Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 13 oktober 2020, kenmerk 2020043936, voor de toekenning en vaststelling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraars 2021 (Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2021)

Type ZBO-regeling
Publication 2022-12-21
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

gelet op de artikelen 32, vijfde lid, en 34, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet en de brief van de minister van VWS van 7 oktober 2020, kenmerk 1758789-212351-Z;

Besluit:

Hoofdstuk 1. I Algemene bepalingen

1.1. Definities

Deze beleidsregels verstaan onder:

  • belastingdienstbestand: het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van de Belastingdienst naar inkomen met gepseudonimiseerde adresgegevens voor een peiljaar;
  • coronakosten: kosten voor de op grond van de zorgverzekeringen verzekerde zorg of andere diensten ten gevolge van de coronapandemie;
  • COVID-19: de ziekte die door het virus SARS-CoV-2 veroorzaakt wordt;
  • DX-groep: Een DX-groep bestaat uit een in het referentiebestand DKG’s gedefinieerde combinatie van specialisme- en diagnosecodes die dient om verzekerden in te delen. Eén of meer DX-groepen vormen samen een klasse voor het criterium DKG’s. Indeling in een DX-groep leidt tot indeling in de bijbehorende klasse voor het criterium DKG’s;
  • macroverzekerden-raming: de raming van het aantal verzekerden op macroniveau op basis van de opgave van de zorgverzekeraars en trends van het CBS naar aantal inwoners in Nederland voor het jaar 2021;
  • PKB: persoonskenmerkenbestand. Een bestand dat bestaat uit de opgave van de zorgverzekeraar met per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres. Dit bestand wordt jaarlijks opgesteld aan de hand van opgaven van de zorgverzekeraars. Voor het PKB 2020 is de peildatum 1 mei 2020 en de aanleverdatum 1 juni 2020;
  • prestatie continuïteitsbijdrage: kosten die voldoen aan de voorwaarden, voorschriften en beperkingen voor de continuïteitsbijdragen als gesteld in de Prestatiebeschrijvingbeschikking continuïteitsbijdrage en meerkosten in verband met de uitbraak van het SARS-CoV-2 virus van de NZa (TB/REG-20656-01);
  • Regeling: Regeling risicoverevening 2021;
  • trendtabel: door het Zorginstituut per criterium opgestelde tabel met trendfactoren die voor het betreffende criterium de geraamde prevalentieontwikkeling weergeeft, zoals opgenomen in de Verantwoording Verzekerdenraming 2021 en gepubliceerd op de website van het Zorginstituut. De trendfactor geeft de mutatie van verzekerden per risicoklasse weer;
  • UWV-bestand: het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van het UWV naar inkomensbron voor een peiljaar;
  • verrekening in verband met inhaalzorg: de verrekening van de continuïteitsbijdrage met omzet gedurende de maanden dat de continuïteitsbijdrage van toepassing is en met omzet die het gevolg is van een eventuele hogere productie als gevolg van inhaaleffecten daarna, blijkend uit een afspraak tussen de zorgverzekeraar en de zorgaanbieder daarover;
  • VPPKB: verzekerde periode en persoonskenmerkenbestand. Een bestand dat bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft de opgave van de zorgverzekeraar van verzekerden mét een geverifieerd gepseudonimiseerd Burgerservicenummer dat per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer de verzekerde periode, de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres bevat. Het tweede deel betreft de opgave van de zorgverzekeraar van verzekerden zonder een geverifieerd Burgerservicenummer en verzekerden zonder Burgerservicenummer dat per verzekerde de verzekerde periode, de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand en geboortejaar en viercijferige postcode bevat. Dit bestand wordt jaarlijks opgesteld aan de hand van opgaven van de zorgverzekeraars. Voor het VPPKB 2021 is de aanleverdatum 1 juni 2022;
  • verzekerde die in het buitenland woont: een persoon die een zorgverzekering heeft afgesloten en geen ingezetene van Nederland is;
  • zelfstandigenbestand: bestand van de Belastingdienst met een uittreksel van het zelfstandigenregister voor een peiljaar, bestaande uit twee delen. Het eerste deel is het bestand aangeleverd in de maand juli van het peiljaar en heeft betrekking op de directeuren grootaandeelhouders. Het tweede deel betreft het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand dat wordt gebruikt voor de overige zelfstandigen;
  • zwaarte: het deel waarvoor de verzekerde meetelt in een betreffende klasse.

1.2. Algemene bepaling

Het Zorginstituut neemt de bepalingen uit het Besluit zorgverzekering en de Regeling in acht bij de toepassing van deze beleidsregels.

1.3. Algemene bepaling in verband met COVID-19

    1. Het Zorginstituut laat kosten die als catastrofeschadelast kunnen worden opgevoerd buiten beschouwing bij de ex post vaststellingen van de vereveningsbijdrage voor het vereveningsjaar 2021.
    1. Het Zorginstituut laat de declaraties die betrekking hebben op de reguliere directe kosten voor COVID-zorg voor COVID-patiënten en kosten die als catastrofeschadelast kunnen worden opgevoerd buiten beschouwing bij de indeling van verzekerden naar criteria voor het vereveningsjaar 2021.
    1. Het Zorginstituut telt de continuïteitsbijdrage uitsluitend mee bij de risicoverevening voor zover:
  • a. de continuïteitsbijdrage betrekking heeft op de basisverzekering, blijkend uit een deugdelijke onderbouwing in de schriftelijke afspraken over de prestatie continuïteitsbijdrage tussen zorgverzekeraar en zorgaanbieder daarover; en
  • b. de zorgverzekeraar de verrekening in verband met inhaalzorg op de continuïteitsbijdrage in mindering heeft gebracht.
    1. Het Zorginstituut betrekt bij de ex post vaststellingen van de vereveningsbijdragen, naast de gebruikelijke correcties genoemd in artikel 6.1, de correcties van de Nederlandse Zorgautoriteit op de continuïteitsbijdragen.

1.4. Zorgverzekeraars

Het Zorginstituut gaat bij de verdeling van de macro-deelbedragen 2021 en de berekening van de normatieve bedragen en de vereveningsbijdragen ervan uit dat alle zorgverzekeraars die gedurende 2020 actief zijn geweest ook in 2021 als zorgverzekeraar actief zullen zijn.

Hoofdstuk 2. II Toekenning van de vereveningsbijdrage 2021 aan een zorgverzekeraar

2.1. Algemene bepaling voor de raming van de verzekerdenaantallen

    1. Het Zorginstituut baseert zich bij de raming van de verzekerdenaantallen 2021 op de macroverzekerdenraming.
    1. Het Zorginstituut baseert zich bij de raming van de verzekerdenaantallen 2021 per zorgverzekeraar op het PKB 2020 met als peildatum 1 mei 2020, zoals de zorgverzekeraars dat hebben aangeleverd op 1 juni 2020.
    1. Het Zorginstituut deelt verzekerden zonder Burgerservicenummer en verzekerden zonder geverifieerd Burgerservicenummer niet in bij een criterium.
    1. Wanneer een verzekerde bij meerdere zorgverzekeraars tegelijkertijd is ingeschreven, past het Zorginstituut artikel 10 van de Regeling toe.
    1. Het Zorginstituut beschrijft de wijze waarop de verzekerden zijn geraamd in de Verantwoording Verzekerdenraming 2021 die op de website van het Zorginstituut is gepubliceerd.

2.2. De verzekerdenaantallen 2021 voor het macro-deelbedrag variabele zorgkosten

    1. Het Zorginstituut deelt voor het macro-deelbedrag variabele zorgkosten verzekerden in bij de criteria leeftijd en geslacht, FKG’s, DKG’s, HKG’s, AVI, regio, SES, PPA, MHK, FDG en MVV.
    1. In afwijking van het eerste lid deelt het Zorginstituut verzekerden die in het buitenland wonen niet in bij de criteria regio, SES en PPA.
    1. Met inachtneming van artikel 6 van de Regeling deelt het Zorginstituut alle verzekerden die in het buitenland wonen in voor het criterium FKG’s in de klasse 'Geen FKG', voor het criterium DKG’s in de klasse ‘Geen DKG’, voor het criterium HKG’s in de klasse ‘Geen HKG’ en voor het criterium FDG in de klasse ‘Geen FDG’.

2.3. De verzekerdenaantallen 2021 voor het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg

    1. Het Zorginstituut deelt voor het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg verzekerden van achttien jaar en ouder in bij de criteria leeftijd en geslacht, FKG GGZ, DKG GGZ, AVI, GGZ-regio, SES, PPA en GGZ-MHK.
    1. In afwijking van het eerste lid deelt het Zorginstituut verzekerden die in het buitenland wonen niet in bij de criteria GGZ-regio, SES en PPA.
    1. Met inachtneming van artikel 6 van de Regeling deelt het Zorginstituut alle verzekerden die in het buitenland wonen in voor het criterium FKG GGZ in de klasse 'Geen FKG psychische aandoeningen' en voor het criterium DKG GGZ in de klasse ‘Geen DKG psychische aandoeningen’.

2.4. De verzekerdenaantallen 2021 voor de normatieve eigen risico opbrengst

    1. Het Zorginstituut deelt voor de normatieve eigen risico opbrengst verzekerden van achttien jaar en ouder die zowel onder de klasse ‘Geen FKG’, als onder de klassen ‘Geen DKG’, ‘Geen HKG’, ‘Geen MVV’ en ‘Geen FDG’ vallen en niet worden ingedeeld bij MHK-klasse ‘2 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 10 procent’ of hoger, in bij de criteria leeftijd en geslacht, AVI, regio en MHK.
    1. Het Zorginstituut deelt voor het normatieve eigen risico verzekerden die in het buitenland wonen niet in bij het criterium regio.

2.5. Leeftijd en geslacht

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium leeftijd en geslacht per zorgverzekeraar op het PKB 2020.
    1. Het Zorginstituut bepaalt op basis van het eerste lid in welke leeftijds- en geslachtsklasse de verzekerde wordt ingedeeld.
    1. Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium leeftijd en geslacht naar de macroverzekerdenraming.

2.6. FKG

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FKG’s per zorgverzekeraar op:
  • a. de indeling in FKG klassen 2021 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 1 van deze Beleidsregels;
  • b. de opgave per 1 juni 2020 van declaraties farmaceutische hulp 2019 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut;
  • c. de opgave per 1 juni 2020 van declaraties add-ons duur of weesgeneesmiddel 2018 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut;
  • d. de opgave per 1 juni 2019 van declaraties farmaceutische hulp 2018 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
    1. Het Zorginstituut koppelt de opgaven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, c en d, met behulp van het gepseudonimiseerde Burgerservicenummer aan het PKB 2020 en bepaalt op basis hiervan en met inachtneming van artikel 9, tweede en derde lid, van de Regeling en bijlage 1 van deze Beleidsregels, in welke FKG klassen de verzekerde valt. Aan de verzekerde koppelt het Zorginstituut een zwaarte van 1 voor de betreffende klassen.
    1. Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium FKG’s 2021 de trendtabel voor dit criterium toe voor de geraamde prevalentieontwikkeling. Het Zorginstituut vermenigvuldigt de zwaarte, genoemd in het tweede lid, met de toepasselijke trendfactor uit de trendtabel.
    1. Het Zorginstituut past op de verzekerden in de FKG klasse ‘Groeistoornissen o.b.v. add-on’, de FKG klasse ‘Auto-immuunziekten o.b.v. add-on’, de FKG klasse ‘Immunoglobuline o.b.v. add-on’, de FKG klasse ‘COPD/Zware astma o.b.v. add-on’, de FKG klasse ‘Kanker o.b.v. add-on’, de FKG klasse ‘Extreem hoge kosten cluster 1’, de FKG klasse ‘Extreem hoge kosten cluster 2’, de FKG klasse ‘Extreem hoge kosten cluster 3’ en de FKG klasse ‘Extreem hoge kosten cluster 4’ een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft met het VPPKB 2019.
    1. Het Zorginstituut past op verzekerden die in het PKB 2020 voor het eerst voorkomen per FKG klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PKB toe.
    1. Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FKG’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FKG’ in.
    1. Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FKG’s naar de macroverzekerdenraming.

2.7. DKG’s

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium DKG’s per zorgverzekeraar op:
  • a. de indeling in DKG klassen 2021 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 2 van deze Beleidsregels;
  • b. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2020 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van dbc’s die in 2018 geopend zijn;
    1. Het Zorginstituut koppelt de opgaven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met behulp van het gepseudonimiseerde Burgerservicenummer aan het VPPKB 2019 en bepaalt op basis hiervan en met inachtneming van bijlage 2 van deze Beleidsregels, in welke DKG klassen ‘1’ tot en met ‘26’ de verzekerde valt. Het Zorginstituut deelt een verzekerde op grond van een DX-groep in bij een DKG-klasse, waarbij elke indeling in een DX-groep eenmaal, met zwaarte van 1 tot indeling bij de desbetreffende risicoklasse leidt. Het Zorginstituut stelt voor elke keer dat de verzekerde in de toepasselijke risicoklasse valt, de zwaarte op 1.
    1. Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium DKG’s de trendtabel voor dit criterium toe voor de geraamde prevalentieontwikkeling. Het Zorginstituut vermenigvuldigt de zwaarte, genoemd in het vorige lid, met de toepasselijke trendfactor uit de trendtabel.
    1. Het Zorginstituut past op de verzekerden die in het VPPKB 2019 voor het eerst voorkomen per DKG klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het VPPKB 2019 toe. Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PKB 2020 en past hierop een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft. Het Zorginstituut past op verzekerden die in het PKB 2020 voor het eerst voorkomen per DKG klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PKB toe.
    1. Als een verzekerde niet in een klasse ‘1’ tot en met ‘26’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in bij de klasse ‘Geen DKG’.
    1. Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium DKG’s naar de macroverzekerdenraming.

2.8. HKG’s

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium HKG’s per zorgverzekeraar op:
  • a. de indeling in HKG klassen 2021 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 3 van deze Beleidsregels;
  • b. de opgave per 1 juni 2020 van declaraties hulpmiddelen 2019 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
    1. Het Zorginstituut koppelt de opgave, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met behulp van het gepseudonimiseerde Burgerservicenummer aan het PKB 2020 en bepaalt op basis hiervan en met inachtneming van bijlage 3 van deze Beleidsregels, in welke HKG klassen de verzekerde valt. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klassen waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.
    1. Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium HKG’s de trendtabel voor dit criterium toe voor de geraamde prevalentieontwikkeling. Het Zorginstituut vermenigvuldigt de zwaarte, genoemd in het vorige lid, met de toepasselijke trendfactor uit de trendtabel. Het Zorginstituut past op verzekerden die in het PKB 2020 voor het eerst voorkomen per HKG klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PKB toe.
    1. Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen HKG’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen HKG’ in.
    1. Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium HKG’s naar de macroverzekerdenraming.

2.9. AVI

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium AVI per zorgverzekeraar met betrekking tot:
  • a. de indeling op de indeling in AVI klassen zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 4 van deze Beleidsregels;
  • b. de leeftijd op het VPPKB 2019;
  • c. de zelfstandigen op het zelfstandigenbestand op peildatum 30 juni 2019;
  • d. de duurzaam en volledig arbeidsongeschikten, de overige arbeidsongeschikten, de bijstandsgerechtigden, de werklozen en de loontrekkers op het UWV-bestand op peildatum 30 juni 2019;
  • e. de studenten en hoogopgeleiden op de opgave van DUO per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer op peildatum 1 juni 2019;
  • f. de adresgegevens op het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2019;
  • g. de adresgegevens in het geval een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand 2019 op het gepseudonimiseerde adres in het VPPKB 2019.
    1. Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met g, met behulp van het gepseudonimiseerde Burgerservicenummer aan het VPPKB 2019 en bepaalt op basis hiervan met inachtneming van artikel 9, vijfde lid, van de Regeling en bijlage 4 van deze Beleidsregels, in welke AVI klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
    1. Na toepassing van het vorige lid koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PKB 2020, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.
    1. Het Zorginstituut herschaalt na toepassing van het derde lid het geraamde aantal verzekerden voor het criterium AVI naar de macroverzekerdenraming, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie per AVI klasse constant blijft.

2.10. Regio

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium regio per zorgverzekeraar met betrekking tot:
  • a. de indeling op de indeling in regioklassen zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 5 van deze Beleidsregels;
  • b. de viercijferige postcode op het PKB 2020.
    1. Het Zorginstituut bepaalt op basis van het eerste lid in welke regioklasse de verzekerde wordt ingedeeld.
    1. Het Zorginstituut herschaalt na toepassing van het eerste en tweede lid het geraamde aantal verzekerden voor het criterium regio naar de macroverzekerdenraming.

2.11. SES

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium SES per zorgverzekeraar met betrekking tot:
  • a. de indeling van de klasse ‘1 (zeer laag)’ op het referentiebestand SES PPA dat is opgenomen in bijlage 6 van deze Beleidsregels;
  • b. de leeftijd op het VPPKB 2019;
  • c. het inkomen op de opgave per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over het jaar 2017;
  • d. het inkomen wanneer voor 2017 geen gegevens beschikbaar zijn op de opgave per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over het jaar 2018;
  • e. de adresgegevens op het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2019;
  • f. de adresgegevens in het geval een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand 2019 op het gepseudonimiseerde adres in het VPPKB 2019;
  • g. bewoners Wlz-instelling op Wlz-declaraties december 2018 en op Wlz-declaraties december 2019.
    1. Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid onder b tot en met g, met behulp van het gepseudonimiseerde Burgerservicenummer aan het VPPKB 2019 en bepaalt op basis hiervan en met inachtneming van artikel 9, zevende en achtste lid, van de Regeling, in welke SES klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
    1. Na toepassing van het tweede lid koppelt het Zorginstituut de verzekerden voor het criterium SES aan het PKB 2020, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.
    1. Het Zorginstituut herschaalt na toepassing van het derde lid het geraamde aantal verzekerden voor het criterium SES naar de macroverzekerdenraming, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie per SES klasse constant blijft.

2.12. PPA

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium PPA per zorgverzekeraar met betrekking tot:
  • a. de indeling van de klassen ‘Wlz-instelling, blijvend’ en ‘Wlz-instelling, instromend’ op het referentiebestand SES PPA dat is opgenomen in bijlage 6 van deze Beleidsregels;
  • b. de leeftijd op het VPPKB 2019;
  • c. de adresgegevens op het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2018;
  • d. de adresgegevens indien een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2018, op het gepseudonimiseerde adres in het VPPKB 2018. Indien een verzekerde ook niet is opgenomen in het VPPKB 2018 op het gepseudonimiseerde adres in het belastingdienstbestand over 2019 en indien een verzekerde ook niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2019 op het gepseudonimiseerde adres in het VPPKB 2019;
  • e. bewoners Wlz-instelling blijvend op Wlz-declaraties december 2018;
  • f. bewoners Wlz-instelling instromend op Wlz-declaraties december 2019 en op Wlz-declaraties december 2018.
    1. Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met f, met behulp van het gepseudonimiseerde Burgerservicenummer aan het VPPKB 2019 en bepaalt op basis hiervan in welke PPA klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
    1. Na toepassing van het tweede lid koppelt het Zorginstituut de verzekerden voor het criterium PPA aan het PKB 2020, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.
    1. Het Zorginstituut herschaalt na toepassing van het derde lid het geraamde aantal verzekerden voor het criterium PPA naar de macroverzekerdenraming, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie per klasse constant blijft.

2.13. MHK

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium MHK per zorgverzekeraar op:
  • a. declaraties met betrekking tot 2016 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten tot en met 31 december 2018, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2019 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • b. declaraties met betrekking tot 2017 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten exclusief declaraties verpleging en verzorging tot en met 31 december 2019, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2020 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • c. declaraties met betrekking tot 2018 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten exclusief declaraties verpleging en verzorging, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2020 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • d. het VPPKB 2016, het VPPKB 2017 en het VPPKB 2018.
    1. Het Zorginstituut herleidt de percentages van de MHK klassen met betrekking tot 2016, 2017 respectievelijk 2018 tot drempelbedragen MHK 2016, 2017 respectievelijk 2018.
    1. Het Zorginstituut bepaalt op basis van de declaraties, bedoeld in het eerste lid, de drempelbedragen uit het vorige lid en een koppeling met het VPPKB 2019 in welke MHK klasse een verzekerde wordt ingedeeld. Het Zorginstituut deelt verzekerden die drie voorafgaande jaren geen variabele kosten in de top 30 procent hadden in bij de klasse ‘Geen MHK’.
    1. Na toepassing van het derde lid koppelt het Zorginstituut de verzekerden voor het criterium MHK aan het PKB 2020 en past hierop een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie per MHK klasse constant blijft.
    1. Het Zorginstituut herschaalt na toepassing van de vorige leden het geraamde aantal verzekerden voor het criterium MHK naar de macroverzekerdenraming en stemt de relatieve prevalentie per klasse af op de Overall Toets 2021 met WOR nummer 1001, zoals die op 13 augustus 2020 aan de minister van VWS is gerapporteerd.

2.14. FDG

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FDG per zorgverzekeraar op:
  • a. de indeling in FDG klassen 2021 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 7 van deze Beleidsregels;
  • b. de opgave per 1 juni 2020 van declaraties fysiotherapie en oefentherapie 2019 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
    1. Het Zorginstituut koppelt de declaraties, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met behulp van het gepseudonimiseerde Burgerservicenummer aan het PKB 2020 en bepaalt op basis hiervan en met inachtneming van bijlage 7 van deze Beleidsregels, in welke FDG klasse de verzekerde valt. Als een verzekerde in meer FDG klassen valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de hoogste voor hem toepasselijke klasse in. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.
    1. Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium FDG de trendtabel voor dit criterium toe voor de geraamde prevalentieontwikkeling. Het Zorginstituut vermenigvuldigt de zwaarte, genoemd in het vorige lid, met de toepasselijke trendfactor uit de trendtabel. Het Zorginstituut past op verzekerden die in het PKB 2020 voor het eerst voorkomen per FDG klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PKB toe.
    1. Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FDG’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in bij de klasse ‘Geen FDG’.
    1. Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FDG naar de macroverzekerdenraming.

2.15. MVV

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium MVV per zorgverzekeraar met betrekking tot:
  • a. de leeftijd op het VPPKB 2019;
  • b. de kosten op declaraties kosten verpleging en verzorging 2016 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer, tot en met 31 december 2018, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2019 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • c. de kosten op declaraties kosten verpleging en verzorging 2017 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer, tot en met 31 december 2019, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2020 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • d. de kosten op declaraties kosten verpleging en verzorging 2018 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2020 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • e. Het VPPKB 2018.
    1. Het Zorginstituut herleidt de percentages van de MVV klassen tot drempelbedragen.
    1. Het Zorginstituut bepaalt op basis van de som van de declaraties, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, c en d, de drempelbedragen uit het vorige lid en een koppeling met het VPPKB 2019 per verzekerde in welke MVV klasse de verzekerde valt. Het Zorginstituut stelt voor de klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.
    1. In afwijking van het vorige lid deelt het Zorginstituut verzekerden jonger dan achttien jaar voor wie de kosten bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, tot de top 0,25% behoren, in de MVV klasse ‘Kosten V&V voorafgaand jaar in top 0,25%; 0-17 jaar’.
    1. Voor verzekerden met kosten gelijk aan het drempelbedrag verdeelt het Zorginstituut met inachtneming van artikel 9, tiende lid, van de Regeling de zwaarte van 1 naar rato over de betreffende klassen.
    1. Indien de percentielgrens gelijk is aan nul euro deelt het Zorginstituut, met inachtneming van artikel 9, elfde lid, van de Regeling, verzekerden met kosten op de percentielgrens in bij de klasse ‘Geen MVV’.
    1. Het Zorginstituut deelt, met inachtneming van artikel 9, zevende lid van de Regeling, verzekerden van achttien jaar en ouder in een Wlz-instelling in in de klasse ‘Geen MVV’.
    1. Het Zorginstituut koppelt de verzekerden voor het criterium MVV aan het VPPKB 2019. Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PKB 2020 en past hierop een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.
    1. Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen MVV’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in bij de klasse ‘Geen MVV’.
    1. Het Zorginstituut herschaalt na toepassing van de vorige leden het geraamde aantal verzekerden voor het criterium MVV naar de macroverzekerdenraming en stemt de relatieve prevalentie per klasse af op de Overall Toets 2021 met WOR nummer 1001, zoals die op 13 augustus 2020 aan de minister van VWS is gerapporteerd.

2.16. FKG GGZ

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FKG GGZ per zorgverzekeraar op:
  • a. de indeling in FKG GGZ klassen 2021 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 8 van deze Beleidsregels;
  • b. de opgave per 1 juni 2020 van declaraties farmaceutische hulp 2019 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
    1. Het Zorginstituut koppelt de declaraties, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met behulp van het gepseudonimiseerde Burgerservicenummer aan het PKB 2020 en bepaalt op basis hiervan met inachtneming van artikel 9, zesde lid, van de Regeling en bijlage 8 van deze Beleidsregels, in welke FKG GGZ klassen de verzekerde wordt ingedeeld. Aan de verzekerde koppelt het Zorginstituut een zwaarte van 1 voor de betreffende klassen.
    1. Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium FKG GGZ 2021 de trendtabel voor dit criterium toe voor de geraamde prevalentieontwikkeling. Het Zorginstituut vermenigvuldigt de zwaarte, genoemd in het tweede lid, met de toepasselijke trendfactor uit de trendtabel. Het Zorginstituut past voor verzekerden die in het PKB 2020 voor het eerst voorkomen per FKG GGZ klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PKB toe.
    1. Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FKG psychische aandoeningen’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FKG psychische aandoeningen’ in.
    1. Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FKG GGZ naar de macroverzekerdenraming.

2.17. DKG GGZ

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium DKG GGZ per zorgverzekeraar op:
  • a. de indeling in DKG GGZ klassen 2021 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 9 van deze Beleidsregels;
  • b. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2020 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van alle prestaties generalistische Basis-GGZ in 2018 en van alle dbc’s GGZ en zzp’s GGZ die in 2018 geopend zijn;
  • c. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2019 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van dbc’s GGZ en zzp’s GGZ die in 2017 geopend zijn;
  • d. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2018 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van dbc’s GGZ die in 2016 geopend zijn.
    1. Het Zorginstituut koppelt op basis van het gepseudonimiseerde Burgerservicenummer de opgaven, bedoeld in het vorige lid, aan het VPPKB 2019. Het Zorginstituut bepaalt op basis hiervan en met inachtneming van bijlage 9 van deze Beleidsregels per verzekerde in welke DKG GGZ klasse de verzekerde valt. Als een verzekerde in meer DKG GGZ klassen valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de hoogste voor hem toepasselijke klasse in. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.
    1. Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium DKG GGZ de trendtabel voor dit criterium toe voor de geraamde prevalentieontwikkeling. Het Zorginstituut past op de verzekerden die in het VPPKB 2019 voor het eerst voorkomen per DKG GGZ klasse de gemiddelde prevalentie voor de betreffende klasse van de overige verzekerden in het VPPKB 2019 toe. Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PKB 2020 en past hierop een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.
    1. Als een verzekerde niet in een klasse ‘1’ tot en met ‘18’ van het criterium DKG’s GGZ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen DKG psychische aandoeningen’ in.
    1. Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium DKG’s GGZ naar de macroverzekerdenraming.

2.18. GGZ-regio

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium GGZ-regio per zorgverzekeraar met betrekking tot:
  • a. de indeling op de GGZ regio klassen 2021 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 10 van deze Beleidsregels;
  • b. de viercijferige postcode op het PKB 2020.
    1. Het Zorginstituut bepaalt op basis van het eerste lid in welke GGZ-regioklasse de verzekerde wordt ingedeeld.
    1. Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium GGZ-regio naar de macroverzekerdenraming.

2.19. GGZ-MHK

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium GGZ-MHK per zorgverzekeraar op:
  • a. declaraties met betrekking tot 2014 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2016, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • b. declaraties met betrekking tot 2015 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2017, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • c. declaraties met betrekking tot 2016 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2018, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2019 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • d. declaraties met betrekking tot 2017 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2019, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2020 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • e. declaraties met betrekking tot 2018 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg exclusief kosten voor langdurige geestelijke gezondheidszorg, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2020 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • f. het VPPKB 2014, VPPKB 2015, VPPKB 2016, het VPPKB 2017 en het VPPKB 2018.
    1. Het Zorginstituut herleidt de percentages van de risicoklassen GGZ-MHK met betrekking tot 2014, 2015, 2016, 2017 respectievelijk 2018 tot drempelbedragen GGZ-MHK 2014, 2015, 2016, 2017 respectievelijk 2018.
    1. Het Zorginstituut bepaalt op basis van de declaraties, bedoeld in het eerste lid, de drempelbedragen uit het vorige lid en een koppeling met het VPPKB 2019 in welke GGZ-MHK klasse een verzekerde wordt ingedeeld. Het Zorginstituut stelt voor de klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.
    1. Voor verzekerden met kosten gelijk aan de percentielgrens ’Ten minste 1 van de 3 voorafgaande jaren kosten GGZ in top 98,5 procent met kosten GGZ > 10 euro’ verdeelt het Zorginstituut met inachtneming van artikel 9, negende lid, van de Regeling de zwaarte van 1 naar rato over de betreffende klassen.
    1. Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PKB 2020 en past hierop een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.
    1. Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen GGZ-MHK’ valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de klasse ‘Geen GGZ-MHK’ in.
    1. Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium GGZ-MHK naar de macroverzekerdenraming en stemt de relatieve prevalentie per klasse af op de Overall Toets 2021 met WOR nummer 1001, zoals die op 13 augustus 2020 aan de minister van VWS is gerapporteerd.

2.20. Gewichten voor het deelbedrag variabele zorgkosten

    1. Voor de verdeling van het macro-deelbedrag variabele zorgkosten gaat het Zorginstituut uit van de gewichten genoemd in bijlage 1 van de Regeling.
    1. Voor de verdeling van het macro-deelbedrag variabele zorgkosten hanteert het Zorginstituut met inachtneming van artikel 6 van de Regeling voor verzekerden die in het buitenland wonen voor de volgende criteria de volgende gewichten als uitgangspunten:
  • a. 75% van het gewicht van de FKG klasse ‘Geen FKG’;
  • b. 75% van het gewicht voor de DKG klasse ‘Geen DKG’;
  • c. 75% van het gewicht voor de HKG klasse ‘Geen HKG’;
  • d. 90% van het gewicht voor de FDG klasse ‘Geen FDG’.
    1. Het Zorginstituut rondt de gewichten, bedoeld in het vorige lid, af op twee decimalen.

2.21. De verdeling van het macro-deelbedrag variabele zorgkosten en de berekening van het deelbedrag variabele zorgkosten

    1. Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar, per criterium voor de criteria leeftijd en geslacht, FKG’s, DKG’s, HKG’s, AVI, regio, SES, PPA, MHK, FDG en MVV de gewichten variabele zorgkosten 2021, bedoeld in artikel 2.20, per klasse met het geraamde aantal verzekerden in de overeenkomstige klasse.
    1. Het Zorginstituut sommeert de op grond van het eerste lid berekende producten per zorgverzekeraar.
    1. Het resultaat na toepassing van het tweede lid wordt aangeduid als het deelbedrag variabele zorgkosten 2021.

2.22. De verdeling van het macro-deelbedrag vaste zorgkosten en de berekening van het deelbedrag vaste zorgkosten

    1. Op grond van artikel 3.5 van het Besluit zorgverzekering berekent het Zorginstituut het normbedrag vaste zorgkosten 2021 door het macro-deelbedrag vaste zorgkosten te delen door het landelijk totaal van het aantal geraamde verzekerden 2021 en het resultaat af te ronden op twee decimalen.
    1. Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het geraamde aantal verzekerden 2021 met het normbedrag vaste zorgkosten 2021, zoals berekend in het eerste lid.
    1. Het resultaat na toepassing van het tweede lid wordt aangeduid als het deelbedrag vaste zorgkosten 2021.

2.23. Gewichten voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg

    1. Voor de verdeling van het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg gaat het Zorginstituut uit van de gewichten genoemd in bijlage 2 van de Regeling.
    1. Voor de verdeling van het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg hanteert het Zorginstituut met inachtneming van artikel 6 van de Regeling voor verzekerden die in het buitenland wonen voor de volgende criteria de volgende gewichten als uitgangspunten:
  • a. 65% van het gewicht voor de FKG GGZ klasse ‘Geen FKG psychische aandoeningen’;
  • b. 40% van het gewicht voor de DKG GGZ klasse ‘Geen DKG psychische aandoeningen’.
    1. Het Zorginstituut rondt de gewichten, bedoeld in het vorige lid, af op twee decimalen.

2.24. De verdeling van het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg en de berekening van het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg

    1. Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar, per criterium voor de criteria leeftijd en geslacht, FKG GGZ, DKG GGZ, AVI, GGZ-regio, SES, PPA en GGZ-MHK de gewichten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2021, bedoeld in artikel 2.23, per klasse met het geraamde aantal verzekerden in de overeenkomstige klasse.
    1. Het Zorginstituut sommeert de op grond van het eerste lid berekende producten per zorgverzekeraar.
    1. Het resultaat na toepassing van het tweede lid wordt aangeduid als het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2021.

2.25. Gewichten en forfaitair bedrag voor de opbrengst van het eigen risico

    1. Voor de berekening van de normatieve eigen risico opbrengst voor verzekerden die zowel onder de klasse ‘Geen FKG’, als onder de klassen ‘Geen DKG’, ‘Geen HKG’, ‘Geen FDG’, en ‘Geen MVV’ vallen en niet worden ingedeeld bij de MHK-klasse ‘2 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 10 procent’ of hoger, gaat het Zorginstituut uit van de gewichten genoemd in bijlage 4 van de Regeling.
    1. Voor de berekening van de normatieve eigen risico opbrengst voor verzekerden die niet bedoeld zijn in het eerste lid, hanteert het Zorginstituut de geraamde opbrengst per verzekerde, zoals genoemd in artikel acht, derde lid van de Regeling.

2.26. De berekening van de normatieve eigen risico opbrengst

    1. Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar, per criterium voor de criteria leeftijd en geslacht, AVI, regio en MHK de gewichten eigen betaling ten gevolge van verplicht eigen risico 2021, bedoeld in artikel 2.25, per klasse met het geraamde aantal verzekerden in de overeenkomstige klasse.
    1. Het Zorginstituut sommeert de op grond van het eerste lid berekende producten per zorgverzekeraar.
    1. Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar de geraamde opbrengst per verzekerde met de verzekerden van achttien jaar en ouder die niet bedoeld zijn in artikel 2.25, eerste lid. De uitkomsten worden per zorgverzekeraar gesommeerd en toegevoegd aan het resultaat na toepassing van het tweede lid.
    1. Voor de toepassing van artikel acht, eerste lid, van de Regeling, vermindert het Zorginstituut per zorgverzekeraar de uitkomst van het derde lid met 0,05634 procent.
    1. Het resultaat na toepassing van het vierde lid wordt aangeduid als normatieve eigen risico opbrengst 2021.

2.27. De berekening van het normatieve bedrag en de berekening en toekenning van de vereveningsbijdrage

    1. Het Zorginstituut berekent het normatieve bedrag 2021 van een zorgverzekeraar als de som van het op grond van het in dit hoofdstuk berekende deelbedrag variabele zorgkosten 2021, het deelbedrag vaste zorgkosten 2021 en het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2021.
    1. Het Zorginstituut berekent de opbrengst van de nominale rekenpremie 2021 per zorgverzekeraar door de geraamde aantallen verzekerden van achttien jaar en ouder 2021 per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie 2021.
    1. Voor de toepassing van artikel zeven, derde lid, van de Regeling, vermindert het Zorginstituut het resultaat na toepassing van het tweede lid met 0,05634 procent.
    1. Het Zorginstituut berekent de vereveningsbijdrage 2021 voor een zorgverzekeraar door op het normatieve bedrag 2021, bedoeld in het eerste lid, de normatieve eigen risico opbrengst 2021 zoals bepaald in artikel 2.26, vijfde lid en de op grond van het tweede en derde lid berekende opbrengst van de nominale rekenpremie 2021 in mindering te brengen.
    1. Het Zorginstituut berekent per zorgverzekeraar de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar 2021. Deze uitkering bedraagt het aantal geraamde verzekerden jonger dan achttien jaar vermenigvuldigd met € 41,00.
    1. Het Zorginstituut kent de vereveningsbijdrage 2021 ter hoogte van de bijdrage berekend op grond van het vierde lid, aangevuld met het bedrag, berekend op grond van het vijfde lid, aan de zorgverzekeraar toe.

Hoofdstuk 3. III De herberekening van de toegekende bijdrage

3.1. Herberekeningen als gevolg van splitsing van de zorgverzekeraar

Indien een zorgverzekeraar na de toekenning van de vereveningsbijdrage 2021 besluit zich te splitsen, verzoekt het Zorginstituut de zorgverzekeraar om mee te delen hoe naar zijn verwachting de geraamde verzekerdenaantallen 2021 verdeeld zullen worden, over nieuwe dan wel bestaande zorgverzekeraars als gevolg van de splitsing. Het Zorginstituut kan de toegekende vereveningsbijdrage herzien en bijdragen aan nieuwe dan wel bestaande zorgverzekeraars toekennen, rekening houdend met de meegedeelde geraamde verzekerdenaantallen en het tijdstip waarop de splitsing wordt gerealiseerd.

3.2. De herberekening en herziening van de toegekende bijdrage 2021

    1. Het Zorginstituut herberekent de toekenning van de vereveningsbijdrage op basis van de verzekerdenaantallen 2021 volgens de opgaven van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut op 7 maart 2021.
    1. Het Zorginstituut herberekent de vereveningsbijdrage 2021, zoals toegekend op grond van artikel 2.27, zesde lid, per zorgverzekeraar en betrekt daarbij de verzekerden die, volgens opgave van Vektis, op peildatum 15 februari zijn ingeschreven bij die zorgverzekeraar.
    1. Het Zorginstituut voert de herberekening van de toegekende vereveningsbijdrage 2021 als volgt uit: Het Zorginstituut deelt per zorgverzekeraar het totaal aantal verzekerden uit de opgaven in het eerste lid door het geraamde totaal aantal verzekerden 2021 uit het tweede lid en vermenigvuldigt per zorgverzekeraar de uitkomst hiervan met de op grond van het tweede lid herberekende vereveningsbijdrage 2021.
    1. Het Zorginstituut herziet de op grond van artikel 2.27, zesde lid, toegekende vereveningsbijdrage 2021 overeenkomstig de herberekening bedoeld in het derde lid.

Hoofdstuk 4. IV De eerste voorlopige vaststelling van de vereveningsbijdrage voor een zorgverzekeraar

4.1. Algemene bepaling verzekerdenaantallen

    1. Het Zorginstituut betrekt de correcties die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft toegepast over 2021 bij de vaststelling van de verzekerdenaantallen 2021.
    1. Het Zorginstituut bepaalt de verzekerdenaantallen 2021 met inachtneming van het bepaalde in dit artikel en met inachtneming van artikel 2.2, 2.3 en 2.4.
    1. Het Zorginstituut baseert zich bij de bepaling van de verzekerdenaantallen per zorgverzekeraar op het VPPKB 2021, zoals de zorgverzekeraars dat hebben aangeleverd op 1 juni 2022.
    1. Het Zorginstituut deelt verzekerden zonder Burgerservicenummer en verzekerden zonder geverifieerd Burgerservicenummer uitsluitend in bij de criteria leeftijd en geslacht, regio en GGZ-regio.
    1. Wanneer een verzekerde bij meerdere zorgverzekeraars tegelijkertijd is ingeschreven, past het Zorginstituut artikel 10 van de Regeling toe.

4.2. Leeftijd en geslacht

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium leeftijd en geslacht per zorgverzekeraar op het VPPKB 2021.
    1. Het Zorginstituut bepaalt op basis van de opgave, bedoeld in het eerste lid, per verzekerde in welke leeftijd en geslachtsklasse de verzekerde wordt ingedeeld.

4.3. FKG’s

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium FKG’s per zorgverzekeraar op:
  • a. de indeling in FKG klassen 2021 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 1 van deze Beleidsregels;
  • b. de opgave per 1 juni 2021 van declaraties farmaceutische hulp 2020 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut;
  • c. de opgave per 1 juni 2022 van declaratiegegevens add-ons geneesmiddelen 2020 van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
    1. Het Zorginstituut koppelt de opgaven bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, met behulp van het gepseudonimiseerde Burgerservicenummer aan het VPPKB 2021 en bepaalt op basis hiervan met inachtneming van artikel 9, tweede en derde lid, van de Regeling en bijlage 1 van deze Beleidsregels, in welke FKG klassen de verzekerde valt.
    1. Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FKG’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FKG’ in.

4.4. DKG’s

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium DKG’s per zorgverzekeraar op:
  • a. de indeling in DKG klassen 2021 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 2 van deze Beleidsregels;
  • b. de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2021 van de declaraties per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van alle dbc’s die in 2019 geopend zijn;
    1. Het Zorginstituut koppelt de opgaven, bedoeld in het vorige lid, onderdeel b met behulp van het gepseudonimiseerde Burgerservicenummer aan het VPPKB 2021 en bepaalt op basis hiervan met inachtneming van bijlage 2 van deze Beleidsregels per verzekerde in welke DKG klassen ‘1’ tot en met ‘26’ de verzekerde wordt ingedeeld.
    1. Als een verzekerde niet in een klasse ‘1’ tot en met ‘26’ is ingedeeld, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in bij de klasse ‘Geen DKG’.

4.5. HKG’s

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium HKG’s per zorgverzekeraar op:
  • a. de indeling in de HKG klassen 2021 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 3 van deze Beleidsregels;
  • b. de opgave per 1 juni 2021 van declaraties hulpmiddelen 2020 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
    1. Het Zorginstituut koppelt de opgave, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met behulp van het gepseudonimiseerde Burgerservicenummer aan het VPPKB 2021 en bepaalt op basis hiervan met inachtneming van bijlage 3 van deze Beleidsregels in welke HKG klasse de verzekerde wordt ingedeeld.
    1. Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen HKG’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen HKG’ in.

4.6. AVI

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium AVI per zorgverzekeraar met betrekking tot:
  • a. de indeling op de indeling in AVI klassen 2021 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 4 van deze Beleidsregels;
  • b. de leeftijd op het VPPKB 2021;
  • c. de zelfstandigen op het zelfstandigenbestand over 2021, met peildatum 30 juni 2021;
  • d. de duurzaam en volledig arbeidsongeschikten, de overige arbeidsongeschikten, de bijstandsgerechtigden, de werklozen en de loontrekkers op het UWV-bestand over 2021, op peildatum 30 juni 2021;
  • e. indien het UWV-bestand betreffende een gemeente onvoldoende gegevens over de bijstandsgerechtigden bevat, op de gegevens over 2020, met als peildatum 30 juni 2020 voor verzekerden uit die gemeente;
  • f. de studenten en de hoogopgeleiden op de opgave van DUO per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer met peildatum 1 juni 2021;
  • g. de adresgegevens op het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2021;
  • h. de adresgegevens in het geval een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2021 op het gepseudonimiseerde adres in het VPPKB 2021.
    1. Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met h, met behulp van het gepseudonimiseerde Burgerservicenummer aan het VPPKB 2021 en bepaalt op basis hiervan met inachtneming van artikel 9, vijfde lid, van de Regeling en bijlage 4 van deze Beleidsregels per verzekerde in welke AVI klasse de verzekerde wordt ingedeeld.

4.7. Regio

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium regio per zorgverzekeraar met betrekking tot:
  • a. de indeling op de indeling in regioklassen zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 5 van deze Beleidsregels;
  • b. de viercijferige postcode op het VPPKB 2021.
    1. Het Zorginstituut bepaalt op basis van het eerste lid in welke regioklasse de verzekerde wordt ingedeeld.

4.8. SES

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium SES per zorgverzekeraar met betrekking tot:
  • a. de indeling van de klasse ‘1 (zeer laag)’ op het referentiebestand PPA/SES dat is opgenomen in bijlage 6 van deze Beleidsregels;
  • b. de leeftijd op het VPPKB 2021;
  • c. het inkomen op de opgave per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2019;
  • d. het inkomen in het geval een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2019 op het inkomen in het belastingdienstbestand over 2020;
  • e. de adresgegevens op het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2021;
  • f. de adresgegevens in het geval een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2021 op het gepseudonimiseerde adres in het VPPKB 2021;
  • g. bewoners Wlz-instelling op Wlz-declaraties december 2020 en op Wlz-declaraties december 2021.
    1. Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid onder b tot en met g, met behulp van het gepseudonimiseerde Burgerservicenummer aan het VPPKB 2021 en bepaalt op basis hiervan met inachtneming van artikel 9, zevende en achtste lid, van de Regeling per verzekerde in welke SES klasse de verzekerde wordt ingedeeld.

4.9. PPA

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium PPA per zorgverzekeraar met betrekking tot:
  • a. de indeling van de klassen ‘Wlz-instelling, blijvend’ en ‘Wlz-instelling, instromend’ op het referentiebestand PPA/SES dat is opgenomen in bijlage 6 van deze Beleidsregels;
  • b. de leeftijd op het VPPKB 2021;
  • c. de adresgegevens op het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2020;
  • d. de adresgegevens in het geval een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2020 op het gepseudonimiseerde adres in het VPPKB 2020. Indien een verzekerde ook niet is opgenomen in het VPPKB 2020 op het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2021 en indien een verzekerde ook niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2021 op het gepseudonimiseerde adres in het VPPKB 2021;
  • e. bewoners Wlz-instelling blijvend op Wlz-declaraties december 2020;
  • f. bewoners Wlz-instelling instromend op Wlz-declaraties december 2021 en Wlz-declaraties december 2020.
    1. Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid onder b tot en met f, met behulp van het gepseudonimiseerde Burgerservicenummer aan het VPPKB 2021 en bepaalt op basis hiervan per verzekerde in welke PPA klasse de verzekerde wordt ingedeeld.

4.10. MHK

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium MHK per zorgverzekeraar op:
  • a. declaraties 2018 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten exclusief declaraties verpleging en verzorging tot en met 31 december 2020, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2021 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • b. declaraties 2019 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten exclusief declaraties verpleging en verzorging tot en met 31 december 2021, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2022 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • c. declaraties 2020 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten exclusief declaraties verpleging en verzorging, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2022 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • d. het VPPKB 2018, het VPPKB 2019 en het VPPKB 2020.
    1. Het Zorginstituut herleidt de percentages van de risicoklassen MHK met betrekking tot 2018, 2019 en 2020 tot respectievelijk drempelbedragen MHK 2018, 2019 en 2020.
    1. Het Zorginstituut bepaalt op basis van de declaraties, bedoeld in het eerste lid, de drempelbedragen uit het vorige lid en een koppeling met het VPPKB 2021 in welke MHK klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
    1. Het Zorginstituut deelt verzekerden die drie voorafgaande jaren geen variabele kosten in top 30 procent hadden in bij de klasse ‘Geen MHK’.

4.11. FDG

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium FDG per zorgverzekeraar op:
  • a. de indeling in FDG klassen 2021 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 7 van deze Beleidsregels;
  • b. de opgave per 1 juni 2021 van declaraties fysiotherapie en oefentherapie 2020 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut;
  • c. het VPPKB 2020.
    1. Het Zorginstituut koppelt de declaraties, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met behulp van het gepseudonimiseerde Burgerservicenummer aan het VPPKB 2021 en bepaalt op basis hiervan met inachtneming van bijlage 7 van deze Beleidsregels, per verzekerde in welke FDG klasse de verzekerde valt. Als de verzekerde in meerdere FDG klassen valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de hoogste voor hem toepasselijke FDG klasse in.
    1. Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FDG’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in bij de klasse ‘Geen FDG’.

4.12. MVV

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium MVV per zorgverzekeraar met betrekking tot:
  • a. de leeftijd op het VPPKB 2021;
  • b. de kosten op declaraties kosten van verpleging en verzorging 2018 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer tot en met 31 december 2020, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2021 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • c. de kosten op declaraties verpleging en verzorging 2019 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer tot en met 31 december 2021, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2022 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • d. de kosten op declaraties verpleging en verzorging 2020 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2022 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • e. het VPPKB 2020.
    1. Het Zorginstituut herleidt de percentages van de MVV klassen tot drempelbedragen.
    1. Het Zorginstituut bepaalt op basis van de som van de declaraties bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, c en d de drempelbedragen, bedoeld in het tweede lid, en een koppeling met het VPPKB 2021 per verzekerde in welke MVV klasse de verzekerde wordt ingedeeld.
    1. Het Zorginstituut deelt met inachtneming van artikel 9, tiende lid, van de Regeling verzekerden met kosten gelijk aan de drempelbedragen naar rato in bij de betreffende klassen.
    1. Indien de percentielgrens gelijk is aan nul euro deelt het Zorginstituut, met inachtneming van artikel 9, elfde lid, van de Regeling, verzekerden met kosten op de percentielgrens in bij de klasse ‘Geen MVV’.
    1. Het Zorginstituut deelt, met inachtneming van artikel 9, zevende lid van de Regeling, verzekerden van achttien jaar en ouder in een Wlz-instelling in in de klasse ‘Geen MVV’.
    1. Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen MVV’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in bij de klasse ‘Geen MVV’.

4.13. FKG GGZ

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium FKG GGZ per zorgverzekeraar op:
  • a. de indeling in FKG GGZ 2021 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 8 van deze Beleidsregels;
  • b. de opgave per 1 juni 2021 van declaraties farmaceutische hulp 2020 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
    1. Het Zorginstituut koppelt de opgave bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met behulp van het gepseudonimiseerde Burgerservicenummer aan het VPPKB 2021 en bepaalt op basis hiervan met inachtneming van artikel 9, zesde lid, van de Regeling en bijlage 8 van deze Beleidsregels in welke FKG GGZ klassen de verzekerde wordt ingedeeld.
    1. Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FKG psychische aandoeningen’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FKG psychische aandoeningen’ in.

4.14. DKG GGZ

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium DKG GGZ per zorgverzekeraar op:
  • a. de indeling in DKG GGZ 2021 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 9 van deze Beleidsregels;
  • b. de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2022 van de declaraties per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van alle prestaties generalistische Basis-GGZ in 2020 en van alle dbc’s en zzp’s GGZ die in 2020 geopend zijn;
  • c. de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2021 van de declaraties per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van alle dbc’s en zzp’s GGZ die in 2019 geopend zijn;
  • d. de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2020 van de declaraties per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van alle dbc’s die in 2018 geopend zijn.
    1. Het Zorginstituut koppelt op basis van het gepseudonimiseerde Burgerservicenummer de opgaven, bedoeld in het vorige lid, aan het VPPKB 2021. Het Zorginstituut bepaalt op basis hiervan met inachtneming van bijlage 9 van deze Beleidsregels per verzekerde in welke DKG GGZ klasse de verzekerde valt. Als de verzekerde in meerdere DKG GGZ klassen valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de hoogste voor hem toepasselijke DKG GGZ klasse in.
    1. Als een verzekerde niet in een klasse ‘1’ tot en met ‘18’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen DKG psychische aandoeningen’ in.

4.15. GGZ-regio

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium GGZ-regio per zorgverzekeraar met betrekking tot:
  • a. de indeling op GGZ regio klassen 2021 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 10 van deze Beleidsregels;
  • b. de viercijferige postcode op het VPPKB 2021.
    1. Het Zorginstituut bepaalt op basis van het eerste lid in welke GGZ-regioklasse de verzekerde wordt ingedeeld.

4.16. GGZ-MHK

    1. Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium GGZ-MHK per zorgverzekeraar op:
  • a. declaraties 2016 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2018, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2019 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • b. declaraties 2017 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2019, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2020 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • c. declaraties 2018 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg exclusief kosten voor langdurige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2020, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2021 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • d. declaraties 2019 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg exclusief kosten voor langdurige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2021, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2022 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • e. declaraties 2020 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg exclusief kosten voor langdurige geestelijke gezondheidszorg, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2022 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • f. het VPPKB 2016, VPPKB 2017, VPPKB 2018, het VPPKB 2019 en het VPPKB 2020.
    1. Het Zorginstituut herleidt de percentages van de risicoklassen GGZ-MHK met betrekking tot 2016, 2017, 2018, 2019 en 2020 tot respectievelijk drempelbedragen GGZ-MHK 2016, 2017, 2018, 2019 en 2020.
    1. Het Zorginstituut bepaalt op basis van de declaraties genoemd in het eerste lid, de drempelbedragen uit het vorige lid en een koppeling met het VPPKB 2021 in welke GGZ-MHK klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
    1. Het Zorginstituut deelt met inachtneming van artikel 9, negende lid, van de Regeling verzekerden met kosten gelijk aan de percentielgrens ’Ten minste 1 van de 3 voorafgaande jaren kosten GGZ in top 98,5 procent met kosten GGZ >10 euro’ naar rato in bij de betreffende klassen.
    1. Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen GGZ-MHK’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen GGZ-MHK’ in.

4.17. Criteriumneutraliteit voor deelbedrag variabele zorgkosten 2021

    1. Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de klasse ‘Geen FKG’ zodanig dat het voor de klassen ‘Groeistoornissen o.b.v. add-on’, ‘Auto-immuunziekten o.b.v. add-on’, ‘Immunoglobuline o.b.v. add-on’, ‘COPD/zware astma o.b.v. add-on’, ‘Kanker o.b.v. add-on’, ‘Extreem hoge kosten cluster 1’, ‘Extreem hoge kosten cluster 2’, ‘Extreem hoge kosten cluster 3’ en ‘Extreem hoge kosten cluster 4’ gesommeerde verschil tussen de vermenigvuldiging van het gerealiseerde aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.2 van de Regeling en de vermenigvuldiging van het bij toekenning van de vereveningsbijdrage verwachte aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.2 van de Regeling, teniet wordt gedaan. Het Zorginstituut rondt het herberekende gewicht af op twee decimalen.
    1. Het Zorginstituut herberekent het gewicht voor elke klasse van het criterium DKG’s zodanig dat per klasse het resultaat van de vermenigvuldiging van het herberekende gewicht met het gerealiseerde aantal verzekerden gelijk is aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het gewicht in tabel 1.3 van de Regeling met het bij toekenning van de vereveningsbijdragen verwachte aantal verzekerden. Het Zorginstituut rondt de herberekende gewichten af op twee decimalen.
    1. Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de klasse ‘Geen HKG’ zodanig dat voor het criterium HKG de gesommeerde resultaten van de vermenigvuldiging van de gewichten met het gerealiseerde aantal verzekerden, nul bedragen. Het Zorginstituut rondt het herberekende gewicht af op twee decimalen.
    1. Het Zorginstituut herberekent de gewichten voor elke leeftijdsklasse in tabel 1.5 van de Regeling voor de zelfstandigen, de referentiegroep en de hoogopgeleiden zodanig dat voor de corresponderende leeftijdsklasse voor de bijstandsgerechtigden het verschil tussen de vermenigvuldiging van het gerealiseerde aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.5 van de Regeling en de vermenigvuldiging van het bij toekenning van de vereveningsbijdrage verwachte aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.5 van de Regeling, teniet wordt gedaan. Het Zorginstituut past bij de herberekening de betrokken gewichten per leeftijdsklasse met eenzelfde bedrag aan. Het Zorginstituut rondt de herberekende gewichten af op twee decimalen.
    1. Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de klasse ‘Geen MHK’ zodanig dat voor het criterium MHK de gesommeerde resultaten van de vermenigvuldiging van de gewichten met het gerealiseerde aantal verzekerden, nul bedragen. Het Zorginstituut rondt het herberekende gewicht af op twee decimalen.
    1. Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de klasse ‘Geen FDG’ zodanig dat voor de klasse ‘FDG 2’ het verschil tussen de vermenigvuldiging van het gerealiseerde aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.10 van de Regeling en de vermenigvuldiging van het bij toekenning van de vereveningsbijdrage verwachte aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.10 van de Regeling, teniet wordt gedaan. Het Zorginstituut rondt het herberekende gewicht af op twee decimalen.
    1. Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de klasse ‘Geen MVV’ zodanig dat voor het criterium MVV de gesommeerde resultaten van de vermenigvuldiging van de gewichten met het gerealiseerde aantal verzekerden, nul bedragen. Het Zorginstituut rondt het herberekende gewicht af op twee decimalen.

4.18. De voorlopige herberekening van het deelbedrag variabele zorgkosten 2021

    1. Op basis van de opgave jaarstaat 2021 per 1 mei 2022 en met inachtneming van de artikelen 12, 13 en 14 van de Regeling bepaalt het Zorginstituut de variabele zorgkosten 2021 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.
    1. Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van de op grond van artikel 4.1 bepaalde verzekerdenaantallen het normatieve bedrag variabele zorgkosten 2021 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 2.20 en 2.21 en betrekt daarbij het bepaalde in artikel 4.17, alsmede voor het totaal van de verzekerden 2021 van alle zorgverzekeraars.
    1. Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor variabele zorgkosten 2021 door de variabele zorgkosten 2021 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het op grond van het tweede lid herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2021 voor het totaal van de verzekerden 2021 van alle zorgverzekeraars.
    1. Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2021 op grond van het tweede lid met de schalingsfactor berekend op grond van het derde lid.
    1. Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging op grond van het vierde lid en het herberekende normatieve bedrag op grond van het tweede lid. Het Zorginstituut neemt 15% van het verschil en deelt dit bedrag door het totaal aantal ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.
    1. Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat na toepassing van het vijfde lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.
    1. Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar, berekend in het vierde lid, met het product voor die zorgverzekeraar, berekend in het zesde lid. Het resultaat wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2021.

4.19. De voorlopige herberekening van het deelbedrag vaste zorgkosten 2021

    1. Op basis van de opgave jaarstaat 2021 per 1 mei 2022 en met inachtneming van de artikelen 12, 13 en 15 van de Regeling bepaalt het Zorginstituut de vaste zorgkosten 2021 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk.
    1. Het Zorginstituut herberekent het deelbedrag vaste zorgkosten door het totaal aantal verzekerden 2021 per zorgverzekeraar, vastgesteld met toepassing van artikel 4.1 te vermenigvuldigen met het normbedrag vaste zorgkosten 2021, berekend in artikel 2.22, eerste lid.
    1. Het Zorginstituut calculeert per zorgverzekeraar 100 procent na op het verschil tussen de vaste zorgkosten 2021, verkregen in het eerste lid, en het deelbedrag vaste zorgkosten, verkregen in het tweede lid.
    1. De som van het product na toepassing van het tweede lid en de nacalculatie op het verschil na toepassing van het derde lid wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag vaste zorgkosten 2021.

4.20. Criteriumneutraliteit voor het deelbedrag kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2021

    1. Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de klasse ‘Geen DKG psychische aandoeningen’ zodanig dat voor het criterium DKG’s psychische aandoeningen de gesommeerde resultaten van de vermenigvuldiging van de gewichten in tabel 2.3 van de Regeling met het gerealiseerde aantal verzekerden, nul bedragen. Het Zorginstituut rondt het herberekende gewicht af op twee decimalen.
    1. Het Zorginstituut herberekent de gewichten voor elke leeftijdsklasse in tabel 2.4 van de Regeling voor de zelfstandigen, de referentiegroep en de hoogopgeleiden zodanig dat voor de corresponderende leeftijdsklasse voor de bijstandsgerechtigden het verschil tussen de vermenigvuldiging van het gerealiseerde aantal verzekerden met het gewicht in tabel 2.4 van de Regeling en de vermenigvuldiging van het bij toekenning van de vereveningsbijdrage verwachte aantal verzekerden met het gewicht in tabel 2.4 van de Regeling, teniet wordt gedaan. Het Zorginstituut past bij de herberekening de betrokken gewichten per leeftijdsklasse met eenzelfde bedrag aan. Het Zorginstituut rondt de herberekende gewichten af op twee decimalen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)