Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2019, nr. 2019-0000139944, tot het verstrekken van subsidies in het kader van leren en ontwikkelen in het mkb en in het grootbedrijf in de sectoren landbouw, horeca en recreatie (Stimuleringsregeling voor leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen en specifiek voor de grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-05-23
Laatst bijgewerkt 2026-05-28
State In force
Source BWB
artikelen 90
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Onder een prestatieverklaring, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan: een verklaring in het daarvoor geldende format, getekend door de loopbaanadviseur en de deelnemer, waarin wordt bevestigd dat de deelnemer aan het ontwikkeltraject heeft deelgenomen, welke onderwerpen daarin aan bod zijn gekomen en welke resultaten hiervoor zijn behaald.

Artikel 2.18. Rapportageverplichting en bevoorschotting
1.

Indien de subsidieontvanger een samenwerkingsverband is en het initiatief waarvoor subsidie is verleend een periode van meer dan twaalf maanden omvat, dient de subsidieontvanger uiterlijk acht weken na afloop van de eerste twaalf maanden een tussentijds voortgangsverslag in bij de minister, onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde model.

2.

De minister kan bij de beschikking tot subsidieverlening een voorschot verlenen van:

  • a. 50% van de verleende subsidie, indien de subsidie is aangevraagd door een subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.19;
  • b. 25% van de verleende subsidie, indien de subsidie is aangevraagd door een subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.21, eerste lid;
  • c. 50% van de verleende subsidie, in aanvulling op het voorschot, genoemd in onderdeel b, en uit te betalen na indiening van het tussentijdse voortgangsverslag, indien de looptijd van het initiatief meer dan twaalf maanden bedraagt.

Paragraaf 2.2. Subsidieverlening aan het mkb

Artikel 2.19. Aanvraaggerechtigde

Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door een mkb-onderneming.

Artikel 2.20. Subsidiebedrag en subsidiabele kosten
1.

Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, wordt op grond van dit hoofdstuk een subsidie verstrekt tot € 25.000, met uitzondering van landbouwbedrijven, waarvoor een maximum geldt van € 20.000.

2.

Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdelen a en c, bedraagt de subsidie 60% van de subsidiabele kosten.

Paragraaf 2.3. Subsidieverlening aan samenwerkingsverbanden

Artikel 2.21. Aanvraaggerechtigde
1.

Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door de hoofdaanvrager van het samenwerkingsverband.

2.

Onder hoofdaanvrager wordt verstaan een mkb-onderneming, brancheorganisatie, onderwijsinstelling, O&O-fonds of werknemers- of werkgeversvereniging, die gemachtigd is om de andere partijen in het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen.

Artikel 2.22. Subsidiebedrag
1.

De subsidie die wordt verleend voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, bedraagt maximaal € 500.000, waarbij geen enkele partij van het samenwerkingsverband aanspraak kan maken op € 200.000 of meer.

2.

In afwijking van het eerste lid is de maximale subsidie bij deelname aan een samenwerkingsverband voor landbouwbedrijven € 20.000, voor visserijbedrijven € 30.000 en voor goederenververvoer over de weg € 100.000.

3.

Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdelen a en c, bedraagt de subsidie 60% van de subsidiabele kosten, voor zover het de kosten betreft, bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, onderdelen a tot en met c.

Artikel 2.23. Specifieke eisen subsidieaanvraag en administratie samenwerkingsverbanden
1.

In aanvulling op artikel 2.8 bestaat de subsidieaanvraag voor samenwerkingsverbanden uit:

  • a. de samenwerkingsovereenkomst van het samenwerkingsverband, ondertekend door alle partijen die onderdeel uitmaken van het samenwerkingsverband, vergezeld van een schriftelijke machtiging waaruit blijkt dat de subsidieaanvrager gemachtigd is de andere partijen in het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen; en
  • b. een begroting waaruit de verdeling van kosten tussen de partijen in het samenwerkingsverband volgt.
2.

De hoofdaanvrager is verantwoordelijk voor de administratievoorschriften van alle partijen in het samenwerkingsverband.

Paragraaf 2.4. Subsidievaststelling

Artikel 2.24. Subsidievaststelling
1.

De minister doet verzoeken als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Kaderregeling op basis van een steekproef voorafgaande aan het vaststellen van de subsidie.

2.

Een samenwerkingsverband waaraan subsidie is verleend op grond van deze regeling dient door middel van een elektronisch formulier binnen 22 weken na afloop van de initiatiefperiode, bedoeld in artikel 2.13, derde lid, bij de minister een verzoek in tot vaststelling van de subsidie.

3.

Het verzoek tot vaststelling gaat, onverminderd artikel 7.8 van de Kaderregeling, vergezeld van een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 2.26.

4.

Het activiteitenverslag en het financieel verslag, bedoeld in de Kaderregeling, worden opgesteld overeenkomstig het door de minister vastgestelde model.

5.

In afwijking van artikel 1.1 van de Kaderregeling is het bij het opstellen van de controleverklaring in acht te nemen accountantsprotocol, genoemd in dat artikel, gepubliceerd op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

6.

Indien uit de beoordeling van het verzoek tot vaststelling blijkt, dat minder dan 60% van de totale subsidiabele kosten, genoemd in de laatst afgegeven beschikking tot subsidieverlening, is gerealiseerd, gaat de minister na of er aanleiding is om de subsidie lager of op nihil vast te stellen.

Artikel 2.25. Intrekking en terugvordering
1.

Onverminderd artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de beschikking tot subsidieverlening geheel ingetrokken indien:

  • a. de subsidie niet is besteed aan de in de beschikking tot subsidieverlening toegekende subsidiabele kosten;
  • b. de in de beschikking tot subsidieverlening opgegeven verplichtingen niet zijn nageleefd.
2.

De beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling kan, in afwijking van het eerste lid, gedeeltelijk worden ingetrokken indien er naar het oordeel van de minister geen aanleiding is de subsidie geheel in te trekken.

3.

Indien de beschikking tot subsidievaststelling geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken, wordt het subsidiebedrag dat tot dat moment is uitgekeerd, vermeerderd met de wettelijke rente, geheel of gedeeltelijk van de subsidieontvanger teruggevorderd.

4.

Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de beschikking tot voorschotverlening, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid.

Artikel 2.26. Evaluatie van de initiatieven
1.

Een samenwerkingsverband waaraan subsidie is verleend op grond van deze regeling draagt zorg voor de evaluatie van de uitvoering van het initiatief op grond van deze regeling en het bereik, de doeltreffendheid en doelmatigheid daarvan.

2.

Het evaluatieverslag wordt gelijktijdig met de aanvraag tot subsidievaststelling aan de minister aangeboden.

3.

Het evaluatieverslag omvat in ieder geval:

  • a. een beschrijving van het uitgevoerde initiatief;
  • b. een beschrijving van het implementatie- en uitvoeringsproces en de leerervaringen die daarbij zijn opgedaan; en
  • c. een overzicht van de bereikte resultaten.
Artikel 3.1. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. betaalde arbeid verrichten;
  • –. beroepsgroepen in maatschappelijk cruciale sectoren: de beroepsgroepen en beroepen die zijn opgenomen in bijlage II bij deze regeling en behoren tot de beroepsklassen pedagogische beroepen, technische beroepen, ICT-beroepen, transport en logistiekberoepen, beroepen in de agrifood en natuur & leefomgeving en zorg- en welzijnsberoepen;
  • –. collectief: een O&O-fonds of een bij overeenkomst vastgelegde samenwerking waaraan de volgende partijen deelnemen:
  • a. een of meer werkgeversverenigingen en een of meer werknemersverenigingen die een band hebben met een of meer beroepsgroepen in maatschappelijk cruciale sectoren, eventueel aangevuld met een O&O-fonds, een koepelorganisatie of het college van burgemeester en wethouders van een of meer centrumgemeenten als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van het Besluit SUWI, en, indien een college van burgemeester en wethouders van een centrumgemeente deelneemt, de gedeputeerde staten van een of meer provincies; dan wel
  • b. een O&O-fonds dan wel koepelorganisatie en ten minste een van de partijen, genoemd in onderdeel a, met inachtneming van het daarin bepaalde over de deelname van de gedeputeerde staten van een of meer provincies;
  • –. koepelorganisatie: een landelijk opererende organisatie die door een of meer werkgeversverenigingen en een of meer werknemersverenigingen die een band hebben met een of meer beroepsgroepen in maatschappelijk cruciale sectoren is aangewezen om een of meerdere sectoren te vertegenwoordigen;
  • –. non-formele opleiding: een non-formele opleiding als bedoeld in de Wet NLQF, met uitzondering van non-formele opleidingen die alleen zijn bestemd voor werkenden in de eigen onderneming;
  • –. O&O-fonds: een stichting of vereniging die als doel heeft het optimaliseren van de werking van de arbeidsmarkt en die:
  • a. is opgericht bij een bij de minister aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst;
  • b. paritair wordt bestuurd door vertegenwoordigers van een of meer arbeidsorganisaties, waarbij in ieder geval bij een arbeidsorganisatie ten minste 500 werknemers werkzaam zijn, alsmede vertegenwoordigers van een of meer werknemersverenigingen; of
  • c. paritair wordt bestuurd door vertegenwoordigers van een of meer werkgeversverenigingen alsmede vertegenwoordigers van een of meer werknemersverenigingen;
  • –. ontwikkelpad: een overzicht van opeenvolgende functies en eventuele daarbij behorende specialisaties met de opleidingen of onderdelen daarvan die voor deze functies en specialisaties benodigd zijn, dat is bedoeld ter stimulering van:
  • a. de instroom van werkzoekenden in een sector;
  • b. de doorstroom of specialisatie van werkenden binnen een sector, gericht op de uitvoering van nieuwe functies of specialisaties; en
  • c. het overstappen van werkenden naar een sector;
  • –. opleider: degene die:
  • –. scholingspakket: een overzicht van de scholing die voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, onder a tot en met f, en derde lid. Scholingspakketten worden vanaf 2027 drie keer per jaar door de minister vastgesteld;
  • –. werkgever: de subsidieaanvrager bij wie de werkzaamheden waarvoor wordt opgeleid worden uitgevoerd of die daartoe arbeidskrachten ter beschikking stelt aan een derde, en die:
  • a. een arbeidsovereenkomst met de begunstigde van de scholing heeft;
  • b. afspraken heeft met de gemeente of het UWV over de scholing van de begunstigde, genoemd in artikel 3.1, onderdeel b, van de begripsbepaling begunstigden;
  • c. een geregistreerd gastouderbureau is, als bedoeld in de Wet kinderopvang; of
  • d. krachtens een maatschapsovereenkomst als bedoeld in artikel 749 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek werkzaam is in de zeevisserij.
Artikel 3.2. Toepasselijkheid Kaderregeling

Op het aanvragen en verstrekken van subsidies op grond van dit hoofdstuk is de Kaderregeling van toepassing, met uitzondering van de artikelen 3.1, 3.6, 7.1 en 7.4, tweede lid.

Artikel 3.3. Doel van subsidies verstrekt op grond van dit hoofdstuk

Het doel van subsidies verstrekt op grond van dit hoofdstuk is om met scholing de instroom in en doorstroom binnen sectoren en het overstappen tussen sectoren van werkenden en werkzoekenden in beroepsgroepen in maatschappelijk cruciale sectoren te vergroten.

Artikel 3.4. Aanvraaggerechtigde

Subsidies op grond van dit hoofdstuk worden aangevraagd door een werkgever of een collectief.

Artikel 3.5. Subsidiabele activiteiten
1.

De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een werkgever voor scholing die door hem is ingekocht en aan een collectief voor het inkopen van scholing of het vergoeden van scholingskosten.

2.

Een scholing is subsidiabel op grond van dit hoofdstuk, indien:

  • a. de scholing op het moment van inkoop is opgenomen in een ontwikkelpad dat de minister op grond van artikel 3.6 heeft erkend;
  • b. het ontwikkelpad waarin de scholing is opgenomen voor het merendeel betrekking heeft op beroepsgroepen in maatschappelijk cruciale sectoren;
  • d. de scholing wordt verzorgd door een opleider die gerechtigd is om de gehele non-formele opleiding te verzorgen, indien het scholing betreft die een onderdeel uitmaakt van een non-formele opleiding als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4;
  • e. de scholing niet op grond van toepasselijk Unierecht, toepasselijk nationaal recht, een collectieve arbeidsovereenkomst of een regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan verplicht is om arbeid te kunnen blijven verrichten;
  • f. de scholing niet op grond van wet- en regelgeving volledig wordt bekostigd;
  • g. de scholing is bedoeld voor een begunstigde en kosteloos aan hem wordt aangeboden; en
  • h. de scholing op zijn vroegst is ingekocht vanaf het moment dat deze is vastgesteld als subsidiabele scholing en de scholing niet later is gestart dan 13 weken na indiening van de subsidieaanvraag. De factuurdatum van de factuur van de betreffende scholing geldt als datum van inkoop van de scholing.
3.

In afwijking van het tweede lid, onderdeel c, is tot 21 augustus 2026 scholing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5, tevens subsidiabel, indien de aanbieder van de scholing een aanvraag als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet NLQF heeft ingediend voor de non-formele opleiding en het Nationaal coördinatiepunt NLQF, genoemd in de Wet NLQF, heeft geoordeeld dat de aanvraag volledig is. Het tweede lid, onderdeel d, is van overeenkomstige toepassing.

4.

Het derde lid is voor een aanbieder niet langer van toepassing als het Nationaal coördinatiepunt NLQF een negatief besluit heeft genomen over de validiteit, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Besluit NLQF en dit is verwerkt in een scholingspakket. De scholing en volgende aanvragen van scholing van deze aanbieder zijn weer subsidiabel nadat het Nationaal coördinatiepunt NLQF alsnog een positief besluit heeft genomen en dit is verwerkt in een scholingspakket.

5.

De minister neemt scholing die voldoet aan de criteria in het tweede lid, onderdelen a tot en met f, op in een scholingspakket en maakt dit bekend op www.rijksoverheid.nl en www.leeroverzicht.nl.

6.

De minister neemt scholing die voldoet aan de in het derde lid gestelde voorwaarden op in een scholingspakket indien de aanbieder de minister hierover gegevens heeft verstrekt en verwerkt de in het vierde lid bedoelde mutaties in een daaropvolgend vaststellingsmoment van een scholingspakket. De uiterste termijnen voor de ontvangst van deze gegevens, worden bekendgemaakt op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

7.

Indien na een vaststellingsmoment scholing geen deel meer uitmaakt van het scholingspakket blijft deze nog subsidiabel tot het eerste daaropvolgende vaststellingsmoment.

8.

Het zevende lid is niet van toepassing op opleidingen bedoeld in lid 3.

Artikel 3.6. Erkenning ontwikkelpaden
1.

De minister erkent op aanvraag van een werkgeversvereniging en een werknemersvereniging dan wel een O&O-fonds een ontwikkelpad, indien het ontwikkelpad:

  • a. tot stand is gekomen met medewerking van de minister;
  • b. is vastgesteld door werkgevers- en werknemersverenigingen dan wel een of meerdere O&O-fondsen die behoren tot de sector waarop het ontwikkelpad betrekking heeft;
  • c. scholing bevat die bijdraagt aan de doelen van het ontwikkelpad, qua inhoud en niveau past bij de functies of specialisaties in het ontwikkelpad, praktijkgericht is, te combineren is met werken in een betaalde baan en bestaat uit:
  • 4°. non-formele opleidingen met een branchewaardering waarvoor op grond van artikel 3.1 van de Wet NLQF een NLQF-niveau is vastgesteld dat ten minste op het niveau van de bijbehorende functies of specialisaties in het ontwikkelpad ligt of onderdelen van een zodanige opleiding, mits deze onderdelen beschikken over een branchewaardering; of
  • 5°. non-formele opleidingen, anders dan de scholing, bedoeld in subonderdeel 4, of onderdelen hiervan met een branchewaardering;
  • d. ten minste de volgende informatie bevat over elke scholing die daarin is opgenomen:
  • 1°. de naam van de scholing;
  • 2°. het type scholing, aangeduid als mbo, hbo, wo of non-formeel met daarnaast, indien een scholing de aanduiding mbo of non-formeel heeft, een vermelding of de scholing een volledige opleiding is of een onderdeel daarvan;
  • 4°. de naam en het nummer, bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007, van de opleider die de scholing aanbiedt, de opleidingseenheidscode van de scholing in de Registratie instellingen en opleidingen, en voor onderdelen van een beroepsopleiding als bedoeld in onderdeel c, subonderdeel 1°, die kunnen worden afgerond met een mbo-verklaring, de titelvermelding ‘Praktijkleren met de praktijkverklaring; en
  • 5°. een specificatie van een branchewaardering, indien het een opleiding betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdelen 4 en 5.
2.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, mag een ontwikkelpad scholing bevatten die qua inhoud en niveau niet volledig past bij een of meer van de functies of specialisaties in het ontwikkelpad en, indien van toepassing, een NLQF-niveau heeft dat lager ligt dan het niveau van de bijbehorende functie of specialisatie in het ontwikkelpad, mits wordt aangetoond dat de scholing bijdraagt aan de instroom in de functies of specialisaties waartoe de betreffende scholing behoort.

3.

De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld aanvraagformulier dat vergezeld gaat van een specificatie dat de scholing bijdraagt aan de doelen van het ontwikkelpad, qua inhoud en niveau past bij de functies en specialisaties in het ontwikkelpad of voldoet aan het tweede lid, praktijkgericht is en te combineren is met werken in een betaalde baan, overeenkomstig het door de minister vastgestelde model.

4.

Indien het ontwikkelpad scholing bevat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdelen 4 en 5, gaat de aanvraag daarnaast vergezeld van een specificatie dat de betreffende scholing een branchewaardering heeft, wat blijkt uit:

  • a. de opname van de scholing in een collectieve arbeidsovereenkomst die binnen de sector valt waarop het ontwikkelpad betrekking heeft;
  • b. het aanbieden van de scholing door een O&O-fonds of een ander opleidingsfonds dat handelt ten behoeve van werkenden in de sector waarop het ontwikkelpad betrekking heeft;
  • c. een verklaring of bewijs van accreditatie van een landelijke werkgeversorganisatie of een O&O-fonds dan wel een organisatie die wordt bestuurd door ten minste een landelijke werkgeversorganisatie of een O&O-fonds; of
  • d. bewijzen van steunbetuiging, opgesteld overeenkomstig een door de minister vastgesteld model, van een representatieve groep van ondernemingen of andere organisaties.
5.

Aanvragen tot erkenning van ontwikkelpaden kunnen worden ingediend tijdens aanvraagperiodes die door de minister worden bekendgemaakt in de Staatscourant en op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

6.

De minister maakt ontwikkelpaden die hij heeft erkend, bekend op www.rijksoverheid.nl en www.leeroverzicht.nl.

7.

De minister trekt de erkenning van een ontwikkelpad in:

  • a. zodra een ontwikkelpad is erkend dat in de plaats treedt van het betreffende ontwikkelpad;
  • b. op verzoek van degene die heeft verzocht om erkenning van het betreffende ontwikkelpad;
  • c. indien de minister verneemt dat een nieuw ontwikkelpad is vastgesteld dat in de plaats treedt van het erkende ontwikkelpad en degene die heeft verzocht om erkenning van het ontwikkelpad niet in de eerstvolgende aanvraagperiode, bedoeld in het vijfde lid, het vervangende ontwikkelpad heeft aangeboden voor erkenning.
Artikel 3.7. Bemiddeling minister bij niet opnemen scholing in erkend ontwikkelpad
1.

Indien een opleider van oordeel is dat zijn scholing voldoet aan het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, en, indien van toepassing, artikel 3.6, tweede lid, maar de partijen die een ontwikkelpad hebben vastgesteld dat door de minister is erkend, deze scholing niet hierin wil opnemen, kan de opleider aan de minister een verzoek tot bemiddeling doen.

2.

De opleider voegt bij zijn verzoek:

  • a. een verklaring waarom de scholing naar zijn oordeel voldoet aan het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, en, indien van toepassing, artikel 3.6, tweede lid, waar mogelijk voorzien van documenten ter onderbouwing; en
  • b. schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de opleider aan een of meer van de partijen die het erkende ontwikkelpad hebben vastgesteld, heeft verzocht om opname van de scholing in dit ontwikkelpad en, indien hij hierover beschikt, dat dit verzoek is afgewezen en wat de redenen hiervoor waren.
3.

Na ontvangst van het verzoek treedt de minister in overleg met de partijen die het erkende ontwikkelpad hebben vastgesteld en gaat daarbij in elk geval na wat de redenen zijn geweest voor het niet opnemen van de scholing in het ontwikkelpad.

4.

Indien na het overleg overeenstemming wordt bereikt over het opnemen van de scholing in het ontwikkelpad, deelt de minister dit mede aan de opleider en dragen de partijen die het ontwikkelpad hebben vastgesteld er zorg voor dat de scholing in het ontwikkelpad wordt opgenomen en een aanvraag als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, wordt ingediend.

5.

Indien geen overeenstemming wordt bereikt, brengt de minister aan de partijen die het ontwikkelpad hebben vastgesteld een advies uit over de opname van de scholing in het ontwikkelpad, dat hij tevens deelt met de opleider.

6.

De minister kan, onverminderd artikel 3.6, eerste lid, een ontwikkelpad weigeren te erkennen, indien de scholing niet is opgenomen in het te erkennen ontwikkelpad en de minister van oordeel is dat de partijen die het ontwikkelpad hebben vastgesteld de opname van de scholing redelijkerwijs niet achterwege had kunnen laten.

Artikel 3.8. Subsidiabele kosten
1.

Op grond van dit hoofdstuk komen de volgende kosten van werkgevers en collectieven in aanmerking voor subsidie:

  • a. de in een factuur van de opleider vermelde externe kosten van een scholing als bedoeld in artikel 3.5, voor zover het les-, cursus-, college- of examengeld betreft, alsmede kosten van door de opleider verplicht gestelde literatuur, mits deze literatuur direct noodzakelijk is voor het volgen en afronden van de scholing;
  • b. de in een factuur van de opleider vermelde externe kosten van scholing die is gericht op verbetering van de Nederlandse taalbeheersing, mits deze wordt ingezet in combinatie met een scholing als bedoeld in artikel 3.5 en nodig is voor het uitoefenen van de functie in het ontwikkelpad waar de scholing als bedoeld in artikel 3.5 toe behoort en voor zover deze kosten:
  • 1°. les-, cursus-, college- of examengeld betreffen, alsmede kosten van door de opleider verplicht gestelde literatuur, mits deze literatuur direct noodzakelijk is voor het volgen en afronden van de scholing;
  • 2°. niet meer dan 50% van het totaal aan kosten als bedoeld in dit lid bedragen; en
  • 3°. door de opleider in rekening zijn gebracht bij de subsidieaanvrager.
2.

Onverminderd het eerste lid, wordt aan een collectief tevens verstrekt:

  • a. een toeslag van 15% op de kosten, bedoeld in het eerste lid, ter subsidiëring van overige gemaakte kosten;
  • b. een tegemoetkoming in de kosten van een door een accountant opgesteld product als bedoeld in artikel 3.24, vijfde lid, van € 3.000.
3.

De subsidie voor de kosten, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 90% van de kosten indien de scholing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, NLQF-niveau 1, 2 of 3 heeft, en 40% indien de scholing NLQF-niveau 4 of hoger heeft.

4.

Indien de scholing een keuzedeel betreft van een beroepsopleiding middelbaar beroepsonderwijs dat kan worden afgerond met een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3. van de Wet educatie en beroepsonderwijs, bedraagt het subsidiepercentage 90% vanaf het eerstvolgende vaststellingsmoment van de scholingspakketten, vanaf de publicatiedatum van deze wijzigingsregeling.

5.

In het geval van scholing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5, wordt voor de toepassing van het derde lid uitgegaan van het NLQF-niveau dat is vermeld in de aanvraag, bedoeld in artikel 3.5, derde lid. Het derde lid, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing.

6.

Voor zover de kosten, bedoeld in het eerste en tweede lid, bestaan uit kosten van externe opdrachten met een waarde van ten minste € 50.000, zijn deze kosten slechts subsidiabel, indien zij marktconform zijn, wat wordt aangetoond aan de hand van:

  • a. een offerteprocedure waarbij ten minste drie offertes zijn aangevraagd en beoordeeld; of
  • b. een transparante, objectieve en niet-discriminatoire aanbestedingsprocedure.
7.

Marktconformiteit als bedoeld in het zesde lid, hoeft niet te worden aangetoond voor opleidingen waarvoor het lesgeld wettelijk is vastgesteld, zoals bedoeld in artikel 7.4.2. van de Wet educatie en beroepsonderwijs of artikel 7.43 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Artikel 3.9. Niet subsidiabele kosten
1.

Niet subsidiabel zijn btw en kosten waarvoor op grond van deze of een andere regeling reeds subsidie of een andere financiële bijdrage is verstrekt of zal worden verstrekt.

2.

Aanvragen voor scholing komen niet voor subsidie in aanmerking indien de scholing wordt uitgevoerd door:

  • a. de subsidieontvanger of een partij in het samenwerkingsverband;
  • b. een organisatie die, direct of indirect, is vertegenwoordigd in het bestuur van de subsidieontvanger of in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband;
  • c. een organisatie waarin één of meer van dezelfde partijen in het bestuur zijn vertegenwoordigd, die tegelijkertijd ook:
  • 1°. in het bestuur van de subsidieontvanger zijn vertegenwoordigd; of
  • 2°. in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband zijn vertegenwoordigd;
  • d. een organisatie waarin een persoon een financieel belang heeft of bestuurder is van die organisatie, en die persoon ook werkzaam is voor:
  • 1°. de subsidieontvanger; of
  • 2°. een partij uit het samenwerkingsverband;
  • e. een organisatie waarin de subsidieontvanger of een partij uit het samenwerkingsverband, direct of indirect invloed kan uitoefenen of een financieel belang heeft; of
  • f. een organisatie waarin zich een belangenconflict voordoet of kan voordoen als gevolg van familiebanden, persoonlijke relaties, politieke gezindheid of nationaliteit, economische belangen of elk ander direct of indirect persoonlijk belang, waarmee de onpartijdige en objectieve uitoefening van de functies van een financiële actor of andere persoon die bij de uitvoering van het initiatief betrokken is, in gevaar is of in gevaar kan worden gebracht; of
Artikel 3.10. Subsidiebedrag collectief

De subsidie die aan een collectief wordt verstrekt, bedraagt ten minste € 125.000 per aanvraag.

Artikel 3.11. Looptijd subsidiabele activiteiten collectief
1.

De voor subsidie in aanmerking komende kosten van een collectief worden gemaakt in een door de minister aangewezen periode.

2.

De eerste dag van het tijdvak voor collectieve aanvragen waarin de aanvraag is ingediend wordt aangemerkt als de startdatum van de periode. De periode eindigt uiterlijk voor collectieve aanvragen ingediend in het daarvoor bestemde tijdvak:

  • –. in kalenderjaar 2025 op 31 december 2027; en
  • –. in kalenderjaar 2026 op 31 december 2028.
Artikel 3.12. Aanvraagtijdvakken

De minister stelt vast binnen welke tijdvakken bij de minister subsidies kunnen worden aangevraagd door werkgevers en door collectieven. Tijdvakken worden bekendgemaakt in de Staatscourant en op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Artikel 3.13. Subsidieplafond
1.

De minister stelt per aanvraagtijdvak subsidieplafonds vast voor subsidies voor werkgevers en voor collectieven. Subsidieplafonds worden bekendgemaakt in de Staatscourant en op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

2.

De minister bepaalt per erkend ontwikkelpad dat voldoet aan artikel 3.5, tweede lid, onderdeel b, of per groep van zodanige ontwikkelpaden welk deel van het subsidieplafond, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, beschikbaar is voor de scholing in het ontwikkelpad, respectievelijk de tot de groep behorende ontwikkelpaden en maakt deze verdeling bekend op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

3.

Indien het bedrag dat beschikbaar is in een aanvraagtijdvak niet volledig wordt benut, kan de minister de resterende middelen toevoegen aan de middelen van een ander aanvraagtijdvak in hetzelfde kalenderjaar of, indien middelen zijn overgebleven in het aanvraagtijdvak, genoemd in artikel 3.12, onderdeel b, de verdeling, bedoeld in het tweede lid, herzien. De minister maakt de verschuivingen van het beschikbare budget bekend op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Artikel 3.14. Subsidieaanvraag werkgever
1.

Een werkgever dient de subsidieaanvraag in door middel van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld aanvraagformulier dat vergezeld gaat van:

  • a. een factuur waaruit blijkt dat scholing is ingekocht en die ten minste de door de minister te bepalen informatie bevat;
  • b. een bewijs dat de subsidieaanvrager de scholing, bedoeld in onderdeel a, heeft betaald;
  • c. een verklaring dat de scholing wordt ingezet in combinatie met een scholing als bedoeld in artikel 3.5 en nodig is voor het uitoefenen van de functie in het ontwikkelpad waar de scholing, bedoeld in artikel 3.5, toe behoort, voor zover het scholing betreft, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onderdeel b; en
2.

Een werkgever kunnen per aanvraag subsidie aanvragen voor een bedrag dat lager is dan € 25.000.

3.

Door het indienen van een aanvraag stemt de subsidieaanvrager ermee in dat het subsidiedossier, met uitzondering van persoonsgegevens, openbaar wordt gemaakt.

4.

De minister maakt de informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en wijzigingen hiervan bekend op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Artikel 3.15. Subsidieaanvraag collectief
1.

Een collectief dient de subsidieaanvraag in door middel van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld aanvraagformulier dat vergezeld gaat van:

  • a. een activiteitenplan;
  • b. een begroting; en
2.

Indien het collectief een bij overeenkomst vastgelegd samenwerkingsverband is, wordt de aanvraag ingediend door de hoofdaanvrager van het collectief en gaat de subsidieaanvraag, onverminderd het eerste lid, vergezeld van:

  • a. een door alle deelnemers aan het collectief getekende samenwerkingsovereenkomst, waaruit in ieder geval blijkt dat de hoofdaanvrager als zodanig is aangewezen en gemachtigd is om het collectief in en buiten rechte te vertegenwoordigen; en
  • b. een intentieverklaring tot samenwerking in het collectief, ondertekend door een daartoe bevoegd gemachtigde; en
  • c. een bewijs dat de hoofdaanvrager van het collectief de houder is van het bankrekeningnummer dat in de aanvraag is opgenomen.
3.

Alleen een werkgeversvereniging, werknemersvereniging, O&O-fonds of koepelorganisatie kunnen worden aangewezen als hoofdaanvrager van een collectief.

4.

Het activiteitenplan, de begroting en de verklaring, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, worden opgesteld overeenkomstig het door de minister vastgestelde model.

5.

Voor zover het collectief voor dezelfde begrote kosten of een deel daarvan ook subsidie of een andere financiële bijdrage heeft aangevraagd of zal aanvragen bij een ander bestuursorgaan of rechtspersoon, doet hij daarvan mededeling in de subsidieaanvraag, onder vermelding van de stand van zaken van de beoordeling van die andere aanvraag.

6.

Door het indienen van een aanvraag stemt het collectief ermee in dat het subsidiedossier, met uitzondering van persoonsgegevens, openbaar wordt gemaakt.

Artikel 3.16. Verplichte deelname centrumgemeente aan collectief
1.

Een centrumgemeente als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van het Besluit SUWI kan voor 30 juni van het lopende kalenderjaar aan de minister melden dat zij onderdeel uit wil maken van een collectief dat op grond van deze regeling subsidie aan zal vragen, met dien verstande dat voor het jaar 2026 geldt dat deelname aan het collectief uiterlijk 26 maart 2026 op de daarvoor gebruikelijke wijze gemeld dient te zijn.

2.

De centrumgemeente doet de melding met gebruikmaking van het door de minister ter beschikking gestelde formulier en geeft daarbij aan ten aanzien van welke van de volgende ontwikkelpaden zij onderdeel wil uitmaken van een collectief:

  • a. erkende ontwikkelpaden;
  • b. ontwikkelpaden waarvoor op dat moment een aanvraag om erkenning is ingediend; of
  • c. ontwikkelpaden waarvan reeds bekend is dat die voor het volgende erkenningsmoment aan de minister worden aangeboden.
3.

De minister maakt de centrumgemeenten die een melding hebben gedaan en de erkende ontwikkelpaden waar de melding betrekking op heeft bekend op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

4.

Indien een collectief subsidie aanvraagt voor scholing uit een of meer erkende ontwikkelpaden ten aanzien waarvan een of meer centrumgemeenten een melding hebben gedaan, maken deze centrumgemeenten tevens onderdeel uit van het collectief.

5.

Het vierde lid is niet van toepassing op de centrumgemeente die:

  • a. na het doen van de melding heeft verklaard geen onderdeel uit te willen maken van het collectief;
  • b. geen overeenstemming heeft bereikt met de partijen in het collectief over deelname aan het collectief, mits door het collectief is onderbouwd dat met de betreffende centrumgemeente redelijkerwijs geen overeenstemming kon worden bereikt.
6.

Indien er sprake is van de situatie, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, voegt het collectief, onverminderd artikel 3.15, eerste en tweede lid, bij de aanvraag een onderbouwing waaruit blijkt dat met de betreffende centrumgemeente redelijkerwijs geen overeenstemming over de deelname aan het collectief kon worden bereikt.

Artikel 3.17. Wijze van verdeling
1.

Subsidieaanvragen worden behandeld op volgorde van ontvangst, waarbij alleen volledige subsidieaanvragen in behandeling worden genomen.

2.

Een aanvraag is volledig wanneer:

  • a. het elektronische formulier en de bijbehorende bijlagen volledig zijn;
  • b. de aanvraag is ondertekend door een functionaris, bevoegd om namens de subsidieaanvrager te handelen; en
  • c. binnen het aanvraagtijdvak is ontvangen door de minister.
3.

Voor onvolledige subsidieaanvragen geldt, na aanvulling door de subsidieaanvrager, de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag als datum van binnenkomst.

4.

Indien na sluiting van het aanvraagtijdvak voor collectieven uit een beoordeling van de ontvangen subsidieaanvragen blijkt dat het van toepassing zijnde deel van het subsidieplafond, bedoeld in artikel 3.13, tweede lid, zal worden overschreden, verdeelt de minister, in afwijking van het eerste lid, het beschikbare subsidieplafond evenredig over de ingediende aanvragen die voldoen aan de voorwaarden, met dien verstande dat:

  • a. de subsidieverlening € 125.000 bedraagt als bedoeld in artikel 3.10 indien door evenredige verdeling het bedrag lager uitvalt dan dit bedrag; en
  • b. het resterende deel van het subsidieplafond naar rato over de resterende aanvragen wordt verdeeld.
Artikel 3.18. Beschikking tot subsidieverlening
1.

Op aanvragen van een werkgever beslist de minister binnen 13 weken na de subsidieaanvraag.

2.

Op aanvragen van een collectief beslist de minister binnen 13 weken na afloop van het aanvraagtijdvak op de subsidieaanvraag.

3.

Onverminderd artikel 4.2, eerste lid, van de Kaderregeling vermeldt de beschikking tot subsidieverlening in ieder geval de wijze van bevoorschotting.

Artikel 3.19. Bevoorschotting collectief
1.

De minister kan bij de beschikking tot subsidieverlening aan een collectief een voorschot verlenen van 25% van de verleende subsidie en, indien de looptijd, bedoeld in artikel 3.11, meer dan twaalf maanden bedraagt, een aanvullend voorschot van 50% van de verleende subsidie.

2.

Het aanvullend voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt uitbetaald na indiening van de voortgangsrapportage.

Artikel 3.20. Weigeringsgronden
1.

Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidie geheel of gedeeltelijk geweigerd, indien de subsidieaanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde eisen.

2.

Indien bij subsidieverlening het totaal aan subsidieverleningen aan één individuele aanvrager het bedrag van € 100.000,– per kalenderjaar zou overschrijden, wordt het deel van de aanvraag geweigerd dat zou leiden tot overschrijding van de € 100.000,–.

3.

De subsidie wordt ook geweigerd indien het activiteitenplan de aannemelijkheid van de omvang en invulling van de aanvraag, of de haalbaarheid van de realisatie van het plan onvoldoende onderbouwt.

Artikel 3.21. Subsidieverplichtingen collectief

Een collectief is verplicht om door haar ingekochte scholing aan te bieden aan alle begunstigden en, voor zover hij de verleende subsidie gebruikt voor het vergoeden van scholingskosten, om elke werkgever de gelegenheid te geven een verzoek tot vergoeding van scholingskosten bij het collectief in te dienen.

Artikel 3.22. Administratievoorschriften collectief
1.

Onverminderd artikel 5.2 van de Kaderregeling, bevat de administratie van een collectief ten minste:

  • b. een verklaring dat de scholing wordt ingezet in combinatie met een scholing als bedoeld in artikel 3.5 en nodig is voor het uitoefenen van de functie in het ontwikkelpad waar de scholing, bedoeld in artikel 3.5, toe behoort, voor zover het scholing betreft, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onderdeel b;
  • c. schriftelijke verklaringen van de personen, bedoeld in onderdeel a, waaruit blijkt dat zij met de scholing zijn gestart en deze kosteloos volgen; en
  • d. facturen en betaalbewijzen van de ingekochte scholing.
2.

Indien het collectief een bij overeenkomst vastgelegd samenwerkingsverband is, ziet de hoofdaanvrager van het collectief erop toe dat wordt voldaan aan het eerste lid en artikel 5.2 van de Kaderregeling en verstrekt hij op verzoek aan de minister alle informatie uit de administratie die de minister in het kader van de subsidieverstrekking nodig acht.

3.

De facturen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, bevatten ten minste de door de minister te bepalen informatie. Artikel 3.14, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.23. Voortgangsrapportage
1.

Indien de duur van de subsidiabele activiteiten meer dan twaalf maanden bedraagt, dient een collectief waaraan subsidie is verleend op grond van dit hoofdstuk op de tijdstippen, genoemd in de beschikking tot subsidieverlening, een voortgangsrapportage in.

2.

De voortgangsrapportage heeft betrekking op een periode van twaalf maanden, gerekend vanaf de dag na de datum van indiening van de subsidieaanvraag dan wel, indien het een voortgangsrapportage betreft die volgt op een eerdere voortgangsrapportage, een periode van twaalf maanden volgend op de periode waarop de laatste voortgangsrapportage betrekking heeft.

3.

De minister stelt het model van de voortgangsrapportage vast.

Artikel 3.24. Subsidievaststelling
1.

De minister bepaalt voorafgaande aan het vaststellen van de subsidie op basis van een steekproef aan welke werkgevers waaraan een subsidie is verleend op grond van deze regeling hij een verzoek doet als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Kaderregeling.

2.

De minister neemt binnen 35 weken na indiening van de subsidieaanvraag ambtshalve een besluit over de vaststelling van de aan een werkgever verleende subsidie.

3.

Een collectief waaraan subsidie is verstrekt op grond van dit hoofdstuk dient binnen 22 weken na afloop van de in de beschikking tot subsidieverlening bepaalde periode, een verzoek in tot vaststelling van de subsidie met gebruikmaking van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier.

4.

Het activiteitenverslag en het financieel verslag, bedoeld in artikel 7.8 van de Kaderregeling, worden opgesteld overeenkomstig het door de minister vastgestelde model.

5.

In afwijking van artikel 1.1 van de Kaderregeling, gaat het financieel verslag vergezeld van het door een accountant opgestelde product dat is voorgeschreven in het op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl gepubliceerde accountantsprotocol.

6.

De subsidieontvanger verstrekt bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie het burgerservicenummer van alle personen die de scholing volgen of hebben gevolgd, die met de verleende subsidie is ingekocht.

Artikel 3.25. Intrekking en terugvordering
1.

Onverminderd artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de beschikking tot subsidieverlening geheel ingetrokken indien:

  • a. de subsidie niet is besteed aan de in de beschikking tot subsidieverlening toegekende subsidiabele kosten;
  • b. de in de beschikking tot subsidieverlening opgegeven verplichtingen niet zijn nageleefd.
2.

De beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling kan, in afwijking van het eerste lid, gedeeltelijk worden ingetrokken indien er naar het oordeel van de minister geen aanleiding is de subsidie geheel in te trekken.

3.

Indien de beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken, wordt het aan de subsidieontvanger betaalde voorschot respectievelijk het subsidiebedrag dat tot dat moment is uitgekeerd, vermeerderd met de wettelijke rente, geheel of gedeeltelijk teruggevorderd van de subsidieontvanger.

Hoofdstuk 4. Hardheidsclausule en slotbepalingen

Artikel 4.1. Hardheidsclausule

De minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 4.2. Evaluatie van de regeling
1.

De minister draagt zorg voor de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling.

2.

De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling en de ontwikkeling van het beleid van de minister. De subsidieontvanger verstrekt in dat kader de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden.

Artikel 4.3. Inwerkingtreding en vervaldatum
1.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020 en vervalt met ingang van 1 januari 2030, met uitzondering van hoofdstuk 3, dat vervalt met ingang van 1 januari 2028.

2.

In afwijking van het eerste lid blijft deze regeling, zoals deze luidde op 31 december 2027 respectievelijk 31 december 2029, van toepassing op de afwikkeling van verleende subsidies op grond van hoofdstuk 3 respectievelijk hoofdstuk 2 van deze regeling.

Artikel 4.4. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: SLIM-regeling.

Bijlage I. Behorend bij artikel 2.5 van deze regeling

Gedragscode

Bijlage II. Behorend bij artikel 3.1 van deze regeling

Beroepsgroep Uitzonderingen
0111 Docenten hoger onderwijs en hoogleraren
0112 Docenten beroepsgerichte vakken secundair onderwijs
0113 Docenten algemene vakken secundair onderwijs
0114 Leerkrachten basisonderwijs
0115 Onderwijskundigen en overige docenten
0131 (Pedagogisch) medewerkers kinderopvang en onderwijsassistenten
0711 Biologen en natuurwetenschappers
0712 Ingenieurs (geen elektrotechniek)
0713 Elektrotechnisch ingenieurs
0714 Architecten
0721 Technici bouwkunde en natuur
0722 Productieleiders industrie en bouw
0723 Procesoperators
0731 Bouwarbeiders ruwbouw
0732 Timmerlieden
0733 Bouwarbeiders afbouw
0734 Loodgieters en pijpfitters
0735 Schilders en metaalspuiters
0741 Metaalbewerkers en constructiewerkers
0742 Lassers en plaatwerkers
0743 Automonteurs
0744 Machinemonteurs
0751 Slagers
0752 Bakkers
0753 Productcontroleurs Tabaksbereiders en vervaardigers van tabaksproducten
0754 Meubelmakers, kleermakers en stoffeerders
0755 Medewerkers drukkerij en kunstnijverheid Drukkerijmedewerkers
0761 Elektriciens en elektronicamonteurs
0771 Productiemachinebedieners
0772 Assemblagemedewerkers
0781 Hulpkrachten bouw en industrie
0811 Software- en applicatieontwikkelaars
0812 Databank- en netwerkspecialisten
0821 Gebruikersondersteuning ICT
0822 radio en televisietechnici
0911 Land- en bosbouwers
0912 Hoveniers, tuinders en kwekers Sierteelt en perkplanten
0913 Veetelers
0921 Hulpkrachten landbouw
1011 Artsen
1012 Gespecialiseerd verpleegkundigen
1013 Fysiotherapeuten Alternatief genezers
1021 Maatschappelijk werkers
1022 Psychologen en sociologen Theologen en voorgangers van de eredienst, sociologen, antropologen, filosofen, historici en politicologen
1031 Laboranten
1032 Apothekersassistenten
1033 Verpleegkundigen (mbo)
1034 Medisch praktijkassistenten
1035 Medisch vakspecialisten Vakspecialisten alternatieve geneeskunde
1041 Sociaal werkers, groeps- en woonbegeleiders Pastoraal werkers, juridisch medewerkers
1051 Verzorgenden
1215 Bedieners mobiele machines
Beroepen Sector
--- ---
Administratief medewerkers Onderwijs
Secretaresses Onderwijs
Receptionisten Onderwijs
Telefonisten Onderwijs
Boekhoudkundig medewerkers Onderwijs
Conciërges Onderwijs
Teamleiders schoonmaak Onderwijs
Ecologen Groen
Vergunningverleners Groen
Geografisch sociologen Groen
Agrarische bedrijfsadviseurs Groen
Agrarische loonwerkers Groen
Loonwerkers in relatie tot natuurbeheer Groen
Landschapsarchitecten Groen
Planologen Groen
Stedenbouwkundigen Groen
Dierverzorgers Groen
Beroepen in de visserijketen Groen
Beroepen in de veredeling Groen
Managers binnen landbouw, bosbouw en visserij Groen
Managers aquacultuur en visserij Groen
Huishoudelijke hulp Zorg
Energiefixberoepen Energie
Cybersecurity specialisten ICT

Deze regeling zal met toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 4.1a. Overgangsbepaling bij verduidelijking en aanscherping hoofdstuk 3

Op subsidieaanvragen die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 juli 2025, nr. 2025-0000095142, tot wijziging van de SLIM-regeling met name in verband met het verduidelijken en aanscherpen van de regels voor de subsidieverstrekking ten behoeve van scholing in sectorale ontwikkelpaden, blijft de SLIM-regeling van toepassing zoals die luidde op de dag voor het genoemde tijdstip.

Bijlage I. Behorend bij artikel 2.5 van deze regeling

Gedragscode

Bijlage II. Behorend bij artikel 3.1 van deze regeling

Beroepsgroep Uitzonderingen
0111 Docenten hoger onderwijs en hoogleraren
0112 Docenten beroepsgerichte vakken secundair onderwijs
0113 Docenten algemene vakken secundair onderwijs
0114 Leerkrachten basisonderwijs
0115 Onderwijskundigen en overige docenten
0131 (Pedagogisch) medewerkers kinderopvang en onderwijsassistenten
0711 Biologen en natuurwetenschappers
0712 Ingenieurs (geen elektrotechniek)
0713 Elektrotechnisch ingenieurs
0714 Architecten
0721 Technici bouwkunde en natuur
0722 Productieleiders industrie en bouw
0723 Procesoperators
0731 Bouwarbeiders ruwbouw
0732 Timmerlieden
0733 Bouwarbeiders afbouw
0734 Loodgieters en pijpfitters
0735 Schilders en metaalspuiters
0741 Metaalbewerkers en constructiewerkers
0742 Lassers en plaatwerkers
0743 Automonteurs
0744 Machinemonteurs
0751 Slagers
0752 Bakkers
0753 Productcontroleurs Tabaksbereiders en vervaardigers van tabaksproducten
0754 Meubelmakers, kleermakers en stoffeerders
0755 Medewerkers drukkerij en kunstnijverheid Drukkerijmedewerkers
0761 Elektriciens en elektronicamonteurs
0771 Productiemachinebedieners
0772 Assemblagemedewerkers
0781 Hulpkrachten bouw en industrie
0811 Software- en applicatieontwikkelaars
0812 Databank- en netwerkspecialisten
0821 Gebruikersondersteuning ICT
0822 radio en televisietechnici
0911 Land- en bosbouwers
0912 Hoveniers, tuinders en kwekers Sierteelt en perkplanten
0913 Veetelers
0921 Hulpkrachten landbouw
1011 Artsen
1012 Gespecialiseerd verpleegkundigen
1013 Fysiotherapeuten Alternatief genezers
1021 Maatschappelijk werkers
1022 Psychologen en sociologen Theologen en voorgangers van de eredienst, sociologen, antropologen, filosofen, historici en politicologen
1031 Laboranten
1032 Apothekersassistenten
1033 Verpleegkundigen (mbo)
1034 Medisch praktijkassistenten
1035 Medisch vakspecialisten Vakspecialisten alternatieve geneeskunde
1041 Sociaal werkers, groeps- en woonbegeleiders Pastoraal werkers, juridisch medewerkers
1051 Verzorgenden
1215 Bedieners mobiele machines
Beroepen Sector
--- ---
Administratief medewerkers Onderwijs
Secretaresses Onderwijs
Receptionisten Onderwijs
Telefonisten Onderwijs
Boekhoudkundig medewerkers Onderwijs
Conciërges Onderwijs
Teamleiders schoonmaak Onderwijs
Ecologen Groen
Vergunningverleners Groen
Geografisch sociologen Groen
Agrarische bedrijfsadviseurs Groen
Agrarische loonwerkers Groen
Loonwerkers in relatie tot natuurbeheer Groen
Landschapsarchitecten Groen
Planologen Groen
Stedenbouwkundigen Groen
Dierverzorgers Groen
Beroepen in de visserijketen Groen
Beroepen in de veredeling Groen
Managers binnen landbouw, bosbouw en visserij Groen
Managers aquacultuur en visserij Groen
Huishoudelijke hulp Zorg
Energiefixberoepen Energie
Cybersecurity specialisten ICT

Deze regeling zal met toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)