Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 21 april 2016, kenmerk ACM/DE/2016/202150, houdende de vaststelling van de voorwaarden als bedoeld in artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998 (Meetcode elektriciteit)

Type ZBO-regeling
Publication 2025-12-01
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Indien de MP-erkenner voornemens is de erkenning in te trekken doet hij de meterplaatser daarvan een mededeling per brief met ontvangstbevestiging, onder vermelding van de redenen voor intrekking alsmede de ingangsdatum. De MP-erkenner trekt de erkenning niet eerder in dan nadat de meterplaatser een redelijke termijn heeft gekregen om de geconstateerde tekortkomingen te herstellen, tenzij herstel, gelet op de aard van de tekortkoming, naar het oordeel van de MP-erkenner niet mogelijk is of te veel tijd kost.

B4.1.4.3

De MP-erkenner maakt door hem opgelegde intrekkingen zo spoedig mogelijk openbaar op zijn website.

B4.1.4.4

De erkenning wordt, onverminderd het in deze code omtrent intrekking bepaalde, in ieder geval beëindigd op verzoek van de desbetreffende meterplaatser en indien deze heeft opgehouden te bestaan.

B4.2.1.9

B4.2.1.1

B4.2.1.1

Tot het uitoefenen van meetverantwoordelijkheid voor een aansluiting laat de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet slechts personen toe aan wie hij op de voet van B4.2.1.7 een erkenning als meetverantwoordelijke heeft verleend.

B4.2.2. Het MV-register

De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet kan aan een persoon op aanvraag een erkenning als meetverantwoordelijke verlenen.

B4.2.1.3

De meetverantwoordelijke heeft het recht:

B4.2.1.4

Desgewenst kan bij de in B4.2.1.2 bedoelde verlening van erkenning onderscheid gemaakt worden tussen erkenning voor verschillende categorieën meetinrichtingen conform het toepassingsgebied van de onder B4.2.1.7 genoemde certificering.

B4.2.1.5

De in B4.2.1.3 genoemde rechten zijn niet overdraagbaar.

B4.2.1.6

De meetverantwoordelijke mag de in B4.2.1.3 genoemde rechten uitoefenen met ingang van de dag die volgt op de dag waarop hij als zodanig in het MV-register, bedoeld in B4.2.2, is ingeschreven.

B4.2.1.7

B4.2.3. Einde van erkenning als meetverantwoordelijke

B4.2.1.8

Het aanvragen van erkenning geschiedt schriftelijk.

B4.2.1.9

Op een aanvraag om erkenning wordt binnen tien werkdagen schriftelijk beslist.

B4.2.1.10

De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet kan een voorlopige erkenning verlenen voor de duur van zes maanden. Heeft de aanvrager niet binnen deze zes maanden aan het in B4.2.1.7 gestelde voldaan, dan wordt het verzoek om erkenning alsnog afgewezen.

B4.2.1.11

Een meetverantwoordelijke is verplicht de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet binnen tien werkdagen alle wijzigingen van gegevens die voor de erkenning van belang zijn, op te geven, daaronder begrepen vernieuwing of wijziging van de onder B4.2.1.7 bedoelde certificering.

B4.2.1.12

Een erkenning geldt behoudens tussentijdse intrekking of beëindiging tot het einde van het desbetreffende kalenderjaar en wordt telkenmale voor de duur van een kalenderjaar verlengd, indien de meetverantwoordelijke vóór 1 december daaraan voorafgaand aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet heeft aangetoond nog steeds aan de in B4.2.1.7 genoemde eisen te voldoen.

B4.2.2. Het MV-register

B4.2.2.1

De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet beheert een register, hierna te noemen het MV-register, waarin de namen, adressen, telefoon- en faxnummers alsmede de gegevens ten behoeve van elektronische gegevensuitwisseling zijn vermeld van de in B4.2.1.1 bedoelde personen.

Bijlage 5. Schatting van meetgegevens

B5.1

Indien een meetverantwoordelijke of een netbeheerder moet schatten, wordt rekening gehouden met de volgende uitgangspunten:

  • a. De geschatte meetgegevens zijn gegeven de beschikbare informatie en technieken een nauwkeurige benadering van de werkelijke met het net uitgewisselde hoeveelheid energie.
  • b. Onzekerheden in de geschatte meetgegevens komen ten laste van de aangeslotene.

De meetverantwoordelijke of netbeheerder hanteert per programmatijdseenheid (PTE: 15 minuten) een van de volgende methoden om de geschatte meetgegevens te bepalen en communiceert de gehanteerde methode in het bericht met de meetgegevens:

  • A. Indien er sprake is van één of meer productie-installaties achter de aansluiting, wordt er voor de energieuitwisseling vanuit de installatie naar het net een nul geschat. Voor de energieuitwisseling vanuit het net naar de installatie wordt de onder B beschreven methode gehanteerd er van uitgaande dat de productie-installaties niet produceren, tenzij de meetverantwoordelijke na overleg met de aangeslotene andere informatie ontvangt, waarbij de meetverantwoordelijke met behulp van een indirecte methode een berekening kan maken van de geproduceerde elektriciteit, en de daaruit volgende energieuitwisseling met het net.
  • B. Indien er sprake is van uitsluitend energieuitwisseling vanuit het net naar de installatie:
  • a. De meetverantwoordelijke of netbeheerder schat op basis van het gemiddelde verbruik van dezelfde programmatijdseenheid van drie weken voor desbetreffende allocatiedag vermenigvuldigd met de in C genoemde onzekerheidsfactor fo,. Daarbij wordt rekening gehouden met in de Algemene Termijnenwet genoemde feestdagen, waarbij een feestdag wordt geschat als een zondag. Voorbeeld per PTE Schatting PTEn =((PTEn dag –3 weken + PTEn dag –2 weken + PTEn dag –1 week)/3). (1+ fo)
  • b. tenzij de meetverantwoordelijke na overleg met de aangeslotene andere informatie ontvangt, waarbij de meetverantwoordelijke met behulp van een indirecte methode een berekening kan maken van de aan het net onttrokken energie.
  • C. De onzekerheidsfactor fo is tenminste 1,0 procent.

Jaarlijks stelt voor 1 november de netbeheerder van het landelijke hoogspanningsnet deze onzekerheidsfactor vast en publiceert deze op haar website. De netbeheerder van het landelijke hoogspanningsnet berekent op basis van de in 3.4.1 ontvangen informatie het procentuele verschil tussen de in de allocatie gebruikte meetgegevens en de maandelijks verstuurde verbruiksberichten voor aansluitingen waar verschillen zijn opgetreden en stelt de onzekerheidsfactor fo vast op basis van dit procentuele verschil, rekening houdend met de gestelde minimumgrens en de in de berekeningen opgenomen fo van het voorgaande jaar.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

2.6.5

Indien aan een aansluiting secundaire allocatiepunten zijn toegekend op grond van artikel 2.9 van de Netcode elektriciteit, wijst in afwijking van artikel 2.6.4 de aangeslotene een beheerder aan voor het eventueel aanwezige primaire deel van de meetinrichting, als bedoeld in artikel 2.9, onderdeel g, van de Netcode elektriciteit. De aangeslotene draagt er zorg voor dat deze aangewezen beheerder jegens de meetverantwoordelijke voldoet aan de in paragraaf 4.3.2 van de Meetcode elektriciteit genoemde verplichtingen.

3. Uitrol van op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen ten behoeve van kleinverbruikaansluitingen

3.1. Algemeen

3.2. Procedure prioriteitsplaatsing

3.3. Procedure plaatsing door derden van een door de netbeheerder geleverde meetinrichting

3.4. Procedure plaatsing door derden van een niet door de netbeheerder geleverde meetinrichting

4. Eisen aan meetinrichtingen

4.1. Algemeen

4.1.1. Ontwerp, plaatsing en onderhoud

4.1.2. Verzegelingen

4.2. Eisen aan kleinverbruikmeetinrichtingen

4.2.1. Eisen aan niet op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen

4.2.2. Eisen aan op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen

4.2.2. Eisen aan op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen

4.3. Eisen aan grootverbruikmeetinrichtingen

4.3.1. Algemeen

4.3.1.4

Indien aan een aansluiting secundaire allocatiepunten zijn toegekend op grond van artikel 2.9 van de Netcode elektriciteit zorgt de op grond van artikel 2.6.5 aangewezen beheerder ervoor dat de capaciteit, het ontwerp en de aanleg van de meetinrichting ten behoeve van het secundaire allocatiepunt, met inbegrip van het primaire deel van de meetinrichting, in overeenstemming zijn met de doorlaatwaarde van het betreffende allocatiepunt.

4.3.2. Eisen aan het primaire deel van de meetinrichting

4.3.3. Administratie met betrekking tot de grootverbruikmeetinrichting

4.3.4. Eisen aan profielgrootverbruikmeetinrichtingen en productiemeetinrichtingen

4.3.4. Eisen aan profielgrootverbruikmeetinrichtingen en productiemeetinrichtingen

4.3.6. Nauwkeurigheidseisen aan meetinrichtingen die niet onder de Metrologiewet vallen

4.3.7. Storingen in de grootverbruikmeetinrichting

5. Meetgegevensverzameling

5.1. Meetgegevensverzameling bij kleinverbruikmeetinrichtingen

5.2. Meetgegevensverzameling bij profielgrootverbruikmeetinrichtingen en bij productiemeetinrichtingen

5.3. Meetgegevensverzameling bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen

5.4. Storingen in de gegevensverwerking bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen

5.4.1. Verschillen bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen

5.4.3. Reparatie en schatting van meetgegevens bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen

5.5. Afhandeling van herzieningsverzoeken van netbeheerders

6. Bijzondere bepalingen

5.4. Storingen in de gegevensverwerking bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen

6.2. Onvoorzien

Bijlage 1. Maximaal toelaatbare afwijkingen

B1.1

Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op HS-niveau als functie van het gecontracteerde vermogen.

Gecontracteerd vermogen Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
Gecontracteerd vermogen 1,5–7,5% Ic 7,5–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic
Gecontracteerd vermogen PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind. 0,5 ind. 0,8 cap. 0,8 cap. 0,8 cap.
≥ 2 MW en< 5 MW 1,25**) 0,85 1,75**) 1,75 1,40 1,55**) 1,55 1,25
≥ 5 MW 0,60**) 0,40 1,20**) 1,20 0,95 0,85**) 0,85 0,65
Gecontracteerd vermogen Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
--- --- --- --- --- --- --- --- ---
Gecontracteerd vermogen 3–7,5% Ic 7,5–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic
Gecontracteerd vermogen PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind. 0,5 ind. 0,8 cap. 0,8 cap. 0,8 cap.
< 2 MW 1,95**) 1,50 3,25 2,45 2,45 1,95

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.

PF = arbeidsfactor

Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) bij nominale netspanning (Unom).

Er geldt: Ic = Pc /(1,73*Unom)

ind. =inductief

cap. = capacitief

B1.2

Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische blindenergie bij een aansluiting op HS- niveau als functie van het gecontracteerde vermogen.

Gecontracteerd vermogen Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ
Gecontracteerd vermogen 3–7,5% Ic 7,5–120% Ic 7,5–15% Ic 15–30% Ic 30–120% Ic 30–120% Ic
Gecontracteerd vermogen sin ϕ = 1 1 0,5 ind. 0,5 ind. 0,5 ind. 0,25 ind.
< 2 MW 3,30**) 2,90 4,25 4,00 8,90
≥ 2 MW 3,25**) 2,85 4,05 3,70 3,70 8,25

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.

Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) bij nominale netspanning (Unom).

Er geldt: Ic = Pc /(1,73*Unom)

ind. = inductief

B1.3

Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie geleverd door een productie- installatie bij een aansluiting op HS-niveau als functie van het maximale vermogen van de productie-installatie.

Maximaal vermogen van de productie-installatie Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
Maximaal vermogen van de productie-installatie 10–120% Iwkk 20–120% Iwkk
Maximaal vermogen van de productie-installatie PF = 1 0,5 ind.
< 2MW 2,70 4,70
≥ 2 MW en < 5 MW 2,00 4,35
≥ 5 MW 1,80 3,30

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

PF = arbeidsfactor

Iwkk = stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de productie-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk = Pwkk,max/(1,73*Unom)

ind. = inductief

B1.4

Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op LS-niveau via stroomtransformatoren.

Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
1,5–7,5% Ic 7,5–120% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic
PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind.
3,30**) 2,90 5,25 4,30

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.

PF = arbeidsfactor

Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) in het betreffende leverpunt bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Ic= Pc /(1,73*Unom)

Ind. = inductief

B1.5

Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op LS- niveau, bij een direct aangesloten kWh-meter die niet onder de Metrologiewet valt.

Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
1–5% Ib 5% Ib–Imax 5–10% Ib 10% Ib–Imax
PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind.
2,5*) 2,0 2,5 2,0

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde afgenomen stroom kleiner is dan 20% van de basisstroom Ib.

PF = arbeidsfactor

Ib = de basisstroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld

Imax = de maximale stroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld

ind. = inductief

B1.6

Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie geleverd door een productie- installatie bij een aansluiting op LS-niveau.

Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
10–120% Iwkk 20–120% Iwkk
PF = 1 0,5 ind.
3,15 6,55

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

PF = arbeidsfactor

Iwkk = stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de productie-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk=Pwkk,max/(1,73*Unom)

ind. = inductief

B1.7

Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op HS-niveau als functie van het gecontracteerde vermogen.

Gecontracteerd vermogen Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
Gecontracteerd vermogen 1,5–7,5% Ic 7,5–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic
Gecontracteerd vermogen PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind. 0,5 ind. 0,8 cap. 0,8 cap. 0,8 cap.
≥2MW en< 5MW 2,15**) 1,20 2,45**) 2,45 1,75 2,30**) 2,30 1,60
≥ 5 MW 0,90**) 0,55 1,50**) 1,50 1,05 1,20**) 1,20 0,85
Gecontracteerd vermogen Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
--- --- --- --- --- --- --- --- ---
Gecontracteerd vermogen 3–7,5% Ic 7,5–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic
Gecontracteerd vermogen PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind. 0,5 ind. 0,8 cap. 0,8 cap. 0,8 cap.
< 2 MW 3,25**) 2,30 4,15 3,00 3,55 2,60

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.

PF = arbeidsfactor

Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen(Pc) bij nominale netspanning (Unom).

Er geldt: Ic = Pc /(1,73*Unom)

ind. = inductief

cap. = capacitief

B1.8

Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische blindenergie bij een aansluiting op HS-niveau als functie van het gecontracteerde vermogen.

Gecontracteerd vermogen Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ
Gecontracteerd vermogen 3–7,5% Ic 7,5–120% Ic 7,5–15% Ic 15–30% Ic 30–120% Ic 30–120% Ic
Gecontracteerd vermogen sin ϕ = 1 1 0,5 ind. 0,5 ind. 0,5 ind. 0,25 ind.
< 2 MW 5,45**) 4,50 6,10 5,30 15,05
≥ 2 MW 5,40**) 4,50 5,90 5,05 5,05 14,65

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.

Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) bij nominale netspanning (Unom).

Er geldt: Ic= Pc /(1,73*Unom)

ind. = inductief

B1.9

Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie geleverd door een productie-installatie bij een aansluiting op HS-niveau als functie van het maximale vermogen van de productie- installatie.

Maximale vermogen van de productie-installatie Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
Maximale vermogen van de productie-installatie 10–120% Iwkk 20–120% Iwkk
Maximale vermogen van de productie-installatie PF = 1 0,5 ind.
< 2MW 4,35 5,85
≥ 2 MW en < 5 MW 2,65 4,70
≥ 5 MW 2,50 3,75

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

PF = arbeidsfactor

Iwkk= stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de productie-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk=Pwkk,max/(1,73*Unom)

ind. = inductief

B1.10

Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op LS-niveau via stroomtransformatoren.

Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
1,5–7,5% Ic 7,5–120% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic
PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind.
5,45**) 4,50 6,80 5,55

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.

PF = arbeidsfactor

Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) in het betreffende leverpunt bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Ic= Pc /(1,73*Unom)

ind. = inductief

B1.11

Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op LS-niveau, bij een direct aangesloten kWh-meter die niet onder de Metrologiewet valt.

Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
1–5% Ib 5% Ib–Imax 5–10% Ib 10% Ib–Imax
PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind.
5,0**) 4,0 5,0 4,0

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde afgenomen stroom kleiner is dan 20% van de basisstroom Ib.

PF = arbeidsfactor

Ib = de basisstroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld

Imax= de maximale stroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld

ind. = inductief

B1.12

Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie geleverd door een productie-installatie bij een aansluiting op LS-niveau.

Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
10 – 120% Iwkk 20 – 120% Iwkk
PF = 1 0,5 ind.
4,70 7,40

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

PF = arbeidsfactor

Iwkk = stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de productie-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk=Pwkk,max/(1,73*Unom)

ind. = inductief

Bijlage 1. Maximaal toelaatbare afwijkingen

B1.1

Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op HS-niveau als functie van het gecontracteerde vermogen.

Gecontracteerd vermogen Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
Gecontracteerd vermogen 1,5–7,5% Ic 7,5–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic
Gecontracteerd vermogen PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind. 0,5 ind. 0,8 cap. 0,8 cap. 0,8 cap.
≥ 2 MW en< 5 MW 1,25**) 0,85 1,75**) 1,75 1,40 1,55**) 1,55 1,25
≥ 5 MW 0,60**) 0,40 1,20**) 1,20 0,95 0,85**) 0,85 0,65
Gecontracteerd vermogen Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
--- --- --- --- --- --- --- --- ---
Gecontracteerd vermogen 3–7,5% Ic 7,5–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic
Gecontracteerd vermogen PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind. 0,5 ind. 0,8 cap. 0,8 cap. 0,8 cap.
< 2 MW 1,95**) 1,50 3,25 2,45 2,45 1,95

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.

PF = arbeidsfactor

Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) bij nominale netspanning (Unom).

Er geldt: Ic = Pc /(1,73*Unom)

ind. =inductief

cap. = capacitief

B1.2

Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische blindenergie bij een aansluiting op HS- niveau als functie van het gecontracteerde vermogen.

Gecontracteerd vermogen Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ
Gecontracteerd vermogen 3–7,5% Ic 7,5–120% Ic 7,5–15% Ic 15–30% Ic 30–120% Ic 30–120% Ic
Gecontracteerd vermogen sin ϕ = 1 1 0,5 ind. 0,5 ind. 0,5 ind. 0,25 ind.
< 2 MW 3,30**) 2,90 4,25 4,00 8,90
≥ 2 MW 3,25**) 2,85 4,05 3,70 3,70 8,25

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.

Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) bij nominale netspanning (Unom).

Er geldt: Ic = Pc /(1,73*Unom)

ind. = inductief

B1.3

Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie geleverd door een productie- installatie bij een aansluiting op HS-niveau als functie van het maximale vermogen van de productie-installatie.

Maximaal vermogen van de productie-installatie Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
Maximaal vermogen van de productie-installatie 10–120% Iwkk 20–120% Iwkk
Maximaal vermogen van de productie-installatie PF = 1 0,5 ind.
< 2MW 2,70 4,70
≥ 2 MW en < 5 MW 2,00 4,35
≥ 5 MW 1,80 3,30

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

PF = arbeidsfactor

Iwkk = stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de productie-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk = Pwkk,max/(1,73*Unom)

ind. = inductief

B1.4

Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op LS-niveau via stroomtransformatoren.

Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
1,5–7,5% Ic 7,5–120% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic
PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind.
3,30**) 2,90 5,25 4,30

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.

PF = arbeidsfactor

Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) in het betreffende leverpunt bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Ic= Pc /(1,73*Unom)

Ind. = inductief

B1.5

Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op LS- niveau, bij een direct aangesloten kWh-meter die niet onder de Metrologiewet valt.

Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
1–5% Ib 5% Ib–Imax 5–10% Ib 10% Ib–Imax
PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind.
2,5*) 2,0 2,5 2,0

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde afgenomen stroom kleiner is dan 20% van de basisstroom Ib.

PF = arbeidsfactor

Ib = de basisstroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld

Imax = de maximale stroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld

ind. = inductief

B1.6

Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie geleverd door een productie- installatie bij een aansluiting op LS-niveau.

Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
10–120% Iwkk 20–120% Iwkk
PF = 1 0,5 ind.
3,15 6,55

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

PF = arbeidsfactor

Iwkk = stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de productie-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk=Pwkk,max/(1,73*Unom)

ind. = inductief

B1.7

Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op HS-niveau als functie van het gecontracteerde vermogen.

Gecontracteerd vermogen Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
Gecontracteerd vermogen 1,5–7,5% Ic 7,5–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic
Gecontracteerd vermogen PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind. 0,5 ind. 0,8 cap. 0,8 cap. 0,8 cap.
≥2MW en< 5MW 2,15**) 1,20 2,45**) 2,45 1,75 2,30**) 2,30 1,60
≥ 5 MW 0,90**) 0,55 1,50**) 1,50 1,05 1,20**) 1,20 0,85
Gecontracteerd vermogen Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
--- --- --- --- --- --- --- --- ---
Gecontracteerd vermogen 3–7,5% Ic 7,5–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic
Gecontracteerd vermogen PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind. 0,5 ind. 0,8 cap. 0,8 cap. 0,8 cap.
< 2 MW 3,25**) 2,30 4,15 3,00 3,55 2,60

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.

PF = arbeidsfactor

Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen(Pc) bij nominale netspanning (Unom).

Er geldt: Ic = Pc /(1,73*Unom)

ind. = inductief

cap. = capacitief

B1.8

Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische blindenergie bij een aansluiting op HS-niveau als functie van het gecontracteerde vermogen.

Gecontracteerd vermogen Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ
Gecontracteerd vermogen 3–7,5% Ic 7,5–120% Ic 7,5–15% Ic 15–30% Ic 30–120% Ic 30–120% Ic
Gecontracteerd vermogen sin ϕ = 1 1 0,5 ind. 0,5 ind. 0,5 ind. 0,25 ind.
< 2 MW 5,45**) 4,50 6,10 5,30 15,05
≥ 2 MW 5,40**) 4,50 5,90 5,05 5,05 14,65

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.

Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) bij nominale netspanning (Unom).

Er geldt: Ic= Pc /(1,73*Unom)

ind. = inductief

B1.9

Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie geleverd door een productie-installatie bij een aansluiting op HS-niveau als functie van het maximale vermogen van de productie- installatie.

Maximale vermogen van de productie-installatie Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
Maximale vermogen van de productie-installatie 10–120% Iwkk 20–120% Iwkk
Maximale vermogen van de productie-installatie PF = 1 0,5 ind.
< 2MW 4,35 5,85
≥ 2 MW en < 5 MW 2,65 4,70
≥ 5 MW 2,50 3,75

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

PF = arbeidsfactor

Iwkk= stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de productie-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk=Pwkk,max/(1,73*Unom)

ind. = inductief

B1.10

Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op LS-niveau via stroomtransformatoren.

Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
1,5–7,5% Ic 7,5–120% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic
PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind.
5,45**) 4,50 6,80 5,55

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.

PF = arbeidsfactor

Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) in het betreffende leverpunt bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Ic= Pc /(1,73*Unom)

ind. = inductief

B1.11

Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op LS-niveau, bij een direct aangesloten kWh-meter die niet onder de Metrologiewet valt.

Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
1–5% Ib 5% Ib–Imax 5–10% Ib 10% Ib–Imax
PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind.
5,0**) 4,0 5,0 4,0

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde afgenomen stroom kleiner is dan 20% van de basisstroom Ib.

PF = arbeidsfactor

Ib = de basisstroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld

Imax= de maximale stroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld

ind. = inductief

B1.12

Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie geleverd door een productie-installatie bij een aansluiting op LS-niveau.

Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
10 – 120% Iwkk 20 – 120% Iwkk
PF = 1 0,5 ind.
4,70 7,40

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

PF = arbeidsfactor

Iwkk = stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de productie-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk=Pwkk,max/(1,73*Unom)

ind. = inductief

Energie en vermogen

T de periodetijd van de wisselspanning en stroom

Blindenergie en blindvermogen

met n = het ranggetal van de te onderscheiden harmonische componenten.

Blindenergie en blindvermogen

P: het vermogen gedefinieerd volgens (1)

De algemene definitie voor blindvermogen (2) geldt ook in het bijzondere geval, dat spanning en stroom niet vervormd, dat wil zeggen sinusvormig zijn, en gaat dan over in:

Bijlage 3. Voorschrift voor het ontwerpen, installeren en controleren van comptabele meetinrichtingen voor elektrische energie en blindenergie

B3.1. Algemene bepalingen

B3.1. Algemene bepalingen

de aangeslotene ontvangt energie vanuit het elektriciteitsnet, waarbij de grondharmonische in de stroom voorijlt op de grondharmonische in de spanning

de aangeslotene levert energie aan het elektriciteitsnet, waarbij de grondharmonische in de stroom naijlt op de grondharmonische in de spanning.

Bepaling van volumes voor blindenergie

Bepaling van volumes voor blindenergie

De blindenergie die kosteloos van het net kan worden afgenomen tijdens het ontvangen van werkzame energie uit het net en de blindenergie die kosteloos van het net kan worden afgenomen tijdens het leveren van werkzame energie aan het net worden opgeteld.

B3.2.2. De plaats van de meetinrichting

Voor meetinrichtingen aangesloten op laagspanning, niet via stroomtransformatoren geldt:

B3.2. Het ontwerpen en installeren van meetinrichtingen voor elektrische energie en blindenergie

Met de in artikel B3.2.1.1 bedoelde meetinrichting wordt gelijkgesteld een meetinrichting, die rechtmatig is vervaardigd of in de handel is gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie of Turkije dan wel rechtmatig is vervaardigd in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en die voldoet aan eisen die ten minste gelijkwaardig zijn aan de normen en wettelijke regelingen als genoemd in artikel B3.2.1.1.

B3.2.4. Spanningsmeetcircuits

Van voldoende beperking als bedoeld in B3.2.4.9 is sprake, indien de transiënte stoorspanningen de compatibiliteitsniveaus voor de in de betreffende elektromagnetische omgeving aan te sluiten apparatuur niet overschrijden.

B3.2.5. Stroommeetcircuits

De maximale stroom (Imax) van direct aangesloten kWh-meters en kvarh- meters is een functie van de waarde van de hoofdveiligheid en wordt op basis van tabel A vastgesteld.

B3.2.6. De nauwkeurigheid van de meetinrichting

De belasting van een meettransformator ligt tussen 25% en 100% van zijn nominale belasting.

B3.2.6.13

B3.3. Controle van meetinrichtingen bij aansluitingen op hoogspanningsniveau

B3.3. Controle van meetinrichtingen bij aansluitingen op hoogspanningsniveau

De temperatuur in de ruimte waarin de kWh-meters en in voorkomend geval de kvarh-meters zich bevinden, is niet lager dan –10°C en niet hoger dan 45°C.

B3.3.2. Controle nadat de meetinrichting is geïnstalleerd

Indien de overzetverhoudingen van de meettransformatoren op de kWh-meters en in voorkomend geval op de kvarh-meters zijn vermeld, dan controleert de meetverantwoordelijke of deze gegevens overeenstemmen met de op de spannings- en stroomtransformatoren vermelde overzetverhoudingen.

B3.3.3. Controle van in gebruik zijnde meetinrichtingen

Controle ter plaatse geschiedt zonder onderbreking van de meting. De heersende belasting bedraagt alsdan meer dan 10% van het op de desbetreffende aansluiting gecontracteerd transportvermogen.

B3.3.3.7

B3.4. Controle van meetinrichtingen bij aansluitingen op laagspanningsniveau

B3.4. Controle van meetinrichtingen bij aansluitingen op laagspanningsniveau

De meetverantwoordelijke bepaalt in de gevallen genoemd in B3.3.3.13 en B3.3.3.14 het verschil tussen de energie geregistreerd door de hoofdmeter in een bepaalde periode en de energie geregistreerd door de controlemeter in dezelfde periode. Hierbij is de resolutie van de in die periode geregistreerde energie kleiner dan 0,4 x (klassecijfer van de meters) %.

B3.4.2. Controle nadat de meetinrichting is geïnstalleerd

Indien de overzetverhoudingen van de stroomtransformatoren op de kWh-meters en in voorkomend geval op de kvarh-meters zijn vermeld, dan controleert de meetverantwoordelijke of deze gegevens overeenstemmen met de op de stroomtransformatoren vermelde overzetverhoudingen.

B3.4.3. Controle van in gebruik zijnde meetinrichtingen

B3.4.3.1

Tabellen

B3.4.3.2

Voor een in gebruik zijnde kWh-meter en kvarh-meter gelden waarden voor de maximaal toelaatbare afwijking die twee keer zo groot zijn als de waarden voor de maximaal toelaatbare afwijking die op grond van B3.2.6.3 van toepassing zijn voor een nieuwe kWh-meter respectievelijk kvarh- meter van dezelfde nauwkeurigheidsklasse.

Bijlage 4. Erkenningsregelingen

B4.1. Erkenningsregeling voor meterplaatsers

B4.1. Erkenningsregeling voor meterplaatsers

De controle geschiedt ter plaatse waar de meetinrichting is geïnstalleerd of in een meterlaboratorium.

B4.1.2. Het plaatsen van op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen en erkenning als meterplaatser

B4.1.2.1

B4.1.3. Het MP-register

Een natuurlijk persoon die beschikt over een door Stipel uitgegeven geldig persoonscertificaat VOP-meters voor elektriciteit en gas en over een VCA-certificaat wordt geacht voldoende onderricht te zijn voor het uitvoeren van werkzaamheden die verband houden met het plaatsen van op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen.

B4.1.4. Einde van erkenning als meterplaatser

B4.1.2.11

Een erkenning geldt behoudens tussentijdse intrekking of beëindiging tot het einde van het desbetreffende kalenderjaar en wordt telkenmale voor de duur van een kalenderjaar verlengd, indien de meterplaatser vóór 1 december daaraan voorafgaand aan de MP-erkenner heeft aangetoond nog steeds aan de in artikel B4.1.2.5 genoemde eisen te voldoen.

B4.1.3. Het MP-register

B4.2. Erkenningsregeling voor meetverantwoordelijken

B4.2.1.2

B4.2.2. Het MV-register

Een persoon komt voor erkenning in aanmerking indien:

B4.2.3. Einde van erkenning als meetverantwoordelijke

B4.2.2.1

B4.2.4. Geheimhouding

B4.2.2.2

De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet deelt aan de meetverantwoordelijke de datum van zijn inschrijving in het MV-register mee.

Bijlage 5. Schatting van meetgegevens

B5.1

Indien een meetverantwoordelijke of een netbeheerder moet schatten, wordt rekening gehouden met de volgende uitgangspunten:

  • a. De geschatte meetgegevens zijn gegeven de beschikbare informatie en technieken een nauwkeurige benadering van de werkelijke met het net uitgewisselde hoeveelheid energie.
  • b. Onzekerheden in de geschatte meetgegevens komen ten laste van de aangeslotene.

De meetverantwoordelijke of netbeheerder hanteert per onbalansverrekeningsperiode een van de volgende methoden om de geschatte meetgegevens te bepalen en communiceert de gehanteerde methode in het bericht met de meetgegevens:

  • A. Indien er sprake is van één of meer productie-installaties achter de aansluiting, wordt er voor de energieuitwisseling vanuit de installatie naar het net een nul geschat. Voor de energieuitwisseling vanuit het net naar de installatie wordt de onder B beschreven methode gehanteerd er van uitgaande dat de productie-installaties niet produceren, tenzij de meetverantwoordelijke na overleg met de aangeslotene andere informatie ontvangt, waarbij de meetverantwoordelijke met behulp van een indirecte methode een berekening kan maken van de geproduceerde elektriciteit, en de daaruit volgende energieuitwisseling met het net.
  • B. Indien er sprake is van uitsluitend energieuitwisseling vanuit het net naar de installatie:
  • a. De meetverantwoordelijke of netbeheerder schat op basis van het gemiddelde verbruik van dezelfde onbalansverrekeningsperiode van drie weken voor desbetreffende allocatiedag vermenigvuldigd met de in C genoemde onzekerheidsfactor fo,. Daarbij wordt rekening gehouden met in de Algemene Termijnenwet genoemde feestdagen, waarbij een feestdag wordt geschat als een zondag. Voorbeeld per onbalansverrekeningsperiode (ISP) Schatting ISPn =((ISPn dag –3 weken + ISPn dag –2 weken + ISPn dag –1 week)/3). (1+ fo)
  • b. tenzij de meetverantwoordelijke na overleg met de aangeslotene andere informatie ontvangt, waarbij de meetverantwoordelijke met behulp van een indirecte methode een berekening kan maken van de aan het net onttrokken energie.
  • C. De onzekerheidsfactor fo is tenminste 1,0 procent.

Jaarlijks stelt voor 1 november de netbeheerder van het landelijke hoogspanningsnet deze onzekerheidsfactor vast en publiceert deze op haar website. De netbeheerder van het landelijke hoogspanningsnet berekent op basis van de in 3.4.1 ontvangen informatie het procentuele verschil tussen de in de allocatie gebruikte meetgegevens en de maandelijks verstuurde verbruiksberichten voor aansluitingen waar verschillen zijn opgetreden en stelt de onzekerheidsfactor fo vast op basis van dit procentuele verschil, rekening houdend met de gestelde minimumgrens en de in de berekeningen opgenomen fo van het voorgaande jaar.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

1.2.3.8

In aanvulling op artikel 1.2.3.5 wijzen de aangeslotenen op een offshore-platform met een aansluiting op het net op zee, en de beheerder van het desbetreffende offshore-platform, gezamenlijk één meetverantwoordelijke aan voor alle aansluitingen op het desbetreffende offshore-platform.

1.2.4. Beëindiging van de beheerovereenkomst tussen de meetverantwoordelijke en de aangeslotene

1.2.5. Vangnetregeling meetverantwoordelijkheid

2. Keuze van meetinrichting en aanwijzing meetbeheerder

2.1. Algemeen

2.2. Comptabele meetinrichting in het (de) overdrachtspunt(en) van een aansluiting tussen twee netten

2.3. Meetinrichting in het (de) overdrachtspunt(en) van een kleinverbruikaansluiting

2.4. Meetinrichting in het (de) overdrachtspunt(en) van een grootverbruikaansluiting

2.5. Meetinrichting ten behoeve van een GCvO-installatie

2.6. Aanwijzing meterbeheerder

3. Uitrol van op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen ten behoeve van kleinverbruikaansluitingen

3.1. Algemeen

3.2. Procedure prioriteitsplaatsing

3.3. Procedure plaatsing door derden van een door de netbeheerder geleverde meetinrichting

3.4. Procedure plaatsing door derden van een niet door de netbeheerder geleverde meetinrichting

4. Eisen aan meetinrichtingen

4.1. Algemeen

4.1.1. Ontwerp, plaatsing en onderhoud

4.1.2. Verzegelingen

4.2. Eisen aan kleinverbruikmeetinrichtingen

4.2.1. Eisen aan niet op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen

4.2.3. Storingen in de kleinverbruikmeetinrichting

4.3. Eisen aan grootverbruikmeetinrichtingen

4.3.1. Algemeen

4.3.2. Eisen aan het primaire deel van de meetinrichting

4.3.3. Administratie met betrekking tot de grootverbruikmeetinrichting

4.3.5. Eisen aan telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen

4.3.6. Nauwkeurigheidseisen aan meetinrichtingen die niet onder de Metrologiewet vallen

4.3.7. Storingen in de grootverbruikmeetinrichting

5. Meetgegevensverzameling

5.1. Meetgegevensverzameling bij kleinverbruikmeetinrichtingen

5.3. Meetgegevensverzameling bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen

5.4. Storingen in de gegevensverwerking bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen

5.4.1. Verschillen bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen

5.4.3. Reparatie en schatting van meetgegevens bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen

6. Bijzondere bepalingen

6.1. Verwisseling of wijziging van het deel van de meetinrichting bij de aansluiting

6.2. Onvoorzien

6.3. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage 1. Maximaal toelaatbare afwijkingen

B1.1

Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op HS-niveau als functie van het gecontracteerde vermogen.

Gecontracteerd vermogen Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
Gecontracteerd vermogen 1,5–7,5% Ic 7,5–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic
Gecontracteerd vermogen PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind. 0,5 ind. 0,8 cap. 0,8 cap. 0,8 cap.
≥ 2 MW en< 5 MW 1,25**) 0,85 1,75**) 1,75 1,40 1,55**) 1,55 1,25
≥ 5 MW 0,60**) 0,40 1,20**) 1,20 0,95 0,85**) 0,85 0,65
Gecontracteerd vermogen Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
--- --- --- --- --- --- --- --- ---
Gecontracteerd vermogen 3–7,5% Ic 7,5–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic
Gecontracteerd vermogen PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind. 0,5 ind. 0,8 cap. 0,8 cap. 0,8 cap.
< 2 MW 1,95**) 1,50 3,25 2,45 2,45 1,95

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.

PF = arbeidsfactor

Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) bij nominale netspanning (Unom).

Er geldt: Ic = Pc /(1,73*Unom)

ind. =inductief

cap. = capacitief

B1.2

Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische blindenergie bij een aansluiting op HS- niveau als functie van het gecontracteerde vermogen.

Gecontracteerd vermogen Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ
Gecontracteerd vermogen 3–7,5% Ic 7,5–120% Ic 7,5–15% Ic 15–30% Ic 30–120% Ic 30–120% Ic
Gecontracteerd vermogen sin ϕ = 1 1 0,5 ind. 0,5 ind. 0,5 ind. 0,25 ind.
< 2 MW 3,30**) 2,90 4,25 4,00 8,90
≥ 2 MW 3,25**) 2,85 4,05 3,70 3,70 8,25

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.

Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) bij nominale netspanning (Unom).

Er geldt: Ic = Pc /(1,73*Unom)

ind. = inductief

B1.3

Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie geleverd door een productie- installatie bij een aansluiting op HS-niveau als functie van het maximale vermogen van de productie-installatie.

Maximaal vermogen van de productie-installatie Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
Maximaal vermogen van de productie-installatie 10–120% Iwkk 20–120% Iwkk
Maximaal vermogen van de productie-installatie PF = 1 0,5 ind.
< 2MW 2,70 4,70
≥ 2 MW en < 5 MW 2,00 4,35
≥ 5 MW 1,80 3,30

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

PF = arbeidsfactor

Iwkk = stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de productie-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk = Pwkk,max/(1,73*Unom)

ind. = inductief

B1.4

Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op LS-niveau via stroomtransformatoren.

Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
1,5–7,5% Ic 7,5–120% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic
PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind.
3,30**) 2,90 5,25 4,30

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.

PF = arbeidsfactor

Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) in het betreffende leverpunt bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Ic= Pc /(1,73*Unom)

Ind. = inductief

B1.5

Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op LS- niveau, bij een direct aangesloten kWh-meter die niet onder de Metrologiewet valt.

Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
1–5% Ib 5% Ib–Imax 5–10% Ib 10% Ib–Imax
PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind.
2,5*) 2,0 2,5 2,0

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde afgenomen stroom kleiner is dan 20% van de basisstroom Ib.

PF = arbeidsfactor

Ib = de basisstroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld

Imax = de maximale stroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld

ind. = inductief

B1.6

Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie geleverd door een productie- installatie bij een aansluiting op LS-niveau.

Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
10–120% Iwkk 20–120% Iwkk
PF = 1 0,5 ind.
3,15 6,55

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

PF = arbeidsfactor

Iwkk = stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de productie-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk=Pwkk,max/(1,73*Unom)

ind. = inductief

B1.7

Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op HS-niveau als functie van het gecontracteerde vermogen.

Gecontracteerd vermogen Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
Gecontracteerd vermogen 1,5–7,5% Ic 7,5–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic
Gecontracteerd vermogen PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind. 0,5 ind. 0,8 cap. 0,8 cap. 0,8 cap.
≥2MW en< 5MW 2,15**) 1,20 2,45**) 2,45 1,75 2,30**) 2,30 1,60
≥ 5 MW 0,90**) 0,55 1,50**) 1,50 1,05 1,20**) 1,20 0,85
Gecontracteerd vermogen Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
--- --- --- --- --- --- --- --- ---
Gecontracteerd vermogen 3–7,5% Ic 7,5–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic 3–7,5% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic
Gecontracteerd vermogen PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind. 0,5 ind. 0,8 cap. 0,8 cap. 0,8 cap.
< 2 MW 3,25**) 2,30 4,15 3,00 3,55 2,60

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.

PF = arbeidsfactor

Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen(Pc) bij nominale netspanning (Unom).

Er geldt: Ic = Pc /(1,73*Unom)

ind. = inductief

cap. = capacitief

B1.8

Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische blindenergie bij een aansluiting op HS-niveau als functie van het gecontracteerde vermogen.

Gecontracteerd vermogen Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ
Gecontracteerd vermogen 3–7,5% Ic 7,5–120% Ic 7,5–15% Ic 15–30% Ic 30–120% Ic 30–120% Ic
Gecontracteerd vermogen sin ϕ = 1 1 0,5 ind. 0,5 ind. 0,5 ind. 0,25 ind.
< 2 MW 5,45**) 4,50 6,10 5,30 15,05
≥ 2 MW 5,40**) 4,50 5,90 5,05 5,05 14,65

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.

Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) bij nominale netspanning (Unom).

Er geldt: Ic= Pc /(1,73*Unom)

ind. = inductief

B1.9

Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie geleverd door een productie-installatie bij een aansluiting op HS-niveau als functie van het maximale vermogen van de productie- installatie.

Maximale vermogen van de productie-installatie Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
Maximale vermogen van de productie-installatie 10–120% Iwkk 20–120% Iwkk
Maximale vermogen van de productie-installatie PF = 1 0,5 ind.
< 2MW 4,35 5,85
≥ 2 MW en < 5 MW 2,65 4,70
≥ 5 MW 2,50 3,75

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

PF = arbeidsfactor

Iwkk= stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de productie-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk=Pwkk,max/(1,73*Unom)

ind. = inductief

B1.10

Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op LS-niveau via stroomtransformatoren.

Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
1,5–7,5% Ic 7,5–120% Ic 7,5–15% Ic 15–120% Ic
PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind.
5,45**) 4,50 6,80 5,55

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.

PF = arbeidsfactor

Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) in het betreffende leverpunt bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Ic= Pc /(1,73*Unom)

ind. = inductief

B1.11

Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op LS-niveau, bij een direct aangesloten kWh-meter die niet onder de Metrologiewet valt.

Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
1–5% Ib 5% Ib–Imax 5–10% Ib 10% Ib–Imax
PF=1 1 0,5 ind. 0,5 ind.
5,0**) 4,0 5,0 4,0

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

**) Geldt alleen als de gemiddelde afgenomen stroom kleiner is dan 20% van de basisstroom Ib.

PF = arbeidsfactor

Ib = de basisstroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld

Imax= de maximale stroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld

ind. = inductief

B1.12

Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie geleverd door een productie-installatie bij een aansluiting op LS-niveau.

Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren
10 – 120% Iwkk 20 – 120% Iwkk
PF = 1 0,5 ind.
4,70 7,40

*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.

PF = arbeidsfactor

Iwkk = stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de productie-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk=Pwkk,max/(1,73*Unom)

ind. = inductief

Energie en vermogen

Blindenergie en blindvermogen

Bepaling van volumes voor blindenergie

Als algemene definitie voor de arbeidsfactor (PF) geldt:

Bijlage 3. Voorschrift voor het ontwerpen, installeren en controleren van comptabele meetinrichtingen voor elektrische energie en blindenergie

B3.1. Algemene bepalingen

B3.2. Het ontwerpen en installeren van meetinrichtingen voor elektrische energie en blindenergie

B3.1. Algemene bepalingen

B3.2.1. Normen

B3.2.4. Spanningsmeetcircuits

B3.2.5. Stroommeetcircuits

B3.2.6. De nauwkeurigheid van de meetinrichting

B3.3. Controle van meetinrichtingen bij aansluitingen op hoogspanningsniveau

B3.3.2. Controle nadat de meetinrichting is geïnstalleerd

B3.3.3. Controle van in gebruik zijnde meetinrichtingen

B3.4. Controle van meetinrichtingen bij aansluitingen op laagspanningsniveau

B3.4.2. Controle nadat de meetinrichting is geïnstalleerd

B3.4.3. Controle van in gebruik zijnde meetinrichtingen

Tabellen

B3.4.3.3

Bijlage 4. Erkenningsregelingen

B4.1. Erkenningsregeling voor meterplaatsers

B4.1.2. Het plaatsen van op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen en erkenning als meterplaatser

B4.1.3. Het MP-register

B4.1.4. Einde van erkenning als meterplaatser

B4.2. Erkenningsregeling voor meetverantwoordelijken

B4.2.2. Het MV-register

B4.2.3. Einde van erkenning als meetverantwoordelijke

B4.2.4. Geheimhouding

B4.2.2.3

Bijlage 5. Schatting van meetgegevens

B5.1

Indien een meetverantwoordelijke of een netbeheerder moet schatten, wordt rekening gehouden met de volgende uitgangspunten:

  • a. De geschatte meetgegevens zijn gegeven de beschikbare informatie en technieken een nauwkeurige benadering van de werkelijke met het net uitgewisselde hoeveelheid energie.
  • b. Onzekerheden in de geschatte meetgegevens komen ten laste van de aangeslotene.

De meetverantwoordelijke of netbeheerder hanteert per onbalansverrekeningsperiode een van de volgende methoden om de geschatte meetgegevens te bepalen en communiceert de gehanteerde methode in het bericht met de meetgegevens:

  • A. Indien er sprake is van één of meer productie-installaties achter de aansluiting, wordt er voor de energieuitwisseling vanuit de installatie naar het net een nul geschat. Voor de energieuitwisseling vanuit het net naar de installatie wordt de onder B beschreven methode gehanteerd er van uitgaande dat de productie-installaties niet produceren, tenzij de meetverantwoordelijke na overleg met de aangeslotene andere informatie ontvangt, waarbij de meetverantwoordelijke met behulp van een indirecte methode een berekening kan maken van de geproduceerde elektriciteit, en de daaruit volgende energieuitwisseling met het net.
  • B. Indien er sprake is van uitsluitend energieuitwisseling vanuit het net naar de installatie:
  • a. De meetverantwoordelijke of netbeheerder schat op basis van het gemiddelde verbruik van dezelfde onbalansverrekeningsperiode van drie weken voor desbetreffende allocatiedag vermenigvuldigd met de in C genoemde onzekerheidsfactor fo,. Daarbij wordt rekening gehouden met in de Algemene Termijnenwet genoemde feestdagen, waarbij een feestdag wordt geschat als een zondag. Voorbeeld per onbalansverrekeningsperiode (ISP) Schatting ISPn =((ISPn dag –3 weken + ISPn dag –2 weken + ISPn dag –1 week)/3). (1+ fo)
  • b. tenzij de meetverantwoordelijke na overleg met de aangeslotene andere informatie ontvangt, waarbij de meetverantwoordelijke met behulp van een indirecte methode een berekening kan maken van de aan het net onttrokken energie.
  • C. De onzekerheidsfactor fo is tenminste 1,0 procent.

Jaarlijks stelt voor 1 november de netbeheerder van het landelijke hoogspanningsnet deze onzekerheidsfactor vast en publiceert deze op haar website. De netbeheerder van het landelijke hoogspanningsnet berekent op basis van de in 3.4.1 ontvangen informatie het procentuele verschil tussen de in de allocatie gebruikte meetgegevens en de maandelijks verstuurde verbruiksberichten voor aansluitingen waar verschillen zijn opgetreden en stelt de onzekerheidsfactor fo vast op basis van dit procentuele verschil, rekening houdend met de gestelde minimumgrens en de in de berekeningen opgenomen fo van het voorgaande jaar.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

4.3.4.3

Op een profielgrootverbruikmeetinrichting geplaatst in het (de) overdrachtspunt(en) van een artikel-1-lid-2-of-3-aansluiting, kleiner dan of gelijk aan 3x80A is paragraaf 4.2 met uitzondering van 4.2.2 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van netbeheerder meetverantwoordelijke dient te worden gelezen.

4.3.5. Eisen aan telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen

4.3.6. Nauwkeurigheidseisen aan meetinrichtingen die niet onder de Metrologiewet vallen

4.3.7. Storingen in de grootverbruikmeetinrichting

5. Meetgegevensverzameling

5.1. Meetgegevensverzameling bij kleinverbruikmeetinrichtingen

5.1. Meetgegevensverzameling bij kleinverbruikmeetinrichtingen

5.3. Meetgegevensverzameling bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen

5.3. Meetgegevensverzameling bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen

5.4.2. Verplichtingen van de meetverantwoordelijke bij het op afstand uitlezen van telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen

5.4.3. Reparatie en schatting van meetgegevens bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen

5.4. Storingen in de gegevensverwerking bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen

6. Bijzondere bepalingen

6.3. Overgangs- en slotbepalingen

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)