Besluit van 3 juli 2018, houdende procedurele regels en regels over algemene onderwerpen over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsbesluit)
- a. door gedeputeerde staten of provinciale staten genomen besluiten of getroffen maatregelen ter uitvoering van de vogelrichtlijn en van de habitatrichtlijn; en
- b. de staat van instandhouding van:
- 1°. de vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en de niet in die bijlage genoemde geregeld in Nederland voorkomende vogelsoorten; en
- 2°. de natuurlijke habitats, de habitats van soorten en de dier- en plantensoorten, genoemd in de bijlagen I, II, IV en V bij de habitatrichtlijn.
De gegevens worden verstrekt ten behoeve van:
- a. de toepassing van artikel 4, eerste lid, van de vogelrichtlijn en artikel 4, eerste lid, in samenhang met artikel 11 van de habitatrichtlijn;
- b. de verslaglegging, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de vogelrichtlijn en artikel 16, tweede lid, van de habitatrichtlijn; en
- c. de verslaglegging, bedoeld in artikel 12 van de vogelrichtlijn en artikel 17 van de habitatrichtlijn.
Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en de gegevens, bedoeld in de artikelen 7, vierde lid, laatste zin, en 10, tweede lid, van de vogelrichtlijn, aan de Europese Commissie.
Artikel 10.36b. (melding compenserende maatregelen Natura 2000-gebieden aan Europese Commissie)
Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of voor de vaststelling van een plan als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn meldt gegevens over de compenserende maatregelen, bedoeld in artikel 8.74b, tweede lid, onder c, of 10.24, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof.
Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekt de gegevens aan de Europese Commissie.
Artikel 10.36c. (rapportage uitvoering invasieve-exoten-basisverordening)
Gedeputeerde staten verstrekken aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof uiterlijk op 1 juni 2025, en daarna steeds na zes jaar, gegevens over de uitvoering van de maatregelen voor de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve exoten van de in bijlage VC bij het Besluit kwaliteit leefomgeving genoemde soorten.
De door gedeputeerde staten verstrekte gegeven hebben betrekking op:
- a. de aard en de doeltreffendheid van de getroffen maatregelen en de gevolgen van deze maatregelen voor niet-doelsoorten;
- b. de maatregelen die zijn getroffen om het publiek te informeren over de aanwezigheid van invasieve uitheemse soorten en over acties die burgers verzocht worden te ondernemen; en
- c. als deze gegevens aanwezig zijn: de kostprijs van de onder a en b bedoelde maatregelen.
Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekt de gegevens aan de Europese Commissie.
Artikel 10.36d. (rapportage aan Tweede en Eerste Kamer over natuurnetwerk Nederland)
Gedeputeerde staten verstrekken aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof gegevens over de voortgang van de totstandkoming en instandhouding van het natuurnetwerk Nederland.
Onze Minister voor Natuur en Stikstof informeert op basis van de gegevens van gedeputeerde staten de beide Kamers der Staten-Generaal over de voortgang van de totstandkoming en instandhouding van het natuurnetwerk Nederland.
Artikel 10.36da. (gegevensverstrekking over programma stikstofreductie en natuurverbetering)
De bestuursorganen die zijn belast met de uitvoering van de maatregelen, opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering, verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.69, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elke twee jaar aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof.
De bestuursorganen die verantwoordelijk zijn voor de vaststelling van het beheerplan, bedoeld in de artikelen 3.8, derde lid, en 3.9, derde lid, van de wet, verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.69, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elke zes jaar aan Onze Minister voor Natuur en Stikstof.
Artikel 10.36db. (gegevensverstrekking gebiedsgerichte uitwerking programma stikstofreductie en natuurverbetering)
Uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vervolgens steeds zo spoedig mogelijk na een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekken gedeputeerde staten de gegevens, bedoeld in artikel 11.69b van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aan die Minister.
Artikel 10.36dc. (rapportage aan Tweede en Eerste Kamer over programma stikstofreductie en natuurverbetering)
Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekt aan de beide Kamers der Staten-Generaal de volgende verslagen met de volgende frequentie:
- a. elk jaar:
- 1°. het verslag over de resultaten van de monitoring voor de omgevingswaarden voor stikstofdepositie, bedoeld in artikel 11.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
- 2°. het verslag over de mate waarin wordt voldaan aan de tussentijdse doelstellingen om tijdig aan die omgevingswaarden te voldoen, bedoeld in artikel 11.69c, onder a, onder 2°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
- b. elke twee jaar: het verslag over de voortgang en de gevolgen van de maatregelen, opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering, bedoeld in artikel 11.69c, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
- c. elke zes jaar: het verslag over de ontwikkeling van de staat van instandhouding van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden, bedoeld in artikel 11.69c, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 10.36e. (verstrekking gegevens verzekering jachtgeweer)
De korpschef verstrekt op verzoek gegevens uit de gegevensverzameling, bedoeld in artikel 11.73 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, over de nakoming van een verzekering als bedoeld in artikel 11.78 van het Besluit activiteiten leefomgeving, aan:
- a. Onze Minister voor Natuur en Stikstof en Onze Minister van Justitie en Veiligheid;
- b. de personen belast met de opsporing van strafbaar gestelde feiten wegens handelen in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet; en
- c. hen die aannemelijk maken dat zij zijn betrokken bij schade die grond kan opleveren voor toepassing van artikel 8.4 van de wet.
§ 10.8.4. Kwaliteit van zwemlocaties
Artikel 10.37. (gegevensverstrekking zwemlocaties)
Het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur van een waterschap verstrekt jaarlijks uiterlijk op 31 oktober over elke zwemlocatie waarover het het beheer heeft in ieder geval de volgende gegevens aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat:
- a. het verslag van de resultaten van de monitoring voor de omgevingswaarde voor een zwemlocatie, bedoeld in artikel 2.19 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
- b. de uitkomst van de beoordeling van de resultaten van de monitoring voor de omgevingswaarde voor een zwemlocatie, bedoeld in artikel 2.19 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, uitgevoerd in overeenstemming met de bij ministeriële regeling gestelde regels; en
- c. een beschrijving van de belangrijkste getroffen beheersmaatregelen, bedoeld in de artikelen 3.7 tot en met 3.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 10.38. (beschikbaar stellen verslag monitoring omgevingswaarde kwaliteit zwemlocatie)
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt een verslag van de resultaten van de monitoring van de omgevingswaarde voor zwemlocaties, bedoeld in artikel 2.19 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch beschikbaar.
Artikel 10.39. (beschikbaar stellen informatie over zwemlocaties)
Gedeputeerde staten lichten het publiek gedurende het badseizoen voor over:
- a. de indeling van de zwemlocaties in klassen, bedoeld in bijlage II bij de zwemwaterrichtlijn, de ingestelde negatieve zwemadviezen en opgelegde zwemverboden;
- b. de risico’s voor de gezondheid en de veiligheid van zwemmers:
- 1°. als zich een overmatige groei van cyanobacteriën of een neiging tot overmatige groei van macroalgen of marien fytoplankton voordoet en gedeputeerde staten een gezondheidsrisico vaststellen of vermoeden als bedoeld in artikel 3.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
- 2°. als sprake is van een zwemwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 11.44, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
- 3°. als sprake is van onverwachte situaties die negatieve gevolgen hebben of redelijkerwijs kunnen hebben op de kwaliteit van de zwemlocatie en op de gezondheid van zwemmers;
- c. de getroffen zwemwaterbeheersmaatregelen, bedoeld in artikel 3.8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als dat naar hun oordeel nodig is; en
- d. de uitkomsten van het onderzoek, bedoeld in artikel 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als de uitkomsten niet leiden tot een negatief zwemadvies of een zwemverbod.
Gedeputeerde staten geven in de nabijheid van een zwemlocatie op passende wijze voorlichting, via de media en langs elektronische weg, zodra de informatie beschikbaar is.
In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, bestaat de voorlichting in ieder geval uit:
- a. het plaatsen van een bord in de nabijheid van de zwemlocatie op een zichtbare en gemakkelijk toegankelijke plaats met de informatie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de zwemwaterrichtlijn; en
- b. het verspreiden van de informatie, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de zwemwaterrichtlijn via internet, zo nodig ook in andere talen.
§ 10.8.4. Kwaliteit van zwemlocaties
Artikel 10.39a. (gegevensverstrekking industrieterreinen)
Degene die op een industrieterrein een activiteit anders dan het wonen verricht, verstrekt op verzoek van de gemeenteraad, of provinciale staten als artikel 2.12a, eerste lid, van de wet wordt toegepast, gegevens over het geluid door die activiteit voor de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde voor het industrieterrein.
Het eerste lid geldt niet voor:
- a. informatie die is aangemerkt als staatsgeheim als bedoeld in het Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013 (VIRBI 2013); en
- b. informatie over het geluid door een activiteit waarvoor het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarborgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van het geluid op een afstand van 30 m van de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, niet meer bedraagt dan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.65.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, verminderd met 5 dB.
Artikel 10.39b. (gegevensverstrekking windturbines, windparken, civiele en militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen op industrieterreinen)
Als dat nodig is om aan de verplichting van een bestuursorgaan tot gegevensverstrekking, bedoeld in artikel 10.42a, eerste lid, aanhef en onder f of g, te voldoen, verstrekt degene die een activiteit als bedoeld in die onderdelen verricht, op verzoek van dat bestuursorgaan gegevens over het geluid door die activiteit.
Artikel 10.39c. (gegevensverstrekking luchthavens)
Als dat nodig is om aan de verplichting tot gegevensverstrekking, bedoeld in artikel 10.42a, eerste lid, aanhef en onder e, te voldoen, verstrekt degene die een luchthaven exploiteert, op verzoek van gedeputeerde staten, Onze Minister van Defensie of Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat gegevens over het geluid door die luchthaven.
Artikel 10.40. (verstrekking en publicatie gegevens over belangrijke wegen, spoorwegen en luchthavens)
Gedeputeerde staten verstrekken elke vijf jaar uiterlijk op 31 maart de gegevens, bedoeld in artikel 11.49, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat publiceert elke vijf jaar uiterlijk op 29 juni in de Staatscourant:
- a. de door gedeputeerde staten verstrekte gegevens; en
- b. de gegevens, bedoeld in artikel 11.49, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 10.41. (gegevensverstrekking door beheerder geluidbron voor geluidbelastingkaart)
Degene die een geluidbron beheert, verstrekt op verzoek van het bestuursorgaan dat is belast met de vaststelling van een geluidbelastingkaart als bedoeld in artikel 20.17, eerste lid, onder a, van de wet, alle gevraagde gegevens voor zover dat bestuursorgaan daar zelf geen toegang toe heeft.
De gegevens worden binnen drie maanden na de dag waarop het verzoek is ontvangen verstrekt, of, wanneer de gevraagde gegevens nog niet beschikbaar zijn, onverwijld nadat die beschikbaar zijn gekomen.
Artikel 10.42. (gegevensverstrekking door bestuursorganen voor geluidbelastingkaart)
Als dat nodig is voor de vaststelling van een geluidbelastingkaart als bedoeld in artikel 20.17, eerste lid, onder a, van de wet, verstrekken bestuursorganen elkaar op verzoek alle gevraagde gegevens voor zover het verzoekende bestuursorgaan daar geen toegang toe heeft.
Artikel 10.42a. (gegevensverstrekking geluidregister)
De volgende bestuursorganen verstrekken de volgende gegevens op elektronische wijze aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat binnen de daarbij aangegeven termijn:
- a. het college van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder a, onder 1°, onder 3° tot en met 5° en onder 8°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, binnen vier weken na bekendmaking van hun besluit tot vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde;
- b. het college van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder a, onder 2°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, op de dag van bekendmaking van hun besluit tot vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde;
- c. het college van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten, Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de beheerder, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet, verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder a, onder 6° en 7°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, over een kalenderjaar voor 18 juli van het daarop volgende jaar;
- d. het college van burgemeester en wethouders en het dagelijks bestuur van het waterschap verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder b, onder 1°, 2°, 3° en 6°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, binnen vier weken:
- 1°. na het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, bedoeld in artikel 11.46, derde lid, van dat besluit;
- 2°. nadat toepassing is gegeven aan artikel 3.27, zesde lid, van dat besluit; en
- 3°. nadat hun besluit tot aanleg van een weg of spoorweg als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder b, van dat besluit is genomen;
- e. het college van burgemeester en wethouders en het dagelijks bestuur van het waterschap verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder b, onder 4° en 5°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, binnen vier weken na het uiterste tijdstip, bedoeld in artikel 10.42c, eerste lid, onder b;
- f. gedeputeerde staten, Onze Minister van Defensie en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving binnen vier weken na de bekendmaking van hun luchthavenbesluit;
- g. het college van burgemeester en wethouders, de gemeenteraad, gedeputeerde staten, Onze Minister voor Klimaat en Energie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, binnen vier weken na de bekendmaking van hun besluit tot vaststelling van het omgevingsplan dat, de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die of het projectbesluit dat waarden bevat voor het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein; en
- h. het college van burgemeester en wethouders, de gemeenteraad, gedeputeerde staten, Onze Minister van Defensie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder e, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, binnen vier weken na de bekendmaking van hun besluit tot vaststelling van het omgevingsplan dat, de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die of het projectbesluit dat waarden bevat voor het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein.
De bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid, verstrekken onverwijld gecorrigeerde gegevens nadat is gebleken dat eerder door hen verstrekte gegevens onjuist zijn.
Artikel 10.42b. (verstrekking en publicatie verslag monitoring geluidproductieplafonds)
Voor industrieterreinen in een gemeente die niet ligt in een bij ministeriële regeling aangewezen agglomeratie, doet het college van burgemeester en wethouders voor 18 juli 2029 en daarna elke vijf jaar verslag van de resultaten van de monitoring, bedoeld in artikel 11.45 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de wijze waarop is voldaan aan de resultaatsverplichting, bedoeld in artikel 3.44 van dat besluit. Het verslag bevat daarnaast:
- a. een overzicht van de op grond van artikel 2.11a van de wet vastgestelde geluidproductieplafonds waarbij toepassing is gegeven aan artikel 3.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
- b. een beschrijving van de ontwikkelingen van het bronbeleid en andere relevante ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de geluidproductieplafonds als bedoeld onder a;
- c. een motivering of de ontwikkelingen, bedoeld onder b, aanleiding geven tot intrekking of wijziging van geluidproductieplafonds als bedoeld onder a;
- d. de conclusies naar aanleiding van de resultaten van de monitoring, bedoeld in artikel 11.45 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
- e. een overzicht van de maatregelen die naar verwachting de komende vijf jaar nodig zijn om te voldoen aan de resultaatsverplichting, bedoeld in artikel 3.44 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat doet jaarlijks verslag van de resultaten van de monitoring, bedoeld in artikel 11.45 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de wijze waarop is voldaan aan de resultaatsverplichting, bedoeld in artikel 3.44 van dat besluit.
De beheerder, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet, doet jaarlijks aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verslag van de resultaten van de monitoring, bedoeld in artikel 11.45 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de wijze waarop is voldaan aan de resultaatsverplichting, bedoeld in artikel 3.44 van dat besluit.
Als toepassing is gegeven aan artikel 3.46, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, doen het college van burgemeesters en wethouders en gedeputeerde staten elk jaar voor 18 juli voor de betrokken geluidproductieplafonds verslag van de monitoring, bedoeld in artikel 11.45 van dat besluit.
Het verslag van de monitoring wordt voor een ieder elektronisch beschikbaar gesteld.
Artikel 10.42c. (verstrekking en publicatie verslag monitoring geluid wegen en spoorwegen met basisgeluidemissie)
Het college van burgemeester en wethouders doet aan de gemeenteraad en het dagelijks bestuur van een waterschap doet aan het algemeen bestuur van het waterschap:
- a. uiterlijk op het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, bedoeld in artikel 11.46, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, verslag van de waarde van de basisgeluidemissie, bedoeld in dat artikel; en
- b. uiterlijk op 18 juli 2029 en vervolgens elke vijf jaar uiterlijk op 18 juli verslag van de resultaten van de monitoring, bedoeld in artikel 11.47 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het verslag, bedoeld in het eerste lid, onder b, bevat ten minste:
- a. de afweging van geluidbeperkende en geluidwerende maatregelen voor gebouwen als bedoeld in artikel 3.28 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
- b. een overzicht van de geluidgevoelige gebouwen waarvoor op grond van artikel 3.52, eerste lid, onder a of b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving een besluit over het treffen van geluidwerende maatregelen wordt genomen; en
- c. de wijzigingen van de basisgeluidemissie ten opzichte van het vorige verslag.
Het verslag van de waarde van de basisgeluidemissie en het verslag van de resultaten van de monitoring worden voor een ieder elektronisch beschikbaar gesteld.
§ 10.8.5a. Bodemkwaliteit
Artikel 10.42c1. (beschikbaar stellen eindonderzoek bodem)
Als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld als bedoeld in artikel 5.4, aanhef en onder f, van het Besluit activiteiten leefomgeving, stelt het bevoegd gezag voor het publiek relevante informatie daarover elektronisch beschikbaar.
De gegevens worden pas beschikbaar gesteld nadat de juistheid van die gegevens deugdelijk is vastgesteld.
Artikel 10.42c2. (gegevensverstrekking stortplaatsen voor baggerspecie op land)
Het bevoegd gezag voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het storten van afvalstoffen of het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen op een stortplaats, bedoeld in de artikelen 3.84, eerste lid, aanhef en onder a en b, en 3.85, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, verstrekt, voor zover op de stortplaats alleen baggerspecie wordt gestort en de stortplaats niet is gelegen in een oppervlaktewaterlichaam, een afschrift van de resultaten, bedoeld in artikel 8.62n, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
§ 10.8.6. PRTR
Artikel 10.42d. (elektronisch indienen PRTR-verslag)
Een PRTR-verslag wordt ingediend met gebruikmaking van een elektronisch formulier. Het formulier wordt door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beschikbaar gesteld op e-mjv.nl.
Artikel 10.43. (gegevensverstrekking PRTR; uitstel verklaring PRTR-verslag)
Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 11.56 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, doet van het uitstel van de afgifte van de verklaring, bedoeld in artikel 11.57, derde lid, van dat besluit, uiterlijk op 30 juni van het kalenderjaar volgend op het verslagjaar, schriftelijk mededeling aan degene die de activiteit, bedoeld in bijlage I bij de PRTR-verordening, verricht.
Artikel 10.44. (gegevensverstrekking PRTR; gegevens als bedoeld in artikel 5.10 van het Besluit activiteiten leefomgeving)
Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 11.56 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, verstrekt de gegevens, bedoeld in artikel 5.10 van het Besluit activiteiten leefomgeving, na de kwaliteit daarvan te hebben beoordeeld, telkens uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar volgend op het verslagjaar in elektronische vorm aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Het eerste lid is niet van toepassing:
- a. op gegevens waarover het bestuursorgaan op grond van artikel 11.57, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving heeft verklaard dat ze niet aan artikel 5.10, 5.12 of 5.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving voldoen; of
- b. als het bestuursorgaan op grond van artikel 11.58 van het Besluit kwaliteit leefomgeving heeft verklaard dat geen PRTR-verslag is ingediend.
In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, meldt het bestuursorgaan aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat dat een verklaring als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a of onder b, is afgegeven, uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar volgend op het verslagjaar of, als dat eerder is, zodra die verklaring in werking is getreden.
Artikel 10.45. (gegevensverstrekking PRTR; handelwijze bij geheimhouden gegevens)
Als het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 11.56 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, op grond van artikel 11.60, eerste lid, van dat besluit heeft beslist bepaalde in het PRTR-verslag opgenomen gegevens niet aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat te verstrekken, deelt dat bestuursorgaan uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar volgend op het verslagjaar aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat mee:
- a. welk type informatie geheim is gehouden; en
- b. welke uitzonderingsgrond, bedoeld in artikel 5.1 van de Wet open overheid, is toegepast.
De mededeling bevat een samenvatting van de motivering van de beslissing.
Als de mededeling betrekking heeft op het geheimhouden van de naam van een verontreinigende stof, wordt de naam aangegeven van de groep verontreinigende stoffen, bedoeld in bijlage VI bij het Besluit activiteiten leefomgeving, waartoe de geheimgehouden verontreinigende stof behoort.
In afwijking van artikel 10.44, eerste lid, worden gegevens waarvoor een verzoek als bedoeld in artikel 11.60, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is afgewezen, niet eerder verstrekt dan nadat dat besluit in werking is getreden.
Artikel 10.46. (beschikbaar stellen van gegevens en verklaringen PRTR)
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt de gegevens en verklaringen, bedoeld in artikel 11.63 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, uiterlijk op 31 maart van het tweede kalenderjaar volgend op het verslagjaar per verslagjaar beschikbaar via het PRTR, bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
§ 10.8.6. PRTR
Artikel 10.48. (gegevensverstrekking werelderfgoed)
Een instantie of een bestuursorgaan, aangewezen als siteholder in het managementplan, bedoeld in de Operational guidelines for the implementation of the World Heritage Convention, verstrekt aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op verzoek de gegevens die nodig zijn om te kunnen voldoen aan artikel 29 van het werelderfgoedverdrag.
Artikel 10.49. (gegevensverstrekking activiteiten die werelderfgoed kunnen aantasten)
Als een instantie of een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 10.48 op de hoogte is van een voornemen om een activiteit te verrichten die de uitzonderlijke universele waarde van een werelderfgoed kan aantasten, stelt die instantie of dat bestuursorgaan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap daarvan zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval voordat zich onomkeerbare gevolgen kunnen voordoen, op de hoogte.
Het eerste lid is ook van toepassing op een ander bestuursorgaan dat is belast met de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de wet als het werelderfgoed op zijn grondgebied ligt of als de uitoefening van een taak of bevoegdheid de uitzonderlijke universele waarde van een werelderfgoed kan aantasten.
§ 10.8.7. Behoud van werelderfgoed
Artikel 10.49a. (beschikbaar stellen broeikasgasinventarissen)
Onze Minister voor Klimaat en Energie stelt de broeikasgasinventarissen, bedoeld in artikel 11.66, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch beschikbaar.
Artikel 10.49b. (doorzenden berichten over maatregelen verduurzaming energiegebruik)
Onze Minister voor Klimaat en Energie brengt berichten over maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik die via de elektronische voorziening, bedoeld in artikel 5.15c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 3.84a, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zijn ingediend, onverwijld binnen het bereik van het bevoegd gezag.
Afdeling 10.9. Kaarten
Artikel 10.50. (overleg, actualisatie en elektronische beschikbaarstelling geluidbelastingkaarten)
Bij de totstandkoming van een geluidbelastingkaart als bedoeld in artikel 20.17, eerste lid, onder a, van de wet overlegt het bevoegd gezag met de bevoegde autoriteiten van de aangrenzende lidstaten, voor zover die kaart ook betrekking heeft op grensregio’s.
Het bevoegd gezag actualiseert een geluidbelastingkaart uiterlijk op 30 juni 2027 en daarna uiterlijk op 30 juni in elk vijfde kalenderjaar na 2027.
Het bevoegd gezag stelt een geluidbelastingkaart elektronisch beschikbaar.
Artikel 10.51. (actualisatie en elektronische beschikbaarstelling kaarten basiskustlijn)
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat actualiseert kaarten van de kustlijn als bedoeld in artikel 20.17, eerste lid, onder b, van de wet uiterlijk 15 februari 2024 en daarna elke zes jaar.
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt kaarten van de kustlijn elektronisch beschikbaar.
Artikel 10.52. (overleg, actualisatie en elektronische beschikbaarstelling overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten)
Bij de totstandkoming van overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten als bedoeld in artikel 20.17, eerste lid, onder c, van de wet overleggen gedeputeerde staten met:
- a. de bevoegde autoriteiten van andere staten in de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems; en
- b. het dagelijks bestuur van het waterschap en het college van burgemeester en wethouders als een stroomgebiedsdistrict of een gedeelte daarvan op het grondgebied van het waterschap of die gemeente ligt.
Gedeputeerde staten actualiseren de overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten uiterlijk 22 december 2025 en daarna elke zes jaar.
Gedeputeerde staten stellen de overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten, bedoeld in artikel 11.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elektronisch beschikbaar.
Hoofdstuk 11. Milieueffectrapportage
Afdeling 10.9. Kaarten
Artikel 11.1. (plan-mer-beoordeling)
Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.36, vijfde lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het plan of programma en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het plan of programma.
Artikel 16.36, derde lid, van de wet is niet van toepassing op een plan of programma:
- a. dat het kader vormt voor te nemen besluiten voor een project als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder a, van de wet; of
- b. dat het benodigde besluit is voor een project als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder a, van de wet.
Een beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten van een plan of programma als bedoeld in artikel 16.36, derde lid, van de wet dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden op lokaal niveau vindt alleen plaats als:
- a. voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is; en
- b. de omvang van dat gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente klein is.
Bij de beoordeling of sprake is van kleine wijzigingen van een plan of programma als bedoeld in artikel 16.36, derde lid, van de wet, betrekt het bevoegd gezag de context van het plan of programma dat wordt gewijzigd en de mate van waarschijnlijkheid dat de wijzigingen aanzienlijke milieueffecten zullen hebben.
Artikel 11.2. (advies Commissie voor de milieueffectrapportage)
Uiterlijk op het moment van terinzagelegging van het milieueffectrapport stelt het bevoegd gezag de Commissie voor de milieueffectrapportage in de gelegenheid daarover te adviseren.
Artikel 11.3. (inhoud plan-MER)
Het milieueffectrapport bevat in ieder geval de volgende informatie:
- a. een beschrijving van de inhoud van het plan of programma en de redelijke alternatieven, de belangrijkste doelstellingen van het plan of programma en het verband met andere relevante plannen en programma’s;
- b. de relevante aspecten van de bestaande staat of kwaliteit van het milieu en de mogelijke ontwikkeling daarvan als het plan of programma niet wordt uitgevoerd;
- c. de milieukenmerken van gebieden waarvoor de effecten van het plan of programma aanzienlijk kunnen zijn;
- d. alle bestaande milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma, in het bijzonder de problemen in gebieden waar het belang van het beschermen van het milieu een belangrijke rol speelt;
- e. een beschrijving van de wijze waarop de doelstellingen ter bescherming van het milieu die zijn vastgesteld op internationaal, communautair of nationaal niveau en andere milieuoverwegingen zijn betrokken bij het plan of programma, voor zover zij relevant zijn voor het plan of programma;
- f. een beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van de uitvoering van het plan of programma en van de redelijke alternatieven, met inbegrip van een beoordeling van die milieueffecten;
- g. de voorgenomen maatregelen om de aanzienlijke nadelige milieueffecten van de uitvoering van het plan of programma te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk te compenseren;
- h. een motivering van de selectie van de onderzochte alternatieven en een beschrijving van de wijze waarop de milieueffecten zijn vastgesteld en beoordeeld, met inbegrip van de moeilijkheden die bij het verzamelen van de vereiste informatie zijn ondervonden, zoals technische tekortkomingen of ontbrekende kennis;
- i. een beschrijving van de voorgenomen monitoringsmaatregelen; en
- j. een niet-technische samenvatting van de op grond van de onderdelen a tot en met i verstrekte informatie.
Het milieueffectrapport bevat de informatie die redelijkerwijs mag worden vereist, ook gelet op de stand van kennis en beoordelingsmethoden en de inhoud van het plan of programma.
Artikel 11.4. (inhoud plan of programma)
In het plan of programma, waarvoor bij de voorbereiding een milieueffectrapport moet worden gemaakt, vermeldt het bevoegd gezag in ieder geval hoe rekening is gehouden met:
- a. het milieueffectrapport; en
- b. het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage.
Daarnaast bevat het plan of programma in ieder geval:
- a. een samenvatting van de milieuoverwegingen die zijn betrokken bij het vaststellen van het plan of programma;
- b. een samenvatting van de redenen om te kiezen voor het vastgestelde plan of programma, waarbij in ieder geval de in het milieueffectrapport beschreven redelijke alternatieven worden betrokken; en
- c. de monitoringsmaatregelen.
Artikel 11.5. (monitoring plan-mer)
Het bevoegd gezag monitort de aanzienlijke milieueffecten van de uitvoering van het plan of programma, waarvoor bij de voorbereiding een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
Het bevoegd gezag kan hiervoor gebruik maken van bestaande monitoring.
Het bevoegd gezag stelt de resultaten van de monitoring elektronisch beschikbaar.
Het bevoegd gezag treft, als dat naar zijn oordeel nodig is, passende maatregelen om de onvoorziene nadelige milieueffecten zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
Afdeling 10.9. Kaarten
Artikel 11.6. (aanwijzen mer-(beoordelings)plichtige projecten)
Bijlage V, kolom 2 in samenhang met kolom 1, bevat de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder a, van de wet, die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
Bijlage V, kolom 3 in samenhang met kolom 1, bevat de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet, waarvoor moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
Als benodigde besluiten als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de wet, die betrekking hebben op de projecten, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden aangewezen:
- a. een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 van de wet, met uitzondering van een projectbesluit dat wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van een waterschap;
- b. het opnemen van regels in een omgevingsplan die zijn gericht op het uitvoeren van een project van publiek belang als bedoeld in artikel 5.55 van de wet;
- c. de besluiten, bedoeld in bijlage V, kolom 4; en
- d. de besluiten, bedoeld in artikel 11.8.
Artikel 11.7. (bijzonderheden bij aanwijzen mer-(beoordelings)plichtige projecten)
Voor gevallen die zowel in kolom 2 als in kolom 3 van bijlage V zijn aangegeven, wordt bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport gemaakt.
Bij de vaststelling of sprake is van een project als bedoeld in artikel 11.6, eerste of tweede lid, wordt het gehele project in beschouwing genomen, met inbegrip van de grensoverschrijdende onderdelen.
Projecten als bedoeld in bijlage V, kolom 2, in samenhang met kolom 1, die alleen of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt, worden in afwijking van artikel 11.6, eerste lid, aangemerkt als projecten als bedoeld in artikel 11.6, tweede lid.
Onder een wijziging of uitbreiding als bedoeld in bijlage V, kolom 3, wordt ook verstaan:
- a. een wijziging die betrekking heeft op reconstructie of een andere verandering van aangelegde werken, ingerichte gebieden of bestaande installaties; en
- b. een uitbreiding die betrekking heeft op het opnieuw in gebruik nemen van aangelegde werken, ingerichte gebieden of bestaande installaties.
Artikel 11.8. (bijzonderheden bij de besluiten bij mer-(beoordelings)plichtige projecten)
Als in bijlage V, kolom 4, de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is aangewezen, wordt ook de omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk bedoeld voor zover in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving is bepaald dat het is verboden om:
- a. zonder omgevingsvergunning die milieubelastende activiteit te verrichten; en
- b. zonder omgevingsvergunning afvalwater afkomstig van die activiteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk te lozen.
Als geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, kan het bevoegd gezag een ander besluit aanwijzen dat nodig is voor een project waarvoor moet worden beoordeeld of dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van dat besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
Als voor een project een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit wordt aangevraagd, wordt die omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit aangemerkt als het besluit, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de wet, in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan, bedoeld in bijlage V, kolom 4.
Artikel 11.9. (regels ontheffing)
Bij een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 16.44, tweede lid, van de wet verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval de volgende gegevens:
- a. een beschrijving van het voorgenomen project;
- b. een beschrijving van de omstandigheden waaronder het project zal worden uitgevoerd;
- c. de redenen voor het verzoek; en
- d. een aanduiding van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten.
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat geeft op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze kennis van:
- a. de ontheffing, bedoeld in artikel 16.44, tweede lid, van de wet; en
- b. indien van toepassing, de gegevens die zijn verzameld bij een andere vorm van beoordeling van de milieueffecten, bedoeld in artikel 16.44, derde lid, van de wet.
Artikel 11.10. (inhoud mededeling voornemen)
Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van:
- a. het project, met in ieder geval een beschrijving van:
- 1°. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van de sloopactiviteiten;
- 2°. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn;
- b. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en
- c. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project als gevolg van:
- 1°. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en
- 2°. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.
Bij het verstrekken van de informatie, bedoeld in het eerste lid, houdt degene die voornemens is het project uit te voeren rekening met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn en, voor zover relevant, met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van de milieueffecten.
Bij de mededeling kan een beschrijving worden verstrekt van de kenmerken van het voorgenomen project en van de voorgenomen maatregelen om mogelijk aanzienlijke milieueffecten te vermijden of te voorkomen.
Artikel 11.11. (project-mer-beoordeling)
Het bevoegd gezag neemt binnen zes weken na ontvangst van de mededeling de beslissing, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, op grond van de informatie, bedoeld in artikel 11.10.
Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit.
In de motivering van de beslissing wordt in ieder geval verwezen naar:
- a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en
- b. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt:
- 1°. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en
- 2°. het moment waarop die maatregelen moeten zijn uitgevoerd.
Artikel 11.12. (passende scheiding)
Als het bevoegd gezag degene is die voornemens is het project uit te voeren waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt, zorgt het bevoegd gezag in ieder geval voor een passende scheiding tussen conflicterende functies bij de ambtelijke voorbereiding van het besluit.
Het bevoegd gezag legt de wijze waarop het zorg draagt voor een passende scheiding vast in een beschrijving van de werkprocessen en procedures en draagt zorg voor de naleving daarvan.
Artikel 11.13. (raadpleging reikwijdte en detailniveau)
Het bevoegd gezag brengt advies uit over de reikwijdte en het detailniveau, bedoeld in artikel 16.46, eerste lid, van de wet, met inachtneming van de informatie die is verstrekt door degene die voornemens is het project uit te voeren, in het bijzonder over:
- a. de specifieke kenmerken van het project, waaronder de locatie en de technische capaciteit; en
- b. de te verwachten milieueffecten van het project.
Binnen zes weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in artikel 16.46, eerste lid, van de wet, brengt het bevoegd gezag advies uit. Het bevoegd gezag kan de termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen.
Artikel 11.14. (advies Commissie voor de milieueffectrapportage)
Als toepassing wordt gegeven aan artikel 16.47, eerste lid, van de wet, stelt het bevoegd gezag de Commissie voor de milieueffectrapportage uiterlijk op het moment van terinzagelegging van het milieueffectrapport in de gelegenheid daarover te adviseren.
Artikel 11.15. (coördinatie terinzagelegging MER en passende beoordeling)
Als voor een project een milieueffectrapport moet worden gemaakt en voor dat project een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd waarvoor op grond van artikel 16.53c van de wet een passende beoordeling is gemaakt, wordt de passende beoordeling ook tegelijkertijd met het milieueffectrapport door het bevoegd gezag voor het besluit waarvoor het milieueffectrapport wordt gemaakt, ter inzage gelegd.
Artikel 11.16. (inhoud project-MER)
Het milieueffectrapport bevat in ieder geval de volgende informatie:
- a. een beschrijving van het project;
- b. een beschrijving van de redelijke alternatieven voor het project en de specifieke kenmerken ervan, met inbegrip van een vergelijking van de milieueffecten, en een motivering voor de gekozen optie in het licht van de milieueffecten;
- c. een beschrijving van de relevante aspecten van de bestaande staat of kwaliteit van het milieu en de mogelijke ontwikkelingen daarvan als het project niet wordt uitgevoerd voor zover natuurlijke veranderingen redelijkerwijs kunnen worden beoordeeld op basis van beschikbare milieu-informatie en wetenschappelijke kennis;
- d. een beschrijving van de factoren bevolking, gezondheid, biodiversiteit, land, bodem, water, lucht, klimaat, materiële goederen, cultureel erfgoed en landschap, waarop het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben, en de samenhang daartussen;
- e. een beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project;
- f. een beschrijving van de methoden of bewijsstukken die zijn gebruikt voor de identificatie en de beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten, met inbegrip van de moeilijkheden die bij het verzamelen van de vereiste informatie zijn ondervonden;
- g. een beschrijving van de kenmerken van het project en de voorgenomen maatregelen om alle beschreven aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen, te beperken en, als dat mogelijk is, te compenseren en, voor zover van toepassing, van voorgestelde monitoringsmaatregelen en procedures voor monitoring;
- h. een beschrijving van de verwachte aanzienlijke nadelige milieueffecten van het project die voortvloeien uit de kwetsbaarheid van het project voor risico’s op zware ongevallen of rampen;
- i. een niet-technische samenvatting van de op grond van de onderdelen a tot en met h verstrekte informatie; en
- j. een referentielijst waarin de bronnen worden vermeld die zijn gebruikt voor de in het milieueffectrapport opgenomen beschrijvingen en beoordelingen.
Bij de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt aangegeven in welke mate aanzienlijke nadelige milieueffecten worden vermeden, voorkomen, beperkt of gecompenseerd in zowel de bouwfase als de bedrijfsfase.
Voor zover van toepassing omvat de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, onder h, de geplande maatregelen om de aanzienlijke nadelige milieueffecten van dergelijke gebeurtenissen te voorkomen of te beperken, en informatie over paraatheid en de voorgenomen reactie bij dergelijke noodsituaties.
Wanneer een advies over de reikwijdte en het detailniveau, bedoeld in artikel 16.46, eerste lid, van de wet, is uitgebracht, is het milieueffectrapport gebaseerd op dat advies. Het milieueffectrapport bevat de informatie die redelijkerwijs mag worden vereist om tot een gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke milieueffecten van het project te komen, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande kennis en beoordelingsmethoden.
Om overlapping van milieueffectrapporten te voorkomen, wordt bij het maken van het milieueffectrapport rekening gehouden met de beschikbare resultaten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen.
Artikel 11.17. (beschrijving project in MER)
De beschrijving van het project, bedoeld in artikel 11.16, eerste lid, onder a, bevat in ieder geval:
- a. een beschrijving van de locatie van het project;
- b. een beschrijving van de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van de sloopactiviteiten, en de eisen over landgebruik tijdens de bouw- en bedrijfsfase;
- c. een beschrijving van de belangrijkste kenmerken van de bedrijfsfase van het project, waaronder de productieprocessen; en
- d. een prognose van de soort en de hoeveelheid van de verwachte residuen en emissies en de hoeveelheden en soorten tijdens de bouw- en bedrijfsfase geproduceerde afvalstoffen.
Artikel 11.18. (beschrijving milieueffecten in MER)
De beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project, bedoeld in artikel 11.16, eerste lid, onder e, op de in artikel 11.16, eerste lid, onder d, bedoelde factoren, bevat in ieder geval een beschrijving van:
- a. de realisatie en het bestaan van het project, en, als dat van toepassing is, van de sloopactiviteiten;
- b. het gebruik van natuurlijke bronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de duurzame beschikbaarheid van deze bronnen;
- c. de uitstoot van verontreinigende stoffen, geluidhinder, trillingen, licht, warmte, straling, het ontstaan van milieuhinder en het verwijderen en terugwinnen van afvalstoffen;
- d. de risico’s voor de gezondheid, het cultureel erfgoed of het milieu;
- e. de cumulatie van effecten met andere bestaande of goedgekeurde projecten, waarbij rekening wordt gehouden met alle bestaande milieuproblemen van gebieden die vanuit milieuoogpunt van bijzonder belang zijn en waarop het project van invloed kan zijn, of met het gebruik van natuurlijke bronnen;
- f. het effect van het project op het klimaat en de kwetsbaarheid van het project voor klimaatverandering; en
- g. de gebruikte technologieën en stoffen.
De beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project heeft betrekking op de directe en, voor zover van toepassing, de indirecte, secundaire, cumulatieve en grensoverschrijdende effecten op korte, middellange en lange termijn, permanente en tijdelijke en positieve en negatieve effecten van het project.
De beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project houdt rekening met de Europese of nationale doelstellingen over milieubescherming, die relevant zijn voor het project.
Artikel 11.19. (inhoud besluit)
In het besluit waarvoor bij de voorbereiding een milieueffectrapport moet worden gemaakt, vermeldt het bevoegd gezag in ieder geval hoe rekening is gehouden met:
- a. het milieueffectrapport; en
- b. indien van toepassing, het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage.
Daarnaast bevat het besluit in ieder geval:
- a. de gemotiveerde conclusie van het bevoegd gezag over de aanzienlijke milieueffecten van het project;
- b. alle aan het besluit verbonden voorschriften;
- c. voor zover van toepassing, een beschrijving van alle kenmerken van het project en de voorgenomen maatregelen om aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen of te beperken en, als dat mogelijk is, te compenseren en op welk moment de maatregelen moeten zijn uitgevoerd; en
- d. in voorkomend geval, monitoringsmaatregelen en procedures voor de monitoring van die effecten waarvoor het bevoegd gezag monitoring noodzakelijk acht, waarbij het soort parameters dat wordt gemonitord en de looptijd van de monitoring evenredig moeten zijn aan de aard, de locatie en de omvang van het project en met het belang van de milieueffecten.
Het bevoegd gezag kan bepalen dat degene die voornemens is het project uit te voeren bestaande monitoring gebruikt voor de monitoringsmaatregelen en de procedures voor de monitoring.
Artikel 11.20. (monitoring project-mer)
Als op grond van artikel 11.19, tweede lid, onder d, monitoring plaatsvindt, verstrekt degene die het project uitvoert de resultaten van de monitoring aan het bevoegd gezag.
Het bevoegd gezag stelt de resultaten van de monitoring elektronisch beschikbaar.
Het bevoegd gezag treft, als dat naar zijn oordeel nodig is, passende maatregelen om de onvoorziene nadelige milieueffecten zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
Artikel 11.21. (gegevensverstrekking)
Het bevoegd gezag voor het milieueffectrapport verstrekt aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op verzoek de bij dat gezag beschikbare gegevens die nodig zijn om te kunnen voldoen aan artikel 12, tweede lid, van de mer-richtlijn.
Afdeling 11.3. Grensoverschrijdende milieueffecten
§ 11.3.1. Grensoverschrijdende plan-mer
Artikel 11.22. (mededeling en toezending informatie grensoverschrijdende milieueffecten)
Als een plan of programma waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten heeft, deelt het bevoegd gezag dit mee aan de bevoegde autoriteit van de staat die deze mogelijke effecten zal ondervinden. Tegelijk met die mededeling, of nadat die autoriteit hierom heeft verzocht, zendt het bevoegd gezag aan die autoriteit in ieder geval:
- a. het ontwerp van het plan of programma;
- b. het milieueffectrapport, voor zover dit niet is opgenomen in het ontwerp van het plan of programma, met inbegrip van informatie over de mogelijke grensoverschrijdende milieueffecten en een vertaling van de samenvatting van het milieueffectrapport in de taal van de andere staat;
- c. informatie over de totstandkomingsprocedure van het plan of programma; en
- d. de termijn waarbinnen de bevoegde autoriteit van de andere staat kan aangeven of zij overleg wenst over de mogelijke grensoverschrijdende milieueffecten.
Het bevoegd gezag doet de mededeling zo spoedig mogelijk en zendt de informatie in ieder geval voor de vaststelling van het plan of programma.
Artikel 11.23. (overleg)
Als de bevoegde autoriteit van de andere staat binnen de gestelde termijn heeft aangegeven dat zij overleg wenst, overlegt het bevoegd gezag met die autoriteit over de mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten van het plan of programma en de voorgenomen maatregelen om de nadelige effecten te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk te compenseren.
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan contacten onderhouden met de bevoegde autoriteit van de andere staat als er geen contact is tussen het bevoegd gezag en die autoriteit of als het overleg niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Het bevoegd gezag zendt de benodigde informatie aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Artikel 11.24. (zienswijzen)
Het betrokken publiek en de bevoegde instanties van de andere staat worden in de gelegenheid gesteld zienswijzen naar voren te brengen, met overeenkomstige toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 11.25. (inhoud en verstrekking plan of programma)
Nadat het plan of programma is vastgesteld, verstrekt het bevoegd gezag dat plan of programma aan de bevoegde autoriteit van de andere staat, degenen die zienswijzen naar voren hebben gebracht en de bevoegde instanties van de andere staat.
Artikel 11.26. (grensoverschrijdende milieueffecten in Nederland)
Als de bevoegde autoriteit van een andere staat heeft meegedeeld dat een plan of programma mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten heeft in Nederland, geeft het betrokken bestuursorgaan binnen de door die autoriteit gestelde termijn aan of overleg is gewenst.
Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, overlegt het betrokken bestuursorgaan met de bevoegde autoriteit over de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het plan of programma en de voorgenomen maatregelen om de nadelige effecten te voorkomen, te beperken of te compenseren.
Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, stelt het betrokken bestuursorgaan, in overeenstemming met de bevoegde autoriteit, het betrokken publiek en de bevoegde instanties in de gelegenheid zienswijzen naar voren te brengen.
Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, geeft het betrokken bestuursorgaan, in overeenstemming met de bevoegde autoriteit en met overeenkomstige toepassing van artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht, kennis van:
- a. het vastgestelde plan of programma;
- b. een door de bevoegde autoriteit van de andere staat opgestelde samenvatting van de wijze waarop de milieuoverwegingen, de gehouden overleggen, de naar voren gebrachte zienswijzen en het milieueffectrapport zijn betrokken bij het vaststellen van het plan of programma; en
- c. de monitoringsmaatregelen waartoe de bevoegde autoriteit heeft besloten.
§ 11.3.2. Grensoverschrijdende project-mer
Artikel 11.27. (mededeling grensoverschrijdende milieueffecten)
Als een project waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten heeft, deelt het bevoegd gezag dit mee aan de bevoegde autoriteit van de andere staat die deze mogelijke effecten zal ondervinden. Tegelijk met deze mededeling, of zo spoedig mogelijk nadat die autoriteit hierom heeft verzocht, zendt het bevoegd gezag aan die autoriteit in ieder geval:
- a. informatie over het project, waaronder alle beschikbare informatie over de mogelijke grensoverschrijdende milieueffecten;
- b. informatie over de aard en de totstandkoming van het te nemen besluit; en
- c. informatie over de termijn waarbinnen de bevoegde autoriteit van de andere staat advies kan uitbrengen over het milieueffectrapport en zienswijzen naar voren kan brengen over het ontwerp van het besluit.
Het bevoegd gezag zendt die informatie niet later dan het moment waarop derden op grond van artikel 16.46 of 16.50 van de wet worden betrokken bij het besluit, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de wet.
Als sprake is van een projectbesluit, zendt het bevoegd gezag deze informatie niet later dan het moment van de kennisgeving van het voornemen om een verkenning uit te voeren naar een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving, bedoeld in artikel 5.47 van de wet.
Artikel 11.28. (toezending informatie en zienswijzen)
Als de bevoegde autoriteit van de andere staat aangeeft deel te willen nemen aan de totstandkomingsprocedure van het besluit waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt, worden het betrokken publiek en de bevoegde instanties in de andere staat in ieder geval in de gelegenheid gesteld om:
- a. zienswijzen naar voren te brengen, met overeenkomstige toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht; en
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)