Verordening van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming van 9 januari 2018, nr. ANVS-2018/137, houdende nadere regels ter bescherming van personen tegen de gevaren van blootstelling aan ioniserende straling (ANVS-verordening basisveiligheidsnormen stralingsbescherming)

Type ZBO-regeling
Publication 2023-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 126
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad van 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling, en houdende intrekking van de Richtlijnen 89/618/Euratom, 90/641/Euratom, 96/29/Euratom, 97/43/Euratom en 2003/122/Euratom (PbEG L 13/1);

Gelet op de artikelen 3.4, vijfde en zesde lid, 3.6, vierde en zevende lid, 3.10, tweede lid, aanhef en onderdeel c, 3.11, zevende lid, 3.12, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel e, 3.17, vierde, zesde e

n negende lid, 3.18, eerste en tweede lid, 3.19, eerste lid, 3.21, eerste lid, 3.23, derde lid, 4.2, vijfde lid, 4.3, vierde lid, 4.4, zesde lid, 4.5, 4.6, tweede lid, 4.7, derde lid, 4.8, eerste lid, 4.9, 4.13, vierde lid, 4.17, derde lid, 4.18, tweede lid, onderdeel b, en vierde lid, 4.20, tweede lid, 4.21, eerste en tweede lid, 4.22, vijfde lid, 4.24, eerste lid, aanhef en onderdeel f, en tweede lid, 4.25, derde lid, 4.27, tweede lid, 4.29, eerste en tweede lid, 5.2, derde lid, 5.5, vierde lid, 5.7, zevende lid, 5.11, vierde lid, 6.2, zevende lid, 6.3, tweede lid, 6.8, zevende lid, 6.21, vierde lid, 6.24, derde lid, 7.22, vijfde lid, 9.7, derde en vierde lid, 9.8, derde lid, 9.10, derde lid, 10.7, zevende lid, en bijlage 2, onderdeel E, onderdeel Radiotoxiciteitsequivalent, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming, alsmede de artikelen 19, 32, 41a, aanhef en onderdeel 3°, en 42, tweede lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen, de artikelen 1b, 1d, 2, derde lid, 4c, tweede lid, 23, tweede en derde lid, 27, vierde lid en 32, vijfde lid, van het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen en artikel 6a van het Besluit detectie radioactief besmet schroot;

BESLUIT:

Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming in werking treedt.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. (begripsomschrijvingen)

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • actuele individuele dosis: een effectieve dosis die het gevolg is van het gebruik van een gebied buiten de locatie waarbij rekening wordt gehouden met het feitelijke huidige gebruik van de omgeving;
  • afgescheiden deel van de locatie: deel van de locatie, uitsluitend bedoeld als bergplaats voor de opslag van materialen of objecten met van nature voorkomende radionucliden;
  • ANVS-loket: het voor elektronische indiening door ondernemers van aanvragen, kennisgevingen, documenten en andere informatieverstrekkingen geschikte portaal op de website van de Autoriteit;
  • bereikbaar oppervlak:
    1. bereikbaar oppervlak van een object zonder nader of destructief ingrijpen in dat object of;
    1. oppervlak van een object dat bereikbaar is indien dat object geopend of uit elkaar genomen is voor gebruik, onderhoud of reparatie, voor product- of materiaalgebruik of voor product- of materiaalhergebruik;
  • besmettingscontrole: controle van een oppervlak of een voorwerp, niet zijnde een ingekapselde bron, op radioactieve besmetting;
  • broncertificaat: document van de producent van de ingekapselde bron waarin ten minste de activiteit, het radionuclide, de gegevens van de capsule, de classificatie volgens Internationale standaard ISO 2919:2012 of recenter en het serienummer zijn vermeld;
  • eindbestemming: bestemming waarvan door de Autoriteit of de ondernemer voorzien is dat een natuurlijke bron daar gedurende meer dan twee jaar zal verblijven, indien voor die bron geen andere bestemming is voorzien;
  • inherent veilig toestel of inherent veilige versneller: toestel of versneller, dat of die is ontworpen om blootstelling aan de primaire bundel bij gebruik ervan te voorkomen en dat of die is voorzien van beveiligingen die het toestel of de versneller direct uitschakelen indien deze beveiligingen worden verbroken;
  • ketenregistratie: aanvraag van een registratie door een ondernemer, gedaan mede namens andere ondernemers, voor aangewezen handelingen waarvoor een registratieplicht bestaat, als bedoeld in artikel 3.11, zevende lid, van het besluit;
  • lek: ingekapselde bron waarbij een afgewreven activiteit van meer dan 185 becquerel is vastgesteld;
  • lektest: controle van de behuizing van een ingekapselde bron op afwrijfbare radioactieve besmetting;
  • multifunctionele individuele dosis: effectieve dosis die het gevolg is van het gebruik van een gebied buiten de locatie op zodanige wijze dat dit de hoogst mogelijke dosis geeft;
  • natte sludge: mengsel van organische en minerale vaste bestanddelen in water of koolwaterstof bevattende vloeistoffen dat:
  • –. op een mijnbouwproductielocatie wordt gescheiden van de geproduceerde olie of het geproduceerde gas, dan wel
  • –. op een mijnbouwproductielocatie ontstaat ten gevolge van de winning van aardwarmte;
  • oppervlaktebesmetting met van nature voorkomend radioactief materiaal: aanwezigheid op het oppervlak van een object dat bestaat uit niet-radioactieve vaste stoffen, van niet-afwrijfbare of afwrijfbare natuurlijke bronnen met een gemiddelde massa per oppervlakte van minder dan 1 g/cm2;
  • radioactieve besmetting: afwrijfbare alfa besmetting van 0,4 becquerel of meer per cm2, of een afwrijfbare bèta/gamma besmetting van 4 becquerel of meer per cm2;
  • representatief persoon: persoon die blootstaat aan een dosis die representatief is voor die van de meest aan ioniserende straling blootgestelde personen van de bevolking, met uitsluiting van personen met extreme of zeldzame gewoonten;
  • vaste meetopstelling: industriële opstelling waarbij een ingekapselde bron is ingebouwd in en deel uitmaakt van een productielijn, waarbij het in- en uitbouwen van de ingekapselde bron in of uit deze opstelling uit het oogpunt van stralingsbescherming weinig voordeel heeft;
  • ventilatievoud: aantal malen per uur dat het volume van een ruimte door ventilatiesystemen geheel wordt vervangen;

Hoofdstuk 2. Rechtvaardiging

Hoofdstuk 3. Controlestelsel

§ 3.1. Aanvragen om vergunning en registratie en kennisgevingen algemeen

Artikel 3.1
1.

De ondernemer die via het ANVS-loket een aanvraag of kennisgeving bij de Autoriteit wil indienen of een andere informatieverstrekking wil doen, maakt gebruik van het op het ANVS-loket beschikbare elektronische formulier dat hoort bij de aanvraag, de kennisgeving of de informatieverstrekking.

2.

Bij gebruik van het ANVS-loket geschiedt de vaststelling van de juistheid van de identiteit van de aanvrager door middel van eHerkenning.

3.

Bij het elektronische formulier kunnen elektronische bestanden en bijlagen worden bijgevoegd.

4.

Indien de ondernemer niet over een eHerkenning-middel kan beschikken,

  • a. dient hij een aanvraag of een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid schriftelijk in door toezending aan de Autoriteit, of
  • b. registreert hij zich als gebruiker bij de Autoriteit en ontvangt na registratie een unieke toegangscode waarmee hij zich bij het gebruik van het ANVS-loket identificeert.
5.

De Autoriteit verifieert de gegevens van de ondernemer, bedoeld in het vierde lid.

6.

Het tweede tot en met het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing indien de aanvraag namens de ondernemer door een externe gemachtigde wordt ingediend.

7.

De Autoriteit maakt het vereiste betrouwbaarheidsniveau van de eHerkenning op de website van de Autoriteit bekend.

§ 3.2. Bij een aanvraag om een vergunning voor handelingen met bronnen te verstrekken gegevens

Artikel 3.2. (te verstrekken basisgegevens bij de aanvraag om een vergunning)
1.

Naast de in artikel 3.6, derde lid, van het besluit, bedoelde gegevens bevat een aanvraag om een vergunning de volgende gegevens:

  • a. een omschrijving van de locatie waar de desbetreffende handeling plaatsvindt of de desbetreffende handelingen plaatsvinden en het adres of kadastrale gegevens van die locatie en een plattegrond met aanduiding van de terreingrens en de plaats van de handelingen; bij wisselende locaties wordt met behulp van een situatieschets een zo goed mogelijke aanduiding hiervan gegeven;
  • b. indien een aanvraag voor wisselende locaties wordt gedaan: een onderbouwing van de noodzaak hiervan;
  • c. een omschrijving van de handeling of handelingen waarvoor de vergunning wordt gevraagd en het doel daarvan;
  • d. een opgave van de maximale totale effectieve dosis zowel ten gevolge van lozingen als ten gevolge van externe straling op basis van omgevingsdosisequivalenten, die de representatieve persoon in een kalenderjaar kan ontvangen op enig punt buiten de locatie als gevolg van alle onder verantwoordelijkheid van de ondernemer uit te voeren registratieplichtige en vergunningplichtige handelingen en andere handelingen waarvoor een kennisgeving als bedoeld in artikel 3.11 van het besluit vereist is, tezamen binnen de locatie waarop de vergunningaanvraag van toepassing is, alsmede de daaraan ten grondslag liggende analyse;
  • e. een opgave van de maximale effectieve of equivalente dosis die de betrokken werknemers in een kalenderjaar ten gevolge van de door de ondernemer uitgevoerde handelingen kunnen ontvangen, alsmede de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 7.6 van het besluit;
  • f. een beschrijving van de wijze waarop de stralingsbescherming is georganiseerd, van de aanwezige deskundigheid met betrekking tot de handelingen en het toezicht daarop;
  • g. een beschrijving van de verantwoordelijkheden voor de stralingsbescherming en stralingsveiligheid;
  • h. een opgave van de tijdsduur van de handeling of handelingen;
  • i. een overzicht van alle registratieplichtige en vergunningplichtige handelingen, alsmede andere handelingen waarvoor een kennisgeving als bedoeld in artikel 3.11 van het besluit vereist is, binnen de locatie, gespecificeerd naar aard en omvang;
  • j. een beschrijving van de ontwerp-kenmerken van elke bron en de ruimte waarin een bron zich bevindt;
  • k. een veiligheidsbeoordeling van de handelingen om:
  • 1°. vast te stellen op welke manieren potentiële blootstellingen van leden van de bevolking of, in geval van medische blootstelling, toevallige en onbedoelde blootstellingen zich kunnen voordoen;
  • 2°. de waarschijnlijkheid en omvang van de potentiële blootstellingen te kunnen inschatten;
  • 3°. de kwaliteit en reikwijdte van stralingsbeschermings- en stralingsveiligheidsmaatregelen te beoordelen, waaronder zowel technische kenmerken als administratieve procedures;
  • 4°. inzicht te krijgen in de door de aanvrager vastgestelde dosisbeperkingen en voorwaarden voor veilige bedrijfsvoering;
  • l. een beschrijving van de noodprocedures;
  • m. indien het een andere handeling dan een handeling met van nature voorkomende radionucliden betreft: een opgave van de onderhouds-, test- en inspectieprogramma’s of -contracten, waarmee bewerkstelligd wordt dat de bronnen tijdens hun hele levensduur aan de ontwerpvereisten operationele grenzen en voorwaarden voor veilige bedrijfsvoering blijven voldoen;
  • n. een beschrijving van het kwaliteitsborgingssysteem, en
2.

Indien het omgevingsdosisequivalent, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, hoger is dan 10 microsievert, of de lozingen, bedoeld in dat onderdeel, een dosis vertegenwoordigen die gelijk is aan, of hoger is dan, 1 microsievert in een kalenderjaar op enig punt buiten de locatie, bevat de aanvraag tevens een beschrijving van de maatregelen ter voorkoming van en bescherming tegen schade in en buiten de locatie.

Artikel 3.3. (aanvraag vergunning handelingen met toestel of versneller)

Een aanvraag om een vergunning voor een handeling met een toestel of een versneller bevat naast de relevante gegevens, bedoeld in artikel 3.2, een beschrijving van het toestel of de versneller onder vermelding van de gegevens betreffende de ioniserende straling die het toestel of de versneller kan uitzenden, waaronder in elk geval de maximale output die het systeem kan leveren, uitgedrukt als maximale hoogspanning van de röntgenbuis en de hoogspanning die de generator kan leveren.

Artikel 3.4. (aanvraag vergunning handeling met radioactieve stoffen in de vorm van open bronnen met kunstmatige radionucliden)

Een aanvraag om een vergunning voor een handeling met radioactieve stoffen in de vorm van open bronnen met kunstmatige radionucliden bevat, naast de relevante gegevens, bedoeld in artikel 3.2:

  • a. een opgave van de radionucliden, waarmee de handelingen worden verricht waarvoor de vergunning wordt gevraagd;
  • b. een opgave van de ten gevolge van alle registratie- en vergunningplichtige handelingen maximaal in de lucht, in het openbaar riool, het oppervlaktewater, of in de bodem te lozen radiotoxiciteitsequivalenten voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft, uitgedrukt in radiotoxiciteitsequivalenten voor inhalatie, respectievelijk ingestie en gewogen voor inhalatie en ingestie;
  • c. indien vergunning om te lozen wordt aangevraagd: een opgave van het aantal te lozen radiotoxiciteitsequivalenten, en
  • d. een beschrijving van het beheer van radioactieve afvalstoffen en van de voorzieningen voor de berging van die afvalstoffen.
Artikel 3.5. (aanvraag vergunning handeling met radioactieve stoffen in de vorm van open bronnen met van nature voorkomende radionucliden)

Een aanvraag om een vergunning voor een handeling met radioactieve stoffen in de vorm van open bronnen met van nature voorkomende radionucliden bevat, naast de relevante gegevens, bedoeld in artikel 3.2, een beschrijving van:

  • a. voor van nature voorkomend radioactief materiaal:
  • 1°. de maximale activiteitsconcentratie van elk radionuclide, voor elke nuclide dat meer dan 1% bijdraagt aan de totale activiteit;
  • 2°. de maximale massa op enig moment per locatie, en
  • 3°. de maximale doorzet per kalenderjaar.
  • b. de radioactieve stoffen en de radioactieve afvalstoffen die bij de handelingen ontstaan;
  • c. een opgave van de ondernemer die de radioactieve stoffen of radioactieve afvalstoffen ontvangt;
  • d. een beschrijving van het beheer van radioactieve afvalstoffen en van de voorzieningen voor de berging van die afvalstoffen;
  • f. indien er geen categorienummer als bedoeld in onderdeel e opgegeven kan worden: een beschrijving van de handelingen;
  • g. een opgave van de ten gevolge van alle registratie- en vergunningplichtige handelingen maximaal in de lucht, in het openbaar riool, het oppervlaktewater, of in de bodem te lozen activiteit voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft, gespecificeerd naar radionuclide en totale te lozen activiteit, en
  • h. indien vergunning om te lozen wordt aangevraagd: een opgave van de totale te lozen activiteit, gespecificeerd naar radionuclide.
Artikel 3.6. (aanvraag vergunning handeling met radioactieve stoffen in de vorm van een ingekapselde bron)

Een aanvraag om een vergunning voor een handeling met radioactieve stoffen in de vorm van een ingekapselde bron bevat naast de relevante gegevens, bedoeld in artikel 3.2:

  • a. een opgave van de radionucliden, waarmee de handelingen worden verricht waarvoor de vergunning wordt gevraagd;
  • b. een opgave van de chemische en fysische toestand en vorm waardoor deze radioactieve stoffen een ingekapselde bron vormen alsmede een aanduiding van de constructie en de kwaliteit van de bron, en
  • c. een beschrijving van de wijze waarop de ingekapselde bron wordt beheerd, na beëindiging van de toepassing ervan.
Artikel 3.7. (aanvraag vergunning handeling met kunstmatige bronnen)

Een aanvraag om een vergunning voor een handeling met kunstmatige bronnen bevat naast de relevante gegevens bedoeld in artikel 3.2, en de aanvullende gegevens bedoeld in artikel 3.4 respectievelijk artikel 3.6, een opgave van de overeenkomstig artikel 3.13 gewogen en gesommeerde activiteit op enig moment van de radionucliden in de radioactieve stoffen, die op de locatie, bedoeld in artikel 3.2, onderdeel a, ten hoogste aanwezig zal zijn.

Artikel 3.8. (aanvraag vergunning handeling met een hoogactieve bron)

Een aanvraag om een vergunning voor een handeling met een hoogactieve bron bevat, naast de relevante gegevens, bedoeld in artikel 3.2, en de aanvullende gegevens, bedoeld in de artikelen 3.6 en 3.7:

  • a. informatie over het volume van de bron, de bronhouder en de vaste afscherming van die bron;
  • c. informatie met betrekking tot:
  • 1°. de overeenkomst die met de leverancier of fabrikant van de bron is getroffen ten aanzien van de overbrenging van de niet meer in gebruik zijnde bron naar de leverancier, fabrikant, of andere ondernemer die bevoegd is de bron te ontvangen, of
  • 2°. de plaatsing van de niet meer in gebruik zijnde bron in een voorziening voor opslag of verwijdering.

§ 3.3. Te verstrekken gegevens bij een aanvraag om registratie

Artikel 3.9. (te verstrekken gegevens bij een aanvraag om registratie)
1.

De aanvraag voor een registratie bevat naast de relevante gegevens, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, van het besluit:

  • a. een opgave van de maximale effectieve of equivalente dosis die werknemers in een kalenderjaar ten gevolge van de door de ondernemer uitgevoerde handelingen kunnen ontvangen;
  • c. een opgave van de maximale totale effectieve dosis, die de representatieve persoon in een kalenderjaar op enig punt buiten de locatie kan ontvangen ten gevolge van handelingen met die bron.
2.

Indien de bron een toestel of versneller betreft bevat de aanvraag voorts:

  • a. voor een toestel: een opgave van de maximale hoogspanning van het toestel, uitgedrukt in kilovolt;
  • b. voor een versneller: een opgave van de maximale versnelenergie, uitgedrukt in megavolt.
3.

Indien de bron een radioactieve stof is in de vorm van een ingekapselde bron, bevat de aanvraag voorts een opgave van het radionuclide en de maximale activiteit.

4.

Indien het handelingen betreft met radioactieve stoffen in de vorm van open bronnen met van nature voorkomende radionucliden bevat de aanvraag voorts een opgave van:

  • a. het adres of de kadastrale gegevens van de locatie waar de handelingen plaatsvinden;
  • b. voor van nature voorkomend radioactief materiaal:
    1. de maximale activiteitsconcentratie van elk radionuclide, voor elke nuclide dat meer dan 1% bijdraagt aan de totale activiteit;
    1. de maximale massa op enig moment per locatie;
    1. de maximale doorzet per kalenderjaar;
  • c. de radioactieve stoffen en de radioactieve afvalstoffen die bij de handelingen ontstaan;
  • d. de ondernemer die de radioactieve stoffen of radioactieve afvalstoffen ontvangt;
  • f. indien er geen categorienummer als bedoeld in onderdeel e opgegeven kan worden: een beschrijving van de handelingen.
Artikel 3.10. (ketenregistratie en aangewezen handelingen met natuurlijke bronnen)
1.

Als handelingen, waarvoor ketenregistratie is toegestaan, worden aangewezen de handelingen genoemd in bijlage 3.1, onderdeel A, van de Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming.

2.

De ondernemer, die de ketenregistratie mede namens andere ondernemers in de keten aanvraagt verzamelt alle gegevens van elke ondernemer in zijn keten.

3.

De ondernemer, die de ketenregistratie mede namens andere ondernemers binnen de keten aanvraagt, verstrekt bij de aanvraag van de registratie behalve de voor de registratie noodzakelijke gegevens van elke onderneming binnen de keten, tevens:

  • a. een opgave van alle ondernemers binnen de keten;
4.

Een ondernemer als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, deelt een wijziging van de geregistreerde gegevens ten minste zes weken voor de aanvang van de wijziging schriftelijk mede aan de ondernemer die de ketenregistratie mede namens de andere ondernemers in de keten heeft aangevraagd.

5.

Een ondernemer in de grond-, weg- of waterbouw, die de ketenregistratie mede namens andere ondernemers in de keten aanvraagt, zorgt ervoor dat de volgende gegevens bij de registratieaanvraag worden verstrekt:

  • a. dat het materiaal met van nature voorkomende radionucliden een eindproduct in de grond-, weg-, of waterbouw is;
  • b. een schatting van de effectieve dosis, uitgedrukt in de multifunctionele individuele dosis en de actuele individuele dosis in een jaar ten gevolge van eindbestemming, voor leden van de bevolking, en
  • c. een certificaat bij het materiaal met van nature voorkomende radioactieve stoffen waarop vermeld staat dat het radioactief materiaal betreft dat voor deze eindbestemming gebruikt mag worden.

§ 3.4. Te verstrekken gegevens bij kennisgeving

Artikel 3.11. (kennisgeving als bedoeld in artikel 3.11 van het besluit)

Een kennisgeving als bedoeld in artikel 3.11, derde en vierde lid, van het besluit bevat naast de gegevens, bedoeld in artikel 3.12, tweede lid, van het besluit,

  • a. een opgave van de maximale totale effectieve dosis voor leden van de bevolking of van de werknemers, en
Artikel 3.12. (kennisgeving overdracht hoogactieve bron)

De kennisgeving van overdracht van een hoogactieve bron geschiedt met toepassing van het formulier dat is opgenomen in bijlage 5 van het besluit.

§ 3.5. Sommatie

Artikel 3.13. (gewogen sommatie)
1.

De gewogen sommatie, bedoeld in artikel 3.4, vijfde lid, van het besluit, van de activiteit van de radionucliden in de bij handelingen betrokken radioactieve materialen vindt plaats volgens de formule:

waarin:

Ai is de totale activiteit van radionuclide i, waarmee een handeling verricht wordt (becquerel);

Av,i is de van toepassing zijnde vrijstellingswaarde voor de totale activiteit voor radionuclide i (becquerel).

2.

De gewogen sommatie, bedoeld in artikel 3.4, vijfde lid, van het besluit, van de activiteitsconcentratie van radionucliden in de bij handelingen betrokken radioactieve materialen vindt plaats volgens de formule:

waarin:

Ci is de activiteitsconcentratie van radionuclide i in een radioactieve stof (kilobecquerel/kg);

Cv,i is de van toepassing zijnde vrijstellings- of vrijgavewaarde voor de activiteitsconcentratie voor radionuclide i (kilobecquerel/kg).

3.

De gewogen sommatie, bedoeld in artikel 3.4, vijfde lid, van het besluit, van de activiteiten van radionucliden in radioactieve stoffen ter bepaling van de gesommeerde A/D-waarde ten behoeve van de toets bedoeld in artikel 3.10, derde lid, onderdeel b, van het besluit, vindt plaats volgens de formule:

waarin:

Ai,n is de activiteit van iedere radioactieve stof i met radionuclide n;

Dn is de D-waarde voor radionuclide n.

Artikel 3.14. (nadere regels sommatie consumentenproducten)

Als handelingen met consumentenproducten waarbij radioactieve stoffen worden toegevoegd aan consumentenproducten, bestemd voor gebruik op of in de directe omgeving van personen, waarbij de aan deze producten toegevoegde radionucliden niet worden betrokken bij een sommatie als bedoeld in artikel 3.17, tweede en derde lid, van het besluit, worden aangewezen de in bijlage 1 genoemde handelingen.

§ 3.6. Vrijstelling en vrijgave, uitzondering

Artikel 3.15. (vrijgestelde handelingen met een beperkt risico op blootstelling)
1.

De verboden, bedoeld in de artikel 3.5, tweede lid, en 3.9, eerste lid, van het besluit, zijn niet van toepassing ten aanzien van het voorhanden hebben van radon in aardgas en het vrijkomen van radon bij het, in de open lucht, affakkelen of afblazen van aardgas.

2.

Handelingen met consumentenproducten die een beperkt risico van blootstelling van personen tot gevolg hebben en waarvoor de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5 en 3.9 van het besluit niet van toepassing zijn, zijn aangewezen in bijlage 2.

Artikel 3.16. (vrijgave handelingen met een beperkt risico op blootstelling)
1.

De verboden, bedoeld in de artikelen 3.5, tweede lid, en 3.9, eerste lid, van het besluit, zijn niet van toepassing ten aanzien van het zich ontdoen van zeer laag radioactieve stoffen van elk type materiaal.

2.

Onder zeer laag radioactieve stoffen van elk type materiaal als bedoeld in het eerste lid worden verstaan: radioactieve stoffen waarvan de activiteit van de kunstmatige radionucliden, berekend over een periode van een jaar, kleiner is dan de in bijlage 3 opgenomen grenswaarden.

3.

Indien zeer laag radioactieve stoffen van elk type materiaal meerdere soorten radionucliden bevatten, wordt de activiteit van de radionucliden gewogen gesommeerd met overeenkomstige toepassing van artikel 3.4, vijfde lid, van het besluit. Aan de in het tweede lid bedoelde waarden wordt voldaan indien de uitkomst van de sommatie kleiner dan of gelijk is aan 1.

4.

Afdeling 3.2 van het besluit is niet van toepassing ten aanzien van het lozen van kaliumhoudende materialen, waarin de radionuclide K-40 tot ten hoogste in de natuurlijke abundantie voorkomt,

  • a. naar de open lucht;
  • b. in het openbare riool of in het oppervlaktewater, indien de concentratie van de geloosde kaliumverbindingen zo laag is dat er geen neerslag in het openbare riool of oppervlaktewater optreedt.
Artikel 3.17. (uitzondering op vrijstelling)
1.

Paragraaf 3.2.2 van het besluit is van toepassing op handelingen met van nature voorkomende radioactieve materialen indien de activiteitsconcentratie van dit materiaal geen juiste indicatie geeft van de gezondheidsschade en daarnaast de oppervlaktebesmetting met van nature voorkomend radioactief materiaal een totale bèta-activiteit heeft die gelijk is aan of hoger is dan 4 becquerel/cm2.

2.

In de gevallen waarin de effectieve doses voor leden van de bevolking ten gevolge van water- of luchtlozingen, als gevolg van handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal, hoger kunnen zijn dan 10 microsievert per kalenderjaar, geldt met het oog op de stralingsbescherming, in afwijking van artikel 10.4 van het besluit, een vergunningplicht als bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van het besluit.

Artikel 3.18. (specifieke vrijgavewaarden)
1.

Natte sludges uit de olie- en gasindustrie en de geothermie, uitsluitend bestemd voor stort op een op grond van artikel 10.6, vijfde of zevende lid, van het besluit, aangewezen instelling, zijn vrijgegeven overeenkomstig artikel 3.21 van het besluit, indien ten aanzien daarvan wordt voldaan aan de vrijgavewaarden die zijn opgenomen in bijlage 4, tabel 1.

2.

Vloeistoffen en vloeistof houdende materialen, die worden verbrand in een afvalverbrandingsinstallatie, zijn vrijgegeven indien ten aanzien daarvan wordt voldaan aan de vrijgavewaarden van bijlage 3, onderdeel B, tabel A, deel 1, van het besluit en van bijlage 3.2, tabel A, deel 1, van de Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming.

3.

Lampen of starters waaraan Kr-85 is toegevoegd zijn vrijgegeven als de toegevoegde Kr-85-activiteit per eenheid kleiner is dan 10.000 becquerel.

4.

Materialen die één of meer van de in bijlage 4, tabel 2, kolom 1, genoemde radionucliden bevatten, zijn vrijgegeven indien ten aanzien van die radionucliden wordt voldaan aan de desbetreffende vrijgavewaarden die zijn opgenomen in bijlage 4, tabel 2, kolom 2, voor zover zij bestemd zijn om te worden verbrand in een afvalverbrandingsinstallatie, als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, niet zijnde ZAVIN te Dordrecht.

5.

Materialen die één of meer van de in bijlage 4, tabel 2, kolom 1, genoemde radionucliden bevatten, zijn vrijgegeven indien ten aanzien van die radionucliden wordt voldaan aan de desbetreffende vrijgavewaarden die zijn opgenomen in bijlage 4, tabel 2, kolom 3, voor zover zij bestemd zijn om te worden verbrand bij ZAVIN te Dordrecht.

6.

Materialen als bedoeld in het vierde of vijfde lid worden aangeboden in lekdichte verpakkingen.

Artikel 3.19. (aanvraag specifieke vrijstelling)
1.

Een ondernemer kan een aanvraag bij de Autoriteit indienen voor een beschikking, houdende een vrijstelling voor specifieke bronnen of handelingen als bedoeld in artikel 3.19 van het besluit.

2.

Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid bevat:

  • a. het door de Autoriteit geaccepteerde plan van aanpak, bedoeld in het derde lid;
  • b. een opgave van de handelingen of toepassingen waarvoor vrijstelling wordt aangevraagd en een overzicht van de met de vrijstelling toe te passen specifieke activiteit of activiteitsconcentratiewaarden per radionuclide;
  • c. de uitwerking van de blootstellingsroutes, blootstellingsscenario’s, de gebruikte parameters en de bepaling van de dosis aan de hand van de methodiek zoals aangegeven in de aanbevelingen van de Europese Commissie of het Internationaal Atoomenergieagentschap dan wel een methodiek die naar het oordeel van de Autoriteit daaraan gelijkwaardig is1Europese Commissie publicatie Radiation Protection 65 Principles and Methods for Establishing Concentrations and Quantities (Exemption values) below which Reporting is not Required in the European Directive. Europese Commissie publicatie Radiation Protection 122, part 1 & part 2: Practical Use of the Concepts of the Clearance and Exemption, of recentere publicaties; IAEA safety guide RS-G-1.7 Applications of the concepts of the Exclusion, Exemption and Clearance, IAEA safety report series-44 Derivation of Activity Concentration Values for Exclusion, Exemption and Clearance of recentere publicaties.;
  • d. een opgave van de materialen en de wijze van ontdoening en de blootstellingsscenariokeuzes en de gebruikte parameters, met daarin de mogelijke alternatieve of secundaire ontdoeningsketens. De ondernemer geeft, indien van toepassing, een onderbouwing van de keuze dat bepaalde blootstellingsroutes of scenario’s niet gebruikt worden, of dat andere waarden van parameters gebruikt worden die ten grondslag liggen aan de scenario’s;
  • e. een overzicht van de gekozen randvoorwaarden die van belang zijn om aan de algemene vrijstellingscriteria te kunnen voldoen;
  • f. een analyse dat aan de algemene vrijstelling- en vrijgavecriteria als bedoeld in bijlage 3, onderdeel A, punt 3 van het besluit voldaan wordt, waaronder de genoemde dosiscriteria, en aan de in het vierde lid opgenomen grenswaarden;
  • i. een opgave van de toename van de effectieve dosis van een werknemer ten gevolge van de blootstelling aan vrijgestelde radioactieve stoffen onder normale omstandigheden;
  • j. een opgave van de toename van de effectieve dosis van een werknemer ten gevolge van de blootstelling aan vrijgestelde radioactieve stoffen onder ongunstige omstandigheden;
  • k. een opgave van de toename van de effectieve dosis van een lid van de bevolking dat zich binnen de locatie bevindt, ten gevolge van de blootstelling aan vrijgestelde radioactieve stoffen, en
  • l. een opgave van de toename van de effectieve dosis van een lid van de bevolking dat zich buiten de locatie bevindt, ten gevolge van de blootstelling aan vrijgestelde radioactieve stoffen.
3.

Voorafgaand aan de indiening van de aanvraag overlegt de aanvrager met de Autoriteit over de voor de specifieke vrijstelling relevante blootstellingsroutes, -scenario’s en parameters als bedoeld in het tweede lid, onderdelen c en d, en legt die in een door te Autoriteit te accepteren plan van aanpak vast. Van de acceptatie wordt mededeling gedaan aan de aanvrager.

4.

Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt afgewezen indien de blootstelling aan vrijgestelde van nature voorkomende radioactieve materialen, rekening houdend met de gangbare achtergrondstraling, leidt tot:

  • 1°. een dosistoename van een werknemer onder normale omstandigheden die hoger is dan 0,3 millisievert per jaar;
  • 2°. een dosistoename van een werknemer onder ongunstige omstandigheden die hoger is dan 1,0 millisievert per jaar;
  • 3°. een dosistoename van een lid van de bevolking dat zich binnen de locatie bevindt die hoger is dan 0,3 millisievert per jaar;
  • 4°. een dosistoename van een lid van de bevolking dat zich buiten de locatie bevindt die hoger is dan 0,01 millisievert per jaar.
Artikel 3.20. (aanvraag specifieke vrijgave)
1.

Een ondernemer kan een aanvraag bij de Autoriteit indienen voor een beschikking voor specifieke vrijgave voor bepaalde radioactieve materialen, voor radioactieve materialen afkomstig van specifieke soorten handelingen, of voor materialen behorend tot specifieke categorieën handelingen of toepassingen, als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, van het besluit.

2.

Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid bevat:

  • a. het door de Autoriteit geaccepteerde plan van aanpak, bedoeld in het derde lid;
  • b. een opgave van de handelingen of toepassingen waarvoor specifieke vrijgave wordt aangevraagd en een overzicht van de met de vrijgave toe te passen specifieke activiteitsconcentratiewaarden per radionuclide;
  • c. de uitwerking van de blootstellingsroutes, blootstellingsscenario’s, de gebruikte parameters en de bepaling van de dosis aan de hand van de methodiek zoals aangegeven in de aanbevelingen van de Europese Commissie of het Internationaal Atoomenergieagentschap dan wel een methodiek die naar het oordeel van de Autoriteit daaraan gelijkwaardig is2Europese Commissie publicatie Radiation Protection 89 Recommended radiological protection criteria for the recycling of metals from dismantling of nuclear installations,Europese Commissie publicatie Radiation Protection 113 Recommended Radiological Protection Criteria for the Clearance of Buildings and Building Rubble from the Dismantling of Nuclear InstallationsEuropese Commissie publicatie Radiation Protection 122, part 1 & part 2 Practical Use of the Concepts of the Clearance and Exemption, of recentere publicaties.IAEA safety guide RS-G-1.7 Applications of the concepts of the Exclusion, Exemption and Clearance, IAEA safety report series 44 Derivation of Activity Concentration Values for Exclusion, Exemption and Clearance of recentere publicaties.;
  • d. een opgave van de materialen en de wijze van ontdoening en de blootstellingsscenariokeuzes en de gebruikte parameters, met daarin de mogelijke alternatieve of secundaire ontdoeningsketens. De ondernemer geeft, indien van toepassing, een onderbouwing van de keuze dat bepaalde blootstellingsroutes of scenario’s niet gebruikt worden, of dat andere waarden van parameters gebruikt worden die ten grondslag liggen aan de scenario’s;
  • e. een overzicht van de gekozen randvoorwaarden die van belang zijn om aan de algemene vrijgavecriteria te kunnen voldoen;
  • f. een analyse dat aan de algemene vrijstelling- en vrijgavecriteria als bedoeld in bijlage 3, onderdeel A, punt 3 van het besluit voldaan wordt, waaronder de genoemde dosiscriteria, en aan de in het vierde lid opgenomen grenswaarde;
  • g. een opgave dat de handeling waarvan het materiaal afkomstig is, gerechtvaardigd is, of een krachtens artikel 2.5, eerste lid, van het besluit ingediend verzoek om rechtvaardiging van de handeling;
  • i. een opgave van de toename van de effectieve dosis van een lid van de bevolking ten gevolge van de blootstelling aan vrijgestelde radioactieve stoffen.
3.

Voorafgaand aan de indiening van de aanvraag overlegt de aanvrager met de Autoriteit over de voor de specifieke vrijgave relevante blootstellingsroutes, -scenario’s en parameters als bedoeld in het tweede lid, onderdelen c en d, en legt die in een door de Autoriteit te accepteren plan van aanpak vast. Van de acceptatie wordt mededeling gedaan aan de aanvrager.

4.

Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt afgewezen indien de blootstelling aan vrijgegeven van nature voorkomende radioactieve materialen, rekening houdend met de gangbare achtergrondstraling, leidt tot een dosistoename van een lid van de bevolking die hoger is dan 0,3 millisievert per jaar.

Hoofdstuk 4. Bronnen en handelingen in geplande blootstellingssituaties

§ 3.7. Radioactieve afvalstoffen en splijtstoffen of ertsen bevattende afvalstoffen

Artikel 4.1. (nadere inhoud administratie registratie- en vergunningplichtige bronnen)
1.

Indien krachtens het besluit verplichtingen tot het voeren van dossiers van bronnen of van een administratie van handelingen van kracht zijn, zijn het derde tot en met vijfde lid van toepassing.

De van toepassing zijnde administratieve verplichtingen worden door de ondernemer zoveel mogelijk binnen één beheerssysteem vastgelegd.

3.

Bij handelingen met radioactieve stoffen zijn in de dossiers, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het besluit, de mutaties van bronnen verwerkt.

4.

Bij handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal bevat het dossier, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het besluit, tevens:

  • a. de aard van het betrokken van nature voorkomend radioactief materiaal, de (oppervlakte-) besmette materialen of de radioactieve afvalstoffen;
  • b. de massa van het van nature voorkomend radioactief materiaal.
5.

De in dit artikel bedoelde administratieve gegevens en dossiers worden, op de locatie waar de handelingen worden verricht, of nabij de werklocatie, desgevraagd getoond aan ambtenaren, bedoeld in artikel 58 van de wet, of zijn op een andere manier direct beschikbaar voor inzage.

Artikel 4.2. (nadere inhoud administratie en dossiers hoogactieve bronnen)

Bij handelingen met een hoogactieve bron bevat het beheerssysteem naast het dossier van de hoogactieve bron, bedoeld in artikel 4.18, eerste lid, van het besluit en de administratieve gegevens, bedoeld in artikel 4.2, vierde lid, van het besluit, tevens:

  • b. de overeenkomst die met de leverancier of fabrikant van de bron is getroffen ten aanzien van voorzieningen voor het geval de hoogactieve bron niet meer in gebruik is, bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, van het besluit, en
Artikel 4.3. (administratie industriële radiografie)
1.

De administratie, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van het besluit bevat:

  • a. de naam van de houder van de vergunning en het nummer van de voor de betrokken handelingen verleende vergunning;
  • b. het tijdstip waarop of de periode binnen een kalenderjaar waarin de handelingen zijn verricht;
  • c. de plaats of plaatsen, de aard en de omvang van de handelingen;
  • d. de aan de handelingen toe te rekenen maximale toename van de effectieve dosis die personen op enig punt buiten de locatie kunnen ontvangen.
2.

Indien binnen een locatie opnamen worden gemaakt of industriële radiografie wordt toepast in het kader van niet-destructief onderzoek wordt in de administratie, bedoeld in het eerste lid, tevens het totaal aantal opnamen en uren industriële radiografie binnen dezelfde locatie vermeld. Voor de toepassing van deze bepaling wordt het aantal opnamen gelijk gesteld aan het aantal voor dat doel gebruikte films.

Artikel 4.4. (bewaartermijn gegevens in administratie en dossier)
1.

De gegevens in een administratie worden ten minste gedurende vijf jaar na het kalenderjaar waarop zij betrekking hebben bewaard.

2.

Het dossier van een bron wordt ten minste gedurende vijf jaar bewaard, gerekend vanaf het tijdstip waarop de ondernemer zich van de bron heeft ontdaan.

§ 4.2. Toestellen en versnellers

Artikel 4.5. (eisen aan toestellen en versnellers)
1.

De ondernemer zorgt ervoor dat met betrekking tot inherent veilige toestellen of inherent veilige versnellers:

  • a. het toestel of de versneller zodanig in een apparaat is ingebouwd dat het niet in werking kan zijn of in werking kan treden als het apparaat geopend is. De omkasting van het toestel of de versneller is daartoe, indien mogelijk, met schakelaars die de werking mechanisch gedwongen verbreken, beveiligd;
  • b. het toestel of de versneller uitsluitend gebruikt wordt wanneer de beveiligingen die op het apparaat zijn aangebracht ter beperking van de stralingsniveaus buiten het apparaat, in goede staat functioneren;
  • c. op geen enkel punt op 0,1 meter afstand van een bereikbare buitenzijde van het apparaat een omgevingsdosisequivalenttempo gemeten kan worden van meer dan 1 microsievert per uur, en
  • d. het apparaat is voorzien van een waarschuwingsteken.
2.

De ondernemer zorgt ervoor dat met betrekking tot andere toestellen of versnellers dan bedoeld in het eerste lid:

  • a. een zodanige afscherming is aangebracht dat de ioniserende straling die naar buiten treedt, uitgezonderd op de plaats van de opening bestemd voor het naar buiten treden van de nuttige stralenbundel, zo weinig als redelijkerwijs mogelijk schade kan toebrengen;
  • b. een middel dat de grootte van de nuttige stralenbundel bepaalt, wordt gebruikt, dat ten minste dezelfde mate van bescherming tegen straling waarborgt als het omhulsel van het toestel of de versneller;
  • c. het toestel of de versneller en de bijbehorende hulp- en beveiligingsmiddelen zodanig zijn opgesteld en worden afgeschermd dat personen zich niet aan de primaire stralenbundel behoeven bloot te stellen, tenzij zij een medische blootstelling of niet-medische beeldvorming ondergaan;
  • d. maatregelen worden getroffen ten aanzien van de opstelling en werkwijze van een toestel of een versneller om zoveel als redelijkerwijs te voorkomen dat door verstrooide straling personen, anders dan bedoeld onder onderdeel c van dit lid, worden blootgesteld;
  • e. een toestel of een versneller niet door een onbevoegde in werking kan worden gesteld;
  • f. maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat personen onbevoegd de ruimte of plaats kunnen betreden wanneer het toestel of de versneller dat daar is opgesteld in werking is;
  • g. het toestel of de versneller is voorzien van een waarschuwingsteken;
  • h. indien er geen handelingen worden verricht met het toestel of de versneller deze is opgeslagen in een voorziening die deugdelijk is afgesloten, of de ruimte waarin het toestel of de versneller zich bevindt deugdelijk is afgesloten, en uitsluitend mag worden geopend door de ondernemer en personen die daartoe van hem de bevoegdheid hebben gekregen.
3.

De afschermingseisen bedoeld in het tweede lid, onder a, gelden niet:

  • a. voor het testen van een toestel of een versneller, of
  • b. tijdens reparatie, onderhoud of onderzoek aan toestellen opgesteld in laboratoria of beproevingsruimten, of reparatie, onderhoud of onderzoek aan een versneller;

mits maatregelen zijn genomen waardoor blootstelling van personen ten gevolge van uitwendige bestraling zoveel als redelijkerwijs mogelijk wordt voorkomen.

Artikel 4.6. (veiligheidseisen toestellen en versnellers)

De ondernemer zorgt ervoor dat:

  • a. de ruimte waarin het toestel of de versneller is opgesteld en het gebruik van het toestel of de versneller in stralingshygiënisch opzicht op elkaar zijn afgestemd;
  • b. het omgevingsdosisequivalenttempo zo laag is dat de effectieve dosis voor personen niet meer bedraagt dan 1 millisievert per jaar:
  • 1°. op de plaats van bediening van het toestel of de versneller, met uitzondering in geval van interventieradiologie, en
  • 2°. buiten de ruimte of plaats waar het toestel of de versneller wordt gebruikt;
  • c. in het geval het een toestel betreft: in de ruimte waarin het toestel is opgesteld voorzieningen aanwezig zijn om de blootstelling van werknemers te beperken, en
  • d. aanvullend organisatorische maatregelen zijn genomen indien de benodigde dosisbeperking niet met bouwkundige maatregelen gerealiseerd kan worden.
Artikel 4.7. (controle toestellen en versnellers)
1.

De ondernemer zorgt ervoor dat:

  • a. een toestel of een versneller en de beveiligingen ten minste eenmaal per periode van twaalf maanden op de deugdelijke werking worden gecontroleerd;
  • b. de afscherming en het lekstralingsniveau buiten het toestel of de versneller of het apparaat waarin het toestel of de versneller is ingebouwd, ten minste eenmaal per jaar worden gecontroleerd, en
  • c. na elke demontage of reparatie van een toestel of een versneller een controle op de goede werking, bedoeld in onderdelen a en b, ten aanzien van het toestel of de versneller plaatsvindt.
2.

De ondernemer zorgt ervoor dat voor alle toestellen of versnellers in het beheersysteem:

  • a. aantekening wordt gehouden van alle aanwezige toestellen of versnellers, gespecificeerd naar:
  • 1°. merk, type en bouwjaar;
  • 2°. de plaats en aard van de toepassing;
  • 3°. in het geval het een toestel betreft: de maximale hoogspanning van de röntgenbuis en de spanning die de generator kan leveren;
  • 4°. in het geval het een versneller betreft: de maximale versnelspanning en de door de versneller uitgezonden stralingssoort en de maximale energie daarvan;
  • b. aantekening wordt gehouden van de resultaten van de in het eerste lid genoemde controles, onder vermelding van:
  • 1°. de datum van de controle;
  • 2°. de naam van de persoon die de controle heeft uitgevoerd;
  • 3°. eventuele gebreken en daarop volgende reparaties, en
  • 4°. lekstralingsniveaus buiten het toestel of de versneller.
  • c. aantekening wordt gehouden van elke demontage of reparatie aan het toestel of de versneller onder vermelding van:
  • 1°. de datum en het tijdstip van aanvang en beëindiging van elke demontage dan wel reparatie van het toestel of de versneller;
  • 2°. de naam van de persoon die de demontage of de reparatie heeft uitgevoerd;
  • 3°. eventuele gebreken en aard van de reparaties, en
  • 4°. de resultaten van de controle op de goede werking van het toestel of de versneller, de beveiligingen en de afscherming, na de demontage of de reparatie.

§ 4.3. Radioactieve stoffen

§ 4.3.1. Bergplaats

Artikel 4.8. (bergplaats)
1.

Ten aanzien van de bergplaats voor radioactieve stoffen zorgt de ondernemer ervoor dat:

  • a. het omgevingsdosisequivalenttempo aan de buitenzijde van de bergplaats zo laag als redelijkerwijs mogelijk is. In ieder geval wordt op geen enkel punt op 0,1 meter afstand van de bereikbare delen van het oppervlak van de bergplaats een omgevingsdosisequivalenttempo gemeten van meer dan 1 microsievert per uur;
  • b. de buitenzijde van de bergplaats is voorzien van een duidelijk leesbaar en onuitwisbaar opschrift ‘RADIOACTIEVE STOFFEN’ en van een duidelijk zichtbaar waarschuwingsteken;
  • c. de bergplaats deugdelijk is afgesloten en uitsluitend geopend kan worden door de ondernemer of door personen die daartoe van hem de bevoegdheid hebben gekregen;
  • d. de constructie van de bergplaats, al dan niet deel uitmakend van een gebouw, voldoet aan de eis dat de brandwerendheid niet lager is dan 60 minuten;
  • e. de bergplaats aantoonbaar bekend is bij de veiligheidsregio;
  • f. in een speciaal daarvoor bestemd overzicht dat zich in of nabij de bergplaats bevindt, de activiteit van de radioactieve stoffen die zich in de bergplaats bevinden wordt aangetekend, waarbij deze registratie minimaal plaatsvindt gespecificeerd naar radionuclide en activiteit. In geval van een ingekapselde bron dient daarnaast elke uitgifte of ontvangst van die ingekapselde bron uit of in de bergplaats zo spoedig mogelijk in dit overzicht te worden aangetekend, waarbij bij uitgifte bovendien de bestemming dient te worden aangetekend;
  • g. wanneer de bergplaats eenvoudig te verplaatsen is, ze wordt geplaatst in een afsluitbare ruimte of kast, die deugdelijk is afgesloten en uitsluitend geopend kan worden door de ondernemer of door personen die daartoe van hem de bevoegdheid hebben gekregen;
  • h. in geval van opslag van open bronnen de bergplaats decontamineerbaar is en bovendien geventileerd wordt met een ventilatievoud van ten minste driemaal per uur, en
  • i. opslag van vloeistoffen uitsluitend plaatsvindt in deugdelijke containers en boven een adequate voorziening voor gelekte vloeistoffen.
2.

In geval van opslag van materialen of objecten die van nature voorkomende radionucliden bevatten, en die vanwege de afmetingen, respectievelijk de hoeveelheid ervan, redelijkerwijs niet in een bergplaats als bedoeld in het eerste lid opgeslagen kunnen worden, zorgt de ondernemer ervoor dat, in afwijking van het eerste lid, de bedoelde radioactieve stoffen of radioactieve materialen op een afgescheiden deel van de locatie worden opgeslagen, en dat:

  • a. het omgevingsdosisequivalenttempo aan de afscheiding van de locatie zo laag als redelijkerwijs mogelijk is. In ieder geval wordt op geen enkel punt op 0,1 meter afstand van het oppervlak van de afscheiding een omgevingsdosisequivalenttempo gemeten van meer dan 1 microsievert per uur;
  • b. de buitenzijde van het afgescheiden deel van de locatie is voorzien van een duidelijk leesbaar en onuitwisbaar opschrift ‘RADIOACTIEVE STOFFEN’ en van een duidelijk zichtbaar waarschuwingsteken;
  • c. het afgescheiden deel van de locatie deugdelijk is afgezet met een hekwerk of op een andere doelmatige wijze is gemarkeerd;
  • d. het afgescheiden deel van de locatie zo is ingericht dat verspreiding van radioactieve stoffen wordt voorkomen;
  • e. het afgescheiden deel van de locatie aantoonbaar bekend is bij de veiligheidsregio;
  • f. de opslag van vloeistoffen uitsluitend plaatsvindt in deugdelijke containers en boven een adequate voorziening voor gelekte vloeistoffen, en
  • g. in een speciaal daarvoor bestemd overzicht, dat zich in of nabij het afgescheiden deel van de locatie bevindt, de hoeveelheid radioactiviteit die zich in het afgescheiden deel van de locatie bevindt wordt aangetekend, waarbij deze registratie minimaal plaatsvindt gespecificeerd naar radionuclide en activiteit.
3.

Op verzoek van de ondernemer die, vanwege de aard van de radioactieve stoffen, redelijkerwijs niet kan voldoen aan het eerste dan wel het tweede lid, kan de Autoriteit ontheffing van deze voorschriften verlenen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

§ 4.3.1. Bergplaats

Artikel 4.9. (eisen aan ingekapselde bronnen)

De ondernemer zorgt ervoor dat:

  • a. een binnenkomende zending met een ingekapselde bron op een door de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming aangewezen plaats wordt uitgepakt en gecontroleerd;
  • b. indien de verpakking beschadigd is of wanneer tijdens het transport een stralingsincident heeft plaatsgevonden, de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming wordt geïnformeerd en een besmettingscontrole op de verpakking voorafgaand aan het uitpakken wordt uitgevoerd;
  • c. wanneer een zending met een ingekapselde bron buiten werktijd wordt afgeleverd, de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming hierover onmiddellijk wordt geïnformeerd en de bron direct wordt opgeslagen in een bergplaats;
  • d. de retouremballage van een zending met een ingekapselde bron, alvorens zij de locatie verlaat, zowel in- als uitwendig wordt ontdaan van radioactieve besmetting, waarbij tevens aanduidingen of waarschuwingstekens van radioactiviteit hierop worden verwijderd of onleesbaar worden gemaakt;
  • e. de constructie van een ingekapselde bron voldoet aan de eisen die daaraan gesteld zijn in de International Standard ISO 2919:2012 of recenter. Indien de ingekapselde bron daaraan niet kan voldoen, is de constructie van de ingekapselde bron ten minste zodanig dat verspreiding van radioactiviteit wordt voorkomen;
  • f. de ingekapselde bron vergezeld gaat van het broncertificaat voor deze bron waarop de specifieke gegevens van de ingekapselde bron zijn weergegeven. Van bronnen die vóór 1995 zijn geproduceerd moeten de gegevens in een dossier worden vastgelegd voor zover ze beschikbaar of te achterhalen zijn;
  • g. de omstandigheden waaronder het feitelijk gebruik van de ingekapselde bron plaatsvindt, niet zwaarder zijn dan waarvoor deze is ontworpen;
  • h. de ingekapselde bron niet lek is;
  • i. de gegevens van de ingekapselde bron bekend zijn en de ingekapselde bron, indien praktisch mogelijk, voorzien is van een serienummer, en
  • j. de ingekapselde bron of de bronhouder, indien praktisch mogelijk, is voorzien van een waarschuwingsteken.
Artikel 4.10. (veiligheidseisen voor ingekapselde bronnen)

De ondernemer zorgt ervoor dat:

  • a. maatregelen worden genomen om te voorkomen dat een ingekapselde bron door een onbevoegde of onbedoeld in de stralingspositie kan worden gebracht;
  • b. de ingekapselde bron zich alleen in de stralingspositie bevindt, indien met de apparatuur waarin de ingekapselde bron is geplaatst wordt gewerkt, waarbij aan de buitenzijde van de bronhouder te allen tijde duidelijk waarneembaar is, zo nodig met behulp van geschikte meetapparatuur, of de ingekapselde bron zich in de stralingspositie bevindt;
  • c. de werklocatie niet, of althans niet zonder nadere waarschuwing toegankelijk is voor personen die niet direct bij de handelingen betrokken zijn;
  • d. in de nabijheid van de ingekapselde bron geen brandbare, brand bevorderende of explosieve stoffen aanwezig zijn, tenzij hun aanwezigheid voor de bedrijfsvoering noodzakelijk is;
  • e. een ingekapselde bron na gebruik in een bergplaats wordt opgeborgen;
  • f. in afwijking van onderdeel e, een ingekapselde bron, die wordt toegepast in een vaste meetopstelling, in een bergplaats wordt opgeborgen indien:
  • 1°. de meetopstelling definitief buiten gebruik is gesteld, of
  • 2°. dit uit het oogpunt van stralingsbescherming noodzakelijk is.
Artikel 4.11. (controle ingekapselde bronnen)
1.

Een ondernemer zorgt ervoor dat:

  • a. ingekapselde bronnen periodiek worden gecontroleerd, waarbij er tenminste een maal per kalenderjaar een visuele controle van de ingekapselde bron of, indien deze wordt toegepast in een bronhouder, van de bronhouder plaatsvindt;
  • b. ten minste een maal per kalenderjaar volgens een schriftelijk vastgelegde procedure: waarbij in alle genoemde situaties beschadiging van de ingekapselde bron wordt voorkomen;
  • 1°. de ingekapselde bron wordt gecontroleerd op een lek, of
  • 2a°. de bronhouder of de meetopstelling wordt gecontroleerd op een radioactieve besmetting, en,
  • 2b°. het omgevingsdosisequivalenttempo aan de buitenzijde van de bronhouder of de meetopstelling wordt gecontroleerd,
  • c. in het beheerssysteem aantekening wordt gehouden van de resultaten van de controles, bedoeld onder a en b, onder vermelding van:
  • 1°. de datum van de controle,
  • 2°. het serienummer van de bron die is gecontroleerd,
  • 3°. de wijze waarop de controle werd uitgevoerd,
  • 4°. de naam van de persoon die de controle verrichtte, en
  • 5°. de resultaten van de controle.
2.

In afwijking van het eerste lid, behoeft de lektest of besmettingscontrole, bedoeld in het dat lid, niet te worden uitgevoerd bij:

  • a. ingekapselde bronnen met een activiteit van minder dan 1 megabecquerel en van minder dan 0,02 Reinh, en
  • b. ingekapselde bronnen die een gasvormige radioactieve stof bevatten.
3.

Een ondernemer zorgt ervoor dat wanneer de ingekapselde bron, bedoeld in het eerste lid, definitief niet meer wordt gebruikt, er bij deze, in aanvulling op het eerste lid, onderdeel b, voordat ze wordt opgeslagen in de bergplaats of wordt overgedragen, volgens een schriftelijk vastgelegde procedure een lektest wordt uitgevoerd.

§ 4.3.3. Hoogactieve bronnen

Artikel 4.12. (gegevensverstrekking hoogactieve bronnen)
1.

De ondernemer stelt een schriftelijke of digitale kopie van het dossier van een hoogactieve bron ter beschikking aan de Autoriteit, telkens binnen twee weken:

  • a. na aanvang van een kalenderjaar;
  • b. na het tijdstip van de wijziging van de op het informatieformulier beschreven situatie;
  • c. na een daartoe strekkend verzoek van de Autoriteit;
  • d. na het afsluiten van het dossier voor een bron, wanneer de ondernemer deze niet langer in zijn bezit heeft;
  • e. na het afsluiten van het dossier, als de ondernemer geen bronnen meer in zijn bezit heeft.
2.

De ondernemer verstrekt na een daartoe strekkend verzoek aan ambtenaren, bedoeld in artikel 58 van de wet, de in artikel 4.2 bedoelde gegevens.

3.

De termijn waarbinnen de ondernemer, die de beschikking krijgt over een hoogactieve bron, het dossier van die bron aanlegt, bedraagt 48 uur na het tijdstip van de verwerving van die bron.

4.

De termijn, waarbinnen de ondernemer een schriftelijke of digitale kopie van het dossier voor de eerste keer na het aanleggen daarvan ter beschikking van de Autoriteit stelt, bedraagt 48 uur na het tijdstip van de verwerving van de hoogactieve bron.

5.

Indien het tijdstip van de verwerving van de bron, bedoeld in het derde lid, minder dan 48 uur is gelegen voor de aanvang van een zaterdag, een zondag of een nationale feestdag, worden de in het derde en het vierde lid genoemde termijnen verlengd met de zaterdag, zondag of de nationale feestdag of feestdagen.

6.

In afwijking van de termijn, genoemd in het vierde lid, bedraagt de termijn waarbinnen de ondernemer, die beschikt over een stralingsbeschermingseenheid, een schriftelijke of digitale kopie van het dossier ter beschikking van de Autoriteit stelt, 96 uur na het tijdstip van de verwerving van de hoogactieve bron.

7.

Indien het tijdstip van de verwerving van de hoogactieve bron door de ondernemer, die beschikt over een stralingsbeschermingseenheid, minder dan 96 uur is gelegen voor de aanvang van een zaterdag, een zondag of een nationale feestdag, worden de in het derde en het zesde lid genoemde termijnen verlengd met de zaterdag, zondag of de nationale feestdag of feestdagen.

8.

Indien de ondernemer in overeenstemming met het derde tot en met zevende lid de gegevens, bedoeld in artikel 4.18, eerste lid, van het besluit, van die hoogactieve bron als kennisgeving heeft opgeslagen op het daarvoor bestemde elektronische formulier in het ANVS-loket, heeft hij in zoverre voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 4.18, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel a, van het besluit.

§ 4.3.3. Hoogactieve bronnen

Artikel 4.13. (beveiliging tegen diefstal of misbruik van radioactieve stoffen)
1.

Een vergunninghouder treft de beveiligingsmaatregelen die noodzakelijk zijn om categorie 1-, 2, of 3-stoffen te beveiligen tegen diefstal of misbruik.

2.

Een vergunninghouder wijst een beveiligingsverantwoordelijke aan voor de toepassing van de beveiligingsmaatregelen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4.14. (toezicht op radioactieve stoffen)
1.

Categorie 1, 2 of 3-stoffen staan permanent onder persoonlijk of elektronisch toezicht.

2.

Diegene die persoonlijk toezicht houdt, is hiertoe aangewezen door de beveiligingsverantwoordelijke.

Artikel 4.15. (vertraging bij wederrechtelijke verkrijging van radioactieve stoffen)

Wanneer categorie 1-, 2-, of 3-stoffen niet onder persoonlijk toezicht staan, zijn de beveiligingsmaatregelen van een vergunninghouder zodanig dat elektronische detectie van een poging tot diefstal of misbruik plaatsvindt en dat vanaf dat moment maatregelen werkzaam zijn die leiden tot:

  • a. ten minste 10 minuten vertraging in de tijd die iemand nodig heeft om wederrechtelijk beschikking te krijgen over een categorie 1-stof;
  • b. ten minste 5 minuten vertraging in de tijd die iemand nodig heeft om wederrechtelijk beschikking te krijgen over een categorie 2-stof;
  • c. ten minste 3 minuten vertraging in de tijd die iemand nodig heeft om wederrechtelijk beschikking te krijgen over een categorie 3-stof.
Artikel 4.16. (afstemming beveiligingsmaatregelen)

De beveiligingsmaatregelen, bedoeld in de artikelen 4.13, 4.14 en 4.15 worden afgestemd op:

  • a. de aard van de categorie 1-, 2-, of 3-stof;
  • b. de manier waarop de categorie 1-, 2-, of 3-stof wordt gebruikt of opgeslagen;
  • c. de verplaatsbaarheid van de categorie 1-, 2-, of 3-stof;
  • d. de mogelijke gevolgen voor mensen, dieren, planten en goederen door blootstelling aan ioniserende straling of het vrijkomen van de categorie 1-, 2-, of 3-stof in geval van diefstal of misbruik;
  • e. de maatregelen die zijn of worden getroffen om de nadelige gevolgen van ioniserende straling voor mensen, dieren, planten en goederen te voorkomen of te beperken.
Artikel 4.17. (beveiliging tegen interne dreigingen)

Een vergunninghouder treft beveiligingsmaatregelen om de gelegenheid tot diefstal of misbruik van de categorie 1-, 2- en 3-stoffen door eigen werknemers of externe werknemers zo veel mogelijk te beperken.

Artikel 4.18. (beveiligingsplan)
1.

Een vergunninghouder beschikt over een beveiligingsplan met een beschrijving van de wijze waarop de categorie 1-, 2-, of 3-stof wordt beveiligd.

2.

Het beveiligingsplan bevat ten minste een beschrijving van:

  • b. de manier waarop de categorie 1-, 2-, of 3-stof wordt gebruikt of opgeslagen;
  • c. een plattegrond van de locatie waarop de plaats waar de categorie 1-, 2-, of 3-stof wordt gebruikt of opgeslagen is aangegeven, alsmede de getroffen beveiligingsmaatregelen;
  • d. de getroffen en te treffen organisatorische, bouwkundige, elektronische, informatie en andere beveiligingsmaatregelen, waaruit onder andere blijkt hoe met deze maatregelen de in artikel 4.15 bedoelde vertragingstijd wordt behaald;
  • f. de taken en bevoegdheden van de personen, belast met de beveiliging van de categorie 1-, 2-, of 3-stof;
  • g. de procedures die de personen, belast met de beveiliging van de categorie 1-, 2-, of 3-stof moeten volgen, waarbij in ieder geval wordt beschreven hoe zij moeten handelen in geval van diefstal of misbruik van de categorie 1-, 2-, of 3-stof of een poging daartoe;
  • h. afspraken over de wijze van en mate waarin responsacties van een particuliere beveiligingsdienst worden uitgevoerd of een afschrift van een mededeling aan de politie of veiligheidsregio met betrekking tot de radioactieve stoffen die bij de vergunninghouder zijn opgeslagen, en
  • i. een evaluatieprogramma om de beveiligingsmaatregelen te beoordelen.
3.

Een vergunninghouder handelt in overeenstemming met het beveiligingsplan.

4.

Het beveiligingsplan wordt opgesteld door een op dit vakgebied bekwaam persoon.

Artikel 4.19. (inzage beveiligingsplan)
1.

Een vergunninghouder zorgt ervoor dat van het beveiligingsplan, bedoeld in artikel 4.7 van het besluit, slechts kennis nemen de personen voor wie dit noodzakelijk is voor het goed uitvoeren van hun functie.

2.

Een vergunninghouder zorgt ervoor dat deze personen, alvorens zij kennisnemen van het beveiligingsplan, een verklaring omtrent het gedrag of een verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet veiligheidsonderzoeken overleggen die niet ouder is dan vijf jaar.

Artikel 4.20. (uitvoeren evaluatieprogramma)
1.

Een vergunninghouder voert jaarlijks en na elke inbreuk op de beveiliging het evaluatieprogramma, bedoeld in artikel 4.18, tweede lid, onderdeel i, uit.

2.

Als onderdeel van het evaluatieprogramma worden:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)