Besluit van 15 oktober 2018, houdende regels inzake de rechtspositie van staten- en commissieleden, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, raads- en commissieleden, wethouders, burgemeesters en de leden van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur en de voorzitters van de waterschappen (Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers)
De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat de vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissie naar boven afwijkt van de vergoeding, bedoeld in artikel 3.4.1, eerste lid, ten aanzien van:
- a. een commissielid dat op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor deelneming aan haar werkzaamheden is aangetrokken, en
- b. een commissielid ten aanzien waarvan de vergoeding niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te verrichten arbeid.
Artikel 3.4.3. Reiskostenvergoeding
Een commissielid heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding van:
- a. reiskosten en, als daar redelijkerwijs aanleiding voor is, verblijfkosten voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie, en
- b. reis- en verblijfkosten voor reizen zowel binnen de gemeente als daarbuiten gemaakt voor de uitoefening van de functie.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel.
Artikel 3.4.4. Overige vergoedingen en voorzieningen
Ten aanzien van een commissielid zijn de artikelen 3.1.11, 3.3.1, 3.3.2, 3.3.3, 3.3.4, 3.3.6, 3.3.7 en 3.3.8 van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 3. Gemeenten
Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 5.1. Overgangsbepalingen
De bedragen, genoemd in de artikelen 2.1.1, eerste lid, en 2.4.1, eerste lid, worden per 28 maart 2019 bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor de maand september 2018 vastgestelde indexcijfer CAO-lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen.
De bedragen, genoemd in de artikelen 2.1.6, eerste lid, en 2.2.6, eerste en tweede lid, worden per 28 maart 2019 bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex voor de maand september 2018.
Indien provinciale staten toepassing hebben gegeven aan artikel 9, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, zoals dat luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 2 van dit besluit, blijft dat artikel in de desbetreffende provincie van toepassing.
Artikel 8, derde lid, van het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning, zoals dat luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 2 van dit besluit, blijft van toepassing op de commissaris van de Koning die voor die datum is benoemd.
De bedragen, genoemd in de artikelen 3.1.1, eerste lid, en 3.4.1, eerste lid, worden per 1 januari 2019 bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor de maand september 2018 vastgestelde indexcijfer CAO-lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen.
De bedragen, genoemd in de artikelen 3.1.6, derde lid, en 3.2.6, eerste en tweede lid, worden per 1 januari 2019 bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex voor de maand september 2018.
Indien de gemeenteraad toepassing heeft gegeven aan artikel 10, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dat luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 3 van dit besluit, blijft dat artikel in de desbetreffende gemeente van toepassing.
Artikel 14a van het Rechtspositiebesluit burgemeesters, zoals dat luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 3 van dit besluit, blijft van toepassing ten aanzien van de burgemeester aan wie voor die datum een toelage is toegekend als bedoeld in dat artikel 14a.
Artikel 14b van het Rechtspositiebesluit burgemeesters, zoals dat luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 3 van dit besluit, blijft van toepassing ten aanzien van de burgemeester aan wie voor die datum een aanvulling is toegekend als bedoeld in dat artikel 14b.
Ten aanzien van de burgemeester die in verband met een herindelingsregeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene regels herindeling met ingang van 1 januari 2019 is ontslagen en vervolgens wordt benoemd in een andere gemeente, blijft artikel 14a van het Rechtspositiebesluit burgemeesters, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 3 van dit besluit, van toepassing in plaats van artikel 3.2.5 van dit besluit.
Ten aanzien van de burgemeester die voor 1 januari 2019 eervol is ontslagen of niet is herbenoemd en ten aanzien van de burgemeester die in verband met een herindelingsregeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene regels herindeling met ingang van 1 januari 2019 eervol is ontslagen, blijft artikel 16, derde lid, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 3 van dit besluit, van toepassing.
Zolang een burgemeester niet is ontslagen of herbenoemd, blijven in plaats van artikel 3.3.2 voor hem artikel 30, tweede en vierde lid, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters, zoals dat luidde voor de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 3 van dit besluit, en de op het vijfde lid van dat artikel gebaseerde nadere regels van toepassing, indien hem in 2018 een tegemoetkoming of een vergoeding op grond van dat artikel is verleend.
Artikel 31, derde lid, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters, zoals dat luidde voor de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 3 van dit besluit, blijft van toepassing op de burgemeester die voor die datum is benoemd.
Zolang een wethouder niet is afgetreden of herbenoemd, blijven in plaats van artikel 3.3.2 voor hem artikel 27a, tweede en vierde lid, van het Rechtspositiebesluit wethouders, zoals dat luidde voor de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 3 van dit besluit, en de op het vijfde lid van dat artikel gebaseerde nadere regels van toepassing, indien hem in 2018 een tegemoetkoming of een vergoeding op grond van dat artikel is verleend.
Zolang een raads- of commissielid niet is afgetreden of herbenoemd, blijven in plaats van artikel 3.3.2 voor hem artikel 7a van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dat luidde voor de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 3 van dit besluit, en de op het vijfde lid van dat artikel gebaseerde nadere regels van toepassing, indien hem in 2018 een tegemoetkoming of een vergoeding op grond van dat artikel is verleend.
De bedragen, genoemd in de artikelen 4.1.1, eerste lid, en 4.4.1, eerste lid, worden per 28 maart 2019 bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor de maand september 2018 vastgestelde indexcijfer CAO-lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen.
Ten aanzien van de leden van gedeputeerde staten die op de dag voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 2 in functie waren, blijven de regels die zijn gesteld bij of krachtens het Rechtspositiebesluit gedeputeerden, zoals die op die dag luidden, van toepassing tot het tijdstip waarop deze leden op grond van artikel 41, eerste lid, van de Provinciewet aftreden.
Ten aanzien van de leden van het dagelijks bestuur van de waterschappen die op de dag voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 4 in functie waren, blijven de regels die zijn gesteld bij of krachtens hoofdstuk 3 van het Waterschapsbesluit, zoals die op die dag luidden, van toepassing tot het tijdstip waarop deze leden op grond van artikel 41, vierde lid, van de Waterschapswet aftreden.
De bedragen, genoemd in de artikelen 4.1.6, eerste lid, en 4.2.6, eerste en tweede lid, worden per 28 maart 2019 bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex voor de maand september 2018.
Artikel 5.2. Intrekken en vervallen rechtspositiebesluiten
Het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden wordt ingetrokken.
Het Rechtspositiebesluit gedeputeerden wordt ingetrokken.
Het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning wordt ingetrokken.
Het Besluit van 4 juli 1980 tot invoering van de mogelijkheid voor de Commissarissen des Konings om vervroegd uit te treden (Stb. 1980, 404), zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 29 april 1983 (Stb. 1983, 262) wordt ingetrokken;
Besluit van 12 juli 1969 tot vaststelling van een regeling van een gratificatie bij ambtsjubilea van de Commissarissen der Koningin (Stb. 1969, 328) wordt ingetrokken;
Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden wordt ingetrokken.
Het Rechtspositiebesluit wethouders wordt ingetrokken.
Het Rechtspositiebesluit burgemeesters wordt ingetrokken.
Het Bezoldigingsbesluit burgemeester/secretaris wordt ingetrokken.
Artikel 5.3. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2019.
In afwijking van het eerste lid, treden de hoofdstukken 2 en 4 en de artikelen 5:1, eerste en tweede lid, en 5:2, eerste, tweede, derde, vierde, vijfde en tiende lid, in werking met ingang van 28 maart 2019.
In afwijking van het eerste en tweede lid, treden de artikelen 2.1.1, derde lid, 2.1.6, derde lid, 2.2.6, vijfde lid, 2.4.1, tweede lid, 3.1.1, vierde lid, 3.1.6, derde lid, 3.2.6, vijfde lid, 3.4.1, derde lid, 4.1.1, derde lid, 4.1.6, derde lid, 4.2.6, vierde lid en 4.4.1, tweede lid, in werking met ingang van 1 januari 2020.
Artikel 3.1.9 werkt terug tot en met 29 maart 2018.
Artikel 5.4. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 2.1. Begripsomschrijvingen
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. statenlid: lid van provinciale staten;
- b. voorzitter: voorzitter van provinciale staten;
- c. fractievoorzitter: statenlid waarvan door de voorzitter is vastgesteld dat dit lid fractievoorzitter is dan wel enig lid van een fractie;
- d. commissielid: lid van een commissie als bedoeld in de artikelen 80, 81 en 82 van de Provinciewet, dat niet tevens statenlid is of ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd;
- e. gedeputeerde: lid van gedeputeerde staten;
- f. commissaris: commissaris van de Koning.
Artikel 2.2
(leeg)
Artikel 2.3
(leeg)
Artikel 2.4
(leeg)
Artikel 2.5
(leeg)
Afdeling 2.1. Statenleden
Paragraaf 1. Beloning statenlid
Artikel 2.1.1. Vergoeding voor de werkzaamheden
Een statenlid ontvangt met ingang van de dag van zijn beëdiging gedurende zijn lidmaatschap van provinciale staten een vergoeding voor de werkzaamheden van € 2.256,23 per maand.
Een statenlid dat in de loop van een maand is beëdigd of in de loop van een maand is afgetreden of overleden, ontvangt de vergoeding voor de werkzaamheden naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het lidmaatschap in de bedoelde maand.
Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde indexcijfer CAO-lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.
Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat ten hoogste 20% van de vergoeding voor de werkzaamheden wordt uitgekeerd, berekend naar het aantal gehouden vergaderingen. In dat geval geschiedt de uitkering aan het statenlid op basis van het aantal bijgewoonde vergaderingen.
Artikel 2.1.2. Toelage lid vertrouwenscommissie
Aan een statenlid dat lid is van de vertrouwenscommissie, bedoeld in artikel 61, derde lid, of artikel 61a, vierde lid, van de Provinciewet, wordt voor de duur van de activiteiten van die commissie per jaar ten laste van de provincie een toelage verleend van € 157,47 per maand.
Voor de toepassing van het eerste lid stelt de commissaris de duur van de activiteiten vast.
Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt het bedrag in het eerste lid bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd.
Artikel 2.1.3. Toelage lid onderzoekscommissie
Aan een statenlid dat lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 151a, derde lid, van de Provinciewet wordt voor de duur van de activiteiten van die commissie ten laste van de provincie een toelage toegekend, waarvan de hoogte bij verordening wordt bepaald, maar die per jaar ten hoogste driemaal de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, bedraagt.
Voor de toepassing van het eerste lid stelt de commissaris de duur van de activiteiten vast.
Artikel 2.1.4. Toelage lid bijzondere commissie
Indien provinciale staten besluiten ter uitvoering van hun taken en verantwoordelijkheden een bijzondere commissie in te stellen met een zodanig belang, belasting en tijdsbeslag dat die niet redelijkerwijs tot het reguliere werk van een statenlid geacht kunnen worden te behoren, kunnen zij bij verordening besluiten aan de statenleden die lid zijn van die commissie ten laste van de provincie een toelage toe te kennen van maximaal € 157,47 per maand voor de duur van de activiteiten van de commissie per maand.
Voor de toepassing van het eerste lid stelt de commissaris de duur van de activiteiten vast.
Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt het bedrag in het eerste lid bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd.
Artikel 2.1.5. Toelage fractievoorzitter
De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, wordt voor de fractievoorzitters voor de duur van de uitoefening van het fractievoorzitterschap verhoogd met een toelage van € 91,88 per maand, vermeerderd met € 13,11 voor elk statenlid dat de fractie telt, de fractievoorzitter zelf niet meegerekend. De toelage bedraagt ten hoogste € 196,85 per maand.
Voor zover het fractievoorzitterschap in de loop van de maand begint of eindigt, wordt de toelage, bedoeld in het eerste lid, voor die maand naar evenredigheid van de duur van het fractievoorzitterschap toegekend.
Voor de toepassing van het eerste lid stelt de commissaris vast:
- a. hoeveel leden een fractie telt, en
- b. de duur van het fractievoorzitterschap.
Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, worden de bedragen in het eerste lid bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd.
Paragraaf 2. Vergoedingen en voorzieningen statenlid
Artikel 2.1.6. Onkostenvergoeding
Een statenlid ontvangt met ingang van de dag van zijn beëdiging gedurende zijn lidmaatschap van provinciale staten een onkostenvergoeding voor de aan de uitoefening van het statenlidmaatschap verbonden kosten van € 223,50 per maand.
Een statenlid dat in de loop van een maand is beëdigd of in de loop van een maand is afgetreden of overleden, ontvangt de onkostenvergoeding naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het lidmaatschap in de bedoelde maand.
Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.
Artikel 2.1.7. Reiskostenvergoeding
Een statenlid heeft ten laste van de provincie aanspraak op vergoeding van:
- a. reiskosten en, als daar redelijkerwijs aanleiding voor is, verblijfkosten voor het bijwonen van vergaderingen van provinciale staten en commissies, en
- b. reis- en verblijfkosten voor reizen zowel binnen de provincie als daarbuiten, gemaakt voor de uitoefening van de functie.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel.
Artikel 2.1.8
(leeg)
Artikel 2.1.9. Verzekering arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden
Het statenlid dat nog niet de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt, ontvangt per jaar ten laste van de provincie een bedrag ter hoogte van het bedrag van de vergoeding van de werkzaamheden voor één maand, om voorzieningen te treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden.
Voor zover het lidmaatschap van provinciale staten in de loop van een jaar begint of eindigt, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de duur van het statenlidmaatschap toegekend.
Voor zover het statenlid in de loop van het jaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de duur van de periode tot de datum waarop die leeftijd is bereikt, uitbetaald.
Dit artikel is niet van toepassing op een statenlid dat is benoemd in een plaats die is opengevallen als gevolg van het tijdelijk ontslag van een statenlid wegens zwangerschap en bevalling of ziekte op grond van artikel X 12 van de Kieswet.
Artikel 2.1.10. Ziektekostenverzekering
Een statenlid ontvangt ten laste van de provincie een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering van € 140,54 per jaar.
Voor zover het lidmaatschap van provinciale staten in de loop van een jaar begint of eindigt, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de duur van het lidmaatschap van provinciale staten toegekend.
Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt het bedrag, genoemd in het eerste lid, bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd.
Artikel 2.1.11. Samenloop met arbeidsongeschiktheidsuitkering
In het geval een statenlid een uitkering in verband met gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid ontvangt, kan de vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, de toelage voor het lid van de vertrouwenscommissie, bedoeld in artikel 2.1.2, eerste lid, de toelage voor het lid van de onderzoekscommissie, bedoeld in artikel 2.1.3, eerste lid, de toelage voor het lid van een bijzondere commissie, bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, de toelage voor de vaste voorzitter van een commissie, bedoeld in artikel 2.1.4a, eerste lid, of de toelage voor de fractievoorzitter, bedoeld in artikel 2.1.5, eerste lid, op verzoek van het desbetreffende statenlid worden verlaagd.
Paragraaf 3. Waarneming door statenlid
Artikel 2.1.12. Waarneming voorzitter of commissaris door statenlid
Een statenlid dat op grond van artikel 75, eerste lid, van de Provinciewet meer dan dertig dagen onafgebroken het voorzitterschap van provinciale staten waarneemt, ontvangt voor de duur van de waarneming een toeslag van 8% op zijn vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, alsmede een toeslag van 8% op de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 2.1.6, eerste lid.
Indien een statenlid op grond van artikel 75, tweede lid, van de Provinciewet gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de waarneming van het ambt van commissaris is belast:
- a. wordt zijn vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, voor die tijd ten laste van de provincie aangevuld tot het bedrag, genoemd in artikel 2.2.1, eerste lid, vermeerderd met een vakantie-uitkering, eindejaarsuitkering en eenmalige uitkering als bedoeld in artikel 2.2.1, vierde, vijfde, onderscheidenlijk zesde lid;
- b. ontvangt hij voor die tijd in plaats van de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 2.1.6, een ambtstoelage en een vergoeding voor overige ambtskosten als bedoeld in artikel 2.2.6, eerste lid, en
- c. zijn voor die tijd op hem de regels, bedoeld in artikel 2.2.9, tweede lid, en de artikelen 2.2.10 en 2.2.12 van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 4. Tijdelijk ontslagen statenlid
Artikel 2.1.13. Vergoeding voor werkzaamheden en onkostenvergoeding
Artikel 2.1.1 is van overeenkomstige toepassing op het statenlid aan wie op grond van artikel X 10 van de Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, met dien verstande dat indien door provinciale staten toepassing is gegeven aan artikel 2.1.1, vierde lid, dit statenlid een uitkering ontvangt voor alle vergaderingen die gedurende het tijdelijk ontslag plaatsvinden.
Artikel 2.1.6 is van overeenkomstige toepassing op het statenlid, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat de vergoeding de helft bedraagt van het bedrag dat op grond van die bepaling van toepassing is.
De artikelen 2.1.9, 2.1.10 en 2.1.11 en afdeling 2.3 zijn van overeenkomstige toepassing op het statenlid, bedoeld in het eerste lid.
Afdeling 2.2. Commissaris en gedeputeerden
Paragraaf 1. Beloning commissaris en gedeputeerde
Artikel 2.2.1. Bezoldiging en uitkeringen
De bezoldiging van de commissaris bedraagt € 15.158,52 per maand.
De bezoldiging van de gedeputeerde bedraagt € 11.334,46 per maand.
Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, worden de bedragen, genoemd in het eerste en tweede lid, bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd.
De commissaris en de gedeputeerde ontvangen een vakantie-uitkering van 8% van de door hen genoten bezoldiging. De vakantie-uitkering wordt eenmaal per jaar uitbetaald over de periode van twaalf maanden, die is aangevangen met de maand juni van het voorgaande kalenderjaar. Bij ontslag, aftreden of overlijden van de commissaris of de gedeputeerde vindt betaling plaats over het tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode, waarover de vakantie-uitkering is betaald en de datum van het ontslag, aftreden of overlijden.
De commissaris en de gedeputeerde ontvangen een eindejaarsuitkering van 8,3% van de door hen genoten bezoldiging. De eindejaarsuitkering wordt jaarlijks uitbetaald in de maand november en wordt berekend over de periode van twaalf maanden die is aangevangen met de maand december van het voorgaande kalenderjaar. Bij ontslag, aftreden of overlijden van de commissaris of de gedeputeerde vindt betaling plaats over het tijdvak gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover de eindejaarsuitkering is betaald en de datum van het ontslag, aftreden of overlijden.
Indien voor de ambtenaren, bedoeld in het derde lid, in een collectieve arbeidsovereenkomst een eenmalige uitkering is overeengekomen, ontvangen de commissaris en de gedeputeerde een uitkering op dezelfde voet.
De gedeputeerde die ingevolge artikel 35a, tweede lid, van de Provinciewet zijn functie in deeltijd uitoefent, ontvangt de bezoldiging, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de vastgestelde tijdbestedingsnorm, bedoeld in artikel 35a, vierde lid, van de Provinciewet.
Wanneer de commissaris of de gedeputeerde in de loop van een maand is benoemd of in de loop van een maand is afgetreden, ontslagen of overleden, wordt de bezoldiging voor die maand genoten naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het ambt in die maand.
Indien de gedeputeerde gedurende een tijdvak als bedoeld in artikel 35c, tweede lid, onder a of b, van de Provinciewet tevens statenlid is, vervalt gedurende dit tijdvak zijn aanspraak op een vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid.
Artikel 2.2.2. Waarneming commissaris door gedeputeerde
Indien de gedeputeerde gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de waarneming van het ambt van commissaris is belast, wordt zijn bezoldiging voor die tijd ten laste van de provincie aangevuld tot het bedrag, genoemd in artikel 2.2.1, eerste lid.
Artikel 2.2.3. Neveninkomsten
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
- a. bezoldiging: totaal van de per kalenderjaar als commissaris of gedeputeerde genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 2.2.1, eerste of tweede lid, vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 2.2.1, vierde lid, en aangevuld op grond van artikel 2.2.2;
- b. neveninkomsten: andere inkomsten als bedoeld in artikel 65, zesde lid, of artikel 43, zesde lid, van de Provinciewet.
Zo spoedig mogelijk na afloop van het kalenderjaar, verstrekt de commissaris of de gedeputeerde aan Onze Minister, dan wel aan een door hem aangewezen instantie:
- a. een opgave van de neveninkomsten welke hij over dat kalenderjaar of over een gedeelte daarvan heeft genoten, dan wel
- b. een verklaring dat hij geen neveninkomsten heeft genoten of dat hij niet meer neveninkomsten heeft genoten dan 14% van de bezoldiging over dat jaar of, indien hij zijn ambt vervulde gedurende een gedeelte van het kalenderjaar, een evenredig deel daarvan, dan wel
- c. een verklaring dat een opgave van neveninkomsten achterwege zal blijven.
Gedeputeerde staten verminderen op verzoek van de commissaris of de gedeputeerde diens bezoldiging reeds gedurende het kalenderjaar met een bedrag waarmee hij verwacht dat zijn bezoldiging zal worden verrekend vanwege zijn neveninkomsten.
Onze Minister, dan wel een door hem aangewezen instantie, deelt gedeputeerde staten het bedrag van de bezoldiging dat teruggevorderd dient te worden mede en verstrekt een afschrift daarvan aan de commissaris onderscheidenlijk de gedeputeerde.
Gedeputeerde staten vorderen, indien Onze Minister, dan wel een door hem aangewezen instantie, constateert dat er sprake is van te verrekenen neveninkomsten, het teveel aan ontvangen bezoldiging terug van de commissaris onderscheidenlijk de gedeputeerde.
Indien de commissaris of de gedeputeerde geen informatie kan verstrekken, meldt hij dit binnen zes maanden onder opgaaf van redenen aan Onze Minister, dan wel aan een door hem aangewezen instantie. De commissaris of de gedeputeerde meldt tevens een redelijke termijn waarop hij deze informatie alsnog zal verstrekken.
In het geval genoemd in het tweede lid, onderdeel c, alsmede indien de commissaris of de gedeputeerde binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar geen opgave als bedoeld in het tweede lid heeft ingezonden of niet heeft voldaan aan het zesde lid, en gedeputeerde staten niet uit anderen hoofde kunnen vaststellen tot welk bedrag er verrekend moet worden, stellen gedeputeerde staten de bezoldiging over het afgelopen jaar vast op 65% van de bezoldiging op jaarbasis.
Op verzoek van de commissaris of de gedeputeerde kunnen gedeputeerde staten besluiten de verrekening of terugbetaling in termijnen te laten plaatsvinden.
Artikel 2.2.4. Uitkering bij overlijden
In het geval van overlijden van de commissaris of de gedeputeerde wordt aan de weduwe of weduwnaar van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging, bedoeld in artikel 2.2.1, eerste onderscheidenlijk tweede lid, vermeerderd met de vakantie-uitkering, welke de overledene laatstelijk genoot over een tijdvak van drie maanden. Indien de overledene geen weduwe of weduwnaar nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de overledene.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of weduwnaar mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner alsmede degene met wie de overledene ongehuwd samenleefde en een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet.
Indien voor de overledene een tijdsbestedingsnorm als bedoeld in artikel 35a, vierde lid, van de Provinciewet was vastgesteld, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van die tijdsbestedingsnorm uitgekeerd.
Artikel 2.2.5
(leeg)
Paragraaf 2. Vergoedingen en voorzieningen commissaris en gedeputeerde
Artikel 2.2.6. Ambtskosten
De commissaris ontvangt per maand voor aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten:
- a. een ambtstoelage van € 834,44 en
- b. een vergoeding van € 638,02 voor overige ambtskosten.
De gedeputeerde ontvangt een vergoeding van € 467,35 per maand voor aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten. Indien de gedeputeerde gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de waarneming van het ambt van commissaris is belast, ontvangt hij voor die tijd per maand:
- a. een ambtstoelage van € 834,44 en
- b. een vergoeding van € 638,02 voor overige ambtskosten.
De gedeputeerde die ingevolge artikel 35a, tweede lid, van de Provinciewet zijn functie in deeltijd uitoefent, ontvangt de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de vastgestelde tijdbestedingsnorm, bedoeld in artikel 35a, vierde lid, van de Provinciewet.
Wanneer de commissaris of de gedeputeerde in de loop van een maand is benoemd of in de loop van een maand is afgetreden, ontslagen of overleden, worden de ambtstoelage, bedoeld in het eerste lid, onder a, en de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onder b, onderscheidenlijk de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, voor die maand naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het ambt in die maand genoten.
De bedragen, genoemd in het eerste en tweede lid, worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.
Artikel 2.2.7. Kosten in verband met verhuizing
Indien de commissaris of de gedeputeerde bij zijn benoeming zijn werkelijke woonplaats nog niet heeft in de provincie, heeft hij ten laste van de provincie eenmalig aanspraak op een vergoeding van verhuiskosten bij verhuizing in verband met zijn benoeming naar de provincie.
Voor de duur dat de commissaris zijn werkelijke woonplaats nog niet heeft in de provincie of voor de duur dat een gedeputeerde met toepassing van artikel 35b, tweede lid, van de Provinciewet zijn werkelijke woonplaats nog niet heeft in de provincie, heeft hij ten laste van de provincie aanspraak op:
- a. een vergoeding van de kosten voor tijdelijke huisvesting, en
- b. een vergoeding van de reiskosten naar de woning waar hij ten tijde van de benoeming woonde.
Indien de commissaris of de gedeputeerde in verband met zijn benoeming is verhuisd, op zijn nieuwe adres is ingeschreven in de basisregistratie personen en zijn verhuizing leidt tot dubbele woonlasten, heeft hij gedurende ten hoogste drie jaar na zijn benoeming aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van die dubbele woonlasten, alsmede een vergoeding van de reiskosten naar de woning waar hij ten tijde van de benoeming woonde.
De commissaris heeft uiterlijk één jaar na eervol ontslag of niet-herbenoeming bij vertrek uit de provincie of uit de aan hem ter beschikking gestelde woning eenmalig aanspraak op een vergoeding voor de kosten van verhuizing voor zover hij niet uit anderen hoofde aanspraak heeft op een verhuiskostenvergoeding.
Verschuldigde loon- of inkomstenbelasting over de vergoedingen op grond van dit artikel worden ten laste van de provincie aan de commissaris onderscheidenlijk de gedeputeerde vergoed.
Onze Minister stelt bij ministeriële regeling nadere regels over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel.
Artikel 2.2.8. Ter beschikking gestelde woning
De commissaris of de gedeputeerde betaalt voor het bewonen van een door de provincie aan hem in verband met de uitoefening van zijn ambt ter beschikking gestelde woning een eigen bijdrage per maand aan de provincie.
Bij het bewonen van een woning als bedoeld in het eerste lid komen de kosten voor energie en water ten laste van de provincie.
Indien de commissaris of de gedeputeerde voor het gebruik van een woning, bedoeld in het eerste lid, loon- of inkomstenbelasting verschuldigd is, wordt deze belastingheffing ten laste van de provincie aan hem vergoed.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in het eerste lid, en kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het gebruik van een ter beschikking gestelde woning.
Artikel 2.2.9. Woon-werkverkeer en reis- en verblijfkosten
De commissaris en de gedeputeerde hebben ten laste van de provincie aanspraak op vergoeding van:
- a. reiskosten en, als daar redelijkerwijs aanleiding voor is, verblijfkosten voor woon-werkverkeer;
- b. reis- en verblijfkosten voor reizen, gemaakt voor de uitoefening van het ambt.
Onze Minister stelt nadere regels over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel.
Artikel 2.2.10. Ter beschikking gestelde auto
Gedeputeerde staten kunnen aan de commissaris of de gedeputeerde ten laste van de provincie een auto ter beschikking stellen, daaronder begrepen een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep van een daartoe door de provincie gecontracteerde vervoerder.
Een ter beschikking gestelde auto, met uitzondering van een auto voor gemeenschappelijk gebruik en een auto op afroep als bedoeld in het eerste lid, kan worden gebruikt voor zowel zakelijke als bestuurlijke doeleinden.
Onder gebruik voor zakelijke doeleinden wordt in dit artikel en de daarop berustende bepalingen verstaan gebruik dat voor de toepassing van artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 en de daarop berustende bepalingen niet als gebruik voor privédoeleinden wordt aangemerkt.
Onder gebruik voor bestuurlijke doeleinden wordt in dit artikel en de daarop berustende bepalingen verstaan gebruik in het kader van de uitoefening van nevenfuncties, waarvan de uitoefening door de commissaris of gedeputeerde naar het oordeel van gedeputeerde staten in het belang van de provincie is.
Gedeputeerde staten kunnen bij de terbeschikkingstelling van een auto, niet zijnde een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep als bedoeld in het eerste lid, bepalen dat deze door de commissaris of de gedeputeerde ook voor andere dan zakelijke of bestuurlijke doeleinden mag worden gebruikt.
Indien de commissaris of de gedeputeerde een aan hem ter beschikking gestelde auto uitsluitend gebruikt voor zakelijke en bestuurlijke doeleinden en hij voor het gebruik van die auto loon- of inkomstenbelasting verschuldigd is, wordt deze belastingheffing ten laste van de provincie aan hem vergoed.
Voor zover de commissaris of de gedeputeerde een aan hem ter beschikking gestelde auto gebruikt voor zakelijke en bestuurlijke doeleinden, worden vergoedingen van derden in verband met het gebruik van die auto in de provinciekas gestort.
De commissaris of de gedeputeerde betaalt voor het gebruik van de aan hem ter beschikking gestelde auto voor andere dan zakelijke of bestuurlijke doeleinden een eigen bijdrage per maand aan de provincie.
Indien aan de commissaris of de gedeputeerde een auto, niet zijnde een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep als bedoeld in het eerste lid, ter beschikking is gesteld, heeft hij geen aanspraak op vergoeding als bedoeld in artikel 2.2.7, tweede lid, onder b, en vergoeding van kosten voor woon-werkverkeer en reiskosten als bedoeld in artikel 2.2.9, eerste lid.
Voor zover de commissaris of de gedeputeerde gebruik maakt van een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep als bedoeld in het eerste lid, heeft hij geen aanspraak op vergoeding als bedoeld in artikel 2.2.7, tweede lid, onder b, en vergoeding van kosten voor woon-werkverkeer en reiskosten als bedoeld in artikel 2.2.9, eerste lid.
Onze Minister stelt nadere regels over de voorwaarden voor de ter beschikkingstelling van een auto en het gebruik daarvan, alsmede over de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in het achtste lid.
Artikel 2.2.11. Loopbaanoriëntatie
De kosten die de commissaris of gedeputeerde maakt omdat hij zich tijdens het ambt oriënteert op zijn verdere loopbaan of mobiliteit bevorderende activiteiten ontplooit, komen ten laste van de provincie, op voorwaarde dat gedeputeerde staten van oordeel zijn dat:
- a. de prijs/kwaliteitverhouding van de desbetreffende loopbaanoriëntatie of mobiliteit bevorderende activiteit redelijk is;
- b. die loopbaanoriëntatie of mobiliteit bevorderende activiteit niet kan worden aangemerkt als een sollicitatieactiviteit; en
- c. de kosten ervan niet reeds uit anderen hoofde voor vergoeding in aanmerking komen.
Onze Minister kan over de in het eerste lid bedoelde loopbaanoriëntatie of mobiliteit bevorderende activiteiten nadere regels stellen.
Artikel 2.2.12. Terugkeer wegens dringende redenen
Indien er sprake is van een dringende reden van dienstbelang en de commissaris of de gedeputeerde die buiten de provincie verblijft, zou schade lijden als hij direct terugkeert naar de provincie, legt hij zijn voornemen om vanwege deze reden terug te keren naar zijn provincie voor aan Onze Minister onderscheidenlijk de commissaris.
Indien Onze Minister onderscheidenlijk de commissaris het in het eerste lid genoemde voornemen redelijk acht, wordt aan commissaris of de gedeputeerde ten laste van de provincie een schadeloosstelling toegekend.
De schadeloosstelling betreft uitsluitend de direct uit de terugkeer voortvloeiende kosten van de commissaris of de gedeputeerde. Gedeputeerde staten stellen de hoogte van de schadeloosstelling vast.
Artikel 2.2.13. Aanspraken bij zwangerschap en bevalling en ziekte
De gedeputeerde aan wie in verband met zwangerschap en bevalling of ziekte op grond van artikel 44, eerste lid, van de Provinciewet verlof is verleend, ontvangt in afwijking van artikel 2.2.6, tweede lid, een vergoeding voor aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten van de helft van het bedrag, genoemd in die bepaling.
Paragraaf 3. Overige bepalingen
Artikel 2.2.14. Vergoeding bij waarneming van de commissaris
Op degene die op grond van artikel 76 van de Provinciewet met de waarneming van het ambt van commissaris is belast, zijn voor die tijd de bepalingen in deze afdeling en afdeling 2.3, voor zover die betrekking hebben op de rechtspositie van de commissaris, van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 2.2.3, 2.2.7, derde lid, 2.2.17, 2.2.18 en 2.2.19.
Artikel 2.2.15. Verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden tijdelijke vervanger gedeputeerde
De tijdelijke vervanger van de gedeputeerde die verlof heeft wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ontvangt voor zijn verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden € 774,30 per maand.
De tijdelijke vervanger van de gedeputeerde die met toepassing van artikel 35a, derde lid, van de Provinciewet de functie in deeltijd uitoefent, ontvangt de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid met de vastgestelde tijdsbestedingsnorm, bedoeld in artikel 35a, vierde lid, van de Provinciewet.
Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt het bedrag, genoemd in het eerste lid, bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd.
Artikel 2.2.16
(leeg)
Artikel 2.2.17. Kennisgeving bij afwezigheid
Indien de commissaris langer dan acht dagen wegens ziekte of om andere redenen zijn ambt niet kan vervullen, geeft hij daarvan kennis aan Onze Minister.
Artikel 2.2.18. Schorsing
Een besluit tot schorsing als bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de Provinciewet bevat in ieder geval een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat en een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing.
De commissaris die geschorst is, behoudt gedurende de schorsing zijn bezoldiging en uitkeringen, bedoeld in artikel 2.2.1, en zijn aanspraak op vergoedingen en voorzieningen op grond van de afdelingen 2.2 en 2.3.
Gedurende een schorsing is het de commissaris als zodanig niet toegestaan de provinciale dienstgebouwen te betreden.
Artikel 2.2.19. Ontslag
De commissaris wordt op zijn aanvraag ontslagen of na afloop van de benoemingstermijn niet herbenoemd. Het ontslag wordt eervol verleend, tenzij naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten.
Aan de commissaris wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 70 jaar bereikt, eervol ontslag verleend.
Anders dan op eigen aanvraag kan aan de commissaris ontslag worden verleend op grond van:
- a. ongeschiktheid voor het vervullen van zijn ambt wegens ziekte of gebreken;
- b. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor zijn ambt, anders dan uit hoofde van ziekte of gebreken;
- c. andere gronden.
Een ontslag als bedoeld in het derde lid, onder a, kan slechts plaatsvinden indien:
- a. er sprake is van ongeschiktheid tot het vervullen van zijn ambt wegens ziekte of gebreken gedurende een ononderbroken periode van zes maanden, en
- b. herstel niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a bedoelde termijn van zes maanden te verwachten is.
Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, wordt een medisch onderzoek ingesteld door een of meer door Onze Minister aangewezen geneeskundigen en, indien de commissaris dit wenst, een door de commissaris aangewezen geneeskundige. De commissaris is verplicht medewerking te verlenen aan het onderzoek en wordt schriftelijk in kennis gesteld van het starten van het onderzoek en de in de vorige volzin bedoelde mogelijkheid. Indien de commissaris geen medewerking verleent, is de in het vierde lid, onder b, genoemde voorwaarde niet van toepassing.
Het ontslag op grond van het derde lid, onder a of b, wordt eervol verleend. Het ontslag op grond van het derde lid, onder c, wordt eervol verleend, tenzij naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten.
Afdeling 2.3. Gemeenschappelijke bepalingen
Artikel 2.3.1. Bewaken en beveiligen
Indien gedeputeerde staten ten behoeve van een statenlid, een gedeputeerde of de commissaris kosten maken, die in het kader van het stelsel bewaken en beveiligen zijn aangemerkt als werkgeverskosten, komen deze ten laste van de provincie.
Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot het treffen van andere voorzieningen ten behoeve van een veilige woon- en werkplek van een statenlid, een gedeputeerde of de commissaris dan die welke op grond van het eerste lid ten laste van de provincie komen.
Artikel 2.3.2. Informatie- en communicatievoorzieningen
Gedeputeerde staten stellen ten laste van de provincie aan een statenlid, een gedeputeerde of de commissaris voor de duur van de uitoefening van zijn functie informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking. Onder informatie- en communicatievoorzieningen wordt ook verstaan de daarbij behorende abonnementen.
Artikel 2.3.3. Vergoeding kosten scholing
De kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde scholing in verband met de vervulling van de functie van statenlid, gedeputeerde of commissaris komen ten laste van de provincie, op voorwaarde dat gedeputeerde staten van oordeel zijn dat de prijs/kwaliteitverhouding van de desbetreffende scholing redelijk is en de kosten ervan niet reeds uit anderen hoofde voor vergoeding in aanmerking komen.
Provinciale staten kunnen voor de toepassing van het eerste lid nadere regels stellen voor zover het de scholing van statenleden betreft. Gedeputeerde staten kunnen voor de toepassing van het eerste lid nadere regels stellen voor zover het de scholing van de commissaris of gedeputeerden betreft.
Onder de kosten, bedoeld in het eerste lid, worden mede begrepen reiskosten voor het volgen van de scholing. De reiskosten worden berekend met overeenkomstige toepassing van de nadere regels op grond van artikel 2.1.7 onderscheidenlijk 2.2.9.
Artikel 2.3.4. Beroepsvereniging
Indien een statenlid, een gedeputeerde of de commissaris als zodanig lid is van een voor ieder statenlid, iedere gedeputeerde of iedere commissaris toegankelijke, landelijk georganiseerde beroepsvereniging die blijkens haar statuten deskundigheidsbevordering of belangenbehartiging van de functie van statenlid, gedeputeerde of commissaris ten doel heeft of mede ten doel heeft, wordt de contributie van die beroepsvereniging ten laste van de provincie vergoed, tenzij gedeputeerde staten van oordeel zijn dat de activiteiten van de vereniging onvoldoende invulling geven aan het in de eerste volzin bedoelde doel.
Artikel 2.3.5. Bedrijfsgeneeskundige zorg
Gedeputeerde staten treffen ten laste van de provincie een voorziening voor bedrijfsgeneeskundige zorg voor de statenleden, de gedeputeerden en de commissaris.
Artikel 2.3.6. Voorzieningen in verband met beroepsziekte of een dienstongeval
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
- a. beroepsziekte: ziekte die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de uitoefening van de aan het ambt verbonden werkzaamheden;
- b. dienstongeval: ongeval dat plaatsvindt tijdens de uitoefening van de aan het ambt verbonden werkzaamheden.
Een statenlid, een gedeputeerde of de commissaris ontvangt een vergoeding voor de noodzakelijk gemaakte kosten in verband met geneeskundige behandeling of verzorging in verband met een beroepsziekte of een dienstongeval:
- a. voor zover deze kosten ten laste blijven van het statenlid, de gedeputeerde of de commissaris, en
- b. voor zover de beroepsziekte of het dienstongeval niet aan eigen schuld of onvoorzichtigheid te wijten is.
In bijzondere gevallen kunnen gedeputeerde staten bepalen dat overige schade aangemerkt wordt als voortvloeiend uit de beroepsziekte of het dienstongeval, naar redelijkheid en billijkheid, en gehoord de vergadering van fractievoorzitters van alle partijen in provinciale staten.
Onder overige schade valt niet het gederfde inkomen.
Als de schade van de beroepsziekte of het dienstongeval is ontstaan tijdens zijn ambtsperiode en voortduurt na zijn aftreden of ontslag, is dit artikel van overeenkomstige toepassing op het gewezen statenlid, de gewezen gedeputeerde of de gewezen commissaris.
Artikel 2.3.7. Voorzieningen in verband met een structurele functionele beperking
Indien een statenlid, een gedeputeerde of de commissaris naar het oordeel van een arts een structurele functionele beperking heeft, kunnen gedeputeerde staten hem op zijn aanvraag ten laste van de provincie voorzieningen toekennen, die strekken tot het kunnen blijven uitoefenen van het ambt of tot herstel of bevordering van de mogelijkheid om het ambt weer te gaan uitoefenen dan wel een financiële vergoeding daarvoor.
Onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden verstaan voorzieningen die een werkgever op grond van artikel 611 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek als goed werkgever dient te verstrekken en voorzieningen als bedoeld in artikel 35, tweede en derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Een voorziening of een financiële vergoeding als bedoeld in het eerste lid wordt slechts toegekend, indien die voorziening proportioneel is en niet reeds uit anderen hoofde is toegekend of vergoed.
De regels, gesteld krachtens artikel 35, vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.3.8. Eindheffingsbestanddelen
Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen:
- a. de vergoedingen en toelage, bedoeld in de artikelen 2.1.6 en 2.2.6;
- b. de tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering, bedoeld in artikel 2.1.10;
- c. de vergoedingen in verband met verhuizing, bedoeld in artikel 2.2.7, eerste en vierde lid;
- d. de vergoeding van de kosten voor tijdelijke huisvesting, bedoeld in artikel 2.2.7, tweede lid, onder a;
- e. de tegemoetkoming in de kosten van dubbele woonlasten, bedoeld in artikel 2.2.7, derde lid;
- f. de betaling of vergoeding van de kosten voor energie en water, bedoeld in artikel 2.2.8, tweede lid;
- g. de vergoeding van reis- en verblijfkosten als bedoeld in artikel 2.1.7, eerste lid, en de vergoeding van kosten voor woon-werkverkeer en van reis- en verblijfkosten als bedoeld in artikel 2.2.9, eerste lid;
- h. de vergoeding van de belastingheffing, bedoeld in de artikelen 2.2.7, vijfde lid, 2.2.8, derde lid, en 2.2.10, zesde lid;
- i. de vergoeding van de kosten in verband met loopbaanoriëntatie en mobiliteit bevorderende activiteiten, bedoeld in artikel 2.2.11, eerste lid;
- j. de voorzieningen ten behoeve van een veilige woon- en werkplek als bedoeld in artikel 2.3.1, eerste en tweede lid;
- k. de ter beschikking stelling van informatie- en communicatiemiddelen, bedoeld in artikel 2.3.2;
- l. de vergoeding van de kosten voor scholing als bedoeld in artikel 2.3.3;
- m. de vergoeding van de contributie van een beroepsvereniging, bedoeld in artikel 2.3.4, en
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)