Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 21 april 2016, kenmerk ACM/DE/2016/202150, houdende de vaststelling van de voorwaarden als bedoeld in artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998 (Meetcode elektriciteit)
Bijlage 2. Definities van de begrippen energie, vermogen, blindenergie en blindvermogen, waarvan in deze code is uitgegaan
Energie en vermogen
Blindenergie en blindvermogen
Bepaling van volumes voor blindenergie
Bijlage 3. Voorschrift voor het ontwerpen, installeren en controleren van comptabele meetinrichtingen voor elektrische energie en blindenergie
B3.1.1. Definities
B3.2.1. Normen
B3.1. Algemene bepalingen
B3.2.3. Typekeuring van meetmiddelen
B3.2.4. Spanningsmeetcircuits
B3.2.5. Stroommeetcircuits
B3.2.6. De nauwkeurigheid van de meetinrichting
B3.3.1. Controle voordat de meetinrichting wordt geïnstalleerd
B3.3.2. Controle nadat de meetinrichting is geïnstalleerd
B3.3.3. Controle van in gebruik zijnde meetinrichtingen
B3.4.1. Controle voordat een meetinrichting wordt geïnstalleerd
B3.4. Controle van meetinrichtingen bij aansluitingen op laagspanning
B3.4.3. Controle van in gebruik zijnde meetinrichtingen
Bijlage 4. Erkenningsregelingen
B4.1.1. Algemeen
B4.1.2. Het plaatsen van op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen en erkenning als meterplaatser
B4.1.3. Het MP-register
B4.1.4. Einde van erkenning als meterplaatser
B4.2.1. Het uitoefenen van meetverantwoordelijkheid en erkenning als meetverantwoordelijke
B4.2.2. Het MV-register
B4.2.3. Einde van erkenning als meetverantwoordelijke
B4.2.4. Geheimhouding
Een meetverantwoordelijke heeft het recht het MV-register in te zien en hem betreffende onjuistheden daarin te doen corrigeren.
Bijlage 5. Schatting van meetgegevens
B5.1
Indien een meetverantwoordelijke of een netbeheerder moet schatten, wordt rekening gehouden met de volgende uitgangspunten:
- a. De geschatte meetgegevens zijn gegeven de beschikbare informatie en technieken een nauwkeurige benadering van de werkelijke met het net uitgewisselde hoeveelheid energie.
- b. Onzekerheden in de geschatte meetgegevens komen ten laste van de aangeslotene.
De meetverantwoordelijke of netbeheerder hanteert per onbalansverrekeningsperiode een van de volgende methoden om de geschatte meetgegevens te bepalen en communiceert de gehanteerde methode in het bericht met de meetgegevens:
- A. Indien er sprake is van één of meer productie-installaties achter de aansluiting, wordt er voor de energieuitwisseling vanuit de installatie naar het net een nul geschat. Voor de energieuitwisseling vanuit het net naar de installatie wordt de onder B beschreven methode gehanteerd er van uitgaande dat de productie-installaties niet produceren, tenzij de meetverantwoordelijke na overleg met de aangeslotene andere informatie ontvangt, waarbij de meetverantwoordelijke met behulp van een indirecte methode een berekening kan maken van de geproduceerde elektriciteit, en de daaruit volgende energieuitwisseling met het net.
- B. Indien er sprake is van uitsluitend energieuitwisseling vanuit het net naar de installatie:
- a. De meetverantwoordelijke of netbeheerder schat op basis van het gemiddelde verbruik van dezelfde onbalansverrekeningsperiode van drie weken voor desbetreffende allocatiedag vermenigvuldigd met de in C genoemde onzekerheidsfactor fo,. Daarbij wordt rekening gehouden met in de Algemene Termijnenwet genoemde feestdagen, waarbij een feestdag wordt geschat als een zondag. Voorbeeld per onbalansverrekeningsperiode (ISP) Schatting ISPn =((ISPn dag –3 weken + ISPn dag –2 weken + ISPn dag –1 week)/3). (1+ fo)
- b. tenzij de meetverantwoordelijke na overleg met de aangeslotene andere informatie ontvangt, waarbij de meetverantwoordelijke met behulp van een indirecte methode een berekening kan maken van de aan het net onttrokken energie.
- C. De onzekerheidsfactor fo is tenminste 1,0 procent.
Jaarlijks stelt voor 1 november de netbeheerder van het landelijke hoogspanningsnet deze onzekerheidsfactor vast en publiceert deze op haar website. De netbeheerder van het landelijke hoogspanningsnet berekent op basis van de in 3.4.1 ontvangen informatie het procentuele verschil tussen de in de allocatie gebruikte meetgegevens en de maandelijks verstuurde verbruiksberichten voor aansluitingen waar verschillen zijn opgetreden en stelt de onzekerheidsfactor fo vast op basis van dit procentuele verschil, rekening houdend met de gestelde minimumgrens en de in de berekeningen opgenomen fo van het voorgaande jaar.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
4.3.3.5
Onvolkomenheden aan de meetinrichting die leiden tot aanpassing van de onder 4.3.3.2 bedoelde gegevens van de meetinrichting alsmede onvolkomenheden met betrekking tot de verzameling van gegevens van de meetinrichting worden binnen vijf werkdagen na constatering door de meetverantwoordelijke gemeld aan de netbeheerder.
4.3.4. Eisen aan profielgrootverbruikmeetinrichtingen en productiemeetinrichtingen
4.3.5. Eisen aan telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
4.3.5.1a
In afwijking van 4.3.5.1, lid a kan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet de meetverantwoordelijke voor aangeslotenen die elektrische energie leveren aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet ten behoeve van de systeembalans door middel van ingezette aFRR, noodvermogen, en het MARI-product een meetperiode opleggen die kleiner is dan de onbalansverrekeningsperiode.
4.3.6. Nauwkeurigheidseisen aan meetinrichtingen die niet onder de Metrologiewet vallen
4.3.7. Storingen in de grootverbruikmeetinrichting
5. Meetgegevensverzameling
5.2. Meetgegevensverzameling bij profielgrootverbruikmeetinrichtingen en bij productiemeetinrichtingen
5.2.0
De meetverantwoordelijke voorziet de tellerstanden, zoals genoemd in 4.3.4.1, van een herkomstindicatie. Desgevraagd geeft de meetverantwoordelijke aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet inzage in de registratie van de meetgegevens en de bijbehorende herkomstindicaties.
5.2.11
De meetverantwoordelijke valideert de overeenkomstig 5.2.1 tot en met 5.2.5 en 5.2.7 bepaalde meetgegevens op volledigheid en juistheid aan de hand van de volgende criteria:
- a. de voor de bepaling van de hoeveelheid uitgewisselde energie benodigde tellerstanden zijn beschikbaar;
- b. de gemeten hoeveelheid met het net uitgewisselde energie is groter dan 50% van de hoeveelheid die op grond van de uitwisseling tijdens de voorafgaande periode zou mogen worden verwacht;
- c. de gemeten hoeveelheid met het net uitgewisselde energie is kleiner dan 200% van de hoeveelheid die op grond van de uitwisseling tijdens de voorafgaande periode zou mogen worden verwacht.
5.2.12
Indien de meetgegevens niet voldoen aan de in 5.2.11 genoemde validatiecriteria worden de meetgegevens door de meetverantwoordelijke (opnieuw) af- of uitgelezen of wordt in overleg met de aangeslotene vastgesteld of de gemeten hoeveelheid overeenkomt met de hoeveelheid die zou mogen worden verwacht.
5.2.13
De meetverantwoordelijke stelt de overeenkomstig 5.2.11 valide meetgegevens en de overeenkomstig 5.2.12 bepaalde meetgegevens vast.
5.2.14
De validatie en vaststelling zoals bedoeld in 5.2.11 tot en met 5.2.13 vindt plaats uiterlijk de werkdag na de dag van verzameling van meetgegevens.
5.2.15
De meetverantwoordelijke verstuurt de vastgestelde meetgegevens overeenkomstig het bepaalde in 6.2.2.7 en 6.2.2.8 van de Informatiecode elektriciteit en gas. Indien artikel 2.4.5 van toepassing is en de aansluiting meerdere verbindingen omvat, bepaalt de meetverantwoordelijke uit de gemeten waarden de ten behoeve van het bepaalde in 6.2.2.7 en 6.2.2.8 van de Informatiecode elektriciteit en gas te sturen waarde voor de kWmax van de aansluiting.
5.3.0
De meetverantwoordelijke voorziet de meetgegevens bedoeld in deze paragraaf van een herkomstindicatie, een validatiestatus en indien van toepassing een reparatiemethodiek. Desgevraagd geeft de meetverantwoordelijke aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet inzage in de registratie van de meetgegevens en de bijbehorende herkomstindicaties, de validatiestatussen en de reparatiemethodieken.
5.3.8
De meetverantwoordelijke controleert op de dag van de verzameling van de meetgegevens of alle meetperioden van de meting aanwezig zijn en een meetwaarde bevatten.
5.3.9
De meetverantwoordelijke valideert de gecollecteerde meetgegevens op de dag van de verzameling van de meetgegevens door de meetverantwoordelijke op juistheid aan de hand van de volgende criteria:
- a. in geval van een hoofdmeting en een controlemeting is het verschil per dag in de hoeveelheid energie gemeten door de hoofdmeting en de controlemeting kleiner dan tweemaal de geldende nauwkeurigheidsklasse van de meetinrichting zoals bepaald in bijlage B1 vermenigvuldigd met de daguitwisseling van de hoofdmeter;
- b. de gemeten hoeveelheid energie is groter dan of gelijk aan nul;
- c. de hoeveelheid met het net uitgewisselde energie per meetperiode is kleiner dan 120% van de hoeveelheid die maximaal uitgewisseld kan worden op basis van de capaciteit van de meetinrichting;
- d. de status in de meetinrichting aangaande de meting of de meetwaarde en de status van het meetkanaal geven geen indicatie van een fout;
- e. de tijdsynchroniciteit van de meetinrichting en meetperiode blijft binnen de in 4.3.5.3 tot en met 4.3.5.5 aangegeven normen.
5.3.10
De meetverantwoordelijke repareert de op grond van 5.3.9 niet-valide meetgegevens overeenkomstig 5.4.3.1 tot en met 5.4.3.4. Alle op grond van paragraaf 5.4.3 gerepareerde meetgegevens gelden als definitief.
5.3.11
De meetverantwoordelijke past op de overeenkomstig 5.3.9 en 5.3.10 gevalideerde meetgegevens de vermenigvuldigingsfactor toe en stelt de meetgegevens vast.
5.3.12
De meetverantwoordelijke verstuurt de vastgestelde meetgegevens overeenkomstig het bepaalde in 6.2.2.2, 6.2.2.3 en 6.2.2.6 van de Informatiecode elektriciteit en gas. Indien artikel 2.4.5 van toepassing is en de aansluiting meerdere verbindingen omvat, bepaalt de meetverantwoordelijke uit de gemeten waarden de ten behoeve van het bepaalde in 6.2.2.7 en 6.2.2.8 van de Informatiecode elektriciteit en gas te sturen waarde voor de kWmax van de aansluiting.
5.4.1. Verschillen bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
5.4.2. Verplichtingen van de meetverantwoordelijke bij het op afstand uitlezen van telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
5.4.2.3
Wanneer de meetgegevens die zijn uitgelezen en opgeslagen door de meetverantwoordelijke verschillen van de meetgegevens die zijn opgeslagen in de databuffers van de meetinrichting, gelden de laatstbedoelde meetgegevens.
5.4.3. Reparatie en schatting van meetgegevens bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
5.5. Afhandeling van herzieningsverzoeken
5.5.2
De meetverantwoordelijke beantwoordt binnen drie werkdagen na ontvangst van een herzieningsverzoek van een BRP of netbeheerder met een acceptatie of een afwijzing met reden.
5.5.3
Indien de meetverantwoordelijke het herzieningsverzoek terecht acht, stelt hij de meetgegevens opnieuw vast of verwerkt hij de aanpassing van de stamgegevens.
5.5.4
De meetverantwoordelijke stuurt de vastgestelde meetgegevens overeenkomstig het bepaalde in 6.2.2.3 van de Informatiecode elektriciteit en gas.
6. Bijzondere bepalingen
6.1. Verwisseling of wijziging van het deel van de meetinrichting bij de aansluiting
6.2. Onvoorzien
6.3. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage 1. Maximaal toelaatbare afwijkingen
B1.1
Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op hoogspanning als functie van het gecontracteerde vermogen.
| Gecontracteerd vermogen | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Gecontracteerd vermogen | 1,5–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic |
| Gecontracteerd vermogen | PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,8 cap. | 0,8 cap. | 0,8 cap. |
| ≥ 2 MW en< 5 MW | 1,25**) | 0,85 | 1,75**) | 1,75 | 1,40 | 1,55**) | 1,55 | 1,25 |
| ≥ 5 MW | 0,60**) | 0,40 | 1,20**) | 1,20 | 0,95 | 0,85**) | 0,85 | 0,65 |
| Gecontracteerd vermogen | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| Gecontracteerd vermogen | 3–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic |
| Gecontracteerd vermogen | PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,8 cap. | 0,8 cap. | 0,8 cap. |
| < 2 MW | 1,95**) | 1,50 | 3,25 | 2,45 | 2,45 | 1,95 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.
PF = arbeidsfactor
Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) bij nominale netspanning (Unom).
Er geldt: Ic = Pc /(1,73*Unom)
ind. =inductief
cap. = capacitief
B1.2
Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische blindenergie bij een aansluiting op hoogspanning als functie van het gecontracteerde vermogen.
| Gecontracteerd vermogen | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Gecontracteerd vermogen | 3–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 7,5–15% Ic | 15–30% Ic | 30–120% Ic | 30–120% Ic |
| Gecontracteerd vermogen | sin ϕ = 1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,25 ind. |
| < 2 MW | 3,30**) | 2,90 | 4,25 | 4,00 | 8,90 | |
| ≥ 2 MW | 3,25**) | 2,85 | 4,05 | 3,70 | 3,70 | 8,25 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.
Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) bij nominale netspanning (Unom).
Er geldt: Ic = Pc /(1,73*Unom)
ind. = inductief
B1.3
Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen productiemeetinrichting bij een aansluiting op hoogspanning als functie van het maximale vermogen van de GCvO-installatie.
| Maximaal vermogen van de GCvO-installatie | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|
| Maximaal vermogen van de GCvO-installatie | 10–120% Iwkk | 20–120% Iwkk |
| Maximaal vermogen van de GCvO-installatie | PF = 1 | 0,5 ind. |
| < 2MW | 2,70 | 4,70 |
| ≥ 2 MW en < 5 MW | 2,00 | 4,35 |
| ≥ 5 MW | 1,80 | 3,30 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
PF = arbeidsfactor
Iwkk = stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de GCvO-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk = Pwkk,max/(1,73*Unom)
ind. = inductief
B1.4
Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op laagspanning via stroomtransformatoren.
| Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|---|
| 1,5–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic |
| PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. |
| 3,30**) | 2,90 | 5,25 | 4,30 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.
PF = arbeidsfactor
Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) in het betreffende leverpunt bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Ic= Pc /(1,73*Unom)
Ind. = inductief
B1.5
Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op laagspanning, bij een direct aangesloten kWh-meter die niet onder de Metrologiewet valt.
| Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|---|
| 1–5% Ib | 5% Ib–Imax | 5–10% Ib | 10% Ib–Imax |
| PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. |
| 2,5*) | 2,0 | 2,5 | 2,0 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde afgenomen stroom kleiner is dan 20% van de basisstroom Ib.
PF = arbeidsfactor
Ib = de basisstroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld
Imax = de maximale stroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld
ind. = inductief
B1.6
Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen productiemeetinrichting bij een aansluiting op laagspanning.
| Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|
| 10–120% Iwkk | 20–120% Iwkk |
| PF = 1 | 0,5 ind. |
| 3,15 | 6,55 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
PF = arbeidsfactor
Iwkk = stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de GCvO-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk=Pwkk,max/(1,73*Unom)
ind. = inductief
B1.7
Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op hoogspanning als functie van het gecontracteerde vermogen.
| Gecontracteerd vermogen | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Gecontracteerd vermogen | 1,5–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic |
| Gecontracteerd vermogen | PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,8 cap. | 0,8 cap. | 0,8 cap. |
| ≥2MW en< 5MW | 2,15**) | 1,20 | 2,45**) | 2,45 | 1,75 | 2,30**) | 2,30 | 1,60 |
| ≥ 5 MW | 0,90**) | 0,55 | 1,50**) | 1,50 | 1,05 | 1,20**) | 1,20 | 0,85 |
| Gecontracteerd vermogen | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| Gecontracteerd vermogen | 3–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic |
| Gecontracteerd vermogen | PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,8 cap. | 0,8 cap. | 0,8 cap. |
| < 2 MW | 3,25**) | 2,30 | 4,15 | 3,00 | 3,55 | 2,60 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.
PF = arbeidsfactor
Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen(Pc) bij nominale netspanning (Unom).
Er geldt: Ic = Pc /(1,73*Unom)
ind. = inductief
cap. = capacitief
B1.8
Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische blindenergie bij een aansluiting op hoogspanning als functie van het gecontracteerde vermogen.
| Gecontracteerd vermogen | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Gecontracteerd vermogen | 3–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 7,5–15% Ic | 15–30% Ic | 30–120% Ic | 30–120% Ic |
| Gecontracteerd vermogen | sin ϕ = 1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,25 ind. |
| < 2 MW | 5,45**) | 4,50 | 6,10 | 5,30 | 15,05 | |
| ≥ 2 MW | 5,40**) | 4,50 | 5,90 | 5,05 | 5,05 | 14,65 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.
Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) bij nominale netspanning (Unom).
Er geldt: Ic= Pc /(1,73*Unom)
ind. = inductief
B1.9
Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde productiemeetinrichting bij een aansluiting op hoogspanning als functie van het maximale vermogen van de GCvO-installatie.
| Maximale vermogen van de GCvO-installatie | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|
| Maximale vermogen van de GCvO-installatie | 10–120% Iwkk | 20–120% Iwkk |
| Maximale vermogen van de GCvO-installatie | PF = 1 | 0,5 ind. |
| < 2MW | 4,35 | 5,85 |
| ≥ 2 MW en < 5 MW | 2,65 | 4,70 |
| ≥ 5 MW | 2,50 | 3,75 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
PF = arbeidsfactor
Iwkk= stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de GCvO-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk=Pwkk,max/(1,73*Unom)
ind. = inductief
B1.10
Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op laagspanning via stroomtransformatoren.
| Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|---|
| 1,5–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic |
| PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. |
| 5,45**) | 4,50 | 6,80 | 5,55 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.
PF = arbeidsfactor
Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) in het betreffende leverpunt bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Ic= Pc /(1,73*Unom)
ind. = inductief
B1.11
Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op laagspanning, bij een direct aangesloten kWh-meter die niet onder de Metrologiewet valt.
| Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|---|
| 1–5% Ib | 5% Ib–Imax | 5–10% Ib | 10% Ib–Imax |
| PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. |
| 5,0**) | 4,0 | 5,0 | 4,0 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde afgenomen stroom kleiner is dan 20% van de basisstroom Ib.
PF = arbeidsfactor
Ib = de basisstroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld
Imax= de maximale stroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld
ind. = inductief
B1.12
Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde productiemeetinrichting bij een aansluiting op laagspanning.
| Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|
| 10 – 120% Iwkk | 20 – 120% Iwkk |
| PF = 1 | 0,5 ind. |
| 4,70 | 7,40 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
PF = arbeidsfactor
Iwkk = stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de GCvO-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk=Pwkk,max/(1,73*Unom)
ind. = inductief
Bijlage 1. Maximaal toelaatbare afwijkingen
B1.1
Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op hoogspanning als functie van het gecontracteerd transportvermogen.
| Gecontracteerd transportvermogen | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Gecontracteerd transportvermogen | 1,5–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic |
| Gecontracteerd transportvermogen | PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,8 cap. | 0,8 cap. | 0,8 cap. |
| ≥ 2 MW en< 5 MW | 1,25**) | 0,85 | 1,75**) | 1,75 | 1,40 | 1,55**) | 1,55 | 1,25 |
| ≥ 5 MW | 0,60**) | 0,40 | 1,20**) | 1,20 | 0,95 | 0,85**) | 0,85 | 0,65 |
| Gecontracteerd transportvermogen | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| Gecontracteerd transportvermogen | 3–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic |
| Gecontracteerd transportvermogen | PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,8 cap. | 0,8 cap. | 0,8 cap. |
| < 2 MW | 1,95**) | 1,50 | 3,25 | 2,45 | 2,45 | 1,95 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerd transportvermogen.
PF = arbeidsfactor
Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerd transportvermogen (Pc) bij nominale netspanning (Unom).
Er geldt: Ic = Pc /(1,73*Unom)
ind. =inductief
cap. = capacitief
B1.2
Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische blindenergie bij een aansluiting op hoogspanning als functie van het gecontracteerd transportvermogen.
| Gecontracteerd transportvermogen | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Gecontracteerd transportvermogen | 3–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 7,5–15% Ic | 15–30% Ic | 30–120% Ic | 30–120% Ic |
| Gecontracteerd transportvermogen | sin ϕ = 1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,25 ind. |
| < 2 MW | 3,30**) | 2,90 | 4,25 | 4,00 | 8,90 | |
| ≥ 2 MW | 3,25**) | 2,85 | 4,05 | 3,70 | 3,70 | 8,25 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerd transportvermogen.
Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerd transportvermogen (Pc) bij nominale netspanning (Unom).
Er geldt: Ic = Pc /(1,73*Unom)
ind. = inductief
B1.3
Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen productiemeetinrichting bij een aansluiting op hoogspanning als functie van het maximale vermogen van de GCvO-installatie.
| Maximaal vermogen van de GCvO-installatie | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|
| Maximaal vermogen van de GCvO-installatie | 10–120% Iwkk | 20–120% Iwkk |
| Maximaal vermogen van de GCvO-installatie | PF = 1 | 0,5 ind. |
| < 2MW | 2,70 | 4,70 |
| ≥ 2 MW en < 5 MW | 2,00 | 4,35 |
| ≥ 5 MW | 1,80 | 3,30 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
PF = arbeidsfactor
Iwkk = stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de GCvO-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk = Pwkk,max/(1,73*Unom)
ind. = inductief
B1.4
Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op laagspanning via stroomtransformatoren.
| Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|---|
| 1,5–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic |
| PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. |
| 3,30**) | 2,90 | 5,25 | 4,30 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerd transportvermogen.
PF = arbeidsfactor
Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerd transportvermogen (Pc) in het betreffende leverpunt bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Ic= Pc /(1,73*Unom)
Ind. = inductief
B1.5
Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op laagspanning, bij een direct aangesloten kWh-meter die niet onder de Metrologiewet valt.
| Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|---|
| 1–5% Ib | 5% Ib–Imax | 5–10% Ib | 10% Ib–Imax |
| PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. |
| 2,5*) | 2,0 | 2,5 | 2,0 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde afgenomen stroom kleiner is dan 20% van de basisstroom Ib.
PF = arbeidsfactor
Ib = de basisstroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld
Imax = de maximale stroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld
ind. = inductief
B1.6
Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen productiemeetinrichting bij een aansluiting op laagspanning.
| Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|
| 10–120% Iwkk | 20–120% Iwkk |
| PF = 1 | 0,5 ind. |
| 3,15 | 6,55 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
PF = arbeidsfactor
Iwkk = stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de GCvO-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk=Pwkk,max/(1,73*Unom)
ind. = inductief
B1.7
Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op hoogspanning als functie van het gecontracteerd transportvermogen.
| Gecontracteerd transportvermogen | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Gecontracteerd transportvermogen | 1,5–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic |
| Gecontracteerd transportvermogen | PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,8 cap. | 0,8 cap. | 0,8 cap. |
| ≥2MW en< 5MW | 2,15**) | 1,20 | 2,45**) | 2,45 | 1,75 | 2,30**) | 2,30 | 1,60 |
| ≥ 5 MW | 0,90**) | 0,55 | 1,50**) | 1,50 | 1,05 | 1,20**) | 1,20 | 0,85 |
| Gecontracteerd transportvermogen | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| Gecontracteerd transportvermogen | 3–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic |
| Gecontracteerd transportvermogen | PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,8 cap. | 0,8 cap. | 0,8 cap. |
| < 2 MW | 3,25**) | 2,30 | 4,15 | 3,00 | 3,55 | 2,60 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerd transportvermogen.
PF = arbeidsfactor
Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerd transportvermogen (Pc) bij nominale netspanning (Unom).
Er geldt: Ic = Pc /(1,73*Unom)
ind. = inductief
cap. = capacitief
B1.8
Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische blindenergie bij een aansluiting op hoogspanning als functie van het gecontracteerd transportvermogen.
| Gecontracteerd transportvermogen | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Gecontracteerd transportvermogen | 3–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 7,5–15% Ic | 15–30% Ic | 30–120% Ic | 30–120% Ic |
| Gecontracteerd transportvermogen | sin ϕ = 1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,25 ind. |
| < 2 MW | 5,45**) | 4,50 | 6,10 | 5,30 | 15,05 | |
| ≥ 2 MW | 5,40**) | 4,50 | 5,90 | 5,05 | 5,05 | 14,65 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerd transportvermogen.
Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerd transportvermogen (Pc) bij nominale netspanning (Unom).
Er geldt: Ic= Pc /(1,73*Unom)
ind. = inductief
B1.9
Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde productiemeetinrichting bij een aansluiting op hoogspanning als functie van het maximale vermogen van de GCvO-installatie.
| Maximale vermogen van de GCvO-installatie | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|
| Maximale vermogen van de GCvO-installatie | 10–120% Iwkk | 20–120% Iwkk |
| Maximale vermogen van de GCvO-installatie | PF = 1 | 0,5 ind. |
| < 2MW | 4,35 | 5,85 |
| ≥ 2 MW en < 5 MW | 2,65 | 4,70 |
| ≥ 5 MW | 2,50 | 3,75 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
PF = arbeidsfactor
Iwkk= stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de GCvO-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk=Pwkk,max/(1,73*Unom)
ind. = inductief
B1.10
Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op laagspanning via stroomtransformatoren.
| Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|---|
| 1,5–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic |
| PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. |
| 5,45**) | 4,50 | 6,80 | 5,55 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerd transportvermogen.
PF = arbeidsfactor
Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerd transportvermogen (Pc) in het betreffende leverpunt bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Ic= Pc /(1,73*Unom)
ind. = inductief
B1.11
Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op laagspanning, bij een direct aangesloten kWh-meter die niet onder de Metrologiewet valt.
| Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|---|
| 1–5% Ib | 5% Ib–Imax | 5–10% Ib | 10% Ib–Imax |
| PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. |
| 5,0**) | 4,0 | 5,0 | 4,0 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde afgenomen stroom kleiner is dan 20% van de basisstroom Ib.
PF = arbeidsfactor
Ib = de basisstroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld
Imax= de maximale stroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld
ind. = inductief
B1.12
Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde productiemeetinrichting bij een aansluiting op laagspanning.
| Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|
| 10 – 120% Iwkk | 20 – 120% Iwkk |
| PF = 1 | 0,5 ind. |
| 4,70 | 7,40 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
PF = arbeidsfactor
Iwkk = stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de GCvO-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk=Pwkk,max/(1,73*Unom)
ind. = inductief
Energie en vermogen
Blindenergie en blindvermogen
Bijlage 3. Voorschrift voor het ontwerpen, installeren en controleren van comptabele meetinrichtingen voor elektrische energie en blindenergie
B3.2. Het ontwerpen en installeren van meetinrichtingen voor elektrische energie en blindenergie
B3.2.3. Typekeuring van meetmiddelen
B3.2.4. Spanningsmeetcircuits
B3.2.5. Stroommeetcircuits
B3.2.6. De nauwkeurigheid van de meetinrichting
B3.3. Controle van meetinrichtingen bij aansluitingen op hoogspanning
B3.3. Controle van meetinrichtingen bij aansluitingen op hoogspanning
B3.3.2. Controle nadat de meetinrichting is geïnstalleerd
B3.3.3. Controle van in gebruik zijnde meetinrichtingen
B3.4. Controle van meetinrichtingen bij aansluitingen op laagspanning
B3.4.2. Controle nadat de meetinrichting is geïnstalleerd
B3.4.3. Controle van in gebruik zijnde meetinrichtingen
Tabellen
Bijlage 4. Erkenningsregelingen
B4.1. Erkenningsregeling voor meterplaatsers
B4.1.1. Algemeen
B4.1.2. Het plaatsen van op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen en erkenning als meterplaatser
B4.1.4. Einde van erkenning als meterplaatser
B4.2. Erkenningsregeling voor meetverantwoordelijken
B4.2.1. Het uitoefenen van meetverantwoordelijkheid en erkenning als meetverantwoordelijke
B4.2.2.4
Wijzigingen in het MV-register geeft de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet onverwijld door aan de netbeheerders en meetverantwoordelijken.
B4.2.2.5
De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet publiceert het MV-register op zijn website.
B4.2.3. Einde van erkenning als meetverantwoordelijke
B4.2.3.1
De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet kan de erkenning van een meetverantwoordelijke intrekken indien de meetverantwoordelijke niet meer aan alle in B4.2.1.7 genoemde erkenningsvoorwaarden voldoet.
B4.2.3.2
Indien de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet voornemens is de erkenning in te trekken doet hij de meetverantwoordelijke daarvan een mededeling per brief met ontvangstbevestiging, onder vermelding van de redenen voor intrekking alsmede de ingangsdatum. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet trekt de erkenning niet eerder in dan nadat de meetverantwoordelijke een redelijke termijn heeft gekregen om de geconstateerde tekortkomingen te herstellen, tenzij herstel, gelet op de aard van de tekortkoming, naar het oordeel van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet niet mogelijk is of te veel tijd kost.
B4.2.3.3
De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet maakt door hem opgelegde intrekkingen zo spoedig mogelijk openbaar.
B4.2.3.4
De erkenning wordt, onverminderd het in deze code omtrent intrekking bepaalde, in ieder geval beëindigd op verzoek van de desbetreffende meetverantwoordelijke en indien deze heeft opgehouden te bestaan.
B4.2.3.5
Indien de erkenning van een meetverantwoordelijke wordt ingetrokken, treedt de vangnetregeling, zoals omschreven in 1.3.5, in werking.
B4.2.4. Geheimhouding
B4.2.4.1
De meetverantwoordelijke verstrekt, behoudens het bepaalde in de Informatiecode elektriciteit en gas, geen meetgegevens van aangeslotenen aan derden, anders dan met schriftelijke toestemming van de desbetreffende aangeslotene.
Bijlage 5. Schatting van meetgegevens
B5.1
De meetverantwoordelijke of netbeheerder hanteert per onbalansverrekeningsperiode de volgende methode om de berekende meetgegevens te bepalen:
Leveringsrichting invoeding:
Indien er sprake is van één of meer elektriciteitsproductie-eenheden achter de aansluiting, is de energieuitwisseling vanuit de installatie naar het net nul, tenzij de meetverantwoordelijke na overleg met de aangeslotene of netbeheerder andere informatie ontvangt, waarmee de meetverantwoordelijke met behulp van een indirecte methode een berekening kan maken van de geproduceerde elektriciteit, en de daaruit volgende invoeding op het net.
Leveringsrichting afname:
- a. De meetverantwoordelijke of netbeheerder berekent op basis van het gemiddelde verbruik van dezelfde onbalansverrekeningsperiode van dezelfde dag van de week gedurende drie weken voor de desbetreffende kalenderdag vermenigvuldigd met de onzekerheidsfactor fo. Daarbij wordt rekening gehouden met in de Algemene Termijnenwet genoemde feestdagen, waarbij een feestdag wordt geschat als een zondag. Indien voor een onbalansverrekeningsperiode maar voor 1 of 2 weken historische meetgegevens beschikbaar zijn, worden de beschikbare meetgegevens in de berekening genomen en gedeeld door respectievelijk 1 of 2. Indien geen historische meetgegevens beschikbaar zijn, wordt de waarde nul berekend. Voorbeeld per onbalansverrekeningsperiode (ISP) Schatting ISPn =((ISPn dag -3 weken + ISPn dag -2 weken + ISPn dag -1 week)/3) * (1+ fo)
- b. tenzij de meetverantwoordelijke na overleg met de aangeslotene of netbeheerder andere informatie ontvangt, waarmee de meetverantwoordelijke met behulp van een indirecte methode een berekening kan maken van de aan het net onttrokken energie. Onzekerheidsfactor fo. Jaarlijks stelt voor 1 november de netbeheerder van het landelijke hoogspanningsnet deze onzekerheidsfactor vast en publiceert deze op haar website. De netbeheerder van het landelijke hoogspanningsnet berekent op basis van de ontvangen informatie voor de leveringsrichting afname, van de meetgegevens bedoeld in artikel 10.15, eerste lid, onderdeel d van de Netcode elektriciteit het procentuele verschil tussen de in de allocatie gebruikte meetgegevens en de ontvangen maandelijkse berichten over de gemeten volumes in de periode van juli van het voorgaande jaar tot en met juni van het huidige jaar. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet stelt de onzekerheidsfactor fo vast op basis van dit procentuele verschil, waarbij de fo minimaal 1,0 procent is.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Bijlage 4. Erkenningsregelingen
B4.1. Erkenningsregeling voor meterplaatsers
B4.1.2. Het plaatsen van op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen en erkenning als meterplaatser
B4.1.4. Einde van erkenning als meterplaatser
B4.2. Erkenningsregeling voor meetverantwoordelijken
B4.2.2. Het MV-register
B4.2.3. Einde van erkenning als meetverantwoordelijke
B4.2.3.1
B4.2.4. Geheimhouding
B4.2.4.1
Bijlage 5. Schatting van meetgegevens
B5.1
De meetverantwoordelijke of netbeheerder hanteert per onbalansverrekeningsperiode de volgende methode om de berekende meetgegevens te bepalen:
Leveringsrichting invoeding:
Indien er sprake is van één of meer elektriciteitsproductie-eenheden achter de aansluiting, is de energieuitwisseling vanuit de installatie naar het net nul, tenzij de meetverantwoordelijke na overleg met de aangeslotene of netbeheerder andere informatie ontvangt, waarmee de meetverantwoordelijke met behulp van een indirecte methode een berekening kan maken van de geproduceerde elektriciteit, en de daaruit volgende invoeding op het net.
Leveringsrichting afname:
- a. De meetverantwoordelijke of netbeheerder berekent op basis van het gemiddelde verbruik van dezelfde onbalansverrekeningsperiode van dezelfde dag van de week gedurende drie weken voor de desbetreffende kalenderdag vermenigvuldigd met de onzekerheidsfactor fo. Daarbij wordt rekening gehouden met in de Algemene Termijnenwet genoemde feestdagen, waarbij een feestdag wordt geschat als een zondag. Indien voor een onbalansverrekeningsperiode maar voor 1 of 2 weken historische meetgegevens beschikbaar zijn, worden de beschikbare meetgegevens in de berekening genomen en gedeeld door respectievelijk 1 of 2. Indien geen historische meetgegevens beschikbaar zijn, wordt de waarde nul berekend. Voorbeeld per onbalansverrekeningsperiode (ISP) Schatting ISPn =((ISPn dag -3 weken + ISPn dag -2 weken + ISPn dag -1 week)/3) * (1+ fo)
- b. tenzij de meetverantwoordelijke na overleg met de aangeslotene of netbeheerder andere informatie ontvangt, waarmee de meetverantwoordelijke met behulp van een indirecte methode een berekening kan maken van de aan het net onttrokken energie. Onzekerheidsfactor fo. Jaarlijks stelt voor 1 november de netbeheerder van het landelijke hoogspanningsnet deze onzekerheidsfactor vast en publiceert deze op haar website. De netbeheerder van het landelijke hoogspanningsnet berekent op basis van de ontvangen informatie voor de leveringsrichting afname, van de meetgegevens bedoeld in artikel 10.15, eerste lid, onderdeel d van de Netcode elektriciteit het procentuele verschil tussen de in de allocatie gebruikte meetgegevens en de ontvangen maandelijkse berichten over de gemeten volumes in de periode van juli van het voorgaande jaar tot en met juni van het huidige jaar. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet stelt de onzekerheidsfactor fo vast op basis van dit procentuele verschil, waarbij de fo minimaal 1,0 procent is.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
1.1.6
Waar in deze code ‘gecontracteerd transportvermogen’ staat, wordt per aansluiting de hoogste waarde van het gecontracteerd transportvermogen voor afname of het gecontracteerd transportvermogen voor invoeding bedoeld, tenzij één van beide specifiek is aangeduid.
1.2. Voorwaarden met betrekking tot meterbeheerders, meterplaatsers en meetverantwoordelijken
1.2.1. Meterbeheerder
1.2.2. Meterplaatser
1.2.3. Het overdragen van meetverantwoordelijkheid
1.2.4. Beëindiging van de beheerovereenkomst tussen de meetverantwoordelijke en de aangeslotene
1.2.5. Vangnetregeling meetverantwoordelijkheid
2. Keuze van meetinrichting en aanwijzing meetbeheerder
2.2. Comptabele meetinrichting in het (de) overdrachtspunt(en) van een aansluiting tussen twee netten
2.4. Meetinrichting in het (de) overdrachtspunt(en) van een grootverbruikaansluiting
2.6. Aanwijzing meterbeheerder
3. Uitrol van op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen ten behoeve van kleinverbruikaansluitingen
3.1. Algemeen
3.2. Procedure prioriteitsplaatsing
3.3. Procedure plaatsing door derden van een door de netbeheerder geleverde meetinrichting
3.4. Procedure plaatsing door derden van een niet door de netbeheerder geleverde meetinrichting
4. Eisen aan meetinrichtingen
4.1. Algemeen
4.1.2. Verzegelingen
4.2. Eisen aan kleinverbruikmeetinrichtingen
4.2.3. Storingen in de kleinverbruikmeetinrichting
4.3. Eisen aan grootverbruikmeetinrichtingen
4.3.1. Algemeen
4.3.2. Eisen aan het primaire deel van de meetinrichting
4.3.3. Administratie met betrekking tot de grootverbruikmeetinrichting
4.3.5. Eisen aan telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
4.3.6. Nauwkeurigheidseisen aan meetinrichtingen die niet onder de Metrologiewet vallen
4.3.7. Storingen in de grootverbruikmeetinrichting
5. Meetgegevensverzameling
5.2. Meetgegevensverzameling bij profielgrootverbruikmeetinrichtingen en bij productiemeetinrichtingen
5.3. Meetgegevensverzameling bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
5.4.1. Verschillen bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
5.4.2. Verplichtingen van de meetverantwoordelijke bij het op afstand uitlezen van telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
5.4.3. Reparatie en schatting van meetgegevens bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
5.5. Afhandeling van herzieningsverzoeken
6. Bijzondere bepalingen
6.1. Verwisseling of wijziging van het deel van de meetinrichting bij de aansluiting
6.2. Onvoorzien
6.3. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage 2. Definities van de begrippen energie, vermogen, blindenergie en blindvermogen, waarvan in deze code is uitgegaan
Energie en vermogen
Bijlage 3. Voorschrift voor het ontwerpen, installeren en controleren van comptabele meetinrichtingen voor elektrische energie en blindenergie
B3.1.1. Definities
B3.2.2. De plaats van de meetinrichting
B3.2.3. Typekeuring van meetmiddelen
B3.2.4. Spanningsmeetcircuits
B3.2.5. Stroommeetcircuits
B3.2.6. De nauwkeurigheid van de meetinrichting
B3.3.1. Controle voordat de meetinrichting wordt geïnstalleerd
B3.3.2. Controle nadat de meetinrichting is geïnstalleerd
B3.3.3. Controle van in gebruik zijnde meetinrichtingen
B3.4.1. Controle voordat een meetinrichting wordt geïnstalleerd
B3.4.2. Controle nadat de meetinrichting is geïnstalleerd
Tabellen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)