Wet van 22 december 2011, houdende regels inzake de volkshuisvesting, de ruimtelijke ordening en het milieubeheer in de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES)
- c. het met de beschikking beoogde doel slechts kan worden bereikt indien de belanghebbende daarvan niet reeds tevoren in kennis is gesteld.
Artikel 11.10
Een beschikking wordt gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen zestien weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in artikel 11.11, derde lid, heeft gedaan.
Artikel 11.11
Indien een beschikking niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden gegeven, deelt het bestuursorgaan dit aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het bestuursorgaan na het verstrijken van de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn niet langer bevoegd is.
Indien, bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, een beschikking niet binnen zestien weken kan worden gegeven, stelt het bestuursorgaan de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Artikel 11.12
De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan:
- a. de aanvrager krachtens artikel 11.4, eerste lid, onderdeel b, uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, of
- b. de aanvrager mededeelt dat voor de beschikking op de aanvraag redelijkerwijs noodzakelijke informatie aan een buitenlandse instantie is gevraagd, tot de dag waarop deze informatie is ontvangen of verder uitstel niet meer redelijk is.
De termijn voor het geven van een beschikking wordt voorts opgeschort:
- a. gedurende de termijn waarvoor de aanvrager schriftelijk met het uitstel heeft ingestemd;
- b. zolang de vertraging aan de aanvrager kan worden toegerekend, of
- c. zolang het bestuursorgaan door overmacht niet in staat is een beschikking te geven.
In geval van overmacht deelt het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk aan de aanvrager mede dat de beslistermijn is opgeschort, alsmede binnen welke termijn de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Indien de opschorting eindigt, doet het bestuursorgaan daarvan in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of het tweede lid, onderdelen b en c, zo spoedig mogelijk mededeling aan de aanvrager, onder vermelding van de termijn binnen welke de beschikking alsnog moet worden gegeven.
Paragraaf 7.1. Algemeen
Artikel 11.13
Eenieder die betrokken is bij de uitvoering van deze wet en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van deze wet de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
Paragraaf 11.3. Wijziging Wet bescherming Antarctica
Artikel 11.14
Wijzigt de Wet bescherming Antarctica.
Paragraaf 11.4. Wijziging van de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES
Artikel 11.15
Wijzigt de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES.
Paragraaf 5.4. Regels met betrekking tot stortplaatsen
Paragraaf 5.5. Regels met betrekking tot badinrichtingen en zwemgelegenheden
Artikel 11.17
Wijzigt de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Paragraaf 11.7. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 11.18
Hoofdstuk 4 is niet van toepassing op gedragingen, voor zover daaromtrent voorschriften gelden, die zijn gesteld bij of krachtens:
- b. de Wet voorkoming verontreiniging door schepen BES en de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, behoudens voor zover uit de bepalingen van die wetten of van deze wet anders blijkt.
Hoofdstuk 6 is niet van toepassing op de bodem en de oevers van een oppervlaktewaterlichaam en, voor zover het oppervlaktewaterlichaam behoort tot de zee, de ondergrond van de zeebodem.
Hoofdstuk 9 is niet van toepassing op het vervoeren, het ten vervoer aanbieden en het ten vervoer aannemen, het laden en het lossen en het neerleggen tijdens het vervoer van stoffen, preparaten of micro-organismen, alsmede op het laten staan en het laten liggen van een vervoermiddel waarin of waarop zich zodanige stoffen, preparaten of micro-organismen of resten daarvan bevinden, voor zover daaromtrent regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet luchtvaart of de Luchtvaartwet BES, dan wel op de handelingen, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ten aanzien van stoffen, preparaten of micro-organismen, voor zover daaromtrent regels zijn gesteld bij of krachtens die wet. In afwijking van de eerste volzin is hoofdstuk 9 van toepassing met betrekking tot de verpakking van micro-organismen, zijnde genetisch gemodificeerde organismen, indien die organismen zich bij de handelingen, bedoeld in de eerste volzin, niet bevinden in een verpakking die voldoet aan de regels die ter zake zijn gesteld bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, de Wet luchtvaart of de Luchtvaartwet BES.
Hoofdstuk 9 is niet van toepassing op gedragingen, voor zover daaromtrent regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet op de geneesmiddelenvoorziening BES of de Wet voorschriften bestrijdingsmiddelen BES.
De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 5.1, eerste lid, wordt gedaan door Onze Minister en, voor zover het onderdelen van het milieubeleid betreft die tot zijn verantwoordelijkheid behoren, Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 9.4 wordt gedaan door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens Onze Minister.
Artikel 11.19
De artikelen 5.13, tweede lid, onderdeel a, 5.14, derde lid, tweede volzin, en 5.31, tweede lid, onderdeel a, zijn tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip niet van toepassing op vergunningen voor inrichtingen die voor dat tijdstip in werking zijn gebracht.
Artikel 5.36 is van toepassing op stortplaatsen waar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet afvalstoffen worden gestort.
Artikel 11.20
Uiterlijk twaalf maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, geeft de eilandsraad uitvoering aan de artikelen 2.4, 2.5, 4.7 en 4.25, tweede lid.
Artikel 11.21
Onze Minister zendt binnen zes jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de beide Kamers der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 11.22
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een vergunning ten aanzien van een onderwerp waarin door deze wet is voorzien, die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is verstrekt, uiterlijk binnen een jaar na dat tijdstip met deze wet in overeenstemming is.
Het bestuurscollege kan een bouwvergunning die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is verstrekt, geheel of gedeeltelijk intrekken indien niet binnen een half jaar na dat tijdstip is begonnen met de bouwwerkzaamheden of indien de bouwwerkzaamheden na aanvang meer dan een half jaar stilliggen.
Artikel 11.23
Indien een algemene maatregel van bestuur krachtens deze wet later in werking treedt dan deze wet blijven in afwijking van de artikelen 215 en 216 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba de in de openbare lichamen onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende eilandsverordeningen ten aanzien van onderwerpen waarin door die algemene maatregel van bestuur wordt voorzien, van toepassing totdat die algemene maatregel van bestuur in werking treedt.
Artikel 11.24
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 11.25
Deze wet wordt aangehaald als: Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Paragraaf 5.1. Algemeen
Artikel 5.1
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld, die nodig zijn ter bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die inrichtingen daarvoor kunnen veroorzaken. Daarbij kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.
In afwijking van het eerste lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur categorieën van inrichtingen worden aangewezen, waarvoor het is verboden zonder een daartoe verleende vergunning een inrichting:
- a. op te richten;
- b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;
- c. in werking te hebben.
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, geldt niet voor het veranderen van een inrichting of de werking daarvan:
- a. dat in overeenstemming is met de voor die inrichting verleende vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften;
- b. voor zover daarop regels, gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, van toepassing zijn.
Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kan voor de daarbij aangegeven onderwerpen of categorieën van gevallen worden bepaald dat bij eilandverordening nadere regels worden gesteld die nodig zijn ter bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die inrichtingen daarvoor kunnen veroorzaken.
Paragraaf 5.2. Algemene regels
Artikel 5.6
Het bestuurscollege van het openbaar lichaam waar de inrichting zal zijn of is gelegen, is bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid.
In afwijking van het eerste lid kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat Onze Minister bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen.
In afwijking van het eerste en tweede lid kan Onze Minister, indien dat geboden is in het belang van de veiligheid van de Staat, in overeenstemming met Onze betrokken Minister, bepalen dat Onze Minister ten aanzien van een bij of krachtens zijn besluit aangewezen inrichting bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een vergunning.
Artikel 5.7
Indien bij of krachtens wettelijk voorschrift dan wel door een verandering van de inrichting of de werking daarvan de bevoegdheid te beslissen op aanvragen om een vergunning overgaat naar een ander bestuursorgaan, worden reeds voor die inrichting verleende vergunningen gelijkgesteld met vergunningen, verleend door dat andere bestuursorgaan.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de overgang, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 5.8
Indien een vergunning wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onderdeel a en b, en voor die inrichting al een of meer vergunningen krachtens deze wet zijn verleend, kan het bevoegd gezag, uit eigen beweging of op verzoek, bepalen dat een vergunning moet worden aangevraagd voor die verandering en voor het in werking hebben na die verandering van de gehele inrichting of onderdelen daarvan, waarmee die verandering samenhangt.
Indien het bevoegd gezag heeft bepaald dat een zodanige vergunning moet worden aangevraagd, besluit het tot het buiten behandeling laten van aanvragen om een vergunning voor de betrokken verandering van de inrichting of van de werking daarvan, die geen betrekking hebben op een zodanige vergunning.
Het bevoegd gezag kan de rechten die de vergunninghouder aan de al eerder verleende vergunningen ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van de artikelen 5.28 tot en met 5.32.
Een met toepassing van dit artikel verleende vergunning vervangt met ingang van het tijdstip waarop zij in werking treedt, de eerder voor de inrichting of met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onderdelen daarvan verleende vergunningen. Deze vergunningen vervallen op het tijdstip waarop de met toepassing van dit artikel verleende vergunning onherroepelijk wordt.
Artikel 5.9
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de aanvraag moet geschieden en de gegevens die door de aanvrager moeten worden verstrekt met het oog op de beslissing op de aanvraag.
Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval bepaald dat de aanvrager in gevallen waarin de vergunning betrekking heeft op het oprichten of veranderen van een inrichting, hetgeen tevens is aan te merken als bouwen in de zin van hoofdstuk 2:
- a. indien de aanvraag om een bouwvergunning voor dat bouwen tegelijk met de aanvraag om de vergunning krachtens dit hoofdstuk is ingediend, een afschrift van die aanvraag om een bouwvergunning bij zijn aanvraag overlegt;
- b. indien de aanvraag om een bouwvergunning voor dat bouwen niet tegelijk met de aanvraag om de vergunning krachtens deze wet wordt ingediend, een afschrift van die aanvraag om een bouwvergunning aan het bevoegd gezag overlegt gelijktijdig met de indiening van de aanvraag om de vergunning krachtens deze wet.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van het bepaalde krachtens het eerste en tweede lid.
Artikel 5.10
Het bestuurscollege stelt de inspecteur in de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een vergunning.
Indien Onze Minister bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een vergunning, stelt Onze Minister het bestuurscollege in de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een vergunning.
De adviseurs, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen te allen tijde uit eigen beweging advies uitbrengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een vergunning.
Artikel 5.11
Het bevoegd gezag betrekt bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval:
- a. de onderwerpen, genoemd in artikel 5.2, eerste lid, onderdeel a tot en met d;
- b. het systeem van met elkaar samenhangende technische, administratieve en organisatorische maatregelen om de gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, te monitoren, te beheersen en, voor zover het nadelige gevolgen betreft, te verminderen, dat degene die de inrichting drijft met betrekking tot die inrichting toepast, alsmede het milieubeleid dat hij met betrekking tot de activiteit voert.
Het bevoegd gezag houdt bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval rekening met het voor hem geldende milieubeleidsplan, bedoeld in artikel 1.4, en het voor hem geldende milieuprogramma, bedoeld in artikel 1.5.
Het bevoegd gezag neemt bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht:
- a. de voor hem geldende, krachtens artikel 5.19 gestelde regels;
- b. aanwijzingen die met betrekking tot de beslissing op de aanvraag krachtens artikel 5.33 door Onze Minister zijn gegeven.
Het bevoegd gezag geeft in de motivering van de beslissing op de aanvraag aan, op welke wijze de in het eerste lid genoemde aspecten de inhoud van het besluit hebben beïnvloed.
Artikel 5.12
Het bevoegd gezag draagt er bij de beslissing op de aanvraag zorg voor dat er geen strijd ontstaat met regels die met betrekking tot de inrichting gelden, gesteld bij of krachtens deze wet dan wel bij of krachtens de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES.
Artikel 5.13
De vergunning kan slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.
De vergunning wordt in ieder geval geweigerd indien:
- a. door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast;
- b. verlening daarvan niet in overeenstemming zou zijn met hetgeen overeenkomstig artikel 5.11, derde lid, door het bevoegd gezag in acht moet worden genomen;
- c. door verlening daarvan strijd zou ontstaan met regels als bedoeld in artikel 5.12.
In afwijking van het eerste lid kan de vergunning tevens worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een ontwikkelingsplan als bedoeld in de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES.
Artikel 5.14
In de vergunning wordt duidelijk aangegeven waarop zij betrekking heeft.
De vergunning kan in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend.
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden bepaald. Daarbij kan worden bepaald dat de gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.
Voor zover met betrekking tot de inrichting regels gelden, gesteld bij of krachtens deze wet, kunnen de beperkingen en voorschriften daarvan alleen afwijken voor zover dat bij wettelijk voorschrift is toegestaan.
Artikel 5.15
De aan een vergunning te verbinden voorschriften geven de doeleinden aan, die de vergunninghouder in het belang van de bescherming van het milieu op een door hem te bepalen wijze dient te verwezenlijken.
Bij de voorschriften worden emissiegrenswaarden gesteld voor stoffen of voor daarbij aan te wijzen groepen, families of categorieën van stoffen, die in aanmerkelijke hoeveelheden uit de inrichting kunnen vrijkomen en die direct of door overdracht tussen water, lucht en bodem nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.
Bij het vaststellen van de emissiegrenswaarden wordt uitgegaan van de emissies op het punt waar zij de bron, in voorkomend geval na reiniging, verlaten, tenzij dat redelijkerwijs niet mogelijk is. De emissiegrenswaarden worden vastgesteld zonder rekening te houden met een mogelijke verdunning.
Voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen daaraan in ieder geval ook voorschriften worden verbonden, inhoudende dat:
- a. wordt bepaald of aan de eerstbedoelde voorschriften wordt voldaan, waarbij de wijze van bepaling wordt aangegeven, die ten minste betrekking heeft op de methode en de frequentie van de bepaling en de procedure voor de beoordeling van de bij die bepaling verkregen gegevens en die tevens betrekking kan hebben op de organisatie van die bepalingen en beoordelingen en op de registratie van die gegevens en de resultaten van die beoordelingen;
- b. de bij die bepaling verkregen gegevens aan het bevoegd gezag worden gemeld of ter inzage gegeven of anderszins ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag.
Artikel 5.16
Voor zover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is, kunnen aan de vergunning voorschriften worden verbonden, inhoudende de verplichting tot het treffen van technische maatregelen.
Indien voorschriften als bedoeld in het eerste lid aan de vergunning worden verbonden in plaats van voorschriften als bedoeld in artikel 5.15, eerste en tweede lid, leiden de technische maatregelen tot een gelijkwaardige bescherming van het milieu.
Voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste lid, kunnen daaraan in ieder geval ook voorschriften worden verbonden, inhoudende dat:
- a. over de uitvoering van technische maatregelen waartoe die voorschriften verplichten, verslag wordt gedaan aan het bevoegd gezag;
- b. daarbij aangegeven metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht ter bepaling van de mate waarin de inrichting de nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, ter voorkoming of beperking waarvan die voorschriften zijn bedoeld.
Voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het derde lid, is artikel 5.15, vierde lid, onderdeel b, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.17
Aan de vergunning worden in ieder geval de voor de betrokken inrichting in aanmerking komende voorschriften verbonden met betrekking tot:
- a. een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen;
- b. de bescherming van bodem, oppervlaktewaterlichamen en grondwater;
- c. het voorkomen van het ontstaan van afvalstoffen en afvalwater en, voor zover dat niet mogelijk is, het doelmatig beheer van afvalstoffen en van afvalwater;
- d. het beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting;
- e. het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van door de inrichting veroorzaakte verontreinigingen over lange afstand of grensoverschrijdende verontreinigingen;
- f. het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu, die kunnen worden veroorzaakt door opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen, definitieve bedrijfsbeëindiging of andere bijzondere bedrijfsomstandigheden;
- g. het voorkomen van ongevallen en het beperken van de gevolgen van ongevallen;
- h. het treffen van maatregelen om bij definitieve bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de inrichting heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie.
Artikel 5.18
Aan de vergunning kunnen in het belang van de bescherming van het milieu andere voorschriften worden verbonden. Die voorschriften kunnen in ieder geval inhouden:
- a. dat daarbij aangegeven andere metingen, berekeningen of tellingen dan bedoeld in de artikelen 5.15 en 5.16 moeten worden verricht ter bepaling van de mate waarin de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt;
- b. dat in een mate als bij het voorschrift aangegeven, onderzoek wordt verricht naar mogelijkheden tot verdergaande bescherming van het milieu dan waarin de andere aan de vergunning verbonden voorschriften voorzien;
- c. dat de uitkomsten van daarbij aangegeven metingen, berekeningen, tellingen of onderzoeken worden geregistreerd en bewaard dan wel worden gemeld of ter beschikking gesteld van bij het voorschrift aangewezen bestuursorganen;
- d. dat wordt voldaan aan daarbij aangegeven eisen ten aanzien van de vakbekwaamheid van in de inrichting werkzame personen;
- e. dat aan de in de inrichting werkzame personen schriftelijk instructies worden gegeven om handelen in strijd met de vergunning, de daaraan verbonden voorschriften of bij of krachtens artikel 5.1, eerste lid, gestelde regels tegen te gaan, en dat toezicht wordt gehouden op het naleven van die instructies;
- f. dat met betrekking tot in het voorschrift geregelde, daarbij aangegeven onderwerpen wordt voldaan aan nadere eisen die door een bij het voorschrift aangewezen bestuursorgaan worden gesteld;
- g. dat van daarbij aangegeven veranderingen als bedoeld in artikel 5.1, derde lid, binnen een in het voorschrift te bepalen termijn schriftelijk mededeling wordt gedaan aan het bevoegd gezag of een door hem aangewezen instantie;
- h. dat met het oog op het kunnen voldoen aan de andere aan de vergunning verbonden voorschriften daarbij aangegeven organisatorische en administratieve maatregelen worden getroffen;
- i. dat met betrekking tot een bij het voorschrift aangegeven onderwerp waarover geen andere voorschriften aan de vergunning zijn verbonden, voldoende zorg in acht wordt genomen.
Bij een voorschrift inzake nadere eisen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, kan worden aangegeven hoe van die eisen door het aangewezen bestuursorgaan openbaar wordt kennisgegeven.
Artikel 5.19
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld, inhoudende de verplichting voor het bevoegd gezag beperkingen of voorschriften, die nodig zijn ter bescherming van het milieu en waarvan de inhoud in die maatregel is aangegeven, aan te brengen onderscheidenlijk te verbinden aan de vergunningen voor inrichtingen die behoren tot een bij de maatregel aangewezen categorie. Bij de algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.
Artikel 5.2, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op de beslissing tot het vaststellen van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid.
Ten aanzien van bij het eerste lid aan te wijzen beperkingen en voorschriften zijn de artikelen 5.14, derde lid, eerste volzin, 5.15 tot en met 5.18 en 5.28, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald in hoeverre het bevoegd gezag met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen van bij de maatregel gestelde regels kan afwijken of nadere eisen kan stellen. Daarbij kan worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken of tot het stellen van nadere eisen slechts geldt in bij de maatregel aangegeven categorieën van gevallen.
Bij de maatregel wordt voor de daarbij opgelegde verplichtingen het tijdstip aangegeven, waarop zij met betrekking tot de reeds verleende vergunningen moeten zijn uitgevoerd.
Artikel 5.20
Indien de vergunning betrekking heeft op een inrichting waarin afvalstoffen nuttig worden toegepast of worden verwijderd, bevat de vergunning ten minste de verplichtingen:
- a. tot het registreren van:
- 1°. daarbij aangewezen afvalstoffen die in de inrichting nuttig worden toegepast of worden verwijderd: naar hoeveelheid, aard en oorsprong;
- 2°. stoffen die bij de nuttige toepassing of verwijdering van die afvalstoffen worden gebruikt of verbruikt: naar aard en hoeveelheid;
- 3°. stoffen, preparaten en producten, hieronder mede begrepen afvalstoffen, die bij de nuttige toepassing of verwijdering ontstaan: naar aard en hoeveelheid;
- 4°. de wijze waarop de onder 3° bedoelde afvalstoffen nuttig worden toegepast of worden verwijderd;
- 5°. stoffen, preparaten en producten die de inrichting verlaten, voor zover deze bij de nuttige toepassing of verwijdering zijn ontstaan: naar aard en hoeveelheid, en
- b. tot het bewaren van de geregistreerde gegevens gedurende ten minste vijf jaren.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de registratie plaatsvindt.
Artikel 5.21
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald dat in daarbij aangegeven categorieën van gevallen waarin inrichtingen ernstige nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, aan de vergunning tevens voorschriften kunnen worden verbonden, die de verplichting inhouden dat degene die de inrichting drijft:
- a. financiële zekerheid stelt voor het nakomen van krachtens de vergunning voor hem geldende verplichtingen;
- b. financiële zekerheid stelt ter dekking van zijn aansprakelijkheid voor schade die voortvloeit uit door de inrichting veroorzaakte nadelige gevolgen voor het milieu.
Bij een maatregel krachtens het eerste lid worden nadere regels gesteld met betrekking tot de op te leggen voorschriften. Daarbij worden in ieder geval aangegeven het bedrag waarvoor en de termijn gedurende welke de zekerheid ten hoogste in stand moet worden gehouden, alsmede de voorwaarden waaraan moet worden voldaan alvorens de verplichting kan komen te vervallen.
Bij de maatregel kunnen regels worden gesteld voor gevallen waarin aan de verplichting uitvoering wordt gegeven door het sluiten en in stand houden van een verzekering. Daarbij wordt rekening gehouden met hetgeen redelijkerwijs door verzekering kan worden gedekt.
Indien overeenkomstig het eerste lid een voorschrift als bedoeld in dat lid, onderdeel a, aan een vergunning is verbonden, kan het bevoegd gezag bij het niet nakomen door de houder van de vergunning van een krachtens de vergunning voor hem geldende verplichting waarvoor financiële zekerheid is gesteld, bepalen tot welk bedrag het verhaal zal nemen op de gestelde zekerheid. Het bevoegd gezag kan het te verhalen bedrag invorderen bij dwangbevel.
Artikel 5.22
In een vergunning kan worden bepaald:
- a. dat daarbij aangewezen voorschriften eerst in werking treden op een daarbij aangegeven tijdstip, dan wel wanneer een daarbij aangegeven omstandigheid zich voordoet;
- b. dat daarbij aangewezen voorschriften slechts gelden tot een daarbij aangegeven tijdstip, dan wel omstandigheid;
- c. dat daarbij aangewezen voorschriften nadat de vergunning haar gelding heeft verloren, gedurende een daarbij aangegeven termijn van kracht blijven.
Artikel 5.23
In een vergunning kan worden bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij vast te stellen termijn van ten hoogste vijf jaar, indien:
- a. de inrichting waarop de vergunning betrekking heeft, naar haar aard tijdelijk is;
- b. uit de aanvraag blijkt dat de vergunning slechts voor een daarbij aangegeven termijn wordt gevraagd;
- c. dat nodig is in het belang van het ontwikkelen van werkwijzen in de inrichting, die minder nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken;
- d. dat nodig is in verband met het ontwikkelen van een beter inzicht in de gevolgen van de inrichting voor het milieu.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van inrichtingen waarin afvalstoffen nuttig worden toegepast of worden verwijderd, worden aangewezen, ten aanzien waarvan de vergunning, voor zover zij deze handelingen betreft, slechts geldt voor een bij de vergunning te stellen termijn van ten hoogste tien jaar. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de eerste volzin, kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts betrekking heeft op daarbij aangegeven categorieën van gevallen.
In een vergunning wordt bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij aangegeven termijn, voor zover dat is bepaald bij een algemene maatregel van bestuur, die is vastgesteld ter uitvoering van een voor de openbare lichamen verbindend verdrag of een voor de openbare lichamen verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie. De bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de eerste volzin, aangegeven termijn kan zo nodig afwijken van de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen.
Artikel 5.24
De vergunning voor een inrichting vervalt:
- a. indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht;
- b. indien de inrichting een stortplaats is en deze krachtens artikel 5.35 voor gesloten in verklaard.
Indien kan worden verwacht dat de inrichting niet binnen de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde termijn kan worden voltooid en in werking gebracht, kan in de vergunning een andere termijn worden vastgesteld, die daarvoor in de plaats treedt.
Artikel 5.25
Een voor een inrichting verleende vergunning geldt tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder voorwaarde dat:
- a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;
- b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zesde lid, onderdeel a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en
- c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 5.28, 5.29 of 5.31.
Het eerste lid is niet van toepassing op veranderingen ten aanzien waarvan, indien zij vergunningplichtig zouden zijn geweest, bij de voorbereiding van de besluiten ter zake, een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 had moeten worden gemaakt.
Een besluit inzake een verklaring als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes weken na ontvangst van de melding, bekendgemaakt.
Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee weken na de bekendmaking van de verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, geeft het bevoegd gezag openbaar kennis daarvan. Indien de verklaring betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een krachtens artikel 5.10, eerste lid, aangewezen categorie, zendt het bevoegd gezag bovendien een afschrift van de melding en de verklaring aan de inspecteur.
Het bevoegd gezag geeft een ieder desgevraagd kosteloos inzage in de melding en de daarbij behorende stukken en verstrekt daarvan desgevraagd tegen betaling van de kosten een afschrift.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot:
- a. de gegevens die bij de melding moeten worden verstrekt;
- b. de openbare kennisgeving van de verklaring.
Artikel 5.26
Een voor een inrichting verleende vergunning geldt voor een ieder die de inrichting drijft. Degene die de inrichting drijft, draagt er zorg voor dat de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.
Indien een vergunning zal gaan gelden voor een ander dan de vergunninghouder, meldt de vergunninghouder dat ten minste een maand voordien aan het bevoegd gezag, onder vermelding van de bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gegevens.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van gevallen worden aangegeven, waarin de vergunning slechts geldt voor degene aan wie zij is verleend. Daarbij kan tevens worden bepaald dat in daarbij aangegeven categorieën van gevallen:
- a. de vergunning nog gedurende een daarbij aangegeven termijn blijft gelden voor rechtsopvolgers van degene aan wie zij is verleend;
- b. de vergunning ook geldt voor een rechtspersoon, aan wie zij is overgedragen door een andere rechtspersoon, indien daarvoor door het bevoegd gezag toestemming is verleend.
Artikel 5.27
Indien met betrekking tot een inrichting waarvoor de bij of krachtens artikel 5.1, tweede lid, gestelde verboden niet gelden, die verboden op enig tijdstip gaan gelden, kan die inrichting in afwijking van die bepaling zonder vergunning in werking worden gehouden tot twaalf weken na dat tijdstip en, indien binnen deze termijn een aanvraag om de krachtens die bepaling vereiste vergunning is ingediend, vervolgens tot acht weken na het tijdstip waarop de beschikking op die aanvraag in werking is getreden.
Indien zodanige verboden gaan gelden ten gevolge van een verandering van de inrichting of van de werking daarvan, is het eerste lid niet van toepassing, voor zover het die verandering betreft.
Indien de bij of krachtens artikel 5.1, tweede lid, gestelde verboden met betrekking tot de inrichting niet golden, blijven de voorschriften die krachtens een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 5.1, eerste lid, voor de inrichting golden onmiddellijk voor het gaan gelden van die verboden, voor de inrichting van toepassing gedurende de periode waarin de inrichting ingevolge het eerste lid zonder vergunning in werking mag worden gehouden, behoudens voor zover het veranderingen als bedoeld in het tweede lid betreft.
Artikel 5.28
Het bevoegd gezag beziet regelmatig of de beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en de voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
Het bevoegd gezag wijzigt de beperkingen waaronder de vergunning is verleend en de voorschriften die daaraan zijn verbonden, vult deze aan of trekt ze in, dan wel brengt alsnog beperkingen aan, of verbindt alsnog voorschriften aan de vergunning, voor zover blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt.
Met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van de beperkingen en voorschriften zijn de artikelen 5.10 tot en met 5.23 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.29
Het bevoegd gezag kan beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.
Een belanghebbende, met uitzondering van de vergunninghouder, kan het bevoegd gezag verzoeken een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu met toepassing van het eerste lid te wijzigen.
Met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van de beperkingen en voorschriften zijn de artikelen 5.10 tot en met 5.23 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.30
Op aanvraag van de vergunninghouder kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden.
Met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van die beperkingen en voorschriften zijn de artikelen 5.10 tot en met 5.23 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.31
Het bevoegd gezag kan, onverminderd het in de artikelen 5.33 en 10.7 bepaalde, een vergunning voor een inrichting geheel of gedeeltelijk intrekken:
- a. indien de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en toepassing van artikel 5.29 redelijkerwijs daarvoor geen oplossing biedt;
- b. indien dit in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen noodzakelijk is;
- c. indien gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;
- d. indien de inrichting geheel of gedeeltelijk is verwoest;
- e. indien, in gevallen als aangegeven krachtens artikel 5.26, derde lid, de vergunninghouder niet meer degene is, die de inrichting drijft;
Het bevoegd gezag trekt de vergunning in:
- a. indien door toepassing van artikel 5.28, tweede lid, redelijkerwijs niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast;
- b. voor zover regels vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van een voor de openbare lichamen verbindend verdrag of een voor de openbare lichamen verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, hiertoe verplichten.
Een belanghebbende, met uitzondering van de vergunninghouder, kan het bevoegd gezag verzoeken een vergunning met toepassing van het eerste lid in te trekken.
Met betrekking tot een beslissing als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 5.10 tot en met 5.12 van overeenkomstige toepassing.
In een geval als aangegeven bij of krachtens artikel 5.21 kan een voorschrift overeenkomstig de betrokken algemene maatregel van bestuur aan de beschikking tot intrekking worden verbonden. Artikel 5.21, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
In de beschikking tot intrekking kan worden bepaald dat een voorschrift als bedoeld in het vijfde lid, dan wel daarbij aangewezen aan de vergunning verbonden voorschriften gedurende een daarbij aan te geven termijn blijven gelden.
Het bevoegd gezag gaat tot intrekking van een vergunning op grond van het eerste lid, onderdeel c, d of e, of het tweede lid niet over zonder de vergunninghouder in de gelegenheid te hebben gesteld binnen een termijn van zes weken schriftelijk of mondeling zienswijzen over de intrekking naar voren te brengen. Van de beschikking wordt mededeling gedaan door toezending daarvan aan de adviseurs, bedoeld in artikel 5.10, eerste en tweede lid.
Artikel 5.32
Het bevoegd gezag kan de vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken op verzoek van de vergunninghouder, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
Met betrekking tot de beslissing ter zake zijn de artikelen 5.11 en 5.12 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.31, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.33
In gevallen waarin het bestuurscollege het bevoegd gezag is, kan Onze Minister, indien dat in het algemeen belang geboden is, aan het bestuurscollege een bindende aanwijzing geven ter zake van het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een vergunning of ten aanzien van een reeds verleende vergunning. Daarbij houdt hij rekening met het geldende milieubeleidsplan voor de openbare lichamen, bedoeld in artikel 1.4.
Onze Minister pleegt over een voornemen tot het geven van een aanwijzing overleg met het bestuurscollege.
Onze Minister deelt het voornemen, onder vermelding van de redenen daarvoor, mede aan de beide Kamers der Staten-Generaal.
De aanwijzing wordt vermeld in de beschikking van het bestuurscollege, ter zake waarvan zij is gegeven. Een exemplaar van de aanwijzing wordt gevoegd bij ieder exemplaar van die beschikking.
Paragraaf 5.4. Regels met betrekking tot stortplaatsen
Paragraaf 5.5. Regels met betrekking tot badinrichtingen en zwemgelegenheden
Artikel 5.39
Degene die voornemens is een badinrichting op te richten, te wijzigen of uit te breiden, geeft van dit voornemen kennis aan het bestuurscollege.
Het is de houder van een badinrichting verboden gelegenheid tot zwemmen of baden in die badinrichting te geven indien niet is voldaan aan de voorschriften, bedoeld in het derde lid.
In het belang van de hygiëne en de veiligheid van de bezoekers van de badinrichting worden bij algemene maatregel van bestuur voorschriften gegeven, waarbij kan worden bepaald dat bij eilandverordening nadere regels worden gesteld.
Artikel 5.4 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.40
Indien de omstandigheden met betrekking tot een badinrichting, daartoe vanuit het oogpunt van hygiëne of veiligheid van de bezoekers aanleiding geven, kan het bestuurscollege de houder van de inrichting gelasten deze te sluiten.
Artikel 5.41
De voordracht voor een krachtens artikel 5.1 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Hoofdstuk 6. Bodem
Hoofdstuk 7. Milieueffectrapportage
Artikel 7.1
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden activiteiten aangewezen die:
- a. belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;
- b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij worden verricht belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden categorieën van besluiten omtrent de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, aangewezen, waarvoor een milieueffectrapport wordt gemaakt alvorens het bevoegd gezag het besluit neemt.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden categorieën van besluiten omtrent de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aangewezen, waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of deze activiteiten vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder ze verricht worden belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, en indien dat het geval is, waarvoor een milieueffectrapport wordt gemaakt alvorens het bevoegd gezag het besluit neemt.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden plannen met betrekking tot de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, aangewezen, waarvoor bij de voorbereiding ervan een milieueffectrapport wordt gemaakt indien het plan het kader vormt voor een besluit als bedoeld in het tweede lid.
Geen milieueffectrapport hoeft te worden overgelegd indien:
- a. voor de voorgenomen activiteit of een activiteit waarvan de voorgenomen activiteit een herhaling of voortzetting is, of voor het plan, reeds eerder een milieueffectrapport is gemaakt, en een nieuw milieueffectrapport redelijkerwijs geen relevante nieuwe gegevens kan bevatten, of
- b. de activiteit waarvoor het milieueffectrapport moet worden gemaakt, naar het oordeel van Onze Minister in het algemeen belang onverwijld moet worden uitgevoerd.
Een besluit als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, bevat in elk geval:
- a. een beschrijving van de voorgenomen activiteit;
- b. een beschrijving van de omstandigheden waaronder de activiteit zal worden uitgevoerd;
- c. de redenen voor het besluit, en
- d. een aanduiding van de mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
Ingeval ter zake van een activiteit tegelijkertijd een besluit en een plan worden voorbereid en dat plan uitsluitend wordt voorbereid met het oog op de inpassing van die activiteit in dat plan, wordt ter voorbereiding van dat besluit en dat plan één milieueffectrapport gemaakt. Het milieueffectrapport wordt voorbereid met toepassing van paragraaf 7.2.
Uiterlijk twee weken na het nemen van het besluit, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, doet het bevoegd gezag gelijktijdig mededeling van dat besluit door kennisgeving in een of meer plaatselijke dagbladen, in de Staatscourant en op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze, en wordt een exemplaar van dat besluit ter inzage gelegd, ten aanzien waarvan in de kennisgeving de plaats, het tijdstip en de uren worden vermeld.
Artikel 7.2
In gevallen waarin een besluit wordt genomen op verzoek van degene die de betrokken activiteit onderneemt, maakt deze het milieueffectrapport.
In andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen maakt het bevoegd gezag het milieueffectrapport.
Paragraaf 7.2. De milieueffectrapportage die betrekking heeft op een besluit
Artikel 7.3
Een milieueffectrapport dat betrekking heeft op een besluit bevat ten minste de volgende gegevens:
- a. een beschrijving van hetgeen met de voorgenomen activiteit wordt beoogd;
- b. een beschrijving van de voorgenomen activiteit en van de wijze waarop zij zal worden uitgevoerd, alsmede van de alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, en de motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven;
- c. een aanduiding van het besluit of de besluiten bij de voorbereiding waarvan het milieueffectrapport wordt gemaakt, en een overzicht van de eerder genomen beslissingen van bestuursorganen, die betrekking hebben op de voorgenomen activiteit en de beschreven alternatieven;
- d. een beschrijving van de bestaande toestand van het milieu, voor zover de voorgenomen activiteit of de beschreven alternatieven daarvoor gevolgen kunnen hebben, alsmede van de te verwachten ontwikkeling van dat milieu, indien die activiteit noch de alternatieven worden ondernomen;
- e. een beschrijving van de gevolgen voor het milieu, die de voorgenomen activiteit, onderscheidenlijk de beschreven alternatieven kunnen hebben, alsmede een motivering van de wijze waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven;
- f. een vergelijking van de ingevolge onderdeel d beschreven te verwachten ontwikkeling van het milieu met de beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit, alsmede met de beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van elk der in beschouwing genomen alternatieven;
- g. een beschrijving van de maatregelen om belangrijke nadelige milieueffecten van de activiteit te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk teniet te doen;
- h. een overzicht van de leemten in de beschrijvingen, bedoeld in de onderdelen d en e, ten gevolge van het ontbreken van de benodigde gegevens;
- i. een samenvatting die aan een algemeen publiek voldoende inzicht geeft voor de beoordeling van het milieueffectrapport en van de daarin beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit en van de beschreven alternatieven.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld worden met betrekking tot de wijze waarop de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden bepaald en beschreven.
Artikel 7.4
Degene die een aangewezen activiteit als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, onderdeel a, wil ondernemen en voornemens is een aanvraag in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 7.1, tweede lid, deelt dat voornemen schriftelijk mee aan het bevoegd gezag.
Op verzoek van de aanvrager kan het bevoegd gezag advies uitbrengen inzake de reikwijdte en het detailniveau van de informatie ten behoeve van een milieueffectrapport.
Bij afwezigheid van een verzoek als bedoeld in het tweede lid, kan het bevoegd gezag ambtshalve advies uitbrengen.
Het bevoegd gezag geeft uiterlijk acht weken na ontvangst van het verzoek dan wel bij ontstentenis daarvan uiterlijk acht weken na de mededeling van het voornemen, een advies inzake de reikwijdte en het detailniveau van de informatie ten behoeve van een milieueffectrapport.
Artikel 7.5
Degene die een aangewezen activiteit als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, onderdeel b, wil ondernemen en voornemens is een aanvraag in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 7.1, derde lid, deelt dat schriftelijk mee aan het bevoegd gezag.
Het bevoegd gezag neemt uiterlijk acht weken na de datum van ontvangst een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het besluit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
Indien het bevoegd gezag oordeelt dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt, brengt het bevoegd gezag samen met de beslissing advies uit inzake de reikwijdte en het detailniveau van de informatie ten behoeve van een milieueffectrapport.
Artikel 7.6
Een milieueffectrapport dat betrekking heeft op een besluit, wordt samen met de aanvraag aan het bevoegd gezag overgelegd.
Het bevoegd gezag geeft kennis van de aanvraag en het milieueffectrapport in één of meer plaatselijke dagbladen en voorts op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze.
In de kennisgeving wordt vermeld:
- a. dat de stukken betreffende de aanvraag en het milieueffectrapport openbaar zullen worden gemaakt, en waar en wanneer,
- b. dat er gelegenheid wordt geboden zienswijzen over de aanvraag en het erbij behorende milieueffectrapport naar voren te brengen, aan wie, op welke wijze en binnen welke termijn, en
- c. of en welke onafhankelijke instantie in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen over de aanvraag en het erbij behorende milieueffectrapport.
Indien er een onafhankelijke instantie advies zal uitbrengen, zendt het bevoegd gezag een exemplaar van de aanvraag en het erbij behorende milieueffectrapport onverwijld aan de onafhankelijke instantie, bedoeld in het derde lid, onderdeel c. Deze onafhankelijke instantie brengt binnen acht weken na de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, haar advies uit.
Artikel 7.7
Het bevoegd gezag laat een verzoek tot het nemen van een besluit waarvoor een milieueffectrapport moet worden opgesteld buiten behandeling indien:
- a. bij het indienen van de aanvraag geen milieueffectrapport is overlegd;
- b. het overgelegde milieueffectrapport niet voldoet aan artikel 7.3, dan wel onjuistheden bevat.
Artikel 7.8
In het besluit wordt in ieder geval vermeld:
- a. de wijze waarop rekening is gehouden met de in het milieueffectrapport beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van de activiteit waarop het besluit betrekking heeft;
- b. hetgeen is overwogen omtrent de in het milieueffectrapport beschreven alternatieven;
- c. hetgeen is overwogen omtrent de overeenkomstig artikel 7.6, derde lid, onderdeel b, naar voren gebrachte zienswijzen;
- d. indien er een advies, als bedoeld in artikel 7.6, vierde lid, is uitgebracht, hetgeen is overwogen omtrent dit advies.
Paragraaf 5.4. Regels met betrekking tot stortplaatsen
Artikel 7.9
Het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een plan als bedoeld in artikel 7.1, vierde lid, wordt opgesteld door het bevoegd gezag en bevat ten minste:
- a. een beschrijving van hetgeen met de voorgenomen activiteit wordt beoogd;
- b. een beschrijving van de voorgenomen activiteit, alsmede van de alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, en de motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven;
- c. een overzicht van eerder vastgestelde plannen die betrekking hebben op de voorgenomen activiteit en de beschreven alternatieven;
- d. een beschrijving van de bestaande toestand van het milieu, voor zover de voorgenomen activiteit of de beschreven alternatieven daarvoor gevolgen kunnen hebben, alsmede van de te verwachten ontwikkeling van dat milieu, indien die activiteit noch de alternatieven worden ondernomen;
- e. een beschrijving van de gevolgen voor het milieu, die de voorgenomen activiteit, onderscheidenlijk de beschreven alternatieven kunnen hebben, alsmede een motivering van de wijze waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven;
- f. een vergelijking van de ingevolge onderdeel d beschreven te verwachten ontwikkeling van het milieu met de beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit, alsmede met de beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van elk der in beschouwing genomen alternatieven;
- g. een beschrijving van de maatregelen om belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu van de activiteit te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk teniet te doen;
- h. een overzicht van de leemten in de beschrijvingen, bedoeld in de onderdelen d en e, ten gevolge van het ontbreken van de benodigde gegevens;
- i. een samenvatting die aan een algemeen publiek voldoende inzicht geeft voor de beoordeling van het milieueffectrapport en van de daarin beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit en van de beschreven alternatieven.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld worden met betrekking tot de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde gegevens worden bepaald en beschreven.
Artikel 7.10
Alvorens het milieueffectrapport op te stellen, raadpleegt het bevoegd gezag de adviseurs en de bestuursorganen die ingevolge het wettelijk voorschrift waarop het plan berust bij de voorbereiding van het plan worden betrokken over de reikwijdte en het detailniveau van de informatie die gericht is op wat relevant is voor het plan en die op grond van artikel 7.9 in het milieueffectrapport moet worden opgenomen.
Artikel 7.11
Het bevoegd gezag geeft kennis van het plan en het milieueffectrapport in één of meer plaatselijke dagbladen en voorts op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze.
In de kennisgeving wordt vermeld:
- a. dat de stukken betreffende het ontwerp van het plan en het milieueffectrapport openbaar zullen worden gemaakt, en waar en wanneer,
- b. dat er gelegenheid wordt geboden zienswijzen naar voren te brengen, aan wie, op welke wijze en binnen welke termijn, en
- c. of en welke onafhankelijke instantie in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen over het ontwerp van het plan en het daarbij behorende milieueffectrapport.
Indien er een onafhankelijke instantie advies zal uitbrengen, zendt het bevoegd gezag een exemplaar van het ontwerp van het plan en het erbij behorende milieueffectrapport onverwijld aan de onafhankelijke instantie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c. Deze onafhankelijke instantie brengt binnen acht weken na de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, haar advies uit.
Artikel 7.12
Het bevoegd gezag stelt een plan als bedoeld in artikel 7.1, vierde lid, niet vast:
- a. dan nadat een milieueffectrapport is gemaakt;
- b. indien het plan ten opzichte van het ontwerp van dat plan zodanig is gewijzigd dat de gegevens die in het milieueffectrapport zijn opgenomen redelijkerwijs niet meer aan het plan ten grondslag kunnen worden gelegd.
Artikel 7.13
Bij de vaststelling van het plan wordt in ieder geval vermeld:
- a. de wijze waarop rekening is gehouden met de in het milieueffectrapport beschreven gevolgen voor het milieu van de activiteit waarop het plan betrekking heeft;
- b. hetgeen is overwogen omtrent de in het milieueffectrapport beschreven alternatieven;
- c. hetgeen is overwogen omtrent de overeenkomstig artikel 7.11, tweede lid, onderdeel b, naar voren gebrachte zienswijzen;
- d. indien er een advies als bedoeld in artikel 7.11, derde lid, is uitgebracht, hetgeen overwogen is omtrent dit advies.
Hoofdstuk 8. Maatregelen in bijzondere omstandigheden
Paragraaf 8.1. Ongewone voorvallen
Artikel 8.1
Degene die een inrichting drijft, treft alle maatregelen die nodig zijn om een ongewoon voorval te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken.
Indien zich in een inrichting een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, treft degene die de inrichting drijft, onmiddellijk de maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd, om de gevolgen van die gebeurtenis te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.
Artikel 8.2
Degene die een inrichting drijft, waarin zich een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, meldt dit voorval zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het verlenen van de vergunning krachtens artikel 5.1, tweede lid, indien het een inrichting betreft die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, is aangewezen, dan wel, in andere gevallen, aan het bestuurscollege.
Het bevoegd gezag kan in een vergunning voor een inrichting of bij een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 5.4 voor een ongewoon voorval, waarvan de nadelige gevolgen voor het milieu niet significant zijn:
- a. bepalen dat in afwijking van het eerste lid het voorval wordt geregistreerd;
- b. voorschrijven binnen welke termijn het voorval wordt gemeld. Deze termijn kan afwijken van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, om het voorval zo spoedig mogelijk te melden.
Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, zijn het vierde en vijfde lid, niet van toepassing.
In aanvulling op een melding als bedoeld in het eerste lid, verstrekt degene die een inrichting drijft, het bevoegd gezag tevens, zodra zij bekend zijn, de gegevens met betrekking tot:
- a. de oorzaken van het ongewone voorval en de omstandigheden waaronder dit zich heeft voorgedaan;
- b. de ten gevolge van het ongewone voorval vrijgekomen stoffen, alsmede hun eigenschappen;
- c. andere gegevens die van belang zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor het milieu van het ongewone voorval te kunnen beoordelen;
- d. de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de gevolgen van het ongewone voorval te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken;
- e. de maatregelen die worden overwogen om te voorkomen dat een zodanig ongewoon voorval zich nogmaals kan voordoen.
Het bevoegd gezag dat de melding, bedoeld in het eerste of vierde lid, ontvangt, geeft van die melding en de daarbij verstrekte gegevens onverwijld kennis aan de gezaghebber, de inspecteur en andere bestuursorganen of overheidsdiensten die direct belang hebben bij een onverwijlde mededeling.
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ter zake de melding, bedoeld in het eerste of vierde lid.
Paragraaf 8.2. Milieuschade
Paragraaf 7.3. De milieueffectrapportage die betrekking heeft op een plan
Artikel 8.5
Degene die een inrichting drijft, treft alle maatregelen die redelijkerwijze mogelijk zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken.
Artikel 8.6
Degene die een inrichting drijft die behoort tot één van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën, stelt een veiligheidsrapport op waarin het gevoerde beleid ter voorkoming van zware ongevallen, rekening houdend met de aanwezigheid en de omvang van de risico's, is vastgelegd.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen:
- a. nadere regels worden gesteld omtrent de inhoud van het veiligheidsrapport, bedoeld in het eerste lid;
- b. instanties worden aangewezen die het bevoegd gezag adviseren bij de beoordeling van het veiligheidsrapport.
De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Hoofdstuk 9. Stoffen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)