. Ontkistingsmiddelen
Hulpmiddelen voor soldeer- en lasverbindingen, zoals vloeimiddelen, vallen niet onder ‘metalen’ en dienen afzonderlijk te worden beoordeeld op hun toelaatbaarheid.
Ontkistingsmiddelen worden gebruikt bij betonproducten (betonnen buizen en reinwaterkelders) om te voorkomen dat er hechting optreedt tussen het beton en het bekistingmateriaal, zodat bij het verwijderen van de bekisting geen beschadiging van het verharde materiaal plaatsvindt.
2.9.1.2. Onderzoek en beoordeling
Het is in het algemeen niet zinvol om ontkistingsmiddelen aan een migratietest te onderwerpen. Meestal zal voor de toxicologische aspecten door middel van een beoordeling van de receptuur en berekeningen aangetoond kunnen worden dat het middel voldoet aan de gestelde eisen, met inachtneming van de voorschriften van de leverancier ten aanzien van toepassing en gebruik. Bij de berekening van de geschatte concentratie van een relevante stof in drink- of warm tapwater kunnen in overeenstemming met en in aanvulling op hoofdstuk 4 van bijlage C onder andere de volgende aspecten worden meegenomen:
2.9.2. Curing compounds
De compositielijst voor metalen, vermeld in onderdeel 3 van bijlage B, omvat verschillende categorieën van metalen.
Curing compounds worden aangebracht op betonnen oppervlakken na verwijdering van de bekisting met het doel het drogen van de betonmortel te vertragen.
Een referentiemateriaal is een materiaal binnen een categorie waarvan de karakteristieken van de afgifte van metalen naar drinkwater bekend en reproduceerbaar zijn, de samenstelling strikt gecontroleerd wordt en waarvan de van belang zijnde elementen op of vlakbij de bovenste grens van toelaatbaar zijn. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de mogelijke effecten van bepaalde stoffen om de afgifte van metalen te remmen.
Het is in het algemeen niet zinvol om curing compounds aan een migratietest te onderwerpen. Meestal zal voor de toxicologische aspecten door middel van een beoordeling van de receptuur en berekeningen aangetoond kunnen worden dat het middel voldoet aan de gestelde eisen, met inachtneming van de voorschriften van de leverancier ten aanzien van toepassing en gebruik. Bij de berekening van de geschatte concentratie van een relevante stof in drink- of warm tapwater kunnen in overeenstemming met en in aanvulling op hoofdstuk 4 van bijlage C onder andere de volgende aspecten worden meegenomen:
Op basis van hun toepassingsgebied (zie ook bijlage B, derde onderdeel) kunnen metalen onderverdeeld worden in drie productgroepen:
2.10.1. Meerlagige producten
2.8.3.1. Te verstrekken aanvullende gegevens bij de beoordeling van een materiaal
Voor sommige meerlagige leidingen kan volstaan worden met een beperkte beoordeling van de verschillende lagen. Zie hiervoor 2.10.2.2.
2.8.3.2. Organoleptische aspecten
In bijlage C is gesteld dat metalen niet onderzocht behoeven te worden op mogelijke organoleptische aspecten. De reden hiervoor is dat de MTC’s die zijn vastgesteld voor metalen of metaalionen (veel) lager zijn dan de concentraties waarbij organoleptische aspecten een rol gaan spelen.
2.10.2.1. Omschrijving
Meerlagige producten (leidingen) met een barrièrelaag kunnen onderverdeeld worden in de volgende twee typen:
2.8.3.4. Residueel koolstof
Voor de aanwezigheid van residueel koolstof op het inwendige oppervlak van koperen buizen geldt volgens NEN-EN 1057:2006 een eis van maximaal 0,2 mg/dm2. Deze eis geldt ook voor fittingen van koper en koperlegeringen. Productieprocessen van deze buizen en fittingen bevatten in de regel een stap waarin residueel koolstof tot onder de genoemde eis wordt verwijderd.
2.8.3.5. Toxicologische aspecten
Het eindproduct dient in zijn geheel onderzocht te worden, waarbij in overeenstemming met de onderzoeksmethoden van bijlage C alleen de binnenlaag in contact wordt gebracht met het (migratie)water.
Voor meerlagige producten met een aluminium laag gelden aanvullend de volgende punten:
Een migratietest dient te worden uitgevoerd indien een metaal, vallend onder de productgroepen A en B, niet voldoet aan de criteria van de compositielijst van bijlage B, onderdeel 3, en voor (de samenstelling van) dit product toelating wordt gevraagd tot de compositielijst.
Samengestelde producten bestaan uit twee of meer onderdelen die van verschillende materialen zijn gemaakt, zoals membraanmodules, watermeters, kranen, douchekoppen en boilers met kunststof en metalen onderdelen.
2.8.3.6. Migratietest
Uitsluitend de onderdelen die in contact komen met water dat bestemd is voor menselijke consumptie, of de kwaliteit daarvan kunnen beïnvloeden, dienen voor een toelating onderzocht en beoordeeld te worden in overeenstemming met de methoden van bijlage C en de relevante onderdelen van de common approach (voor organische materialen en metallische materialen), met inachtneming van de voorwaarden die bij de verschillende materialen en producten zijn gesteld. Indien nodig beslist de commissie over de (chemische) specificatie en het specificatieniveau van de betreffende grond- en hulpstoffen.
Indien een samengesteld product getest moet worden, dan dient dit bij voorkeur in zijn geheel, zoals het in de praktijk gebruikt wordt, gedaan te worden. In een uitzonderingsgeval, dit ter oordeel van de commissie, kunnen de verschillende onderdelen afzonderlijk getest worden. De beoordeling vindt hierbij plaats op het totale effect (de som) van de verschillende onderdelen.
De acceptatie van een referentiemateriaal voor een categorie vereist de acceptatie van de resultaten van de NEN-EN 15664-1 test uitgevoerd met de volgende testwaters (in overeenstemming met NEN-EN 15664-2:2008 Ontw.):
1 De TOC waarde van > 1,5 mg/l mag niet worden verhoogd door toevoeging van organische stoffen aan het testwater.
Chemicaliën zijn vaste, vloeibare en gasvormige stoffen die ten behoeve van de drink- of warm tapwatervoorziening in contact worden gebracht met te behandelen water of drink- of warm tapwater, dan wel daaraan worden toegevoegd met het doel een kwaliteitsverandering van dat water te bewerkstelligen.
Smeer- en glijmiddelen vallen niet onder de chemicaliën.
2.8.3.7. Toelatingscriteria
Voor chemicaliën die opgelost of in gasvorm worden gebruikt, is de maximale dosering aangegeven waarop de gestelde limiet betrekking heeft.
Voor de indeling van de chemicaliën worden de volgende vier deelgebieden gehanteerd:
In de deelgebieden zijn de verschillende chemicaliën vooralsnog gerangschikt en beschreven onder de algemene aanduiding van het doel waarvoor zij worden gebruikt. Voorbeelden hiervan zijn: antiscalants, conditioneringsmiddelen, corrosieremmers, filtermaterialen, ionenwisselaars en adsorberende kunstharsen en vlok(hulp)middelen.
Chemicaliën die als oplossing of in gasvorm worden toegepast, worden voor toelating en controle onderzocht met behulp van een volledige ontsluiting van het product. Hierbij wordt tenminste de aanwezigheid van de verontreinigingen onderzocht die hierna bij de betreffende producten zijn genoemd. De gehalten aan de genoemde componenten in de omschreven productvorm mogen hierbij niet meer bedragen dan de bij de desbetreffende bestanddelen aangegeven waarden. De commissie kan nadere eisen stellen.
Chemicaliën die in vaste vorm worden gebruikt, dienen onderzocht te worden met de uitloogtest die beschreven is in NEN-EN 12902:2004. De gehalten in het extractiewater mogen niet meer bedragen dan de bij de desbetreffende bestanddelen aangegeven waarden. Ook voor deze producten kan de commissie nadere eisen stellen.
3.2. Chemicaliën die in vaste vorm worden gebruikt
Een toevoeging aan of een verandering in de samenstelling van een legering kan er toe leiden dat deze legering buiten de betreffende categorie komt te vallen. De toevoeging of verandering kan de migratiekarakteristieken van de legering significant beïnvloeden. In dit geval en voor een legering die representatief is voor een categorie (referentiemateriaal) dient de volgende informatie verstrekt te worden:
In Figuur A is een schema voor de te volgen procedure opgenomen.
2.8.3.9. De acceptatie van een referentiemateriaal
Si4Al2-xMx2+Mx+O10(OH)2.nH2O, waarin x varieert van 0 tot 2.
Bentoniet wordt verkregen via dagbouw en vervolgens fabrieksmatig verpulverd tot de gewenste deeltjesgrootte (95% van het product (m/m) moet een deeltjesgrootte kleiner dan 500 µm hebben) en gedroogd. Door vermenging met natriumcarbonaat tijdens het verpulveren kan het bivalente metaal (in het algemeen Ca2+) gedeeltelijk worden vervangen door Na+, waarmee de zweleigenschappen van bentoniet toenemen. Het product is daarna beschikbaar in poedervorm (wit tot lichtbruin of groen) in veel gradaties afhankelijk van de zuiverheid en de Na+ concentratie. Het CAS-nummer van bentoniet is 1302-78-9.
Het materiaal kan geaccepteerd worden voor een productgroep met een contactoppervlakte a (zie 2.8.2), indien:
In de drink- of warm tapwatervoorziening kunnen voor bentoniet de volgende drie toepassingen worden onderscheiden:
Indien niet voldaan kan worden aan het criterium onder II, dan kan de duur van de test worden verlengd tot maximaal 1 jaar. In dit geval wordt een materiaal geaccepteerd, indien
Bentoniet dat toegepast wordt in de drink- of warm tapwatervoorziening dient met betrekking tot de chemische en fysische samenstelling en eigenschappen te voldoen aan NEN-EN 13754:2009.
Voor het toelatings- en controleonderzoek voor bentoniet dient het vrijkomen van de in de onderstaande tabel genoemde zware metalen bepaald te worden aan de hand van de uitloogtest volgens NEN-EN 12902:2004. De gehaltes van de afzonderlijke zware metalen mogen hierbij niet meer bedragen dan de bij de desbetreffende parameter aangegeven waarden, uitgedrukt in µg/l.
In voorkomende gevallen, dit ter beoordeling van de commissie, kan bij de beoordeling van bentoniet gebruik worden gemaakt van gegevens van een zuiverheidsonderzoek dat in het kader van een andere toelating is uitgevoerd. De gehaltes aan zware metalen dienen hierbij te voldoen aan de waarden voor de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.
De commissie beslist of de gegevens van voldoende kwaliteit zijn voor een toelatingsbeoordeling. Na toelating door de Commissie kan het betreffende materiaal, tezamen met de categorie en het refentiemateriaal, worden toegevoegd aan de compositielijsten van bijlage B, derde onderdeel.
2.8.3.10. De toevoeging van materialen aan de compositielijst binnen een categorie
In de praktijk kunnen sporen van boorhulpmiddelen in drink- of warm tapwater terecht komen. Op grond hiervan dienen boorhulpmiddelen volledig gespecificeerd te worden. Het middel is toelaatbaar indien, in overeenstemming met de beoordelingsmethoden van de onderdelen 3 en 5 van deel A van de common approach voor organische materialen geen nadelige effecten voor de gezondheid van de consument te verwachten zijn.
Afhankelijk van de samenstelling van een boorhulpmiddel kan, analoog aan wat onder 3.2.1.3 voor bentoniet is beschreven, een toetsing aan de waarden voor de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’, bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, noodzakelijk zijn.
In Figuur B is een schema voor de te volgen procedure opgenomen.
2.8.3.11. De acceptatie van een materiaal voor een vergelijkende test
De toepassing van actieve kool, in korrelvorm of als poeder, is een scheidingsmethode (adsorptie) die strikt genomen niet onder filtratie valt, maar uit praktisch oogpunt wel hieronder geplaatst kan worden. Poederkool wordt in de zuivering continu gedoseerd aan het te behandelen water en wordt in een later stadium weer afgevangen via coagulatie, sedimentatie of filtratie.
Calciumcarbonaat en dolomiet zijn producten die deeltjes kunnen verwijderen, maar in feite gebruikt worden als conditioneringsmiddel, waarbij het te behandelen water over een bed met het conditioneringsmiddel wordt geleid.
Voor het referentiemateriaal geldt MEPa,RM(t).
Silicazand, silicagrind worden beschreven in NEN-EN 12904:2005, antraciet in NEN-EN 12909:2012.
Silicazand, silicagrind en antraciet dienen getest te worden met de uitloogtest voor granulaten volgens NEN-EN 12902:2004.
Afwijkend van paragraaf 6.3.4.1 van NEN-EN 12902:2004 dient er na de backwash niet tweemaal, maar negen keer gedurende 10 minuten gespoeld te worden met een bedvolume extractiewater. Het tiende bedvolume extractiewater dat hierna wordt toegevoegd en gedurende 30 minuten in de kolom blijft staan, wordt gebruikt voor het analyseren van de hierna genoemde parameters. De concentratie van deze parameters in het extractiewater mag niet meer bedragen dan de bij de desbetreffende parameter aangegeven waarde:
van toepassing is.
Onbewerkte actieve kool in korrelvorm wordt omschreven in NEN-EN 12915-1:20091Gereactiveerde actieve kool in korrelvorm wordt omschreven in de ontwerpnorm NEN-EN 12915-2:2008 Ontw. Voor gereactiveerde actieve kool zijn in Nederland nog geen kwaliteitsverklaringen afgegeven..
Actieve kool in korrelvorm dient getest te worden met de uitloogtest voor granulaten volgens NEN-EN 12902:2004. Afwijkend van paragraaf 6.3.4.1 van NEN-EN 12902:2004 dient er na de backwash niet tweemaal, maar negen keer gedurende 10 minuten gespoeld te worden met een bedvolume extractiewater. Het tiende bedvolume extractiewater dat hierna wordt toegevoegd en gedurende 30 minuten in de kolom blijft staan, wordt gebruikt voor het analyseren van de hierna genoemde parameters. De concentratie van deze parameters in het extractiewater mag niet meer bedragen dan de bij de desbetreffende parameter aangegeven waarde:
Noot 1: In overeenstemming met bijlage A bij het Drinkwaterbesluit dienen de volgende PAK’s bepaald te worden: pyreen, benzo(a)antraceen, benzo(ghi)peryleen, fenantreen, indeno(1,2,3-cd)pyreen, anthraceen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, chryseen en fluorantheen (benzo(a)pyreen is in het Drinkwaterbesluit afzonderlijk opgenomen).
2.8.3.12. Toelating van producten
Noot 2: De onder noot 1 genoemde PAK’s en benzo(a)pyreen behoeven alleen maar gemeten te worden bij geëxtrudeerde kool waarbij coal tar pitch gebruikt is als bindmiddel.
Voor sanitaire kranen zal in verband met een afwijkend productieproces een afzonderlijk beoordelingsbeleid worden opgenomen. Dit beleid is in voorbereiding.
Actieve kool in poedervorm wordt omschreven in NEN-EN 12903:2009.
Actieve kool in poedervorm dient getest te worden met de uitloogtest voor poeders volgens NEN-EN 12902:2004. Van de hierna genoemde parameters mag de concentratie in het extractiewater niet meer bedragen dan de bij de desbetreffende parameter aangegeven waarde:
2.9. Cementproducten
3.2.3.4. Granaatzand
Granaatzand wordt omschreven in NEN-EN 12910:2012.
Granaatzand dient getest te worden met de uitloogtest voor granulaten volgens NEN-EN 12902:2004. Afwijkend van paragraaf 6.3.4.1 van NEN-EN 12902:2004 dient er na de backwash niet tweemaal, maar negen keer gedurende 10 minuten gespoeld te worden met een bedvolume extractiewater. Het tiende bedvolume extractiewater dat hierna wordt toegevoegd en gedurende 30 minuten in de kolom blijft staan, wordt gebruikt voor het analyseren van de hierna genoemde parameters. De concentratie van deze parameters in het extractiewater mag niet meer bedragen dan de bij de desbetreffende parameter aangegeven waarde:
Hoogovencement (‘CEM III’) mag om bouwtechnische redenen alleen voor de toepassing in voorraadsystemen worden gebruikt.
Calciumcarbonaat is omschreven in NEN-EN 1018:2013.
Calciumcarbonaat dient een zuiverheid van minimaal 98% te hebben.
Voor de zware metalen zijn de volgende maximale gehaltes in mg/kg droog product van toepassing:
Bij de bewerking van calciumcarbonaat kunnen maalhulpmiddelen gebruikt worden. De aanvrager van een kwaliteitsverklaring dient voor dergelijke middelen de benodigde informatie te verschaffen over receptuur, samenstelling en gebruikte hoeveelheid. Voor de stoffen uit de receptuur van het maalhulpmiddel wordt een MTC vastgesteld, zoals beschreven in deel A, onderdeel 3 van de common approach voor organische materialen. Door middel van een berekening op basis van een realistische worst case situatie wordt vastgesteld of voor de betreffende stoffen de concentratie in drink- of warm tapwater aan de MTC voldoet.
Calciumcarbonaat behoeft niet te worden onderzocht op cyaniden en PAK’s.
Van de technologische hulpmiddelen worden de ontkistingsmiddelen en curing compounds afzonderlijk beschreven. Zie hiervoor 2.9.4 en 2.9.5.
2.9.2. Onderzoek en beoordeling
Voor de zware metalen zijn de volgende maximale gehaltes in mg/kg droog product van toepassing:
Bij de bewerking van dolomiet kunnen maalhulpmiddelen gebruikt worden. De aanvrager van een kwaliteitsverklaring dient voor dergelijke middelen de benodigde informatie te verschaffen over receptuur, samenstelling en gebruikte hoeveelheid. Voor de stoffen uit de receptuur van het maalhulpmiddel wordt een MTC vastgesteld, zoals beschreven in deel A, onderdeel 3 van de common approach voor organische materialen. Door middel van een berekening op basis van een realistische worst case situatie wordt vastgesteld of voor de betreffende stoffen de concentratie in drink- of warm tapwater aan de MTC voldoet. Dolomiet behoeft niet te worden onderzocht op cyaniden en PAK’s.
Cementproducten of materialen waarvoor toelating in de drink- of warmtapwatervoorziening wordt gevraagd, kunnen op grond van bijvoorbeeld het Bouwstoffenbesluit eerder zijn beoordeeld en getest. De testresultaten van deze beoordeling mogen gebruikt worden indien deze verkregen zijn in overeenstemming met de criteria beschreven in bijlage C.
Ionenwisselaars (zowel anionisch als kationisch) worden gebruikt om de watersamenstelling te veranderen, bijvoorbeeld voor ontharding. Adsorberende kunstharsen worden toegepast voor de verwijdering van ongewenste stoffen uit water.
2.9.3. Aanvullende criteria en eisen
Voor de uitvoering van de migratietest en de verkregen resultaten gelden ten aanzien van de pH de volgende twee eisen:
Voor cementproducten gelden naast de eisen voor antimoon, arseen, cadmium, chroom, kwik, nikkel, lood en seleen op basis van de 10%-regel (bijlage D, tweede onderdeel), aanvullend de volgende eisen:
Antiscalants of scale-inhibitors worden omschreven in NEN-EN 15039:2014, 15040:2014 en 15041:2014. Deze worden onder andere toegepast bij installaties voor ontzouting van (brak) water en zeewater tot drink- of warm tapwater. Het betreft verdampingsinstallaties (destillatie) en membraanfiltratie-installaties. Antiscalants worden continu gedoseerd aan het ruwe water teneinde het afzetten van slecht oplosbare zouten (scaling) dan wel vorming van een biofilm (fouling) te voorkomen of verminderen.
2.9.4. Ontkistingsmiddelen
2.9.4.1. Omschrijving
Bij membraanfiltratie worden antiscalants uitsluitend toegepast bij installaties die zijn uitgerust met nanofiltratie (NF) of omgekeerde-osmose membranen (RO). Afhankelijk van het type membraan en de molecuulgrootte bedraagt de verwijderbaarheid van stoffen minimaal 3 logeenheden. Kleine moleculen zullen de membranen echter volledig passeren en in het productwater terecht komen. De grens ligt bij 200 D voor NF-membranen respectievelijk 50 D voor RO-membranen.
2.9.4.2. Onderzoek en beoordeling
De maximaal te verwachten concentraties in drink- of warm tapwater worden berekend op basis van de volgende gegevens:
3.3.2. Conditioneringsmiddelen
2.9.5.1. Omschrijving
Curing compounds worden aangebracht op betonnen oppervlakken na verwijdering van de bekisting met het doel het drogen van de betonmortel te vertragen.
2.9.5.2. Onderzoek en beoordeling
Calciumhydroxide (gebluste kalk of kalkhydraat) wordt toegepast bij de ontharding van hard water, veelal met behulp van korrelreactoren. Het wordt geleverd in vaste vorm of als kalkmelksuspensie.
2.10. Meerlagige en samengestelde producten10Het onderscheid tussen meerlagige en samengestelde producten is in de praktijk niet altijd duidelijk. Onder meerlagige producten worden in dit verband de niet ‘ontleedbare’ producten bedoeld. Samengestelde producten zijn ‘ontleedbaar’, d.w.z. de verschillende onderdelen kunnen afzonderlijk getest worden.
2.10.1. Meerlagige producten
Bij de productie van calciumoxide kunnen maalhulpmiddelen gebruikt worden. De aanvrager van een kwaliteitsverklaring dient over dergelijke middelen de benodigde informatie met betrekking tot receptuur, samenstelling en gebruikte hoeveelheid te verschaffen. Voor de stoffen uit de receptuur van het maalhulpmiddel wordt een MTC vastgesteld volgens deel A, onderdeel 3 van de common approach voor organische materialen een MTC vastgesteld. Door middel van een berekening op basis van een realistische worst-case situatie wordt vastgesteld of voor de betreffende stoffen de concentratie in drink- of warm tapwater aan de MTC voldoet.
De maximale dosering bedraagt voor beide middelen 135 mg Ca per liter te behandelen water.
Voor de zware metalen zijn de volgende maximale gehaltes in mg/kg droog product van toepassing, waarbij geen rekening gehouden wordt met een mogelijke verwijdering in de verdere zuivering:
2.10.2. Meerlagige producten met een barrièrelaag
3.3.2.2. Natriumcarbonaat (Na2co3)
Natriumcarbonaat dat gebruikt wordt voor de behandeling van water bestemd voor menselijke consumptie is omschreven in NEN-EN 897:2012.
Natriumcarbonaat (gecalcineerde soda (licht), lichte soda) wordt gebruikt bij ontharding en een correctie van de pH.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)