Reglement Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het onderwijs

Type ZBO-regeling
Publication 2018-07-17
State In force
Source BWB
artikelen 71
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

In 1992 richtten de sociale partners in het onderwijs de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs op met als doel het bieden van waarborgen aan aangeslotenen voor de kosten voor vervanging bij afwezigheid van personeel en het invoeren en in stand houden van bedrijfsgezondheidszorg in het primair onderwijs, alsmede het bevorderen en bewaken van die zorg.

Het bestuur stelt, conform het bepaalde op grond van artikel 183, vierde lid van de WPO juncto artikel artikel 169, vierde lid van de WEC, het Reglement vast waarin bepaald wordt welke rechten de aangeslotenen in het kader van de taakuitoefening van de stichting, als hierboven genoemd, jegens de stichting kunnen doen gelden en tot welke verplichtingen de aangeslotenen jegens de stichting zijn gehouden.

Dit Reglement treedt in werking op 1 januari 2018.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit Reglement wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Aansluiting bij het vervangingsfonds

§ 2.1. Wettelijk verplichte aansluiting en vrijwillige aanmelding

Artikel 2. Verplichte aansluiting bij het Vervangingsfonds

1.

Op grond van artikel 183 van de WPO en artikel 169 van de WEC is ieder bevoegd gezag in Nederland verplicht aangesloten bij het Vervangingsfonds. De personeelsleden van deze bevoegde gezagsorganen vallen onder de verplichte aansluiting met uitzondering van het bepaalde in artikel 3.

2.

In afwijking van het eerste lid, is een bevoegd gezag dat op grond van artikel 183, derde lid van de WPO dan wel artikel 169, derde lid van de WEC van de Minister ontheffing heeft gekregen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard, niet aangesloten bij het Vervangingsfonds.

Artikel 3. Vervanging die niet voor bekostiging in aanmerking komt

1.

Vervanging van een personeelslid dat werkzaam is op basis van een dienstverband bij een bevoegd gezag dat:

komt niet in aanmerking voor bekostiging.

2.

Vervanging van een personeelslid dat tussen 5 juli 2006 en 1 januari 2009 een andere functie binnen het bevoegd gezag waar dit personeelslid werkzaam was heeft gekregen, komt niet in aanmerking voor bekostiging.

Artikel 4. Vrijwillige aanmelding van personeel

1.

Personeel als bedoeld in artikel 3 kan vrijwillig worden aangemeld door het bevoegd gezag waar het een dienstverband heeft, zodat vervanging van dit personeelslid bij afwezigheid voor bekostiging in aanmerking kan komen.

2.

De datum vanaf wanneer het bevoegd gezag in aanmerking komt voor bekostiging van vervanging van vrijwillig aangemeld personeel is bepaald op 1 januari volgende op de datum van aanmelding.

3.

De schriftelijke aanmelding dient uiterlijk op 1 november door het Vervangingsfonds te zijn ontvangen.

4.

De aanmelding geschiedt voor het voltallige personeel als bedoeld in artikel 3 dan wel per functiecategorie, waarbij de functiecategorieën directie en leraren als één categorie wordt aangemerkt.

5.

De vrijwillige aanmelding is niet van toepassing op personeelsleden voor zover zij op de eerste werkdag van het schooljaar dan wel bij ingangsdatum van de vrijwillige aanmelding door ziekte of arbeidsongeschiktheid niet in staat zijn om hun functie uit te oefenen. Bedoelde personeelsleden vallen vanaf de datum van hun herstel onder de werking van de vrijwillige aanmelding. Het bevoegd gezag moet een verklaring van een gecertificeerd bedrijfsarts of een verklaring opgesteld onder verantwoordelijkheid van een gecertificeerde bedrijfsarts kunnen overleggen waaruit dit herstel blijkt.

6.

De aanmelding geldt voor het gehele kalenderjaar en wordt geacht stilzwijgend te zijn verlengd voor het volgende kalenderjaar.

7.

De opzegging dan wel wijziging van de vrijwillige aanmelding van personeel kan uitsluitend plaatsvinden per 1 januari van een kalenderjaar, waarbij één maand opzegtermijn in acht moet worden genomen. De opzegging dan wel wijziging geschiedt schriftelijk.

8.

Het tussentijds aanmelden, is slechts mogelijk indien er naar het oordeel van het bestuur sprake is van bijzondere omstandigheden.

9.

In afwijking van het vierde lid, kan de vrijwillige aanmelding per 1 januari 2019 uitsluitend voor het voltallig niet vrijwillig aangemeld personeel plaatsvinden.

§ 2.2. Eigenrisicodragerschap

Artikel 5. Doelgroep

1.

De volgende bevoegde gezagsorganen kunnen in aanmerking komen voor eigenrisicodragerschap:

2.

De peildatum van de in het eerste lid genoemde vaststelling van de ERD-som is 1 november van het kalenderjaar voorafgaande aan de aanvraag tot verlening van het eigenrisicodragerschap.

Artikel 6. Lopende vervangingen

Indien aan een bevoegd gezag de status van eigenrisicodrager wordt verleend, komen lopende vervangingen wegens afwezigheid op grond van ziekte en schorsing als bedoeld in artikel 28 per de ingangsdatum van het eigenrisicodragerschap niet meer voor bekostiging in aanmerking.

Artikel 7. Aanvraag bevoegd gezag ERD-som van ten minste 20 miljoen euro

1.

Een bevoegd gezag kan bij het Vervangingsfonds een schriftelijke aanvraag indienen tot verlening van het eigenrisicodragerschap.

2.

Het Vervangingsfonds verleent het eigenrisicodragerschap per 1 januari.

3.

Uiterlijk acht weken voorafgaand aan deze datum dient de aanvraag door het Vervangingsfonds te zijn ontvangen.

4.

Het Vervangingsfonds verleent aan het bevoegd gezag dat een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft gedaan het eigenrisicodragerschap, mits het heeft aangetoond dat het een ERD-som heeft van ten minste 20 miljoen euro.

5.

Een bevoegd gezag overlegt bij de aanvraag als bedoeld in het eerste lid, een door de PMR of, indien sprake is van een PGMR, door de PGMR ondertekende verklaring waaruit blijkt dat de aanvraag met instemming van de PMR dan wel PGMR is gedaan. Indien deze verklaring bij de aanvraag ontbreekt, neemt het Vervangingsfonds de aanvraag niet in behandeling.

6.

Binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag als bedoeld in het eerste lid, besluit het Vervangingsfonds of het eigenrisicodragerschap wordt verleend.

Artikel 8. Wijzigingen bevoegd gezag ERD-som van ten minste 20 miljoen euro

1.

Een bevoegd gezag dat eigenrisicodrager is, informeert het Vervangingsfonds over wijzigingen die optreden als gevolg van fusie of splitsing van dit bevoegd gezag.

2.

Het bevoegd gezag informeert het Vervangingsfonds uiterlijk 8 weken voordat de wijzigingen, bedoeld in het eerste lid, zullen plaatsvinden.

3.

De wijzigingen dan wel het niet tijdig informeren door het bevoegd gezag kunnen het Vervangingsfonds aanleiding geven het eigenrisicodragerschap te herzien.

4.

Na fusie of splitsing van het bevoegd gezag dat eigenrisicodrager is, toetst het Vervangingsfonds opnieuw ten aanzien van de ERD-som, genoemd in artikel 7, vierde lid en de instemming van de PMR dan wel de PGMR als bedoeld in artikel 7, vijfde lid. Resteert een ERD-som van 20 miljoen euro of meer, dan blijft het bevoegd gezag eigenrisicodrager.

5.

Indien na de toetsing als bedoeld in het vierde lid een ERD-som resteert van minder dan 20 miljoen euro, dan verliest het bevoegd gezag het eigenrisicodragerschap met ingang van de eerste dag van het daaropvolgende kalenderjaar.

Artikel 9. Aanvraag bevoegd gezag met een ERD-som lager dan 20 miljoen euro

1.

Een bevoegd gezag kan bij het Vervangingsfonds een schriftelijke aanvraag indienen tot verlening van het eigenrisicodragerschap.

2.

Het Vervangingsfonds verleent het eigenrisicodragerschap per 1 januari.

3.

Uiterlijk acht weken voorafgaand aan deze datum dient de aanvraag door het Vervangingsfonds te zijn ontvangen.

4.

Het Vervangingsfonds verleent aan een bevoegd gezag dat een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft gedaan en een ERD-som heeft lager dan 20 miljoen euro het eigenrisicodragerschap, indien het heeft voldaan aan de volgende voorwaarden:

5.

Het bestuur stelt per kalenderjaar de hoogte van het ziekteverzuimpercentage als bedoeld in het vierde lid, onder d vast.

6.

Het Vervangingsfonds toetst het verzuimpercentage van het bevoegd gezag als bedoeld in het vierde lid, onder d op basis van de Beleidsregels verzuimgegevens eigenrisicodragerschap.

7.

Binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag als bedoeld in het eerste lid, besluit het Vervangingsfonds of het eigenrisicodragerschap wordt verleend.

Artikel 10. Wijzigingen bevoegd gezag ERD-som lager dan 20 miljoen euro

1.

Een bevoegd gezag dat eigenrisicodrager is, informeert het Vervangingsfonds over wijzigingen die optreden als gevolg van fusie of splitsing van dit bevoegd gezag.

2.

Het bevoegd gezag informeert het Vervangingsfonds uiterlijk 8 weken voordat de wijzigingen, bedoeld in het eerste lid, zullen plaatsvinden.

3.

De wijzigingen dan wel het niet tijdig informeren door het bevoegd gezag kunnen het Vervangingsfonds aanleiding geven het eigenrisicodragerschap te herzien.

4.

Na fusie of splitsing van het bevoegd gezag dat eigenrisicodrager is, toetst het Vervangingsfonds opnieuw ten aanzien van de voorwaarden, genoemd in artikel 9, vierde lid.

Artikel 11. Aanvraag samenwerkende bevoegde gezagsorganen

1.

Samenwerkende bevoegde gezagsorganen kunnen bij het Vervangingsfonds een schriftelijke aanvraag indienen tot verlening van het eigenrisicodragerschap.

2.

Het Vervangingsfonds verleent het eigenrisicodragerschap per 1 januari.

3.

Uiterlijk acht weken voorafgaand aan deze datum dient de aanvraag door het Vervangingsfonds te zijn ontvangen.

4.

De criteria waaraan de aanvraag als bedoeld in het eerste lid, moet voldoen zijn opgenomen in bijlage 1 van dit Reglement.

5.

De aanvraag gaat vergezeld van een lijst van alle bevoegde gezagsorganen die aan de samenwerking deelnemen. Van elk bevoegd gezagsorgaan wordt de ERD-som vermeld.

6.

De aanvraag gaat vergezeld van een samenwerkingsplan, waarin in ieder geval de volgende onderwerpen zijn geregeld:

7.

De onderwerpen, bedoeld in het zesde lid, moeten zo zijn uitgewerkt dat er óf reeds op het laatste moment van de aanvraag sprake is van gezamenlijk vigerend beleid bij de deelnemende bevoegde gezagsorganen óf dat op zijn laatst op de dag dat het eigenrisicodragerschap ingaat dit gezamenlijk vigerend beleid wordt.

8.

De samenwerkende bevoegde gezagsorganen overleggen bij de aanvraag als bedoeld in het eerste lid een door de PMR of, indien sprake is van een PGMR, door de PGMR van elk van de deelnemende bevoegde gezagsorganen een ondertekende verklaring waaruit blijkt dat de aanvraag met instemming van de PMR dan wel PGMR is gedaan. Indien deze verklaring bij de aanvraag ontbreekt, neemt het Vervangingsfonds de aanvraag niet in behandeling.

9.

Bij de behandeling van de aanvraag wordt beoordeeld of de in het zesde lid genoemde onderwerpen, gelet op de kwaliteit en de inhoud, op afdoende wijze in het samenwerkingsplan zijn geregeld.

10.

Binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, besluit het Vervangingsfonds of het eigenrisicodragerschap wordt verleend.

11.

Voorafgaand aan de aanvraag, kunnen samenwerkende bevoegde gezagsorganen bij het Vervangingsfonds advies aanvragen of de vereiste onderwerpen in het concept-samenwerkingsplan compleet zijn en voldoende zijn uitgewerkt.

12.

De aanvraag voor het advies, genoemd in het elfde lid, wordt uiterlijk 15 september van het betreffende kalenderjaar bij het Vervangingsfonds ingediend. Binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag ontvangt de aanvrager een advies. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend.

Artikel 12. Wijzigingen samenwerkende bevoegde gezagsorganen

1.

De samenwerkende bevoegde gezagsorganen die eigenrisicodrager zijn, informeren het Vervangingsfonds over wijzigingen die optreden binnen de samenwerking. Deze wijzigingen kunnen betrekking hebben op:

2.

De samenwerkende bevoegde gezagsorganen informeren het Vervangingsfonds uiterlijk 8 weken voordat de wijzigingen, bedoeld in het eerste lid, zullen plaatsvinden.

3.

De wijzigingen dan wel het niet tijdig informeren door de samenwerkende bevoegde gezagsorganen kunnen het Vervangingsfonds aanleiding geven het eigenrisicodragerschap te herzien.

4.

Bij de wijziging als bedoeld in het eerste lid, onder a, vindt opnieuw toetsing plaats ten aanzien van de gezamenlijke ERD-som van de samenwerkende bevoegde gezagsorganen. Resteert een gezamenlijk ERD-som van 20 miljoen euro of meer, dan blijven de bevoegde gezagsorganen die samenwerken eigenrisicodrager. Resteert een ERD-som van minder dan 20 miljoen euro, dan vervalt bij deze bevoegde gezagsorganen het eigenrisicodragerschap per de eerste dag van het nieuwe kalenderjaar.

5.

Bij de wijziging als bedoeld in het eerste lid, onder a, vindt ten aanzien van het bevoegd gezagsorgaan dat als gevolg van uittreding geen deel meer uitmaakt van de samenwerkende bevoegde gezagsorganen opnieuw toetsing plaats ten aanzien van de voorwaarden als bedoeld in artikel 7 dan wel artikel 9.

6.

Bij de wijziging als bedoeld in het eerste lid, onder b, overlegt ieder toetredend bevoegd gezag een daarop gerichte aanvraag bij het Vervangingsfonds. Deze aanvraag gaat vergezeld van:

7.

Indien is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in het zesde lid onder a tot en met d, verleent het Vervangingsfonds het toetredend bevoegd gezag de status van eigenrisicodrager per de eerste dag van het nieuwe kalenderjaar.

Artikel 13. Evaluatierapport samenwerkende bevoegde gezagsorganen

Vervallen.

Artikel 14. Looptijd eigenrisicodragerschap

1.

Het eigenrisicodragerschap wordt verleend voor een periode van minimaal drie kalenderjaren.

2.

Minimaal drie maanden voor afloop van de termijn, genoemd in het eerste lid, kan een bevoegd gezag dat eigenrisicodrager is of kunnen samenwerkende bevoegde gezagsorganen die eigenrisicodrager zijn, een aanvraag indienen om het eigenrisicodragerschap op te heffen.

Hoofdstuk 3. Premie

Hoofdstuk 3. Premie

Artikel 16. Premie

De verschuldigde premie door een bevoegd gezag is gelijk aan het premiepercentage vermenigvuldigd met de premiegrondslag.

Artikel 17. Premiepercentages

1.

Het bestuur stelt per kalenderjaar de hoogte van de premiepercentages voor het daaropvolgende kalenderjaar vast. Deze premiepercentages betreffen:

2.

Ten aanzien van de premies, genoemd in het eerste lid, onder c tot en met f, stelt het Vervangingsfonds jaarlijks uiterlijk op 30 september voor het daaropvolgende kalenderjaar de premiepercentages vast.

3.

Indien er aanleiding toe is, kan het bestuur besluiten tot een tussentijdse wijziging van premiepercentages, genoemd in het eerste lid, onder a en b.

4.

Een positief of een negatief exploitatieresultaat van het Vervangingsfonds kan worden verrekend in de premie voor het volgende kalenderjaar.

Artikel 18. Premiegrondslag

1.

De grondslag voor de vervangingsfondspremie is het brutosalaris van het personeel van het bevoegd gezag volgens bijlage A1 tot en met A4 van de CAO PO, rekening houdend met de deeltijdfactor, exclusief toelages, toeslagen en werkgeverslasten, en vermeerderd met 8% vakantie-uitkering voor dat personeel waarvoor premie is verschuldigd.

2.

De grondslag voor de premie eigenrisicodrager is het brutosalaris van het personeel van het bevoegd gezag volgens bijlage A1 tot en met A4 van de CAO PO, rekening houdend met de deeltijdfactor, exclusief toelages, toeslagen en werkgeverslasten, en vermeerderd met 8% vakantie-uitkering voor dat personeel waarvoor premie is verschuldigd.

3.

De grondslag voor de premie eigenrisicodrager als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder c tot en met f is het brutosalaris van het personeel van het bevoegd gezag volgens bijlage A1 tot en met A4 van de CAO PO, rekening houdend met de deeltijdfactor, exclusief toelages, toeslagen en werkgeverslasten, en vermeerderd met 8% vakantie-uitkering voor dat personeel waarvoor premie is verschuldigd.

Artikel 19. Premiebetaling

Een bevoegd gezag voldoet maandelijks de premie.

§ 3.2. Bonus-malus regeling

Artikel 20. Bonus-malus regeling

1.

De bonus-malus regeling is van toepassing op een kalenderjaar.

2.

De bonus-malus regeling is niet van toepassing op bevoegde gezagsorganen die eigenrisicodrager zijn.

Artikel 21. Bonus-malus verhouding

1.

Na afloop van het kalenderjaar 2018 wordt de bonus-malus verhouding van een bevoegd gezag door het Vervangingsfonds vastgesteld.

2.

De bonus-malus verhouding wordt berekend door de op basis van de aangeleverde gegevens over de verslagmaanden januari tot en met december 2018 vastgestelde normvergoedingen per bevoegd gezag te delen door de premie die in dat kalenderjaar door het bevoegd gezag is verschuldigd.

3.

Bij het berekenen van de bonus-malus verhouding vormen de gegevens van de door het bevoegd gezag op 31 januari 2019 in stand gehouden scholen de basis.

4.

Om de inzet van werkloos personeel voor vervanging te stimuleren, blijven de declaraties betreffende de vervanging door dit personeel buiten de berekening in het kader van de bonus-malus regeling. Het moet hierbij gaan om personeel:

Artikel 22. Bandbreedte

Het bestuur stelt per kalenderjaar de bandbreedte voor de bonus-malus verhouding vast. Deze bandbreedte heeft een ondergrens en een bovengrens die beiden worden uitgedrukt in een verhoudingsgetal.

Artikel 23. Bonus

1.

Het bestuur stelt per kalenderjaar het bonuspercentage vast. Het bonuspercentage voor het kalenderjaar 2018 bedraagt 30 procent.

2.

Indien de bonus-malus verhouding lager is dan de ondergrens van de bandbreedte, ontvangt het bevoegd gezag een bonus.

3.

De bonus genoemd in het tweede lid is gelijk aan het verschil tussen de bonus-malus verhouding en de ondergrens van de bandbreedte, vermenigvuldigd met het bonuspercentage maal de in het kalenderjaar verschuldigde premie.

Artikel 24. Malus

1.

Het bestuur stelt per kalenderjaar het maluspercentage vast. Het maluspercentage voor het kalenderjaar 2018 bedraagt 50 procent.

2.

Indien de bonus-malus verhouding hoger is dan de bovengrens van de bandbreedte, is het bevoegd gezag een malus verschuldigd.

3.

De malus genoemd in het tweede lid is gelijk aan het verschil tussen de bonus-malus verhouding en de bovengrens van de bandbreedte, vermenigvuldigd met het maluspercentage maal de in het kalenderjaar verschuldigde premie.

Artikel 25. Maximering malus

1.

Indien een bevoegd gezag met een ERD-som lager dan 2,5 miljoen euro een bonus-malus verhouding heeft van meer dan 1,5, is voor het deel van de bonus-malus verhouding boven de 1,5 geen malus verschuldigd.

2.

Indien een bevoegd gezag met een ERD-som hoger dan 2,5 miljoen euro een bonus-malus verhouding heeft van meer dan 2, is voor het deel van de bonus-malusverhouding boven de 2 geen malus verschuldigd.

Artikel 26. Verminderen malus en geheel of gedeeltelijke weigeren bonus

1.

Het bestuur kan besluiten het maluspercentage, genoemd in artikel 24, te verminderen als onverkorte toepassing van de regelgeving ongewenste financiële gevolgen heeft voor bevoegde gezagsorganen.

2.

Het bestuur kan besluiten het bonuspercentage, genoemd in artikel 23, te verminderen dan wel besluiten geen bonus toe te kennen in verband met de financiële positie van het fonds.

3.

De beslissing als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt voor 15 oktober 2019 aan het bevoegd gezag bekend gemaakt.

Artikel 27. Bekendmaking

1.

Een bevoegd gezag ontvangt na afloop van het kalenderjaar een beslissing over het al dan niet toekennen van een bonus of het verschuldigd zijn van een malus.

2.

De beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt vóór 15 oktober 2019 aan het bevoegd gezag bekend gemaakt.

3.

Het bestuur kan besluiten deze termijn met maximaal zes weken te verlengen, mits dit besluit voor 8 oktober 2019 bekend wordt gemaakt.

Hoofdstuk 4. Bekostiging

Hoofdstuk 4. Bekostiging

Artikel 28. Afwezigheidsgronden

Met inachtneming van het bepaalde in artikel 29 komt vervanging van de volgende vormen van afwezigheid voor bekostiging in aanmerking:

Artikel 29. Voorwaarden voor bekostiging

Een bevoegd gezag komt in aanmerking voor bekostiging, indien is voldaan aan het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid van dit artikel.

Artikel 30. Uitzonderingsbepaling

In afwijking van artikel 29, tweede lid, onder d, geldt het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid.

Artikel 31. Voorwaarden bekostiging bij vervanging van combinatiefuncties

Indien vervanging plaatsvindt van een personeelslid werkzaam op een combinatiefunctie, gelden in aanvulling op artikel 29 de volgende voorwaarden:

Artikel 32. Bekostiging

Indien voldaan is aan de voorwaarden voor bekostiging als bedoeld in deze paragraaf, vindt de bekostiging plaats met inachtneming van het bepaalde in dit artikel.

§ 4.2. Vervangingspools

Artikel 33. Vervangingspool – aanvraag

1.

Een bevoegd gezag dat geen eigenrisicodrager is, kan bij het Vervangingsfonds een schriftelijke aanvraag indienen om de vervangingspool die het al dan niet samen met andere bevoegde gezagsorganen heeft ingericht in aanmerking te laten komen voor de bekostiging van de in deze vervangingspool opgenomen personeelsleden.

2.

Het bevoegd gezag dient de aanvraag, genoemd in het eerste lid, uiterlijk op 1 november voorafgaand aan enig kalenderjaar in bij het Vervangingsfonds.

3.

Indien de aanvraag, genoemd in het eerste lid, tijdig door het bevoegd gezag is ingediend, besluit het bestuur uiterlijk op 1 december van het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend.

4.

Indien een bevoegd gezag een reeds bestaande vervangingspool wil voortzetten gedurende het daaropvolgende kalenderjaar, maakt het dit uiterlijk op 1 november van het hieraan voorafgaande kalenderjaar schriftelijk kenbaar aan het Vervangingsfonds.

5.

De aanvraag voor een bovenbestuurlijke vervangingspool in het kader van het Sectorplan primair onderwijs kan gedurende het hele kalenderjaar worden ingediend en start de eerste van de maand volgend op de maand van indiening. Besturen die zich daarna bij de samenwerkende besturen aansluiten, kunnen dit iedere drie maanden doen, te rekenen vanaf de dag dat de bovenbestuurlijke vervangingspool is gestart.

Artikel 34. Vervangingspool – plaatsingsvoorwaarden

1.

In de verlofsituaties, genoemd onder a tot en met d van dit artikel, wordt personeel in een vervangingspool voor de duur en omvang van het genoemde verlof uit de pool geplaatst:

Artikel 35. Vervangingspool – bekostiging

1.

Bekostiging van vervanging van afwezig personeel voor zover het is opgenomen in een vervangingspool is niet mogelijk.

2.

Bekostiging van vervanging door een vervangingspool vindt plaats conform het bepaalde onder a en b.

Artikel 36. Vervangingspool – declaraties

Declaraties met betrekking tot de vervangingspool dienen binnen drie maanden en vijf werkdagen na afloop van de maand waarop deze declaraties betrekking hebben door het Vervangingsfonds te zijn ontvangen.

Artikel 37. Vervangingspool – omvang en inzet

1.

De omvang van de vervangingspool is gesteld op maximaal 4 procent van de totale formatie van het deelnemende bevoegd gezag per peildatum 1 oktober van het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de vervangingspool wordt ingezet.

2.

Onder formatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan, alle personeelsleden in dienst bij een bevoegd gezag, exclusief de vervangers.

3.

Personeel dat is geplaatst in de vervangingspool als bedoeld in het eerste lid, dient voor minimaal 98 procent van de beschikbare tijd te worden ingezet bij het deelnemende bevoegd gezag dan wel samenwerkende bevoegde gezagsorganen voor vervangingswerkzaamheden die door het Vervangingsfonds worden bekostigd.

4.

Indien het inzetpercentage van het personeel dat is geplaatst in een vervangingspool als bedoeld in het eerste lid lager is dan 98 procent, vordert het Vervangingsfonds een deel van de bekostiging terug. Dit deel bestaat uit het verschil tussen 98 procent van de totale bekostiging van de vervangingspool en het totaal van de bekostiging die gerelateerd is aan de door het bevoegd gezag dan wel samenwerkende bevoegde gezagsorganen verantwoorde vervangingswerkzaamheden.

5.

In afwijking van het eerste lid, kan een bevoegd gezag of kunnen samenwerkende bevoegde gezagsorganen er voor kiezen om de omvang van de vervangingspool te stellen op maximaal 6 procent van de totale formatieomvang per peildatum 1 oktober van het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de vervangingspool betrekking heeft.

6.

Personeel dat is geplaatst in de vervangingspool als bedoeld in het vijfde lid, dient voor 100 procent van de beschikbare tijd te worden ingezet bij het deelnemende bevoegd gezag voor vervangingswerkzaamheden die door het Vervangingsfonds worden bekostigd.

7.

Indien het inzetpercentage van het personeel dat is geplaatst in een vervangingspool als bedoeld in het vijfde lid lager is dan 100 procent, vordert het Vervangingsfonds een deel van de bekostiging terug. Dit deel bestaat uit het verschil tussen de totale bekostiging van de vervangingspool en het totaal van de bekostiging die gerelateerd is aan de door het bevoegd gezag dan wel de samenwerkende bevoegde gezagsorganen verantwoorde vervangingswerkzaamheden.

Artikel 38. Verantwoording poolinzet

1.

Voor de verantwoording van de inzet van personeel dat geplaatst is in een vervangingspool, gebruikt het bevoegd gezag het door het Vervangingsfonds ter beschikking gesteld systeem dat digitale aanlevering van de gewenste verantwoordingsgegevens mogelijk maakt.

2.

Het bevoegd gezag verzendt maandelijks de verantwoording van de inzet van het personeel geplaatst in de vervangingspool naar het Vervangingsfonds.

3.

Indien het Vervangingsfonds de maandelijkse verantwoording als bedoeld in het twede lid niet heeft ontvangen, dan wordt de op deze maand betrekking hebbende bekostiging van de vervangingspool opgeschort.

4.

De termijn voor het verzenden van de door het Vervangingsfonds gevraagde inzetverantwoording bedraagt drie maanden en vijf werkdagen, te rekenen vanaf de dag waarop het Vervangingsfonds het verzoek tot het verzenden van deze inzetverantwoording op voorgeschreven wijze aan het schoolbestuur kenbaar heeft gemaakt.

5.

Indien het Vervangingsfonds de inzetverantwoording na het verstrijken van de termijn, genoemd in het vierde lid, niet heeft ontvangen, dan komen de declaraties waarop deze inzetverantwoording betrekking heeft niet voor bekostiging in aanmerking.

6.

De termijn waarbinnen een schoolbestuur een correctie op een reeds ingediende inzetverantwoording kan indienen, bedraagt drie maanden, te rekenen vanaf de maand waarop het schoolbestuur de inzetverantwoording waarop de correctie betrekking heeft, bij het Vervangingsfonds heeft ingediend.

Artikel 39. Bovenbestuurlijke vervangingspool

1.

Met uitzondering van hetgeen in dit artikel is bepaald, is met betrekking tot een bovenbestuurlijke vervangingspool het bepaalde in deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

2.

Indien er sprake is van een bovenbestuurlijke vervangingspool, komt de inzet van personeel dat een dienstverband heeft bij een eigenrisicodrager die deelneemt aan de vervangingspool niet voor bekostiging in aanmerking, tenzij;

3.

Toewijzing van de bekostiging met betrekking tot een bovenbestuurlijke vervangingspool vindt met het oog op de bonus-malus regeling als bedoeld in paragraaf 3.2 van het Reglement plaats naar rato van de per bevoegd gezag verantwoorde premie. Het premiebedrag per bevoegd gezag wordt gedeeld door het premiebedrag van de deelnemende bevoegde gezagsorganen samen. De uitkomst wordt vermenigvuldigd met het totaal aan uitbetaalde bekostiging van de vervangingspool. De bovenbestuurlijke vervangingspool kan onderbouwd aantonen dat de toewijzing van bekostiging van de vervangingspool aan de deelnemende bevoegde gezagsorganen anders verdeeld dient te worden.

4.

Indien een bovenbestuurlijke vervangingspool in stand wordt gehouden door één of meerdere eigenrisicodragers en één of meerdere bevoegde gezagsorganen die geen eigenrisicodrager zijn, dan geldt het bepaalde onder a tot en met c.

Hoofdstuk 5. Financiële varianten

Hoofdstuk 5. Financiële varianten

Artikel 40. Werkingssfeer

Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op bevoegde gezagsorganen die eigenrisicodrager zijn.

Artikel 41. Aanmelding financiële variant

1.

Een bevoegd gezag waaraan het Vervangingsfonds de status van eigenrisicodrager heeft verleend, kan zich aanmelden voor één van de financiële varianten als bedoeld in artikel 47.

2.

De aanmelding kan alleen door een individueel bevoegd gezag plaatsvinden.

3.

In afwijking van het eerste lid, kan een bevoegd gezag, dat ten tijde van de aanmelding geen eigenrisicodrager is, zich aanmelden voor één van de financiële varianten als bedoeld in artikel 47, onder de opschortende voorwaarde dat het Vervangingsfonds aan het bevoegd gezag de status van eigenrisicodrager verleent op de aanvraag daartoe van het bevoegd gezag. Voor zover het bevoegd gezag nog geen aanvraag tot het verlenen van de status van eigenrisicodrager heeft ingediend, dient deze aanvraag binnen veertien dagen na de aanmelding bij het Vervangingsfonds te zijn ingediend, bij gebreke waarvan de aanmelding niet in behandeling wordt genomen.

4.

De ingangsdatum van de financiële variant vindt plaats per 1 januari van een kalenderjaar. Het bevoegd gezag dient zich uiterlijk 31 oktober voorafgaand aan het betreffende kalenderjaar schriftelijk bij het Vervangingsfonds aan te melden voor een financiële variant.

5.

De aanmelding voor één van de financiële varianten kan uitsluitend plaatsvinden voor al het personeel van het bevoegd gezag.

Artikel 42. Bekostigingsvoorwaarden financiële varianten

1.

Op bekostiging door het Vervangingsfonds kan aanspraak worden gemaakt in geval van vervanging van personeel dat afwezig is op grond van ziekte als bedoeld in artikel 28, onder a van het Reglement.

2.

De maximale bekostigingstermijn voor vervanging van aaneengesloten ziekteverzuim bedraagt 24 maanden vanaf de eerste ziektedag zoals geregistreerd bij het UWV.

3.

Personeel dat binnen de eigen betrekkingsomvang voor vervanging wordt ingezet, komt slechts voor bekostigde vervanging in aanmerking indien dit personeelslid is geplaatst in een eigen, door het bevoegd gezag bekostigde vervangingspool.

4.

In aanvulling op de voorwaarden voor bekostiging conform één van de financiële varianten als genoemd in dit hoofdstuk, is artikel 29 tot en met 32 van het Reglement overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 29, eerste lid, onder c, e, g en h en derde lid, onder b.

5.

Indien een personeelslid ten tijde van de ingangsdatum van deelname voor één van de financiële varianten 14 kalenderdagen of langer ziek is, dan komt de vervanging van dit personeelslid niet voor bekostiging in aanmerking.

6.

Indien het personeelslid, genoemd in het vijfde lid, sinds het hervatten van de werkzaamheden gedurende 28 kalenderdagen aaneengesloten niet ziek is geweest, dan komt vervanging van dit personeelslid bij opvolgende ziektegevallen voor bekostiging in aanmerking.

7.

Indien aan een bevoegd gezag per 1 januari 2018 het eigenrisicodragerschap is verleend, dan komt in afwijking van het vijfde lid vervanging van een personeelslid dat ten tijde van de ingangsdatum van deelname aan één van de financiële varianten ziek is, voor bekostiging conform de door dit bevoegd gezag gekozen financiële variant in aanmerking.

Artikel 43. Declaratietermijn financiële varianten

1.

Een declaratie dient uiterlijk binnen drie maanden en vijf werkdagen na afloop van de maand waarop de declaratie betrekking heeft door het Vervangingsfonds te zijn ontvangen, tenzij sprake is van het bepaalde onder a of b:

Artikel 44. Looptijd, wijziging en opzegging

1.

De deelname voor één van de financiële varianten geldt voor onbepaalde tijd.

2.

Wijziging door het bevoegd gezag van de gekozen financiële variant is mogelijk per 1 januari van een nieuw kalenderjaar. Het bevoegd gezag dient de wijziging uiterlijk 1 november voorafgaand aan het nieuwe kalenderjaar schriftelijk bekend te maken, onder opgave van de gewenste andere financiële variant.

3.

Opzegging van de deelname van één van de financiële varianten door het bevoegd gezag is alleen mogelijk per 1 januari van een nieuw kalenderjaar. Het bevoegd gezag dient de opzegging uiterlijk 1 november voorafgaand aan het nieuwe kalenderjaar schriftelijk aan het Vervangingsfonds bekend te maken.

4.

Het Vervangingsfonds kan de deelname door het bevoegd gezag voor één van de financiële varianten schriftelijk tussentijds opzeggen, indien het bevoegd gezag na herhaalde aanmaning door het Vervangingsfonds in gebreke blijft de maandelijkse premie aan het Vervangingsfonds te voldoen. Het Vervangingsfonds kan alleen opzeggen tegen het einde van een kalendermaand en met inachtneming van een opzegtermijn van een maand.

Artikel 45. Wijziging van premie en voorwaarden

Het Vervangingsfonds kan de premie dan wel de voorwaarden, behorende bij de financiële varianten, eenmaal per jaar voor het volgende kalenderjaar te wijzigen. Het Vervangingsfonds stelt het bevoegd gezag uiterlijk drie maanden voor afloop van het lopende kalenderjaar schriftelijk in kennis van deze wijzigingen.

Artikel 46. Beëindiging en gevolgen

1.

De deelname voor een financiële variant eindigt op het moment waarop het betreffende bevoegd gezag het eigenrisicodragerschap heeft verloren.

2.

Indien de deelname voor een financiële variantvoor een bevoegd gezag eindigt, dan heeft dit tot gevolg:

3.

Bij beëindiging van de deelname voor één van de financiële varianten als gevolg van opzegging door het bevoegd gezag, eindigt de aanspraak op bekostiging van vervanging na verloop van het kalenderjaar waarin de opzegging heeft plaatsgevonden. Declaraties die betrekking hebben op vervanging gedurende dat kalenderjaar komen niet voor bekostiging in aanmerking, indien het Vervangingsfonds die declaraties niet uiterlijk op de vijfde werkdag van de maand februari van het daaropvolgende kalenderjaar heeft ontvangen.

4.

Bij beëindiging van de deelname voor één van de financiële varianten als gevolg van het verlies van eigenrisicodragerschap, eindigt de aanspraak op bekostiging van vervanging op het moment dat het bevoegd gezag het eigenrisicodragerschap heeft verloren. Declaraties die betrekking hebben op vervanging gedurende het kalenderjaar waarin het eigenrisicodragerschap is verloren, komen niet voor bekostiging in aanmerking, indien het Vervangingsfonds die declaraties niet uiterlijk een maand en vijf werkdagen, volgend op de maand waarin het bevoegd gezag het eigenrisicodragerschap heeft verloren, heeft ontvangen.

5.

Bij beëindiging van de deelname voor één van de financiële varianten als gevolg van opzegging door het Vervangingsfonds als bedoeld in artikel 44, vierde lid, bestaat geen aanspraak meer op bekostiging vanaf de eerste dag van de maand volgende op de maand waarin de beëindiging heeft plaatsgevonden. Declaraties over de periode tot en met de datum van beëindiging van de deelname worden niet meer vergoed, indien het Vervangingsfonds die declaraties niet uiterlijk na een maand en vijf werkdagen, volgend op de maand waarin de beëindiging heeft plaatsgevonden, heeft ontvangen.

§ 5.2. Financiële varianten

Artikel 47. Financiële varianten

1.

Een bevoegd gezag dat eigenrisicodrager is, kan gebruik maken van de volgende door het Vervangingsfonds aangeboden financiële varianten:

Artikel 48. Wachtdagenvariant met een eigen risico van 14 dagen

1.

Onder deze financiële variant komt vervanging van personeel dat afwezig is wegens ziekte in aanmerking voor bekostiging:

Artikel 49. Wachtdagenvariant met een eigen risico van 42 dagen

1.

Onder deze financiële variant komt vervanging van personeel dat afwezig is wegens ziekte in aanmerking voor bekostiging:

Artikel 50. Stop-loss variant met een lage ondergrens van de bandbreedte

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)