Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 23 juni 2017, nr. 1214771 tot intrekking van toezichtkaders onder vaststelling van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2017

Type Ministeriële regeling
Publication 2021-08-01
State In force
Source BWB
artikelen 3
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Voor de categorie zeer zwakke scholen geldt een aantal aanvullende interventies. Deze hebben tot doel belanghebbenden rond de school actief over het oordeel Zeer zwak te informeren (artikel 4, vierde lid, WOT). Dit betekent dat wij in de eerste plaats de Minister over het oordeel Zeer zwak informeren en dat de school op onze website als zodanig wordt vermeld. Daarnaast dient het bestuur van de school (als het funderend onderwijs betreft) de ouders te informeren over het inspectierapport op basis van een door de inspectie opgesteld samenvattend rapport (artikel 23c, WVO). Tot slot informeren we de betreffende gemeente aan de hand van het inspectierapport.

Basiskwaliteit

Als een school voldoet aan de basiskwaliteit houdt onze rol niet op. Naast onze waarborgfunctie willen we besturen en scholen stimuleren hun kwaliteitsdoelen hoger te formuleren dan de basiskwaliteit. In onze onderzoeken voeren we daarom de dialoog over de eigen doelen en ambities die het bestuur zichzelf stelt en hoe deze worden gerealiseerd. Ook kunnen we tijdens het vierjaarlijks onderzoek op verzoek van besturen een onderzoek doen naar scholen die het volgens het bestuur goed doen. Onze bevindingen zijn er dan op gericht om het bestuur en zijn scholen feedback te geven op de kwaliteit die zij al dan niet laten zien. Op deze wijze werken inspectie, besturen en scholen samen aan de verdere ontwikkeling van de kwaliteitscultuur.

Eigen aspecten van kwaliteit

Toezicht op de kwaliteit van het onderwijs richt zich naast het toezicht op besturen en hun scholen, ook op het stelsel als geheel. In de eerste negen hoofdstukken van dit onderzoekskader hebben we beschreven hoe we de kwaliteit van individuele besturen en hun scholen beoordelen. In dit hoofdstuk beschrijven we het stelseltoezicht.

ONDERWIJSRESULTATEN (OR)

Onder stelselkwaliteit verstaan we de mate waarin het stelsel van scholen, opleidingen en besturen erin slaagt de kernfuncties van onderwijs – kwalificatie, socialisatie en selectie/allocatie – met succes én in evenwicht te realiseren. Onze periodieke onderzoeken bij scholen, opleidingen en besturen geven daarvan een aardig beeld, maar stelselkwaliteit is niet een optelsom van de oordelen en kwaliteitsbeelden die we met het instellingstoezicht verkrijgen. Daar is meer voor nodig.

Met het waarderingskader doen we uitspraken over de kwaliteit van scholen, opleidingen en besturen op basis van de (selectie van) standaarden. Dit kwaliteitsbeeld is niet allesomvattend. Ouders, leerlingen, docenten, schoolleiders en bestuurders ervaren soms knelpunten die relevant zijn voor (het ontbreken van) onderwijskwaliteit, maar waarvoor andere partijen nodig zijn om tot verbetering of een oplossing te komen. Zo kan vigerend overheidsbeleid tot ongewenste effecten leiden, wordt nieuw beleid om diverse redenen moeizaam geïmplementeerd, of nemen niet alle partijen hun verantwoordelijkheid om gezamenlijk aan de gewenste oplossing bij te dragen. Inspecteurs krijgen dergelijke signalen en voorbeelden bij hun schoolonderzoeken aangereikt; vaak reiken deze onderwerpen verder dan de onderzoeksvraag van het onderzoek bij die ene instelling. We willen deze stelselinformatie beter benutten en als toezichthouder nadrukkelijk een rol vervullen bij het agenderen van knelpunten op stelselniveau. Daarvoor is het nodig dat we ons continu een beeld vormen van de knelpunten die zich schooloverstijgend voordoen. We richten het stelseltoezicht daarop vervolgens in.

We kunnen met ons toezicht bovendien meer effect sorteren als we de relatie tussen het toezicht op individuele scholen en instellingen en het stelseltoezicht versterken. We richten het stelseltoezicht zodanig in dat we enerzijds de (gestandaardiseerde en niet-gestandaardiseerde) informatie die we op school- en instellingsniveau verkrijgen, benutten voor de keuze van stelselonderzoeken. Anderzijds richten we onze instellingsonderzoeken proportioneel in, mede op basis van breed verkregen stelselinformatie. We doen dit op hoofdlijnen waar het goed gaat en verdiepend waar het nodig blijkt.

We selecteren jaarlijks onderwerpen die herkenbaar zijn in het onderwijsveld. Afhankelijk van de aard van de problematiek en de oplossingsrichting communiceren we met relevante partijen over de uitkomsten en dringen we aan op een oplossing van het probleem.

Samenvattend: we richten ons met het stelseltoezicht op stelselproblemen, waarvoor de oplossing het niveau van individuele schoolbesturen overstijgt. We treden daarbij stimulerend, agenderend en activerend op.

Eigen aspecten van kwaliteit

We volgen permanent de belangrijkste kenmerken van het onderwijsstelsel. Dat doen we op verschillende onderdelen. Naast de drie kernfuncties – kwalificatie, socialisatie en selectie/allocatie – doen we dit ook op aspecten van voorwaarden en doelmatigheid, zoals beschikbaarheid en besteding van financiële middelen, bestuurlijk handelen en kwaliteitszorg, personeelsbeleid en faciliteiten.

Om tot een beeld van het stelsel als geheel te komen, brengen we in kaart hoe het ervoor staat, per sector maar ook voor het stelsel. We maken daarbij gebruik van de jaarlijkse prestatieanalyse van besturen, scholen en opleidingen (paragraaf 6.1). Daarnaast hanteren we diverse bronnen, zoals informatie uit gesprekken bij instellingsonderzoeken, informatie uit toezichtteams, signalen die bij de inspectie binnen komen, kennis uit externe (wetenschappelijke) onderzoeken, berichten in de media, bestuurlijke overleggen, en informatie van toezichthouders op verwante domeinen. We maken ook gebruik van informatie die door anderen is verzameld, zoals inschrijvingen en stroomgegevens van leerlingen, financiële gegevens en demografische gegevens.

De resultaten van de monitoring geven inzicht in ontwikkelingen in het onderwijs en mogelijke tekortkomingen in het stelsel. Deze worden jaarlijks intern en met externe belanghebbenden besproken. De belangrijkste trends, opvallende ontwikkelingen en tekortkomingen beschrijven we in De Staat van het Onderwijs. Ook tussendoor publiceren we en organiseren we themabijeenkomsten.

De wet schrijft voor dat alle leerlingen (behoudens uitzonderingen) een eindtoets maken en dat deze conform voorschriften wordt afgenomen (art. 18b WEC).

Op basis van de stelselmonitoring kiezen we jaarlijks enkele thema’s. Prioritering vindt plaats aan de hand van criteria die verband houden met nut en noodzaak van een verdere verkenning en de rol die de inspectie daarbij betekenisvol kan vervullen (stimulerend, agenderend, activerend). We kijken wat de beste manier is om een bepaald thema onder de aandacht te brengen: met een thematisch onderzoek, door het organiseren van expertbijeenkomsten of symposia of bijvoorbeeld door informatiedeling via een webinar of e-magazine. Een thema kan sectorspecifiek zijn of meerdere sectoren omvatten en de selectie van thema’s wordt vastgelegd in ons jaarwerkplan.

Als een themaonderzoek wordt uitgevoerd, dan koppelen we dit bij voorkeur aan het vierjaarlijks onderzoek naar bestuur en hun scholen. Daarmee houden we de toezichtlast zo beperkt mogelijk.

Bij het vierjaarlijks onderzoek bij besturen en scholen kiezen we jaarlijks een tot drie standaarden die altijd bij elk (verificatie)onderzoek bij twee of meer van de sectoren po, vo, (v)so, mbo worden beoordeeld. Op deze manier ontstaat een representatief beeld op stelselniveau. Daarnaast kan iedere sector een of meer sectorspecifieke standaarden aanwijzen die in een bepaalde periode bij alle onderzoeken binnen de betreffende sector worden beoordeeld. De keuze voor de ‘stelselstandaarden’ wordt altijd gebaseerd op de analyse van de stelselmonitor. Deze analyse kan er tevens toe leiden dat een of meer standaarden uit het waarderingskader op voorhand niet worden onderzocht bij het instellingstoezicht, omdat de analyse daar geen aanleiding toe geeft.

Als voorbeeld noemen we Didactisch handelen. We willen de kwaliteit op deze standaard in alle sectoren onderzoeken. Dit komt dan aan de orde in alle vierjaarlijkse onderzoeken. Er wordt een representatief beeld opgesteld per sector. Zo geldt dit ook voor sectorspecifieke thema’s, zoals de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming in het mbo of de samenwerking van besturen in po, vo en (v)so in het kader van passend onderwijs.

Op basis van de keuzes in ons jaarwerkplan informeren we besturen bij het vierjaarlijks onderzoek over de zogenoemde stelselstandaarden die we onderzoeken. We nemen dit op in het onderzoeksplan dat we bij een vierjaarlijks onderzoek opstellen (paragraaf 7.2.3).

De resultaten van het (aan het vierjaarlijks onderzoek gekoppeld) themaonderzoek worden opgenomen in De Staat van het Onderwijs (paragraaf 8.5) en worden niet separaat in de rapporten van de vierjaarlijkse onderzoeken vermeld. Het bestuur wordt hier apart over geïnformeerd.

Een thematisch onderzoek kan niet altijd worden gekoppeld aan het vierjaarlijks onderzoek naar besturen en hun scholen. De aard van het vraagstuk bepaalt of een koppeling met het vierjaarlijks onderzoek mogelijk is.

Een urgent stelselprobleem kan leiden tot voorrang op de onderzoeksagenda.

Het bereikte uitstroomprofiel garandeert dat de leerling in voldoende mate geëquipeerd is om zich met succes te kunnen handhaven in de vervolgbestemming die met het bereikte uitstroomprofiel samenhangt. De scholen verantwoorden zich over de resultaten die aan het einde van de schoolperiode zijn behaald en doen dat ook in termen van uitstroombestemmingen (artikel 11 lid 1, 14a/c/f, 20/22, 41a en onderliggende regels, WEC).

In dit hoofdstuk beschrijven we enkele specifieke toepassingen van het onderzoekskader. Het betreft onderwijssoorten en -voorzieningen waarvoor specifieke wet- en regelgeving geldt en waar het waarderingskader en/of de werkwijze op worden aangepast.

Achtereenvolgens beschrijven we het toezicht op: praktijkonderwijs, eerste opvang anderstaligen (eoa), particuliere zelfstandige exameninstellingen, samenwerkingsverbanden passend onderwijs (swv pao), orthopedagogisch-didactische centra (opdc) en onderwijs in Caribisch Nederland (BES68BES: Bonaire, St. Eustatius, Saba). Voor het Nederlands onderwijs in het buitenland (NOB) en niet-bekostigde instellingen zijn aparte waarderingskaders opgesteld.

In de tekst hieronder staat een overzicht van de standaarden uit het waarderingskader (hoofdstuk 3) die al dan niet, of met wijziging, van toepassing zijn op genoemde voorzieningen.

Voor de leesbaarheid zijn de volledige waarderingskaders per onderwijssoort in de bijlagen opgenomen.

Geen wettelijke eisen.

Het praktijkonderwijs (pro) kenmerkt zich door leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte. Zij hebben een toelaatbaarheidsverklaring voor het pro. In het ontwikkelingsperspectief staat per leerling beschreven welk (eind)perspectief wordt nagestreefd en op welke wijze het onderwijs wordt aangepast om dit doel te bereiken. De inhoud van het onderwijs wijkt af van het reguliere aanbod. Het pro biedt leerlingen eindonderwijs; het leidt het op voor wonen, vrije tijd, burgerschap en arbeidsmarkt.

De aanpassingen betreffen met name het waarderingskader en de normering; de werkwijze wijkt niet af van de beschrijving in de hoofdstukken 5 tot en met 7.

KWALITEITSZORG EN AMBITIE (KA)

De aanpassingen in het waarderingskader betreffen de standaarden Aanbod, Zicht op ontwikkeling en begeleiding, Resultaten, Sociale en maatschappelijke competenties en Vervolgsucces. Het bieden van extra ondersteuning is een kerntaak van het pro. De inhoud van deze standaard is daarom samengevoegd met de standaard Zicht op ontwikkeling en begeleiding.Alle overige standaarden zijn ongewijzigd van toepassing, met uitzondering van de standaard Toetsing en Afsluiting. Deze standaard geldt niet voor het praktijkonderwijs. Bijlage 1 bevat de afwijkende standaarden en de normering voor het praktijkonderwijs.

11.1.2. Werkwijze

De werkwijze van het toezicht is zoals beschreven in de hoofdstukken 4 tot en met 9.

Het bestuur zorgt voor een stelsel van kwaliteitszorg op de scholen. Dit stelsel staat uitgewerkt in het /de schoolplan(nen) van de scholen. Vanuit dit stelsel bewaakt en bevordert het bestuur de kwaliteit van het onderwijsproces en de leerresultaten.

Kinderen die vanuit het buitenland naar Nederland komen en die het Nederlands nog onvoldoende beheersen om regulier voortgezet onderwijs te volgen, komen terecht in de zogeheten eerste opvang anderstaligen (eoa). Dergelijke eoa’s zijn verbonden aan een basisberoepsgerichte leerweg in het vmbo.

Artikel 11d van de WVO biedt ruimte aan het bevoegd gezag ontheffing te verlenen van het onderwijsprogramma in de eerste twee leerjaren. Daarvoor in de plaats volgen deze leerlingen in een eoa een intensief programma om Nederlands te leren en worden zij voorbereid om in te stromen in het reguliere onderwijs.

Het toezicht op de eerste opvang anderstaligen maakt integraal deel uit van het toezicht op scholen voor voortgezet onderwijs. De werkwijze zoals deze in dit onderzoekskader staat beschreven is dan ook van toepassing.

Te denken valt aan

De aanpassingen in het waarderingskader betreffen de standaarden Aanbod, Zicht op ontwikkeling en begeleiding. De standaarden Resultaten, Praktijkvorming en Toetsing en afsluiting zijn niet van toepassing. Alle overige standaarden zijn ongewijzigd van toepassing. Bijlage 2 bevat het volledige waarderingskader.

Het schoolplan en de zorgplicht voor de kwaliteit van het onderwijs staan centraal om het verbeteren van en het verantwoorden over de kwaliteit van het onderwijs te bevorderen. Het bevoegd gezag dient zorg te dragen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder ‘zorg dragen voor’ wordt in elk geval verstaan het naleven van de wettelijke bepalingen en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg (artikel 19 WEC).

Een voorziening voor eoa is verbonden aan een basisberoepsgerichte leerweg in het vmbo. We beschrijven de kwaliteit van het onderwijs op de eerste opvang in het rapport aan het bestuur. Daarin trekken we op basis van onze oordelen op de standaarden een conclusie over de kwaliteit van het onderwijs volgens de beslisregels uit hoofdstuk 4. Omdat voor de resultaten van leerlingen in een eoa geen normen beschikbaar zijn, gelden daarmee de beslisregels voor scholen waar de resultaten niet van te beoordelen zijn (paragraaf 4.5.1).

De maatregelen in het kader van herstel en verbetering (hoofdstuk 9) zijn in voorkomende situaties ook van toepassing op voorzieningen voor eerste opvang. Als escalatie van het toezicht noodzakelijk blijkt, kunnen de maatregelen worden verbreed naar de opleiding basisberoepsgerichte leerweg in het vmbo waar het onderwijs in het kader van eerste opvang is ondergebracht.

KA2. Kwaliteitscultuur

Het toezicht particuliere zelfstandige exameninstellingen voor voortgezet onderwijs (artikel 56, WVO), ook wel artikel 56-scholen of B2-scholen genoemd, heeft primair een waarborgfunctie: iedere leerling heeft recht op onderwijs van voldoende kwaliteit. Naast de wettelijke eisen uit de WVO die aan de basiskwaliteit kunnen worden gesteld, bieden met name ook de Leerplichtwet 1969 en het Eindexamenbesluit VO het wettelijk kader voor het toezicht.

In algemene zin wijkt de werkwijze van de Inspectie niet af van de wijze waarop dit in voorgaande hoofdstukken van dit onderzoekskader is beschreven. We noemen hierna de uitzonderingen ten aanzien van het reguliere waarderingskader en de specifieke bepalingen in het kader van herstel bij niet naleving.

Het bestuur handelt volgens de Code Goed Bestuur en legt uit wanneer het daarvan afwijkt. Deze handelwijze leidt tot een integere en transparante organisatiecultuur. Iedere betrokkene werkt vanuit zijn eigen rol aan de versterking van de onderwijskwaliteit.

De aanpassingen in het waarderingskader betreffen de standaarden Aanbod, Zicht op ontwikkeling en begeleiding, Samenwerking, Veiligheid en Resultaten. Het betreft hier wijzigingen omdat er voor artikel 56-scholen onder meer geen wettelijke verplichtingen zijn rond burgerschapsvorming, achterstandenbestrijding en deelname aan een samenwerkingsverband passend onderwijs. Ook zijn met deze scholen andere afspraken gemaakt over de leerresultaten.

De standaard Extra ondersteuning (OP4) vervalt, omdat de zorgplicht en extra ondersteuning in het kader van passend onderwijs niet van toepassing zijn. Indien de artikel 56-scholen in de toekomst volgens de WVO deel gaan uitmaken van een samenwerkingsverband, dan wordt deze standaard wel onderdeel van het waarderingskader voor deze scholen. De standaard Verantwoording en dialoog en het gehele kwaliteitsgebied Financieel beheer zijn niet van toepassing, omdat voor deze scholen de Wet medezeggenschap op scholen (WMS) niet van toepassing is en zij geen bekostiging van de overheid ontvangen.

Kwaliteitsgebied Onderwijsresultaten

De maatregelen in het kader van herstel en verbetering (hoofdstuk 9) zijn in voorkomende situaties ook van toepassing op deze scholen. Als escalatie van het toezicht noodzakelijk blijkt, kan de bevoegdheid om bij de leerlingen eindexamens af te nemen en diploma’s uit te reiken, worden ingetrokken. Het waarderingskader is opgenomen in bijlage 3.

Toelichting wettelijke eisen

De werkwijze van het toezicht is zoals beschreven in de hoofdstukken 4 tot en met 9.

Het zodanig inrichten van het onderwijs dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen, het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen (artikel 11, eerste lid, WEC) en het uitvoeren van de verbetermaatregelen op basis van het kwaliteitszorgsysteem (artikel 19 en 21, vierde lid, WEC) kan alleen worden gerealiseerd door personeel dat professioneel is en blijft. In het schoolplan moet een beschrijving van het personeelsbeleid worden opgenomen. In dat kader is ook het bijhouden van de bekwaamheidsdossiers (artikel 32b WEC) van belang. De school dient leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid te geven bij de beoordeling van de onderwijsprestaties van leerlingen en voldoende zeggenschap te geven waar het gaat om het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school (artikel 31a, eerste t/m derde lid, WEC).

Samenwerkingsverbanden moeten zorgen voor een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen. Leerlingen kunnen dan een ononderbroken ontwikkelingsproces doormaken en leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, krijgen een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs. Dit is een voorwaarde voor het kunnen waarmaken van de zorgplicht door de schoolbesturen en daarmee voor het succes van passend onderwijs. Hierop houden we toezicht.

Er is sprake van een sterke wederzijdse afhankelijkheid tussen schoolbesturen en het samenwerkingsverband en tussen schoolbesturen onderling. Het beleid van het samenwerkingsverband over de organisatie en bekostiging van de extra ondersteuning grijpt in op de kwaliteit van de scholen. Het samenwerkingsverband op zijn beurt is afhankelijk van de prestaties van de scholen waar het de realisatie van extra ondersteuning betreft. Deze wederzijdse afhankelijkheid betrekken we in de uitvoering van het toezicht op de samenwerkingsverbanden. Dit doen we door het toezicht op de samenwerkingsverbanden te verbinden met de onderwijspraktijk en het scholentoezicht. De werkwijze zoals beschreven in dit onderzoekskader geldt ook voor het toezicht op de samenwerkingsverbanden. Bij het toezicht op de samenwerkingsverbanden maken we gebruik van een afzonderlijk waarderingskader (bijlage 4).

Het toezicht moet inzicht geven in de mate waarin samenwerkingsverbanden erin slagen hun taak te vervullen. De werkwijze bij de expertanalyse wijkt in lichte mate af, omdat we hierbij ook de belanghebbenden bij het samenwerkingsverband raadplegen. De doorlooptijden kunnen ook afwijken omdat deze mede zijn bepaald door de omvang van de raadpleging van de belanghebbenden en door de eventuele vervolgactiviteiten naar aanleiding van die raadpleging.

Het bestuur en de scholen hebben tegenspraak georganiseerd. Dit gebeurt in ieder geval door het intern toezicht en de G(MR) te betrekken bij beleids- en besluitvorming.

Soms lopen leerlingen tijdelijk vast in het reguliere onderwijs. Deze leerlingen kunnen kortdurend (maximaal twee jaar) intensieve ondersteuning op een tussenvoorziening (orthopedagogisch-didactisch centrum, opdc) krijgen. De leerling blijft ingeschreven op de reguliere school en de school is daarmee verantwoordelijk voor de effectiviteit van het onderwijs aan de leerling op het opdc. Daarmee blijft die school tevens verantwoordelijk voor de resultaten die de leerling behaalt.

De kwaliteit van het onderwijs op een opdc valt onder verantwoordelijkheid van het samenwerkingsverband waartoe het opdc behoort. In het ondersteuningsplan staat welke leerlingen in aanmerking kunnen komen voor het volgen van (een deel van) het onderwijsprogramma op een opdc. Het toezicht richt zich op de beoordeling van de onderwijskwaliteit van het opdc. Daarvoor wordt het waarderingskader voor vo gebruikt. De resultaten van leerlingen in een opdc (standaard OR1) tellen mee bij de school waar zij staan ingeschreven en niet op het opdc. Voor de beoordeling van de kwaliteit van het opdc geldt de beslisregel voor scholen waar de resultaten niet van te beoordelen zijn (paragraaf 4.5.1).

Is er aanvullend beleid over de wijze waarop verantwoording wordt afgelegd en (hoe) wordt dit beleid gerealiseerd?

Sinds 10 oktober 2010 zijn Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (BES) bijzondere gemeenten van Nederland. De eilanden worden ook wel 'Caribisch Nederland' genoemd. De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op het onderwijs in Caribisch Nederland (po, vo, mbo, ho, sociale kanstrajecten jongeren en expertisecentra onderwijszorg). Tevens hebben we de taak van vertrouwensinspecteur voor Caribisch Nederland.

In 2011 is de Onderwijsagenda voor Caribisch Nederland, 'Samen werken aan kwaliteit', tot stand gekomen. Het doel van de Onderwijsagenda is dat in 2016 de onderwijskwaliteit in Caribisch Nederland op een naar Nederlandse en Caribische maatstaven aanvaardbaar niveau is. Anders gezegd: het onderwijs dient op alle scholen in 2016 voldoende basiskwaliteit te hebben. Op basis van de Onderwijsagenda heeft de inspectie de kenmerken van basiskwaliteit beschreven. Alle scholen hebben verbeterplannen opgesteld met activiteiten om de basiskwaliteit te bereiken.

Vervolgens is in 2014 en 2016 gekeken welke voortgang is geboekt. De inspectie concludeerde in 2016 in het rapport ‘De ontwikkeling van het onderwijs in Caribisch Nederland 2014-2016’ dat het merendeel van de scholen in Caribisch Nederland de basiskwaliteit heeft bereikt. Voor de verdere ontwikkeling van alle scholen zijn er afspraken gemaakt tussen alle betrokkenen in de Tweede Onderwijsagenda voor Caribisch Nederland 2017-2020 ‘Samenwerken aan de volgende stap’. Het doel van de onderwijsagenda is dat alle leerlingen in Caribisch Nederland in 2020 onderwijs krijgen waarvan de kwaliteit minimaal voldoet aan Europees Nederlandse maatstaven en die vervolgens ook aantoonbaar en voortdurend wordt verbeterd.

De hierna beschreven werkwijze is van toepassing voor scholen die de basiskwaliteit op orde hebben op 1 augustus 2017, of daarna voor de eerste keer de basiskwaliteit bereiken.

De samenleving heeft belang bij het onderwijs. Om de resultaten van een school te kunnen duiden is het nodig dat de school laat zien welke doelen zij zich stelt.

De basis voor het waarderingskader voor het onderwijs in Caribisch Nederland is gelijk aan die voor het waarderingskader zoals beschreven in hoofdstuk 3. De standaarden zijn aangepast op basis van de wetgeving die voor Caribisch Nederland geldt (WPO BES, WVO BES en WEB BES) en er zijn aanpassingen gemaakt om het waarderingskader beter aan te laten sluiten bij de context. Mbo-opleidingen in Caribisch Nederland worden verzorgd door scholengemeenschappen in de zin van de WVO BES. Dit betekent dat het bestuur van deze scholengemeenschappen zowel met het waarderingskader van vo als van mbo van doen heeft. Ook zijn er enkele onderdelen die voor Caribisch Nederland niet van toepassing zijn, bijvoorbeeld omdat er geen scholen voor speciaal onderwijs of samenwerkingsverbanden passend onderwijs zijn in Caribisch Nederland.

Een andere bijzonderheid is dat nog niet alle artikelen van de WPO BES, WVO BES en WEB BES in werking zijn getreden. Daarom zijn sommige standaarden nu nog voorzien van overige aspecten van kwaliteit, die gebaseerd zijn op wetgeving die in de toekomst alsnog in werking zal treden. Vanaf het moment van inwerkingtreding gelden deze onderdelen als deugdelijkheidseisen. Waar dit van toepassing is, is dat in het waarderingskader aangegeven. Het volledige waarderingskader is te vinden in bijlage 4.

Het bestuur is financieel gezond en kan op korte en langere termijn voldoen aan zijn financiële verplichtingen.

De hierna beschreven werkwijze is van toepassing voor scholen die de basiskwaliteit op orde hebben op 1 augustus 2017, of daarna voor de eerste keer de basiskwaliteit bereiken. Voor scholen en opleidingen in het po, vo en mbo waar dit nog niet het geval is, blijven de kaders over het bereiken van de basiskwaliteit geldig tot 1 januari 2019. Bij deze scholen houden we intensief toezicht en zij worden in elk geval jaarlijks door de inspectie bezocht. Voor het Expertisecentrum onderwijszorg (eoz) en de sociale kanstrajecten jongeren (skj) blijft de werkwijze en het waarderingskader geldig zoals afgesproken in de documenten over basiskwaliteit.

De inspectie oordeelt in Caribisch Nederland op dezelfde wijze over de standaarden als in Europees Nederland, met uitzondering van de standaarden voor Onderwijsresultaten. Voor Onderwijsresultaten zijn voor Caribisch Nederland geen normen vastgesteld. Daarnaast geeft de inspectie een eindoordeel op schoolniveau. Het eindoordeel Zeer zwak en ook de waardering Goed kan in Caribisch Nederland nog niet worden gegeven, het eindoordeel Voldoende of Onvoldoende wel.

Tekortkomingen op de wettelijke eisen kunnen leiden tot een oordeel Onvoldoende op standaarden. Een Onvoldoende op een standaard leidt tot een herstelopdracht (paragraaf 9.2). Daarbij gelden de beschreven herstelprocedures. Als standaarden niet zijn gebaseerd op een wettelijke eis, wordt het oordeel Onvoldoende niet gegeven. In plaats daarvan geeft de inspectie bij tekortschietende kwaliteit de waardering Kan beter.

Tijdens een kwaliteitsonderzoek beoordelen wij de standaarden voor kwaliteitszorg per school en indien van toepassing ook op bovenschools directieniveau. We bespreken de kwaliteit van het onderwijs en de kwaliteitszorg met het bestuur en spreken het aan op zijn verantwoordelijkheden. Een oordeel op bestuursniveau geven wij vooralsnog echter niet. Vanwege de specifieke context in Caribisch Nederland, beoordelen we op bestuursniveau alleen de financiële standaarden. Dit gebeurt door de directie Rekenschap van de inspectie in separate rapportages.

In dit stadium van de schoolontwikkeling in Caribisch Nederland worden alle scholen en besturen één keer in de twee jaar bezocht. In het tussenliggende jaar wordt met elk bestuur een bestuursgesprek gevoerd. Wanneer tijdens het meest recente onderzoek onvoldoendes op een of meer standaarden zijn geconstateerd, verantwoordt het bestuur tijdens dit gesprek welke verbeteringen zijn gerealiseerd. De inspectie kan daarbij een onderzoek uitvoeren om het oordeel van het bestuur te verifiëren.

Toelichting wettelijke eisen

Kwaliteitsgebied Kwaliteitszorg en ambitie

De sectorwetgeving verplicht de intern toezichthouder het jaarverslag inclusief continuïteitsparagraaf goed te keuren. Over deze taak (het goedkeuren) moet de intern toezichthouder verantwoording afleggen in het jaarverslag (artikel 28i, eerste lid, onder a en onder e, WEC).

OP1. Aanbod

Het aanbod bereidt de leerlingen voor op functies binnen de regionale arbeidsmarkt en de samenleving.

Basiskwaliteit

De school biedt een breed, op de vier domeinen ‘wonen’, ‘werken’, ‘vrije tijd’ en ‘burgerschap’ en zo veel mogelijk op de kerndoelen gebaseerd aanbod, dat ook zo veel mogelijk de referentieniveaus taal en rekenen omvat. Het aanbod bereidt de leerlingen inhoudelijk goed voor op de arbeidsmarkt.

Het onderwijs gaat ervan uit dat leerlingen opgroeien in een pluriforme samenleving. Daarom is het onderwijs gericht op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie, en op kennis hebben van en kennismaken met verschillende achtergronden en culturen van leeftijdgenoten. Het aanbod draagt bij aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

Het aanbod dat de school biedt, sluit aan bij het niveau van de leerlingen en kan gedurende de schoolloopbaan worden verdiept en verbreed, zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. Dit betekent bijvoorbeeld dat de school een taalaanbod heeft om taalachterstanden te bestrijden. Bovendien moet de school de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren heen verdelen.

De school legt de doelen voor het onderwijs en de opbouw van het aanbod vast in het schoolplan.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan

Toelichting wettelijke eisen

Praktijkonderwijs bestaat uit een gedeelte waarin aangepast theoretisch onderwijs, persoonlijkheidsvorming en het aanleren van sociale vaardigheden worden verzorgd en een gedeelte waarin de leerling wordt voorbereid op het uitoefenen van functies op de arbeidsmarkt.

Praktijkonderwijs wordt zo veel mogelijk op basis van de kerndoelen verzorgd en is erop gericht dat leerlingen zo veel mogelijk het referentieniveau Nederlandse taal en het referentieniveau rekenen bereiken, die voor het praktijkonderwijs zijn vastgesteld op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen (artikel 10f, WVO).

Daarnaast omvat het onderwijs ook het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie en het kennis hebben van en kennismaken met verschillende achtergronden en culturen van leeftijdsgenoten (artikel 17, WVO). Verder bepaalt de wet dat het onderwijs dusdanig wordt ingericht dat er structureel en herkenbaar aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden, in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal (artikel 6c, WVO).

De inhoud van het onderwijsaanbod is afgestemd op verschillende leerbehoeften van leerlingen (artikel 2, tweede lid, WVO). Een aanvaard kwaliteitsbegrip bij de deugdelijkheidseis voor een ononderbroken voortgang in ontwikkeling van leerlingen vraagt van de school dat de inhoud wordt aangeboden in een logische fasering/opbouw, opklimmend in niveaus op een wijze die past bij het ontwikkelingsniveau van de leerlingen.

De school formuleert de doelen van het onderwijs in het schoolplan (artikel 24, tweede lid, WVO).

OP2. Zicht op ontwikkeling en begeleiding

De school volgt en begeleidt de leerlingen zodanig dat zij een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen.

Basiskwaliteit

De school verzamelt vanaf binnenkomst systematisch informatie over de kennis en vaardigheden van haar leerlingen. De school vergelijkt deze informatie met de verwachte ontwikkeling. Deze informatie en vergelijking maken het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen als individuele leerlingen.

Voor alle leerlingen legt de school de doelen en begeleiding in een ontwikkelingsperspectief vast. De school heeft voor alle leerlingen interventies (zowel in aanbod als gericht op gedrag) gepland. Deze interventies zijn gericht op het (ontwikkelings)perspectief van de leerling en daarmee op een ononderbroken ontwikkeling.

De school evalueert regelmatig (met ouders) of de ondersteuning en begeleiding het gewenste effect hebben. Wanneer leerlingen niet genoeg lijken te profiteren van het onderwijs, gaat de school na waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn. Bovendien gaat zij na wat nodig is om achterstanden bij leerlingen te verhelpen.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan

Toelichting wettelijke eisen

Voor leerlingen voor wie de school extra middelen krijgt vanuit het samenwerkingsverband, geldt de wettelijke verplichting om deze begeleiding in een ontwikkelingsperspectief vast te leggen (artikel 26, WVO). De wet vraagt ook dat leerlingen in het praktijkonderwijs een verantwoord ontwikkelingsperspectief hebben, dat de school het onderwijs aan de leerling daarop afstemt, de uitkomsten daarvan periodiek evalueert (met de ouders) en bij afwijking het ontwikkelingsperspectief bijstelt (artikel 17b, eerste lid en 26, WVO en artikel 15c, Inrichtingsbesluit WVO).

De wet vraagt dat de vorderingen van de leerlingen op een deugdelijke manier worden gevolgd (artikel 2, tweede lid, WVO, na inwerkingtreding van het wetsvoorstel tot een doeltreffender regeling van het onderwijstoezicht). Dit waarborgt dat de school daadwerkelijk de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen voor ogen kan hebben in het onderwijs en ook dat het onderwijs aansluit bij de verschillende leerbehoeften van leerlingen, bijvoorbeeld als uit de vorderingen blijkt dat de ontwikkeling stagneert. Bij deze laatste groep leerlingen zoekt de school naar mogelijke verklaringen voor de stagnatie, zodat het onderwijs daarop kan worden aangepast (artikel 6c, WVO).

Verder stelt de wet (artikel 6c, WVO) dat de school zichtbaar en gestructureerd werkt aan de bestrijding van die achterstanden. Dit veronderstelt dat de school weet wie welke achterstanden heeft, en dat er (aanvullende) activiteiten zijn waarmee de achterstanden worden bestreden. De toelichting op artikel 6c van de WVO zegt hier het volgende over: ‘Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal.’ Met ‘op structurele wijze’ willen we aangeven dat de aandacht voor het bestrijden van achterstanden nadrukkelijk ingebed moet zijn in en vervlochten met het onderwijs. ‘Op herkenbare wijze’ betekent dat die specifieke aandacht ook duidelijk moet blijken in de onderwijspraktijk, dus een ‘gezicht’ moet hebben.

Onderwijsachterstanden beperken zich niet tot taalachterstanden. Ook in andere vakken kunnen kinderen achterstanden hebben of oplopen. Ook daarvoor dient aandacht te zijn.

De waardering van de eigen aspecten van kwaliteit vindt op twee manieren plaats:

OR1. Resultaten

De school behaalt met haar leerlingen leerresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde norm.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?

4.5. Normering schoolniveau

OR2. Sociale en maatschappelijke competenties

De leerlingen behalen sociale en maatschappelijke competenties op het niveau dat ten minste in overeenstemming is met de gestelde doelen.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan

Normering

Voor de leerresultaten van leerlingen in het pro (standaard OR1) zijn geen landelijke normen vastgesteld. De leerresultaten worden daarom getoetst aan de doelen of normen die de school zelf stelt. De bevindingen wegen niet mee in het eindoordeel over de school.

De norm voor het oordeel Zeer zwak is conform artikel 23a1, derde lid, WVO (paragraaf 4.5.1).

In het eerste vierjaarlijks onderzoek op bestuursniveau hanteren we in het funderend onderwijs de norm voor Kwaliteitszorg en ambitie als volgt: we geven een oordeel op de drie standaarden afzonderlijk. In het rapport geven we aan de hand van deze oordelen een kwalitatieve beschrijving van het gebied Kwaliteitszorg en ambitie.

In deze bijlage zijn de standaarden opgenomen die voor het onderwijs eerste opvang anderstaligen afwijken van het waarderingskader in hoofdstuk 3. De toelichting op de aanpassing van het waarderingskader en de normering is te vinden in paragraaf 11.2.

¹ Wij beoordelen Financieel Beheer als ‘voldoende’ als de financiële continuïteit (FB1) en rechtmatigheid (FB3) voldoende zijn. Wij geven geen oordeel over de financiële doelmatigheid (FB2), tenzij er zwaarwegende redenen zijn om te concluderen dat er sprake is van evidente ondoelmatigheid. Dit leidt dan tot het oordeel ‘onvoldoende’. In dat geval is ook het oordeel over Financieel Beheer ‘onvoldoende’

OP1. Aanbod

Het aanbod bereidt de leerlingen voor op vervolgonderwijs en de samenleving.

Basiskwaliteit

De school biedt een aanbod dat ten minste de leerlingen in staat stelt om zich het Nederlands eigen te maken, op een niveau dat vereist is voor een vervolgopleiding passend bij de overige capaciteiten van de leerling. Het aanbod bereidt de leerlingen inhoudelijk goed voor op het vervolgonderwijs.

Het onderwijs gaat ervan uit dat leerlingen opgroeien in een pluriforme samenleving. Daarom is het onderwijs gericht op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie, en op kennis hebben van en kennismaken met verschillende achtergronden en culturen van leeftijdgenoten. Het aanbod draagt bij aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

Het aanbod dat de school biedt, sluit aan bij het niveau van de leerlingen en kan gedurende het verblijf op het eoa worden verdiept en verbreed, zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen en er sprake is van een goede aansluiting bij het onderwijs op de school waar zij ingeschreven staan.

De school legt de doelen voor het onderwijs en de opbouw van het aanbod vast in het schoolplan.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan

Toelichting wettelijke eisen

Voor leerlingen op een eoa geldt dezelfde wetgeving als voor leerlingen in het reguliere vo. Om aan de specifieke taalbehoeften voor deze groep leerlingen te voldoen, kan worden afgeweken van het wettelijk verplichte onderwijsprogramma. Er wordt dan gebruikgemaakt van de mogelijkheden in artikel 11d van de WVO, waarin staat dat het bevoegd gezag ontheffing kan verlenen van het onderwijsprogramma in de eerste twee leerjaren. Daarbij bepaalt het bevoegd gezag welk onderwijs in de plaats komt en dat zal vooral Nederlands zijn.

Daarnaast omvat het onderwijs ook het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie en het kennis hebben van en kennismaken met verschillende achtergronden en culturen van leeftijdsgenoten (artikel 17, WVO). Verder bepaalt de wet dat het onderwijs dusdanig wordt ingericht dat er structureel en herkenbaar aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden, in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal (artikel 6c, WVO). De inhouden van het onderwijsaanbod zijn afgestemd op verschillende leerbehoeften van leerlingen (artikel 2, tweede lid, WVO).

Een aanvaard kwaliteitsbegrip bij de deugdelijkheidseis voor een ononderbroken voortgang in ontwikkeling van leerlingen vraagt van de school dat de inhouden worden aangeboden in een logische fasering /opbouw, opklimmend in niveaus op een wijze die past bij de leeftijd van de leerlingen.

De school formuleert de doelen van het onderwijs in het schoolplan (artikel 24, tweede lid, WVO).

OP2. Zicht op ontwikkeling en begeleiding

De school volgt en begeleidt de leerlingen zodanig dat zij een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen.

Basiskwaliteit

Het eoa verzamelt vanaf binnenkomst systematisch informatie over de kennis en vaardigheden van zijn leerlingen. De school vergelijkt deze informatie met de verwachte ontwikkeling. Deze informatie en vergelijking maken het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen als individuele leerlingen. De school kan op basis van het vastgestelde niveau en de mogelijke problematiek van elke leerling zichtbaar maken hoe zij gestructureerd werkt aan bestrijding van taalachterstand. Het eoa heeft voor alle leerlingen extra begeleiding (zowel in aanbod als gedrag) gepland. Deze extra begeleiding is gericht op een ononderbroken ontwikkeling.

4.7.4. Expertoordeel

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?

4. Normering en oordeelsvorming

Toelichting wettelijke eisen

5. Werkwijze toezicht op besturen en scholen

In het onderwijs eerste opvang anderstaligen volgt elke leerling een individuele leerlijn. De eis van afstemming van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling betekent dat voor elke leerling een plan nodig is over de inhoud van het onderwijs, gebaseerd op zijn/haar specifieke situatie.

Verder stelt de wet (artikel 6c, WVO) dat de school zichtbaar en gestructureerd werkt aan de bestrijding van achterstanden. Dit veronderstelt dat de school weet wie achterstanden heeft en wat de achterstand inhoudt en dat er aanvullende activiteiten zijn waarmee de achterstanden worden bestreden. De toelichting op artikel 6c van de WVO zegt hier het volgende over: ‘Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden, in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal.’ Met ‘op structurele wijze’ willen we aangeven dat de aandacht voor het bestrijden van achterstanden nadrukkelijk ingebed moet zijn in en vervlochten met het onderwijs. ‘Op herkenbare wijze’ betekent dat die specifieke aandacht ook duidelijk moet blijken in de onderwijspraktijk, dus een ‘gezicht’ moet hebben.

4.2. Normering standaarden

Het gaat ons bij verificatieonderzoek niet alleen om de vraag of de informatie van het bestuur juist is, maar ook om de vraag of de sturing op kwaliteit werkt. Om vast te stellen of het systeem werkt, kan onder meer worden nagegaan of het beleid van het bestuur doorwerkt tot op het niveau van de leraren en de leerlingen/studenten. We nemen de informatie waarover het bestuur beschikt als startpunt van het onderzoek. Daarbij gaat het onder meer om de jaarverantwoording, maar ook om evaluatierapporten en zelfevaluaties. We verifiëren de juistheid van de informatie over de onderwijskwaliteit.

In deze bijlage is het waarderingskader voor particuliere zelfstandige exameninstellingen opgenomen. De toelichting op de aanpassing van het waarderingskader en/of de normering is te vinden in paragraaf 11.3.

Onderwijsproces (OP)

OP1. Aanbod

5.2.1. Onderzoek naar de kwaliteitszorg en het financieel beheer van het bestuur

Basiskwaliteit

De school biedt een breed en op de kerndoelen gebaseerd aanbod dat ook de referentieniveaus taal en rekenen omvat. Het aanbod is dekkend voor examenprogramma’s. Het aanbod bereidt de leerlingen inhoudelijk goed voor op het vervolgonderwijs. Dit aanbod omvat mede activiteiten op het gebied van loopbaanleren (LOB).

Het aanbod dat de school biedt, sluit aan bij het niveau van de leerlingen en kan gedurende de schoolloopbaan worden verdiept en verbreed, zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. Bovendien heeft de school de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren heen verdeeld.

4.5. normering schoolniveau

Toelichting wettelijke eisen

De wet geeft aan dat de school in de onderbouw een samenhangend onderwijsprogramma verzorgt waarin de kerndoelen worden uitgewerkt en dat voldoet aan de referentieniveaus van taal en rekenen (artikel 11c, eerste lid, WVO en artikel 2 en 3 van het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen). De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs (artikel 7 tot en met 10, WVO). LOB heeft hierin een centrale plaats gekregen door het in het examenprogramma te plaatsen (Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs). Daar staat: ‘De kandidaat is in staat zijn eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven. Hij doet dat met een oriëntatie op een toekomstige opleiding en (loop)baan door middel van reflectie op het eigen handelen en reflectie op ervaringen.’

4.5.1. Wettelijke norm zeer zwak onderwijs

Een voorwaarde voor een ononderbroken voortgang in ontwikkeling van leerlingen is dat de school de inhouden aanbiedt in een logische opbouw, opklimmend in niveaus op een wijze die past bij de leeftijd van de leerlingen. Het schoolplan dient de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor de uitgangspunten, doelstellingen en inhoud te bevatten (artikel 24, tweede lid, onder a, WVO). Daaronder vallen de doelen van het onderwijs en de opbouw van het aanbod.

OP2. Zicht op ontwikkeling en begeleiding

4.6. normering bestuursniveau

Basiskwaliteit

De school verzamelt vanaf binnenkomst systematisch informatie over de kennis en vaardigheden van haar leerlingen. De school vergelijkt deze informatie met de verwachte ontwikkeling. Deze informatie en vergelijking maken het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen als individuele leerlingen.

Wanneer leerlingen niet genoeg lijken te profiteren van het onderwijs, analyseert de school waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn. Vervolgens bepaalt zij wat er moet gebeuren om eventuele achterstanden bij leerlingen te verhelpen. De leerlingen krijgen daarmee de begeleiding die zij nodig hebben om beter het onderwijsprogramma te kunnen doorlopen. (Dat kan door speciale hulpprogramma’s of individuele begeleiding, waarbij leerlingen buiten de les aanvullende begeleiding krijgen.)

6.1. Jaarlijkse prestatieanalyse

4.7.1. beoordelen naleving deugdelijkheidseisen

De school heeft de wijze waarop het onderwijs wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen in het schoolplan beschreven (artikel 24, vierde lid, onder a van de WVO).

5.2.4. onderzoek op verzoek bij goede scholen

Het didactisch handelen van de leraren stelt leerlingen in staat tot leren en ontwikkelen.

6.2. Expertanalyse risico’s

De leraren plannen en structureren hun handelen met behulp van informatie die zij over leerlingen hebben. Zij zorgen ervoor dat het niveau van hun lessen past bij het beoogde eindniveau van leerlingen. De aangeboden leerstof is logisch opgebouwd binnen een reeks van lessen alsook binnen één les.

De leraren creëren een leerklimaat waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureert de leraar het onderwijsaanbod zodanig dat de leerling zich het totale leerstofaanbod eigen kan maken.

5.4. Stroomschema toezichtcyclus

Toelichting wettelijke eisen

De school heeft haar beleid over het pedagogisch-didactisch handelen in het schoolplan geformuleerd (artikel 24, tweede en derde lid, WVO). Dit beleid is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.

De wet geeft aan dat leerlingen het aanbod zo aangeboden moeten krijgen dat dit is afgestemd op hun ontwikkelproces (artikel 2, tweede lid, WVO). Voor deze ‘ononderbroken ontwikkeling’ is het nodig dat het onderwijs aansluit bij het ontwikkelingsniveau van de leerling.

Uit artikel 2, tweede lid van de WVO vloeit voort dat voor een ononderbroken ontwikkeling de volgende voorwaarden gelden:

De kwaliteit van de school bij het didactisch handelen wordt onder meer bepaald door het didactische vermogen om aan te sluiten bij leerlingen: leraren moeten zowel bij leerlingen met een achterstand als leerlingen met behoeften aan extra uitdaging een effectief leerproces tot stand weten te brengen.

5. Werkwijze toezicht op besturen en scholen

De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich het leerstofaanbod eigen te maken.

6.2. Eexpertanalyse risico’s

De school biedt een programma aan dat voldoet aan de wettelijk verplichte onderwijstijd. De school verdeelt de tijd zodanig over de vakken dat leerlingen in staat zijn het verplichte onderwijsprogramma tot zich te nemen. Bovendien weet de leraar de geplande onderwijstijd effectief te benutten.

Toelichting wettelijke eisen

Leerlingen moeten voldoende tijd krijgen om de leerstof te verwerven. De wet geeft aan dat elke leerling een programma moet kunnen volgen van ten minste 3.700 uur voor vmbo, 4.700 uur voor havo of 5.700 uur voor vwo (artikel 58, WVO jo.artikel 6g, eerste lid, WVO). Deze uren moeten worden ingevuld met activiteiten die worden verzorgd in het onderwijsprogramma (artikel 58, WVO jo. artikel 6g, tweede lid, WVO).

Onderwijstijd doet ertoe. Voldoende onderwijstijd is een noodzakelijke voorwaarde voor kwalitatief goed onderwijs, mits goed ingevuld (bron: Memorie van Toelichting bij wetsvoorstel ter modernisering en vereenvoudiging van de normen voor onderwijstijd in het voortgezet onderwijs).

6.3. Bestuursgesprek

OP6. Samenwerking

5.2.1. Onderzoek naar de kwaliteitszorg en het financieel beheer van het bestuur

Basiskwaliteit

De school werkt samen met andere scholen voor vo in de regio als het gaat om de toelating van een leerling op wie de Leerplichtwet 1969 van toepassing is.

Wanneer de school samenwerkt met een opleiding voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo), moet de school deze samenwerking in een samenwerkingsovereenkomst hebben vastgelegd. De school draagt er zorg voor dat het doel van de samenwerking helder is. Er wordt geëvalueerd of het doel van de samenwerking wordt behaald en tevens is duidelijk welk onderwijsprogramma aan de leerling wordt aangeboden in deze samenwerking.

De school heeft een informatieplicht aan de Minister, in het bijzonder voor het opnemen van gegevens in het Basisregister Onderwijs (BRON).

5.2.2. Verificatieonderzoek

De school kan, gelet op artikel 58a, WVO, een samenwerkingsovereenkomst sluiten met een opleiding vavo als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid onder a van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB), waarvoor wat betreft genoemde opleiding toepassing is gegeven aan artikel 1.4a.1, eerste lid van de WEB. De school moet die opleiding met een examen afsluiten. Hiervoor geldt dat de school een samenwerkingsovereenkomst moet opstellen waarin het doel van de samenwerking moet zijn opgenomen, de doelgroep, de wijze waarop wordt nagegaan of het doel wordt behaald, welk onderwijsprogramma de leerling krijgt aangeboden en een geschillenregeling.

De informatieplicht aan de Minister heeft betrekking op het verstrekken van het persoonsgebonden nummer aan de Minister, die dit opneemt in het basisregister onderwijs (BRON). (Vergelijk artikel 103b, 103c, 103d en 103f, WVO.)

OP7. Praktijkvorming/stage

De voorbereiding, uitvoering en begeleiding van de praktijkvorming/stage zijn doeltreffend.

Basiskwaliteit

De stage draagt bij aan de geplande leeractiviteiten. De school maakt afspraken met de leerling over welke leeractiviteiten de leerling ontplooit in het kader van het stageplan. Het doel, de inhoud, de omvang en de organisatie van de stage worden beschreven in het stageplan. De school begeleidt de leerling bij de voorbereiding en bij de keuze van een stageplek en stelt hiervoor samen met de leerling en het stagebedrijf de vereiste stageovereenkomst op. De begeleiding en beoordeling verlopen op de afgesproken wijze en de school is op de hoogte van het functioneren van de leerling op de stageplek en stuurt zo nodig bij.

Toelichting wettelijke eisen

5.2.3. Kwaliteitsonderzoek bij risico’s

Het bevoegd gezag sluit met de leerling en de stagegever tezamen een schriftelijke stage-overeenkomst waaruit blijkt dat de leerling leeractiviteiten ontplooit in het kader van het stageplan. In die overeenkomst staat onder andere hoe de begeleiding plaatsvindt en door wie en wat de leeractiviteiten zijn. Daarnaast bevat de overeenkomst een regeling die de inspectie in staat stelt toezicht te houden op de leeractiviteiten die door de leerling bij de stagegever worden ontplooid.

OP8. Toetsing en afsluiting

De toetsing en afsluiting verlopen zorgvuldig.

5.2.4. Onderzoek op verzoek bij goede scholen

De school heeft een Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) en examenreglement die voldoen aan de eisen van de wetgeving. In deze documenten maakt de school tijdig duidelijk hoe de organisatie van het examen verloopt en welke maatregelen de school hanteert bij leerlingen die zich niet aan de regels hebben gehouden. Ook moet beschreven staan welke examens leerlingen op welke manier kunnen herkansen. Verder moet duidelijk zijn welke stof wanneer wordt geëxamineerd, hoe het examen meeweegt en welke vrijstellingen gelden.

5.3. Specifiek onderzoek

Toelichting wettelijke eisen

De wetgeving schrijft voor dat een school een examenreglement en een PTA opstelt. Deze beide documenten moeten worden verstrekt aan de inspectie en de examenkandidaten. In de wetgeving is ook bepaald wat er minimaal in beide documenten moet zijn opgenomen (artikel 31, Eindexamenbesluit VO).

Schoolklimaat (SK)

6. Monitor besturen en scholen

Schoolleiding en leraren dragen zorg voor een veilige omgeving voor leerlingen.

7.3. Uitvoering

De school zorgt voor de sociale, fysieke en psychische veiligheid van de leerlingen in en om de school gedurende de schooldag. Dit blijkt onder andere uit de beleving van de veiligheid en het welbevinden van de leerlingen op school. De school monitort dit ten minste jaarlijks.

De school heeft een veiligheidsbeleid (beschreven in het schoolplan) gericht op het voorkomen, afhandelen, registreren en evalueren van incidenten. Als de uitkomsten van de monitoring daartoe aanleiding geven, verbetert de school haar veiligheid. De school heeft een functionaris die aanspreekpunt is als het gaat om pesten. Schoolleiding en leraren voorkomen pesten, agressie en geweld in elke vorm en treden zo nodig snel en adequaat op.

Toelichting wettelijke eisen

De wet bepaalt dat de school ten minste een veiligheidsbeleid (sociale, psychische en fysieke veiligheid) heeft beschreven en dat uitvoert. Het veiligheidsbeleid bestaat uit een samenhangende set van maatregelen gericht op preventie en op het afhandelen van incidenten, ingebed in het pedagogische beleid van de school en stevig verankerd in de dagelijkse praktijk (artikel 3b, WVO). In de Memorie van Toelichting bij de wetswijziging over sociale veiligheid op school, waarbij artikel 3b aan de WVO is toegevoegd, wordt onder ‘sociale veiligheid’ minimaal verstaan: ‘Een school is veilig als de psychische, sociale en fysieke veiligheid van leerlingen niet door handelingen van andere mensen wordt aangetast.’

6.2. Expertanalyse risico’s

Voor ouders en leerlingen is het van belang dat ze een laagdrempelig aanspreekpunt hebben binnen de school als er sprake is van een situatie waarin gepest wordt. Daarom schrijft artikel 3b, eerste lid, onderdeel c, WVO voor dat iedere school de navolgende taken op school belegt bij een persoon:

Doel: Het delen van de bevindingen op schoolniveau en daarmee tevens verkrijgen van aanvullende informatie over de kwaliteitszorg en financiën ten behoeve van de oordeelsvorming.

OR1. Resultaten

De school behaalt met haar leerlingen leerresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde norm.

7.4. Afronding

De leerresultaten liggen de afgelopen drie jaar op het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie mag worden verwacht. Dit betekent dat de gemiddelde eindexamenresultaten en de doorstroom in de bovenbouw op of boven de normering liggen die daarvoor geldt. Daarbij is het verschil (op opleidingsniveau) tussen het cijfer voor het schoolexamen en het centraal eindexamen op een aanvaardbaar niveau.

Toelichting wettelijke eisen

De wet geeft aan dat scholen voldoende leerresultaten behoren te behalen. Er is sprake van voldoende leerresultaten wanneer de gemiddelde examenresultaten en het doorstroomrendement, gemeten over een periode van drie schooljaren, op of boven de normering liggen zoals vastgelegd in de Regeling leerresultaten VO (artikel 23a1, WVO en de Regeling leerresultaten vo).

Daarbij gaat de wetgever ervan uit dat voor een opleiding of schoolsoort het gemiddelde verschil tussen de cijfers van het centraal examen en het schoolexamen over een periode van drie jaren niet meer dan een half punt bedraagt (artikel 29, lid 1a, WVO). Anders kan de Minister besluiten dat het bevoegd gezag voor een periode van twee jaren leerlingen niet in de gelegenheid stelt een eindexamen af te leggen in de desbetreffende schoolsoort of leerweg.

6.4. Kwaliteitsonderzoek bij risico’s

Een kwaliteitsonderzoek naar risico’s bij een school wordt altijd afgerond met een terugkoppeling van de bevindingen en voorlopige oordelen. Dit geldt ook voor een onderzoek (op verzoek) naar een goede school.

KA1. Kwaliteitszorg

7. Vierjaarlijks onderzoek bestuur en scholen

Basiskwaliteit

7.1. Doel en onderzoeksvragen

Het bestuur en de scholen hebben zicht op de kwaliteit van het onderwijs. Er zijn toetsbare doelen geformuleerd en er wordt regelmatig geëvalueerd of deze doelen worden gehaald. De oorzaken van eventueel tekortschietende onderwijskwaliteit zijn geanalyseerd en waar nodig worden verbeteringen doelgericht doorgevoerd.

Toelichting wettelijke eisen

Het bevoegd gezag moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder ‘zorg dragen voor’ wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg (artikel 23a, WVO).

Het stelsel van kwaliteitszorg staat beschreven in het schoolplan (artikel 24, vierde lid, WVO). Meer specifiek vraagt de wet dat de school door haar stelsel van kwaliteitszorg zorgdraagt voor de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen en de afstemming van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen. Ook moet worden vastgesteld waar verbetermaatregelen nodig zijn. Deze eisen veronderstellen dat de zorg voor kwaliteit cyclisch, systematisch en planmatig is en ook gericht is op het vasthouden van gerealiseerde kwaliteit. Daarvoor zijn toetsbare doelen nodig, evenals een regelmatige evaluatie van de realisatie van die doelen.

Uit de deugdelijkheidseisen vloeit voort dat het bevoegd gezag/de school de zorg voor kwaliteit vormgeeft op een wijze waarvan mag worden aangenomen dat deze daadwerkelijk leidt tot zicht op de eigen kwaliteit en op relevante verbetermaatregelen. Dat betekent dat de verantwoordelijkheidsverdeling zodanig moet zijn, dat de kwaliteitsinformatie bij de relevante personen terechtkomt en dat de verbetermaatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd.

7.2. Voorbereiding

7.4.2. Feedbackgesprek

Basiskwaliteit

Het bestuur zorgt voor bekwaam en bevoegd personeel op alle scholen en maakt mogelijk dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt en de juiste bevoegdheid haalt voor het vak waarvoor het wordt ingezet, waar dat nog niet het geval is. De schoolleiding en het team werken gezamenlijk aan een voortdurende verbetering van hun professionaliteit. Leraren houden daarbij rekening met de gestelde bekwaamheidseisen en beroepsprofielen en behaalde resultaten bij leerlingen. Leraren krijgen daartoe voldoende gelegenheid. De wijze waarop ze dit doen, staat helder beschreven in het schoolplan.

Toelichting wettelijke eisen

De uitvoering van de wettelijke eisen rondom kwaliteitszorg (artikel 23a en 24, vierde lid, WVO) vraagt van de school een gezamenlijke inspanning vanuit een verbetercultuur en professionaliteit. Dit veronderstelt onderwijskundig leiderschap, effectieve taakverdeling, resultaatgerichtheid en aanspreekbaarheid van het personeel van de school.

Het zodanig inrichten van het onderwijs dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen, het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen (artikel 2, tweede lid, WVO) en het uitvoeren van de verbetermaatregelen op basis van het kwaliteitszorgsysteem kunnen alleen worden gerealiseerd door personeel dat professioneel is en blijft. In het schoolplan moet een beschrijving van het personeelsbeleid worden opgenomen (artikel 24, derde lid, WVO). Daarmee wordt uitdrukking gegeven aan het feit dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt en uitbreidt, maar ook aan het feit dat het daarbij gaat om een gezamenlijke verantwoordelijkheid, passend in het beleid van de school. Het bevoegd gezag moet zijn personeel ook daadwerkelijk in staat stellen tot dat onderhoud (artikel 37a en 39a1 WVO).

Bijlage 4. Waarderingskader samenwerkingsverbanden passend onderwijs

In deze bijlage zijn het waarderingskader en de normering voor samenwerkingsverbanden passend onderwijs opgenomen. De toelichting op het waarderingskader en de werkwijze is te vinden in paragraaf 11.4.

Doel: Informeren van het bestuur over de conclusies op de onderzoeksvragen en (zo nodig) afspraken maken over herstel en verbetering.

OR1. Resultaten

Voor alle leerlingen in het samenwerkingsverband die extra ondersteuning nodig hebben is een passende onderwijsplek beschikbaar.

Basiskwaliteit

7.4.4. Doorlooptijden

Het samenwerkingsverband doet al het mogelijke om passende ondersteuningsvoorzieningen te organiseren voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Wanneer voor een leerling extra ondersteuning is aangevraagd, dan handelt het samenwerkingsverband deze aanvraag af binnen de wettelijk voorgeschreven termijn. Het samenwerkingsverband bevordert dat alle leerplichtige leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, ingeschreven staan bij een school en daadwerkelijk onderwijs volgen. Waar nodig betrekt het daarbij ketenpartners.

Het samenwerkingsverband realiseert de resultaten zoals beschreven in het ondersteuningsplan. Het samenwerkingsverband heeft de regionale context bij het benoemen van zijn doelen betrokken. Het samenwerkingsverband zorgt voor een netwerkoverleg met de gemeenten en de onderwijsinstellingen in de regio daarbinnen en heeft daarmee afspraken die leiden tot passende onderwijs(jeugdzorg)arrangementen.

Indien het samenwerkingsverband een orthopedagogisch-didactisch centrum (opdc) heeft ingericht, realiseert het samenwerkingsverband voor de leerlingen op het opdc een ononderbroken ontwikkelingsproces.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdrachten heeft het samenwerkingsverband opgenomen in het ondersteuningsplan en realiseert het samenwerkingsverband dit beleid?

8.1.4. Afspraken vervolgtoezicht

Toelichting wettelijke eisen

Om het mogelijk te maken dat in een regio van een samenwerkingsverband de schoolbesturen hun zorgplicht passend onderwijs nakomen (artikel 40, vierde lid, WPO, artikel 27, lid 2c, WVO, artikel 40, vijfde lid, WEC), is het nodig dat er voor deze leerlingen in of buiten de regio voldoende ondersteuningsvoorzieningen beschikbaar zijn. Daartoe werken alle bevoegde gezagsorganen met een of meer vestigingen in de regio van het samenwerkingsverband, samen in een samenwerkingsverband (artikel 18a, eerste lid, WPO, artikel 17a, eerste lid, WVO, artikel 28a, eerste en tweede lid, WEC). Dit moet ertoe leiden dat alle leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken. Daarvoor moeten zij ingeschreven staan bij een school (artikel 18a, eerste en tweede lid, WPO, artikel 17a, eerste en tweede lid, WVO).

De wettelijke taken van een samenwerkingsverband zijn erop gericht gezamenlijk werkafspraken te maken (artikel 18a, achtste lid, WPO, artikel 17a, achtste lid, WVO), ondersteuningsmiddelen en -voorzieningen verdelen en toewijzen, de toelaatbaarheid bepalen voor lichte en zware ondersteuning en op verzoek van de aangeslotenen adviseren over de ondersteuningsbehoefte van een leerling (artikel 18a, zesde lid, WPO, artikel 17a, zesde lid, WVO). De toelaatbaarheidsverklaring die bepaalt of een leerling aangewezen is op lichte of zware ondersteuning is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (artikel 18a, twaalfde lid, WPO, artikel 17a, twaalfde lid, WVO en Kamerstukken II 2011/12, 33 106, nr. 3, pagina 29).

7.3. Uitvoering

8.3. Openbaarmaking, zienswijze en bezwaar

Onze rapporten zijn openbaar. We plaatsen een rapport in de vijfde week na vaststelling op onze website (artikel 21, eerste lid, WOT). Als het bestuur op basis van het definitieve rapport een eigen zienswijze heeft opgesteld, voegen we die toe aan het rapport. De zienswijze betreft geen feitelijke onjuistheden; deze zijn op basis van het conceptrapport gecorrigeerd.

KA1. Kwaliteitszorg

Het samenwerkingsverband heeft vanuit zijn maatschappelijke opdracht doelen geformuleerd en verbetert de uitvoering van zijn taken op basis van regelmatige en systematische evaluatie van de realisatie van die doelen.

Basiskwaliteit

7.3.2. Onderzoek op bestuursniveau

Op basis van de conclusies uit een zelfevaluatie werkt het samenwerkingsverband jaarlijks beargumenteerd en doelgericht aan verbeteractiviteiten.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdrachten heeft het samenwerkingsverband opgenomen in het ondersteuningsplan en realiseert het samenwerkingsverband dit beleid?

8.2. Rapport kwaliteitsonderzoek gericht op risico’s

7.4.1. Rapport

De wet vraagt dat het samenwerkingsverband een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen realiseert binnen en tussen de scholen en wel zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken en leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen (artikel 18a, tweede lid, tweede volzin, WPO, artikel 17a, tweede lid, tweede volzin, WVO).

De uitwerking van deze deugdelijkheidseisen dient het bevoegd gezag te beschrijven in het ondersteuningsplan (artikel 18a, zevende en achtste lid, WPO, artikel 17a, zevende en achtste lid, WVO). Het samenwerkingsverband beschrijft in het ondersteuningsplan de beoogde en bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven en de daarmee samenhangende bekostiging (artikel 18a, achtste lid onder e van de WPO, artikel 17a, achtste lid onder e, WVO). Uit de overlegverplichtingen volgt dat het taakgebied zich uitstrekt over een breder domein dan alleen onderwijs in de eigen sector en er samenhang is met andere aspecten binnen het jeugddomein (artikel 18a, negende lid, WPO, artikel 17a, negende lid, WVO). Het ondersteuningsplan en de jaarverslaglegging staan centraal om het verbeteren van en de verantwoording over de kwaliteit van de uitvoering van de taken van het samenwerkingsverband te bevorderen.

Het bevoegd gezag dient zorg te dragen voor de kwaliteit van de dienstverlening aan de aangeslotenen. Onder ‘zorg dragen voor de kwaliteit van de taken’ valt in elk geval het naleven van de wettelijke bepalingen, waaronder die voor de kwaliteit van het onderwijs op het opdc en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg (artikel 18a, achtste lid, onder e, artikel 10, jo. artikel 17a, eerste en derde lid en 18a, lid 10a, WPO, en artikel 34.10 van het Besluit bekostiging WPO, artikel 17a, achtste lid, onder e, artikel 23a, jo. artikel 24d eerste en derde lid en artikel 17a, lid 10a, WVO en artikel 26 van het Inrichtingsbesluit WVO). Zie ook de nota van toelichting in Staatsblad 2014 95, pagina 31.

8.4. Publieksinformatie via de website

Het bestuur van het samenwerkingsverband kent een professionele kwaliteitscultuur en functioneert transparant en integer.

Basiskwaliteit

Het bestuur handelt volgens de Code Goed Bestuur en legt uit wanneer het daarvan afwijkt. Deze handelwijze leidt tot een integere en transparante organisatiecultuur. Het intern toezicht functioneert onafhankelijk van het bestuur. Iedere betrokkene werkt vanuit zijn eigen rol aan de versterking van de kwaliteit van de taakuitvoering en streeft naar realisatie van de gezamenlijke ambities die zijn verwoord in het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband.

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdrachten heeft het samenwerkingsverband opgenomen in het ondersteuningsplan en realiseert het samenwerkingsverband dit beleid?

Te denken valt aan

9. Herstel en verbetering

Voor de uitvoering van de taken van het samenwerkingsverband is het cruciaal dat de kwaliteit van de samenwerking effectief is tussen betrokken aangesloten bevoegde gezagsorganen en regionale partijen zoals de gemeenten (artikel 18a, negende lid, WPO, artikel 17a, negende lid, WVO) en zorginstellingen.

De uitvoering van de wettelijke eisen rondom kwaliteitszorg vraagt bovendien van een samenwerkingsverband een gezamenlijke inspanning vanuit een verbetercultuur en professionaliteit. Dit veronderstelt een gezonde organisatie, effectieve taakverdeling, resultaatgerichtheid en aanspreekbaarheid van de betrokkenen bij het samenwerkingsverband. Integriteit, zorgvuldigheid en bewustzijn van effecten van het handelen zijn algemeen aanvaarde kwaliteitsbeginselen die behoren bij het professioneel handelen (artikel 17a, 17b en 17c van de WPO, artikel 24d, 24e en 24e1 WVO, artikel 28g, 28h en 28i WEC).

KA3. Verantwoording en dialoog

Het bestuur van het samenwerkingsverband legt intern en extern toegankelijk en betrouwbaar verantwoording af over doelen en resultaten en voert daarover actief een dialoog.

Basiskwaliteit

8.6. Kennis delen

Eigen aspecten van kwaliteit

8. Rapporteren en communiceren

Te denken valt aan

Toelichting wettelijke eisen

9. Herstel en verbetering

De samenleving heeft er belang bij dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken en leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen. Omdat de aangesloten besturen in het samenwerkingsverband hiervoor een zorgplicht hebben, is het nodig dat zij met elkaar en met andere partijen in het jeugddomein de doelen afstemt (artikel 18a, negende lid, WPO, artikel 17a, negende lid, WVO).

Er is geen eenduidige beslisregel voor de keuze van een scenario. Dit is onder meer afhankelijk van het aantal scholen en de omvang ervan onder een bestuur, de complexiteit (aantal sectoren) van het bestuur, de ernst en omvang van de tekortkomingen en de eventuele risico’s, de mate en snelheid van herstel van lopende toezichttrajecten, de toezichthistorie en de ontwikkeling van de kwaliteit en de kwaliteitszorg.

8.1.1. Bestuursprofiel

Het bestuur is financieel gezond en kan op korte en langere termijn voldoen aan zijn financiële verplichtingen.

Basiskwaliteit

Voor continuïteit is het van belang dat het bestuur inzicht heeft in de financiële uitgangspositie en de ontwikkelingen in de komende drie jaar, en daar beleid op uitzet. In de continuïteitsparagraaf van het jaarverslag geeft het bestuur inzicht in deze ontwikkelingen en de daaraan verbonden financiële gevolgen. Het bestuur bespreekt het voorgaande regelmatig met de intern toezichthouder en medezeggenschap, treft zo nodig corrigerende maatregelen en verantwoordt zich over het geheel in de jaarverslaggeving.

8.1.2. kwaliteitsprofiel scholen

Welke eigen opdrachten heeft het samenwerkingsverband opgenomen in het ondersteuningsplan en realiseert het samenwerkingsverband dit beleid?

Te denken valt aan

Toelichting wettelijke eisen

De verplichting voor het bevoegd gezag om een continuïteitsparagraaf aan het jaarverslag toe te voegen vloeit voort uit artikel 4, vierde lid van de RJO.

8.1.3. Ontwikkeling kwaliteitszorg en onderwijskwaliteit

Een ‘regelmatige bespreking’ is een beleidsmatige invulling van de verplichting de interne toezichthouder te voorzien van taken en bevoegdheden, zodanig dat hij een deugdelijk toezicht kan uitoefenen (artikel 17c, tweede lid, WPO en artikel 24e1, tweede lid, WVO, artikel 28i, tweede lid WEC).

8.1.4. Afspraken vervolgtoezicht

FB2. Doelmatigheid70[De Bekostigingsbesluiten WPO, WEC en WVO bevatten bepalingen die het mogelijk maken de bekostiging lager vast te stellen als is vastgesteld dat sprake is van ondoelmatige aanwending van de bekostiging. Op 23 november 2016 oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2016:3112) dat geen bekostigingssanctie kon worden opgelegd, omdat geen wettelijke basis bestond voor het toepassen van een correctie op de bekostiging wegens ondoelmatige besteding. Om alsnog te voorzien in deze wettelijke basis, worden de bepalingen die zien op doelmatigheid in de Bekostigingsbesluiten naar wetsniveau getild en opgenomen in de sectorwetten van het funderend onderwijs. Dit wordt geregeld in het wetsvoorstel Actualisering deugdelijkheidseisen funderend onderwijs (Kamerstukken I 2019-20, 35 102, nummer A). Tot die tijd richt de inspectie zich op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment onder de basiskwaliteit opgenomen elementen.]

8.2. Rapport kwaliteitsonderzoek gericht op risico’s

Basiskwaliteit

De doelmatige besteding van de onderwijsbekostiging is onderwerp van gesprek met de intern toezichthouder. Hierover vindt verantwoording in het jaarverslag plaats.

8.3. Openbaarmaking, zienswijze en bezwaar

De doelmatige besteding van de onderwijsbekostiging door het bestuur is onderwerp van het toezicht van de intern toezichthouder (artikel 17c, eerste lid, onder c en vijfde lid, WPO; artikel 24e1, eerste lid, onder c en vijfde lid, WVO; artikel 28i, eerste lid, onder c, WEC). Over deze taak verantwoordt de intern toezichthouder zich in het jaarverslag (artikel 17c, eerste lid, onder e en vijfde lid, WPO; artikel 24 e1, eerste lid, onder e en vijfde lid, WVO; artikel 28i, eerste lid, onder e, WEC).

FB3. Rechtmatigheid

9.3. Escalatie bij voortduren niet-naleving

Basiskwaliteit

Het bestuur beschikt over de vereiste deskundigheid en handelt integer en transparant. Het legt verantwoording af over de verwerving en besteding, hetgeen vooral een accountant beoordeelt aangesteld door de raad van toezicht. Deze accountant opereert volgens de beroepsmaatstaven van de NBA en speciaal volgens het Onderwijsaccountantsprotocol dat door de inspectie is opgesteld.

Toelichting wettelijke eisen

In de sectorwetten zijn diverse bepalingen opgenomen waaraan het bestuur zich moet houden bij de verwerving en besteding van de bekostiging. Het bevoegd gezag draagt zorg voor een goed bestuurd samenwerkingsverband (artikel 17a, eerste lid jo derde lid, WPO, artikel 24d, eerste lid jo derde lid, WVO).

De jaarverslaggeving dient transparant te zijn (moet een waarheidsgetrouw beeld geven). Titel 9, Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 3, onder a, van de Regeling Jaarverslaggeving Onderwijs (RJO) en de Richtlijn Jaarverslag Onderwijs alsmede het Onderwijsaccountantsprotocol71https://www.onderwijsinspectie.nl/onderwerpen/toezicht-op-financieel-beheer/informatie-onderwijsaccountantsprotocol-ocw-ez-en-bes bevatten voorts tal van nadere regels ten aanzien van een transparante verantwoording respectievelijk de controle daarop door de accountant. Een controleverklaring is verplicht op grond van artikel 2 RJO jo. artikel 2:393 BW.

Normering samenwerkingsverbanden

Standaarden omvatten deugdelijkheidseisen en eigen aspecten van kwaliteit. Of een standaard als Voldoende of Onvoldoende wordt beoordeeld, is alleen gebaseerd op de vraag of het bestuur voldoet aan de deugdelijkheidseisen. Voor het oordeel of de waardering Goed worden de eigen aspecten van kwaliteit72Een eigen aspect van kwaliteit kan ook zijn: de ambitie om uit te stijgen boven de basiskwaliteit zoals die is vastgelegd in een wettelijk kwaliteitsaspect. als volgt bij de oordeelsvorming betrokken:

Op bestuursniveau geven we drie oordelen: op het kwaliteitsgebied Onderwijsresultaten, Kwaliteitszorg en ambitie en Financieel beheer. We hanteren daarbij onderstaande norm:

In uitzonderlijke gevallen kan een situatie ontstaan waarin de interventiemogelijkheden van de inspectie zijn uitgeput en waarin de inspectie er geen vertrouwen in heeft dat het bestuur erin zal slagen om de afspraken over de noodzakelijke verbeteringen binnen een redelijke termijn na te komen. Dit kan het geval zijn bij een combinatie van aanhoudende risico’s ten aanzien van de kwaliteit, in combinatie met risico’s ten aanzien van het financieel beheer. Zo’n situatie kan zich ook voordoen naar aanleiding van een zeer ernstig incident. Het ministerie en de inspectie vormen dan samen een escalatieteam en maken afspraken over de te volgen lijn en ieders rol daarin. De samenwerking is erop gericht de best passende oplossing voor het probleem te arrangeren, zodat de voorwaarden voor kwaliteit van het onderwijs en/of het financieel beheer worden gegarandeerd.

In deze bijlage zijn het waarderingskader en de normering voor het onderwijs in Caribisch Nederland opgenomen. De toelichting op de aanpassing van het waarderingskader en de werkwijze is te vinden in paragraaf 11.5.

Onderwijsproces (OP)

OP1. Aanbod

Het aanbod bereidt de leerlingen voor op vervolgonderwijs en de samenleving.

9.3.4. Overige sancties

De school biedt een breed en op de kerndoelen gebaseerd aanbod dat ook de referentieniveaus taal en rekenen omvat. Het aanbod is dekkend voor examenprogramma’s. Het aanbod bereidt de leerlingen inhoudelijk goed voor op het vervolgonderwijs.

Leerlingen groeien op in een pluriforme samenleving. Daarom is het onderwijs gericht op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie, en op kennis hebben van en kennismaken met verschillende achtergronden en culturen van leeftijdgenoten. Het aanbod draagt bij aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

Het aanbod dat de school biedt, sluit aan bij het niveau van de leerlingen en kan gedurende de schoolloopbaan worden verdiept en verbreed, zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. Dit betekent bijvoorbeeld dat voor leerlingen met een taalachterstand de school een aanvullend taalaanbod heeft. Ook zorgt de school ervoor dat het onderwijs optimaal aansluit bij de moedertaal van de leerlingen indien die niet overeenkomt met de instructietaal van de school. Bovendien heeft de school de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren heen verdeeld.

De school legt de doelen voor het onderwijs en de opbouw van het aanbod vast in het schoolplan.

Eigen aspecten van kwaliteit

9. Herstel en verbetering

Te denken valt aan

9.1. Vervolgtoezicht na het vierjaarlijks onderzoek

De wet geeft aan dat de school in de onderbouw een samenhangend onderwijsprogramma verzorgt waarin de kerndoelen worden uitgewerkt en dat voldoet aan de referentieniveaus van taal en rekenen (artikel 35, eerste lid, WVO, BES en artikel 47a WVO, BES). De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs (artikel 13 tot en met 17 en 29, WVO, BES). Daarnaast omvat het onderwijs ook het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie en het kennis hebben van en kennismaken met verschillende achtergronden en culturen van leeftijdsgenoten (artikel 42, WVO, BES).

9.1.1. Oordeel kwaliteitszorg bestuur is leidend

Een voorwaarde voor een ononderbroken voortgang in ontwikkeling van leerlingen is dat de school de inhouden aanbiedt in een logische opbouw, opklimmend in niveaus en op een wijze die past bij de leeftijd van de leerlingen. Het schoolplan dient de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor de uitgangspunten, doelstellingen en inhoud te bevatten (artikel 50, tweede lid, WVO, BES). Daaronder vallen de doelen van het onderwijs en de opbouw van het aanbod.

9.1.2. Monitoren van herstel en verbetering

De school volgt en begeleidt de leerlingen zodanig dat zij een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen.

9.2. Onvoldoende: Opdracht tot herstel

De school verzamelt vanaf binnenkomst systematisch informatie over de kennis en vaardigheden van haar leerlingen. De school vergelijkt deze informatie met de verwachte ontwikkeling. Deze informatie en vergelijking maken het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen als individuele leerlingen.

9.2.1. Herstelopdracht en herstelonderzoek

Eigen aspecten van kwaliteit

Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?

Te denken valt aan

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)