Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 24 juni 2021, nr. 28318215 tot intrekking van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2017 onder vaststelling van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2021

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-08-01
Laatst bijgewerkt 2026-08-07
State In force
Source BWB
artikelen 3
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Voor exameninstellingen geldt dat zij moeten voldoen aan de eisen genoemd in artikel 1.6.1, WEB. De prestaties van de exameninstellingen maken deel uit van de jaarlijkse analyse van de inspectie en ten minste eens in de vier jaar vindt een onderzoek plaats. Het onderzoek heeft in navolging van artikel 1.6.1, WEB betrekking op de kwaliteit van de kwaliteitszorg van de examinering en op het verbeteren daarvan. Daarbij betrekken wij de standaarden Borging diplomering en Afsluiting. Daarnaast passen we een deel van standaarden op het niveau van het bestuur toe.

9.8.1. Aanpassing waarderingskader en normering

Waarderingskader

Het waarderingskader voor de exameninstellingen omvat de twee standaarden van het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. Dit betreft de standaarden BKA1, Visie ambities en doelen en BKA3, Evaluatie, verantwoording en dialoog. Onderstaande wettelijke bepalingen zijn niet van toepassing op exameninstellingen.

Daarnaast omvat het toezicht de standaarden Borging diplomering (BA1) en Afsluiting BA2. Deze twee standaarden zijn ongewijzigd van toepassing op exameninstellingen en zijn beschreven in hoofdstuk 5 van dit document.

Normering

Indien een standaard als voldoende is beoordeeld, dan voldoet deze aan de basiskwaliteit. Indien een standaard als onvoldoende wordt beoordeeld, dan vindt vervolgtoezicht plaats.

9.8.2. Werkwijze

De werkwijze is zoals beschreven in hoofdstuk 7.

Bijlage 1. Normering en beoordeling onderwijsresultaten

Het kwaliteitsgebied Onderwijsresultaten bestaat voor het bekostigd beroepsonderwijs uit twee standaarden: Studiesucces en Vervolgsucces. In deze bijlage beschrijven we de normering, de oordeelsvorming en de specifieke uitzonderingen en/of toepassingen daarvan.

Bijlage 2. Waarderingskader niet-bekostigd mbo

In deze bijlage is het waarderingskader voor het niet-bekostigd mbo opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.2.

1 Artikel 7.2.7, eerste lid, WEB geldt niet voor de derde leerweg voor wat betreft de eisen met betrekking tot voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming, maar wel voor wat betreft de eis dat het onderwijsprogramma evenwichtig en zodanig moet zijn ingericht dat de studenten de kwalificatie en de daarbij behorende keuzedelen binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken. Artikel 7.2.7, tweede tot en met achtste lid, WEB geldt niet voor de derde leerweg.

1 Artikel 7.2.7, vijfde en zesde lid, WEB gelden in zijn geheel niet voor de derde leerweg.

1 Deze regeling wordt per 1 augustus 2021 van kracht

2 Waar we opleiding schrijven, kan ook team worden gelezen.

1 De norm voor studiesucces wordt voor vier jaar vastgesteld, zoals uitgewerkt in bijlage 1 van dit onderzoekskader. We beoordelen het studiesucces aan de hand van deze norm op het niveau van het kwalificatiedossier.

1 Artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB geldt in zijn geheel niet voor de derde leerweg.

Bijlage 3. Waarderingskader vavo en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2)

In deze bijlage is het waarderingskader voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) en particuliere zelfstandige exameninstellingen (B2) opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.3.

1 In plaats van leerlingen kan hier ook studenten worden gelezen.

2 In plaats van ‘scholen’ kan ook ‘afdelingen vavo’ gelezen worden.

3 In plaats van leraren kan ook docenten worden gelezen.

1 Waar we opleiding schrijven, kan ook team worden gelezen.

1 De norm voor Resultaten is uitgewerkt in bijlage 1 van dit onderzoekskader.

Bijlage 4. Waarderingskader overige educatie

In deze bijlage is het waarderingskader voor overige educatie opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.4.

1 Waar we opleiding schrijven, kan ook team worden gelezen.

Bijlage 5. Waarderingskader doorlopende leerroutes vmbo-mbo

In deze bijlage is het waarderingskader voor de leerroutes vmbo-mbo opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.5.

1 In plaats van leerlingen kan hier ook studenten worden gelezen.

2 Er is regelgeving in voorbereiding (Besluit tot wijziging van het Eindexamenbesluit VO en het Eindexamenbesluit VO BES in verband met versterking van de kwaliteit van de schoolexamenorganisatie in het voortgezet onderwijs en het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs) waarin besturen in het voortgezet onderwijs onder andere verplicht worden om een examencommissie in te stellen. De hiermee samenhangende passages worden alleen meegenomen in de beoordeling als bovengenoemd wetsvoorstel is aangenomen en in werking is getreden.

1 Waar leerling staat, kan ook student worden gelezen.

1 Voorlopig beoordelen we deze standaard niet. De komende tijd gebruiken we om expertise op te bouwen over de resultaten van de doorlopende leerroutes vmbo-mbo en het veld te consulteren over welke normen en beslisregels we in de toekomst zouden willen hanteren.

2 De norm voor studiesucces wordt voor vier jaar vastgesteld, zoals uitgewerkt in bijlage 1 van het onderzoekskader voor het middelbaar beroepsonderwijs. We beoordelen het studiesucces aan de hand van deze norm op het niveau van het kwalificatiedossier.

3 Deze standaard is nieuw; we doen er van 2021 tot 2025 ervaring mee op. Tijdens deze periode zullen we niet oordelen op deze standaard. Bij de doorontwikkeling van deze standaard en het gebruik van de data zullen we aansluiten bij de ontwikkelingen in de sector.

Bijlage 6. Waarderingskader middelbaar beroepsonderwijs Caribisch Nederland

In deze bijlage is het waarderingskader voor het middelbaar beroepsonderwijs in Caribisch Nederland opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.6.

1 Waar we opleiding schrijven, kan ook team worden gelezen.

1 Deze standaard is nieuw, we doen er in 2021 tot 2025 ervaring mee op. Tijdens deze periode zullen we niet oordelen op deze standaard. Bij de doorontwikkeling van deze standaard en het gebruik van data zullen we aansluiten bij de ontwikkelingen in de sector.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Inleiding

Visie

Toezicht op het onderwijsstelsel

Toezicht op het bestuur en zijn scholen

Toezicht op individuele scholen

1.1. Inleiding

1.5. Werking en evaluatie

2. Visie en uitgangspunten voor het toezicht

Omdat de kwaliteit van het onderwijsstelsel als geheel meer is dan de optelsom van de kwaliteit van de besturen en scholen, richten we ons op de werking van het onderwijsstelsel. Vraagstukken overstijgen in toenemende mate de reikwijdte van individuele scholen en besturen en vergen, om deze het hoofd te bieden, bredere samenwerking. We definiëren het onderwijsstelsel als het geheel van scholen, instellingen, besturen, schooltypen en opleidingen. Als inspectie kijken we wat daarin goed gaat en waar zich knelpunten voordoen. Deze knelpunten analyseren en agenderen we op landelijk en regionaal niveau. Het beschouwen van de werking van het stelsel als geheel noemen we de reflectieve functie van het toezicht.6De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) pleit ervoor de reflectieve functie van het toezicht te versterken. Het gaat de WRR erom dat het toezicht periodiek reflecteert op ontwikkelingen, kansen, risico’s en bedreigingen binnen en buiten het domein die van invloed kunnen zijn op het eigen functioneren, op de prioritering en/of op het krachtenveld (WRR, 2013). Het kabinet ondersteunt in zijn reactie het pleidooi van de WRR om de reflectieve functie van het toezicht te versterken en daarmee de feedback-rol van het toezicht (Kabinetsreactie, september 2014). ‘De Staat van het Onderwijs’ is daarvan een voorbeeld.

2. Visie en uitgangspunten voor het toezicht

2.3. Uitgangspunten voor het toezicht

2.3.1. Verbeteren stelselkwaliteit

Ieder jaar wordt het onderzoekskader in ieder geval geactualiseerd naar aanleiding van wijzigingen in de wet- en regelgeving. Om zicht te hebben op ervaringen en ontwikkelingen raadpleegt de inspectie periodiek het onderwijsveld.

2.3.2. Verantwoordelijkheid bij besturen

2.3.1. Verbeteren stelselkwaliteit

Iedereen heeft recht op onderwijs van voldoende kwaliteit. Elke dag zetten leraren, besturen en andere professionals zich met dit doel in voor hun leerlingen en studenten. Al deze inspanningen dragen bij aan de werking en daarmee de kwaliteit van het onderwijsstelsel om zo een goede onderwijsloopbaan voor alle leerlingen te realiseren. Onze missie, 'Effectief toezicht voor beter onderwijs', sluit daarop aan. In ons toezicht waarborgen én stimuleren we de kwaliteit van het onderwijs. We richten ons daarbij op de werking van het stelsel als geheel (stimuleren) en op besturen en hun scholen (waarborgen en stimuleren). Besturen waarborgen de kwaliteit van hun scholen en het onderwijs aan de leerlingen. De intensiteit van het toezicht en het vervolgtoezicht stemmen we af op de mate waarin het bestuur de deugdelijkheidseisen naleeft en de kwaliteit van zijn scholen waarborgt.

Alle besturen en scholen maken deel uit van het onderwijsstelsel en dragen daarmee bij aan de werking ervan. Het beschouwen van de werking van het stelsel noemen we de reflectieve functie van het toezicht, oftewel stelseltoezicht.9Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2013). Toezien op publieke belangen. Naar een verruimd perspectief op rijkstoezicht (nr. 89). Den Haag/Amsterdam: Amsterdam University Press. De versterking van de rol van het toezicht hierin is bepleit door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en wordt ondersteund door het kabinet.

2.3.4. Stimuleren

De werking van het stelsel omvat dus meer dan de optelsom van de resultaten van het toezicht op besturen en scholen. Daarom monitoren we ook de ontwikkelingen op stelselniveau, bijvoorbeeld de mate waarin alle kinderen gelijke kansen krijgen in het onderwijs. We onderzoeken en agenderen positieve voorbeelden en knelpunten en kijken hoe we in afstemming met het onderwijsveld de kwaliteit van het stelsel kunnen verhogen. Jaarlijks rapporteren we over de kwaliteit van het stelsel in ‘De Staat van het Onderwijs’, een taak die ons in de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) is toebedeeld. Ook bespreken we tijdens onderzoeken met besturen, in een open dialoog, hoe zij met de scholen aan de kwaliteit van het stelsel bijdragen, zonder dat dit tot oordelen of een waardering leidt. Op scholen onderzoeken we via themaonderzoeken thema’s die de kernfuncties raken. Dit alles samen noemen we stelseltoezicht.

2.3.3. Waarborgen

De samenleving moet erop kunnen vertrouwen dat leerlingen onderwijs volgen dat van voldoende kwaliteit is. Temeer omdat er in beginsel voor jongeren een leerplicht geldt tot 16 jaar en (indien nog geen startkwalificatie is behaald) een kwalificatieplicht tot 18 jaar. De norm voor basiskwaliteit is dat besturen en scholen voldoen aan de deugdelijkheidseisen voor de onderwijskwaliteit, de kwaliteitszorg en het financieel beheer. Deze eisen hebben we in het waarderingskader voor besturen en scholen opgenomen (zie hoofdstuk 4 en 5).

Naast stimuleren door aan te geven wat er beter kan, doen we dat ook door goede kwaliteit zichtbaar te maken. We kunnen daarvoor de waardering Goed toekennen op standaardniveau. We geven deze waardering op het moment dat een school of bestuur niet alleen voldoet aan de wettelijke vereisten maar ook aanvullende ambities realiseert.

3.2.1. Een stelsel van onderwijsvoorzieningen

2.3.5. Proportionaliteit en maatwerk

Besturen en scholen verschillen van elkaar. De kwaliteit die ze realiseren is anders en ook kunnen ze anders georganiseerd zijn. De manier van ontwikkelen en hun omstandigheden kunnen ook verschillend zijn. Wij sluiten daar in ons toezicht op aan: de intensiteit van het toezicht bepalen we proportioneel in relatie tot de kwaliteit van het bestuur. Daarnaast is de uitvoering van het onderzoek op maat, rekening houdend met de kenmerken van het bestuur en de scholen. Zo komen we zo effectief mogelijk tot een deugdelijk oordeel en beperken we de toezichtslast.

3.2. Stelselkwaliteit en stelseltoezicht

3.2.2. Stelseltoezicht

Het stelseltoezicht is gebaseerd op de taken van de inspectie zoals beschreven in de WOT. Zo ligt er een taak voor de inspectie in het rapporteren over de ontwikkeling van, in het bijzonder van de kwaliteit van, het onderwijs en over de uitoefening van de taken door de instellingen, de samenwerkingsverbanden en de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (artikel 3, eerste lid, sub d, WOT).

Vanuit onze ervaring in de onderwijspraktijk zien wij hierbij het verband met een andere inspectietaak: het bevorderen van de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs aan en het bestuur van instellingen als bedoeld in de onderwijswetten (artikel 3, eerste lid, sub b, WOT).

Om de werking van het stelsel te kunnen duiden, beschrijven we de kwaliteit van het onderwijs als geheel aan de hand van de kernfuncties van het onderwijs (paragraaf 3.3). Zowel stelselkwaliteit als stelseltoezicht vindt een basis in de stelselverantwoordelijkheid van de overheid (artikel 23, Grondwet en artikel 3, eerste lid, sub d, 4, vierde lid, en artikel 8, eerste lid, WOT). Hierbij gaat het om een stimulerende rol en de reflectieve functie van het toezicht.

We omschrijven stelselkwaliteit als de mate waarin het stelsel van besturen, scholen en andere actoren erin slaagt de kernfuncties van het onderwijs (kwalificatie, socialisatie en allocatie waaronder selectie en gelijke kansen) met succes én in evenwicht te realiseren. Deze kernfuncties nemen we in ons toezicht als uitgangspunt voor de omschrijving van de kwaliteit van het onderwijsstelsel.

4.1. Inleiding

Vanuit onze ervaring in de onderwijspraktijk zien wij hierbij het verband met een andere inspectietaak: het bevorderen van de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs aan en het bestuur van instellingen als bedoeld in de onderwijswetten (artikel 3, eerste lid, sub b, WOT).

4. Waarderingskader besturen

4.1. Inleiding

5. Waarderingskader scholen

5.2. Opbouw van het kader

5. Waarderingskader scholen

5.2. Opbouw van het kader

5.3. Kwaliteitsgebieden en standaarden

5.4. Overige wettelijke vereisten

6. Oordelen en waarderen

6.1. Inleiding

5.4. Overige wettelijke vereisten

6.3. Oordelen en waarderen standaarden bestuur en school

6.4. Oordelen en waarderen op bestuursniveau

5.4. Overige wettelijke vereisten

6. Oordelen en waarderen

6.4. Oordelen en waarderen op bestuursniveau

6.5. Oordelen en waarderen op schoolniveau

6.5.2. Normering bij niet te beoordelen resultaten

6.4. Oordelen en waarderen op bestuursniveau

Nieuwe scholen hebben vaak nog geen representatieve eindresultaten beschikbaar. Deze kunnen net als bij scholen met niet te beoordelen eindresultaten doorgaans dan ook geen rol spelen in de beoordeling. Voor nieuwe scholen gelden in die gevallen, net als voor andere scholen waarbij de resultaten niet te beoordelen zijn, de beslisregels ’Normering bij niet te beoordelen eindresultaten’ (paragraaf 6.5.2).

6.6.2. Waarderen van ambities

6.6. Oordeelsvorming

6.5.2. Normering bij niet te beoordelen resultaten

In de wet (artikel 10a, vierde lid, WPO) is bepaald dat wanneer de leerresultaten van de school niet kunnen worden beoordeeld, het volgende geldt: ‘De kwaliteit van het onderwijs is Zeer zwak als de school tekortschiet in de naleving van twee of meer bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften en de school dientengevolge tekortschiet in het zorg dragen voor de veiligheid op school, bedoeld in artikel 4c, of het zodanig inrichten van het onderwijs dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen dan wel het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, WPO.’

6.6.2. Waarderen van ambities

6.5.3. Extra normering voor het sluiten van nieuwe scholen17Onder een nieuwe school verstaan we hier een school die sinds de inwerkingtreding van de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen een aanvraag heeft ingediend bij de minister waarna de minister vervolgens heeft besloten om de school te bekostigen.

Nieuwe scholen hebben vaak nog geen representatieve eindresultaten beschikbaar. Deze kunnen net als bij scholen met niet te beoordelen eindresultaten doorgaans dan ook geen rol spelen in de beoordeling. Voor nieuwe scholen gelden in die gevallen, net als voor andere scholen waarbij de resultaten niet te beoordelen zijn, de beslisregels ’Normering bij niet te beoordelen eindresultaten’ (paragraaf 6.5.2).

7. Werkwijze toezicht

In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we het toezicht uitvoeren. We beschrijven in paragraaf 7.2 eerst onze werkwijze voor het stelseltoezicht. Aan de kernfuncties van het stelsel geven besturen en scholen invulling. Daarnaast waarborgen besturen de uitvoering en kwaliteit van het onderwijs op de scholen onder hun bestuur. In paragraaf 7.3 beschrijven we de werkwijze voor het toezicht op besturen en scholen. In paragraaf 7.4 staat welke activiteiten we hiervoor ondernemen. In de laatste paragraaf van dit hoofdstuk gaan we in op onze werkwijze bij het vervolgtoezicht.

Bij onze oordeelsvorming hanteren we bovengenoemde normering als richtlijn. De mate waarin de onderwijspraktijk de essentie en de bedoeling van met name de deugdelijkheidseisen tentoonspreidt, is bepalend voor ons oordeel. Voor het oordeel Voldoende gaan we er in principe van uit dat aan alle deugdelijkheidseisen die horen bij de standaard is voldaan. We beoordelen de kwaliteit zoals in de standaard is omschreven integraal en niet elke deugdelijkheidseis van de standaard op zichzelf. Het kan zijn dat een bestuur of school op een standaard een positief beeld laat zien, maar op een bepaald element van de standaard (nog) niet. Als dit beperkt van invloed is op de aangetroffen kwaliteit van de school of voor leerlingen én als de tekortkoming eenvoudig en op korte termijn kan worden hersteld, dan geven we het oordeel Voldoende op de standaard. Het bestuur krijgt dan een opdracht tot herstel (herstelopdracht) voor dit bepaalde onderdeel van de standaard en zorgt voor de naleving. Wanneer niet is voldaan aan de deugdelijkheidseisen van financiële continuïteit of rechtmatigheid, kan de betreffende standaard binnen het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambities niet als Voldoende worden beoordeeld of als Goed worden gewaardeerd.

De omgeving en de condities waarin het bestuur en de school opereren, kunnen in positieve of negatieve zin de onderwijskwaliteit en het financieel beheer beïnvloeden. Omgevingsfactoren en condities zijn bijvoorbeeld de kenmerken en de ontwikkeling van de leerlingenpopulatie, de beschikbaarheid van personeel, een fusiegeschiedenis, de huisvesting, de organisatieontwikkeling en de ontwikkeling van het bestuur. We verwachten dat besturen en scholen met hun visie, ambities, doelen en beleid op deze factoren inspelen om de kernfuncties voor het onderwijs voor al hun leerlingen te realiseren. Onze oordelen gaan altijd over de gerealiseerde kwaliteit van de (be)sturing en van het onderwijs dat leerlingen ontvangen.

7. Werkwijze toezicht

Voor de monitoring en aansluitende analyse verzamelen we gegevens uit verschillende bronnen. We gebruiken bestaande gegevens, gegevens uit stelsel- en instellingstoezicht, signalen en we verzamelen zelf gegevens door thematisch onderzoek.

In het stelseltoezicht zetten we een aantal stappen (zie figuur 7.2.1a):

7.3. Toezicht op besturen en scholen

Voor de monitoring en aansluitende analyse verzamelen we gegevens uit verschillende bronnen. We gebruiken bestaande gegevens, gegevens uit stelsel- en instellingstoezicht, signalen en we verzamelen zelf gegevens door thematisch onderzoek.

7.3.2. Proportionaliteit en maatwerk

We monitoren ontwikkelingen door besturen en scholen te onderzoeken of door samen te werken met anderen om gegevens te verzamelen. We noemen dit themaonderzoek. Verschillende doelstellingen voor een themaonderzoek zijn bijvoorbeeld:

De uitkomsten van themaonderzoeken brengen we op verschillende manieren onder de aandacht van besturen, scholen en de samenleving. Het doel hiervan is om de stand van zaken over het betreffende thema weer te geven en om risico’s en knelpunten te agenderen. Ook stimuleren we samenwerking zodat (verdere) verbeteringen kunnen plaatsvinden. Dat doen we vaak in de vorm van een onderzoeksrapport, maar ook in de vorm van een symposium, een bezoek van inspecteurs, een podcast of een webinar. We richten ons hierbij zo direct mogelijk op de doelgroep die het meest betrokken is, zoals leraren of bijvoorbeeld op alle partners in een specifieke regio.

7.4.1. Vierjaarlijks onderzoek bestuur en scholen

Bij het toezicht op de besturen en scholen staat centraal hoe besturen de (financiële) kwaliteit van het onderwijs waarborgen en bevorderen. Om deze vragen te beantwoorden doen we onderzoek op het niveau van bestuur en scholen. We lichten hieronder eerst onze werkwijze toe en gaan vervolgens in op de toezichtsactiviteiten.

7.3.1. Werkwijze toezicht op besturen en scholen

De eindverantwoordelijkheid voor de onderwijskwaliteit op de scholen ligt bij de besturen. Bij de uitvoering van het toezicht op besturen en scholen gaan we uit van proportionaliteit, maatwerk, transparantie en verantwoording. We lichten in paragraaf 7.3.2 proportionaliteit en maatwerk verder toe.

We bepalen de intensiteit van het toezicht op basis van onze gegevens over de kwaliteit van het bestuur. Deze inschatting bouwen we op uit een analyse van de bij ons beschikbare gegevens en aanvullende andere bronnen:

7.4.1. Vierjaarlijks onderzoek bestuur en scholen

In het vierjaarlijks onderzoek willen we weten of de (be)sturing door het bestuur op de kwaliteit van de scholen op orde is, of er sprake is van deugdelijk financieel beheer en hoe dit bijdraagt aan de kernfuncties van het onderwijs (stelselthema’s). We hanteren daarvoor het waarderingskader voor besturen, zoals beschreven in hoofdstuk 4.

De monitoring van de prestaties op het niveau van het bestuur en hun scholen helpt ons om tijdig eventuele risico’s op het spoor te komen en inzicht te krijgen in het functioneren van het bestuur. We doen dit conform artikel 11 van de WOT aan de hand van een aantal indicatoren. Die indicatoren betreffen onder andere financiële gegevens, gegevens over het personeel, over de veiligheid op scholen en de resultaten en doorstroom van leerlingen. Ten minste eenmaal per jaar voeren we een analyse uit op de data die we met de monitor verkrijgen. Als er een vermoeden van risico’s is, voeren we een risicoanalyse uit.

Het bestuur legt verantwoording af over de verwerving en besteding van de rijksbekostiging. Deze verantwoording wordt beoordeeld door een accountant die wordt aangesteld door het interne toezicht. Deze accountant moet opereren volgens de beroepsmaatstaven van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) en volgens het Onderwijsaccountantsprotocol dat door de inspectie in overleg met belanghebbenden18Onder andere het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), onderwijskoepels, de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) en accountantskantoren. is opgesteld. Elk jaar controleren wij bij een selectie van accountants of hun controle voldoet aan de regels. Aandachtspunten uit deze toezichtactiviteit worden jaarlijks besproken met de NBA en kunnen aanleiding zijn het Onderwijsaccountantsprotocol aan te passen.

De hier beschreven toezichtsactiviteiten zijn aangevuld met twee nieuwe toezichtsactiviteiten. Zie hiervoor het Woord vooraf.

Besturen leveren elk jaar een jaarrekening inclusief een bestuursverslag met daarin een meerjarenbegroting aan bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Op basis daarvan analyseren we jaarlijks de actuele en toekomstgerichte financiële kengetallen van elk bestuur. Bij mogelijke risico’s voor de continuïteit van het onderwijs starten we een onderzoek naar de financiële continuïteit op bestuursniveau. Dit onderzoek kan ook plaatsvinden tijdens een vierjaarlijks onderzoek. Als daar vanuit de monitoring van financiële kengetallen of vanuit signalen aanleiding voor is, kunnen we op elk moment een onderzoek naar de financiële continuïteit starten.

Een belangrijk onderdeel van onze werkwijze in het vierjaarlijks onderzoek is verificatie. Met verificatie-activiteiten toetsen we bij besturen, scholen en andere betrokkenen in hoeverre het bestuur zicht heeft op de kwaliteit van het onderwijs en het financieel beheer en hoe het bestuur daarop stuurt.

7.4.2. Onderzoeken op schoolniveau

Meer informatie over thematische onderzoeken is te vinden in paragraaf 7.2, maar we nemen ze hier voor de volledigheid op. Vanuit het stelseltoezicht zijn er thema’s die we verder onderzoeken. Hiervoor bezoeken we scholen en/of besturen. Deze themaonderzoeken kunnen samenvallen met het vierjaarlijks onderzoek en ook los plaatsvinden. Bij themaonderzoeken geven we in een themarapport oordelen op het niveau van het geheel van de onderzochte instellingen (niet op instellingsniveau). Daarbij is geen sprake van een oordeel en herstelopdracht aan individuele besturen. In specifieke gevallen kunnen echter wel oordelen en herstelopdrachten worden gegeven aan individuele besturen. In die gevallen gebeurt dat dus in een rapport op instellingsniveau. Het bestuur wordt hierover bij de aankondiging van het onderzoek geïnformeerd.

7.5. Vervolgtoezicht, intensivering en sancties

7.4.4. Overige toezichtsactiviteiten

8. Communicatie en rapportage

7.5.1. Vervolgtoezicht bij herstelperiode

8.1. Inleiding

7.5.2. Escaleren

Escaleren heeft betrekking op interventies om besturen aan te sporen de door ons noodzakelijk geachte verbeteringen door te voeren. Escalatie gaat stapsgewijs, waarbij steeds wordt gekeken welk middel nodig is. Dit zodat de verbeteringen plaatsvinden. Naarmate een bestuur of een school daar minder goed in slaagt, intensiveren we het toezicht. Dit kan verder en verdiepend onderzoek inhouden, bijvoorbeeld een specifiek onderzoek naar het bestuurlijk handelen. In het uiterste geval, wanneer we zien dat verbetering uitblijft, kunnen we verschillende sancties inzetten of maatregelen nemen.

Interventies kunnen variëren van een herstelopdracht om tekortkomingen op te heffen op schoolniveau tot zeer ingrijpende maatregelen op het niveau van bekostiging van scholen en op het niveau van besturen. Vanzelfsprekend wegen we in alle gevallen af wat de ernst en de langdurigheid van de risico’s zijn en of het bestuur voldoende perspectief op verbetering van de situatie biedt.

Onderzoeken op stelselniveau kennen de volgende rapportagevormen.

8.3.3. Schoolniveau

We communiceren over de uitkomsten van onze onderzoeken, maar hebben daarnaast ook een informatiefunctie. Via het informatie- en meldpunt van de inspectie kunnen ouders, besturen en scholen bijvoorbeeld vragen stellen over het onderwijs, ons toezicht in het algemeen of specifieke scholen. Ook kunnen hier zorgen over het onderwijs worden gemeld. Vertrouwenskwesties kunnen worden gemeld bij vertrouwensinspecteurs.

8.3. Rapportage

We rapporteren op stelselniveau en op het niveau van besturen en scholen. In beginsel maken we onze rapporten over besturen en scholen in de derde week na vaststelling openbaar (artikel 21, eerste lid, WOT).22In artikel 15, tweede lid, WOT is bepaald dat rapporten van een specifiek onderzoek openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.

9. Specifieke toepassingen van het onderzoekskader

Bij verificatie-activiteiten op schoolniveau geven we geen oordelen of waarderingen. De rapportage hierover is daarom beknopt.

9.2. Besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

8.3.3. Schoolniveau

Net als bij besturen kunnen we ook op schoolniveau een specifiek onderzoek uitvoeren. Dit kan met het onderzoek op bestuursniveau samenhangen, maar ook afzonderlijk worden uitgevoerd. Dergelijke onderzoeken worden uitgevoerd in het kader van artikel 15, WOT. Over de bevindingen en conclusies schrijven we een rapport, dat op de website van de inspectie openbaar wordt gemaakt.

9.2. Besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

In dit hoofdstuk beschrijven we enkele specifieke toepassingen van en uitzonderingen op het reguliere onderzoekskader. Het betreffen samenwerkingsverbanden passend onderwijs en onderwijssoorten en -voorzieningen waarvoor specifieke wet- en regelgeving geldt, zodat aanpassingen van het waarderingskader of de werkwijze nodig zijn.

9.2.3. Werkwijze

9.3.2. Aanpassingen waarderingskader en normering

Het toezicht moet inzicht geven in de mate waarin samenwerkingsverbanden erin slagen hun taak te vervullen.

9.2.3. Werkwijze

9.4. Onderwijs aan nieuwkomers

9.3. Speciaal basisonderwijs

9.3.1. Inleiding

De aanpassingen in het waarderingskader betreffen de standaarden Basisvaardigheden, Aanbod, Zicht op ontwikkeling en begeleiding, Pedagogisch-didactisch handelen en Resultaten.

9.4.2. Aanpassingen waarderingskader en normering

Een dergelijke activiteit is onderdeel van het onderzoek naar de werking van de kwaliteitszorg van het samenwerkingsverband. We gaan na of scholen de afspraken uit het ondersteuningsplan nakomen. We verwachten van het bestuur van het samenwerkingsverband dat het zicht heeft op deze uitvoering in de praktijk en dat het hierop stuurt. Daarnaast geeft het ons zicht op enkele aspecten van passend onderwijs op de bezochte scholen. De uitkomsten van de verificatie-activiteiten levert geen oordeel op over de scholen, maar een signaal of zij de onderzochte afspraken uit het ondersteuningsplan naleven en over de uitwerking van het beleid van het samenwerkingsverband.

Voor de werkwijze voor het toezicht op de kwaliteit van het onderwijs op het opdc gelden de uitgangspunten zoals genoemd in hoofdstuk 7.

9.3. Speciaal basisonderwijs

9.3.2. Aanpassingen waarderingskader en normering

De werkwijze van het toezicht is zoals beschreven in hoofdstuk 7.

9.5. Internationaal georiënteerd basisonderwijs

9.6. Kinderopvang en voor- en vroegschoolse educatie

9.4.2. Aanpassingen waarderingskader en normering

De aard van het nieuwkomersonderwijs brengt met zich mee dat enkele standaarden uit het waarderingskader op een specifieke manier moeten worden geïnterpreteerd. Voor voorzieningen van het type 1 en 2 zijn de volgende aanpassingen gedaan in het waarderingskader:

9.4.3. Werkwijze

Hoewel het in alle gevallen gaat om een afdeling of nevenvestiging van een reguliere (Nederlandstalige) basisschool, is in een toelichting op de wet geregeld dat wij daar apart toezicht op houden.

9.7.1. Inleiding

Voor- en vroegschoolse educatie (vve) is bedoeld voor peuters en kleuters met een (risico op een) (taal)achterstand. Vve richt zich niet alleen op taalachterstanden, maar ook op de sociaal-emotionele, cognitieve en motorische ontwikkeling van deze kinderen. Via het interbestuurlijk toezicht gaat de inspectie na of er in de gemeente afspraken zijn gemaakt over vve en onderwijsachterstanden. Hierover leest u meer in het eerder genoemde Interbestuurlijk toezichtkader 2023.

Daarnaast beoordeelt de inspectie de kwaliteit van vve op kinderdagverblijven (voorscholen) en de groepen 1 en 2 van de basisscholen (vroegscholen).

9.7.2. Aanpassing waarderingskader en normering

Aangezien het waarderingskader alleen gaat over het educatieve deel van de locatie, en niet over de gehele locatie, geven we bij de voorscholen geen eindoordeel.

Het bestuursgerichte toezicht in Caribisch Nederland wijkt enigszins af van de reguliere aanpak. We hanteren in dit stadium een tweejaarlijkse cyclus voor de kwaliteitsonderzoeken op school- of opleidingsniveau. In principe doen we het ene jaar een voortgangsgesprek met het bestuur en de schoolleiding en in het andere jaar een kwaliteitsonderzoek. Tijdens deze onderzoeken op school/opleidingsniveau geven we een oordeel over (minimaal) die standaarden die nodig zijn om de basiskwaliteit vast te stellen. Het onderzoek naar deze standaarden kan proportioneel uitgevoerd worden.

9.7.1. Inleiding

Bijlage 1. Waarderingskader besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

9.7.2. Aanpassing waarderingskader en normering

Bijlage 4. Waarderingskader internationaal georiënteerd basisonderwijs

Bijlage 6. Waarderingskader primair onderwijs Caribisch Nederland

1 Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

Bijlage 3. Waarderingskader nieuwkomersvoorzieningen type 1 en 2

A. Bevordering burgerschap

2

Zie voor begripsbepalingen artikel 1 WPO: basisondersteuningsvoorzieningen:voorzieningen voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte die op alle vestigingen van scholen behorend tot een samenwerkingsverband aanwezig zijn; ondersteuningsaanbod van de school: een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

Bijlage 6. Waarderingskader voorschoolse educatie

Bijlage 7. Waarderingskader primair onderwijs Caribisch Nederland

1 Dit instrument moet passen bij de leerlingenpopulatie en moet een representatief en actueel beeld geven van de sociale, psychische en fysieke veiligheid van de leerlingen. Dit kan betekenen dat de school geen Nederlandstalig of geen gestandaardiseerd instrument gebruikt. Nieuwkomersvoorzieningen hoeven de gegevens niet jaarlijks aan te leveren bij de inspectie, maar moeten de gegevens bij een inspectiebezoek wel kunnen laten zien.

2Zie voor de begripsbepalingen artikel 1 WPO:basisondersteuningsvoorzieningen zijn voorzieningen voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte die op alle vestigingen van scholen behorend tot een samenwerkingsverband aanwezig zijn; ondersteuningsaanbod van de school: een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

A. Bevordering burgerschap

1

In deze bijlage zijn het waarderingskader en de normering voor de voorschoolse educatie opgenomen. De toelichting op de aanpassing van het waarderingskader en de normering is te vinden in paragraaf 9.6.

In deze bijlage is het waarderingskader voor het primair onderwijs op Caribisch Nederland opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.7.

1 Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

B. Basiswaarden van de democratische rechtsstaat

De standaarden hebben betrekking op aspecten van kwaliteit, waaronder het onderwijs gericht op bevordering van burgerschap. Hieronder wordt aangegeven in welke standaarden onderdelen van burgerschap aan de orde zijn en geven we met enige nadere uitwerking (A) een overzicht van de inrichting van het toezicht op basiswaarden (B).

Bijlage 2. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het voortgezet onderwijs

De wet vraagt:

Samenvatting

De inspectie stelt vast of het onderwijs doelgericht, samenhangend en herkenbaar is, en de school de leerresultaten op betrouwbare en inzichtelijke manier in kaart brengt. Of het onderwijs doelgericht is, blijkt uit de formulering van geconcretiseerde leerdoelen die de school bereiken wil voor bevordering van basiswaarden en sociale en maatschappelijke competenties. Of het onderwijs samenhangend is, blijkt uit de logische opbouw van de leerstof en aanpak waarmee de school de leerdoelen bereiken wil. Of het onderwijs gericht op bevordering van burgerschap herkenbaar is, blijkt uit de realisering van de geplande leerstof en aanpak. Of de school de leerresultaten op betrouwbare en inzichtelijke wijze in kaart brengt, blijkt uit dat de school over gegevens beschikt die een adequaat beeld van de resultaten geven, zodanig dat beoordeeld kan worden of de school haar leerdoelen realiseert.

1. Inleiding

Via de standaarden voor kwaliteitszorg van bestuur en school (standaarden SKA1-3; BKA1-3) beoordeelt de inspectie tenslotte of het onderwijs aan de wettelijke eisen voldoet en het bestuur zijn zorgplicht hieromtrent realiseert (standaarden SKA1-3; BKA1-3).

1.1. Inleiding

1.2. Waar houden we toezicht op?

Toezicht op individuele scholen

1.4. Niveaus in het toezicht

1.2. Waar houden we toezicht op?

2. Visie en uitgangspunten voor het toezicht

Besturen zijn ervoor verantwoordelijk dat het onderwijs op hun scholen van voldoende kwaliteit is en dat het financieel beheer op orde is. Door het aangepaste onderzoekskader worden besturen daarnaast nog nadrukkelijker gestimuleerd om na te denken over hun eigen ambities. Elke vier jaar onderzoekt de inspectie in het ‘Vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen’ de mate waarin het bestuur deze verantwoordelijkheid neemt en of de (be)sturing op de kwaliteit van de scholen op orde is.

2.3. Uitgangspunten voor het toezicht

Scholen en besturen maken onderdeel uit van het onderwijsstelsel. Het stelsel vormt ook de context waarbinnen zij hun werk doen. Onder stelselkwaliteit verstaan we de mate waarin alle besturen en scholen er samen met anderen in slagen om voor alle leerlingen bij te dragen aan de realisatie van de kernfuncties van het onderwijs. Zij zorgen er samen voor dat deze kernfuncties van onderwijs (kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen) met succes én in evenwicht gerealiseerd worden.

Het onderwijs verandert voortdurend door nieuwe ontwikkelingen in de samenleving. Daarom is het nodig het toezicht op (de kwaliteit van) het onderwijs regelmatig aan te passen. In 2017 is het toezicht vernieuwd. Sinds die tijd is de verantwoordelijkheid van besturen voor de kwaliteit van hun scholen het uitgangspunt voor het toezicht. In het toezicht op het onderwijs in Nederland gaat het om de leerlingen en studenten.

1.3. Begripsbepalingen

3.1. Inleiding

3.2.2. Stelseltoezicht

Ieder jaar wordt het onderzoekskader in ieder geval geactualiseerd naar aanleiding van wijzigingen in de wet- en regelgeving. Om zicht te hebben op ervaringen en ontwikkelingen raadpleegt de inspectie periodiek het onderwijsveld.

Naast ingrijpen waar het niet goed gaat, stimuleren we ook verdere ontwikkeling van het onderwijs en de kwaliteit ervan. We doen dit op meerdere niveaus. Op stelselniveau monitoren we met onderzoek en gegevensverzameling hoe de kernfuncties van het onderwijs zich ontwikkelen. Als we hierin risico’s signaleren, agenderen we deze, passend bij de urgentie ervan. We signaleren en agenderen belangrijke onderwerpen in bijvoorbeeld ‘De Staat van het Onderwijs’ en in themarapportages. Op stelselniveau geven we kansen en mogelijkheden voor verbetering aan, waarmee we het stelsel beogen te stimuleren. We brengen de uitkomsten en analyses van onderzoek op verschillende manieren en bij verschillende betrokkenen onder de aandacht, om zo bij te dragen aan inzicht en oplossingen voor gesignaleerde problemen. Soms is het belangrijk dat betrokkenen rond een thema samen in gesprek gaan. Zo kunnen bijvoorbeeld besturen, gemeenten en samenwerkingsverbanden samen een rol spelen bij jeugdzorg. We brengen de uitkomsten ook onder de aandacht van besturen en scholen door met hen in een open dialoog te bespreken of zij kansen zien om bij te dragen aan het verbeteren van een stelselknelpunt.

4. Waarderingskader besturen

2.3. Uitgangspunten voor het toezicht

Onze missie, ‘Effectief toezicht voor beter onderwijs’, wordt gedragen door vijf uitgangspunten (zie figuur 2.3a). De uitgangspunten hangen met elkaar samen en borduren op elkaar voort. Met elk uitgangspunt afzonderlijk, maar vooral in die samenhang beoogt het toezicht bij te dragen aan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs(stelsel). Daarnaast sluit het toezicht aan bij de verantwoordelijkheid die besturen hebben voor het onderwijs, bewaakt het in aanvulling daarop de basiskwaliteit (waarborgen) en wil het beter onderwijs bevorderen (stimuleren). We bepalen de intensiteit van het toezicht per bestuur (proportionaliteit) en houden bij de uitvoering rekening met de organisatiekenmerken en omstandigheden van het bestuur (maatwerk). We lichten de uitgangspunten hierna toe.

3. Stelseltoezicht

3.1. Inleiding

4.3. Kwaliteitsgebied en standaarden

5. Waarderingskader scholen

3.3. Raamwerk voor stelselkwaliteit

3. Stelseltoezicht

1 De wettelijke opdracht tot bevordering is ook herkenbaar in een aantal kerndoelen voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs, die eveneens op sociale en maatschappelijke competenties betrekking hebben. Te denken valt met name aan de kerndoelen 35, 36, 38, 43, 44, 45 en 47.

In dit hoofdstuk beschrijven we het kader voor de beoordeling van de besturing door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag bestaat uit het uitvoerend deel van het bestuur en het interne toezicht. Hoewel de functies gescheiden zijn, zorgt men er, ieder vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheid, samen voor dat de kwaliteit van hun scholen gewaarborgd is en er sprake is van deugdelijk financieel beheer. Voor de leesbaarheid spreken we over het bestuur als aanduiding voor het bevoegd gezag.

5.4. Overige wettelijke vereisten

6. Oordelen en waarderen

Niet alle deugdelijkheidseisen zoals die in de onderwijswet- en regelgeving staan vermeld, zijn opgenomen in het onderzoekskader. Dit geldt bijvoorbeeld voor die over de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) en de vrijwillige ouderbijdrage. De deugdelijkheidseisen die niet aan een standaard in het waarderingskader zijn verbonden, vatten we samen onder de noemer ‘overige wettelijke vereisten’. Het schoolplan is voor het schoolbeleid, vaak ook in relatie tot overige wettelijke eisen, een belangrijk verantwoordingsdocument.

6.2. Stimuleren op stelselniveau

5.2. Opbouw van het kader

4. Waarderingskader besturen

6.5.1. Wettelijke norm zeer zwak onderwijs

6. Oordelen en waarderen

6.5.3. Extra normering voor nieuwe scholen43Onder een nieuwe school verstaan we hier een school die sinds de inwerkingtreding van de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen een aanvraag heeft ingediend bij de minister waarna de minister vervolgens heeft besloten om de school te bekostigen.

4.4. Overige wettelijke vereisten

6.1. Inleiding

In het waarderingskader op schoolniveau onderscheiden we vier kwaliteitsgebieden: Onderwijsproces, Veiligheid en schoolklimaat, Onderwijsresultaten, en Sturen, kwaliteitszorg en ambitie. Met het waarderingskader krijgen we antwoord op de drie elementaire vragen over het onderwijs voor leerlingen: krijgen ze goed onderwijs (Onderwijsproces), voelen ze zich veilig (Veiligheid en schoolklimaat), en leren ze genoeg (Onderwijsresultaten)? Daarnaast kijken we naar de sturing op en de verbetering van de kwaliteit (Sturen, kwaliteitszorg en ambitie). Dit zijn belangrijke aspecten voor de kwaliteit en ontwikkeling van het onderwijs aan leerlingen. We beoordelen bij de kwaliteit van het onderwijs het geheel van de prestaties van de school op deze vier gebieden. Het financieel beheer beoordeelt de inspectie op het niveau van het bestuur.

7.2.2. Monitoring en analyse van ontwikkelingen

3 Zie voor begripsbepalingen artikel 1.1 WVO 2020: basisondersteuningsvoorzieningen:voorzieningen voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte die op alle vestigingen van scholen behorend tot een samenwerkingsverband aanwezig zijn; ondersteuningsaanbod van de school:een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.

5.4. Overige wettelijke vereisten

6.5.1. Wettelijke norm zeer zwak onderwijs

In ons jaarwerkplan, dat op de website van de inspectie wordt gepubliceerd, geven we aan welke thema’s we in dat jaar onderzoeken. Ook op grond van meldingen en signalen kunnen we besturen en scholen bevragen op het mogelijk niet-naleven van de overige wettelijke vereisten. Niet-naleving van (een of meer van) de overige wettelijke vereisten kan op schoolniveau in dat geval niet leiden tot een oordeel Onvoldoende of tot het oordeel Zeer zwak. Wel moet de school/het bestuur de tekortkoming binnen een door de inspectie te bepalen termijn herstellen.

6. Oordelen en waarderen

6.2. Stimuleren op stelselniveau

6.3. Oordelen en waarderen standaarden bestuur en school

Of een standaard als Voldoende of Onvoldoende wordt beoordeeld, is gebaseerd op de vraag of het bestuur/de school voldoet aan de deugdelijkheidseisen en daarmee basiskwaliteit realiseert. Voor de waardering Goed wordt de realisatie van ambities betrokken. Onderstaande tabel geeft aan hoe het oordeel en de waardering op standaardniveau tot stand komt:

6.4. Oordelen en waarderen op bestuursniveau

Het oordeel of de waardering over de kwaliteit van de school42In het voortgezet onderwijs doen we altijd uitspraken op het niveau van de afdeling/onderwijssoort. (eindoordeel) komt tot stand op basis van de volgende normen.

1 In het geval er sprake is van een situatie met alleen onvoldoende leerresultaten (zonder een of meerdere andere onvoldoende(s) op standaarden) zal dat geen aanleiding zijn om over te gaan tot het opleggen van een bekostigingsmaatregel, zoals opschorten of inhouden van (een deel van) de rijksbekostiging.

In de wet (artikel 2.94, derde lid, WVO 2020) is bepaald dat wanneer de leerresultaten van de school niet kunnen worden beoordeeld, het volgende geldt: ‘De kwaliteit van het onderwijs is zeer zwak als de school tekortschiet in de naleving van twee of meer bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften en de school dientengevolge tekortschiet in het zorg dragen voor de veiligheid op de school, bedoeld in artikel 3.40 WVO 2020, of het zodanig inrichten van het onderwijs dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelproces kunnen doorlopen dan wel het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, WVO 2020.’

6.6.1. Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen

6.6.2. Waarderen van ambities

Omgeving en condities spelen hoofdzakelijk een rol bij het bepalen van de invulling van het onderzoek en eventueel bij het vervolgtoezicht.

7.1. Inleiding

7.2.1. Werkwijze van het stelseltoezicht

7.3.2. Proportionaliteit en maatwerk

7.4.2. Onderzoeken op schoolniveau

7.5.2. Escaleren

7.5.2. Escaleren

8.3. Rapportage

8.3.1. Stelselniveau

7.5.2. Escaleren

7.5. Vervolgtoezicht, intensivering en sancties

8.1. Inleiding

8.3.3. Schoolniveau

7.4.3. Onderzoeken specifiek gericht op financieel beheer

Het bestuur legt verantwoording af over de verwerving en besteding van de rijksbekostiging. Deze verantwoording wordt beoordeeld door een accountant die wordt aangesteld door het interne toezicht. Deze accountant moet opereren volgens de beroepsmaatstaven van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) en volgens het Onderwijsaccountantsprotocol dat door de inspectie in overleg met belanghebbenden44Onder andere het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), onderwijskoepels, de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) en accountantskantoren. is opgesteld. Elk jaar controleren wij bij een selectie van accountants of hun controle voldoet aan de regels. Aandachtspunten uit deze toezichtactiviteit worden jaarlijks besproken met de NBA en kunnen aanleiding zijn het Onderwijsaccountantsprotocol aan te passen.

9.1. Inleiding

Wij onderzoeken bij een specifiek onderzoek bepaalde aspecten van het besturen, het financieel beheer of het onderwijs (artikel 15, WOT). Ook hier geldt dat we de intensiteit van het onderzoek afstemmen op de kwaliteit van het bestuur.

Meldingen over het onderwijs hebben voor ons een signaalfunctie en we nemen deze mee bij de jaarlijkse prestatieanalyse en de expertanalyse ter voorbereiding van het vierjaarlijks onderzoek. Soms is de signalering zo ernstig van aard dat deze meteen aanleiding voor onderzoek vormt.

8.3. Rapportage

Bij tekortkomingen op bestuursniveau, bijvoorbeeld bij onvoldoende (financiële) basiskwaliteit en daardoor niet voldoen aan wet- en regelgeving, spreken we met het bestuur af binnen welke termijn de geconstateerde tekortkomingen hersteld moeten zijn. Afhankelijk van de zwaarte en omvang van de tekortkoming verantwoordt het bestuur zich over het herstel aan de inspectie en gaan wij na of de tekortkoming is hersteld. De intensiteit waarmee we dat doen, bepalen we ook in relatie tot de kwaliteit van het bestuur.

Bij tekortkomingen in de basiskwaliteit op een school maken we met het bestuur afspraken over de termijn waarbinnen de kwaliteit hersteld moet zijn. Wanneer de zwaarte en omvang van de tekortkomingen hiertoe aanleiding geven, bijvoorbeeld bij het oordeel Zeer zwak, stellen we een toezichtsplan op om het verloop van het herstel te monitoren en voeren we een herstelonderzoek uit. Bij kleinere tekortkomingen en als de kwaliteit van het besturen op orde is, verantwoordt het bestuur zich bij ons over het herstel. We spreken, afhankelijk van de kwaliteit van het bestuur, af hoe we omgaan met het herstelonderzoek.

9.2.2. Aanpassingen waarderingskader en normering

Escaleren heeft betrekking op interventies om besturen aan te sporen de door ons noodzakelijk geachte verbeteringen door te voeren. Escalatie gaat stapsgewijs, waarbij steeds wordt gekeken welk middel nodig is. Dit zodat de verbeteringen plaatsvinden. Naarmate een bestuur of een school daar minder goed in slaagt, intensiveren we het toezicht. Dit kan verder en verdiepend onderzoek inhouden, bijvoorbeeld een specifiek onderzoek naar het bestuurlijk handelen. In het uiterste geval, wanneer we zien dat verbetering uitblijft, kunnen we verschillende sancties inzetten of maatregelen nemen.

9. Specifieke toepassingen van het onderzoekskader

We communiceren over de uitkomsten van onze onderzoeken, maar hebben daarnaast ook een informatiefunctie. Via het informatie- en meldpunt van de inspectie kunnen ouders, besturen en scholen bijvoorbeeld vragen stellen over het onderwijs, ons toezicht in het algemeen of specifieke scholen. Ook kunnen hier zorgen over het onderwijs worden gemeld. Vertrouwenskwesties kunnen worden gemeld bij vertrouwensinspecteurs.

9.3. Praktijkonderwijs

8.3. Rapportage

We rapporteren op stelselniveau en op het niveau van besturen en scholen. In beginsel maken we onze rapporten over besturen en scholen in de derde week na vaststelling openbaar (artikel 21, eerste lid, WOT).48In artikel 15, tweede lid, WOT is bepaald dat rapporten van een specifiek onderzoek openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.

In bepaalde gevallen is het mogelijk om een klacht in te dienen over een gedraging van de inspectie. Wij verwijzen u voor de klachtenprocedure naar onze website (www.onderwijsinspectie.nl).

Jaarlijks rapporteren we ook over de financiële toestand van de instellingen en het onderwijsstelsel. Wij baseren ons daarbij op financiële gegevens van de instellingen zelf en verder op toezichtactiviteiten en onderzoeken die wij uitvoeren rond het financieel beheer van instellingen. Daarbij geven we aan wat goed gaat en wijzen we op risico’s.

Als uit eerder onderzoek blijkt dat een bestuur niet in staat is noodzakelijke verbetermaatregelen te treffen of als uit signalen problemen naar voren komen die direct om onderzoek naar een specifiek knelpunt vragen, voert de inspectie een specifiek onderzoek uit. Deze onderzoeken worden uitgevoerd in het kader van artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT). Over de bevindingen en conclusies wordt een rapport gemaakt dat in beginsel op de website van de inspectie openbaar wordt gemaakt.

We rapporteren over onze bevindingen uit onderzoeken op scholen vaak als onderdeel van andere rapportages over besturen of het stelsel. In themaonderzoeken presenteren we een algemeen beeld, waardoor bevindingen van een individuele school niet herkenbaar zijn in het rapport. Het rapport ‘Vierjaarlijks onderzoek bij bestuur en scholen’ bevat deelrapportages over onderzoeks- en verificatie-activiteiten die binnen het bestuursonderzoek op scholen plaatsvonden. We rapporteren afzonderlijk over onderzoeken die we op scholen uitvoeren, buiten de thema- en bestuursonderzoeken om. Zo kunnen ouders en andere belangstellenden, naast de informatie die vanuit het bestuur beschikbaar is, van onze toezichtsresultaten kennisnemen. Dat doen we in de volgende gevallen.

9.4.2. Aanpassingen waarderingskader en normering

Net als bij besturen kunnen we ook op schoolniveau een specifiek onderzoek uitvoeren. Dit kan met het onderzoek op bestuursniveau samenhangen, maar ook afzonderlijk worden uitgevoerd. Dergelijke onderzoeken worden uitgevoerd in het kader van artikel 15, WOT. Over de bevindingen en conclusies schrijven we een rapport, dat op de website van de inspectie openbaar wordt gemaakt.

Als met het bestuur geen overeenstemming is bereikt over de door het bestuur gewenste wijzigingen van het conceptrapport, heeft het bestuur een andere zienswijze op de oordelen en waarderingen. Deze zienswijze voegen we als bijlage toe aan het definitieve rapport.

9.3.1. Inleiding

Het kwaliteitsgebied Realisatie passend onderwijs (RPO) richt zich op de wettelijke taken die specifiek zijn voorbehouden aan samenwerkingsverbanden passend onderwijs en die zijn gericht op de realisatie van de maatschappelijke opdracht voor passend onderwijs. Deze wettelijke taken zijn gevat in de drie standaarden in het kwaliteitsgebied Realisatie passend onderwijs.

Ook zijn er onderwijssoorten of -voorzieningen in de vorm van een pilot. In die gevallen is er wel sprake van inspectiebetrokkenheid, maar is de wet- en regelgeving nog niet volledig uitgekristalliseerd. Vanwege het tijdelijke karakter van pilots en experimenten zijn deze niet beschreven in dit onderzoekskader.

Het onderwijsstelsel laat de afgelopen jaren ontwikkelingen zien naar meer variatie in bijvoorbeeld onderwijsroutes, diplomering en samengestelde trajecten. Besturen hebben de verantwoordelijkheid voor al het onderwijs dat zij aanbieden. De beoordeling van de kwaliteit hiervan vindt in beginsel plaats binnen de reikwijdte van het vierjaarlijks onderzoek. Wij baseren ons hierbij op geldende wet- en regelgeving die voor deze routes van toepassing zijn.

Een dergelijke activiteit is onderdeel van het onderzoek naar de werking van de kwaliteitszorg van het samenwerkingsverband. We gaan na of scholen de afspraken uit het ondersteuningsplan nakomen. We verwachten van het bestuur van het samenwerkingsverband dat het zicht heeft op deze uitvoering in de praktijk en dat het hierop stuurt. Daarnaast geeft het ons zicht op enkele aspecten van passend onderwijs op de bezochte scholen. De uitkomsten van de verificatie-activiteiten levert geen oordeel op over de scholen, maar een signaal of zij de onderzochte afspraken uit het ondersteuningsplan naleven en over de uitwerking van het beleid van het samenwerkingsverband.

9.2.1. Inleiding

9.3. Praktijkonderwijs

Het toezicht moet inzicht geven in de mate waarin samenwerkingsverbanden erin slagen hun taak te vervullen.

9.3.2. Aanpassingen waarderingskader en normering

9.4.3. Werkwijze

9.4.1. Inleiding

9.4.2. Aanpassingen waarderingskader en normering

9.3.1. Inleiding

9.3.2. Aanpassingen waarderingskader en normering

De aanpassingen in het waarderingskader betreffen de standaarden Basisvaardigheden, Aanbod, Zicht op ontwikkeling en begeleiding en Resultaten:

Bij een onderzoek op schoolniveau trekken we op basis van onze oordelen op de standaarden een conclusie over de kwaliteit van het onderwijs volgens de beslisregels uit hoofdstuk 6. Omdat voor de resultaten van leerlingen van een praktijkschool geen normen beschikbaar zijn, gelden daarmee de beslisregels voor scholen waarvan de resultaten niet te beoordelen zijn (paragraaf 6.5.2).

Bij een doorlopende of geïntegreerde leerroute vmbo-mbo is de leerling in de eerste twee jaar van de leerroute (het derde en vierde leerjaar van het vmbo) ingeschreven bij de vmbo-school. Vanaf het derde jaar van de leerroute wordt de leerling ingeschreven bij de mbo-instelling.52De eerste twee jaar van de leerroute staat de leerling ingeschreven op de school voor voortgezet onderwijs, is de wet- en regelgeving voor voortgezet onderwijs van toepassing en is de school voor voortgezet onderwijs verantwoordelijk (met uitzondering van het onderwijs aan het middelbaar beroepsonderwijs en de examinering die in die periode worden aangeboden, daarvoor blijft de school voor middelbaar beroepsonderwijs verantwoordelijk). Na twee jaar wordt de jongere overgeschreven naar het middelbaar beroepsonderwijs; dan is de wet- en regelgeving voor het middelbaar beroepsonderwijs van toepassing (met uitzondering van het onderwijs, de examinering en de diplomering voortgezet onderwijs die in deze periode plaatsvinden, daarvoor blijft het vmbo verantwoordelijk).

Voor eoa’s die gekoppeld zijn aan een onderwijssoort of afdeling van een school voor voortgezet onderwijs beoordelen we ook de standaarden zoals vermeld in de bijlage. Het bestuur van de school voor voortgezet onderwijs is verantwoordelijk voor de onderwijskwaliteit op de eoa. Zo nodig geven we herstelopdrachten aan het bestuur.

9.4.3. Werkwijze

Op bestuursniveau sluit het waarderingskader grotendeels aan op de kaders voor middelbaar beroepsonderwijs en voortgezet onderwijs; voor B2-instellingen sluit het waarderingskader grotendeels aan bij het waarderingskader voor niet-bekostigde instellingen middelbaar beroepsonderwijs. Dit laatste waarderingskader is opgenomen in bijlage 2 van het Onderzoekskader 2021 voor middelbaar beroepsonderwijs.

9.5.2. Aanpassingen waarderingskader en normering

9.7.3. Werkwijze

9.7.1. Inleiding

Voor het bepalen van een oordeel over de kwaliteit van het onderwijs gelden de beslisregels uit paragraaf 6.5. B2-scholen en niet-bekostigd vavo komen niet in aanmerking voor de waardering Goed.

9.6.1. Inleiding

Voor deze typen scholen zijn twee wetten van toepassing: de Wet op het voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020) en de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB).

9.7. Doorlopende leerroutes vmbo-mbo

Enkele standaarden zijn niet in dit waarderingskader opgenomen, te weten Schoolklimaat en Sociale en maatschappelijke competenties. De standaard Stage/praktijkvorming geldt alleen voor B2-instellingen voor zover het de onderwijssoort vmbo-b, -k en -g betreft.

9.8.1. Inleiding

9.8.2. Aanpassing waarderingskader en normering

9.8.3. Werkwijze

Ten aanzien van niet-bekostigd vavo geldt dat ook de diploma-erkenning kan worden ontnomen bij onderwijs van onvoldoende kwaliteit op basis van artikel 6a.1.2 WEB.

9.7.3. Werkwijze

Bij nieuwe instellingen voeren we een kwaliteitsonderzoek uit op drie of vier kwaliteitsgebieden: het gebied Onderwijsproces, het gebied Veiligheid en schoolklimaat en, indien de instelling reeds deelnemers heeft gediplomeerd, het gebied Borging en afsluiting. Tevens onderzoeken we de stand van zaken op het gebied van Besturing, kwaliteitszorg en ambitie. Het toezicht bestaat uit een kwaliteitsonderzoek bij één opleiding. De uitkomst van dit onderzoek bepaalt de planning van het vierjaarlijks onderzoek.

Een doorlopende leerroute vmbo-mbo leidt uiteindelijk tot een mbo-diploma op niveau 2, 3 of 4. De leerling behaalt daarnaast ook een vmbo-diploma. De geïntegreerde leerroute die opleidt tot een diploma op niveau 2 kan afgerond worden zonder het behalen van een vmbo-diploma. De examenleerstof moet wel behandeld zijn.

9.7.2. Aanpassingen waarderingskader en normering

We beschouwen doorlopende leerroutes vmbo-mbo als een afzonderlijk object van toezicht, waarop de wetgeving van toepassing is die ook geldt voor de sectorale kaders voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs (zie hoofdstuk 1 van beide kaders).

Vanwege de verschillen in wetgeving zijn enkele standaarden en kwaliteitsgebieden specifiek aangepast op (wetgeving voor) de doorlopende leerroutes vmbo-mbo. Dit betreffen:

Bijlage 4. Waarderingskader internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs (igvo)

Bijlage 1 Waarderingskader besturen samenwerkingsverbanden passend onderwijs

1 Jeugdhulp en eventuele andere domeinen uit artikel 2.2 van de Jeugdwet zoals beschreven in het jeugdplan van de gemeente.

9.8.1. Inleiding

Het waarderingskader voor Caribisch Nederland is gebaseerd op de Wet primair onderwijs BES (WPO BES), de Wet voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020) en de Wet educatie en beroepsonderwijs BES (WEB BES). Deze wetten wijken af van de sectorwetten voor Europees Nederland. Tot slot is er nog aanvullende regelgeving voor het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs op Sint Eustatius en Saba als het gaat om het Engelstalige onderwijs op deze eilanden. Het volledige waarderingskader is te vinden in bijlage 7. Het bevat dezelfde standaarden als het waarderingskader voor Europees Nederland. Op enkele plaatsen is de beschrijving van de basiskwaliteit aangepast vanwege de afwijkende wet- en regelgeving.

Bijlage 7. Waarderingskader voortgezet onderwijs Caribisch Nederland

Bijlage 8. Uitwerking burgerschap en basiswaarden

B. Basiswaarden van de democratische rechtsstaat

In deze bijlage is het waarderingskader voor het toezicht op het praktijkonderwijs opgenomen. De toelichting hierop is te vinden in paragraaf 9.3.

1 Volgens artikel 1, sub c, RJO: het geheel van verslaggevingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392, titel 9, boek 2, BW.

2 In plaats van leerlingen kan hier ook studenten worden gelezen.

Bijlage 3. Onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het (voortgezet) speciaal onderwijs

Inleiding

Visie

1. Inleiding

1 De wettelijke opdracht tot bevordering is ook herkenbaar in een aantal kerndoelen voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs, die eveneens op sociale en maatschappelijke competenties betrekking hebben. Te denken valt met name aan de kerndoelen 35, 36, 38, 43, 44, 45 en 47.

Toezicht op het bestuur en zijn scholen

Standaarden bestuursniveau

1.3. Begripsbepalingen

3 Zie voor begripsbepalingen artikel 1.1 WVO 2020.

Afsluiting

5 Met inachtneming van hetgeen bepaald is in artikel 9.2.12 WEB.

1. Inleiding

1.1. Inleiding

1.4. Niveaus in het toezicht

1.5. Werking en evaluatie

2.1. Inleiding

Via de standaarden voor kwaliteitszorg van bestuur en school (standaarden SKA1-3; BKA1-3) beoordeelt de inspectie tenslotte of het onderwijs aan de wettelijke eisen voldoet en het bestuur haar zorgplicht hieromtrent realiseert (standaarden SKA1-3; BKA1-3).

Om te onderzoeken in hoeverre de besturing door het bestuur op orde is, ondernemen we onderzoeksactiviteiten op bestuurs- en schoolniveau die we vooraf vastleggen in een onderzoeksplan. Met verificatie-activiteiten toetsen we bij besturen en scholen in hoeverre het bestuur zicht heeft op de kwaliteit van zijn onderwijs, het financieel beheer en hoe het bestuur daarop stuurt. Zo spreken we onder andere met de medezeggenschapsraad of studentenraad en het interne toezicht. Daarnaast voeren we activiteiten op scholen uit, zoals het voeren van gesprekken met leerlingen, ouders en schoolleiders of het afleggen van lesbezoeken. Ook kunnen we een risico-onderzoek uitvoeren. Het onderzoek leidt tot een oordeel of waardering per standaard. Op basis van de beslisregels beoordelen we de besturing ook op het niveau van het gehele kwaliteitsgebied. Dit laatste is voor sommige sectoren nieuw ten opzichte van 2017. De waardering Goed kunnen we zowel op het niveau van de standaard als op het niveau van het kwaliteitsgebied toekennen als het bestuur niet alleen voldoet aan de deugdelijkheidseisen, maar ook ambities realiseert die daarboven uitstijgen. Het rapport van het onderzoek, inclusief de oordelen en waarderingen, maken we openbaar via onze website.

2.3.1. Verbeteren stelselkwaliteit

De burgerschapswet creëert geen nieuwe basiswaarden. Ook onder de eerdere wettelijke opdracht was sprake van bevordering van deze basiswaarden. Wel is het gewicht daarvan groter geworden. In aansluiting bij deze wettelijke kaders en ter bevordering van de continuïteit voor onderwijspraktijk en inspectietoezicht wordt in de op praktijk gerichte operationalisering uitsluitend uitgegaan van de volgende uitwerkingen. Deze uitwerkingen zijn gericht op concrete toepassing in de dagelijkse schoolpraktijk en geformuleerd op voor alle betrokkenen (inclusief leerlingen) toegankelijke wijze:

1. Inleiding

1.1. Inleiding

Het onderwijs verandert voortdurend door nieuwe ontwikkelingen in de samenleving. Daarom is het nodig het toezicht op (de kwaliteit van) het onderwijs regelmatig aan te passen. In 2017 is het toezicht vernieuwd. Sinds die tijd is de verantwoordelijkheid van besturen voor de kwaliteit van hun scholen het uitgangspunt voor het toezicht. In het toezicht op het onderwijs in Nederland gaat het om de leerlingen en studenten.

2.3.3. Waarborgen

2.3. Uitgangspunten voor het toezicht

2.3.5. Proportionaliteit en maatwerk

2.3.2. Verantwoordelijkheid bij besturen

3. Stelseltoezicht

Het stelseltoezicht gaat uit van het belang dat de samenleving als geheel heeft bij het onderwijs: het publieke belang. Als onderdeel daarvan geven we in het toezicht aandacht aan specifieke kansen en bedreigingen, specifieke onderdelen van het stelsel of groepen leerlingen. Als toezichthouder moeten we daarom weten hoe het onderwijs zich ontwikkelt en, als er iets niet goed loopt, de samenleving informeren. De kernfuncties van het onderwijs (kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen) nemen we in ons toezicht als uitgangspunt voor de omschrijving van de kwaliteit van het onderwijsstelsel.

1.4. Niveaus in het toezicht

2.3.5. Proportionaliteit en maatwerk

Wanneer we een risico-kwaliteitsonderzoek of een steekproef-kwaliteitsonderzoek uitvoeren of overwegen op standaardniveau de waardering Goed toe te kennen gebruiken we standaarden uit het waarderingskader voor scholen. We beoordelen standaarden binnen de kwaliteitsgebieden Onderwijsproces, Veiligheid en schoolklimaat, Onderwijsresultaten en Sturen, kwaliteitszorg en ambitie.57In het middelbaar beroepsonderwijs gaat het ook om Borging en afsluiting. De standaarden krijgen een oordeel of waardering. Daarnaast kan een school, op basis van een beslisregel, het eindoordeel Zeer zwak, Onvoldoende of Voldoende (basiskwaliteit) krijgen. De oordelen en/of waarderingen, die vaak onderdeel zijn van het rapport van het vierjaarlijks onderzoek, maken we openbaar via onze website.

3. Stelseltoezicht

3.1. Inleiding

1.1. Inleiding

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)